CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Nota Omgevingskwaliteit Zuidplas A23.000147

Gemeenteraad 6 juni 2023, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Nota Omgevingskwaliteit Zuidplas (NOZ)23.670 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

36

Vervolgens kunnen instrumenten worden ingezet die gericht zijn op de specifieke ontwikkeling, zoals beeldkwaliteitsplannen en het inzetten van een supervisor of kwaliteitsteam. Opstellen beeldkwaliteitsplan of vergelijkbaar Zodra een (her)ontwikkelingsproject aan de orde is kunnen nieuwe beoordelingskaders opgesteld worden, bijvoorbeeld in de vorm van een beeldkwaliteitplan. Een beeldkwaliteitplan of vergelijkbaar heeft een ontwikkelgericht karakter en vormt een sturingsinstrument voor de gewenste ruimtelijke kwaliteit. Een beeldkwaliteitsplan bevat in ieder geval de volgende onderdelen: -

een duidelijke begrenzing van het werkingsgebied waarop het beleid van toepassing is;

-

een analyse huidige situatie: de cultuurhistorische, landschappelijke en/of stedelijke omgeving;

-

een visie op de nieuwe situatie en indien van toepassing de motivering van de ontwerpkeuzes die gemaakt zijn ten aanzien van de inpassing van het plan in zijn omgeving;

-

de criteria of richtlijnen.

De ‘Gouden regels’ voor een goede omgevingskwaliteit (hoofdstuk 4) kunnen helpen als uitgangspunten bij het opstellen van een beeldkwaliteitplan.

Het beeldkwaliteitplan of een vergelijkbaar instrument wordt (samen met het bestemmingsplan of omgevingsplan) vastgesteld door de gemeenteraad, als aanvulling op deze nota. Om de adviescommissie, de supervisor of het kwaliteitsteam in staat te stellen de criteria of richtlijnen als beoordelingskader te gebruiken is het belangrijk in het raadsbesluit en eventueel in de inleiding van het beleidsdocument ook te verwijzen naar artikel 12a van de Woningwet of bij inwerkingtreding van de Omgevingswet naar artikel 4.19 van deze Omgevingswet. Het beeldkwaliteitplan of vergelijkbaar is van toepassing als beoordelingskader voor het betreffende gebied totdat het beeldkwaliteitsplan wordt ingetrokken. Of, en zo ja, wanneer een beeldkwaliteitsplan wordt ingetrokken kan per gebied verschillen. Het is beeldkwaliteitplan formeel in te trekken als deze niet meer van toepassing is. Bijvoorbeeld bij een (jaarlijkse) evaluatie van deze Nota Omgevingskwaliteit Zuidplas. Als een beeldkwaliteitsplan wordt ingetrokken dan zal de beoordeling voor het uiterlijk van bouwwerken plaatsvinden op basis van de beoordelingskaders zoals opgenomen in deze nota. In bijlage 3 is een overzicht opgenomen van de huidige van toepassing zijnde beeldkwaliteitsplannen voor beoordeling en advisering.

Witte Brug, Nieuwerkerk aan den IJssel

37

4. ‘Gouden regels’ voor een goede omgevingskwaliteit De gemeente onderschrijft de maatschappelijke doelstelling die de Omgevingswet ons allen - inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en overheid - oplegt om te zorgen voor een goede omgevingskwaliteit. De basis voor deze zorgplicht ligt voor de gemeente Zuidplas in deze ‘Gouden regels’. Hiermee geven we aan op welke manier we omgaan met onze gedeelde fysieke leefomgeving. De Gouden regels gelden voor de gemeente maar ook voor private partijen en ontwerpers. Ze gelden altijd: voor alle (grotere) initiatieven, projecten en beleidsuitwerkingen. Ze garanderen dat bestaande gebiedskwaliteiten worden gerespecteerd en bieden ruimte voor het toevoegen van nieuwe kwaliteiten. De Gouden regels hebben betrekking op het ontwerp- en ontwikkelproces, maar ook op gedrag en rollen van de overheid, private partijen, inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties. Ze gaan uit van draagvlak en respect voor de bestaande kwaliteiten en identiteit zonder vernieuwing te belemmeren. Zo dragen ze bij aan ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.

38

1. Kwaliteit is een gedeelde verantwoordelijkheid We zien goede omgevingskwaliteit als een gedeelde verantwoordelijkheid van inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en overheid. Van initiatiefnemers verwachten we goed opdrachtgeverschap in combinatie met een professioneel ontwerp leidt tot de beste resultaten. Dit noemen we ontwerpkracht. Van omwonenden vragen we betrokkenheid en inbreng van gebiedskennis. Als gemeente zetten we ons in voor een samenhangend beleid, snelle processen en transparante besluitvorming. Dat doen we evenredig. We stellen daarnaast hogere eisen naarmate de ruimtelijke gevolgen en openbare betekenis van de ingreep groter is.

2. De mensen in de omgeving hebben een rol Omgevingskwaliteit heeft niet alleen een fysieke betekenis maar ook een sociale: het krijgt gestalte in dialoog met de mensen die de omgeving gebruiken. Door hun verhalen en kijk op een plek krijgt deze waarde en betekenis. Ons uitgangspunt is dat eigenaren, initiatiefnemers en ontwerpers in ieder geval de directe omwonenden betrekken bij ontwikkelingen en planvorming. De intensiteit van deze betrokkenheid hangt samen met de schaal, de uitstraling en ruimtelijke gevolgen van de opgave. Zie ook het vastgestelde Kader Participatie 2021.

3. Er is samenhang tussen herkomst-, toekomst-, gebruiks- en belevings-

6. Een verandering dient bij voorkeur meerdere belangen

waarde De leefomgeving wordt op verschillende manieren gewaardeerd. We streven naar samenhang tussen: de herkomstwaarde (het erfgoed), de toekomstwaarde (duurzaam en robuust), de gebruikswaarde (het functioneren en de sociale inclusiviteit) en de belevingswaarde (schoonheid en thuisvoelen). In plan- en ontwerpprocessen moet worden gezocht naar samenhang van deze waarden.

We streven naar meervoudig ruimtegebruik. Een ruimtelijke verandering dient in beginsel altijd meerdere belangen. We vragen van iedereen inzet om te zorgen voor meerwaarde van private en publieke initiatieven en investeringen. Wie bijvoorbeeld infrastructuur aanpakt, neemt daarbij direct waterberging of energiewinning mee. Een goed ontwerp lost ogenschijnlijk conflicterende belangen of ruimteclaims op.

4. Een verandering draagt bij aan duurzame ontwikkeling We streven naar een aantrekkelijke, gezonde en duurzame leefomgeving. Alle (grotere) ruimtelijke opgaven en ontwikkelingen moeten daarom positief bijdragen aan de energietransitie, klimaatadaptatie, natuurinclusiviteit en/of biodiversiteit. Duurzaamheid moet altijd gezien worden als integraal onderdeel van het ontwerp en exploitatie.

5. Opvallen mag alleen in positieve zin Ons uitgangspunt is dat ontwikkelingen passen in hun omgeving of die verbeteren. Maar het betekent niet dat afwijken van de omgeving of toevoegen van nieuwe kwaliteiten niet mogelijk zijn. Een nieuwe kwaliteit mag opvallen en plekken accentueren. Uit de motivering moet blijken of het een positieve bijdrage levert aan de omgeving, structuur of identiteit/eigenheid van de plek. We hanteren daarbij de volgende stelregel: het is redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van de ingreep naarmate een ingreep zich sterker van zijn omgeving onderscheidt. We stellen daarbij eisen aan participatie, het programma, het ontwerp, de beoordeling en de besluitvorming.

39

7. Een ruimtelijk ontwerp begrijpt en verrijkt de geschiedenis De stad, de dorpen en het landschap veranderen voortdurend. De gelaagdheid van het landschap en de dynamiek van de verschillende functies zijn onderdeel van de kwaliteit. Sommige veranderingen gaan geleidelijk, andere komen snel. Sommige veranderingen blijven, andere zijn vluchtig. Dat is vooraf niet altijd goed te doorzien. We willen dat veranderingen voortbouwen op onze (eeuwen)oude kwaliteiten zoals de rechte lijnen van de polderwegen. We vragen inspanningen om de ruimtelijke geschiedenis van onze gemeente te begrijpen en te verrijken met nieuwe ontwikkelingen die logisch aansluiten op die geschiedenis.

