CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving ’s-Gravenweg 224 Nwk - A26.000251

Gemeenteraad 3 februari 2026, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv BOPA ’s-Gravenweg 224b in Nieuwerkerk aan den IJssel20.662 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Oordeel en conclusie

Bodemdaling 2020-2050

Autonoom vrij sterk, 20 tot 40 cm

Bodemdaling door ophoging bij opbrengen pakket zand of grond van 1 m dikte

Versterking van de bodemdaling met nog extra 25 cm is te verwachten.

Uit de analyse blijkt dat er voor de bestaande situatie een risico is voor de ontwikkeling ten aanzien van het aspect ‘bodemdaling’. Om dit tegen te gaan zijn maatregelen nodig. De bodem bestaat uit weinig draagkrachtige lagen van veen en klei. Bij opbrengen van een pakket zand of grond treedt een versterkte bodemdaling op. Om dit tegen te gaan zullen lichte ophoogmaterialen worden gebruikt óf een bouwstijl worden toegepast waarbij geen ophoging nodig is, zodat bodemdaling wordt beperkt. Het nieuwe zorggebouw daalt niet, omdat de palen van beton zijn. Er zijn uit dien hoofde geen maatregelen nodig. Biodiversiteit en natuur-inclusief bouwen Biodiversiteit De tuin wordt zodanig aangelegd met beplanting dat icoonsoorten, zoals de merel, de huismus en weidehommels, van voedsel kunnen voorzien. Bestaande bomen worden gehandhaafd. Daar waar mogelijk kunnen bomen worden geplant die tevens vore schaduwwerking zorgen. Natuur-inclusief bouwen Initiatiefnemer is voornemens nieuwbouw te realiseren binnen het plangebied. Het gaat om het oprichten een zorgvoorziening. Het is nodig natuur-inclusief te bouwen met het oog op de biodiversiteit en in dit kader een aantal gewenste voorzieningen te integreren voor Huismus, Gierzwaluw en vleermuizen: a. Voor de Huismus wordt ruimte beschikbaar gehouden onder de onderste twee rijen dakpannen. b.

Voor de Gierzwaluw worden holle inbouwstenen ingemetseld in de randen van de zijgevels. c. Voor vleermuizen worden kasten ingemetseld in de spouw op diverse plaatsen en op een aantal zijgevels vleermuiskasten geplaatst. Daarnaast wordt in een groenvoorziening een groepskast voor vleermuizen op een paal aangebracht. Aanbevolen wordt: voorzieningen voor de Gewone dwergvleermuis, voor de Laatvlieger en in beperkte mate voor de Ruige dwergvleermuis. Conclusie De nieuw te bouwen zorgvoorziening wordt overeenkomstig de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG) gerealiseerd. Bij uitwerking van het bouwplan wordt rekening gehouden met de door de gemeente gehanteerde beleidsuitgangspunten op het gebied van Duurzaam Bouwen, Klimaatadaptief bouwen, biodiversiteit en natuur-inclusief bouwen.

28

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving (ontwerp)

omgevingsvergunning 's-Gravenweg 224b, Nieuwerker k aan den IJssel

Hoofdstuk 5 5.1

Water

Inleiding

Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een weging van het waterbelang geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van deze weging is de relatie tussen planvorming op het gebied van de fysieke leefomgeving en de waterhuishouding te versterken.

5.2

Beleidskader Rijk en provincie

5.2.1

Rijk

Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Er wordt gewerkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Zo wordt al in de geest van de Omgevingswet gewerkt. 5.2.2

Provincie

Regionaal waterprogramma Zuid Holland 2022-2027 Provinciale Staten hebben op 9 maart 2022 het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid. In dit programma staat wat de provincie doet om uitvoering te geven aan de Europese richtlijnen die betrekking hebben op water (verplichte onderdelen). Het gaat om de volgende richtlijnen: Kaderrichtlijn Water; Grondwaterrichtlijn; Drinkwaterrichtlijn; Richtlijn Overstromingsrisico’s; Zwemwaterrichtlijn. Naast deze verplichte onderdelen bevat het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 ook niet-verplichte onderwerpen, zoals zoetwatervoorziening, wateroverlast, vaarwegbeheer en waterrecreatie. Hiermee laat provincie Zuid-Holland zien hoe ze samen met haar partners werkt aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland. Het regionaal waterprogramma is zelfbindend. Dat betekent dat alleen Gedeputeerde Staten eraan gebonden zijn. Toch heeft het regionaal waterprogramma ook gevolgen voor andere overheden. Die zijn wettelijk verplicht rekening te houden met de verplichte onderdelen van het regionaal waterprogramma. De binding van andere overheden aan de niet-verplichte onderdelen is waar nodig geregeld via de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving (ontwerp)

29

omgevingsvergunning 's-Gravenweg 224b, Nieuwerker k aan den IJssel

5.3

Beleid hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard

Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2022-2027, de Waterschapsverordening van Schieland en de Krimpenerwaard, peilbesluiten, leggers en andere documenten. In deze documenten heeft HHSK de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard vastgelegd. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Op 26 januari 2022 heeft het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft het hoogheemraadschap haar visie en ambities voor het waterbeheer voor de komende jaren. Naast de wettelijke taken heeft het hoogheemraadschap voor de periode 2022-2027 ook specifieke ambities en doelen. Deze worden in aan de hand van de volgende drie thema's uiteengezet: 1. Een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving voorbereid op de verandering van het klimaat. Door de omgeving aan te passen aan het veranderende klimaat blijft het mogelijk om de taken in de toekomst goed uit te voeren. Het vasthouden van regenwater kan helpen verdroging te bestrijden, de waterkwaliteit te verbeteren en wateroverlast te voorkomen. Waar nodig zullen ook dijken versterkt moeten worden. 2.

