CConstaterende datZoetermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 - Plan MER

Raadsvergadering 14 juli 2025, gemeente ZoetermeerBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling kaderstellende beleidsdocumenten ten behoeve van Omgevingsprogramma Entree29.183 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Windklimaat Ondanks het feit dat het windklimaat op de meeste plekken gunstig is, is er een aantal locaties waar een optimalisatie gewenst zou kunnen zijn: • Het windklimaat op het dek aan de oostzijde van het zuidwestelijke bouwblok plangebied

• •

(matig voor doorlopen in de geplande situatie) kan verbeterd worden door het plaatsen van een scherm aan de rand van het dek Door aan de westkant van het Poortgebouw windremmende maatregelen te nemen kan mogelijk ook hier het beperkt risico worden voorkomen Het windklimaat bij de zuidoostelijk beëindiging van het plangebied kan verbeterd worden door het plaatsen van groen in het gebied met een matig windklimaat. Als er belangrijke looproutes door dit gebied komen te lopen wordt geadviseerd deze zo mogelijk buiten het gebied met een matig windklimaat te houden of deze te voorzien van een afscherming in de vorm van bijvoorbeeld groenblijvende begroeiing

•

Binnen het plangebied zou lokaal een verdere verbetering van het windklimaat mogelijk zijn door het plaatsen van begroeiing, maar dat zou alleen nodig zijn op plekken waar er windgevoelige functies (entrees, winkels) gerealiseerd worden op plekken waar het windklimaat matig is voor slenteren

Door het nemen van maatregelen ter voorkoming van het beperkt risico op windgevaar, kan de beoordeling op dat aspect worden verbeterd naar neutraal (0). Bezonning Het verbeteren van de bezonning van de omgeving is mogelijk door het verkleinen van de geplande bouwvolumes. Door deze verkleining kan de beoordeling voor bezonning van de omgeving verbeteren naar neutraal (0). Voor de geplande woningen kunnen de resultaten van het

27/257

Kenmerk

R004-1298160CNC-V02-sss-NL

onderzoek gebruikt worden voor de planning van de locatie van woningen binnen het plan of de locatie van woonkamers binnen de woning. Bij een goed ontwerp is het daarbij mogelijk om op vrijwel alle woninggevels van de nieuwbouw een voldoende bezonning te realiseren. Door deze verkleining kan de beoordeling voor bezonning plan verbeteren naar zeer positief (++). Gezondheidsbevordering Hinderreducerende maatregelen om hinder tijdens de aanlegfase te beperken kunnen zijn: • •

Goede routering aan- en afvoer van grond, bouwmaterialen langs routes met zo min mogelijk geluidgevoelige bestemmingen Goede inrichting en beheer van laad- en losvoorzieningen

• • •

Veilige tijdelijke verkeersmaatregelen De regulering van toegankelijkheid van de bouwterreinen De regulering van de tijdstippen van aan- en afvoer en bouwwerkzaamheden

Het nemen van deze maatregelen zou er toe kunnen leiden dat er minder overlast optreedt tijdens de aanleg van Entree. Tegelijkertijd is het volledig wegnemen van hinder tijdens de aanleg nietrealistisch. Daarom blijft de effectbeoordeling gelijk (0). Hinder van licht kan vaak worden voorkomen door een juiste plaatsing en adequate afscherming van armaturen. Bij het ontwerpen van de gebouwen en de openbare ruimte zal daar aandacht aan moeten worden besteed. Ongeacht de mate van aandacht voor verlichting in het ontwerp blijft sprake van een toename van licht, en daarmee mogelijk hinder, ten opzichte van de huidige situatie. De effectbeoordeling blijft dan ook gelijk. Water Ten aanzien van waterkwantiteit en waterkwaliteit is het van belang dat in overeenstemming met het beleid en de eisen van het hoogheemraadschap en de gemeente, er maatregelen worden getroffen om zowel de waterkwantiteit als de waterkwaliteit van het oppervlaktewater aan de westzijde te verbeteren. Denk hierbij aan het voorzien van extra oppervlaktewater dan nu is voorzien, en dat minstens een van de lange duikers die de Afrikaweg kruist, vervangen wordt door oppervlaktewater en kortere duikers. In de Ontwikkelvisie Entree zijn momenteel geen uitspraken gedaan over het beperken van negatieve effecten op grondwaterstanden als gevolg van de ontwikkeling.

Door aan te geven hoe de ontwikkeling omgaat met grondwater, met name hoe negatieve effecten op grondwaterstanden beperkt worden en/of voorkomen worden, en hoe mogelijke grondwateroverlast in het gebied beperkt wordt en/of voorkomen wordt is de verwachting dat de effectbeoordeling verbeterd. Na het nemen van deze maatregelen worden beide alternatieven als positief beoordeeld (+) voor indicatoren waterkwaliteit en waterkwantiteit. Ruimtelijke kwaliteit Op de indicator Cultuurhistorie is het effect van Entree voor beide alternatieven zeer negatief (- -) door o.a. de sloop van de cultuurhistorisch waardevolle panden Bredewater 4-14 en Bredewater

28/257

Kenmerk

R004-1298160CNC-V02-sss-NL

16. De gemeente Zoetermeer ziet hiervoor geen realistische mitigerende maatregelen, aangezien het planvoornemen uitgaat van sloop-nieuwbouw op deze plek. Overigens heeft de gemeente bericht gekregen van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) dat het advies heeft ontvangen om de Mammoet (Bredewater 16) aan te wijzen als rijksmonument. In het bericht is aangegeven dat de RCE dit advies in principe overneemt, met dien verstande dat zal worden bekeken of voorgedragen zaken daadwerkelijk op grond van de Erfgoedwet kunnen worden beschermd. Soortenbescherming Voor soorten zijn wettelijk verplichte maatregelen aangedragen per soort. Dit kunnen maatregelen zijn die invloed hebben op de fasering van de werkzaamheden of bijvoorbeeld het plaatsen van vleermuiskasten. Na het nemen van deze maatregelen worden beide alternatieven als neutraal (0) beoordeeld. Stikstofdepositie Er zijn vele mitigerende maatregelen denkbaar, maar de belangrijkste het instellen van een milieuzone binnen de woonwijk, aangezien verkeer de grootste bron van NOX-emissies is. Grote reducties zijn mogelijk indien geen verbrandingsmotoren worden toegestaan. Met minder vergaande maatregelen is ook nog een behoorlijke reductie haalbaar, bijvoorbeeld minimaal EURO- 6 voertuigen. Voor emissieloze scenario’s geldt dat de beoordeling dan zeer waarschijnlijk neutraal zou worden.

