CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 A 2344 1 RES 1.0 Z21.001002

Gemeenteraad 8 juni 2021, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv Raadsvoorstel RES 1.0 Midden Holland36.179 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

24

3. Warmte IN DIT HOOFDSTUK • • • •

3

Midden-Holland heeft te weinig lokale warmtebronnen om in de eigen warmtevraag te voorzien. Een toekomstige RSW hangt nauw samen met keuzes in de lokale Transitie Visies Warmte. In vier verschillende scenario's is de mogelijke toekomst van een Regionale Structuur Warmte aangegeven. Import van (rest)warmte van buiten de regio is noodzakelijk om de aanvullende elektriciteitsvraag ten behoeve van warmte te kunnen beperken.

Veruit het grootste deel van het huidige energieverbruik in Midden-Holland wordt ingezet voor verwarming. Maar liefst 2,5 keer zoveel energie meer dan voor elektriciteit en ongeveer een kwart meer dan voor mobiliteit. De verduurzaming van de warmtevraag voor Midden-Holland kan daarmee in belangrijke mate bijdragen aan de doelstellingen van het klimaatakkoord. De transitie van warmte met een fossiele oorsprong naar duurzame warmte kent verschillende sporen. De industrie en de landbouw hebben vanuit het Klimaatakkoord eigen doelstellingen en zijn als sector verantwoordelijk voor de realisatie daarvan. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de warmtetransitie in de gebouwde omgeving. Eind 2021 moet elke gemeente daartoe een TVW hebben vastgesteld. In de RES wordt in beeld gebracht welke uitwisseling van warmte tussen gemeenten mogelijk en wenselijk is en welke infrastructuren er in de toekomst nodig zijn om die uitwisseling mogelijk te maken en welke samenwerkingsvormen er nodig zijn om deze te realiseren en te beheren. Deze uitwisseling, benodigde infrastructuur en organisatie eromheen vormen samen de RSW. 3.0.1

Samenhang TVW en RES

De TVW’s zijn lokale beleidsdocumenten waarin wordt bepaald welke buurten en wijken op welk moment overstappen op een alternatieve warmtebron en welke warmtebron dit zal zijn. De warmtetransitie is dus in beginsel een lokaal vraagstuk dat echter wel vraagt om regionale afstemming.

De RSW brengt op regionaal niveau de warmtevraag en de beschikbare warmtebronnen in beeld waarmee deze vraag opgevangen kan worden. Warmte uit lokale bronnen met een overschot kan mogelijk, samen met restwarmte van buiten de regio, worden ingezet om tekort aan warmte in andere gemeenten aan te vullen. De verdeling van warmte is daarmee per definitie een thema dat in regionaal verband moet worden opgepakt.

Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland

25

In een aantal gevallen komt de RSW in beeld. Het betreft situaties waarbij de warmtevraag in een gemeente niet op efficiënte wijze lokaal ingevuld kan worden of inzet van warmte van buiten de eigen gemeente goedkoper is. Ook wanneer sprake is van een substantieel warmteoverschot, is aansluiting op een RSW opportuun. Voorwaarde daarbij is uiteraard dat, naast beschikbaarheid van een warmtebron van buiten de gemeente, de dichtheid van de warmtevraag aan de ontvangende zijde voldoende hoog is om de beschikbare warmte efficiënt in te kunnen zetten. Tot slot speelt de RSW een rol bij de verspreiding van warmte die van buiten de regio komt. 3.0.2

Naar de RES 1.0

In de concept-RES zijn eerste indicaties afgegeven voor de toekomstige vraag, aanbod, warmtebron voorkeur en infrastructuur. In de RES 1.0 zijn deze gegevens geactualiseerd. Meer gedetailleerde gegevens over lokale besparing en uitbreiding van de gebouwde omgeving leiden tot een meer betrouwbare voorspelling van de toekomstige warmtevraag. Ook de beschikbare warmtebronnen zijn aangevuld met nieuwe gegevens. In het afgelopen jaar is onderzoek verricht naar onder meer geothermie en zonthermie. De uitkomsten van deze onderzoeken zijn in deze RES 1.0 meegenomen en waar mogelijk gekwantificeerd naar technische en economische potentie. 3.0.3

Regionale Structuur Warmte Midden-Holland

Ondanks alle beschikbare informatie, is nog geen uitsluitsel te geven over de contouren van de RSW voor Midden-Holland. Als eerste zijn de TVW’s nog niet vastgesteld door de gemeenteraden. Daarnaast is het nog onzeker of en zo ja hoeveel restwarmte van buiten de regio beschikbaar komt. Ook de mate van (realisatie van) besparing per sector in de regio speelt hierin mee.

De RSW wordt in dit hoofdstuk daarom verder uitgewerkt aan de hand van vier verschillende scenario’s. De scenario’s verschillen onderling op de beschikbaarheid van enerzijds warmte van buiten de regio en anderzijds de beschikbaarheid van lokale warmtebronnen. Tot slot wordt een doorkijk gegeven naar de manier waarop de regio Midden-Holland samenwerkt op het thema warmte.

3.1

Actualisatie lokale bronnen

Midden-Holland kent een beperkte aanwezigheid van lokale warmtebronnen die inzetbaar zijn voor de warmtetransitie. De aanwezige bronnen hebben onvoldoende potentie om de regionale warmtevraag af te dekken, was de conclusie in de concept-RES. Import van warmte van buiten de regio is noodzakelijk, zeker als ook in de forse warmtevraag van het glastuinbouwgebied in de Zuidplaspolder moet worden voorzien. In het afgelopen jaar zijn aanvullende onderzoeken gedaan naar de potentie van geothermie en zonthermie. Ook is de inzetbaarheid van aquathermie beter in kaart gebracht. Hiermee is het totaal aan mogelijk beschikbare lokale bronnen toegenomen. Deze paragraaf beschrijft de bronnen waar nieuwe informatie voor is gevonden. Het volledige overzicht van mogelijke bronnen die gemeenten opgenomen hebben in hun TVW’s staan beschreven in bijlage 6. Bronnen worden daar waar mogelijk gekwantificeerd naar technische en economische omvang en mogelijkheden. De lokale bronnen zijn niet altijd reëel inzetbaar, wenselijk of financieel haalbaar. In Midden-Holland is daardoor sprake van een warmtetekort, dat aangevuld zal moeten worden met import van warmte van buiten de regio. Als op die manier het tekort niet opgelost kan worden, dan is de inzet van omgevingswarmte door middel van een elektrische warmtepomp nog een oplossing. Dat leidt echter wel tot een fors hogere elektriciteitsvraag. Dit alles

Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland

wordt nader beschreven in scenario’s voor de RSW verderop in dit hoofdstuk. 3.1.1

Geothermie

Bij geothermie, oftewel aardwarmte, wordt warmte vanaf minimaal 500 meter diep uit de ondergrond gehaald. Afhankelijk van de dikte en waterdoorlatendheid van een aardlaag in de ondergrond, kan warm water omhoog gepompt worden. Om de beschikbaarheid en mogelijkheden van geothermie in MiddenHolland beter in beeld te krijgen, hebben de regio Midden-Holland en de Provincie Zuid-Holland een zogenoemde potentiestudie1 laten uitvoeren. Uit de studie bleek dat één van de aardlagen onder de regio Midden-Holland kansen biedt voor de winning van warmte. In totaal is het thermische potentieel van deze laag 2.825 TJ per jaar, wat goed is voor circa 90.000 woningen. Bij de ontwikkeling van geothermie is echter ook de aansluiting van de ondergronds aanwezige warmte op de bovengrondse vraag van belang. Een geconcentreerde warmtevraag is noodzakelijk om de theoretische warmtewinning ook economisch tot ontwikkeling te brengen. Juist op dit punt loopt het in Midden-Holland veelal spaak, waardoor een groot deel van de bronnen niet benut worden. 3.1.2

Aquathermie

Midden-Holland kent een grote potentie voor warmte en koude uit oppervlaktewater (TEO), afvalwater (TEA) en drinkwater (TED), oftewel aquathermie. De omvang en technische mogelijkheid voor aquathermie is vele malen groter dan de totale warmtevraag van de regio. De daadwerkelijke inzet van deze omvang kent echter beperkingen. Net als bij andere collectieve oplossingen is een geconcentreerde warmtevraag een belangrijke voorwaarde voor de economische haalbaarheid van een warmtenet met aquathermie. 1 Potentiestudie is te vinden via: https://www.regiomiddenholland.nl/ Strategische+agenda/duurzaamheid/regionale+energiestrategie/default. aspx#folder=1736894