Een duurzaam waterschap voor de wereld van morgen. Het hoogheemraadschap wil de eigen bijdrage aan klimaatverandering verkleinen en het hergebruik van grondstoffen vergroten. In samenwerking met andere partijen wil het hoogheemraadschap ook een bijdrage leveren aan de verbetering van de waterkwaliteit en de vergroting van de biodiversiteit. 3. Water en waterschap als onderdeel van de samenleving. Het hoogheemraadschap staat in dienst van de gebruikers en wil vanuit die verbondenheid samen aan de wateruitdagingen werken. Tevens wil zij graag het waterbewustzijn vergroten en het versterken van participatie. Digitalisering en innovatie speelt daarbij een steeds belangrijkere rol. Waterschapsverordening en legger In de waterschapsverordening staan regels over activiteiten op of bij dijken, sloten, grondwater en wegen binnen het beheersgebied van een waterschap. De regels zijn bedoeld om het watersysteembeheer goed te kunnen uitvoeren. Daarnaast heeft het waterschap een leggerkaart, waarop de afmetingen en de vorm van sloten en dijken staan. Op de kaart staat ook wie er verantwoordelijk is voor het onderhoud. Schieland en de Krimpenerwaard heeft afzonderlijke leggers voor sloten en dijken.

Waterberging (Beleidsregel Aanbrengen verhard oppervlak 2024) Het waterbergingsbeleid bij ruimtelijke ontwikkelingen heeft tot doel om ongewenste effecten van verhardingstoename op het watersysteem te voorkomen. Een belangrijk ongewenst effect is de versnelde afvoer van neerslag. Het beleid beschrijft op welke wijze het effect van ruimtelijke ontwikkelingen op de waterberging wordt bepaald en hoe ongewenste gevolgen van deze ontwikkelingen kunnen worden gecompenseerd. HHSK maakt onderscheid in drie typen ruimtelijke ontwikkelingen: 1. Kleine plannen:

Plannen met een verhardingstoename tot 500 m².

2. Middelgrote plannen: Plannen met een verhardingstoename groter dan 500 m² en kleiner dan 10 hectare bruto planoppervlak. 3. Grote plannen:

Een plan groter dan 10 hectare bruto planoppervlak

De compensatie eis wordt door HHSK berekend. HHSK beschrijft in het beleid onder andere de volgende toetsingscriteria: Aanvullende waterberging ter compensatie van verhardingstoename dient voorafgaand aan het aanbrengen van de verharding te worden gerealiseerd; Waterberging moet algemeen en te allen tijde beschikbaar zijn; De waterberging moet in hetzelfde peilgebied op zo'n kort mogelijke afstand van de ontwikkeling

30

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving (ontwerp)

omgevingsvergunning 's-Gravenweg 224b, Nieuwerker k aan den IJssel

worden gerealiseerd. Alleen wanneer dit niet mogelijk is kan in overleg een andere benedenstroomse locatie overwogen worden. Kleine plannen Voor kleine ruimtelijke ontwikkelingen met een verhardingstoename is geen compensatie noodzakelijk. Kleine plannen hebben een gering effect op de waterhuishouding. Daarnaast bestaat er een zekere onzekerheid in berekening door de invoergegevens, berekeningsmethode en gevolgen van de klimaatsverandering. Door rekening te houden met de onzekerheid en om onevenredige belasting van de organisatie door dergelijke plannen te voorkomen, wordt compensatie voor een geringe verhardingstoename kwijtgescholden. Deze kwijtschelding, namelijk de aftrek van 500 m² verhardingstoename, geldt in verband met gelijkheid voor alle ruimtelijke ontwikkelingen binnen het beheergebied van HHSK.

5.4

Waterhuishouding

Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt niet in de kern- en beschermingszones van een bestaande waterkering van het hoogheemraadschap. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied. Waterhuishoudkundige situatie Aan de noord- en westzijde van het plangebied liggen overige watergangen met een beschermingszone van 1 meter vanaf de insteek van het talud (figuur 10). Het nieuw te bouwen zorggebouw ligt buiten de beschermingszone hiervan. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied.

Figuur 10: Uitsnede vigerende Legger oppervlaktewatersystemen 2023. Beschrijving waterkwantiteit De bestaande woonboerderij met een oppervlakte van 370 m² wordt gesloopt. Hiervoor in de plaats komt een zorgvoorziening met een oppervlakte van afgerond 450 m². Het gebouw krijgt een voor- en

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving (ontwerp)

31

omgevingsvergunning 's-Gravenweg 224b, Nieuwerker k aan den IJssel

achtertuin. Per saldo is er sprake van een toename van 80 m² verhard oppervlak. Op grond van de richtlijnen van het hoogheemraadschap is het realiseren van watercompensatie niet nodig. Watersysteemkwaliteit en ecologie Voor de nieuwe bebouwing zal gebruik worden gemaakt van niet-uitloogbare bouwmaterialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen) om diffuse verontreiniging van water en bodem te voorkomen. Indien desondanks gebruik wordt gemaakt van uitloogbare materialen, dienen deze te worden voorzien van een coating om uitloging tegen te gaan. Afvalwaterketen en riolering Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-)filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Het hemelwater van de zorgvoorziening wordt op oppervlaktewater geloosd. Voor vergunningplichtige activiteiten zal tijdig een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit worden aangevraagd bij het hoogheemraadschap. 5.4.1

Conclusie

Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen bestaan er geen bezwaren tegen deze planontwikkeling.

32

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving (ontwerp)

omgevingsvergunning 's-Gravenweg 224b, Nieuwerker k aan den IJssel

Hoofdstuk 6

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

De beleidsvelden milieu en de fysieke leefomgeving groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en de fysieke leefomgeving. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ontwikkelingen maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de fysieke omgevingsaspecten en het milieu die een rol spelen bij de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Deze onderwerpen worden in dit hoofdstuk toegelicht.