8. De openbare ruimte heeft prioriteit De openbare ruimte wordt gevormd door groen en water, straten, (privé)tuinen, massa en volume van bouwwerken, gevels en daklandschap van gebouwen. Dit wordt ervaren als één geheel. Daarom geven we als gemeente prioriteit aan ontwerp, inrichting en beheer van de openbare ruimte. Van initiatiefnemers en ontwerpers vragen we goede vormgeving van de samenhang tussen openbare ruimte en privégebied en de relatie van een bouwplan met het stedelijke ensemble. De technische basis hebben we opgenomen in de Duurzame Inrichting Openbare Ruimte (DIOR).

Fietspad in de Eendragtspolder langs de Rotte

40

5. Beoordelingskader uiterlijk van bouwwerken Voor alle bouwplannen is een beoordelingskader van toepassing met betrekking tot het uiterlijk van bouwwerken; de architectonische verschijning. Aan de hand van het beoordelingskader en de regels van het bestemmingsplan/omgevingsplan wordt de vergunning beoordeeld. Hierbij geldt dat elke situatie uniek is. Elke aanvraag wordt voorzien van een passend advies. Uitgangspunt is om bouwwerken zó vorm te geven dat ze aansluiten op de bestaande gebiedskarakteristieken en dat rekening wordt gehouden met de aanwezige kernkwaliteiten zoals beschreven in hoofdstuk 3 Gebiedsgericht beleid. De omgeving is echter niet onveranderbaar. Veranderingen bieden kansen en mogelijkheden om nieuwe kwaliteiten toe te voegen. In deze gevallen kan er behoefte ontstaan om af te wijken van de gebiedskarakteristieken en het beoordelingskader voor het uiterlijk van bouwwerken (zie paragraaf 1.6. Juridische status). Het huidige bestemmingsplan of toekomstig omgevingsplan regelt het toestaan van bepaalde bouwactiviteiten, het gebruik, de situering en de maximale afmetingen. Voor bepaalde ontwikkelingen zijn beeldkwaliteitsplannen of andere aanvullende uitwerkingen van toepassing die gebruikt worden als inspiratiebron bij planvorming en als aanvullend beoordelingskader bij vergunningverlening.

41

Relatie met regieniveaus Uitgangspunt voor de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken is dat elke situatie uniek is. Vooraf kan men niet bedenken welke soort bouwwerk men wil bouwen en hoe deze van invloed is op de omgeving. Elke situatie, elke aanvraag om een omgevingsvergunning moet daarom dan ook elke keer specifiek bekeken en beoordeeld worden. Daarmee krijgt elke aanvraag ook een passend advies waarbij beoordelingsaspecten aan bod komen. De vier regieniveaus bepalen vooral de mate van toepassing van het beoordelingskader. Bij gebieden met een basis regieniveau zal de nadruk van de beoordeling liggen op de ruimtelijke hoofdaspecten (bijvoorbeeld situering en hoofdvorm) en bij gebieden met een maatwerk regieniveau ook op basis van detailaspecten (bijvoorbeeld gevelopbouw, kleur- en materiaalgebruik). Voor het rijksbeschermd dorpsgezicht van Moordrecht zijn aanvullende criteria van toepassing ter bescherming van de cultuurhistorische waarden. Deze criteria zijn opgenomen in paragraaf 6.3.

5.1. Kleine (ver)bouwplannen In deze paragraaf zijn de criteria opgenomen voor kleinere (ver)bouwplannen bij bestaande gebouwen. Voor nieuwbouw of grootschalige renovatieplannen gelden de criteria voor grote bouwplannen in paragraaf 5.2. Grote (ver)bouwplannen. Uitgangspunt is dat elke kleine ingreep of toevoeging aan, bij of op een hoofdgebouw in beginsel moet passen bij de architectuur van het bestaande gebouw en de directe omgeving.

Ambtelijke beoordeling Een klein (ver)bouwplan zoals bedoeld in deze paragraaf wordt ambtelijk beoordeeld aan de criteria. Dat betekent dat ambtelijk wordt gekeken of het uiterlijk van een bouwwerk past binnen de omgeving. In bepaalde gevallen wordt het plan alsnog voor advies aan de commissie voorgelegd: -

als er sprake is van een (rijks)beschermd stads- of dorpsgezicht, een monument of een beeldbepalend pand;

-

als het bouwplan afwijkt van de gestelde criteria, in bijzondere situaties of bij twijfel over de toepasbaarheid van de criteria te beoordelen door de ambtenaar;

-

als er voor een bepaald type bouwplan geen criteria zijn opgenomen.

De bouwwerken voldoen in ieder geval als: A. het bouwwerk qua plaatsing en vormgeving identiek is aan een bestaand bouwwerk in het betreffende bouwblok of straat (bij gelijkvormige kapvorm/ gebouwtype), waarvoor de afgelopen drie jaar een vergunning is verleend waarvoor een positief advies is gegeven, of; B. het bouwwerk qua plaatsing en vormgeving voldoet aan een door een architect vooraf ontworpen exemplaar behorende bij een uitbreiding, waarvan het bouwplan deel uitmaakt en waarvoor reeds een positief advies is gegeven, of; C. het bouwwerk voldoet aan de door de gemeente vastgestelde criteria zoals opgenomen in deze nota of vastgestelde aanvullingen zoals een beeldkwaliteitsplan voor een specifiek gebied of ontwikkeling.

42

De commissie houdt in haar advies rekening met het beoordelingskader voor kleine bouwplannen, maar ook met specifieke gebiedskarakteristieken en kenmerken van het hoofdgebouw. Eventueel kan u gevraagd worden om uw ontwerp aan te passen zodat het wel past in zijn omgeving. Voor- en achterkant Het bouwen aan de voorkant is in het algemeen van grotere invloed op het straatbeeld dan het bouwen aan de achterkant. Met het oog op behoud van kwaliteit worden bouwwerken aan de voorkant altijd kritischer beoordeeld. Daarom wordt in de criteria waar nodig onderscheid gemaakt in ‘achterkant’ (achtererfgebied) en ‘voorkant’ (voorerfgebied).

Voor de definitie van achter- en voorkant sluit deze nota aan bij de definitie zoals bedoeld in bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Daarin wordt met ‘achtererf-gebied’ (achterkant) het erf bedoeld achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1.00 meter achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen.

Wijze van meten Alle in de criteria genoemde afstanden zijn loodrecht gemeten, tenzij anders aangegeven. Het uitgangspunt is dat gemeten wordt vanaf het aansluitend terrein zoals dat na de voltooiing van de bouw is afgewerkt. De hoogte van wordt gemeten aan de kant waar het aansluitende afgewerkte terrein het hoogst is. In sommige bestemmingsplannen is het nu nog niet op die manier geregeld. Totdat er een omgevingsplan ligt en we die verschillen hebben rechtgetrokken, gaan de regels uit de bestaande bestemmingsplannen voor.

Het achtererfgebied begint dus altijd op 1.00 meter achter de voorgevel. Onder openbaar toegankelijk gebied wordt verstaan openbaar groen, wegen, paden en vaarwater.

hoofdbebouwing en voorgevel achtererf(gebied) voorerf(gebied) openbaar groen openbaar vaarwater openbare weg

Illustratie voor- en achterkant

43

5.1.1. Bijbehorend bouwwerk (erfbebouwing) Met ‘bijbehorend bouwwerk’ wordt bedoeld een uitbreiding van een hoofdgebouw, bijvoorbeeld aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en overige bouwwerken met een dak. Zonder hoofdgebouw kan er op het perceel geen sprake zijn van bijbehorende erfbebouwing. Er is onderscheid in: -

Aangebouwd bouwwerk: een toevoeging aan de begane grondgevel van een gebouw, zoals een aan- of uitbouw, erker, garage, carport, overkapping en dergelijke.

-

Losstaand bouwwerk: een bouwwerk met (af)dak dat los van het hoofdgebouw op het erf staat zoals een schuur, tuinhuis, carport, dierenverblijf, planten- of groentekas en dergelijke.

Beoordelingskader Aangebouwd bouwwerk - Eén bouwlaag met een rechthoekige plattegrond.

44

-

Bij tussenwoningen voorzien van een eenvormige overgang door bijvoorbeeld een gemetselde muur op de erfgrens (muurdam) of een scheidende penant.

-

Materialen, kleuren en detaillering gelijk aan of afgestemd op het hoofdgebouw.

