Bijlage 1 Toelichting, regels en bijlagen bestemmingsplan Julianaweg 10 aangepast A24.000079
Tekst van het document
JULIANAWEG 10, MOERKAPELLE Zuidplas bestemmingsplan
1/2
DATUM KENMERK
12 maart 2024 NL.IMRO.1892.BpJulianawg10Mkp-Va01
PROJECT PROJECTLEIDER
Julianaweg 10, Moerkapelle ir. R.A. Sips
OPDRACHTGEVER VOF Veldsla kwekerij de Vreede PROJECTNUMMER 20211839 AUTEUR STATUS
2/2
S. den Breejen MSc vastgesteld
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
Inleiding
9
1.1
Aanleiding en doel
9
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
10
1.3
Vigerend bestemmingsplan
11
1.4
Leeswijzer
12
Planbeschrijving
13
2.1
Inleiding
13
2.2
Beschrijving bestaande situatie
13
2.3
Beschrijving beoogde situatie plangebied
15
2.4
Verkeer en parkeren
16
2.5
Gebiedsontwikkeling en uitwerkingsregels
16
Ruimtelijk beleidskader
21
3.1
Inleiding
21
3.2
Rijksbeleid
21
3.3
Provinciaal beleid
23
3.4
Gemeentelijk beleid
26
Planologische relevante (milieu)aspecten
31
4.1
Inleiding
31
4.2
Bodem
31
4.3
Verkeer en parkeren
32
4.4
Waterhuishouding
34
4.5
Archeologie en cultuurhistorie
37
4.6
Ecologie en Stikstofdepositie
38
4.7
Wegverkeerslawaai
41
4.8
Bedrijven en milieuzonering
42
4.9
Externe veiligheid
44
4.10
Luchtkwaliteit
48
4.11
Kabels en leidingen
49
4.12
Milieueffectrapportage en vormvrij m.e.r.-beoordeling
49
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
3/106
Hoofdstuk 5
Juridische plantoelichting
51
5.1
Inleiding
51
5.2
Opbouw van de regels
51
5.3
Inleidende regels
52
5.4
Bestemmingsregels
52
5.5
Algemene regels
53
5.6
Overgangs- en slotregels
54
Economische uitvoerbaarheid
55
6.1
Inleiding
55
6.2
Kostenverhaal
55
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
57
7.1
Vooroverleg
57
7.2
Zienswijzen
58
Hoofdstuk 6
Hoofdstuk 7
Bijlagen toelichting Bijlage 1
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Bijlage 2
Verkennend en nader bodemonderzoek
Bijlage 3
Notitie stikstof
Bijlage 4
AERIUS-berekening
Bijlage 5
Quick scan ecologie
Bijlage 6
Advies ODMH
Bijlage 7
Akoestisch onderzoek
Bijlage 8
Onderzoek milieuzonering
Bijlage 9
Nota van beantwoording
4/108
Regels Hoofdstuk 1
Inleidende regels
79
Artikel 1
Begrippen
79
Artikel 2
Wijze van meten
84
Bestemmingsregels
85
Artikel 3
Water
85
Artikel 4
Wonen
86
Artikel 5
Tuin
89
Artikel 6
Verkeer - Verblijfsgebied
91
Hoofdstuk 3
Algemene regels
93
Artikel 7
Anti-dubbeltelregel
93
Artikel 8
Algemene bouwregels
94
Artikel 9
Algemene gebruiksregels
95
Artikel 10
Algemene afwijkingsregels
96
Artikel 11
Algemene wijzigingsregels
97
Artikel 12
Overige regels
98
Overgangs- en slotregels
101
Artikel 13
Overgangsrecht
101
Artikel 14
Slotregel
102
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 4
Bijlagen regels Bijlage 1
5/106
Lijst van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging
6/106
TOELICHTING
© RHO ADVISEURS BV Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
Hoofdstuk 1
1.1
Inleiding
Aanleiding en doel
Aan de Julianaweg 10 in Moerkapelle bestaat het initiatief om naast de bestaande woning, twee nieuwe woningen te realiseren. Deze gronden maken onderdeel uit van een groter gebied, waar de gemeente in het huidige bestemmingsplan al een uit te werken woonbestemming heeft opgenomen voor toekomstige woningbouw. Dat gaat echter over woningbouw op grotere schaal, die momenteel nog onvoldoende concreet is uitgewerkt. Het plan van de initiatiefnemer aan de Julianaweg 10 bevindt zich aan de buitenrand van de grotere woningbouwlocatie. Dit maakt dat deze kleinschalige ontwikkeling afzonderlijk toegestaan kan worden, zonder dat daarmee consequenties optreden voor de ontwikkeling van het grotere gebied die later vorm zal moeten krijgen. Overigens heeft de initiatiefnemer ook plannen om achter de twee nieuwe woningen een aantal nieuwe woningen te realiseren. Deze zouden dan ter plaatse van de bestaande kas op dit adres gesitueerd worden, die daarvoor gesloopt zal moeten worden. Daarvan is door de gemeente aangegeven dat dat gedeelte van de plannen wel om een nadere inpassing in de ontwikkeling van het grotere geheel vraagt. Om die reden is de knip gemaakt om nu alleen de twee nieuwe woningen aan de voorzijde van het perceel, langs de Julianaweg, mogelijk te maken.
Omdat dit niet mogelijk is op basis van het vigerende bestemmingsplan, is voor de twee woningen dit nieuwe (postzegel)bestemmingsplan opgesteld. Hierin wordt de ontwikkeling beschreven, gemotiveerd en juridisch-planologisch geregeld. In het vigerende bestemmingsplan zijn uitwerkingsregels opgenomen die zijn opgesteld ten behoeve vaan een grotere beoogde woningbouwontwikkeling op deze locatie en omringend gebied. Omdat voortijdig deze kleinere ontwikkeling tot stand moet komen is het voorliggend plan noodzakelijk.
9/106
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied ligt naast de bestaande woning aan de Julianaweg 10 in Moerkapelle, aan de zuidkant van de woonkern van Moerkapelle. In figuur 1.1. is de ligging van het plangebied aangegeven. In de figuur is met de rode pointer de bestaande woning aangeduid. De witte omlijning betreft de bedrijfsgrond die bij deze woning horen en die grotendeels nog met kassen is ingevuld. Aan de voorzijde daarvan, rood omlijnd, bevinden zich de gronden waarop de twee nieuwe woningen met bijbehorend perceel ingericht worden. De begrenzing bestaat aan de voorzijde (Julianaweg) en de noord- en zuidzijde uit de kadastrale begrenzing. Aan de achterzijde reikt het plangebied over de eerste 10 m van de bestaande kas.
