Bijlage 1 - Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving ’s-Gravenweg 224 Nwk - A26.000251
Tekst van het document
Vervolgens is - ter toetsing en ter aanvulling van het Archeologisch Verwachtingsmodel - op 6 februari 2025 het veldonderzoek (IVO-Overig) uitgevoerd. Daarbij zijn 4 boringen gezet tot een diepte van 3.0 meter beneden het maaiveld. De verkregen gegevens, de daaraan verbonden conclusies en het daarop gebaseerde advies, zijn uitgewerkt in het conceptrapport.
Goede onderbouwing fysieke leefomgeving (ontwerp)
47
omgevingsvergunning 's-Gravenweg 224b, Nieuwerker k aan den IJssel
Op basis van het Archeologisch Bureauonderzoek en het IVO-Overig kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Ter plaatse van het plangebied is een bodemopbouw aanwezig met een verstoorde/ opgebrachte bovenlaag, op (kom-) Afzettingen van Tiel IIIa, op Hollandveen, op (kom-) Afzettingen van Gorkum, op (geuldek- en geul-) Afzettingen van Gorkum II. Archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd kunnen hier dagzomend of direct onder de verstoorde/ opgebrachte bovenlaag aanwezig zijn, op en in de top van de Afzettingen van Tiel IIIa, op een diepte van circa 0.56 - 0.66 meter beneden het maaiveld (circa 2.37 - 2.53 meter –NAP). Binnen het plangebied is vrijwel zeker sprake van de aanwezigheid van archeologische resten uit de Nieuwe Tijd Midden en Laat. Dit betreft de resten van de bebouwing en bewoning die hier in ieder geval vanaf de 17de eeuw, maar mogelijk al eerder, aanwezig is geweest. De bebouwing die op de kaart van 1811- 1832 wordt weergegeven is rond 1892 gesloopt en vervangen voor nieuwbouw in 1893. De huidige, te slopen woning dateert voor een groot deel nog uit deze periode. Archeologische resten uit de periode van het Laat Neolithicum t/m de Vroege Middeleeuwen kunnen hier aanwezig zijn op en in het Hollandveen, vanaf een diepte van 0.74 - 0.80 meter beneden het maaiveld (circa 2.49 - 2.71 meter –NAP).
Archeologische resten uit het Midden- en Vroeg Neolithicum kunnen hier aanwezig zijn op en in de top van de (kom-) Afzettingen van Gorkum (op een diepte van 3.7 - 5.5 meter beneden het maaiveld, 5.4 - 7.3 meter –NAP). Archeologische resten uit het Vroeg Neolithicum kunnen hier aanwezig zijn op en in de top van de (geuldek-) Afzettingen van Gorkum II (op een diepte van 7.0 - 8.6 meter beneden het maaiveld, 8.8 - 10.3 meter –NAP). Oudere archeologische resten worden hier niet verwacht. De bodemlagen die met deze periodes samenhangen zijn door de Zuidplas Stroomgordel volledig geërodeerd. Voor mogelijk aanwezige archeologische vindplaatsen geldt dat vrijwel alle in deze regio bekende complextypen uit de voornoemde perioden aanwezig zouden kunnen zijn Het zou immers kunnen gaan om nederzettingsterreinen, activiteitenzones, grafvelden, maar ook om akker- en/of weidegebieden, enz. Over de daadwerkelijke aanwezigheid of de omvang van de hier mogelijk aanwezige archeologische resten kunnen op basis van het Archeologisch Bureauonderzoek geen conclusies worden getrokken. Op de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) worden ter plaatse van het plangebied geen indicaties weergegeven voor de mogelijke aanwezigheid van resten uit de Tweede Wereldoorlog.