-

Op het achtererf eventueel als serre uitgevoerd.

-

Geen felle of opvallend afwijkende kleuren.

Losstaand bouwwerk - Eén bouwlaag met een rechthoekige plattegrond. -

Carport of overkapping is plat afgedekt.

-

Bijgebouw is plat afgedekt of voorzien van een kap met een hellingshoek gelijk aan of kleiner dan de kap van het hoofdgebouw.

-

Bescheiden detaillering met eventueel een beperkte overstek, boeibord en ornamenten afgestemd op het hoofdgebouw.

-

Materialen en kleuren afgestemd op het hoofdgebouw, erf- of tuinkarakter.

-

Aan de voorkant vormgeven als erker.

-

Carport of overkapping is plat afgedekt.

-

Op het achtererf eventueel als kas uitgevoerd.

-

Aanbouw is plat afgedekt of voorzien van een kap met een hellingshoek gelijk aan of kleiner dan de kap van het hoofdgebouw.

-

Bij integratie in erfafscheiding materialen en kleuren gelijk aan deze erfafscheiding.

-

Gevelgeleding afstemmen op de gevels van het hoofdgebouw.

-

Geen felle of opvallend afwijkende kleuren.

5.1.2. Erfafscheidingen Een erfafscheiding is een bouwwerk op de erfgrens, bedoeld om het erf af te bakenen van een buurerf of de openbare weg. Begroeide hekwerken (en beplantingen) kunnen een meer open en vriendelijke uitstraling hebben en genieten de voorkeur boven lange, gesloten schuttingen.

5.1.3. Dakkapellen Een dakkapel is een bescheiden uitbouw in de kap, bedoeld om de lichttoevoer te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten. Dakkapellen zijn een ondergeschikte toevoeging aan een dakvlak. Beoordelingskader

Beoordelingskader - De erfafscheiding heeft een duurzame en degelijke uitvoering. -

45

Er is één vormgevingsprincipe per erf toegepast waardoor de samenhang niet wordt verstoord door te grote verscheidenheid aan erfafscheidingen.

Plaatsing - Maximaal één dakkapel aan de voorkant. -

Maximaal twee dakkapellen aan de achterkant.

-

Bij een dakvlak over twee bouwlagen aan de achterkant is een dakkapel in het hoge dakvlak mogelijk op minimaal 1.00 meter van een eventueel ondergelegen dakkapel.

-

Materialen als metselwerk, hout of draadstaal gebruiken aansluitend op erfafscheiding van naastgelegen percelen.

-

Geen gesloten plaatmateriaal toepassen zoals profielplaten of betonpanelen.

-

Meerdere dakkapellen op een dakvlak, gebouw of bouwblok regelmatig rangschikken op een gelijke horizontale onderlijn.

-

Kleur is naturel/materiaaleigen, afgestemd op het hoofdgebouw of geschilderd in een donkere kleur.

-

Bij individuele panden in het dakvlak centreren of geleding voorgevel aanhouden.

-

Geen felle of opvallend afwijkende kleuren.

-

Bij een mansardekap in het onderste dakvlak plaatsen en aansluiten op de knik.

Maatvoering - Minimaal 0.50 meter dakvlak aan weerszijden van de dakkapel.

46

-

Minimaal 0.50 meter dakvlak onder en boven de dakkapel.

-

Maximaal 1.00 meter dakvlak onder de dakkapel, tenzij sprake is van dakvlak over twee bouwlagen.

-

Hoogte dakkapel maximaal 1.75 m.

-

Breedte dakkapel maximaal 80% van breedte dakvlak.

5.1.4. Dakopbouwen Een dakopbouw is een dominante uitbreiding van de kap of opbouw op een plat dak van een gebouw (optoppen). Een dakopbouw kan grote gevolgen hebben voor de hoofdvorm en het profiel van het gebouw en kunnen leiden tot een onevenwichtig straatbeeld. Een dakopbouw kan worden aangebracht op een plat dak of in een zadeldak waarbij de constructie deels boven de nok kan uitkomen (nokverhoging).

Vormgeving - Plat afdekken of aankappen met een minimale dakhelling van 25 graden.

Beoordelingskader - Alleen dakopbouwen op een plat dak of op een zadelkap waarvan de hellingshoek gelijk is aan of kleiner is dan 35°.

-

Gevelgeleding dakkapel aan de voorkant afgestemd op de gevels van het hoofdgebouw.

-

Alleen enkelzijdige nokverhogingen toepassen waarbij het dakvlak doorloopt naar de achterkant.

-

Dichte panelen in het voorvlak slechts beperkt toepassen.

-

-

Bescheiden detaillering met eventueel een beperkte overstek, boeibord en ornamenten afgestemd op het hoofdgebouw.

Gevelgeleding dakkapel aan de voorkant afgestemd op de gevels van het hoofdgebouw.

-

Dichte panelen in het voorvlak slechts beperkt toepassen.

Materiaal en kleur - Materialen en kleuren gelijk aan, of afgestemd op het hoofdgebouw;

Bescheiden detaillering met eventueel een beperkte overstek, boeibord en ornamenten afgestemd op het hoofdgebouw.

-

Materialen en kleuren gelijk aan, of afgestemd op het hoofdgebouw.

-

Zijwangen donker, wit of in de kleur van het dakvlak dan wel uitvoeren in zink.

-

Geen felle of opvallend afwijkende kleuren.

-

Geen felle of opvallend afwijkende kleuren.

5.1.5. Zonnepanelen en -collectoren Met een zonnecollector wordt warmte opgewekt, die via een warmwateropslag meestal wordt gebruikt voor het verwarmen van water voor huishoudelijk gebruik. Met een zonnepaneel wordt elektriciteit opgewekt uit daglicht op voor de elektriciteitsvoorziening van een bouwwerk. Omdat zonnecollectoren en zonnepanelen net als dakramen vooral in het schuine dakvlak worden geplaatst, is de invloed op de architectuur niet groot.

5.1.6. Gevelwijzigingen Van een gevelwijziging is sprake bij het veranderen van een gevel door bijvoorbeeld het verplaatsen van een kozijn, een nieuwe gevelopening of kozijninvulling. Ook kan er sprake zijn van buitenschil isolatie waardoor de gevelkarakteristiek veranderd.

Beoordelingskader - Voor zover plaatsen op het dak geen (afdoende) oplossing biedt is het plaatsen van zonnepanelen of -collectoren als een zelfstandig bouwwerk op het erf achter het hoofdgebouw mogelijk.

Beoordelingskader - De samenhang en ritmiek van gebouw, straatwand en/of bouwblok blijft behouden.

-

Niet aan gevels.

-

Niet op of aan bijzondere gebouwtypen zoals kerktorens, molens, forten, gemalen, fabrieksschoorstenen en in cultuurhistorisch waardevol groenaanleg.

-

Een individuele gevelwijziging maakt geen inbreuk op de architectonische hoofdkenmerken van de oorspronkelijke gevel.

-

Nieuwe gevelopeningen zijn gelijnd aan bestaande openingen en afgestemd op de bestaande gevelgeleding.

-

Bij individuele wijzigingen zijn de maatvoering van de negge en profilering van het kozijn en het raamhout vergelijkbaar met de overige kozijnen.

-

Op het dakvlak geplaatst in een regelmatige rangschikking zonder verspringingen.

-

De hellingshoek van het paneel of de collector is nagenoeg hetzelfde als die van het dakvlak.

-

Materialen, kleuren en detaillering gelijk aan, of afgestemd op het hoofdgebouw.

-

Op platte daken ten minste net zo ver verwijderd van de dakrand als het paneel of de collector hoog is.

-

Gevelopeningen zijn transparant (zo veel mogelijk met glas) ingevuld.

-

Geen felle of opvallend afwijkende kleuren.

-

47

Alleen gevelwijzigingen die zichtbaar zijn vanuit het openbaar toegankelijk gebied worden beoordeeld aan de hand van onderstaande criteria.

Op beschermde monumenten, beeldbepalende panden en in het beschermd gezicht zijn de criteria van toepassing in paragraaf 6.1., zoals opgenomen onder uitgangspunt 11.

48

5.1.7. Rolluiken Rolluiken zijn voorzieningen om ruiten van gebouwen te beschermen en/of als zonwering. De gemeente streeft er naar dat rolluiken de uitstraling van het pand en de omgeving niet negatief beïnvloeden. Daarom geldt voor detailhandel en andere bedrijven in de dorpskernen onderstaande criteria.