Borging van een milieuzone kan via bepalingen in het omgevingsplan en een verkeersbesluit. Handhaving kan via een camerasysteem of BOA’s. Na het nemen van maatregelen worden beide alternatieven als neutraal (0) beoordeeld. In de aanlegfase is - afhankelijk van het bouwtempo - geen sprake van een toename van stikstofdepositie. Om die reden zijn er geen wettelijk verplichte mitigerende of compenserende maatregelen van toepassing. Elektrische energie Uit de analyse in het vorige hoofdstuk komt naar voren dat de elektriciteitsopwekking in het gebied onvoldoende is om de in vraag te voorzien. Om dit te beperken kan gezocht worden naar mogelijkheden om meer elektriciteit op te wekken in dan wel nabij het projectgebied. Onderzoek de mogelijkheid voor de aanleg van zonneparken. Wat het effect van deze maatregelen is kan met de huidige gegevens niet in kaart worden gebracht. Naast het onderzoeken van meer bronnen van energie is het ook mogelijk om het energieverbruik te verminderen. Zo kan de toepassing van warmteterugwinning op de douches in woningen de vermogens- en energievraag voor tapwater verminderen. Voor goed geïsoleerde woningen geldt dat douchewater een relatief groot deel van de energievraag invult, door dit te minimaliseren wordt relatief veel energie bespaard.

29/257

Kenmerk

R004-1298160CNC-V02-sss-NL

Klimaatadaptatie Voor wateroverlast zijn aanvullende maatregelen als volgt: • Waterberging toevoegen aan de noordwestzijde van het plangebied. • Oppervlaktewater aan de westzijde toevoegen. • •

Bovengrondse waterstructuur in oost-westrichting creëren om zo lengte van duikers te beperken. Knelpunten voor wateroverlast bij tunnels verhelpen.

Voor hitte zijn aanvullende maatregelen als volgt: • Het bieden van voldoende koele, schaduwrijke, toegankelijke openbare ruimte, buitenruimte •

en daken voor alle nieuwe bewoners. Het overgrote deel van de bestaande bomen vervangen met nieuwe bomen, zodat het effect voor mensen en milieu zo optimaal mogelijk is. Voorbeelden hiervan zijn het toepassen van bomen rondom poelen ter voorkomen van verdamping en het planten van bomen met een kortere levensduur tussen bomen met een lange levensduur om op korte termijn voldoende schaduw in het plangebied te realiseren.

Makkelijk inpasbare maatregelen treffen ten behoeve van waterveiligheid zijn als volgt: • Gevoelige nutsvoorzieningen boven peilhoogte. • •

•

Evacuatiemogelijkheden bij eengezinswoningen via de eerste verdieping creëren. In kaart brengen van de assets die een ontwrichtende werking hebben als ze uitvallen door wateroverlast en overstroming. Voorbeelden zijn trafo’s van het elektriciteitsnetwerk en schakelkasten van een rioolgemaal en waar nodig deze hoger aanleggen. Grondgebonden woningen altijd met twee verdiepingen bouwen, zodat vluchten binnen de woning mogelijk is.

Na het nemen van deze maatregelen worden beide alternatieven als positief beoordeeld (+) voor indicatoren hittestress, droogte en overstroming. Voor wateroverlast is dat zeer positief (++).

0.10

Conclusie doelbereik

Het doelbereik van het Omgevingsprogramma Entree wordt over het algemeen vrij hoog ingeschat, met daarbij dan wel variërende bandbreedtes van onzekerheid. In deze paragraaf worden de belangrijkste resultaten van het doelbereik van de vijf doelstellingen beknopt toegelicht. Doelstelling

Beoordeling doelbereik

1. Vergroten woningaanbod

Het omgevingsprogramma Entree voorziet in de bouw van 6.750 tot 7.250 nieuwe woningen, met een focus op appartementen voor jongeren en studenten, woningen voor ouderen, en stadswoningen voor gezinnen. De onderzoeken zijn uitgevoerd op een lagere bandbreedte 6.250 (minimumalternatief)-7.250 (maximumalternatief). De totale woningopgave is verdeeld in drie segmenten: 1) Goedkoop/sociale huur en goedkope koop: 27%-30%; 2) Middenhuur en bereikbare koop: 25%-35%; en 3) Vrij voor overige

30/257

Kenmerk

R004-1298160CNC-V02-sss-NL

Doelstelling

Beoordeling doelbereik woonprogramma's: 35%-48%. Dit zorgt voor een divers woningaanbod en is in lijn met het 'Programma Woningbouw'. Echter, er is onzekerheid over de haalbaarheid van deze doelstellingen, aangezien de ontwikkeling gefaseerd plaatsvindt en afhankelijk is van marktomstandigheden. Het bouwtempo in Nederland is al jaren traag, en er zijn onduidelijkheden rondom stikstofproblematiek die van invloed kunnen zijn op de planning en uitvoering van het project.