26

De daadwerkelijke toepassing van aquathermie in Midden-Holland zal voornamelijk lokaal zijn. De economisch haalbare omvang voor verschillende vormen van aquathermie is veelal maatwerk en is in algemene zin lastig te bepalen. De theoretische omvang per gemeente is voor zover bekend weergegeven in de tabel in bijlage 6. 3.1.3

Inzetbaarheid biomassa en biogas

Over de inzet van biobrandstoffen is veel discussie. Daarbij is het van belang om een onderscheid te maken tussen de verbranding van houtige biomassa en de inzet van biogas. De regio MiddenHolland stimuleert verbranding van houtige biomassa niet. Dit omdat er te veel negatieve effecten zijn en het geproduceerde hout beter op een andere manier gebruikt kan worden (zie tevens bronbeschrijving in bijlage 6). Biogas (methaan) wordt gemaakt door organisch materiaal in een vat te laten vergisten. Het gaat dan bijvoorbeeld om zuiveringsslib en reststoffen uit de agrarische sector, groenafval en mest. Biogas kan opgewaardeerd worden tot dezelfde kwaliteit als aardgas. Voor biogas geldt dat de regionaal beschikbare hoeveelheid organisch materiaal beperkt is. Op basis hiervan is de potentie voor MiddenHolland berekend op 140 TJ. 3.1.4

Locaties die in aanmerking komen voor toepassing van collectieve zonthermie zijn dorpskernen met een geconcentreerde warmtevraag waar warmtetransportleidingen met restwarmte en geothermie niet beschikbaar zijn. Hier dient dan ook ruimte beschikbaar te zijn voor een zonthermie-veld en voor de seizoensopslag van de gewonnen warmte. Ook het aanleggen van een lokaal warmtenet moet economisch haalbaar zijn.

De totale warmtevraag van de regio is 12.225 TJ3. De verwachting is dat deze warmtevraag gaat veranderen. Besparing heeft in de regio de hoogste prioriteit. Een groot deel van de besparing kan gerealiseerd worden in de gebouwde omgeving door woningen en bedrijfspanden beter te isoleren. Het isoleren van gebouwen heeft meerdere voordelen:

• 3

Er is minder energie nodig, en er hoeft dus minder energie duurzaam opgewekt te worden. Geïsoleerde gebouwen zijn comfortabeler en hebben lagere energiekosten. bron: Klimaatmonitor data 2019

Door isolatie worden meer gebouwen geschikt voor duurzame warmteoplossingen met een lage temperatuur.Tegelijkertijd is bekend dat het aantal woningen en bedrijfspanden in de regio Midden-Holland tot 2050 toe zal nemen waardoor de warmtevraag zal stijgen.

3.2.1

Warmtevraag woningen

De huidige warmtevraag van woningen is 38% van de totale warmtevraag van Midden-Holland.

3.2 Actualisatie Besparing en Warmtevraag

•

•

Hoeveel in bestaande woningen bespaard kan worden verschilt per woning. Dat hangt vooral af van de haalbaarheid en betaalbaarheid van besparingsmaatregelen. Zo zijn nieuwe woningen al goed geïsoleerd en de mogelijke extra maatregelen leveren in verhouding weinig op en zijn duur. Oude monumentale panden hebben ook zo hun uitdagingen. Aanpassingen aan deze panden moeten voldoen aan bepaalde richtlijnen waardoor niet alles mogelijk is, en het maatwerk prijzig wordt. Daartegenover zijn de woningen met label E en D relatief eenvoudig te isoleren, waardoor kansen voor besparing groot zijn. In tabel 3.1 is per bouwjaar en energielabel een inschatting gemaakt van de te verwachten mogelijke besparingswinst. Een berekening

Zonthermie

De Provincie Zuid-Holland heeft een verkennend onderzoek laten uitvoeren naar de potentie van zonthermie in Zuid-Holland2. Hieruit blijkt onder meer dat als alle woningen in Midden-Holland met een hiervoor geschikt dak worden voorzien van een zonneboiler met twee collectoren, dit 300 TJ aan warmte oplevert. En indien de gronden rondom stads- en dorpsranden in de regio die hiervoor vanuit de Provinciale Omgevingsvisie (POVI) in aanmerking komen ook worden voorzien van zonnecollectoren, kan dit nog eens 2.500 TJ opleveren. 2 Onderzoek kunt u vinden via: https://www.zuid-holland.nl/publish/pages/26704/ce_ delft_200260_verkennend_onderzoek_zonthermie_zh_def.pdf

Huidig energielabel

Legenda Bouwjaar/energielabel Voorspeld energielabel Besparing warmtevraag Temperatuurniveau na besparing (warmteprofiel)

G <1920

D/C 18%

F 19201940

C/B 34%

Hogere temperatuur

E D C B 1941-1974 1975-1982 1983-1991 19922005

B/A 45%

B/A 41%

B 17%

A 18%

Midden/lage temperatuur

A >2005

A 0% Lage temperatuur

Tabel 3.1 (bron: studie Provincie Zuid-Holland door De WarmteTransitieMakers – warmteprofielen juni 2020)

Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland

27

waarin deze tabel gecombineerd wordt met de woningvoorraad in Midden-Holland laat zien dat 21% besparing realistisch gezien haalbaar is. In de TVW’s wordt de isolatie-opgave op lokaal niveau inzichtelijk gemaakt. In 2050 zal het volledige percentage behaald moeten zijn om aan de klimaatdoelen te voldoen. De regio kent een aanzienlijke woningbouwopgave die de warmtevraag zal doen toenemen. Nieuwe woningen zijn energiezuinig, aardgasvrij en hebben geen besparingsopgave. Vanaf 1 januari 2021 moet alle nieuwbouw voldoen aan de BENG-eisen (Bijna Energie Neutrale Gebouwen). In de regio worden tot 2050 25.000 nieuwe woningen gebouwd, waardoor de warmtevraag voor woningen met 7% toeneemt. 3.2.2

voeren4. Voor kantoren geldt dat deze per 1 januari 2023 verplicht zijn minimaal een energielabel C te hebben5. ODMH en DPMH werken regionaal samen om te stimuleren dat ondernemers aan deze verplichting gaan voldoen. Tegenover de besparing staat een toename van de warmtevraag, veroorzaakt door een toename van het aantal bedrijfspanden in Midden-Holland. De verwachting is echter dat de warmtevraag in totaal met 6% zal dalen.

De industrie in de regio is vooral gevestigd in de gemeente Gouda. Daar waar warmte noodzakelijk is voor productieprocessen is maatwerk noodzakelijk. De industrie draagt daarbij zelf een grote verantwoordelijkheid. Het ligt niet voor de hand om een afname van de industriële warmtevraag te verwachten. De gemeente Gouda onderzoekt in de TVW of restwarmte van de industrie een alternatieve warmtevoorziening is in de gebouwde omgeving. Voor bedrijfspanden is wel een besparing te verwachten omdat de Informatieplicht Energiebesparing binnen de Wet milieubeheer bedrijven en instellingen verplicht om alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van 5 jaar of minder uit te

Ondanks een autonome groei bij bijvoorbeeld woningen is het de verwachting dat de totale warmtevraag in de regio MiddenHolland met circa 30% daalt in 2050 ten opzichte van 2019.

Warmtevraag per sector in TJ 14.000 12.000 10.000

3.3

8.000 6.000

Warmtevraag bedrijfspanden

Naast woningen komt de warmtevraag in de regio van industrie, publieke en commerciële dienstverlening en landbouw. Zoals toegelicht in de inleiding van dit hoofdstuk behoort de warmtevraag van de landbouw en industrie niet tot de inhoud van TVW’s. Bij de RES ligt de focus ook op de gebouwde omgeving, maar omdat industrie en landbouw invloed hebben op het totale energiesysteem worden deze ook beschreven.

samen met de betrokken overheden actief op in de Warmte Samenwerking Oostland (WSO). Dit is een samenwerkingsverband van LTO Glaskracht Nederland en de betreffende gemeentelijke overheden in het Oostland6. De glastuinbouwsector streeft naar een besparing van 29% op de warmtevraag, en zet daarnaast in op het verduurzamen van de warmtebron om zo in 2040 klimaatneutraal te zijn.