5.1.8. Installaties (airco’s, warmtepompen, antennes etc.) Installaties horen bij gebouwen, zoals schoorstenen, airco-units en dergelijke. Verwachting is dat ook steeds meer installaties aan gebouwen worden toegevoegd ten behoeve van duurzame energieopwekking of energiezuinigheid. Bijvoorbeeld kleine windinstallaties (KWI), warmtepompen en complete energie-units en klimaatsystemen.

Beoordelingskader - Geplaatst aan de binnenzijde van de pui voor minstens 70% uitvoeren met glasheldere doorkijkopeningen.

Om installaties te veranderen of aan te brengen, zijn meestal bouwkundige voorzieningen nodig. De veranderingen zijn zelden gericht op het verfraaien van het gebouw.

-

Geplaatst aan de buitenzijde van de pui alleen als plaatsing aan de binnenzijde niet mogelijk is en voor minstens 90% uitvoeren met glasheldere doorkijkopeningen.

-

Geplaatst aan buitenzijde met een geïntegreerde inpassing van rolkasten, geleidingen en rolhekken in de gevel.

-

Ingetogen kleuren of kleuren die harmoniëren met de gevel.

Beoordelingskader Plaatsing - Plaatsing zoveel mogelijk inpandig, tenzij er voor de werking van de installatie redenen zijn dat deze niet (deels) inpandig geplaatst kan worden, zoals de buitenunit van een warmtepomp of airco. -

Voor monumenten en in beschermd gezicht plaatsing van installaties achter de achtergevellijn, zorgvuldig ingepast en gemakkelijk terug te brengen in originele staat (reversibel).

-

Plaatsing achter de voorgevellijn op een plek die niet storend zichtbaar is vanuit het openbaar gebied.

-

Niet op een dakkapel of op dakvlak.

Maatvoering - Installaties zoals airco’s en warmtepompen maximaal 1.00 meter hoog en 1.00 meter breed. -

Bij plaatsing aan gevel op minstens 1.00 meter van de dakrand.

-

Schotel maximaal 1.00 meter in doorsnede en maximaal 3.00 meter hoog vanaf de voet.

-

Kleine windmolens en windwokkels geplaatst op een plat dak op minimaal 3.00 meter van de dakrand, en;

-

verticale windmolen maximaal 4.00 meter hoog; horizontale windmolen maximaal 1.00 meter hoog en maximaal 2.00 meter breed. Windmolen op de grond maximaal 10 meter hoog.

-

Bij plaatsing op een balkon bevindt de installatie zich tegen de gevel.

o o

Vormgeving, materiaal en kleur - Installatie en bijbehorende voorzieningen als één geheel vormgeven. -

49

Geen felle of opvallend afwijkende kleuren.

Koningskwartier, Zevenhuizen

50

5.2. Grote (ver)bouwplannen Beoordeling van nieuwbouw- en herstructureringsplannen vindt altijd plaats in combinatie met de ruimtelijke beschrijving en kernkwaliteiten in hoofdstuk 2 en de uitwerkingen van gebieden, structuren en objecten zoals opgenomen in bijlage 2. Situering - Het bouwwerk levert een positieve bijdrage aan de kwaliteit van de openbare ruimte. Daarbij kunnen hogere eisen worden gesteld naarmate de betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is. -

De plint van het gebouw aan de openbare weg voegt zich naar de sfeer van de openbare ruimte.

-

Het bouwwerk respecteert: de karakteristiek van de bestaande omgeving (stedenbouwkundige omgeving, zoals straatwand, open/gesloten bebouwing, hoek-situatie en dergelijke); o de toekomstige omgeving (zoals verwoord in een stedenbouwkundige visie, vastgesteld beeldkwaliteitsplan, reeds goedgekeurde bouwwerken op aangrenzende percelen); o de aanwezige architectuur.

o

-

51

Variatie en bijzonderheden buiten de bandbreedte van afwijkingen is mogelijk als daarvoor een stedenbouwkundige aanleiding is. Voorbeelden daarvan zijn hogere gebouwen op hoeken of architectonische bijzonderheden als accentuering van gebiedsentrees of bijzondere zichtlijnen.

-

De specifieke terreinomstandigheden zijn benut (denk aan: helling van het terrein, speciale locatie, ligging in het landschap).

-

Grootschalige bebouwing in een groene ruimte is vrijstaand en aan alle kanten ontworpen met voldoende ruimte voor groen zodat de grotere (groen)structuur versterkt wordt.

-

Er is sprake van zorgvuldige overgangen tussen openbaar en privégebied.

Hoofdvorm - Het bouwwerk past qua hoogte en opbouw in de structuur van de directe omgeving. -

Een grotere hoofdvorm is mogelijk op plekken waar een stedenbouwkundig accent gewenst is of als er sprake is van een bijzondere publieke functie, zoals bijvoorbeeld een kerk, school en theater.

-

De bouwmassa's zijn harmonieus van vorm, afmetingen en verhoudingen en ze vertonen een duidelijke samenhang en richting.

-

De massaopbouw is afgestemd op de structuur van de plattegronden.

-

Beperken negatieve effecten voor bestaande bewoners en omwonenden: o o o

Schaduwwerking Privacy-aantasting Gebruiksmogelijkheden

Daken - De dakvorm past bij het kenmerkende daklandschap en bij het ontwerp van het gebouw, waarbij de vorm aansluit bij de gekozen (richting van de) plattegrond(en). -

De dakhelling en het dakvlak staan in goede verhouding tot de gevels.

-

De vorm, afmetingen en verhoudingen van toevoegingen aan het dak (zoals dakkapellen, -ramen, loggia’s etc.) hebben een relatie met en zijn ondergeschikt aan het dakvlak en de totale bouwmassa.

-

De aansluiting op de gevel is zorgvuldig vormgegeven.

Gevel - Er is structuur en samenhang in het gevelbeeld met betrekking tot de vorm, afmetingen en verhoudingen van de gevelelementen, zonder dat de aantrekkingskracht van het bouwplan verloren gaat door simpelheid of een te veel aan gelijkvormigheid. -

52

Het uiterlijk van een gebouw heeft een relatie met het gebruik en de wijze waarop het gemaakt is.

-

Bij renovatie is de oorspronkelijke stijl, gevelopbouw en -indeling behouden.

-

Bij splitsing is de architectonische eenheid van het pand behouden.

-

Bij samenvoeging is de individualiteit van de panden behouden.

-

De gevel aan de straatzijde is representatief vormgegeven en kent een duidelijke oriëntatie op de openbare ruimte.

-

Er is geen sprake van gesloten zijgevels grenzend aan het openbaar gebied.

-

Eventuele gevelreclame is een passend onderdeel van de totale gevelsamenstelling, ingetogen en ondergeschikt en passend bij de architectuur van het hoofdgebouw.

Detaillering, materiaal, kleur en textuur - Het bouwwerk is zo ontworpen dat sprake is van detailleringen die consequent zijn toegepast en die passen bij de (gekozen) architectuurstijl. -

Bij renovatie en verbouwingen zijn de aanwezige fijne en ambachtelijke onderdelen en kenmerkende ornamenten als overstekken, daken gevellijsten, pilasters en luiken behouden.

-

Het bouwwerk is zo ontworpen dat textuur, materiaal- en kleurgebruik in harmonie zijn met het ontwerp en met de omgevingskarakteristiek.

-

Het materiaal is (technisch) goed toepasbaar voor de gekozen vormgeving en detaillering.

-

Er is gebruik gemaakt van duurzame materialen die langdurig mooi blijven.

Duurzaamheid - Duurzaamheid dient als ontwerpuitdaging te worden gehanteerd, zowel stedenbouwkundig of landschappelijk op gebiedsniveau als architectonisch op gebouwniveau. Bij individuele nieuwbouw van een woning, pand of complex kan duurzaamheid ook de basis zijn voor de algehele vormgeving.

53

-

Er is op verschillende niveaus nagedacht over duurzaamheid, waaronder bestendigheid, energie- en klimaatbeheer, materiaalgebruik, afvalstromen, mobiliteit, ecologie en natuur etc.

-

Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt ‘het behouden en zo mogelijk vergroten van de biodiversiteit door middel van natuurinclusief bouwen en ontwerpen van de buitenruimte', meegenomen in de plan- en realisatiefase.