Figuur 1.1: Ligging plangebied
10/106
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Het vigerende bestemmingsplan, betreft het bestemmingsplan Zuidplas Noord, zoals vastgesteld op 16 juni 2009. Dit bestemmingsplan is voor grote delen consoliderend van aard, wat inhoudt dat daarmee de bestaande functies en bebouwing van een passende regeling zijn voorzien. Het plangebied van de twee nieuwe woningen, ligt daarentegen in een zone waarvoor de bestemming 'Woongebied - uit te werken 2' is opgenomen. Een uitsnede van het vigerende plan is opgenomen in figuur 1.2. Deze uit te werken bestemming bevindt zich aan de zuidkant van Moerkapelle, waar zich nog enkele glastuinbouw bedrijven en kleinere agrarische percelen bevinden. Met de uit te werken woonbestemming, zijn deze gronden al voor het wonen aangewezen. Het feit dat het een uit te werken bestemming betreft, brengt daarentegen met zich mee dat deze bestemming nog nader uitgewerkt moet worden alvorens er omgevingsvergunningen verleend kunnen worden. In totaal ziet deze uit te werken bestemming op de ontwikkeling van minimaal 100 en maximaal 300 woningen.
Afbeelding 1.2: Vigerende bestemming. Eveneens zijn ter plaatse de parapluplannen 'Parapluherziening parkeren' (vastgesteld 2018-04-24) en 'Parapluherziening Archeologie' (vastgesteld 2018-03-06) van toepassing. Beide parapluherzieningen gelden ter aanvulling op het vigerend bestemmingsplan 'Zuidplas Noord'.
11/106
Het bestemmingsplan 'Parapluherziening parkeren' stelt aanvullende eisen ten aanzien van parkeren, dit geldt voor het gehele grondgebied van de gemeente. Het bestemmingsplan 'Parapluherziening Archeologie' stelt aanvullende eisen ten aanzien van archeologie door middel van specifieke archeologische waarden. Ter plaatse van de twee nieuwe woningen aan de Julianaweg, is geen archeologische regeling opgenomen.
1.4
Leeswijzer
Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding met bijbehorende regels, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen de juridisch bindende elementen van het bestemmingsplan. In de toelichting is een beschrijving van het plangebied opgenomen en zijn de aan het plan ten grondslag gelegen keuzes en beleidsuitgangspunten beschreven.
De toelichting bestaat uit 7 hoofdstukken: Hoofdstuk 2 beschrijft de bestaande ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied. De planontwikkeling wordt getoetst aan verschillende beleidskaders op rijks provinciaal en gemeentelijk niveau in hoofdstuk 3. Daarbij wordt van globaal naar meer gedetailleerd gewerkt. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de verschillende planologisch relevante (milieu) aspecten. Hierbij vindt er een toets aan de diverse milieu- en omgevingsaspecten worden plaats. Hoofdstuk 5 omvat de toelichting van relevante juridische systematiek en de afzonderlijke bestemmingen. Ten slotte wordt de economische- en maatschappelijke uitvoerbaarheid onderbouwd in hoofdstukken 6 en 7.
12/106
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Inleiding
Voor het formuleren van het beleid en het opstellen van het bestemmingsplan is het van belang dat de uitgangspunten van de gewenste situatie en de huidige situatie van het plangebied goed in beeld worden gebracht. Het plangebied is om deze reden geïnventariseerd en geanalyseerd. In dit hoofdstuk wordt de huidige en beoogde situatie binnen het plangebied beschreven, daarbij wordt mede ingegaan op de aspecten ontsluiting en parkeren.
2.2
Beschrijving bestaande situatie
De gronden maken onderdeel uit van de gronden bij een glastuinbouwbedrijf. Binnen het plangebied zijn ondersteunende bouwwerken aanwezig in de vorm van een schuur en het waterbassin. Foto's hiervan zijn weergegeven in figuur 2.1. en 2.2. Daar achter bevindt zich de bestaande kas, waarvan de eerste 10 m diepte ook tot het plangebied behoort. Met het planvoornemen zullen de schuur en het waterbassin gesloopt c.q. verwijderd worden en zal de kas ingekort worden, om ruimte te maken voor de beoogde woningen. De locatie van het waterbassin zal als eerste vrij gemaakt worden voor de nieuwbouw voor één van de twee woningen. Tijdens of na de realisatie daarvan, zal ook het tweede woonperceel gerealiseerd worden. De kas wordt zoals gezegd ingekort, om op die manier ruimte achter de nieuwe woningen te realiseren voor een achtererf. Het inkorten van de kas hangt tevens samen met het aspect 'milieuzonering', waar in paragraaf 4.8 nader op ingegaan wordt. Het deel van de kas dat behouden blijft, zal vooralsnog als zodanig in gebruik blijven. Ter plaatse van dit deel heeft de initiatiefnemer eveneens plannen voor toekomstige woningbouw. Deze vallen echter buiten de scope van dit bestemmingsplan. De gemeente heeft daarvan aangegeven dit te willen beschouwen in samenhang met de grotere woningbouwopgave binnen dit gebied aan de zuidzijde van Moerkapelle.
Aan de voorzijde grenzen de percelen aan de Julianaweg. De gronden hebben op dit moment al een aansluiting op deze weg, ter hoogte van de genoemde schuur.
Figuur 2.1: foto noordelijk perceel
13/106
Figuur 2.2: foto zuidelijk perceel
Figuur 2.3: foto's omgeving
14/106
2.3
Beschrijving beoogde situatie plangebied
Figuur 2.4 geeft een schematisch overzicht van de beoogde ontwikkeling. Het waterbassin op de locatie als eerst gesaneerd worden. Als beschreven in 2.2, zullen het waterbassin en de schuur gesloopt worden, zodat er ter plaatse ruimte ontstaat voor twee nieuwe woningen.