4.000 2.000 2019 Woningen

Publieke en commerciële dienstverlening Industrie

2050 Landbouw

WKK

Figuur 3.2 (verwachte) Warmtevraag per sector in TJ

De warmtevraag voor landbouw is vrijwel geheel afkomstig uit de glastuinbouw in de Zuidplaspolder (gemeente Waddinxveen en Zuidplas). De sector gebruikt hiervoor grotendeels aardgas, aangevuld met warmte uit biomassa. Maar niet het volledige aardgasgebruik van de sector is bedoeld voor warmte. Een deel wordt gebruikt voor elektriciteitsproductie via warmtekrachtkoppeling. De glastuinbouwsector zal in de regio Midden-Holland qua oppervlakte niet verder groeien. Het is op voorhand echter moeilijk om aan te geven hoe deze sector zich zal ontwikkelen en welke innovaties komende decennia te verwachten zijn op het gebied van energie-efficiëntie. De glastuinbouwsector is zich bewust van de eigen verantwoordelijkheid en pakt deze 4

Scenario’s voor een regionale warmtestructuur

De verduurzaming van de warmtevraag in Midden-Holland is voor de regio beschreven in een viertal scenario-schetsen. De scenario’s verschillen onderling op de beschikbaarheid van enerzijds warmte afkomstig van buiten de regio en anderzijds de beschikbaarheid van lokale warmtebronnen. Elk scenario beschrijft in welke verhouding warmtebronnen worden ingezet en hoe het scenario scoort op effecten zoals kosten, kansen voor realisatie, ruimtevraag, elektriciteitsvraag en duurzaamheid. De scenario’s omvatten geen vastomlijnd toekomstbeeld of een keuze. De scenario’s laten zien hoe de warmtemix en infrastructuur eruit zou zien bij maximale beschikbaarheid en inzet van restwarmte van buiten de regio, bij collectieve inzet van zoveel mogelijk lokale bronnen of juist bij grootschalige inzet van individuele warmte-oplossingen. De scenario’s vormen daarmee in zekere zin de uithoeken van het speelveld. Bodegraven-Reeuwijk komt in geen enkel scenario in aanmerking voor aansluiting op een RSW, waardoor de scenario’s 1a, 1b en 2a voor deze gemeente gelijk zijn.

Dit geldt voor bedrijven die per jaar vanaf 50.000 kWh of 25.000 m³ aardgas verbruiken.

5 Het gebruiksoppervlak voor kantoor moet groter zijn dan 50% van het geheel zijn en groter dan 100 m²

Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland

6 Naast Waddinxveen en Zuidplas zijn dit de gemeenten Lansingerland, PijnackerNootdorp en Zoetermeer.

28

3.3.1

Scenario 1a: Maximale import van restwarmte

Aan de westkant van onze regio is warmte beschikbaar afkomstig uit de regio Rotterdam, mogelijk aangevuld met warmte uit geothermiebronnen. In dit scenario wordt deze warmte via een aftakking van de WarmtelinQ tussen Vondelingenplaat en Den Haag naar Bleiswijk getransporteerd. Hier komt deze met warmte uit de B3hoekleiding, die van de Capelseweg in Rotterdam naar Bleiswijk loopt, samen in een warmtehub. Vanuit deze hub wordt warmte door middel van een aan te leggen warmtetransportleiding Midden-Holland, via het glastuinbouwgebied in de Zuidplaspolder, verder gebracht naar de kernen Moerkapelle en Zevenhuizen, Waddinxveen en Gouda.

Daarnaast kan de RoCa-leiding in Capelle doorgetrokken worden voor levering van warmte aan de kernen in het westen van Krimpenerwaard en aan Nieuwerkerk aan den IJssel. BodegravenReeuwijk en het overige gedeelte van gemeente Krimpenerwaard zijn in dit scenario niet aangesloten op de RSW. De warmtevraag wordt daarvoor zover mogelijk ingevuld via lokale warmtenetten, hybride (duurzaam gas en elektriciteit), all-electric oplossingen of duurzaam gas.

3.3.2

Scenario 1b: Beperkte import van restwarmte

In dit scenario kan allereerst de glastuinbouw overschakelen van gas naar duurzame warmte. Hiermee wordt in één klap een forse uitstootreductie van CO₂ gerealiseerd. Door de gebouwde omgeving mee te laten liften, worden aanvullende investeringen in de verzwaring van het elektriciteitsnet geminimaliseerd. Dit komt doordat deze delen van de gebouwde omgeving de warmtevraag niet wordt omgezet in een extra elektriciteitsvraag. Dit scenario vraagt wel om forse investeringen in de ondergrondse infrastructuur. Warmtetransportleidingen moeten worden aangelegd die grote afstanden moeten overbruggen en in bestaande woonkernen moeten warmtenetten worden gerealiseerd.

Dit scenario heeft grofweg dezelfde effecten als scenario 1a, maar het verschil is dat de warmtevraag in Gouda, KrimpenerwaardWest en Nieuwerkerk aan den IJssel ingevuld moet worden door inzet van lokale bronnen. Dit zal lokaal om investeringen in het laagspanningsnet vragen.

Ook in dit scenario wordt warmte van buiten de regio via Bleiswijk de regio ingevoerd, zij het dat het totaal beschikbare vermogen lager is. De warmte wordt in dit geval vanuit de Zuidplaspolder nog wel naar Moerkapelle, Zevenhuizen en Waddinxveen getransporteerd, maar niet naar Gouda. De RoCa-leiding wordt in dit scenario niet doorgetrokken tot Nieuwerkerk aan den IJssel en het westen van Krimpenerwaard.

Daar waar gebruik van warmte van buiten de regio geen optie is, wordt voor de gebieden met een voldoende hoge bebouwingsdichtheid - en daarmee warmtedichtheid - de voorkeur gegeven aan lokale warmtenetten boven individuele oplossingen. Dit leidt tot een extra elektriciteitsvraag, maar investeringen in netverzwaring kunnen worden beperkt omdat piekbelasting door centrale inregeling kan worden verminderd.

Figuur 3.4 Visuele weergave van scenario 1b

Figuur 3.3 - Visuele weergave van scenario 1a

Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland

29

3.3.3

Scenario 2a: Nadruk op lokale warmtenetten

In dit scenario wordt de warmte uit de regio Rotterdam elders ingezet en bereikt deze warmte Midden-Holland niet. Zonder deze warmte vullen de vijf gemeenten hun warmtevraag lokaal in door maximaal in te zetten op lokale warmtenetten gevoed met lokaal beschikbare bronnen, zoals geothermie, aquathermie en zonthermie. Waar lokale warmtenetten niet haalbaar zijn, wordt gekozen voor individuele oplossingen. In dit scenario wordt voor de gebieden met een voldoende hoge bebouwingsdichtheid - en daarmee warmtedichtheid - de voorkeur gegeven aan lokale warmtenetten boven individuele oplossingen. Dit scenario leidt tot een toename van de elektriciteitsvraag, die gecompenseerd zal moeten worden met extra duurzame opwek. Met centrale sturing op het warmtesysteem kan te grote piekbelasting op het net worden voorkomen, waardoor noodzakelijke netverzwaring kan worden voorkomen. De impact van het warmtesysteem op de elektriciteitsaansluitingen van individuele woningen is in dit scenario beperkt.

3.3.4

Scenario 2b: Nadruk op individuele warmteoplossingen

Dit scenario veronderstelt ook dat er geen warmte van buiten de regio beschikbaar komt in Midden-Holland. Anders dan bij scenario 2a wordt de haalbaarheid en betaalbaarheid van lokale warmtenetten hier laag ingeschat. De nadruk komt daardoor te liggen op individuele hybride en all-electric-oplossingen en de inzet van duurzaam gas. In dit scenario wordt het grootste deel van de warmtevraag ingevuld met omgevingswarmte door inzet van een individuele luchtwarmte- of bodemwarmtepomp. Dit scenario leidt tot een forse toename van de elektriciteitsvraag, die gecompenseerd moet worden met extra duurzame opwek. Daar is in het huidige RES-bod geen rekening mee gehouden. Ook zal op veel plaatsen in de regio verzwaring van het elektriciteitsnet noodzakelijk zijn op laagspannings- en middenspanningsniveau. Het slim aansturen van warmtepompen op wijk of straatniveau, kan bijdragen aan een beperking van de piekbelasting van de individuele warmteoplossingen.