-

Toepassing van voorzieningen voor duurzaamheid, zoals zonnecollectoren/ -panelen, groene gevels/daken, isolatiemaatregelen passen binnen het architectonische concept van het gebouw of de stedenbouwkundige of landschappelijke omgeving.

-

Technische installaties voor duurzaamheid (zoals zonnepanelen of warmtepompen) zijn achter de voorgevellijn geplaatst of bij nieuwbouw integraal mee ontworpen.

6. Beoordelingskader voor cultureel erfgoed In Zuidplas staan meerdere beschermde monumenten en er is sprake van één rijksbeschermd dorpsgezicht in Moordrecht. In het rijksbeschermd dorpsgezicht zijn meerdere panden aangewezen als monument of beeldbepalend pand. Uitgangspunt is dat het erfgoed behouden blijft en dat de aanwezige waarden waar mogelijk worden versterkt. Deze gebieden hebben het regieniveau maatwerk gekregen. Verandering moet echter mogelijk blijven. We gebruiken daarom het motto ‘behoud door ontwikkeling’. Dit motto is uitgewerkt in onderstaande criteria.

1. Monumenten zijn deel van ons collectief geheugen. Bij de beoordeling van een ingreep weegt het belang voor de lange termijn en daarmee het behoud voor toekomstige generaties zwaarder dan korte termijn belangen. In de beleving en waardering van onze leefomgeving spelen monumenten vaak een grote rol.

Naast de beoordelingskaders voor het rijksbeschermd dorpsgezicht en de monumenten zijn ook de beoordelingskaders voor het uiterlijk van bouwwerken van toepassing (hoofdstuk 5). Bij conflicten tussen de beoordelingskaders zijn de hierna volgende beoordelingskaders voor monumenten en het rijksbeschermd dorpsgezicht leidend.

2. Monumenten moeten leven en kunnen veranderen. Bij beoordeling vormt het behoud van het bijzondere karakter van het beschermde monument en de waardevolle elementen (exterieur en interieur) die het bevat, het uitgangspunt.

6.1. Ingrepen aan monumenten De hierna volgende uitgangspunten zijn bedoeld om sturing te geven aan een ingreep aan, in en op een beschermd monument. Dit is een bewerking van ‘10 uitgangspunten voor het omgaan met monumenten’, Werkgroep Monumentenpublicaties/Federatie Welstand, 2008.

54

De manier waarop we kijken naar onze monumenten is voor iedereen verschillend. Bij ingrepen kan een spanningsveld ontstaan tussen de verschillende belangen. In dat geval worden de belangen vooral gewogen in het belang van een duurzame instandhouding van het monument.

Het komt voor dat een monument niet meer gebruikt kan worden voor zijn oorspronkelijke functie. Dan is het vinden van een passende herbestemming een oplossing. Niet alle monumenten zijn echter geschikt voor alle vormen van gebruik. Bij veranderingen aan monumenten zal steeds gezocht moeten worden naar een goede balans tussen de mogelijkheden van het monument en de eisen van een nieuwe functie.

Dorpsstraat 2, Moerkapelle (geen monument)

55

3. Ieder monument heeft zijn specifieke waarde, iedere wijziging vraagt om een individuele aanpak. Bij de beoordeling van de plannen zal onder meer worden gekeken of de monumentale aspecten van het monument voldoende worden gerespecteerd.

Nieuwe wijzigingen kunnen dan ook waardevol zijn vanuit architectonisch, landschappelijk of bouw- en cultuurhistorisch oogpunt. De voortgaande bouw- en gebruiksgeschiedenis laat de opeenvolgende historische ‘lagen’ zien. Daarom wordt alleen in uitzonderlijke gevallen en op kleine schaal voor reconstructie gekozen.

Voor ingrepen aan een monument is het belangrijk dat er een goed beeld bestaat van de aspecten die juist dát monument waardevol maken. Alleen op basis hiervan kan bij plannen het benodigde maatwerk worden geleverd. Een eerste bron voor het achterhalen van de waarde is de ‘redengevende beschrijving’. Deze beschrijving geeft in veel gevallen niet voldoende informatie over de specifieke waarden om een verantwoord plan (bouwplan en/of functiewijziging) te kunnen maken. Nader onderzoek naar de bouwkundige, (bouw)historische, kunsthistorische en architectuurhistorische aspecten en transformatieruimte van het monument kan in veel gevallen nodig zijn.

5. Behoud heeft altijd de voorkeur boven vernieuwing. Het huidige monument is uitgangspunt bij de wijziging. Behoud van een monument en van alle bijbehorende onderdelen van dat monument heeft altijd de voorkeur boven vernieuwing, al is herstel of vervanging van onderdelen van tijd tot tijd noodzakelijk.

4. Een rijke bouw- en gebruiksgeschiedenis maakt monumenten interessant. Bij nieuwe toevoegingen kan gekozen worden voor reconstructie maar het advies kan ook zijn deze juist op een eigentijdse manier vorm te geven. Zo blijft de bouwgeschiedenis ook voor volgende generaties duidelijk en herkenbaar. Slechts weinig monumenten zijn sinds de bouw of aanleg geheel onveranderd gebleven. De meeste gebouwen of gebieden zijn in de loop van de tijd wel eens aangepast. Deze aanpassingen horen bij de geschiedenis van het monument en vertellen hun eigen verhaal.

56

Bij vernieuwing gaat er onherroepelijk historisch materiaal verloren. Wordt er toch iets gewijzigd, dan is het huidige beschermde monument – de optelsom van ontwerp, hoofdvorm, materiaal, uitvoering en details – het uitgangspunt. Bij wijzigingen draait het telkens om het vinden van een goede balans tussen de noodzaak van vervanging, de wensen van de gebruiker daarbij en de mogelijkheden die het monument biedt. 6. Van omgeving tot detaillering: elk schaalniveau is van belang. Monumenten staan nooit op zichzelf, maar zijn onlosmakelijk verbonden met hun omgeving. Dit betekent dat een wijziging aan een monument op verschillende schaalniveaus wordt beoordeeld. Er zijn drie schaalniveaus: het eerste schaalniveau is de positie van het monument in relatie tot de directe landschappelijke of stedenbouwkundige omgeving (gebiedskarakteristieken). Het tweede niveau heeft betrekking op het monument zelf: het type bouwwerk, de verschijningsvorm en de bouwstijl. Het derde schaalniveau heeft betrekking op de toepassing van materialen en kleuren, en de uitwerking in details.

7. Bij wijzigingen aan een monument moet aansluiting worden gezocht bij de omgeving. De stedenbouwkundige en landschappelijke structuur heeft invloed op de manier waarop gebouwen van oudsher zijn gelegen. De situering van een gebouw, het bodemtype, de opbouw van de stad of het landschap eromheen zeggen iets over het karakter en uitstraling van het monument. Omgekeerd hebben monumenten ook vaak effect gehad op de omgeving. Denk aan maaltochten, toegangswegen en andere elementen ten behoeve van het gebouwde monument.

57

9. Constructie, materiaal, afwerking en details bepalen de fysieke ouderdom van het monument en zijn essentieel voor de monumentale waarde. Bij de beoordeling gaan we uit van gebruik van historisch materiaal en behoud van de oorspronkelijke constructie, afwerking en details. Het bijzondere van monumenten wordt in hoge mate bepaald door de zichtbare ouderdom en de daadwerkelijke beleving van die ouderdom. Deze komen tot uitdrukking in de verschijningsvorm en de bouwstijl, maar ook in de manier waarop materialen zijn verwerkt en de wijze waarop ze verouderen. Behoud van historisch bouwmateriaal is daarom een belangrijk punt.

8. De verschijningsvorm van monumenten drukt iets uit over tijd, plaats, functie en opdrachtgever. Bij de beoordeling kijken we of de oorspronkelijke structuur behouden blijft. Monumenten hebben vaak een vanzelfsprekende opbouw en indeling. Die kenmerkende structuur is veelal te herleiden tot de oorspronkelijke functie en is af te lezen aan de verschijningsvorm van zowel het exterieur als het interieur. De interne structuur van een monument vertelt ons veel over het gebruik.

Een ander essentieel aspect is de wijze waarop de monumenten zijn gebouwd: hoe de constructie in elkaar steekt, en hoe details en afwerking zijn uitgevoerd. De constructie van een gebouw vertelt iets over de tijd waarin het monument gebouwd is, de streek waarin het staat of de functie die het had. Zo ontstaat een beeld van veranderend technisch vakmanschap.