6.1

Milieu

De te behandelen thema's die vanuit een oogpunt van milieu van belang zijn voor deze planontwikkeling zijn Milieueffectrapportage, Activiteiten en milieuzonering, Geluid, Bodem, Luchtkwaliteit, Omgevingsveiligheid en Gezondheid. 6.1.1

Milieueffectrapportage

Wettelijk kader De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (mer) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Met de aanvraag om een omgevingsvergunning zijn dergelijke besluiten niet aan de orde. In artikel 11.6 (aanwijzen mer-(beoordelings)plichtige projecten) van het Omgevingsbesluit zijn in lid 3 projecten genoemd die mer-(beoordelings)plichtig zijn zoals opgenomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MER-beoordelingsprocedure. Onderzoek/ beoordeling Met deze aanvraag omgevingsvergunning wordt een kleinschalige intramurale zorgvoorziening mogelijk gemaakt. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn in 1 lijst zowel de mer-plichtige als de mer-beoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten.

In het Besluit milieueffectrapportage waren dat nog 2 lijsten (onderdelen C en D in de bijlage bij dat besluit). Voor stedelijke ontwikkelingsprojecten is het volgende opgenomen in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Tabel 6.1: Bijlage V bij de artikelen 11.6, 11.7 en 11.8 van het Omgevingsbesluit.

J11

Projecten

Gevallen waarin de mer-plicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet)

Gevallen waarin de mer-beoordelingsplicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de Omgevingswet)

Besluiten als bedoeld in artikel 11.6, derde lid, onder c, van het Omgevingsbesluit

Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen

Niet van toepassing

Aanleg, wijziging of uitbreiding

Het omgevingsplan

Gelet op de aard, omvang en directe omgeving (alsmede relevante jurisprudentie over dit onderwerp) is

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving (ontwerp)

33

omgevingsvergunning 's-Gravenweg 224b, Nieuwerker k aan den IJssel

de beoogde ontwikkeling zelfstandig beschouwd mogelijk niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in categorie J11 in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Voor de ontwikkeling van onderhavig project zijn milieuonderzoeken uitgevoerd (akoestisch onderzoek, bodemonderzoek, archeologisch onderzoek en ecologisch onderzoek). Deze onderzoeken zijn gebruikt om de milieueffecten te beoordelen voor deze mer-beoordeling. Er is geen milieueffectrapport nodig, omdat een functiewijziging volgens het de Omgevingswet niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling en/of landinrichtingsproject. Conclusie Voor het oprichten van een kleinschalig zorggebouw zijn geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten. Gelet op het “nee, tenzij” principe hoeft er geen mer-beoordelingsprocedure worden doorlopen. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. 6.1.2

Activiteiten en milieuzonering

Wettelijk kader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid en geur. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Bedrijfsactiviteiten moeten worden getoetst aan het Besluit activiteiten leefomgeving. De Handreiking Activiteiten en Milieuzonering 2024 (VNG) geeft daarnaast richtafstanden voor de ruimtelijke inpasbaarheid van nieuwe initiatieven, per type bedrijvigheid, voor geur en geluid. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten. De te beoordelen situaties zijn te herleiden tot 3 groepen met bijbehorende aanpak, namelijk: Nieuwe milieugevoelige functies nabij bedrijven Nieuwe bedrijfsbestemmingen nabij bestaande milieugevoelige functies Nieuwe milieugevoelige functies nabij nieuwe bedrijfsbestemmingen De richtafstanden in Activiteiten en milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals woningen. De richtafstanden in de Handreiking Activiteiten en Milieuzonering zijn geclassificeerd in zones voor geluid en geur. In tabel 6.2 zijn de richtafstanden uit de VNG richtlijn opgenomen.

Indien sprake is van een gebied met functiemenging mag de richtafstand met één afstandsstap worden verkleind. Tabel 6.2: Richtafstanden volgens VNG richtlijn. Zone geur

Zone geluid

Minimale afstand (meter)

FM*

FM*

10

1

1

30

2

2

50

3

3

100

4

4

200

* FM: Geschikt voor Functiemenging. Onderzoek/ beoordeling De kern van de handreiking draait om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden en dus niet meer aan de hand van richtafstanden zoals in het verleden is gedaan. De nieuwe handreiking hanteert een systematiek van verschillende zones voor geluid en geur. Daarbij geldt hoe verder van een gevoelige functie (zoals woningen), hoe meer gebruiksruimte een bedrijf ontvangt. Voor geluid geldt een basiszone, een beperkte zone of een verruimde zone. Voor het aspect geur wordt slechts gebruik gemaakt van een basiszone en een verruimde zone. Voor wat betreft geur geldt dat dit aspect hieronder

34

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving (ontwerp)

omgevingsvergunning 's-Gravenweg 224b, Nieuwerker k aan den IJssel

nader wordt beschouwd. De ontwikkeling is in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of het omgevingsplan ook niet aangewezen als een milieubelastende activiteit. Op basis van de handreiking Activiteiten en milieuzonering is de afstand tussen percelen in dit geval 0 meter. Er is dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat deze maatschappelijke voorziening binnen het plangebied milieuhygiënische knelpunten naar de omgeving zal opleveren. Trillingen De locatie ligt niet in de nabijheid van een spoorweg, drukke weg of andere bron van trillingen. Geurhinder De geplande ontwikkeling ligt niet in de nabijheid van een agrarisch bedrijf of andere bron van geurhinder. Een onderzoek naar geurhinder is niet noodzakelijk. Lichthinder De geplande ontwikkeling betreft een gevoelige bestemming voor lichthinder. De ontwikkeling ligt niet in de buurt van een bron van lichthinder. Een onderzoek naar lichthinder is niet noodzakelijk. Conclusie Uit inventarisatie is gebleken dat er geen relevante milieubelastende activiteiten in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de beoogde activiteit binnen het plangebied milieuhygiënische knelpunten naar de omgeving zal opleveren. Een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, zodat er vanuit milieuzonering geen bezwaren bestaan tegen de zorgvoorziening. 6.1.3

Geluid

Wettelijk kader algemeen Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (paragraaf 22.3.4.2 bruidsschat); Geluid door windturbines en windparken (paragraaf 22.3.4.3 bruidsschat); Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (paragraaf 22.3.4.4 bruidsschat).