Scenario’s

Elektriciteitsvraag Elektriciteitsbalans Duurzaamheid Ruimtevraag bovengronds Ruimtevraag ondergronds Realisatie kans Kosten Maatschappelijke effecten

1a: maximale import van restwarmte groen groen groen groen rood rood rood oranje

1b: beperkte import van restwarmte groen oranje groen groen oranje oranje oranje oranje

2a: nadruk op lokale warmtenetten oranje oranje oranje oranje oranje groen oranje oranje

3.3.5

Afwegingscriteria

Zoals in de inleiding op de scenario’s beschreven, zijn deze geen vastomlijnde toekomstbeelden. De scenario’s scoren allen verschillend op aspecten als investeringskosten, duurzaamheid en ruimtebeslag. Het belang dat aan elk van deze elementen gehecht wordt, kan richting geven aan de keuzes die gemaakt worden. Daarnaast vraagt elk scenario een andere intensiteit in de regionale samenwerking. Zeker daar waar een scenario ook afhankelijk is van externe factoren, zoals het geval is bij scenario’s 1a en 1b. De regio Midden-Holland zal hiervoor nadrukkelijk in gesprek moeten met Rijk, Provincie en infrastructurele partijen als GasUnie. Daarnaast spelen op lokaal niveau maatschappelijke effecten een rol en de keuze voor een warmte-alternatief. Hoe elk scenario op de verschillende aspecten scoort, is in onderstaande tabel weergegeven. De scores zijn op basis van hun effect aangemerkt met de kleuren groen (meest positief), oranje (neutraal) en rood (meest negatief).

2b: nadruk op individuele oplossingen rood rood oranje rood oranje groen oranje oranje

Tabel 3.1 Afwegingscriteria warmtescenario’s

Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland

30

Toelichting bij scores van de scenario’s op de afwegingscriteria Elektriciteitsvraag

Ruimtevraag bovengronds

Dit criterium gaat over de aanvullende elektriciteitsvraag voor warmte. Individuele oplossingen zoals bodem- of lucht-warmtepompen en collectieve oplossingen zoals aquathermie of bodemwarmte leiden tot een toename van het elektriciteitsverbruik. Dat moet gecompenseerd worden met extra duurzame opwek. Daarnaast is voor het transport van warmte pompenergie nodig. Hoe meer gebruik kan worden gemaakt van collectieve hoge temperatuur oplossingen zoals restwarmte, geothermie of zonthermie, hoe minder elektriciteit nodig is in de regio.

De gebruikte technieken in de verschillende scenario’s vragen allen een verschillende hoeveelheid ruimte boven de grond. Bij een luchtwarmtepomp is dat de buitenunit per woning , bij een warmtenet op aquathermie gaat het om de pompinstallatie per wijk en bij een warmtenet op zonthermie moet het zonthermieveld en de opslag van warmte een plek krijgen. Een warmtenet op restwarmte heeft de laagste bovengrondse ruimtevraag. Verder bestaat de ruimtevraag uit locaties voor het opwekken van duurzame elektriciteit die nodig is voor de warmtevraag.

Elektriciteitsbalans

Naast uitdagingen voor de ruimtevraag boven de grond, wordt het ook steeds drukker onder de grond. Lange transportleidingen voor warmte van buiten de regio en lokale distributienetten moeten ondergronds ingepast worden. Vooral in de oude stadsen dorpskernen in de regio is dit een uitdaging. Daarnaast is voor lokale warmtenetten vaak seizoensopslag nodig in de vorm van een WKO-installatie. Van de individuele oplossingen vraagt de bodem-warmtepomp ook ondergrondse ruimte. Hierbij is het belangrijk dat bronnen genoeg afstand van elkaar hebben om te voorkomen dat ze elkaars werking verstoren.

Wanneer huishoudens met individuele -elektrische- oplossingen gelijktijdig om veel warmte vragen, resulteert dit in een hoge piek van de elektriciteitsvraag. Bij collectieve oplossingen kan door centrale sturing deze piek in de elektriciteitsvraag beter worden opgevangen. Duurzaamheid Elk scenario kan op basis van de ingezette technieken beoordeeld worden op verschillende duur-zaamheidsaspecten. Uitgangspunt is dat alle warmtebronnen in de toekomst CO₂-neutraal zijn en ook de daarvoor benodigde elektriciteit duurzaam wordt opgewekt. In de afzonderlijke scenario’s verschillen de milieueffecten van aanleg, productie en installatie van warmte-alternatieven. Ook omgevingseffecten van verschillende typen installaties die in bedrijf genomen zijn op bodem, grondwater, oppervlaktewater en leefomgeving vallen onder het afwegingscriterium duurzaamheid.

Ruimtevraag ondergronds

Realisatie kans De scenario’s verschillen op de kans dat deze daadwerkelijk gerealiseerd kan worden. Lokale oplossingen waarbij een enkele gemeente de regie heeft, zijn doorgaans iets eenvoudiger te realiseren dan wanneer afstemming binnen of zelfs buiten de regio nodig is. Toch scoort scenario 1b nog gemiddeld op dit aspect, omdat beschikbaarheid van de bron en de warmtevraag in dit scenario goed op elkaar afgestemd kunnen worden.

Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland

Bij de import van restwarmte van buiten de regio moet afstemming gezocht worden met veel verschillende partijen. Het scenario 1a scoort daarom laag op realisatie kans, omdat de hoogte van de warmtevraag zich in dit scenario moeilijk verhoudt tot de extra afstand waarover de warmte getransporteerd moet worden. Kosten Het veranderen van het energiesysteem vraagt hoe dan ook om investeringen. Per scenario zijn de kosten verschillend verdeeld. Hoe hoger de kosten, hoe lager de score op dit aspect. In alle scenario’s investeren huiseigenaren in isolatie van hun woning. Bij individuele oplossingen investeren ze ook in een warmtepomp en investeren netbeheerders in een sterk elektriciteitsnet. Bij restwarmte van buiten de regio investeren warmtebedrijven in transportleidingen en distributienetten. Lokale warmtenetten hebben geen lange transportleidingen nodig, maar brengen wel kosten met zich mee voor de installaties die de warmte uit bodem of lucht halen. De kosten van scenario 1a zijn het hoogst door de lange transportleidingen en doordat rivieren moeten worden overbrugd. Maatschappelijke effecten De keuze voor een warmte-alternatief kent ook maatschappelijke effecten en vraagt om draagvlak. De aanleg van een distributienet in een buurt levert bijvoorbeeld tijdelijk overlast op. Hetzelfde geldt voor verbouwing aan woning om de isolatieschil te verbeteren.

In de TVW’s wordt de keuze voor een warmtealternatief mede op basis van draagvlak gemaakt. Omdat maatschappelijke effecten en het draagvlak lokaal sterk kunnen verschillen, worden deze effecten hier wel genoemd, maar in alle scenario's als gemiddeld gescoord. 31

3.4

Conclusies

De scenario’s laten op de verschillende beschreven aspecten een wisselende score zien. Vanuit het oogpunt van systeemefficiëntie is er een voorkeur om voor gebieden met een voldoende hoge warmtevraag te kiezen voor een collectieve warmte-oplossing. De keuze voor een warmte-oplossing waarbij de warmte elektrisch moet worden opgewaardeerd (luchtwarmtepomp, bodemwarmtepomp, aquathermie) leidt tot noodzakelijke investeringen in de verzwaring van het elektriciteitsnet. Ook zal de extra elektriciteit die gebruikt wordt duurzaam moeten worden opgewekt. Bij individuele elektrische oplossingen is dit effect groter dan bij collectieve systemen zoals aquathermie. Om deze netimpact te minimaliseren, is het advies om waar mogelijk ook bij deze technieken in te zetten op collectieve oplossingen of oplossingen per woningblok. Hierdoor kan de piekvraag naar elektriciteit enigszins worden afgevlakt. Waar