Aanbevelingen Op basis van het uitgevoerde Archeologisch Bureauonderzoek en booronderzoek (IVO-Overig) moet worden geconcludeerd dat de voorgenomen planrealisatie kan leiden tot de aantasting van behoudenswaardige archeologische resten. Ter plaatse van de zone waar de graafwerkzaamheden ten behoeve van de ondergrondse sloop van de bestaande bebouwing en de aanleg van een bouwkuip voor de nieuwbouw zullen worden uitgevoerd is namelijk in ieder geval vanaf de 17de eeuw bebouwing aanwezig geweest, maar mogelijk al in de Late Middeleeuwen. Waarschijnlijk zijn restanten van deze vroege bouwfasen daar in de bodem bewaard gebleven. Daarnaast kunnen op en in de op een diepte van circa 0.7 - 0.8 meter beneden het maaiveld aanwezige top van het Hollandveen archeologische resten aanwezig zijn uit de periode van de IJzertijd t/m de Vroege Middeleeuwen. Archeologisch vervolgonderzoek wordt daarom noodzakelijk geacht. Voor het archeologisch vervolgonderzoek wordt geadviseerd in verband met de bestaande civieltechnische belemmeringen (de aanwezigheid van de bestaande woning) om aansluiting te zoeken bij de voorgenomen civieltechnische graafwerkzaamheden. Dit ook om ‘dubbele’ graafwerkzaamheden te voorkomen. Daarom wordt geadviseerd om de ondergrondse sloopwerkzaamheden en de aanleg van de bouwkuip onder Archeologische Begeleiding te doen uitvoeren.
Conclusie Op basis van de resultaten van het Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Booronderzoek wordt en archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd. Dit onderzoek kan gelijktijdig plaatsvinden met de ondergrondse sloopwerkzaamheden en aanleg van de bouwkuip door deze werkzaamheden onder
48
Goede onderbouwing fysieke leefomgeving (ontwerp)
omgevingsvergunning 's-Gravenweg 224b, Nieuwerker k aan den IJssel
Archeologische Begeleiding te laten uitvoeren. Met inachtneming hiervan is deze aanvraag omgevingsvergunning uitvoerbaar ten aanzien van archeologie. In de voorwaarden van de te verlenen omgevingsvergunning wordt één en ander geborgd. Indien bij de uitvoering van werkzaamheden die de genoemde vrijstellingsgrenzen niet overschrijden archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS). 6.2.5
Cultuurhistorie/ monumenten
In het plangebied bevinden zich geen Rijks- of gemeentelijke monumenten. Evenmin worden de cultuurhistorische waarden in en rondom het gebied aangetast. De bestaande bouwwerken hebben geen cultuurhistorische waarde. Evenmin komt deze bebouwing voor op inventarisatielijst van de provinciale Monumenten Inventarisatie Project Zuid-Holland. Conclusie Het initiatief tast de cultuurhistorische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld voor deze planontwikkeling.
6.3
Flora en fauna
Wettelijk kader De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Doelen van de Aanvullingswet natuur zijn het beschermen en ontwikkelen van de natuur, het behouden en herstellen van biologische diversiteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen. De Aanvullingswet natuur zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. In de wet blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De provincies kunnen ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of -landschap. Onderzoek/ beoordeling Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied 'Boezems Kinderdijk' bevindt zich circa 8 km ten zuiden van het plangebied. Het Natura2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein' ligt op ruim 10,5 km afstand.
Verder ligt zuidoostelijk op circa 12 km het Natura2000-gebied 'Donkse Laagten' (figuur 14). Sprake is van vervangende nieuwbouw, zodat deze Natura2000-gebieden niet worden beïnvloed. Het plangebied ligt circa 2,8 kilometer ten westen van de ecologische verbindingszone. De dichtstbijzijnde bestaande natuur van Natuurnetwerk Nederland (NNN) ligt 850 meter ten oosten van het plangebied (langs de Hollandsche IJssel). Belangrijke weidevogelgebieden liggen op meer dan 400 meter ten zuiden van het plangebied. De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en de ecologische verbindingszone.