2. Toekomstbestendige leefomgeving

De doelstelling van een ‘toekomstbestendige’ leefomgeving wordt niet verder uitgewerkt in het Omgevingsprogramma, behalve voor duurzame mobiliteit. Naast duurzame mobiliteit kunnen meer aspecten een rol spelen onder andere energiezuinige gebouwen, duurzaam waterbeheer en circulaire economie, die verder worden beschreven in hoofdstuk 8 ‘Intrinsiek duurzame wijk’. De ontwikkelvisie legt veel nadruk op duurzame mobiliteit door voetgangers, fietsers en openbaar vervoer te bevorderen om autoverkeer te verminderen. Er worden voorzieningen in de buurt gecreëerd en deelmobiliteit aangemoedigd om autobezit te beperken. In hoofdstuk 8.5 wordt de doelstelling geformuleerd om lokale energieopwekking te maximaliseren, waarbij het programma de thermische energie naar verwachting volledig vanuit het projectgebied kan voorzien in de warmtevraag van gebouwen, maar voor elektriciteit zal naar extra opwekking buiten het plangebied gezocht moeten worden is. Duurzaam bouwen en energiebesparing zijn essentieel, hoewel het gedrag van bewoners ook invloed heeft op het behalen van deze doelen. Hoofdstuk 8.6 richt zich op circulair bouwen, met als doel een stadswijk te realiseren die duurzaam omgaat met grondstoffen door materialen te hergebruiken, CO2-uitstoot te minimaliseren en afval te voorkomen.

De gemeente stuurt op circulaire ambities, maar er ontbreken concrete maatregelen waarmee deze ambities worden gewaarborgd. De haalbaarheid hangt sterk af van samenwerking met woningbouwcorporaties, bedrijven en diverse andere grondeigenaren. Daarnaast is de ontwikkeling van station Zoetermeer van groot belang voor het behalen van deze doelstelling, en is de gemeente afhankelijk van verschillende partijen voor de uitvoering.

3. Gezonde leefomgeving

De doelstelling van een ‘gezonde’ leefomgeving wordt niet verder uitgewerkt in het Omgevingsprogramma en de Ontwikkelvisie, maar in hoofdstuk 8.7 worden geluid en luchtkwaliteit als indicatoren besproken. Hoofdstuk 6 ‘Gezonde en levendige buitenruimte’ richt zich op de het onderwerp groen, die ook in de beoordeling is meegenomen. Het gebied wordt klimaatadaptief ontwikkeld, waardoor het gebied waterrobuust en bestand tegen droogte en hitte is. De gemeente Zoetermeer heeft het convenant ‘Klimaatadaptief Bouwen in Zuid-

31/257

Kenmerk

R004-1298160CNC-V02-sss-NL

Doelstelling

Beoordeling doelbereik Holland’ ondertekend en een strategie klimaatadaptatie en uitvoeringsagenda klimaatadaptatie vastgesteld. Daarmee is de verwachting dat voldoende wordt gestuurd op klimaatadaptief bouwen en inrichting. Uit de effectbeoordeling blijkt dat wateroverlast zal afnemen, maar het aandeel groen in het gebied neemt met de ontwikkeling af. Mitigerende maatregelen, zoals het toevoegen van groen langs de Afrikaweg en de buitenranden van het plangebied, kunnen ervoor zorgen dat het doel verder wordt gehaald. Vanwege de aanwezigheid van verschillende lokale bronnen zoals (snel)wegen is de luchtkwaliteit in het plangebied een belangrijk aandachtspunt. Dit geldt ook voor het thema geluid. Niet overal in het plangebied kan aan het geluidbeleid uit het ‘Afwegingskader geluid’ worden voldaan. Om toch de woningen te kunnen realiseren en gelijktijdig een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen wordt aanvullend beleid opgesteld voor het project Entree. Als mitigerende maatregel voor luchtkwaliteit wordt het instellen van een milieuzone genoemd, daarmee kan het doel verder worden gehaald. Daarnaast is de mate van onzekerheid en afhankelijkheid van andere partijen aanzienlijk. De gemeente is voor het nemen van geluidbeperkende maatregelen bijvoorbeeld afhankelijk van de wegbeheerder.

4. Sociale cohesie

De Afrikaweg zal fungeren als verbindend element dat stadsdelen met elkaar verbindt en het station toegankelijker maakt. Dit bevordert sociale contacten, gezondheid en het welbevinden van inwoners. Een van de drie essenties van de openbare ruimte is ‘verblijf en ontmoeting altijd dichtbij’. Dit wordt ondersteund door het bieden van collectieve buitenruimtes en daken, zodat iedere bewoner toegang heeft tot groen. Bovendien zijn de trottoirs breed, wat ruimte biedt voor groen, verblijf en ontmoeting. De aanwezigheid van maatschappelijke voorzieningen zoals horeca, een supermarkt en een basisschool bevorderen sociale cohesie, omdat dit ook plekken zijn waar mensen elkaar ontmoeten. Daarnaast wordt er gewerkt aan een integraal welzijns- en gezondheidscentrum. Het behalen van deze doelstelling is sterk afhankelijk van het gedrag van bewoners, en de gemeente heeft beperkte invloed op voorzieningen die afhankelijk zijn van vrijwilligers en buurtverenigingen. De gemeente werkt nauw samen met de externe (markt)partijen om te komen tot een brede programmering voor voorzieningen, zoals horeca, supermarkt en basisschool. De gemeente neemt in de anterieure overeenkomsten met de ontwikkelaars ook afspraken mee over de realisatie van de voorzieningen. De daadwerkelijke invulling en exploitatie is wel aan de (markt)partijen.

5. Stimuleren lokale economie

Naast woningen biedt het programma plekken voor bedrijvigheid en voorzieningen, zowel in de gebouwen als in de openbare ruimte, met

32/257

Kenmerk

R004-1298160CNC-V02-sss-NL

Doelstelling

Beoordeling doelbereik een verwachte toename van circa 4000 arbeidsplaatsen. De focus ligt op mobiliteit met een lage milieubelasting en het gebruik van openbaar vervoer om bewoners en ondernemers aan te trekken die waarde hechten aan gezondheid en bereikbaarheid. Het behalen van dit doel is in grote mate afhankelijk van de werkelijke invulling van de programmering in de plinten van de gebouwen. Als uiteindelijk meer woningen in de plint komen, dan is er minder plek voor voorzieningen. Daarnaast is de doelstelling in grote mate afhankelijk van de economische conjunctuur. In het verleden was het plangebied bedoeld als grote kantorenlocatie, maar het vigerende bestemmingsplan biedt echter veel meer ruimte dan er in werkelijkheid is gerealiseerd. Daarnaast is de bereidheid van ondernemers om naar Entree te verhuizen ook een belangrijke factor.