(kleine) collectieve oplossingen niet mogelijk zijn en de isolatie van woningen niet kosteneffectief is, kan de belasting van het elektriciteitsnet verlaagd worden door het inzetten van hybride warmtepompen. Hiermee kan het totale gebruik van fossiele brandstoffen al snel met 60% worden teruggebracht (bij groene stroom ligt dit percentage nog hoger). Op termijn kan het aardgas in deze gevallen worden vervangen door groengas (opgewerkt biogas). Het westelijk deel van Midden-Holland heeft, door de aanwezigheid van voldoende grote kernen en een grote, geconcentreerde glastuinbouwsector een voldoende hoge dichtheid van de warmtevraag om import van warmte van buiten de regio haalbaar te maken. Dit is tevens noodzakelijk, omdat de aanwezige lokale bronnen onvoldoende economisch potentieel hebben om op andere wijze in deze warmtevraag te voldoen. Lokale geothermiebronnen kunnen in de toekomst aangesloten

worden op deze interregionale warmtestructuur, om zo het warmtetransportsysteem in Midden-Holland robuuster te maken. In het oostelijk deel van Midden-Holland liggen er kansen voor lokale warmtenetten op basis van aquathermie, bodemwarmte of zonthermie. Maximale inzet van warmte van buiten de regio die van hoge temperatuur is, verkleint de behoefte aan elektriciteit, netverzwaring en opslagcapaciteit voor warmte in de bodem. Warmte van hoge temperatuur heeft bovendien als voordeel dat isolatie van oudere woningen gefaseerd kan plaatsvinden, wat de wijkaanpak van de TVW kan vereenvoudigen en kosten aan woningaanpassingen kan beperken. De wijze waarop de regio denkt komende periode concrete stappen op het gebied van duurzame warmte te kunnen gaan zetten, wordt in hoofdstuk 5 Realisatie verder toegelicht.

32

4

4. Innovatie • • • • • • •

4.1

IN DIT HOOFDSTUK

De RES 1.0 richt zich op bewezen technieken voor duurzame opwek: zonne- of windenergie. In de periode na 2030 kunnen andere bronnen of technieken ook een bijdrage leveren aan de energietransitie. Biogas en waterkracht bieden kansen, grootschalige inzet is niet te verwachten. De regio is geen aangewezen gebied voor kernenergie en kan dus geen bijdrage leveren aan de verdere technische ontwikkeling. Opslag is één van de vereisten voor een stabiele en betrouwbare energievoorziening. Proeftuinen worden in samenwerking met de netbeheerder en producent verkend. Pilots van landelijke waterstofprojecten verdienen een kans in de regio. Naast innovatie is het sluiten van grondstofketens (circulaire economie) van belang.

Afbakening technieken binnen de RES

In het Klimaatakkoord wordt ingegaan op de urgentie van verduurzaming. Wachten op nieuwe technieken is geen optie, omdat de opgave ondertussen steeds groter wordt. De RES 1.0 richt zich op bewezen en beschikbare technieken. Voor elektriciteit zijn dat de technieken voor opwek van zonne- en windenergie op land en voor regionale warmte de beschikbare technieken voor 2030. Energiebronnen zoals biomassa, biogas, waterkracht of kernenergie vallen buiten de scope van deze RES 1.0. Ook de energiedrager waterstof is geen onderdeel van de RES 1.0. Voor sommige van deze energiebronnen en -dragers worden afspraken gemaakt met andere sectoren van het klimaatakkoord zoals de mobiliteitssector, landbouw of industrie. Andere bronnen en dragers zoals kernenergie en waterstof worden op het moment nog niet op enige schaal inzetbaar geacht voor 2030. De regio houdt ontwikkelingen en innovaties bij deze bronnen wel in de gaten. Wellicht dat voor deze bronnen, bij een van de tweejaarlijkse bijwerkingen van de RES, de kansen anders ingeschat gaan worden zodat ze wel onderdeel uit gaan maken van de RES.

4.2

Belang van innovatie

Innovatie is voor de regio een belangrijk thema. Dit blijkt niet alleen uit het voornemen van het bestuurlijk overleg duurzaamheid om een verkenning innovatie duurzame energie opwek uit te laten voeren.

Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland

33

Ook in de verschillende aangenomen moties op de concept-RES vanuit de gemeenteraden, zoals in bijlage 8 qua opvolging is weergegeven, wordt onder andere gevraagd om: • • • • •

alternatieve technieken en innovaties te onderzoeken; een onderzoeksagenda op te stellen; op de hoogte gehouden te worden van de voortgang; samenwerking met bedrijfsleven en inwoners te zoeken; de regio te zien als lokale proeftuin.

Het feit dat een bron op dit moment niet meetelt voor het behalen van het regionale bod van de RES 1.0 betekent niet dat de regio er geen aandacht voor heeft. Naast zonne- en windenergie zijn andere bronnen nodig om uiteindelijk in 2050 een duurzame samenleving te realiseren. De kansen van deze innovatieve bronnen en technieken moet de regio nu al in beeld zien te krijgen, zodat inzet ervan mogelijk is zodra ze bewezen zijn. Daarbij geldt ook dat marktmechanismen de technische innovatie kan versnellen, zoals bijvoorbeeld bij zonnepanelen is gebleken.

Elke twee jaar wordt daarom de innovatieagenda voor de komende periode beschreven, wanneer een nieuw RES document wordt opgeleverd. De onderwerpen voor de regio die in de uitvoering van de RES 1.0 worden voorzien, staan hieronder met de algemene stand van de kennis anno april 2021 beschreven. Hierbij wordt opgemerkt dat deze kennis voortdurend in ontwikkeling is net als de meningen hierover. Biogas Wat biogas is, staat in het hoofdstuk Warmte en de bijbehorende bijlage beschreven (zie bijlage 6 warmtebronnen). De regio volgt ontwikkelingen op het vlak van biogas met interesse, hoewel de beschikbaarheid in Midden-Holland gering zal zijn en productie niet makkelijk op te schalen is. De businesscases voor deze techniek in de regio zijn niet altijd sluitend en vragen om subsidie.

Onderwerpen innovatieagenda

De innovatieagenda voor de regio bestaat momenteel uit de onderwerpen biogas, waterkracht, opslag, kernenergie en waterstof. Op deze onderwerpen zal de regio Midden-Holland in een aantal gevallen bewust geen eigen onderzoeksactiviteiten uitvoeren. De innovatieagenda is een ‘levendige’ agenda en wordt bij nieuwe ontwikkelingen bijgewerkt. Veel pilots en proeftuinen hebben meer dan twee jaar voorbereiding en uitvoering nodig.

Pilot om vergistingscapaciteit van de afvalwaterzuiveringen van de waterschappen uit te breiden met extra organische reststromen en breder inzetbaar te maken.

Waterkracht Waterkracht is duurzame energie die is opgewekt uit stromend water. Deze techniek wordt vooral ingezet in omstandigheden waar veel hoogteverschil is waarbij het water een natuurlijk verval heeft of waar een sterke stroming bestaat. Nederland heeft zeven waterkrachtcentrales van in totaal een maximaal vermogen van 37 MW (bron RES Handreiking 2018). Ook wordt er geëxperimenteerd met getijdenenergie in de Oosterscheldedam. Echter kent waterkracht ook nadelen. Stuwdammen kunnen plaatselijke ecosystemen aantasten en er zijn uitgebreide voorzieningen nodig om vissterfte te voorkomen. Het realiseren van stuwdammen voor elektriciteitsopwekking in de rivieren van Midden-Holland lijkt niet realistisch. Voorbeelden van kleinere vormen van waterkracht bestaan ook. In de gemeente Krimpenerwaard is in 2020 een kleine, visvriendelijke waterkrachtturbine in gemaal Krimpenerwaard gerealiseerd (opbrengst 72 MWh/jaar). Deze techniek wordt in Nederland nog weinig toegepast. De elektriciteitsopbrengst van deze techniek is laag afhankelijk van de stroomsnelheid van het water in de rivier of beek en er zijn zorgen over de veilige vispasseerbaarheid van sommige installaties.

Daarom maakt deze innovatieagenda onderdeel uit van de RES 1.0. De nadruk zal liggen op innovaties die passen bij de kenmerken van de regio, zoals lokale proeftuinen voor landelijke onderzoeksprogramma’s, waarin bedrijfsleven en inwoners zoveel mogelijk worden betrokken. Verder volgt en implementeert de regio de uitkomsten van onderzoeken die op landelijk niveau worden uitgevoerd.