Afbeelding 2.4: Overzicht bestaande situatie - slopen - nieuwbouw Op dit moment is er nog geen concreet bouwplan dat op deze plek gepresenteerd of beschreven kan worden. Dat neemt niet weg dat de ruimtelijke kaders uit dit bestemmingsplan voldoende duidelijk zijn om de ruimtelijke kenmerken van het plan te beschrijven. In de eerste plaats worden met het bestemmingsplan twee bouwvlakken vastgelegd, voor ieder van de twee woningen één. Deze bouwvlakken zijn bepalend voor de locatie van de twee hoofdgebouwen. Tevens is vastgelegd dat het om vrijstaande woningen dient te gaan en zijn de maximum goot- en bouwhoogte opgenomen van respectievelijk 7 m en 10 m. Hiermee is de ruimtelijke hoofd opzet van het plan vastgelegd en kan daarbinnen door de initiatiefnemer een bouwplan worden uitgewerkt. Naast het bestemmingsplan dient bij de uitwerking van het bouwplan ook rekening gehouden te worden met het gemeentelijk welstandsbeleid, dat naast de ruimtelijke kaders uit het bestemmingsplan verder stuurt op de verschijningsvorm van het plan, onder meer regels te stellen over bouwstijlen en kleur- en materiaalgebruik.
15/106
2.4
Verkeer en parkeren
De twee nieuwe woonpercelen zullen beide ontsloten worden via de Julianaweg. Ter hoogte van de bestaande schuur bevindt zich momenteel al een inrit, die in de nieuwe situatie door de twee woningen gedeeld zal worden. Via de Julianaweg kan de dorpskern van Moerkapelle worden bereikt en staat het plangebied ook in verbinding met de verdere doorgaande wegenstructuur. Wat betreft het parkeren zal conform het gemeentelijk parkeerbeleid op eigen terrein in voldoende parkeerbehoefte voorzien moeten worden. Op basis van de gemeentelijke parkeernormen gaat het om 3 parkeerplaatsen per woningen. Hier zal bij de erf indeling rekening mee gehouden moeten worden. Een nadere toelichting op de aspecten verkeer en parkeren, waaronder ook een berekening van de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte, is opgenomen in paragraaf 4.3
2.5
Gebiedsontwikkeling en uitwerkingsregels
Het vigerende bestemmingsplan ‘Zuidplas Noord’, zoals vastgesteld op 16 juni 2009, kent ter plaatse van het plangebied en daaraan grenzende gronden de bestemming Woongebied - Uit te werken 2. Met deze uit te werken bestemming wordt in twee stappen een woningbouwontwikkeling mogelijk gemaakt. De eerste stap is dat de gronden (alvast) zijn aangemerkt als Woongebied en de tweede stap is dat de bestemming nader uitgewerkt dient te worden in een uitwerkingsplan, alvorens hier vergunningsaanvragen aan getoetst kunnen worden en omgevingsvergunningen verleend kunnen worden. De uit te werken bestemming is in die zin niet direct toepasbaar. Voor de beoogde ontwikkeling van de twee woningen, is beoordeeld of voldaan wordt aan de daarvoor opgenomen uitwerkingsregels. In dat geval had een uitwerkingsplan opgesteld kunnen worden, waarvoor een eenvoudiger procedure geldt dan voor een (postzegel)bestemmingsplan. Uit de toetsing bleek echter, dat de uitwerkingsregels dat op het detailniveau van twee woningen, niet voldaan kon worden aan de uitwerkingsregels. Dit hing in belangrijke mate samen met het feit dat een deel van de uitwerkingsregels betrekking heeft op zaken waar pas bij de grotere ontwikkeling met 100 – 300 woningen zoals oorspronkelijk bedoeld, iets over geconcludeerd kan worden.
Hierbij moet gedacht worden aan zaken als de (algehele) verkaveling, woningbouwcategorieën, voorzieningen en de beeldkwaliteit en energieprestatie van de gehele wijk. Nu voor deze ontwikkeling een (postzegel)bestemmingsplan is opgesteld, hoeft in juridische zin niet getoetst te worden aan de uitwerkingsregels uit het vigerende plan. Dat neemt niet weg dat het vanuit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt wenselijk is dat de ontwikkeling van deze twee woningen in belangrijke mate aansluiten bij de uitgangspunten die voor die grotere ontwikkeling gelden, zodat de twee woningen op een natuurlijke manier in het grotere geheel passen op het moment dat tot die grotere ontwikkeling over wordt gegaan.
16/106
Het uit te werken woongebied is één van de twee ontwikkellocaties. Deze bevinden zich aan de oost- en zuidzijde van Moerkapelle en daar wordt in totaal beoogd om zo'n 800 woningen te realiseren. De ontwikkelingsstrategie voor de dorpsuitbreiding als geheel luidt: • Geleidelijke ontwikkeling via kleine clusters of individuele kavels • Strakke regie op bouwen en inrichten om dorps karakter te bewaken en eenvormigheid te voorkomen • Aan de randen bouwen in lage dicht heden (landelijk wonen).
Figuur 2.5: Ontwikkelgebieden rondom Moerkapelle en Zevenhuizen, met woningbouw aangeduid met cijfer 9 Het gebied aan de zuidzijde van Moerkapelle, waar ook de twee woningen gesitueerd zijn, zou zich volgens het vigerend plan zowel op de kern en op het landelijke gebied aan de westzijde kunnen gaan oriënteren.
17/106
Een aantal uitgangspunten die voortvloeien uit de uitwerkingsregels en waar op woning- of perceelsniveau aan getoetst kunnen worden: I.
bij de uitwerking van de stedenbouwkundige opzet wordt aangesloten bij de bestaande, reeds uitgewerkte of nog uit te werken aangrenzende gebieden. Uitgangspunt vormt een aansluiting bij de identiteit en opbouw van het bestaande dorp en de landschappelijke kwaliteiten van de omgeving. II. de woningen worden in jaarfasen gerealiseerd afgestemd op het gemeentelijk woningbouwprogramma; III. de bouwpercelen hebben, voor vrijstaande woningen, een kavelbreedte op de voorgevellijn van ten minste 20 meter; IV. in het uitwerkingsplan worden bouwvlakken opgenomen waarbinnen de hoofdgebouwen (woningen), aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij de woningen dienen te worden gebouwd; V. de hoofdgebouwen moeten worden gebouwd in of achter de voorgevel rooilijn; VI. de bouwhoogte van woningen bedraagt ten hoogste 10 meter en voor bebouwing aan de stedenbouwkundige dragers alsmede voor gestapelde woningen ten hoogste 13 meter; VII. de parkeer voorzieningen dienen te worden gerealiseerd op eigen terrein; VIII. voor de vaststelling van het uitwerkingsplan dient vast te staan dat er een aanvaardbare milieuhygiënische woonsituatie zal zijn gewaarborgd. Ten aanzien van deze uitgangspunten geldt het volgende: I. Aan bovenstaande uitgangspunten wordt met die (postzegel)bestemmingsplan voldaan.