0.11

Leemten in kennis en informatie

Er zijn geen leemten in kennis en informatie die een goede effectbeoordeling van Entree Zoetermeer in de weg staan.

0.12

Aanzet voor monitoring en evaluatie

De ontwikkeling van Entree kent een lange looptijd van tenminste 10-15 jaar. Gedurende deze jaren is het belangrijk om te kijken of de ambities en doelen voor Entree gehaald worden of dat (tussentijdse) bijsturing nodig is. Ook kunnen nieuwe omstandigheden (bijvoorbeeld wijzigingen in wet & regelgeving) aanleiding zijn om bij te sturen. Hiervoor is monitoring nodig om over betrouwbare informatie te beschikken over hoe het ervoor staat. Bij monitoring verzamelt de gemeente gedurende langere tijd op systematische wijze gegevens over bijvoorbeeld de staat van de fysieke leefomgeving, aantallen en type woningen, aantallen parkeerplaatsen enzovoort. Op deze manier is inzichtelijk hoe de ontwikkeling van Entree verloopt en hoe dit verhoudt tot de ambities en doelstellingen opgenomen in het Omgevingsprogramma. Zowel uit het Plan-MER als het Omgevingsprogramma volgen monitoringsmaatregelen. Dit is onder meer gericht op (milieu-)effecten en de effecten van mitigerende maatregelen en is daarnaast gericht op ambities, concrete uitwerking van beleid en meer gemeente bredere samenhang (zoals voortkomt uit het Omgevingsprogramma). Deze continue en periodieke monitoring loopt via een aantal sporen en brengt de komende jaren de ontwikkelingen en de gevolgen van Entree in beeld.

33/257

Kenmerk

R004-1298160CNC-V02-sss-NL

Kaders Aanpak Monitoring Binnen de gemeente Zoetermeer wordt datagedreven (beleids-)ontwikkeling als volgt aangepakt. Begonnen wordt bij de ambities van het programma. Zo is de opgave van het programma leidend voor de monitor en niet de data. De basis voor de monitoring zijn de 5 doelen uit de Ontwikkelvisie. 1. Vergroten woningaanbod 2. 3. 4.

Toekomstbestendige leefomgeving Gezonde leefomgeving Sociale cohesie en

5.

Stimuleren lokale economie

Om deze doelen te volgen, worden meerdere monitors ontwikkeld. Doelen zijn namelijk niet direct te meten. Bijvoorbeeld de gezonde leefomgeving kunnen we niet direct meten. Maar als we het over gezonde leefomgeving hebben dan bedoelen we een betere luchtkwaliteit, minder geluid, minder hittestress enzovoort. En deze effecten kunnen we meten en dat doen we in een effectenmonitor. De tweede monitor is de prestatiemonitor, hierin laten we zien welke prestaties er geleverd wordt door het programma. Als er bijvoorbeeld afspraken zijn gemaakt over de afstand die een woning mag hebben tot een koelteplek dan kunnen we die meten. De laatste monitor is de interventiemonitor, hiermee wordt de geleverde inzet gemonitord. Hier zal dan worden bijgehouden hoeveel koelteplekken gecreëerd zijn. Onderstaand figuur laat de samenhang tussen deze monitoren zien.

Hoe ziet dit er dan uit in de praktijk. Als voorbeeld kijken we naar sociale cohesie. Als de interventie is dat als programma een welkomsactiviteit per opgeleverd project (of bij elke fase) wordt georganiseerd, dan is de prestatie dat inwoners elkaar leren kennen (we meten dan het aantal mensen dat naar de barbecue is gekomen). Het effect dat wordt beoogd is dat inwoners bij elkaar terecht kunnen als ze hulp nodig hebben. Het effect kan dan bijvoorbeeld worden gemeten met enquêtes. Op deze wijze meten we of het doel van sociale cohesie wordt gehaald of dat extra inspanningen nodig zijn.

34/257

Kenmerk

R004-1298160CNC-V02-sss-NL

Onderstaand is een eerste overzicht opgenomen van doelen, indicatoren en welke data zal worden gebruikt voor de monitoring. Dit overzicht wordt in het monitoringsplan verder uitgewerkt.

Doelen Vergroten

Indicatoren -

woningaanbod

Toekomstbestendige

-

Bestaande databron

Aanvullend Entree

Aantal en typen woningen binnen de diverse segmenten

-

-

Duurzame mobiliteit

-

-

Geluid Luchtkwaliteit Stikstof

-

-

Sociale cohesie

-

Stimuleren lokale economie

-

Algemene verbondenheid met de wijk Entree Verbondenheid met andere personen in de wijk Sociale participatie (vrijwilligerswerk en verenigingen) Realisatie van m2 B.V.O voor de functies: kantoren, bedrijven en maatschappelijk

Woningbouwmonitor

-

-

leefomgeving Gezonde leefomgeving

Databron monitoring

Provinciale data (in en uitstappen OV-haltes) MRDH-verkeersmodel (periodieke updates) Luchtkwaliteit: het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) Geluid: Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG) Stikstof: Aerius calculator

-

Programma in diverse fasen SO, VO, DO en aanvraag BOPA (prognose) Bij oplevering (voor definitieve toevoeging aan woningvoorraad harde plancapaciteit) Parkeertellingen van de nieuwe parkeergarages Parkeerdrukmetingen in de wijken om Entree

-

Door middel van een enquête onder de bewoners/ondernemers/gebruikers van Entree

-

Programma in diverse fasen SO, VO, DO en aanvraag BOPA (prognose) Bij oplevering (voor definitieve toevoeging aan harde plancapaciteit)

-

De hierboven beschreven kaders moeten nog worden uitgewerkt in een monitoringsplan. In het monitoringsplan wordt de wijze van monitoring concreet uitgewerkt. Het college van B&W legt periodiek verantwoording af aan de gemeenteraad met een totale monitorings-rapportage over de ontwikkeling in (en rond) Entree. De output van alle relevante monitoringinformatie kan worden gebruikt voor bijsturing en communicatie (naar raad en burgers). Als (een voornemen tot) bijsturing consequenties heeft voor de in de Anterieure overeenkomst vastgelegde afspraken tussen gemeente en marktpartijen dan moeten de gevolgen en uitvoerbaarheid op voorhand goed in beeld zijn en ook zijn afgestemd tussen gemeente en marktpartijen.