4.3

•

Enkele kansen die voor Midden-Holland gesignaleerd zijn: •

Biomassavergister op basis van lokale mest of snoeiafval direct gekoppeld aan afnemers zoals tankstation voor tractoren, bedrijven of een lokaal warmtenet. In Krimpenerwaard wordt onderzocht of door het toevoegen van bepaalde bacteriën de groen gas opbrengst van mestvergisters kan verbeteren.

Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland

Het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard acht de kans klein dat op andere locaties in de regio rendabele kansen voor grootschalige opwek liggen. Aangezien de mogelijke bijdrage van deze techniek klein is, is deze geen onderdeel van de innovatieagenda van de RES1.0. Wanneer ondernemers langs de rivieren willen experimenteren met deze techniek, kan dat binnen de kaders van de wet- en regelgeving wel.

34

Opslag De opslag van elektriciteit wordt door en voor de energietransitie steeds belangrijker. Duurzame energie gaat een steeds groter aandeel vormen in onze energiemix. Hierdoor wordt de uitdaging steeds groter om het energieaanbod op de energievraag af te stemmen. Dat vraagt om meer flexibiliteit tussen vraag en aanbod, maar ook om energieopslag. Een energietekort is onwenselijk, maar een energieoverschot ook. Het is afgelopen jaar is het ook in Nederland al voorgekomen dat de elektriciteitsprijzen negatief waren door overvloed. Wanneer duurzame opwek zo veel mogelijk dichtbij afnemers wordt gerealiseerd, kan opslag ervoor zorgen dat opwek en verbruik optimaal op elkaar afgestemd worden in zogeheten smart-grids (slimme energienetwerken). Er worden op diverse locaties pilots uitgevoerd met bijvoorbeeld buurtbatterijen, flow-batterijen, opslagsystemen per woning of grotere opslag systemen bij zonneparken of windturbines. De regio zou een proeftuin kunnen zijn waar in samenwerking met de netbeheerders ervaringen worden opgedaan. Door opslag en afstemming van vraag en aanbod kunnen kosten voor netverzwaring worden vermeden. Naast elektriciteitsopslag is warmteopslag ook een belangrijke techniek voor de energietransitie. De warmte van de zomer kan worden vastgelegd en in de winter via warmtenetten worden verspreid.

Voor lage temperatuur oplossingen worden WKOsystemen al veel toegepast (zie bijlage X warmtebronnen). Innovatieve systemen, zoals het Ecovat, slaan warmte op hoge temperatuur (80-90 ̊C) op, geproduceerd door bijvoorbeeld zonthermie (zie bijlage X warmtebronnen). Zonthermie vormt echter ruimtelijk nog een uitdaging. Enkele kansen die voor Midden-Holland gesignaleerd zijn: •

Proeftuin voor elektriciteitsopslag bij duurzame opwek installatie of bij afnemers.

•

Proeftuin voor kleinschalige warmtenetten met opslag op hoge temperatuur geproduceerde warmte uit zonthermie.

Kernenergie Kernenergie is niet uitgesloten van het Klimaatakkoord, het staat marktpartijen nu al vrij om een vergunning hiervoor aan te vragen. Op dit moment vindt een landelijke marktconsultatie plaats onder welke voorwaarden marktpartijen bereid zijn te investeren in kerncentrales in Nederland en welke publieke ondersteuning daarvoor nodig is. Er zijn drie gebieden in Nederland gereserveerd waar de vestiging van een kernenergiecentrale mogelijk is: Borssele, Eemshaven en Maasvlakte. Deze reservering loopt via het Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (Barro) en valt straks onder de Omgevingswet in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl). De huidige locaties zijn geselecteerd op basis van vele parameters zoals bevolkingsdichtheid, veiligheid en aanwezige infrastructuur. Omdat de ontwikkeling van nieuwe vormen van kernenergie en de bouw van kernenergiecentrales erg langzaam gaat, kan kernenergie niet ingezet worden om het gewenste doel van 2030 te halen. Voor de periode tot 2050 kan kernenergie wel een rol gaan spelen. Op het moment dat kernenergie beschikbaar zou komen, moet er gekeken worden naar de wenselijkheid van inzet in de regio.Omdat Midden-Holland op dit moment geen aangewezen locatie is voor kernenergie en omdat onderzoek op nationale schaal uitgevoerd wordt, voert de regio op dit moment geen onderzoeksactiviteiten uit op dit thema.

Waterstof Waterstof is een energiedrager en wordt, wanneer dit geproduceerd wordt uit duurzame elektriciteit of door vergassen van restbiomassa, ‘groene waterstof’ genoemd (zie bijlage X warmtebronnen). De verwachting is dat groene waterstof een belangrijke rol als vervoerder en als opslag en buffer van duurzame energie gaat vervullen in het toekomstige Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland

35

energiesysteem van Nederland en daarmee een grote rol gaat spelen. Het zal dan als eerste ingezet worden als grondstof in de industrie (voor o.a. duurzame plastics, kunstmest, etc), in de industrie die hoge temperaturen nodig heeft en in het zware wegen scheepvaart transport. Volgens inschattingen is er voor 2030 nog lang niet voldoende groene waterstof beschikbaar voor deze sectoren. Daarom is waterstof, anders dan via eventuele pilots in de gebouwde omgeving, geen onderdeel van de RES op dit moment. Wel lopen er een aantal grotere en kleinere onderzoeks- en proefprojecten in Nederland om groene waterstof te maken. Zoals het regionaal waterstofprogramma van de provincie ZuidHolland dat samen met platform Groene Hart Werkt! wordt uitgevoerd. Ook op de logistieke bedrijventerreinen langs de A12, de zogeheten A12 Corridor, loopt een initiatief voor productie van groene waterstof door middel van zonne-energie. Dergelijke projecten zijn nodig om groene waterstof op termijn op grote schaal te kunnen produceren en gebruiken. In Midden-Holland zijn, zo blijkt uit de enquête die platform Groene Hart Werkt! begin 2021 heeft uitgezet, veel bedrijven geïnteresseerd in waterstof.

De nadruk ligt hierbij met name op mobiliteit (tankstations, logistieke bedrijven), maar er zijn ook kansen in het openbaar vervoer, gemeentelijke wagenparken, in de agrarische sector middels opslag vanuit zonnepanelen en de weg en waterbouw. Mogelijkheden voor waterstof in de regio Midden-Holland moeten gezocht worden in de sectoren industrie en transport. Mogelijk kunnen pilots van de landelijke proefprojecten in de regio uitgevoerd worden. Enkele kansen die voor Midden-Holland gesignaleerd zijn: • •

Bedrijven met hoge temperatuur processen. Zwaar wegtransport bijvoorbeeld via een tanklocatie bij de A20 / A12 of in de Krimpenerwaard. Binnen de A12 Corridor

•

•

zitten verschillende logistieke bedrijven die nu ervaring willen opdoen met waterstof. Zwaar transport. Over water (Lek, IJssel, Gouwe) met containerschepen op waterstof of met kleinere vrachtschepen. En over land, met transport en mobiele werktuigen in (land)bouw. Waterstofproductie door bijvoorbeeld zonne- of windenergie of het vergassen van restbiomassa bij bedrijven of agrariërs.

4.4 Vervolgstappen na RES 1.0 (richting RES 2.0) Naast de focus op zonne- en windenergie wil de RES-regio Midden-Holland ook aandacht besteden aan waterstof, biogas en energieopslag. Opbouwen van kennis en ervaring op deze thema’s is belangrijk voor de energietransitie in de volle breedte, die verder gaat dan de kaders die de RES oplegt. Ervaring opdoen met deze innovaties en technieken is belangrijk om gereed te zijn voor de fase na 2030, zodat deze verder kunnen worden opgeschaald. Bij elk van deze innovaties kan ook het regionale bedrijfsleven een belangrijke bijdrage leveren. Naast innovaties is ook het sluiten van de grondstofketen (circulaire economie) een onderwerp dat steeds vaker genoemd wordt bij duurzame energie. Zo is bijvoorbeeld bij zonne-energie recycling en hergebruik van zonnepanelen een aandachtspunt. Op dit moment kan men gebruikte panelen bijvoorbeeld al aanleveren bij de Stichting Zonne Recycling Nederland. Binnen de provincie Zuid-Holland wordt op dit moment gewerkt aan een netwerk waarin partijen samenwerken om van zonnepanelen een circulair product te maken. Hierbij wordt gekeken naar de hele keten: van ontwerp en productie tot inzameling en recycling inclusief opschaling hiervan. Deze ontwikkeling houdt de regio ook nauwlettend in de gaten.