De instructieregels uit Afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.21 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving (ontwerp)

35

omgevingsvergunning 's-Gravenweg 224b, Nieuwerker k aan den IJssel

6.1.3.1 Wegverkeerslawaai Wettelijk kader wegverkeerslawaai Wegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. Het Bkl verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen. Tevens stellen het Bkl regels aan de maximale geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen. In artikel 3.22 van het Bkl is geluidsgevoelige ruimte een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een: a. woonfunctie of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die woonfunctie; b. onderwijsfunctie; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die gezondheidszorgfunctie; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied. Onderzoek/ beoordeling Bij verandering van een omgevingsplan moet er in principe worden getoetst aan het Bkl. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid van alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De waarden die bij toelaten van een weg gelden, staan in tabel 6.3. Tabel 6.3: Standaardwaarde en grenswaarde geluidgevoelige gebouwen.

Geluidbronsoort

Standaardwaarde (dB) (tabel 5.78t Bkl)

Grenswaarde (dB) (tabel 5.78u Bkl)

Provinciale wegen en Rijkswegen

50 Lden

60 Lden

Gemeentewegen en waterschapswegen

53 Lden

70 Lden

De relevante wegen in het geluidaandachtsgebied van het plangebied zijn de gemeentelijke wegen 's-Gravenweg, Hitlandselaan en Watrschapsweg, alsmede de Provincialeweg Schielandweg (N219). In deze situatie is sprake van bestaande wegen en een nieuwe zorgvoorziening. Het aanvaardbare woonen leefklimaat moet door middel van akoestisch onderzoek worden aangetoond. Indien de berekende belasting de genoemde waarde overschrijdt, dient in eerste instantie onderzocht te worden of maatregelen mogelijk zijn die de geluidsbelasting verlagen tot de nieuwe standaardwaarde of minder. In verband hiermede is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Cauberg Huygen te Rotterdam (rapport van 25 juni 2025, referentie 11430-60221-04, Bijlage 1). Uit de uitgevoerde berekeningen kan het volgende worden afgeleid (overgenomen uit rapport). Een zorgboerderij is een geluidgevoelig gebouw derhalve is een akoestisch onderzoek vereist. De projectlocatie ligt binnen het geluidaandachtsgebied van de gemeentewegen ’s-Gravenweg, Hitlandselaan en Waterschapsweg. Daarnaast ligt de locatie binnen het geluidaandachtsgebied van de provinciale weg Schielandweg (N219). Omdat voor de provinciale weg Schielandweg (N219) nog geen geluidproductieplafonds zijn vastgesteld wordt deze weg, in overeenstemming met artikel 3.5 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet volgens de oude Wet geluidhinder beoordeeld.

Uit de berekeningen blijkt dat het optredende geluid vanwege de gemeentewegen maximaal 44 Lden bedraagt. Hiermee is geen sprake van een overschrijding van de standaardwaarde (53 Lden). Uit de berekeningen blijkt dat de optredende geluidbelasting vanwege de provinciale weg Schielandweg (N219) maximaal 56 dB bedraagt. Hiermee is sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde (48 dB). Een aanvraag voor een hogere waarde is aan de orde. Het gecumuleerd geluid en gezamenlijk geluid is maximaal 58 Lden. Maatregelen aan de bron en in de overdracht stuiten op bezwaren van verkeerskundige, financiële en of landschappelijke aard. Geadviseerd wordt om hogere waarden aan te vragen van 56 dB voor de zorgboerderij in verband met de

36

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving (ontwerp)

omgevingsvergunning 's-Gravenweg 224b, Nieuwerker k aan den IJssel

Provinciale weg N219. De zorgboerderij voldoet aan het gemeentelijk geluidbeleid. In de voorwaarden voor de omgevingsvergunning wordt opgenomen dat de geluidwering van de achtergevel van het zorggebouw minimaal 21 dB bedraagt. Conclusie Gezien het bovenstaande gelden vanuit het Bkl, onderdeel verkeerslawaai, geen beperkingen voor onderhavige planontwikkeling, nadat voor de zorgboerderij een hogere waarde is vastgesteld van 56 dB.. 6.1.3.2 Spoorweglawaai Wettelijk kader spoorweglawaai Op het bepalen van het geluid zijn op grond van artikel 3.24, lid 5 van het Bkl de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. De zonebreedte van spoorwegen zijn vastgesteld op basis van de GPP's (Geluid Productie Plafonds). Bij verandering van een omgevingsplan moet er in principe worden getoetst aan het Bkl. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid van alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De waarden die bij toelaten van een spoorweg gelden, staan in tabel 6.4. Tabel 6.4: Standaardwaarde en grenswaarde geluidgevoelige gebouwen. Geluidbronsoort

Standaardwaarde (dB) (tabel 5.78t Bkl)

Grenswaarde (dB) (tabel 5.78u Bkl)

Lokale spoorwegen en Hoofdspoorwegen

55 Lden

70 Lden

Onderzoek/ beoordeling Het plangebied ligt niet binnen het geluidaandachtsgebied van de noordelijk gelegen spoorlijn Rotterdam/Utrecht (traject 600). Conclusie Gezien het bovenstaande gelden vanuit het Bkl, onderdeel spoorweglawaai, geen beperkingen voor onderhavige planontwikkeling. 6.1.3.3 Industrielawaai Wettelijk kader Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. In artikel 3.25 van het Bkl zijn regels opgenomen voor het bepalen van geluid door industrieterreinen. Op het bepalen van het geluid zijn op grond van lid 4 de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. Bij verandering van een omgevingsplan moet er in principe worden getoetst aan het Bkl. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid van alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De waarden die bij toelaten van een industrieterrein gelden, staan in tabel 6.5. Tabel 6.5: Standaardwaarde en grenswaarde geluidgevoelige gebouwen. Geluidbronsoort

Standaardwaarde (dB) (tabel 5.78t Bkl)

Grenswaarde (dB) (tabel 5.78u Bkl)

Industrieterreinen

50 Lden 40 Lnight

55 Lden 45 Lnight

Onderzoek/ beoordeling

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving (ontwerp)