35/257

Kenmerk

R004-1298160CNC-V02-sss-NL

1 Inleiding 1.1

Ontwikkeling Entree

Zoetermeer groeit en werkt zelfbewust aan een nieuwe schaalsprong: van groeikern naar volwassen stad. Deze nieuwe positionering en de invulling die daarvoor nodig is, komen samen in Entree. In Entree wordt het gebied rondom de Afrikaweg tussen de A12 en het centrum, waar nu verouderde kantoren staan, getransformeerd naar een levendige en kwalitatief aantrekkelijke stadswijk. Entree wordt een nieuw gemengd stedelijk gebied met een mix van wonen, werken en voorzieningen. Entree is daarmee één van de sleutelprojecten voor de toekomst van Zoetermeer. In het Masterplan Entree uit 2019 zet de gemeente Zoetermeer de kaders neer voor de ontwikkeling van woningen, met de bijbehorende sociaalmaatschappelijke en commerciële voorzieningen die nodig zijn om een levendig en aantrekkelijk stedelijk gebied te realiseren. Gemeente Zoetermeer werkt de kaders uit in een programma onder de Omgevingswet. Dit zijn de kaders waar binnen grond- en pandeigenaren mogen ontwikkelen. In hoofdstuk 2 staat een uitgebreide beschrijving van de ontwikkeling Entree.

Figuur 1-1 Plangrens Entree Zoetermeer (Bron: Gemeente Zoetermeer)

36/257

Kenmerk

R004-1298160CNC-V02-sss-NL

Figuur 1-2 Plangrens Entree Zoetermeer (Bron: Gemeente Zoetermeer)

37/257

Kenmerk

1.2

R004-1298160CNC-V02-sss-NL

Mer-procedure

1.2.1 Ruimtelijke procedure en invulling Entree veranderd Voor de ontwikkeling van Entree is eerder een ontwerpbestemmingsplan opgesteld en ter inzage gelegd samen met een MER (2022). Op dit MER had de Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie mer) een voorlopig advies gegeven om het MER op punten aan te vullen. Vanwege wijzigingen in plangrens en programmatische invulling van Entree en de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de gemeente Zoetermeer besloten de bestemmingsplanprocedure te stoppen. De gemeente zet daarom in op een vrijwillig Omgevingsprogramma Entree. In het Omgevingsprogramma Entree is het beleidskader (en de daarmee samenhangende beleidsregels) voor de ontwikkeling van Entree opgenomen. Hierin worden ook de overkoepelende visie en ambities uit het Masterplan Entree voor het gebied, die verder zijn uitgewerkt in de Ontwikkelvisie en het Beeldkwaliteitsplan, vertaald en wordt een overkoepelend toetsingskader geboden voor de uitwerking van de bouwplannen per plot. Ook is een verbijzondering van het geluidbeleid en parkeerbeleid opgesteld voor Entree. Deze beleidsstukken zijn belangrijke bouwstenen van de Omgevingsprogramma Entree, maar zullen hier pas deel uit van gaan maken, nadat de raad hierover in het kader van de vaststellingsprocedure van het Omgevingsprogramma over besloten heeft. In dit MER wordt hier echter wel al vanuit gegaan.

Het Omgevingsprogramma Entree wordt hierna aangeduid als “Omgevingsprogramma”. Hoofdstuk 2 gaat verder in op de stappen van ontwerpbestemmingsplan Entree Midden naar het Omgevingsprogramma. 1.2.2

Waarom een mer-procedure

Een milieueffectrapportage (mer)-procedure is een procedure die wordt gevolgd bij de besluitvorming over projecten die mogelijk nadelige effecten kunnen hebben op het milieu. Het doel van de procedure is om de milieueffecten van een project in kaart te brengen en te beoordelen, zodat deze in de besluitvorming kunnen worden meegewogen. In de Omgevingswet is in afdeling 16.4 geregeld dat het bij bepaalde plannen en/of besluiten met mogelijke grote milieugevolgen verplicht is informatie te verzamelen over de als gevolg van de activiteit optredende milieugevolgen. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit is bepaald voor welke activiteiten een mer-procedure doorlopen moet worden. Dit is mede afhankelijk van de aard en omvang van de activiteit en het soort besluit. Het ontwikkelen van Entree Zoetermeer valt onder categorie J11 uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit onder: ‘stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’. Daarbij is er geen directe mer-plicht (kolom 2), maar wel een mer-beoordelingsplicht (kolom 3) bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Als er echter sprake is van kaderstelling voor opvolgende mer(-beoordelings)plichtige besluiten kan er toch een plan-mer-plicht gelden.