Goede onderbouwing fysieke leefomgeving (ontwerp)
49
omgevingsvergunning 's-Gravenweg 224b, Nieuwerker k aan den IJssel
Figuur 14: NNN in de directe omgeving van het plangebied (plangebied met een rode stip aangeduid). 6.3.1
Stikstofdepositie
Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.21 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij Koninklijk Besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. Natura2000-gebieden kunnen gevoelig zijn voor stikstofdepositie. In onderhavige situatie is er sprake van vervangende nieuwbouw van een woning naar een zorgvoorziening. Natura2000-gebieden kunnen gevoelig zijn voor stikstofdepositie. Het dichtstbijzijnde zuidelijk gelegen Natura2000-gebied 'Boezems Kinderdijk' bevindt zich circa 8 km ten zuiden van het plangebied. Natura2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein' ligt op ruim 10,5 km afstand. Het zuidoostelijk Natura2000-gebied 'Donkse Laagten' ligt op circa 12 km afstand. Deze Natura2000-gebieden zijn alleen Vogelrichtlijngebieden en daarmee niet stikstofrelevant, met dien verstande dat de Polder Stein mogelijk binnenkort wel wordt aangewezen als stikstofgevoelig gebied. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden onder de Wet natuurbescherming (dat ook geldt ook onder de Omgevingswet vanaf op 1 januari 2024).
De Wsn bevat onder andere de resultaatsverplichting om stapsgewijs de stikstofbelasting op stikstofgevoelige habitattypes in de Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde te krijgen. Hiertoe zijn een drietal omgevingswaarden opgenomen in de wet voor 2025, 2030 en 2035. Op basis van proefberekeningen door de toezichthouder Wet natuurbescherming in Zuid-Holland (Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, 9 januari 2025) is gebleken dat er bij de bouw van een kleinschalige zorgvoorziening (vergelijkbaar met een woning) geen effect op Natura2000-gebieden op meer dan 2.400 meter is in het geval dat het tussenliggende gebied uit grasland en water bestaat. Hieraan voorafgaand wordt de bestaande woning gesloopt. Overeenkomstig stap 3a van het stroomschema dient in dat geval de afstand het aantal woningen worden verdubbeld, zodat een afstand van 4,6 km moet worden aangehouden.
50
Goede onderbouwing fysieke leefomgeving (ontwerp)
omgevingsvergunning 's-Gravenweg 224b, Nieuwerker k aan den IJssel
De afstand van het plangebied tot het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura2000-gebied is circa 17,8 km (het natura2000-gebied 'Biesbosch'). Voor deze effectbeschrijving is daarom geen berekening nodig. Het aspect stikstofdepositie vormt voor dit bouwplan geen belemmering. Kort samengevat: Op de planlocatie is géén regelgeving met betrekking tot Natura 2000 van toepassing. Met betrekking tot stikstofdepositie zijn er geen effecten te verwachten. Het plangebied vormt géén onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. 6.3.2
Flora- en faunatoets
Bij vernieuwbouwplannen moet bekeken worden wat het effect is op de aanwezige flora- en fauna. In verband hiermede heeft Watersnip Advies te Reeuwijk een ecologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied (rapport van november 2024, kenmerk 24A117, Bijlage 4). Op basis van inventarisatie, literatuuronderzoek en verkennend onderzoek zijn de volgende conclusies en aanbevelingen overgenomen uit het rapport. Natuurgebieden H.3
Gevolgen
Natura2000 §3.2.1 Habitattypen
Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk ligt op 8,18 km van het plangebied. Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen liggen op meer dan 10 km van het plangebied. Een stikstofberekening is derhalve niet nodig.
Soorten
Nee
NNN-gebieden §3.2.2
Nee
Omgevingsvisie/verordening §3.2.3
Nee, mits de specifieke zorgplicht wordt nageleefd t.a.v. de Rode lijstsoorten (§5.3).