37

omgevingsvergunning 's-Gravenweg 224b, Nieuwerker k aan den IJssel

Bedrijven(terreinen) kunnen beperkingen opleggen aan nieuwe gevoelige functies, waaronder wonen, in verband met een geluidzone. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de richtafstanden uit de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (zie hiervoor paragraaf 6.1.2). Voor industrieterreinen geldt dat er binnen de geluidreferentiepunt in beginsel geen woningbouw is toegestaan op grond van het bepaalde in het Bkl. In de nabijheid van het plangebied als bedoeld in artikel 3.33 (geluidreferentiepunten voor industrieterreinen) liggen geen industrieterreinen met een geluidproductieplafond. In paragraaf 6.1.2 is dit toegelicht. Vanuit oogpunt van industrielawaai zijn er geen beperkingen. Conclusie Gezien het bovenstaande gelden vanuit het Bkl, onderdeel industrielawaai, geen beperkingen voor onderhavige planontwikkeling. 6.1.4

Bodem

Wettelijk kader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Bal, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal); Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4); Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik.

Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Onderzoek/ beoordeling De Omgevingsdienst Midden-Holland heeft het lokaal beleid voor het uitvoeren van bodemonderzoeken in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geactualiseerd. Het beleid is vastgelegd in de 'Bodemkwaliteitskaart Midden-Holland 2022' en de 'Nota bodembeheer Midden-Holland 2023'. De gemeenteraad van Zuidplas heeft in 2023 de beleidsregels vastgesteld. De locatie is onderdeel van de lintbebouwing in het voormalig agrarisch buitengebied ten noorden van Nieuwerkerk aan den IJssel en ten westen van de Hollandsche IJssel. De locatie omvat het voorterrein van het kavel met daarop een woning met tuin van ’s-Gravenweg 224b. Uit de digitale bodemkwaliteitskaart van ODMH blijkt dat de locatie gelegen is in een zone met bodemfunctieklasse wonen. De locatie ligt tevens binnen de zones met de speciale aanduiding ‘diffuse spoed’ (wonen met kleine moestuin) en ‘aandachtsgebied voor bodemlood’. De locatie is door ODMH ingedeeld in zone 12: ‘Lintbebouwing zeekleipolders’. De bovenlaag van 0,0 tot 0,5 m-mv voldoet naar verwachting aan kwaliteitsklasse ‘industrie’. De onderlaag van 0,5 tot 2,0 m-mv voldoet naar verwachting aan kwaliteitsklasse ‘wonen’. Als grond wordt toegepast op de locatie geldt daarvoor de minimale vereiste klasse Wonen.

In verband met nieuwbouw van de zorgvoorziening is een verkennend bodemonderzoek overeenkomstig NEN 5740 uitgevoerd door Hoste Milieutechniek B.V. te Hazerswoude-Dorp (rapport van 20 december 2024, kenmerk U24-0980, Bijlage 2). Uit de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden afgeleid (overgenomen uit rapport).

38

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving (ontwerp)

omgevingsvergunning 's-Gravenweg 224b, Nieuwerker k aan den IJssel

Resultaten historisch vooronderzoek De locatie ligt in een poldergebied met lintbebouwing en was vroeger hoofdzakelijk een agrarisch gebied. De boerderij was als boerenbedrijf op de locaties 224a en 224b. Thans zijn de kavels gesplitst en wordt de onderzoekslocatie gebruikt als woonhuis met tuin. Rondom een groot deel van de boerderij ligt een verharding met grind. Ter plaatse van de keuken/noordkant is een terras met betontegels. De voortuin bestaat uit een gazon en beplanting. De beschoeiing is niet asbestverdacht. Waarnemingen en resultaten Op de locatie wordt overwegend een kleiige bovengrond tot 0,5 à 1,9 m-mv aangetroffen. In deze bovengrond worden plaatselijk bijmengingen met houtskool en bakstenen aangetroffen. Bij de boringen 12, 13 en 14 wordt een zandige bovengrond aangetroffen. De ondergrond is venig. Bij de boringen 01 en 02 in de vermoedelijke gedempte sloot zijn geen bijmengingen aangetroffen die duiden op een slootdemping. Wel is hier een puinlaag aanwezig. Deze wordt echter ook aangetroffen ter hoogte van boring 4. In de grond en puinlaag zijn verder geen mogelijk asbesthoudende materialen aangetroffen. De kleiige bovengrond met bijmengingen met koolas en baksteen bij de boringen 5 en 7 en de zandige bovengrond bij boring 12 zijn sterk verontreinigd met lood en/of zink. De overige grond is niet tot maximaal licht verontreinigd met de onderzochte parameters.

De puinlaag ter hoogte slootdemping is licht verontreinigd met asbest. De puinhoudende grond is niet verontreinigd met asbest. Het grondwater is niet verontreinigd boven de signaleringsparameters. Interpretatie en aanbeveling De bovengrond op de onderzoekslocatie is plaatselijk sterk verontreinigd met lood en/of zink. Het betreffen drie afzonderlijke spots die bij elkaar naar verwachting minder dan 25 m³ sterk verontreinigde grond bevatten. Het uitvoeren van aanvullend en/of nader bodemonderzoek wordt niet nodig geacht. Verder zijn geen noemenswaardige verontreinigingen met de parameters van het standaardpakket of met asbest aangetoond in grond en grondwater. Op basis van de aangetoonde verontreinigingssituatie van de bodem op locatie wordt de toelaatbare kwaliteit van de bodem (meer dan 25 m³ bodemvolume verontreinigd tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit) ten behoeve van de voorgenomen bouwactiviteiten niet overschreden. Wel wordt opgemerkt dat, afhankelijk van de toekomstige herinrichting en de exacte invulling van de eventueel daarbij behorende graafwerkzaamheden, de milieubelastende activiteiten “saneren van de bodem” en “graven in bodem boven de interventiewaarde bodemkwaliteit” van toepassing zouden kunnen zijn naar aanleiding van de aanwezige sterke verontreiniging met lood en/of zink.