De ontwikkeling van Entree wordt mogelijk gemaakt met het instrument programma waarin de kaders worden gesteld. De verschillende plots in het gebied worden gefaseerd, na vaststelling van het omgevingsprogramma, binnen de kaders van dit Omgevingsprogramma, waaronder ook de Ontwikkelvisie en het Beeldkwaliteitsplan Entree

38/257

Kenmerk

R004-1298160CNC-V02-sss-NL

vallen, uitgewerkt en vergund met een omgevingsvergunning voor een BOPA (buitenplanse omgevingsplanactiviteit). In kolom 4 in bijlage V van het Omgevingsbesluit is voor categorie J11 een omgevingsplan opgenomen, waaronder ook de wijzigingen van zo’n plan via BOPA’s begrepen mag worden. Dit betekent dat het programma van Entree vanwege kaderstelling planmer-plichtig is. Een uitzondering geldt voor kleine gebieden op lokaal niveau en kleine wijzigingen, waarvoor je met een plan-mer-beoordeling kunt volstaan. Een klein gebied op lokaal niveau wordt uitgelegd als een percentage van het totale oppervlak van een gemeente. Entree beslaat circa 1% van het gemeentelijke grondgebied. Daarmee zou een plan-mer-beoordeling volstaan. Vanwege de omvang van de ontwikkeling kiest de gemeente om een plan-mer-procedure te volgen. 1.2.3 Een MER voor Entree Dit MER heeft betrekking op het hele plangebied van Entree. In paragraaf 1.3 en Figuur 1-1 en Figuur 1-2 is het plangebied beschreven en in beeld gebracht. De gemeente biedt met het Omgevingsprogramma Entree kaders voor verdere ontwikkeling van het gebied. Deze ontwikkelingen zullen naar verwachting plotsgewijs (via BOPA’s) vergund worden. De ontwikkeling van Entree wordt door verschillende ontwikkelaars gerealiseerd en vindt dus niet tegelijkertijd plaats, maar per plot.

Bij de aanvraag voor deze BOPA’s zullen ontwikkelaars een onderbouwing in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties geven en zonodig specifiekere milieuonderzoeken aanleveren die aansluiten bij de ontwikkeling waarvoor de BOPA geldt. In 2022 heeft een ontwerp-bestemmingsplan en een MER ter inzage gelegen voor Entree. De Commissie mer heeft toen op het MER een voorlopig toetsingsadvies uitgebracht. Voor het huidige MER bij het Omgevingsprogramma zijn de eerder uitgevoerde onderzoeken opnieuw uitgevoerd. Daarbij is het voorlopig toetsingsadvies van Commissie mer ter harte genomen. In Bijlage 2 is een analyse opgenomen van het voorlopig toetsingsadvies en de manier waarop dit verwerkt is in onderhavig MER. 1.2.4 Advies Commissie mer en aanvulling op het MER Op 13 mei 2025 heeft de Commissie mer het Toetsingsadvies voor de milieueffectrapportage bij het Omgevingsprogramma van Entree Zoetermeer uitgebracht. De Commissie waardeert de inspanningen en zorgvuldigheid waarmee de gemeente streeft naar een optimale inrichting van de wijk Entree. De Commissie vindt dat het MER goede informatie bevat en uitgebreid, toegankelijk en goed leesbaar is. Desondanks mist de Commissie belangrijke informatie in het MER. Zo zijn de milieugevolgen voor de nieuwe bewoners in een gebied als Entree, met hoge geluidbelasting en weinig groen, niet goed uitgelicht.

Daarnaast zijn de keuze voor het huidige stedenbouwkundige ontwerp van Entree en de consequenties voor de leefomgeving niet helder. Er zijn verschillende doelstellingen voor de wijk, maar het is onduidelijk hoe deze zijn meegewogen in de keuze voor dit ontwerp. Verder merkt de Commissie op dat er een alternatief ontbreekt waarbij de gezonde leefomgeving als uitgangspunt wordt genomen en dat de onderzochte alternatieven alleen verschillen in aantallen mensen en voorzieningen. Tot slot zijn de stikstofeffecten van het plan nog

39/257

Kenmerk

R004-1298160CNC-V02-sss-NL

niet voldoende in beeld gebracht. De Commissie adviseert om deze informatie aan te vullen in het MER voordat er een besluit over het programma wordt genomen. Het advies van de Commissie mer is ter harte genomen en dit heeft geleid tot aanscherpingen in het MER en in het Omgevingsprogramma. In deze versie van het MER zijn de volgende aanvullingen gedaan: • In het MER is een motivering gegeven voor de keuze van de stedenbouwkundige opzet. Daarbij is aangegeven hoe de verschillende doelstellingen voor het gebied hierin gewogen zijn en welke uitgangspunten leidend waren. Ook wordt inzicht verschaft in welke alternatieven eerder zijn beschouwd en zijn afgevallen en welke milieuoverwegingen daar een •

rol bij hebben gespeeld (zie paragraaf 2.2) Er is toegelicht dat een alternatief gericht op leefomgeving geen realistisch alternatief is voor Entree en derhalve geen meerwaarde biedt om toe te voegen aan dit MER (zie paragraaf

•

3.3.3) Een toelichting dat geluid een van de aspecten is geweest bij het stedenbouwkundige ontwerpproces van Entree en een toelichting op het advies van GGD en de zwaarwegende

•

belangenafweging (paragraaf 4.4) Een nadere toelichting op de besluitvorming van sloop-nieuwbouw van de panden Bredewater 4-14 en Bredewater 16 op basis van een integrale belangenafweging. Daarnaast een toelichting op het lopende traject voor aanwijzing van nieuwe monumenten (Post 65) door de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed met een advies voor het pand de Mammoet (paragraaf 4.14)

•

1.3

In het MER is ingegaan op de stikstofemissies en hoe deze beperkt kunnen worden (zie paragraaf 4.15)

Plangebied en studiegebied

In het MER wordt onderscheid gemaakt tussen de begrippen plangebied en studiegebied. Het plangebied is in Figuur 1-1 en Figuur 1-2 weergegeven. Het studiegebied is het totale gebied waarin milieueffecten als gevolg van de realisering van de alternatieven in het plangebied kunnen optreden. In het MER wordt per thema beschreven als het studiegebied groter is dan het plangebied. Het plangebied Entree is circa 47 hectare groot en bestaat globaal uit het gebied rondom de Afrikaweg, gelegen tussen het stadscentrum van Zoetermeer in het noorden en de snelweg A12 in het zuiden. Ten oosten wordt Entree begrensd door de straat Boerhaavelaan en de woonwijk Driemanspolder en ten westen door de straat Bredewater en de woonwijk Meerzicht. Het gebied bestaat nu voornamelijk uit kantoren die voor een groot deel leeg staan of een tijdelijke programmatische invulling hebben, infrastructuur en braakliggende grond. Dwars door het plangebied loopt de Afrikaweg die Zoetermeer ontsluit vanaf de A12.