Soortgroep H.4
Overtreding verbodsbepalingen
Algemeen §4.3.3 en 4.3.5
Voor de beschermde soorten, Bastaardkikker, Bruine kikker, Gewone pad, Kleine watersalamander, Bunzing, Bosmuis, Egel, Haas, Huisspitsmuis, Konijn, Veldmuis, Vos, Wezel en Woelrat, geldt een algemene vrijstelling in het kader van de Omgevingswet door de provincie Zuid-Holland. Er hoeft voor deze soorten geen vergunning aangevraagd te worden. Wel dient voor deze soorten de algemene zorgplicht in acht genomen te worden.
Flora §4.2
Nee
Jaarrond beschermde nesten §4.3.1 Nee Vissen §4.3.2
Nee
Amfibieën §4.3.3
Nee
Reptielen §4.3.4
Nee
Zoogdieren §4.3.5
Nee
Vleermuizen §4.3.6
Nee
Overige soorten §4.3.7
Nee
Soortgroep H.4
Overtreding verbodsbepalingen, aanvullende maatregelen vereist
Goede onderbouwing fysieke leefomgeving (ontwerp)
51
omgevingsvergunning 's-Gravenweg 224b, Nieuwerker k aan den IJssel
Vogels §4.3.1
Nee. Indien bomen en struiken verwijderd worden, dient dit bij voorkeur buiten het broedseizoen van vogels te gebeuren, zodat overtreding van de Omgevingswet wordt voorkomen. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 juli. De Omgevingswet hanteert echter geen standaardperiode voor het broedseizoen; van belang is of een nest bewoond is. Indien een bewoond nest wordt aangetroffen, mogen er geen werkzaamheden uitgevoerd worden die het nest verstoren. Voor aanvang van werkzaamheden tijdens het broedseizoen dient een terzake kundige een inspectie uit te voeren ten aanzien van eventuele broedende vogels.
Algemene Zorgplicht Voor planten- en diersoorten geldt in het kader van de Omgevingswet de algemene zorgplicht (artikel 1.6 en 1.7). Deze bepaalt dat een ieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen kan hebben voor flora en/of fauna, deze handelingen achterwege dient te laten of verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. De zorgplicht kan gezien worden als algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt. In het kader van de Algemene Zorgplicht wordt geadviseerd zoveel mogelijk bomen in het plangebied te behouden. De bomen dienen als potentieel foerageergebied voor vleermuizen en vogels en stimuleren de biodiversiteit. Specifieke zorgplicht In het plangebied kunnen Rode lijstsoorten niet worden uitgesloten. Hierbij gaat het om vogels, amfibieën en zoogdieren. Voor deze soorten dienen specifieke maatregelen genomen te worden. Deze maatregelen zijn: Het gebied in één richting te maaien. Hierdoor blijft een ontsnappingsroute voor zoogdieren en amfibieën aanwezig; Tijdens het maaien voor iemand voor de maaimachine uit laten lopen. Deze persoon werkt als afschrikkend voor aanwezige diersoorten. Het verjagen van deze dieren voorkomt dat deze te laat kunnen reageren op de maaimachine.
Conclusie Met inachtneming van het vorenstaande is het mogelijk de werkzaamheden conform de geldende weten regelgeving uit te voeren. De hiervoor genoemde aanbevelingen worden overgenomen bij uitwerking van het bouwplan. Met inachtneming hiervan vormt de Aanvullingswet natuur geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning.
52
Goede onderbouwing fysieke leefomgeving (ontwerp)
omgevingsvergunning 's-Gravenweg 224b, Nieuwerker k aan den IJssel
Hoofdstuk 7 7.1
Adviesrecht raad en participatie
Adviesrecht raad
De gemeenteraad van Zuidplas heeft op grond van artikel 16.15a, lid b onder 1 van de Omgevingswet bij besluit van 8 maart 2022 een Beleidsregel vastgesteld houdende het adviesrecht voor de gemeenteraad ten behoeve van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. In artikel 9 (Overige doeleinden - advies noodzakelijk) is opgenomen dat advies noodzakelijk is voor het vestigen van een voorziening voor educatieve -, sociale -, medische -, culturele -,levensbeschouwelijke -, sport -, recreatieve doeleinden, tenzij de aanvraag in overeenstemming is meteen door de gemeenteraad vastgestelde (omgevings)visie, gebiedspaspoort of vastgesteld beleidskader. Deze aanvraag voorziet in het oprichten van een kleinschalige zorgvoorziening, zodat er een advies van de raad nodig is.