De toegepaste bouwstijl vormt eveneens een belangrijk onderdeel van het karakter en de uitstraling van het monument, en daarmee van de waarde van het monument. Een bouwstijl plaatst een monument in de tijd en is vaak nauw verweven met de functie, die vaak van grote invloed is op de bouwstijl.

10. Eigentijdse ingrepen zijn reversibel, duurzaam en van hoge kwaliteit. Eigentijdse ingrepen moeten bij voorkeur terug te draaien zijn: ze tasten het monument niet wezenlijk aan en kunnen desgewenst zonder schade aan het monument worden verwijderd. Monumentenzorg is op zich een vorm van duurzaamheid, door de instandhouding, het hergebruik en de herbestemming van oude gebouwen, waardoor bouwmaterialen niet onnodig verloren gaan.

11. Verduurzaming van monumenten vraagt altijd om maatwerk. Verduurzaming is een kans om een monument klaar te maken voor de toekomst. Energiebesparende en binnenklimaat verbeterende ingrepen in een monument kunnen ingrijpende maatregelen vereisen. Deze vragen altijd om maatwerk met detaillering en materiaalgebruik van hoge kwaliteit.

-

Zonnepanelen of- collectoren voor eigen gebruik zijn mogelijk als de panelen: o o

Uitgangspunt is dat voorzieningen ten behoeve van verduurzaming van beschermde monumenten met uiterste zorg en respect voor de cultuurhistorische waarde en fysieke kenmerken worden vormgegeven. Daarbij worden de volgende criteria in acht genomen: -

Bij ingrepen ten behoeve van duurzame vormen van duurzame energieopwekking of -besparing zo veel mogelijk zoeken naar alternatieve locaties, zoals op onderdelen die geen of minder monumentale waarde hebben (latere aanbouwen of bijgebouwen) of op het perceel zonder dat waardevolle groenaanleg wordt aangetast.

o o o o

-

Zeer terughoudend omgaan met het aanbrengen van technische installaties voor duurzame energieopwekking of -besparing. Plaats deze zoveel mogelijk inpandig (onzichtbaar), aan of op de niet zichtbare achtergevel en -dakvlak. Zorg dat het past en de architectuur en monumentale waarde niet aantast.

o

-

58

Zonnepanelen en -collectoren niet plaatsen op of aan bijzondere gebouwtypen, zoals kerktorens, molens, forten, gemalen, fabrieksschoorstenen en in cultuurhistorisch waardevol groenaanleg.

-

niet of nauwelijks zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte alleen zichtbaar geplaats worden als alternatieven (andere plaatsen op het erf of het dak, geen mogelijkheden op gebouwen in de omgeving, andere vormen van energie opwekken) ontbreken en het zorgvuldig wordt gedaan. Dat betekent dat geen sprake is van een onevenredige aantasting van monumentale waarden in de vorm van een ernstige visuele verstoring en/of schade aan bouwhistorische waarden/materiaal; volgens een seriematig patroon binnen het dakvlak zijn geplaatst; geen glimmende randen hebben; op donker dakvlak volledig zwart van kleur zijn; reversibel boven op de dakbedekking zijn geplaatst en dus zonder onherstelbare schade te plaatsen en te verwijderen zijn. In pannen of leien geïntegreerde zonnecellen alleen als de dakbedekking op dit moment al niet meer van monumentale waarde is; zorgvuldig zijn ingepast, zonder aantasting van de monumentale waarde.

In uitzonderlijke gevallen, zoals bij industrieel erfgoed of andere bijzondere gebouwtypen, zijn zonnepanelen of -collectoren ook ín het zicht mogelijk, mits het niet anders kan, er een zorgvuldig afgewogen ontwerp is opgesteld, de kleur is aangepast aan het dak, en de cultuurhistorische waarden niet worden verstoord.

Voormalig gebouw van de “Cooperatieve Landbouwvereeniging Nieuwerkerk aan denIJsel", Nieuwerkerk aan den IJssel

59

6.2. Ingrepen in de omgeving van een monument Monumenten hebben een relatie met hun omgeving. Veranderingen in de omgeving van een monument kunnen effect hebben op de cultuurhistorische waarde ervan. Met de Omgevingswet is daarom vastgelegd dat de het monument bescherming moet krijgen als er in de omgeving iets veranderd (Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 5.130, lid 2). Dit is in lijn met het Verdrag van Granada.

De omgeving is afhankelijk van de aard, functie en ligging van het monument en daarmee voor elk monument anders. Bij ingrepen in de directe omgeving van monumenten gelden de volgende criteria: -

als het monument onderdeel is van een grotere ontwikkeling of gebiedsverandering wordt het monument geïntegreerd in de ruimtelijke structuur en niet visueel of fysiek afgesloten van de omgeving;

In het omgevingsplan moeten regels worden opgesteld, die rekening houden met het voorkomen van aantasting van:

-

bij een ingreep in de omgeving blijft het zicht op het monument vrij of wordt het zelfs vergroot. De hoofdvorm blijft duidelijk zichtbaar;

-

een ingreep of ontwikkeling in de omgeving van een monument respecteert zoveel als mogelijk de historische omgeving (verkaveling, functionaliteit, structuren, zichtassen, et cetera) van het monument;

-

bij ingrepen in de omgeving wordt met respect omgegaan met de oorspronkelijke functionele gebruik van de omgeving van een monument, zoals pomp- en molensloten, boerenerven, et cetera;

-

ingrepen hebben in beginsel een ondergeschikte rol in het aanzien van het monument en zijn in stijl, maat, schaal en detaillering zorgvuldig afgestemd op (cultuurhistorische delen van) het object;

-

een ingreep in de omgeving doet geen afbreuk aan het monument door onzorgvuldige detaillering, armoedig materiaalgebruik of contrasterende kleuren;

-

een ingreep respecteert de eventuele waarden van de omgeving zoals genoemd in de redengevende beschrijving van een monument. Dat is de officiële waardestellende beschrijving waarmee een object tot monument is verklaard. Dit vormt de basis van de bescherming van het monument.

-

-

de omgeving van rijksmonumenten, voorbeschermde rijksmonumenten en monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd (gemeentelijke en provinciale monumenten), voor zover die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd, en; het karakter van in het omgevingsplan (rijks)beschermde stads- of dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen door de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen of andere belangrijke veranderingen.

Het gaat hierbij om ingrepen in de omgeving die het monument kunnen ontsieren of beschadigen en dus niet over ingrepen aan het monument zelf. Dat betekent niet dat de omgeving van een monument beschermd is, maar dat men in de omgeving van een monument rekening moet houden met de aanwezigheid van het monument.

60

6.3. Ingrepen in het rijksbeschermd dorpsgezicht Moordrecht Doel van het rijksbeschermd dorpsgezicht is de bescherming van de besloten ruimtelijke structuur van het oude dorp aan het water en de samenhang van de historische bebouwing. Inzet is het behoud van de cultuurhistorische waarden en het kleinschalige dorpse karakter. Het beschermen van de kernkwaliteiten is basis voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Voor het rijksbeschermd dorpsgezicht geldt het regieniveau maatwerk. Voor ingrepen in het rijksbeschermd dorpsgezicht is het volgende beoordelingskader van toepassing. Dit kader wordt altijd toegepast in relatie tot de toelichting behorende bij de aanwijzing van het rijksbeschermd dorpsgezicht Moordrecht. -

De bestaande stedenbouwkundige structuur en dorpse korrel is leidend: o o

-

Dorpsstraat: voorgevel parallel aan en direct grenzend aan de openbare ruimte, rooilijnen verspringen sporadisch; Westeinde: voorgevel georiënteerd op de openbare ruimte, groen ingerichte voortuinen en verspringende rooilijn.