40/257

Kenmerk

1.4

R004-1298160CNC-V02-sss-NL

Procedure en besluitvorming

De mer-procedure bestaat uit de volgende stappen: Voorfase Als eerste stap in deze MER-procedure heeft de gemeente middels de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) voor het Omgevingsprogramma Entree de onderzoeksinsteek bekend gemaakt. De gemeente heeft de NRD gepubliceerd en deze heeft van vrijdag 6 september 2024 tot en met donderdag 17 oktober 2024 ter inzage gelegen. De NRD is ook voor advies toegezonden aan de wettelijke adviseurs (Omgevingswet artikel 16.38), betrokken bestuursorganen en maatschappelijke partijen. Een ieder heeft vervolgens gedurende zes weken de gelegenheid gehad om schriftelijk of mondeling te reageren op de NRD door een zienswijze in te dienen. Een samenvatting van de ingediende zienswijzen en reacties inclusief de beantwoording daarvan is op 18 februari 2025 door het college vastgesteld. Dit stuk is tegelijkertijd met het Ontwerp Omgevingsprogramma ter inzage gelegd. MER Dit MER is opgesteld aan de hand van de onderzoeksopgave zoals beschreven in de NRD. De ingekomen reacties en zienswijzen zijn meegenomen bij het opstellen van dit MER. De ingekomen reacties en zienswijzen hebben geleid tot wijzigingen in de aanpak van dit MER. Hieronder is een globaal overzicht opgenomen: • • •

De thema’s waterveiligheid en bodemdaling zijn toegevoegd De effectstudie Gezondheid is uitgebreid met de indicatoren sociale veiligheid en lichthinder Het ‘Inventarisatie- en selectieproject naoorlogs erfgoed Zoetermeer 1945-1990’ is als

•

beoordelingskader toegevoegd De indicatoren ‘windhinder’, ‘openbaar vervoer’(deels), ‘bezonning’ en 'parkeren' zullen kwantitatief worden beoordeeld

•

Voor aspect Energie zijn de indicatoren gewijzigd van opwekking duurzame energie en energiebesparing naar thermische energie en elektrische energie. Beide zijn kwantitatief onderzocht

Zienswijzen Wanneer dit MER inhoudelijk is afgerond, legt de gemeente Zoetermeer het MER samen met het ontwerp-Omgevingsprogramma ter inzage. Een ieder kan vervolgens zienswijzen indienen op het ontwerp-Omgevingsprogramma en het MER. Ook zal de Commissie mer een advies uitbrengen. Definitief besluit Het MER is een onderbouwing bij het besluit tot vaststelling van het Omgevingsprogramma Entree. Het MER is een bijlage bij het Omgevingsprogramma en gaat als zodanig mee in de zienswijzeprocedure. Het MER heeft echter ook een eigen procedure. Deze twee procedures zijn aan elkaar gekoppeld. Op de website van Iplo is de mer-procedure weergegeven op deze pagina (link naar iplo.nl). De ingekomen zienswijzen worden beantwoord en waar van toepassing

41/257

Kenmerk

R004-1298160CNC-V02-sss-NL

verwerkt in het Omgevingsprogramma Entree of in dit MER. Dit geldt ook voor het advies van de Commissie mer. Aangegeven wordt hoe rekening gehouden is met milieugevolgen, zienswijzen en adviezen.

1.5

Partijen betrokken bij mer-procedure

In deze paragraaf worden de partijen belicht die bij de mer-procedure zijn en/of worden betrokken. Voor de ontwikkeling Entree vervult de gemeente Zoetermeer zowel de rol van Gemeentelijke initiatiefnemer (GI) als bevoegd gezag (BG). Een plan-MER mag worden voorbereid door het uitvoerende bestuursorgaan. Dit mag ook als het definitieve plan of programma wordt vastgesteld door het vertegenwoordigende bestuursorgaan. Daarvoor is geen speciaal mandaat (overdragen van bevoegdheden) nodig.1 De Commissie mer is een onafhankelijke adviescommissie die adviseert over de inhoud en kwaliteit van milieueffectrapporten. De commissie adviseert niet over de scheiding van functies binnen een gemeente, maar richt zich op de beoordeling van de milieueffectrapporten zelf. De commissie kan gevraagd worden om advies uit te brengen over de kwaliteit en de volledigheid van het milieueffectrapport, maar niet over de interne organisatie van de gemeente. Bij een plan-MER is het verplicht om de Commissie mer om advies te vragen.

1.6

Opbouw van dit MER

Dit MER is opgebouwd uit twee delen, deel A en deel B. In voorliggend deel A zijn inleidende hoofdstukken en de hoofdlijnen van de resultaten van de effectstudies opgenomen. In deel B zijn de volledige effectstudies opgenomen, inclusief het beleidskader. Per thema is er een rapport. Al deze rapporten samen vormen deel B. De delen A en B vormen samen het MER. Deel A: hoofdlijnen Hoofstuk 1 is een inleidend hoofdstuk. Hoofdstuk 2 is de projectbeschrijving en beschrijft onder andere de aanleiding van de ontwikkeling van Entree. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van de plannen waar dit MER de effecten van beschrijft: het minimumalternatief en het maximumalternatief en vier maatregelvarianten voor het geluid van rijkswegen voor het thema geluid. Hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van de effectstudies uit deel B (zie hieronder). In hoofdstuk 5 wordt het doelbereik van de gestelde ambities in het Omgevingsprogramma beoordeeld. Hoofdstuk 7 bevat leemten in kennis binnen deze milieueffectrapportage. Hoofdstuk 8 gaat in op aandachtspunten voor het vervolg. In hoofdstuk 9 is een aanzet voor een monitoringsen evaluatieprogramma opgenomen. Deel B: effectstudies Deel B van dit MER bestaat uit de rapportages van de afzonderlijke effectstudies.