7.2
Verplichte participatie
De gemeenteraad van Zuidplas heeft op grond van artikel 16.55, lid 7 van de Omgevingswet bij besluit van 8 maart 2022 een Beleidsregel vastgesteld houdende de verplichte participatie ten behoeve van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. In artikel 9 (Overige doeleinden - participatie verplicht) is opgenomen dat participatie verplicht voor het vestigen van een voorziening voor educatieve -, sociale -, medische -, culturele -,levensbeschouwelijke -, sport -, recreatieve doeleinden, buiten de bebouwde kom, tenzij de aanvraag in overeenstemming is met een door de gemeenteraad vastgestelde (omgevings)visie, gebiedspaspoort of vastgesteld beleidskader. Deze aanvraag voorziet in het oprichten van een kleinschalige intramurale zorgvoorziening in de bebouwde kom, zodat participatie niet verplicht is. In paragraaf 7.3 wordt hierop ingegaan.
7.3
Participatie omgeving
Initiatiefnemer heeft de bewoners/gebruikers binnen een straal van 100 meter vanaf het plangebied aan de 's-Gravenweg 224b op 27 mei 2024 een brief gestuurd. De geanonimiseerde brief is opgenomen in Bijlage 5. Zij zijn geïnformeerd over de voorgenomen nieuwbouw voor een kleinschalige zorgvoorziening in het bebouwingslint. Hierop zijn veel positieve reacties ontvangen. Met de directe buurmensen zijn persoonlijke gesprekken gevoerd die uiteindelijk ook constructief waren.
7.4
Bestuurlijk vooroverleg
In het kader van het bestuurlijk vooroverleg heeft vooroverleg plaatsgevonden met: 1. 2. 3. 4.
Provincie Zuid-Holland; Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard Veiligheidsregio Hollands Midden; Gasunie.
Goede onderbouwing fysieke leefomgeving (ontwerp)
53
omgevingsvergunning 's-Gravenweg 224b, Nieuwerker k aan den IJssel
Hoofdstuk 8 8.1
Financiële haalbaarheid
Kostenverhaal
In het plangebied wordt een kleinschalige zorgvoorziening gerealiseerd. Er is sprake van een planontwikkeling als bedoeld in artikel 13.11 van de Omgevingswet. Tussen initiatiefnemer en gemeente wordt een grondexploitatieovereenkomst gesloten overeenkomstig het bepaalde in artikel 13.13 (kostenverhaal bij overeenkomst), waarin de ambtelijke kosten voor de gemeente worden doorberekend. Hiermee is de ontwikkeling economisch uitvoerbaar.
8.2
Nadeelcompensatie
Tussen initiatiefnemer en gemeente wordt in de grondexploitatieovereenkomst een bepaling opgenomen over nadeelcompensatie overeenkomstig het bepaalde in artikel 15.1, lid 2 (nadeelcompensatie) van de Omgevingswet om verhaal van planschade de planschaderisico’s voor de gemeente af te dekken. Hiermee is de ontwikkeling economisch uitvoerbaar.