De twee woningen krijgen met dit bestemmingsplan dezelfde bouwmogelijkheden als de andere woningen aan de Julianaweg die het plan Zuidplas Noord de woonbestemmingen kenden. Daarmee ontstaat samenhang met de bestaande omgeving. Ook op het gebied van welstand zijn dezelfde voorschriften van toepassing als voor de omliggende woningen, waarmee ook bij de uitstraling van de gebouwen rekening wordt gehouden met de omgeving op het moment dat de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt aangevraagd; II. de twee nieuwe woningen passen binnen de opgaven uit de Woonvisie 2025, waarin tot 2030 een behoefte van 3.250 nieuwe woningen wordt gesignaleerd met de grootste druk op eengezins-koopwoningen. Met het plan wordt daar invulling aan gegeven. III. de breedte van de twee woonpercelen voldoet aan de vereiste 20 m; IV. op de verbeelding bij dit bestemmingsplan zijn bouwvlakken opgenomen waarbinnen de hoofdgebouwen van de twee nieuwe woningen gebouwd moeten worden; V. hoewel geen exacte rooilijn is opgenomen in dit bestemmingsplan, is de voorste grens van het bouwvlak op de verbeelding zo gesitueerd dat die in lijn ligt met de rooilijn van de meest nabij gelegen woningen. De nieuwe woningen zullen dus in diezelfde lijn gebouwd worden, of daarachter, hoewel dat laatste niet te verwachten valt gelet op de beperkte diepte van de percelen. VI.
in dit bestemmingsplan is een maximum bouwhoogte van 10 m opgenomen, corresponderend met de maximum bouwhoogte van de woning Julianaweg 10. VII. de parkeergelegenheid zal conform de gemeentelijke parkeernorm op eigen terrein gerealiseerd worden. Echter is vanuit de gemeente in een motie gesteld dat het noodzakelijk is om de benodigde parkeerplaatsen aan te duiden binnen het plangebied. Dit zal daarom in de verbeelding en regels worden vastgesteld. VIII. De toets aan de uiteenlopende milieu aspecten, is beschreven in hoofdstuk 4, waaruit blijkt dat het plan voldoet aan de wet- en regelgeving die bij de betreffende aspecten van toepassing zijn.
18/106
Daarnaast is duurzaamheid een belangrijk onderwerp in de uitwerkingsregels, met dien verstande dat de uitwerkingsregels uit 2009 stammen en op het gebied van duurzaamheid inmiddels zijn ingehaald door de tijd. Geconcludeerd wordt dat de twee nieuwe woningen gebouwd zullen worden conform de laatste wettelijke vereisten op dat gebied met BENG (Bijna EnergieNeutrale Gebouwen, BENG). Die systematiek heeft de EPC-systematiek (EnergiePrestatie-Coëfficiënt) sinds 2021 vervangen, waar in de uitwerkingsregels nog over gesproken wordt. Gelet op bovenstaande, wordt geconcludeerd dat de twee nieuwe woningen bij de meest voorname uitgangspunten aansluiten die de uitwerkingsregels voorschrijven en waar op woning- c.q. perceelsniveau aan getoetst kan worden. Aan andere uitgangspunten die meer betrekking hebben op de structuur en de uitstraling van de wijk (o.a.: groen, water, verkeer, woningdifferentiatie) kan naar aanleiding van plan van beperkte omvang niets over geconcludeerd worden. In dat licht kan nog wel worden aangevoerd dat de twee nieuwe woningen op een logische wijze aan de Julianaweg gesitueerd worden, aan de rand van het te ontwikkelen gebied. De twee nieuwe woningen brengen daarom geen ruimteclaims met zich mee die bij de verdere ontwikkeling van het gebied tot onhandige of ongewenste hoeken of snippers leiden in het ontwikkelgebied.
De ontsluiting van het verkeer richting het achterliggende gebied is binnen dit bestemmingsplan geregeld met een verkeersbestemming op dit perceel. Dit zorgt ook voor een aansluitende verkeerssituatie in de toekomst. Een samenhangende inrichting voor de totale ontwikkeling blijft daarmee zonder meer mogelijk.
19/106
20/106
Hoofdstuk 3 3.1
Ruimtelijk beleidskader
Inleiding
In dit hoofdstuk word relevant rijks- provinciaal en gemeentelijk beleid getoetst aan de beoogde ontwikkeling. Deze worden in iedere paragraaf per schaalniveau van globaal naar gedetailleerd behandeld en telkens afgesloten met een conclusie.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (2020) & Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (barro, 2020) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee moet ingespeeld worden op de grote uitdagingen die te wachten staan. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste op regionaal niveau worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten:
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. Duurzaam economisch groeipotentieel. Sterke en gezonde steden en regio's. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren. In sommige gevallen moeten belangen worden afgewogen en scherper keuzes worden gemaakt. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
21/106
Doorwerking en conclusie In dit geval is geen sprake van een ontwikkeling waarmee Rijksbelangen zijn gemoeid. Er is dan ook geen sprake van strijd met het Rijksbeleid zoals verwoord in de NOVI.
3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van wijzigingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere planologische kernbeslissingen (pkb's) met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over wijzigingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking en conclusie Het Barro bevat geen regels die van toepassing zijn voor het onderhavige plan. Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit plan. 3.2.3 Ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), artikel 3.1.6., tweede lid, zijn eisen opgenomen waaraan een plan moet voldoen als dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt.
Nieuwe stedelijke ontwikkelingen, zoals een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen kunnen ingrijpende gevolgen hebben voor de omgeving. Daarom is het noodzakelijk dat in een plan, maar ook in een inpassingsplan van rijk of provincie of bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van een plan, nadrukkelijk wordt stilgestaan bij de vraag of er behoefte is aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Nieuwe stedelijke ontwikkeling De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Inmiddels heeft jurisprudentie reeds bepaald bij welke minimale omvang sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Conform jurisprudentie is bij 11 woningen geen sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921) en bij 12 woningen wel sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953).
Doorwerking en conclusie Bij voorliggend plan worden 2 nieuwe woningen gerealiseerd. Dit zijn minder dan 11 woningen, waardoor er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en de behoefte van de ontwikkeling niet hoeft te worden aangetoond. Daarmee kan geconcludeerd worden dat de Ladder voor duurzame verstedelijking geen belemmering vormt voor het voorliggende plan.