De gebouwen zijn individueel en afwisselend: o o o

per erf/kavel één hoofdmassa, qua maat en schaal aanpassen aan de gebouwen rondom; gebouwen zijn niet hoger dan twee lagen en voorzien van een kap, kapvorm is divers; de nok staat bij smalle percelen dwars op de weg en ligt bij bredere percelen evenwijdig aan de weg. Waarderingskaart Moordrecht 2008 (bron: Toelichting bij aanwijzing beschermd dorpsgezicht Moordrecht, RACM, 2008)

61

-

De architectonische uitwerking sluit aan bij het historische bebouwingsbeeld: o o o

o

-

Het materiaal- en kleurgebruik contrasteert niet met het bestaande bebouwingsbeeld met een historisch palet aan kleuren en materialen: o o

o

o -

62

elk pand heeft een eigen karakter met veelal een horizontale gevelopbouw met verticale vensters in een regelmatig patroon; goothoogten, kapvormen en gevelbeëindigingen verschillen per individueel pand; kozijnen, dakkapellen, lijsten, erkers en dergelijke zijn zelfstandige ondergeschikte elementen en in maatvoering en architectuur afgestemd op de hoofdmassa; de detaillering is gevarieerd en een interpretatie van of reactie op de bestaande historische ornamenten met aandacht voor fijne detaillering zoals in metselwerk, goten, daklijsten en belijningen.

terughoudend in materiaal- en kleurgebruik per pand, maar wel voldoende diversiteit tussen individuele panden; bij bestaande bebouwing aansluiten op traditionele materialen en kleuren zoals rode en gele baksteen, natuursteen, (gebroken) wit of lichtgeel keim-/stucwerk, geschilderd hout en gebakken pannen voor de daken; bij nieuwbouw is het materiaal en kleurgebruik een interpretatie van of reactie op gebruik van traditionele materialen en kleuren van omliggende bebouwing; geen kunststof kozijnen, rolluiken en plaatmaterialen.

Eventuele gevelreclame is ondergeschikt en zorgvuldig ontworpen in samenhang met het historische bebouwingsbeeld en bij nieuwbouw geïntegreerd in het totaalontwerp.

Kerklaan, Moordrecht

7. Excessenregeling Deze excessenregeling geeft aan wanneer het uiterlijk van een bouwwerk sterk afwijkt van en afbreuk doet aan de omgeving. Als er sprake is van een exces kan de gemeente besluiten te handhaven en de eigenaar aan te schrijven. Onder huidige wetgeving (Woningwet artikel 12, lid 1) mag een bestaand bouwwerk niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. In dat geval spreken we van een exces. Ook vergunningvrije bouwplannen die niet vooraf worden getoetst mogen niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. De gemeente hanteert bij het toepassen van deze excessenregeling het criterium dat bij een bestaand bouwwerk (of deel daarvan) sprake moet zijn van onmiskenbare strijdigheid met de in deze nota opgenomen criteria, en/of een buitensporigheid in het uiterlijk die ook voor nietdeskundigen duidelijk is en die afbreuk doet aan de aanwezige omgevingskwaliteit. Zaken dus, waaraan een groot deel van de mensen zich ergert. Naarmate de zichtbaarheid (vanuit het openbare gebied) groter is, of er meer hinder is voor de omgeving, zal eerder sprake zijn van een exces. Ook ligt er een hogere prioriteit bij het voorkomen van excessen in kwetsbare gebieden en objecten zoals bij, of in de directe omgeving van monumenten of andere cultuurhistorisch waardevolle gebouwen.

63

Vaak heeft een exces betrekking op: -

verwaarlozing of ernstig achterstallig onderhoud;

-

het visueel of fysiek afsluiten van een bouwwerk voor zijn omgeving;

-

het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een bouwwerk;

-

armoedig materiaalgebruik;

-

toepassing van felle, sterk afwijkende of contrasterende kleuren;

-

te opdringerige reclames, of;

-

een te grove inbreuk op de aanwezige kwaliteiten en wat in de omgeving gebruikelijk is.

Bovenstaande is geen limitatieve opsomming. Er kunnen zich ook andere situaties voordoen waarbij sprake is van ernstige strijd met redelijke eisen van welstand. Bij het beoordelen van een exces dient altijd rekening te worden gehouden met de kenmerken van de directe omgeving van het bouwwerk.

Excessenregeling in het omgevingsplan Als de Omgevingswet in werking treedt, vervalt de wettelijke bepaling dat bestaande bouwwerken niet in ernstige mate in strijd met redelijke eisen van welstand mogen zijn. Deze bepaling wordt met de zogenaamde bruidsschat overgeheveld naar het tijdelijke omgevingsplan (artikel 22.7 van de bruidsschat voor het omgevingsplan). Om de excessenregeling te behouden, moet in het nieuwe omgevingsplan een specifieke zorgplicht voor het uiterlijk van bouwwerken worden opgenomen. De gemeente kan dan direct optreden door het opleggen van een maatwerkvoorschrift, mits het omgevingsplan deze mogelijkheid biedt. Het is denkbaar en in de geest van de Omgevingswet om de excessenregeling in het omgevingsplan uit te breiden naar ontsiering of aantasting van de bestaande omgevingskwaliteit van de fysieke leefomgeving als geheel. Zo ontstaat een integrale excessenregeling voor alle activiteiten waarop het omgevingsplan betrekking heeft. Dit biedt kansen voor een samenhangende zorg voor omgevingskwaliteit en integrale oplossingen. Gemeente Zuidplas zal bij het opstellen van het omgevingsplan hier nadrukkelijk aandacht aan geven.

64

Bijlage 1: overzichtskaarten

65

-

Ruimtelijke indeling Zuidplas (schaal 1:20.000, formaat A1)

-

Vier regieniveaus Zuidplas (schaal 1:20.000, formaat A1)

Bijlage 2: uitwerkingen gebieden, structuren en objecten 1. Uitwerking gebieden 1.1 Historische dorpskernen (met centrumvoorzieningen)

66

Karakteristieken - Organisch gegroeide stedenbouwkundige structuur met een hoge dichtheid.

-

Achterzijden zijn door de tijd heen volgebouwd en daardoor diffuus, met open plaatsjes of diepere tuinen.

-

-

Bevat veelal cultuurhistorisch waardevolle objecten.

Grotere objecten zoals kerken en belangrijke gebouwen staan los in de ruimte.

-

Rooilijn voorzijde volgt de straat met een harde overgang van gevel, stoep en straat.

-

De openbare ruimte is voornamelijk steenachtig met hier en daar een groene ruimte.

-

Individuele kleinschalige bouw met eigen (historische) karakteristiek van de gevels.

Omschrijving

-

Ambacht en functie zijn verbonden in de vormgeving.

-

Hoog detailniveau in de voorgevels met traditioneel kleur- en materiaalgebruik.

Historische kern van Moordrecht (rijksbeschermd dorpsgezicht) De historische dorpskern van Moordrecht is een rijksbeschermd dorpsgezicht. De hoge dichtheid en de prominente ligging met beeldbepalende panden draagt in belangrijke mate bij aan het cultuurhistorische waardevolle karakter. De stedenbouwkundige structuur van het historisch centrum in

Moordrecht wordt bepaald door een kruispunt van drie belangrijke linten; de Kerklaan, de Oost Buurtstraat, de West Buurtstraat en de Dorpsstraat. Deze linten vertegenwoordigen de historische verbindingsroutes van de riviernederzetting met de omliggende gebieden. De Dorpsstraat is bovendijks gelegen en heeft hierdoor een fysieke relatie met de Hollandsche IJssel. Het is een smalle straat die begeleid wordt door dichte gevelwanden in een verspringende rooilijn. De architectonische eigenschappen zijn erg divers. Gebouwen zijn 1 á 2 lagen hoog en afgedekt met uiteenlopende kapvormen. De Buurtstraat is benedendijks gelegen, parallel aan de Dorpsstraat. De West Buurtstraat heeft een zeer smal straatprofiel en een hoge bebouwingsdichtheid. De historische bebouwing komt in diverse verschijningvormen voor met topgevels en zadeldaken haaks op de straat. De Kerklaan vormt de verbinding naar de veerdienst over de Hollandsche IJssel en kruist daarbij de Dorpsstraat, de Oost Buurtstraat en de West Buurtstraat. Een monumentale kerk uit de 16e eeuw markeert het centrale kruispunt en is een oriëntatiepunt voor de omgeving. Door de gedraaide positionering ten opzichte van omringende bebouwing ontstaat er een centrale ruimte rondom de kerk; het Kerkplein.

Historische kern van Nieuwerkerk aan den IJssel De dorpskern van Nieuwerkerk aan den IJssel is ontstaan aan het kruispunt Kerklaan/Dorpsstraat. De Kerklaan, die op een hoge zandige rug in het veengebied ligt, werd al vroeg bewoond. Tussen ongeveer 1850 en nu hebben er veel veranderingen in de bebouwing plaatsgevonden.