54
Goede onderbouwing fysieke leefomgeving (ontwerp)
omgevingsvergunning 's-Gravenweg 224b, Nieuwerker k aan den IJssel
Hoofdstuk 9 9.1
Belangenafweging en conclusie
Toetsing initiatief aan evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal, artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Naast de regel dat een omgevingsvergunning slechts kan worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. In dit hoofdstuk wordt op basis van de verzamelde informatie uit de voorgaande hoofdstukken ingegaan op de overwegingen om aan het verzoek medewerking te verlenen. De aanvraag omgevingsvergunning voor een vervolgfunctie van Wonen naar Maatschappelijk met een kleinschalige intramurale zorgvoorziening wordt getoetst aan de gemeentelijke beleidsuitgangspunten en de instructieregels van het Rijk en de provincie Zuid-Holland. Dit hoofdstuk wordt afgesloten met conclusies op basis waarvan besluitvorming kan plaatsvinden over het verlenen van de omgevingsvergunning.
9.2
Beoordeling aanvraag omgevingsvergunning
9.2.1
Beoordeling verzoek aan gemeentelijk beleid
Het verzoek is niet in overeenstemming met het omgevingsplan van rechtswege 's-Gravenweg 2013, waarin het plangebied is bestemd voor 'Wonen'. Een vervolgfunctie naar een kleinschalige zorgvoorziening wordt vanuit de fysieke leefomgeving aanvaardbaar geacht, omdat de voorgestelde activiteit ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan geen negatieve invloed heeft op de stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke uitgangspunten. De planontwikkeling is in overeenstemming met de gemeentelijke uitgangspunten, zoals beschreven in hoofdstuk 4.3. Aspecten fysieke leefomgeving en milieu In hoofdstuk 6 zijn de milieuaspecten, de aanwezige archeologische waarden en natuurwaarden onderzocht. Hieruit kan worden afgeleid dat er vanuit deze beleidsvelden geen beperkingen zijn voor de planontwikkeling. Vanuit de fysieke leefomgeving zijn er geen bezwaren om medewerking te verlenen aan het verzoek. 9.2.2
Toetsing aan instructieregels Rijk en provincie
Toetsing aan rijksbeleid In hoofdstuk 4.1 is de aanvraag omgevingsvergunning getoetst aan de Nationale Omgevingsvisie, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Ladder voor duurzame verstedelijking). Hierin is aangetoond dat de instructieregels van het Rijk niet in het geding zijn. De vervolgfunctie naar een maatschappelijke voorziening aan de 's-Gravenweg 224b in Nieuwerkerk aan den IJssel is in overeenstemming met het rijksbeleid. Toetsing aan provinciaal beleid In hoofdstuk 4.2.2 is de aanvraag omgevingsvergunning getoetst aan de relevant zijnde instructieregels van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Aangetoond is dat de planontwikkeling voldoet aan de instructieregels van de Ladder voor duurzame verstedelijking en ruimtelijke kwaliteit. De maatschappelijke voorziening is in overeenstemming met het provinciaal beleid. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
9.3
Conclusie
In deze goede onderbouwing naar de effecten van de fysieke leefomgeving is aangetoond dat de gevraagde functie leidt tot een situatie, waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie op het perceel 's-Gravenweg 224b in Nieuwerkerk aan den IJssel.
Goede onderbouwing fysieke leefomgeving (ontwerp)
55
omgevingsvergunning 's-Gravenweg 224b, Nieuwerker k aan den IJssel
In hoofdstuk 3.1 is gemotiveerd dat er nut en noodzaak is om te voorzien een vervolgfunctie naar een kleinschalige maatschappelijke voorziening voor acht verstandelijk gehandicapten. Deze functie is, voor zover van toepassing, in overeenstemming met de instructieregels van het Rijk (paragrafen 4.1.2 en 4.1.3) en de provincie (paragraaf 4.2.2), Verder is de planontwikkeling in hoofdstuk 6 getoetst aan milieuaspecten, archeologie en ecologie. Aangetoond is dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties om een kleinschalige intramurale zorgvoorziening toe te staan. Alles overwegende is de conclusie dat een vervolgfunctie naar maatschappelijke doeleinden aanvaardbaar is op het perceel 's-Gravenweg 224b in Nieuwerkerk aan den IJssel.
56
Goede onderbouwing fysieke leefomgeving (ontwerp)