22/106
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland (2020, geconsolideerd) Op 20 februari 2019 hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland de Omgevingsvisie Zuid-Holland en de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. In het Omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. Omdat onderdelen uit het Programma ruimte naar het visiedeel zijn omgezet, is het resterende deel hiervan nu onderdeel van het Omgevingsbeleid. Het gehele Omgevingsbeleid is alleen redactioneel gewijzigd, de beleidsinhoud is niet veranderd. Op 1 april 2019 is de geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie in werking getreden. De provincie ziet zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze nevengeschikte ambities staan niet op zichzelf. Ze zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar deze regio voor staat. De ambities zijn de kaders waarbinnen de provincie ruimte geeft. Die ruimte kan per opgave verschillen. Door in te zetten op de zes ambities draagt de provincie bij aan het sterker maken van Zuid-Holland. Bij de zes ambities is een aantal opgaven geïdentificeerd. De opgaven zijn vanuit provinciale optiek en op een zeker abstractieniveau geformuleerd zonder een beoogde eindsituatie te schetsen.
Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. Het betreft de volgende ambities: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Naar een klimaatbestendige delta; Naar een nieuwe economie: the next level; Naar een levendige meerkernige metropool; Energievernieuwing; Best bereikbare provincie; Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
In het programma Ruimte zijn de instrumenten opgenomen waarmee de doelen en ambities uit de Omgevingsvisie uitgevoerd gaan worden. Omgevingskwaliteit Verbetering omgevingskwaliteit Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Daarbij streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Met het provinciaal omgevingsbeleid wordt aangesloten op de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Met het samenvoegen van al het bestaande beleid voor de fysieke leefomgeving heeft de provincie een eerste stap gezet richting een meer integrale sturing op omgevingskwaliteit. Een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit is weergegeven in de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit', behorende bij zowel de Omgevingsvisie als de Omgevingsverordening. Voor het realiseren van een goede omgevingskwaliteit werkt de provincie vanuit twaalf samenhangende opgaven van het omgevingsbeleid die zij van provinciaal belang acht.
23/106
De 12 opgaven zijn:
landschap en cultuurhistorie gezondheid en veiligheid natuur en recreatie ruimte en verstedelijking wonen bodem en ondergrond cultuurparticipatie en bibliotheken klimaatadaptie zoetwater en drinkwater bereikbaarheid regionale economie energievoorziening
Kwaliteitskaart Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening. De kwaliteitskaart is voor de provincie een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. De kaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming. De kwaliteitskaart is voor de provincie een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. In de Laag van de ondergrond maakt het plangebied onderdeel uit van een 'Veencomplex - Oude zeeklei'. Zuid-Holland kent een aantal droogmakerijen waar (in de toekomst) verzilting optreedt en het waterbeheer steeds lastiger wordt. Bij grote diepte kan daarnaast een waterveiligheidsvraagstuk spelen. Zorgvuldige omgang met het watervraagstuk (kwalitatief en/ of kwantitatief) is in deze droogmakerijen van belang. Als richtpunt geldt dat ontwikkelingen in droogmakerijen een bijdrage leveren aan een duurzame waterhuishouding. In de Laag van cultuur- en natuurlandschappen maakt het plangebied onderdeel uit van het droogmakerijenlandschap.
Droogmakerijen zijn ontstaan uit natuurlijke meren en uit verveningen. Ze hebben een duidelijke begrenzing door een ringdijk, ringvaart of oude hoge oeverlanden. Het landschap is visueel open (tenzij het is verstedelijkt), grootschalig en ligt gemiddeld enkele meters lager dan de omgeving. De droogmakerij kent een aangelegd watersysteem met hoofdtochten, gemaal en een regelmatige basisverkaveling. Ontginningsboerderijen liggen op regelmatige afstand langs de ontginningsweg. Elke droogmakerij heeft haar eigen ordening en maat; kavelgrootte en lengte-breedte-verhouding zijn uniek. Deze typerende opbouw is bepalend voor de manier van inpassing van nieuwe ontwikkelingen. Richtpunten voor nieuwe ontwikkelingen in droogmakerijen (klei en veen) zijn: De droogmakerij blijft als eenheid herkenbaar door het beleefbaar houden van de randen (ringdijk of –vaart) en het hoogteverschil tussen laaggelegen droogmakerij en omringend land Behoud van de (ring)dijk en/of vaart als herkenbare landschappelijke structuurdrager en begrenzing van de droogmakerijpolders. Op de Laag van de stedelijke occupatie ligt het plangebied ten zuidwesten van het bestaande stads- en dorpsgebied van Moerkapelle in de stads- en dorpsrand. Op de Laag van de Beleving is het plangebied niet specifiek aangeduid.
Aangrenzend aan het plangebied ligt de Moerkapelse Zijde, deze straat is aangeduid als een fiets- en wandelroute indicatief.
24/106
3.3.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland (2020, geconsolideerd) Provinciale Staten van Zuid-Holland hebben op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. In deze verordening zijn alle regels voor de fysieke leefomgeving van het bestaande provinciale omgevingsbeleid samengevoegd. Voor zover relevant worden deze hieronder toegelicht. Ruimtelijke kwaliteit Op grond van artikel 6.9, lid 1 van de Omgevingsverordening (Ruimtelijke kwaliteit) kan een plan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid. c.
als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid. Toetsing aan ruimtelijke kwaliteit Het plangebied ligt in een droogmakerijlandschap. Droogmakerijen zijn ontstaan uit natuurlijke meren en uit verveningen. Ze hebben een duidelijke begrenzing door een ringdijk, ringvaart of oude hoge oeverlanden. Het landschap is visueel open (tenzij het is verstedelijkt), grootschalig en ligt gemiddeld enkele meters lager dan de omgeving. De droogmakerij kent een aangelegd watersysteem met hoofdtochten, gemaal en een regelmatige basisverkaveling. Ontginningsboerderijen liggen op regelmatige afstand langs de ontginningsweg. Elke droogmakerij heeft haar eigen ordening en maat; kavelgrootte en lengte-breedte-verhouding zijn uniek. Deze typerende opbouw is bepalend voor de manier van inpassing van nieuwe ontwikkelingen.
Voor droogmakerijen (klei en veen) wordt aangehouden dat nieuwe ontwikkelingen worden vormgegeven als eigentijdse objecten aan de ontginningslijnen, passend bij de schaal en het patroon van de rechthoekige verkaveling, met strakke groene omzoming en behoud van ruime doorzichten. De woningen worden aan een bestaand bebouwingslint gesitueerd waardoor het passend is binnen de droogmakerij. Op de Kwaliteitskaart ('Laag van de stedelijke occupatie') ligt het plangebied in de stads- en dorpsrand. De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Daarbij zijn er drie typen 'overgangskwaliteiten' te onderscheiden. Het front, het contact en de overlap. Uitgangspunt bij ontwikkelingen aan dorpsranden is de contactkwaliteit.