36

5. Realisatie • • • • • • • • •

5.1.

IN DIT HOOFDSTUK

5

Met het vaststellen van de RES 1.0 breekt de volgende fase aan: de realisatiefase. De partners in Midden-Holland bouwen voort op de reeds gezette stappen voor verduurzaming en werken daarnaast aan een groot aantal onderwerpen die een grote rol spelen bij een succesvolle realisatie van de doelstellingen in de RES. Niets gaat vanzelf, ook binnen het RES-proces zijn thema’s geïdentificeerd die randvoorwaardelijk zijn voor het halen van de gestelde ambitie. In de routekaart van deze RES 1.0 tot aan 2030 staan afspraken en acties waarmee de regio aan de slag gaat om van strategie tot uitvoering van projecten te komen. Acties zijn nodig op het gebied van energiebesparing, opwek van elektriciteit en warmte. Aanknopingspunten voor het oppakken van veelbelovende innovaties en toepassingen tot aan 2030 én daarna staan voor de regio beschreven. Leer- en verbeterpunten in communicatie en participatie zijn van groot belang om draagvlak te behouden en te vergroten. Ook op het gebied van lokaal eigendom van de duurzame opwek zijn nog belangrijke stappen te maken, zowel lokaal als regionaal. Een vervolg van het zorgvuldig opgebouwde netwerk in de vorm van de projectorganisatie is van essentieel belang om bovenstaande punten snel en effectief op te pakken.

Randvoorwaarden

Om de ambitie zoals de regio deze heeft gesteld in deze RES 1.0 te halen, zijn thema’s geïdentificeerd die randvoorwaardelijk zijn in de uitvoeringsfase komende jaren. Deze staan hieronder beschreven. 5.1.1. Aanpassen beleid overheden Om de uitvoering van de RES mogelijk te maken is het van belang dat de RES doorwerking krijgt in het beleid van de betrokken overheden. Om de RES tot uitvoering te kunnen brengen is het van belang dat de belemmeringen zoveel mogelijk weggenomen moeten worden en aanpassingen van bestaand of ontwikkeling van nieuw beleid moet mogelijkheden scheppen. In het bijzonder geldt dit ten aanzien van omgevingsbeleid en beleid over (financiële) projectparticipatie door inwoners. Het is belangrijk dat de overheden hier samen in blijven optrekken. 5.1.2. Restwarmte van buiten de regio

De gemeente Rotterdam heeft veel restwarmte beschikbaar. Een groot deel van Zuid-Holland zou hiervan kunnen profiteren. Om de

Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland

37

warmte te transporteren over dergelijke afstanden is stevige inzet vanuit het rijk en provincie nodig. De regio, laat staan individuele gemeenten, missen de slagkracht en middelen om dit zelfstandig te organiseren. De positieve gevolgen voor de regio kunnen echter zeer groot zijn. Als het lukt de warmte uit Rotterdam naar MiddenHolland te krijgen, zal dat de aanvullende vraag naar elektriciteit ten behoeve van ruimteverwarming aanzienlijk kunnen beperken. 5.1.3. Haalbaar en betaalbaar: financiering RES-proces Vanuit het Rijk is geld beschikbaar gesteld aan de RES-regio’s om een RES 1.0 op te stellen. Daarnaast worden de RES-regio’s ondersteunt door het Nationaal Programma RES (NP RES). Voor zowel de directe bijdrage als voor het NP RES is nog geen toezegging gedaan over de periode na vaststelling van de RES 1.0. Dit wordt overgelaten aan het nieuwe kabinet. De betrokken overheden hebben onvoldoende financiële ruimte om het RESproces volledig zelf te bekostigen. Een continuering van de financiering door het Rijk is daarom van essentieel belang. 5.1.4. Haalbaar en betaalbaar: financiering RES-projecten Het RES-proces moet leiden tot realisatie van zon- en

windprojecten in de regio. Hier zijn grote investeringen mee gemoeid. Deels zal de markt dit oppakken, deels zal dit door energiecoöperaties gaan gebeuren. Voor beide partijen is het van belang dat de overheid ondersteunt. Dit kan in de vorm van landelijke subsidies zoals de SDE++, maar bijvoorbeeld ook door garantstellingen of tijdelijke ontheffingen, zodat gunstige voorwaarden ontstaan om te lenen. Gezamenlijk zullen overheden, energiecoöperaties en het bedrijfsleven moeten onderzoeken hoe deze investeringen mogelijk gemaakt kunnen worden. 5.1.5. Aanpassingen elektriciteitsnet De eenzijdige keuze in deze RES 1.0 voor opwek met zon, levert voor de netbeheerders een zeer ernstige uitdaging qua maakbaarheid op. Het zorgt voor een groot aantal knelpunten op de lagere netvlakken, waardoor meer dan 200km kilometer van het net verspreid over de regio verzwaard zal moeten worden. De ambities voor zon op dak en langs infrastructuur realiseren vraagt veel van de beschikbare arbeidscapaciteit, mede doordat de doorlooptijden door het grote volume in de regio sterk op zal lopen.

De extra capaciteit vraagt ook aanzienlijk meer ruimte boven én onder de grond voor nieuwe stations en verbindingen. Gemeenten dienen in de omgevingsplannen rekening te houden met extra inpassing van circa 9 tot 12 duizend vierkante meter. Naast ruimte, speelt ook hier de doorlooptijd een voorname rol. Deze is 5 tot 7 jaar, dus om uiterlijk 2030 te kunnen realiseren, is het noodzakelijk dat plannen snel concreet worden. De netbeheerders moeten immers omstreeks 2023 een investeringsbeslissing nemen. De focus op zonne-energie maakt lokale inpassing van innovatieen flex-oplossingen, zoals opslag en het balanceren van opwek van zonnestroom en elektrisch laden, nodig. Zonder dit soort optimalisaties kan het grootschalig afschakelen van opwek terwijl er zonpieken zijn een belangrijk en zeer ongewenst gevolg zijn. 5.1.6. Voorlichting aan inwoners en bedrijven De lokale overheden doen wat ze kunnen om inwoners over de energietransitie te informeren, te doordringen van de noodzaak en hen erbij te betrekken. Voor inwoners liggen de RES en TVW in elkaars verlengde. Blijvende aandacht voor goede voorlichting

38

aan inwoners en bedrijven over zowel de omschakeling in warmtevoorziening als duurzame opwek van elektriciteit is noodzakelijk. Dit vergt capaciteit en middelen vanuit de regio én stevige landelijke communicatie-inzet vanuit het Rijk. 5.1.7. Veilig en betrouwbaar In de energietransitie gaat het om het zoeken naar alternatieven voor energiebronnen die opraken, zoals bijvoorbeeld met aardgas en aardolie het geval is. Energiedragers zoals waterstof en elektriciteit doen meer en meer hun intrede in woningen, bedrijfspanden en vervoersmiddelen. Ook zijn aanpassingen in energienetwerken nodig, voor bijvoorbeeld opslag van energie en (decentrale) omvorming. Voor deze nieuwe energiedragers zijn mogelijk andere of aanvullende maatregelen nodig om de fysieke veiligheid te waarborgen. Een drager zoals waterstof heeft andere eigenschappen dan bijvoorbeeld aardgas. Uiteindelijk gaat het erom dat de energietransitie door kan en dat alternatieve energiebronnen op een veilige manier kunnen worden toegepast. Enerzijds moet er ruimte zijn voor het stimuleren van innovatie, maar anderzijds moeten handhavers risico’s kunnen afwegen en maatregelen kunnen treffen, wanneer innovatieve projecten onaanvaardbare risico's met zich meebrengen. In de RES houdt de regio Midden Holland daarom nauw contact met de Veiligheidsregio Hollands Midden.

Verder bestaan er wettelijke beschermingszones voor drinkwaterbronnen, in oppervlakte- en grondwater, met specifieke eisen voor milieu en ruimtelijke bescherming. Beoogde activiteiten met betrekking tot de energietransitie dienen deze beschermingszones te respecteren en moeten worden meegenomen in de RES en uiteindelijke ruimtelijke plannen. Bij de nadere uitwerking van plannen zullen de drinkwaterbedrijven Dunea en Oasen een rol spelen.

Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland

5.1.8. Samenwerking De energietransitie – met impact op inwoners en lokale bedrijven – vraagt om directe lokale bestuurlijke betrokkenheid en invloed. De uitvoering van duurzame energieprojecten vindt voornamelijk plaats op lokaal niveau. De uiteindelijke bevoegdheid voor het ontwikkelen van omgevingsbeleid en het afgeven van de noodzakelijke omgevingsvergunningen voor zowel zon- als windprojecten, ligt op lokaal niveau. Afstemming met het provinciaal omgevingsbeleid is daarbij doorlopend nodig. De RES 1.0 is hierbij slechts een startpunt, daarna moet een vertaling gemaakt worden naar lokaal beleid en omgevingsplannen. Ook voor de warmtetransitie met de wijkgerichte aanpak in de gebouwde omgeving ligt de grootste verantwoordelijkheid bij gemeenten (de wijkgerichte aanpak). Lokaal ligt de meerwaarde vooral in het meenemen van gemeentelijke en locatie specifieke omstandigheden en in het creëren van voldoende participatie. Regionale samenwerking en afstemming blijft nodig en biedt meerwaarde bij vraagstukken die een gemeentegrens overschrijden. Er zijn nog gezamenlijke keuzes te maken, bijvoorbeeld bij de verfijning van de zoekgebieden elektriciteit, afstemming van de beschikbare netcapaciteit, voor de RSW, bij innovatie en het volgen van lokale besparingsmaatregelen.

Daarnaast biedt regionale samenwerking kansen voor het opstellen van gezamenlijke beleidskaders zoals bijvoorbeeld voor zon, wind, ruimtelijke kwaliteit of lokaal eigenaarschap.

39

5.2. Routekaart

5.3. Uitvoering energiebesparing

De doelstellingen in de RES 1.0 worden langs een aantal pijlers gerealiseerd. Deze realisatiestrategie beschrijft die pijlers. In figuur 5.1 zijn de contouren en de belangrijkste mijlpalen aangegeven. In de rest van dit hoofdstuk zijn de pijlers verder uitgewerkt. Parallel hieraan wordt gewerkt aan de innovatieagenda om ook oplossingen te realiseren voor uitdagingen die op de langere termijn spelen.

De energietransitie begint bij besparing. Energie die niet wordt gebruikt hoeft immers ook niet opgewekt te worden. Bovendien is het goed voor de portemonnee. Zowel gemeenten als de provincie Zuid-Holland hebben in hun reactie op de concept-RES-en specifiek gevraagd om een uitvoeringsprogramma voor besparing. In de RES 1.0 is de besparingsopgave niet gekwantificeerd.

0-meting

Besparing

Evaluatie/ bijsturen

Doelbepaling per gemeente Inrichten monitoring

Evaluatie/ bijsturen

Voorstel zoekgebieden

Regionale en lokale uitwerking

Gerealiseerd

Uitwerking tbv RES 2.0

Uitvoering (oa zon op dak)

RES 2.0

Elektriciteit

RES 1.0

Uitvoering programma’s

Vergunningen Gerealiseerd

Realisatie TVW

Vaststellen TVW

Warmte

Gerealiseerd

Uitwerken mogelijke RSW

Vertaling naar omgevingsbeleid (gemeente en provincie) en vergunningverstrekking Innovatieagenda voor oplossingen op langere termijn

5.4.1. Opgave en route

Regionale communicatie en participatie

2022

Op regionaal niveau wordt het volgen van de verschillende besparingsdoelstellingen ingericht zodat deze gerapporteerd kunnen worden aan de stuurgroep RES. Voor een eerste nadere uitwerking van deze regionale bewaking op besparingsmaatregelen en nadere acties voor het vervolg wordt verwezen naar bijlage 7.

5.4. Uitvoering hernieuwbare elektriciteit

Regionaal volgen van realisatie RES en lokale besparing

2021

Energiebesparing en het stimuleren ervan is maatwerk voor individuele doelgroepen. Om die reden wordt de nadruk gelegd op het inzetten van lokale maatregelen. Alle gemeenten zullen op basis van de RES 1.o elk hun eigen besparingsopgave kwantificeren. De waterschappen hebben (ook als sector) als doel in 2025 geheel energieneutraal te zijn. Hiervoor zijn twee sporen ingezet: meer eigen opwek en meer besparen. Ook door de DPMH is een besparingsambitie uitgesproken.

2023

2025

2030

Figuur 5.1 - Routekaart van RES 1.0 naar 2.0 en verder

Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland

De regio Midden-Holland heeft de ambitie om 0,435 TWh (1.567 TJ) aan hernieuwbare elektriciteit op te wekken in 2030. Dit is inclusief de reeds gerealiseerde grootschalige zon- en windprojecten en de projecten in de pijplijn (totaal 0,097 TWh). Op hoofdlijnen zijn er vier parallelle uitwerkingslijnen:

40

1. Zo snel mogelijk de realisatie van zon op dak in de regio opschroeven samen met duurzaamheidsplatformen, energiecoöperaties en andere initiatiefnemers. 2. Voor de zoekgebieden “zon langs infrastructuur” en “zon op geluidsschermen” langs A20, A12 en N11 in overleg treden met het Rijk (en deze aanmelden voor het zogeheten OERprogramma) en voor N210 het overleg met de Provincie volgen. 3. Zoekgebieden waar bestuurlijk consensus over is en die voldoende concreet zijn worden doorvertaald in het omgevingsbeleid van provincie en gemeenten, gericht op vergunningverlening voor 1 januari 2025. 4. Overige zoekgebieden zoals “zon in transitiegebieden” en “zon in agrarische gebieden” nader onderzoeken en uitwerken richting RES 2.0.

Voor het uitwerken van bovenstaande punten is regionale samenwerking op het gebied van duurzame elektriciteit essentieel. Deze bestaat uit 1) een integrale (verdere) uitwerking van de zoekgebieden, 2) afstemming ontwikkeling netcapaciteit, 3) gezamenlijk ontwikkelen van beleid en uitvoeringskaders en 4) gezamenlijke acties voor het stimuleren van zon op dak. Het bewaken van regionale ruimtelijke kwaliteit, maatschappelijk draagvlak, het halen van het bod en een realistische aanpak voor het net zijn daarbij belangrijke criteria. 5.4.2. Gezamenlijk integrale gebiedsuitwerking Voor een deel van de uitwerking van de zoekgebieden is een integrale regionale uitwerking en verfijning nodig. Dit geldt zeker als het gaat om zoekgebieden die gemeentegrenzen overschrijden - zoals langs infrastructuur - en voor het maken van energielandschappen waarin meerdere opgaven moeten

worden meegenomen. Het gaat hierbij om een ontwerpopgave die de provincie, gemeenten en partijen zoals Rijkswaterstaat en Prorail gezamenlijk moeten oppakken, met voldoende oog voor maatschappelijke participatie. 5.4.3. Ontwikkeling netcapaciteit: programmeringsoverleg Voldoende capaciteit op het elektriciteitsnet is een belangrijke voorwaarde om de projecten uit de RES ook daadwerkelijk (en op tijd) te kunnen realiseren. De netbeheerder moet voldoende zekerheid hebben dat projecten ook daadwerkelijk doorgang vinden voordat benodigde aanpassingen aan het net worden gedaan. Deze aanpassingen dienen snel en efficiënt gepland en gerealiseerd worden. De overheden en netbeheerder gaan daarom keuzes voor locaties voor grootschalige energieopwekking, fasering en versterking van het net beter op elkaar afstemmen. De regio introduceert en voert minimaal twee

41

keer per jaar een programmeringsoverleg met de netbeheerder over de geplande initiatieven, de status daarvan en de benodigde aanpassingen die hiervoor moeten worden gedaan. Speciale aandacht is nodig voor het in beeld brengen van initiatieven zonder vergunningsplicht, zoals zon op dak. 5.4.4. Stimuleren Zon op dak Provincie, gemeenten en waterschappen spelen een belangrijke rol bij het stimuleren van zon op dak. Dit krijgt de komend periode vorm door onder andere de volgende initiatieven op te starten of te intensiveren: • • •

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10134121/1