Indien werkzaamheden worden uitgevoerd die vallen onder deze milieubelastende activiteiten zullen zij dienen te worden uitgevoerd door BRL 6000/7000 gecertificeerde en erkende bedrijven en dient een Plan van Aanpak te worden opgesteld en ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet. Conclusie Voor de nieuwbouw is een nader bodemonderzoek conform NTA 5755 en een verkennend asbestonderzoek conform NEN 5707 en/of NEN 5897 noodzakelijk. Dit onderzoek zal worden uitgevoerd, voordat wordt gestart met de werkzaamheden. In de voorwaarden van de omgevingsvergunning wordt dit geborgd. Met inachtneming hiervan is het plan uitvoerbaar ten aanzien van bodem. Wanneer grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van het Aanvullingsbesluit bodem of hetgeen is gesteld in het grondstromenbeleid Midden-Holland.

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving (ontwerp)

39

omgevingsvergunning 's-Gravenweg 224b, Nieuwerker k aan den IJssel

6.1.4.1 Ontplofbare oorlogsresten Uit ervaring blijkt dat circa 10 tot 15% van de gebruikte Conventionele Explosieven (CE) uit WOll tijd niet functioneerde en als blindganger in de bodem is achtergebleven. Een blindganger vormt een wezenlijk risico tijdens grondroerende werkzaamheden. In 2014 is historisch vooronderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van CE voor het grondgebied van de gemeente Zuidplas. Hieruit blijkt dat het plangebied onverdacht is voor wat betreft het voorkomen van CE. Verder onderzoek naar CE is niet noodzakelijk. Hoewel er geen indicaties zijn voor de aanwezigheid van CE, kan niet met zekerheid worden gesteld dat die er niet zijn. Als men bij toekomstig graafwerk stuit op een verdacht object, zijn passende maatregelen nodig. 6.1.5

Luchtkwaliteit

Wettelijk kader De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied.

Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In Bkl zijn onder andere omgevingswaarden opgenomen voor zwaveldioxide (artikel 2.3), stikstofdioxide en stikstofoxiden (artikel 2.4) en fijn stof (artikel 2.5). De omgevingswaarden gelden voor de buitenlucht. Deze zijn niet van toepassing op een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 89/654/EEG van de Raad van 30 november 1989 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor arbeidsplaatsen (PbEG 1989, L 393) waartoe het publiek gewoonlijk geen toegang heeft. In tabel 6.6 is een overzicht gegeven van de omgevingswaarden uit het Bkl. Tabel 6.6: Omgevingswaarden maatgevende stoffen Besluit kwaliteit leefomgeving. stof

kalenderjaargemiddelde

uurgemiddelde 24-uursgemiddelde Opmerkingen

NO2

40 µg/m3

200 µg/m3

n.v.t.

PM2,5

25 µg/m3

n.v.t.

n.v.t.

PM10

3

40 µg/m

n.v.t.

50 µg/m

Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden n.v.t. 3

24-uursgemiddelde Mag 35x per jaar worden overschreden

Artikel 8.17 van het Bkl stelt dat een omgevingsvergunning alleen kan worden verleend als de omgevingswaarden in acht worden genomen.

40

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving (ontwerp)

omgevingsvergunning 's-Gravenweg 224b, Nieuwerker k aan den IJssel

Onderzoek luchtkwaliteit Voor de toetsing of het plan in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit is van belang met welke functies het plangebied wordt uitgebreid. In het gebied al aanwezige functies worden niet meegerekend bij het bepalen van de verkeersaantrekkende werking van het plan. Ten opzichte van de bestaande situatie is er sprake van nieuwbouw met een kleinschalige zorgvoorziening. Om een beeld te krijgen van de luchtkwaliteit in het plangebied is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) geraadpleegd voor 2022 en het prognosejaar 2030 in de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie ter hoogte van het plangebied aan de 's-Gravenweg (detailgegevens x: 102017.251800614 en y: 440901.567723267). Hieruit blijkt dat de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide ten hoogste 17,03 µg/m³ bedraagt. De jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) bedraagt ten hoogste 16,65 µg/m³. De concentraties liggen daarmee onder de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m³. Voor PM2,5 geldt dat de hoogste concentratie 8,80 µg/m³ bedraagt en ligt daarmee onder de wettelijke waarde van 25 µg/m³. Geconcludeerd wordt dat het Bkl de uitvoering van het project niet in de weg staat. Conclusie In het algemeen kan worden gesteld dat als in de huidige situatie aan de grenswaarden wordt voldaan, ook in toekomstige jaren wordt voldaan.

Deze ontwikkeling maakt een vervolgfunctie naar wonen mogelijk. Volgens de CIMLK is de concentratie NO2, PM10 en PM2,5 op de rekenpunten onder de grenswaarden, zodat er geen gevolgen zijn voor deze functie. Volgens de prognoses wordt de luchtkwaliteit in de komende jaren, door het schoner worden van het verkeer, steeds beter. Artikel 8.17 (beoordelingsregels milieubelastende activiteit luchtkwaliteit) van het Bkl staat deze planontwikkeling niet in de weg. 6.1.6

Omgevingsveiligheid

Wettelijk kader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7. lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (artikel 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'.

Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving (ontwerp)

41

omgevingsvergunning 's-Gravenweg 224b, Nieuwerker k aan den IJssel

Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brandof explosievoorschriftengebied aanwijzen (artikel 5.14 Bkl). Als het initiatief in een voorschriftengebied ligt, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (artikel 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.

Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: paragraaf 5.1.2.3 Bkl; Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: paragraaf 5.1.2.4 Bkl; Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (paragraaf 5.1.2.5 Bkl); Veiligheid rond luchthavens (paragraaf 5.1.2.6 Bkl). Onderzoek / beoordeling De planontwikkeling betreft een woonfunctie met 24-uurszorg, waardoor het als een zeer kwetsbaar gebouw beschouwd dient te worden. Voor Omgevingsveiligheid is een aantal bronnen van belang, namelijk het vervoer van gevaarlijke stoffen via de weg, het spoor of het water, het transport door ondergrondse leidingen en de opslag van gevaarlijke stoffen. Voor het plangebied is de Signaleringskaart EV geraadpleegd. Deze kaart geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid.