25/106
In dit geval wordt met de twee nieuwe woningen aangesloten bij de lintstructuur en de toegestane maatvoering van de bestaande woningen langs de Julianaweg. Hiermee wordt aangesloten bij de uitgangspunten van de provinciale Omgevingsverordening op dit punt.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Omgevingsvisie Zuidplas 2040 De gemeenteraad van gemeente Zuidplas heeft op 13 juli 2021 de Omgevingsvisie Zuidplas vastgesteld. In deze Omgevingsvisie presenteert de gemeente het unieke karakter van de gemeente door middel van lange termijn ambities die onderverdeeld zijn in 4 thema's: 1. Aantrekkelijk Zuidplas 2. Duurzaam Zuidplas 3. Ondernemend Zuidplas 4. Gezond Zuidplas
Figuur 3.1 Visiekaart Zuidplas 2040 De Omgevingsvisie moet door middel van de ambities richting geven aan toekomstige ontwikkelingen die plaatsvinden in een veilige en gezonde fysieke leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit voor inwoners. De ontwikkeling van twee woningen, waar reeds woonruimte voor gereserveerd was door middel van een uit te werken bestemming in het vigerend bestemmingsplan, past als geplande uitbreiding binnen het aantrekkelijk maken van Zuidplas zoals benoemd als lange termijn ambitie.
26/106
3.4.2 Woonvisie 2025 Op 23 januari 2019 heeft de gemeenteraad de 'Woonvisie 2025 - Dorps wonen in Zuidplas, nu en in de toekomst' vastgesteld. De woonvisie 2025 beschrijft hoe Zuidplas een aantrekkelijke woongemeente kan blijven voor huidige en toekomstige inwoners. De Woonvisie 2025 geeft handvatten over hoe om te gaan met de veranderende woningvraag. Het is een belangrijk programmatisch toetsingskader voor nieuwbouwontwikkelingen. De Woonvisie vormt ook de basis voor de wettelijke verplichte prestatie-afspraken met woningcorporaties en huurdersvertegenwoordiging. Om de visie te realiseren zijn de stappen verwoord in drie speerpunten. Deze maken dat ook in de toekomst dorps wonen in een groene, duurzame gemeente mogelijk blijft. De drie speerpunten zijn: 1. Een divers en betaalbaar woningaanbod voor alle doelgroepen 2. Duurzaam wonen 3. Experimenten in wonen en ontmoeten Bij de speerpunten stelt de gemeente een aantal randvoorwaarden, die worden meegenomen bij de uitwerking ervan. De randvoorwaarden zijn: Het kenmerkende van het dorpse woonmilieu in Zuidplas is dat de vier dorpen en de twee buurtschappen van elkaar gescheiden zijn door ruime groene corridors. Deze blijven bestaan, ook al wordt er aan de randen van de dorpen bijgebouwd, waardoor ze niet aan elkaar vastgroeien. Ook een eventueel vijfde dorp zal omgeven zijn door groen.
De identiteit per dorp en buurtschap blijft behouden. Bij de doorontwikkeling van de dorpen worden de specifieke kenmerken vastgehouden. De thema's hebben betrekking op de totale bestaande voorraad en nieuwbouw. Het ontwikkelen van nieuwe woningen of het (her)inrichting van de buitenruimte worden ingezet om hiaten in de bestaande situatie op te lossen. Woningbouwopgave In de Zuidplas worden volop nieuwe woningen gebouwd om bij te dragen aan de woningbouwopgave in de Zuidvleugel. Uit onderzoek blijkt dat de vraag naar diverse woningtypen toeneemt. In de Woonvisie staan uitgangspunten voor de omvang van de diverse woon- en prijssegmenten die in Zuidplas nodig zijn. Deze uitgangspunten voor de woningvoorraad die in de Woonvisie staan, bieden houvast in de onderhandelingen over nieuwbouw met projectontwikkelaars en woningcorporaties. In de woonvisie staat geen woningverdeling per dorp. Nieuwbouwontwikkeling is maatwerk en daarom komen er randvoorwaarden voor elk nieuwbouwproject. Daarin wordt op basis van de locatie (het dorp), de marktomstandigheden en de grootte van het project aangegeven hoeveel woningen van welk type, prijsklasse, eigendomsverhoudingen (huur of koop) en kwaliteitsniveau gewenst zijn. Het toevoegen van de woningen is in overeenstemming met de uitgangspunten van de Woonvisie.
Doorstroming wordt gestimuleerd door woningen te bouwen aan de rand van de kern in Moerkapelle waaraan behoefte is voor mensen uit woningen die niet meer passen bij hun levensstijl of gezondheid.
27/106
3.4.3
Welstandsbeleid
Welstandsnota Zuidplas Op 4 juni 2015 is de Welstandsnota Zuidplas 2015 in werking getreden. Deze welstandsnota gaat uit van het principe welstandsvrij tenzij, zonder dat daarbij tekort gedaan wordt aan de ruimtelijke kwaliteit van Zuidplas. De regelgeving is verder vereenvoudigd. De Welstandsnota Zuidplas 2015 bevat nog maar twee welstandsniveaus. Structuurbepalende elementen, landschappelijke waardevolle gebieden, historische dorpskernen en centrumgebieden worden beschermd c.q. gestuurd met een zwaar welstandsregime. Het gebied dat overblijft met onder andere modale woonwijken en bedrijfsterreinen wordt welstandsvrij. Uit afbeelding 3.2 blijkt dat het plangebied onder het zware welstandsturingsgebied valt. Los daarvan bestaan er beeldkwaliteitdocumenten die de beoogde kwaliteit voor een nieuwe ontwikkeling borgen. Het maken van een beeldkwaliteitplan is in de motivatie van een vergunningaanvraag een goed instrument maar ook in gesprekken met bijvoorbeeld de provincie als het gaat om het afstemmen van ruimtelijke kwaliteit.
Figuur 3.2 Uitsnede welstandsregime Zuidplas
28/106
Beeldkwaliteitsplan Linten & Kwaliteitszone Ringvaart Zoals in onderstaande figuur te zien valt het plangebied binnen de kwaliteitszone Ringvaart.