67

Door de verschillen in bouwjaar, bouwstijl, afmeting, onderhoudstoestand en functies van de aangrenzende bebouwing, is er sprake van een gevarieerd beeld. De dwarsstraten zoals de Ambachtswerf zijn redelijk intensief bebouwd. In de Kerklaan ligt de bebouwing op en aan de dijk van de ringvaart. De bebouwing is betrekkelijk open en volgt niet precies de rooilijn. In de Dorpsstraat staat de bebouwing in de rooilijn dicht op de weg en zorgt daardoor voor een gesloten straatbeeld. De gevels zijn naar de straat gericht. De bebouwing in het oude dorp heeft in het algemeen één of twee bouwlagen met kap. Het oude dorp is cultuurhistorisch waardevol vanwege de zeer oude structuur die nog steeds herkenbaar is. De Schoolstraat en een deel van de Dreef, die net buiten de oude kern ligt lijkt organisch meegegroeid met het dorp. Ze vormt een buffer met de meer planmatige woonbuurten die in eerste instantie als een ring om de dorpskern zijn gelegd. Om de kern ligt de boezem met aan de buitenring grasbermen. Historische kern van Zevenhuizen De dorpskern is een samengestelde wijk, bestaande uit historische bebouwingslinten (de Dorpsstraat, de Burgemeester Klinkhamerweg en de Noordelijke Dwarsweg) en nieuwere toevoegingen. De Hervormde Kerk neemt een bijzondere positie in binnen het centrum, hierbij is de oude kerksingel nog grotendeels intact.

Het centrumgebied vertoont een behoorlijke mate van samenhang, heeft een sterke historische maar diverse structuur waardoor het winkelgebied als zodanig goed herkenbaar is. Kenmerkend en beeldbepalend is het typische karakter van het historische bebouwingslint de Dorpsstraat.

De verbondenheid van kleinschalige nijverheid en industrie met het woonkarakter is van invloed op de ruimtelijke beleving en ontspannen karakteristiek van de dorpskern. De karakteristiek staat onder druk door functieverandering, verdichting en schaalvergroting. Historische kern van Moerkapelle De dorpskern van Moerkapelle is duidelijk herkenbaar en van oorsprong een stelsel van bebouwingslinten. Dit gedeelte is vanaf het ontstaan eerst organisch gegroeid. Later zijn hier de eerste planmatige uitbreidingen aan toegevoegd. De organische groei wordt vooral gekenmerkt door een grote afwisseling in bebouwingstype, bouwvorm en leeftijd. Een mix van boerderijen, kleine winkels en woningen kenmerkt de Dorpsstraat. Deze grote diversiteit is van grote waarde voor de ruimtelijke beleving van dit gedeelte van het dorp. Het geeft een ontspannen ruimtelijke samenhang die ook in de direct aangesloten gebieden herkenbaar is door de lage dichtheid. Vaak heeft de groei plaatsgevonden langs de oude ontginningslinten. In latere periodes zijn de gebieden tussen de oude linten opgevuld met een meer planmatige invulling met diverse stedelijke functies. De kerk speelt een beeldbepalende rol binnen de dorpskern en als herkenningspunt vanuit de linten, de Bredeweg in het bijzonder. De karakteristiek staat onder druk door functieverandering, verdichting en schaalvergroting.

Het kleinschalige, gevarieerde dorpsbeeld is gevoelig voor veranderingen.

68

1.2. Dorpslinten Karakteristieken - Vormen de toegangswegen naar het dorpscentrum. -

Bebouwing is veelal kleinschalig, georiënteerd op het lint en heeft een afwisselde dichtheid en tijdsbeeld.

-

Diepte en inrichting van de voortuinen is bepalend voor het karakter van het lint.

-

Continuïteit van het lint wordt versterkt door een uniforme inrichting van de openbare ruimte en bestrating van de weg.

Omschrijving Dorpslinten zijn vaak ontstaan langs historische routes en ontginningsassen en hebben hun eigen karakteristieke ontwikkelingsgeschiedenis doorgemaakt. Elk lint heeft een structuurdrager waaraan het lint is gegroeid, meestal een dijk, weg of vaart. De woningen zijn op deze structuurdrager georiënteerd en het lint ontleent daar zijn verschijningsvorm en identiteit aan. De gebieden tussen de oude linten zijn in latere periodes opgevuld met planmatige bebouwing. De kruisingen van linten hebben zich ontwikkelt tot dorpscentrum. De dorpslinten lopen door tot in het dorpscentrum, waar de bebouwing dicht op elkaar staat, divers en kleinschalig is, vrijstaand of geschakeld en een directe relatie met de weg of het water heeft. Er is beperkt zicht op het achterliggende landschap. De percelen zijn relatief klein en het groen wordt bepaald door beplanting langs de weg en/of in de tuinen.

Meer naar de randen van het dorpslint worden de tussenruimten breder en wordt de relatie met het aangrenzende landschap sterker. In het buitengebied gaat het dorpslint vaak over in een landelijk bebouwingslint.

Telkens waren er nieuwe invullingen, waardoor de bebouwingsdichtheid toenam. Het diverse beeld dat hierdoor naar voren komt, is een belangrijke karakteristiek van de linten vanuit het oude dorp.

Dorpslinten Moordrecht De structuur van Moordrecht, als riviernederzetting, is bepaald door de ligging aan de Hollandsche IJssel. De bebouwing van Moordrecht is ontstaan aan de dijk. Dit dijklint is nog steeds duidelijk herkenbaar in de structuur van de kern. De woningen zijn hoofdzakelijk georiënteerd op de onderliggende slagenverkaveling gepositioneerd met de voorgevel evenwijdig aan de weg. Het is van belang de autonome ligging en herkenbare ruimtelijke karakteristiek van het organisch gegroeide dorpslint tussen (toekomstige) planmatige wijken te behouden.

In de regel staat de bebouwing in de linten met de voorgevel naar de weg gericht met ruime voortuinen. Aan de Kerklaan vormt de bebouwing een redelijk eenvormig beeld. De bebouwing staat in de rooilijn, op enige afstand van de straat. De voortuinen en de diepe achtertuinen, die tegen de dijkhelling liggen, zorgen voor een groene uitstraling. Aan de Hoofdweg/Vrijheidslaan en de Parallelweg-Zuid is het bebouwingsbeeld gevarieerd, door een afwisseling in bouwstijl, bouwperiode en afmeting.

Het meest westelijk en oostelijk deel van het lint hebben een overwegend groen en landschappelijk karakter door vrijstaande woningen in een lage bebouwingsdichtheid, teruggelegen op ruime kavels met daartussen ruime openingen naar de achtergelegen polder. Het dijklint heeft op sommige plaatsen een duidelijke relatie met het achterliggende landschap door middel van doorzichten tussen de bebouwingselementen. Door de hogere ligging van de dijk is er zicht op het lager liggende dakenlandschap, een belangrijk aandachtspunt is hierdoor het voorkomen van achterzijden aan de dijk. Dorpslinten Nieuwerkerk aan den IJssel In aansluiting op de historische dorpskern zijn aan de Parallelweg-Zuid, de Vrijheidslaan/Hoofdweg, de Kerklaan en Pr. Beatrixstraat/Bermweg woonlinten ontstaan met vrijstaande woningen, boerderijtjes en bedrijfjes. De bebouwing in de linten heeft zich organisch ontwikkeld.

69

De bebouwing in de linten bestaat hoofdzakelijk uit vrijstaande woningen met één bouwlaag met kap. Bijgebouwen staan buiten de rooilijn, voornamelijk vrijstaand achter de woning. In het algemeen is de oude woonbebouwing kleinschalig van aard. Boerderijen en nieuwere bebouwing hebben een grotere schaal. Dorpslinten Zevenhuizen De Dorpsstraat, de Burgemeester Klinkhamerweg en de Noordelijke Dwarsweg zijn sterk verbonden met het centrum van Zevenhuizen. Deze wegen hebben elk hun eigen typerende karakteristiek. De Dorpsstraat is een typisch historisch en organisch gegroeid bebouwingslint. Er is veel diversiteit in bebouwingsvormen en in functie. Deze weg is van oudsher de ontsluitende route. De Noordelijke Dwarsweg dateert van dezelfde periode, maar is van een lagere orde. Deze weg fungeerde wel als een van de ontsluitingsroutes maar heeft niet het belang van de Dorpsstraat.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12759313/1