Op de Signaleringskaart EV ligt het plangebied niet in een explosie-aandachtgebied van bedrijven en binnen het invloedsgebied van een buisleiding. Een uitsnede van de Signaleringskaart EV is opgenomen in figuur 11. Het plangebied ligt ook niet in het aandachtsgebied van een hoogspanningsleiding of Rotterdam The Hague Airport. Wel ligt het plangebied binnen een zone van 80 meter de Provincialeweg N219. De weg maakt geen deel uit van het Basisnet transport, maar er vindt in beperkte mate transport van gevaarlijke stoffen plaats over deze weg. Conform de Visie EV van de gemeente Zuidplas moet het groepsrisico worden verantwoord. In paragraaf 6.1.6.1 wordt hierop ingegaan.

42

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving (ontwerp)

omgevingsvergunning 's-Gravenweg 224b, Nieuwerker k aan den IJssel

Figuur 11: Uitsnede Signaleringskaart EV. Plangebied zwart omlijnd aangeduid. 6.1.6.1 Verantwoording groepsrisico Beperkte verantwoording van het groepsrisico Er dient een verantwoording te worden opgesteld, omdat het plangebied binnen het invloedsgebied ligt van de N219. Een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico is niet aan de orde, omdat het groepsrisico ten gevolge van deze planontwikkeling nagenoeg niet wijzigt. De hoogte van het groepsrisico moet worden onderzocht en bestuurlijk worden verantwoord. Door deze verantwoordingsplicht zijn betrokken partijen gedwongen om een goede ruimtelijke afweging te maken waarin de veiligheid in het plangebied in de omgeving voldoende is gewaarborgd. Plaatsgebonden risico Voor deze risicobronnen is geen sprake van een plaatsgebonden risicocontour PR=10-6 die over het plangebied ligt. Ook ligt het plangebied niet binnen een veiligheidszone en een plasbrandaandachtsgebied. Verantwoordingsplicht groepsrisico De risico's van het transport van gevaarlijke stoffen over de N219 ter hoogte van het plangebied ligt op maximaal 0,01* oriëntatiewaarde voor het groepsrisico (OW). Er is geen sprake van een significante toename van het groepsrisico. Een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico is dan ook niet nodig.

Toetsing plan aan plaatsgebonden risico en verantwoordingsplicht groepsrisico Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De ontvluchting vanuit het plangebied vanaf de risicobronnen is voldoende. Via de voorzijde van het plangebied kan in oostelijke richting worden ontvlucht. De bestrijdbaarheid wordt als goed beoordeeld. De 's-Gravenweg is goed bereikbaar voor hulpdiensten en de bluswatervoorziening ter plaatse is voldoende om een incident met gevaarlijke stoffen effectief te bestrijden. Er kan vanuit de meerdere aanwezige sloten water worden verkregen voor de bestrijding van een incident. Met inachtneming hiervan

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving (ontwerp)

43

omgevingsvergunning 's-Gravenweg 224b, Nieuwerker k aan den IJssel

zijn er geen beperkingen voor het plangebied. Zelfredzaamheid Er wordt een zorgvoorziening met acht verstandelijk gehandicapten mogelijk gemaakt, zijnde een zeer kwetsbaar gebouw. Er zijn altijd verpleegkundigen aanwezig op locatie. De aanwezige gehandicapten in de zorgvoorziening worden beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de verzorgers de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden in geval van een calamiteit. Verantwoording Het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas hebben kennis genomen van de inhoud van deze rapportage en de gegeven adviezen en achten het groepsrisico, na het nemen van de voorgestelde maatregelen, aanvaardbaar. Conclusie Bij omgevingsveiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de N219. Met de voorgenomen ontwikkeling is de toename van het groepsrisico verwaarloosbaar. Uit de beknopte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Het aspect omgevingsveiligheid staat dit bouwplan dan ook niet in de weg. 6.1.7

Gezondheid

Wettelijk kader In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Eén van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. In artikel 3.3 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag in de omgevingsvisie rekening moet houden met het voorzorgsbeginsel en andere milieubeginselen. In artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Over gezondheid in de omgevingsvergunning gaan de artikelen 5.32 en 5.42 lid 4 van de Omgevingswet en de artikelen 8.101 en 8.102 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Onderzoek/ beoordeling In de Omgevingsvisie is in algemene zin aandacht besteed aan gezondheid. Gezond Zuidplas De gemeente wil in 2040 een sociale en vitale gemeente zijn. Een gemeente met een gezonde en veilige leefomgeving én met aandacht voor de gezondheid van haar inwoners. Dit in de brede zin van het begrip positieve gezondheid, waarbij zowel lichaamsfuncties, mentaal welbevinden, zingeving, kwaliteit van leven, meedoen en dagelijks functioneren meetellen. Ontmoeten is daarbij één van de essentiële behoeften.

De inrichting en toegankelijkheid van de openbare ruimte, maar ook die van gebouwen vindt de gemeente daarbij van belang. Daarbij zet de gemeente zich in op het verbeteren en uitbreiden van het fiets-, wandel- en vaarnetwerk in de dorpen en het buitengebied. Gezond en verantwoord voedsel draagt ook bij aan die gezondheid. Met o.a. de volgende ontwikkelingsambities in de leefomgeving maakt zij dit waar en geeft de gemeente invulling aan de slogan: ‘iedereen doet mee’: de gemeente streeft naar een schone en veilige fysieke leefomgeving; Daarnaast probeert de gemeente externe veiligheidsrisico’s en geluid- en lichthinder tot een minimum te beperken. Conclusie Beschermen van de gezondheid en een veilige leefomgeving is in algemene zin opgenomen in de Omgevingsvisie Zuidplas. Voor de planontwikkeling is duurzaamheid, klimaatadaptatie en biodiversiteit

44

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving (ontwerp)

omgevingsvergunning 's-Gravenweg 224b, Nieuwerker k aan den IJssel

beschreven in paragraaf 4.3.3. Externe veiligheidsrisico's en geluidhinder zijn toegelicht in paragraaf 6.1. Hierin is aangetoond dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Gezondheid wordt nader vastgelegd in het omgevingsplan in de vorm van omgevingswaarden. De aanvraag omgevingsvergunning is in overeenstemming met de uitgangspunten van de omgevingsvisie.