Figuur 3.3 Uitsnede beeldkwaliteitskaart De lanen en linten in de Zuidplaspolder vormen samen met de zone langs de Ringvaart belangrijke ruimtelijke dragers voor de transformatie van de Zuidplaspolder. In het Beeldkwaliteitsplan Linten & Kwaliteitszone Ringvaart, is in dat licht beschreven hoe de gemeente bij ontwikkelingen in de linten wil sturen op zaken als situering, bebouwingsmogelijkheden en uitstraling. Het doel is om deze linten ook bij ontwikkelingen herkenbaar en onderscheidend te laten blijven, om daarmee het ‘geheugen van de polder’ te behouden. Toetsing Voor de ontwikkeling aan de Julianaweg 10 geldt het welstandsniveau: zwaar. Met inachtneming van de regels en criteria uit het Beeldkwaliteitsplan Linten & Kwaliteitszone Ringvaart zal het bouwplan passend in de omgeving ontworpen moeten worden. Dit bestemmingsplan vormt enkel het planologisch kader voor de betreffende ontwikkeling en in dit stadium is nog geen concreet bouwplan uitgewerkt. Verdere toetsing op dit vlak zal daarom, zoals gebruikelijk, plaats vinden in het kader van de latere aanvraag voor een omgevingsvergunning.
29/106
30/106
Hoofdstuk 4
4.1
Planologische relevante (milieu)aspecten
Inleiding
In dit hoofdstuk komen de uiteenlopende, planologisch relevante (milieu)aspecten aan bod. Voor ieder van deze aspecten is beschreven wat het toetsingskader is, waarna de beoogde ontwikkeling daaraan is getoetst. Voor enkele van deze aspecten zijn specifieke onderzoeken uitgevoerd. In dat geval is de onderzoeksrapportage opgenomen als bijlage bij deze toelichting en komen in de betreffende paragraaf de conclusies van het onderzoek aan de orde. Met de bevindingen uit dit hoofdstuk, is de uitvoerbaarheid van het plan aangetoond met betrekking tot de betreffende aspecten.
4.2
Bodem
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Onderzoek Voor het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. In bijlage 2 is een beknopt briefrapport opgenomen met daarin de resultaten van dat onderzoek. Omdat de resultaten van dit onderzoek aanleiding geven tot nader bodemonderzoek, is het definitieve onderzoeksrapport nog niet beschikbaar. Na het uitvoeren van het nader bodemonderzoek zal de onderzoeksrapportage aan dit bestemmingsplan worden toegevoegd. Uit het nu opgenomen briefrapport blijken naar aanleiding van het verkennend bodemonderzoek :
In de bovengrond is sprake van bijmengingen met bodemvreemde materialen. Het betreft met name zwakke bijmengingen met baksteen en zeer plaatselijk een sterke bijmenging met baksteen. Daarnaast zijn zeer plaatselijk sporen puin aangetroffen direct onder de betonverharding; Visueel is geen asbestverdacht materiaal waargenomen; De bovengrond, overwegend klei, is over het algemeen licht verontreinigd met zware metalen, PCB, PAK en hexachloorbenzeen (individuele OCB); Het sterk baksteenhoudende zand in de bovengrond is sterk verontreinigd met PAK en licht verontreinigd met diverse zware metalen, minerale olie en meerdere individuele OCB’s; De ondergrond is niet verontreinigd met de onderzochte parameters; Het grondwater is hooguit licht verontreinigd met molybdeen.
31/106
De aangetroffen sterke verontreiniging met PAK geeft aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek om de mate en omvang van de aangetroffen verontreiniging te bepalen. Gelet op bovenstaande, is nadien nader bodemonderzoek uitgevoerd om te kunnen bepalen of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging als bedoeld in de Wet bodembescherming. Dit onderzoek is eveneens opgenomen in het rapport dat is opgenomen als bijlage 2. Daaruit blijkt dat de omvang van de verontreiniging met PAK beperkt is en dat er ingevolge de Wet bodembescherming geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Het rapport stelt zich daarom op het standpunt dat aanvullend onderzoek niet nodig wordt geacht. Conclusie Het aspect bodem staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
4.3
Verkeer en parkeren
Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Gemeentelijk beleid Zuidplas De Nota Parkeernormen 2019 is het vigerend beleidsdocument omtrent parkeren binnen de gemeente Zuidplas. De nota stelt middels zone-aanduidingen en (woning)categorieën de parkeernormen vast voor de fiets en de auto. Motie parkeren op eigen terrein bij nieuw ruimtelijk plan of project In het kader van een ruimtelijk project is in maart 2022 een motie aangenomen met betrekking tot het parkeren op eigen terrein. De motie houdt in dat bij ieder nieuw ruimtelijk plan of project, beargumenteerd moet worden of het parkeren ten behoeve van dat project al dan niet op eigen terrein moet worden opgelost. En indien dat laatste het geval is, zal dit ook in de regels van het betreffende bestemmingsplan geborgd moeten worden. Onderzoek Verkeersgeneratie Op basis van maximaal 2 grondgebonden woningen bedraagt het aantal verkeersbewegingen ten hoogste 16,4 per etmaal (lichte motorvoertuigen).
Dit is berekend op basis van CROW-kentallen (publicatie 381), zie tabel. De verkeersgeneratie op basis van de CROW-kentallen is deels gebaseerd op de omgevingseigenschappen van de locatie en de directe omgeving. De gemeente Leeuwarden betreft een 'sterk stedelijke gemeente' en de locatie ligt in 'Centrum'. Het aantal verkeersbewegingen per woning van zware motorvoertuigen bedraagt 0,02 mvt/etmaal (CROW publicatie 381). Het totale aantal verkeersbewegingen van zware motorvoertuigen bedraagt afgerond 1 mvt/etmaal.
32/106
Woningtype
Aantal wooneenheden Kencijfer CROW woning
Koop, huis, vrijstaand
2
8,2
per
Verkeers-generatie per etmaal (weekdag) 16,4
Verkeersontsluiting Het plangebied wordt begrenst door de Julianaweg. De weg is getypeerd als een erftoegangsweg met een maximale snelheid van 30km/u. Ter hoogte van het plangebied gaat dit over in 60km/u De Julianaweg loopt van de Bredeweg (noord) tot de weg Noordeinde (zuid). Gezien de lage verkeersgeneratie kan gesteld worden dat extra verkeersbewegingen geen knelpunt vormen voor de verkeerstoestroming van de omgeving. Parkeren Op 5 november 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders de Nota Parkeernormen vastgesteld. De gemeente Zuidplas wil de toenemende vraag naar parkeergelegenheid op zodanige wijze faciliteren dat de kwaliteit van de openbare ruimte behouden blijft en de bereikbaarheid van de dorpen kan worden gewaarborgd. Het uitgangspunt daarbij is dat nieuwe ontwikkelingen voorzien in hun eigen parkeerbehoefte. Op basis van de gebiedsindeling ie de Nota parkeernormen 2019 hanteert, ligt het plangebied in zone C 'buitengebied', zoals ook blijkt uit figuur 4.1. De norm voor niet-gestapelde woningen met een zeer grote omvang (> 150m2) bedraagt op basis van deze Nota 2,8 parkeerplaatsen per woningen. Dit maakt dat beide woningen over 3 parkeerplaatsen moeten beschikken.
Figuur 4.1: Kaartbeeld parkeercategorieën gemeente Zuidplas
33/106
Gelet op de motie 'beargumenteren parkeren eigen terrein bij nieuw ruimtelijk plan of project' (M291) geldt in dit geval dat het parkeren bij deze ontwikkeling op eigen terrein zal worden opgelost. Deze verplichting is als planregel in dit bestemmingsplan opgenomen in lid 12.2. Dit betekent dat daar bij het aanvragen van de omgevingsvergunning voor het bouwen aan getoetst zal worden. In het uiteindelijke bouwplan zal dus aangetoond moeten worden dat beide woningen over voldoende parkeergelegenheid beschikken. De regeling verwijst naar de aanduiding 'parkeren' op de verbeelding, waarbinnen de parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Omdat de exacte inrichting van de twee woonpercelen nog niet uitgewerkt is, is deze aanduiding volledig over de twee woonpercelen getekend. Daarmee is in ieder geval geborgd dat de parkeerplaatsen op de percelen zelf gerealiseerd zullen worden. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbare verkeerstoestroming en woon- en leefklimaat.
4.4
Waterhuishouding
Toetsingskader Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan is overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan Provinciale Structuurvisie Verordening Ruimte
34/106
Hoogheemraadschapsbeleid Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het waterbeheerplan 2016-2022 'Met mensen en water', de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, peilbesluiten en de leggers. Het waterbeheerplan bevat de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard. Met het nieuwe Waterbeheerplan staat het HHSK voor een doelmatig en duurzaam waterbeheer, in directe verbinding met de omgeving. Per 1 januari 2016 is de geactualiseerde Keur in werking getreden. De Keur geeft met verboden aan welke activiteiten in de buurt van water en waterkeringen niet zijn toegestaan. Daarnaast geeft de Keur met geboden aan welke onderhoudsverplichtingen eigenaren en gebruikers van wateren en waterkeringen hebben. Huidige situatie Algemeen De huidige situatie ter plaatse van het plangebied is voor een gedeelte onverhard (groen) oppervlak met daarop een schuur en een waterbassin. Daarbij is er een woning aanwezig (blijft staan bij toekomstige ontwikkeling). Bodem grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. De bodem bestaat uit lichte klei en is sprake van grondwatertrap VI.
Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand hier van nature tussen 0,4 m en 0,8 m beneden het maaiveld ligt, terwijl de gemiddelde laagste grondwaterstand meer dan 1,2 m beneden het maaiveld ligt. De maaiveldhoogte ter plaatse bedraagt circa -4,10 meter NAP. Waterkwantiteit In het plangebied zijn watergangen aanwezig. Het plangebied wordt grotendeels ontsloten door een sloot getypeerd als ''overige water (OWA-7536)”, zie figuur 4.2. De waterlichamen worden behouden en er worden geen obstructies gerealiseerd rondom de kades. Ten westen van het plangebied loopt een groter waterlichaam, deze is niet gedefinieerd binnen de legger van het hoogheemraadschap. Wel is er bij dit waterlichaam een waterscheiding vastgesteld, zie de gestippelde lijn in figuur 4.2.
Figuur4.2. Waterkwantiteit
35/106
Afvalwaterketen en riolering De huidige woning in het plangebied is aangesloten op het rioleringssysteem. Toekomstige situatie Algemeen Het bestemmingsplan maakt de bestemming van twee woningen mogelijk. Bodem en grondwater De beoogde ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Waterkwantiteit Het hoogheemraadschap stelt dat bij een toename groter dan 500m2 aan verhard oppervlak er watercompensatie gerealiseerd moet worden. De bouwvlakken voor de twee woningen hebben een gezamenlijk oppervlak van circa 410 m2. Daarnaast geldt dat het plangebied in de huidige situatie reeds deels verharding van ca. 200 m2, in de vorm van terreinverharding en de bestaande schuur. Per saldo zal de toename aan verharding daarom nog lager liggen. Dit maakt dat er geen sprake is van een toename van groter dan 500m2. Watercompenserende maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk. Met de beoogde ontwikkeling wordt ook het waterbassin van het glastuinbouwbedrijf gesaneerd. Dit waterbassin dient uitsluitend een bedrijfsmatige functie en is geen waterberging vanuit waterhuishoudkundig oogpunt. Om die reden geeft het saneren van dit bassin geen aanleiding de capaciteit van dit bassin elders te compenseren.
Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid en waterkeringen. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend Hoogheemraadschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gescheiden rioolstelsel. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-) filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het Hoogheemraadschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de 'Keur'. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater.
36/106
In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het Hoogheemraadschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de 'Keur'. Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is geen vergunning op basis van de Keur noodzakelijk. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
4.5
Archeologie en cultuurhistorie
Toetsingskader Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Onderzoek Archeologie De gemeente Zuidplas heeft haar gemeentelijk archeologiebeleid doorvertaald naar het Paraplubestemmingsplan Archeologie, zoals vastgesteld op 6 maart 2018.
Met dit bestemmingsplan zijn beschermende regels vastgelegd, voor de uiteenlopende archeologische verwachtingszones. Voor elke te onderscheiden verwachtingswaarde wordt de bescherming geregeld via een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (voorheen 'aanlegvergunning'). De vergunningsplicht is van toepassing wanneer binnen een beschermde zone, ingrepen plaatsvinden die én groter én dieper zijn dan de voor die zone geldende maatvoeringen. Deze maatvoeringen zijn gebaseerd op de archeologische verwachting binnen de betreffende zone. De regeling ziet er op toe dat via onderzoek éérst inzicht ontstaat in de waarde van de bodem waarna, op basis van een afweging, alsnog een vergunning afgegeven kan worden voor het roeren van de bodem.
37/106
Ter plaatse van het plangebied voor de twee nieuwe woningen aan de Julianaweg, voorziet het Paraplubestemmingsplan Archeologie niet in een beschermende regeling, wat inhoudt dat ter plaatse geen onderzoek nodig is voor ingrepen. Cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn geen aangewezen monumenten of andere beschermde waarden, zoals molenbiotopen, aanwezig. Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.6
Ecologie en Stikstofdepositie
Toetsingskader Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: • Natura-2000 gebieden; • Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.