6.2

Archeologie en cultuurhistorie

6.2.1

Archeologie

Wettelijk kader De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. 6.2.2

Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland

In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (provincie Zuid-Holland) is het gebied niet specifiek aangeduid. Er is onderscheid gemaakt in drie kleuren categorieën (drie tinten bruin). De toekenning van een (zeer) grote, redelijke of lage kans op sporen (kleuren donker-, middel- en lichtbruin) heeft betrekking op de relatieve dichtheid van archeologische vondsten die in een bepaald gebied verwacht wordt. De witte gebieden hebben een lage trefkans. Het plangebied ligt 0 tot 5 meter onder maaiveld in komafzettingen met veen in de Formatie van Echteld, en Formatie van Nieuwkoop, Hollandveen laagpakket. De archeologische waarde is hier geen of laag. De gronden (ruim) dieper dan 5 meter maaiveld (basis holocoon) liggen in Stroomgordels en geulafzettingen in de Formatie van Echteld. Hier geldt een hoge archeologische waarde (figuur 12).

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving (ontwerp)

45

omgevingsvergunning 's-Gravenweg 224b, Nieuwerker k aan den IJssel

Figuur 12: Uitsnede Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland. Plangebied geel omkaderd. 6.2.3

Gemeentelijke beleidsnota archeologie

De gemeenteraad van Zuidplas heeft op 23 november 2010 de gemeentelijke beleidsnota archeologie vastgesteld. In deze nota is voor het gehele gemeentelijke grondgebied een archeologische inventarisatie uitgevoerd en vervolgens een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart opgesteld. Op de verwachtingskaart staan naast de reeds bekende archeologische waarden ook de te verwachte archeologische waarden in de vorm van zones met een bepaalde trefkans. Hiermee wordt een beeld verkregen waar archeologische sporen en vondsten in de bodem aanwezig kunnen zijn. Voor de verschillende archeologische verwachtingswaarden is een archeologiebeleid opgesteld. De archeologische beleidsadvieskaart is afgeleid uit de archeologische verwachtingskaart, waarbij de beleidsadviezen in de legenda zijn opgenomen. De archeologische verwachtingswaarden in de gemeente zijn bepaald door een koppeling te maken tussen de landschapskenmerken en de bekende archeologische waarden om vervolgens elke landschappelijke eenheid om te zetten in een archeologische verwachting. De aanwezigheid van een bepaald landschapstype zegt immers veel over de oorspronkelijke hoogteligging, ontwatering en bodemvruchtbaarheid; drie factoren die bij de locatiekeuze van nederzettingen en akkers in het verleden een belangrijke rol speelden.

Er is rekening gehouden met meerdere archeologische niveaus vanwege het aanwezige gelaagde landschap. De bekende archeologische en historische waarden zijn op de verwachtingskaart opgenomen, omdat in de directe omgeving archeologische resten in de bodem aanwezig kunnen zijn. De informatie over de op de verwachtingskaart opgenomen bodemverstoringen is afkomstig van het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) en van de gedetailleerde bodemkaarten. De verwachtingswaarden zijn opgesplitst naar archeologische perioden en diepteligging. Onderzoek/ beoordeling Voor het plangebied is de archeologische beleidsadvieskaart van toepassing. Op deze kaart heeft de locatie archeologische verwachtingswaarden: 'Waarde - Archeologie 2' (figuur 13). Onderzoek is nodig

46

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving (ontwerp)

omgevingsvergunning 's-Gravenweg 224b, Nieuwerker k aan den IJssel

bij grondingrepen groter 50 m² dan en dieper dan 0,30 m -Mv. In de door de gemeenteraad op 6 maart 2018 vastgestelde Parapluherziening Archeologie is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen. Op grond hiervan is onderzoek nodig bij grondingrepen groter 100 m² dan en dieper dan 0,30 m -Mv. In verband hiermede is een archeologisch onderzoek uitgevoerd.

Figuur 13: Uitsnede van de archeologische beleidsadvieskaart. 6.2.4

Archeologisch vooronderzoek

Het archeologisch vooronderzoek in de vorm van een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd door SOB Research te Heinenoord (rapport van februari 2025, projectnummer 4023-2501, Bijlage 3). Op basis van de onderzoeksresultaten voor het ontwikkelgebied en de voorgenomen bodemingrepen kan het volgende worden geconcludeerd (overgenomen uit rapport). De belangrijkste te voorziene bodemverstoringen betreffen de graafwerkzaamheden ten behoeve van de ondergrondse sloop van de bestaande woning en de aanleg van de bouwput voor de nieuwe woning. Het is niet bekend in hoeverre de bodem ter plaatse van de oude bebouwing is verstoord. Er is in ieder geval ter plaatse van een deel van deze oude bebouwing een kleine kelder aanwezig. Voor de nieuwbouw zal een bouwkuip worden aangelegd tot een maximale diepte van 1.5 meter beneden het maaiveld. Binnen de omtrek van de bebouwing zal een kelder worden gerealiseerd met een omvang van circa 9 x 5 meter (circa 45 m²). De nieuwbouw zal worden gefundeerd op heipalen. Het heipalenplan was tijdens de uitvoering van het bureau- en booronderzoek nog niet beschikbaar. In eerste instantie is het Archeologisch Bureauonderzoek uitgevoerd en is het daarop gebaseerde, gespecificeerde Archeologisch Verwachtingsmodel opgesteld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16517880/1