Het betreft de volgende thema’s: verkeer en vervoer, geluid, luchtkwaliteit, omgevingsveiligheid, trillingen, windklimaat, bezonning, gezondheidsbevordering, recreatieve betekenis, bodem en ondergrond,

1

Plannen en programma's en de milieueffectrapportage | Informatiepunt Leefomgeving (iplo.nl)

42/257

Kenmerk

R004-1298160CNC-V02-sss-NL

water, stedelijk landschap, cultuurhistorie, archeologie, natuur, duurzaamheid en energie en tot slot klimaatadaptatie. Voor alle thema’s is een vergelijkbare onderzoeksopzet gehanteerd, waarbij achtereenvolgens zijn beschreven: • • •

Beleid en toetsingskader Huidige situatie en autonome ontwikkeling Beoordelingskader

• • •

Effectbeschrijving en -beoordeling Mitigerende en compenserende maatregelen Leemten in kennis

•

Samenvatting

2 Projectbeschrijving 2.1

Aanleiding en voorgeschiedenis

In december 2015 is door de gemeenteraad van Zoetermeer de Project aanpak Entree Zoetermeer vastgesteld. De Projectaanpak stelt ten doel om het Entreegebied van Zoetermeer aantrekkelijker te maken voor bewoners, bedrijven en bezoekers en omvat onder andere de opdracht om een gebiedsvisie op te stellen. Deze projectaanpak heeft er toe geleid dat op 3 juli 2017 de Visie Entreegebied Zoetermeer door de gemeenteraad is vastgesteld. In die visie zijn keuzes gemaakt voor de ontwikkeling van dit gebied tot een hoogwaardige en kwalitatief aantrekkelijke stadswijk, met een gemengd programma van wonen, commerciële functies en maatschappelijke voorzieningen. In 2019 heeft de gemeenteraad van Zoetermeer daartoe het Masterplan Entree vastgesteld. Dit Masterplan is uitgewerkt in het Project Uitwerkingskader (PUK) dat in februari 2021 is vastgesteld door de gemeenteraad. In navolging van het PUK is in februari 2022 een ontwerp-bestemmingsplan, inclusief PlanMER en exploitatieplan, ter inzage gelegd. Diverse ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat er in juni 2023 pas op de plaats moest worden gemaakt en het plan voor Entree moet worden herzien. Het ontwerp-bestemmingsplan moest wezenlijk aangepast worden. Dit als gevolg van: • de grote hoeveelheid zienswijzen en het voorlopig toetsingsadvies van de Commissie mer op het (ontwerp-) bestemmingsplan • •

het uitgekomen rapport over de kantoorbehoefte in Zoetermeer de gewijzigde (markt-)omstandigheden, waardoor de haalbaarheid en betaalbaarheid van de woningbouw onder druk is komen te staan

• •

en mede daardoor in Zoetermeer de woningaantallen teruglopen de brandweerkazerne niet naar Abdissenbos (West 8 Entree) verplaatst wordt en hierdoor dit deelgebied anders ingevuld moet worden, onder andere met woningen

43/257

Kenmerk

R004-1298160CNC-V02-sss-NL

Van Wro naar Omgevingswet Met het oog op de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 was de tijd te kort om deze wijzigingen nog onder het oude recht te verwerken. Hiermee is de ontwikkeling van Entree onder de Omgevingswet komen te vallen. Zowel de Omgevingsvisie Zoetermeer 2040 en het omgevingsplan zijn echter nog volop in ontwikkeling. Tegelijkertijd gaat de ontwikkeling in Entree voortvarend door en kan niet gewacht worden op de definitieve uitwerking van deze instrumenten. De gemeente zet in op het Omgevingsprogramma waarin het beleidskader voor de ontwikkeling van Entree is opgenomen. Ten grondslag aan dit Omgevingsprogramma liggen de Ontwikkelvisie Entree en het Beeldkwaliteitsplan Entree. In die twee documenten is de overkoepelende visie en ambitie uit het Masterplan Entree voor het gebied verder uitgewerkt met verwerking van de voorgenoemde wijzigingen. Het Omgevingsprogamma met beleidsregels biedt het overkoepelend toetsingskader voor de uitwerking per plot. Deze uitwerking is een verdere verrijking van het eerder vastgestelde Structuurontwerp Openbare Ruimte (SOR) Entree (2021) en het PUK Entree (2021).

Zienswijzen en advies op het ontwerpbestemmingsplan Om te zorgen voor een zorgvuldige afsluiting van de gestaakte bestemmingsplanprocedure heeft het college een voorstel gedaan voor de wijze waarop wordt omgegaan met de reeds ingediende zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan Entree-Midden en het voorlopig toetsingsadvies van de Commissie mer. Met de voorgestelde werkwijze worden de zienswijzen van indieners op het ontwerpbestemmingsplan meegenomen in het Omgevingsprogramma. De zienswijzen die op het ontwerpbestemmingsplan zijn ingediend betreffen een veelvoud aan thema’s en variëren van heel concreet tot op een wat hoger abstractieniveau. Bij het inhoudelijk werken aan het Omgevingsprogramma en dit MER zijn de zienswijzen al vooraf actief betrokken. In een separate bijlage bij het Omgevingsprogramma zijn alle zienswijzen geanonimiseerd samengevat en beantwoord. Voorgeschiedenis Plan-MER Ten behoeve van het ontwerpbestemmingsplan Entree Midden is, zoals beschreven in paragraaf 1.2.2., een plan-MER uitgevoerd. Voor dat plan-mer zijn diverse MER-onderzoeken uitgevoerd. Het gaat dan bijvoorbeeld om onderzoek naar geluid, luchtkwaliteit, stikstof, omgevingsveiligheid en ruimtelijke kwaliteit.

Vanwege de wijzigingen in het programma, ruimtelijke uitgangspunten, vergroten van het plangebied en wetswijzingen (zoals de in werking treding van de Omgevingswet) zijn deze onderzoeken opnieuw uitgevoerd en in de vorm van een MERonderzoek (verder: effectstudie) gepresenteerd.

2.2

Historie van de planvorming van Entree

Zoetermeer is een stad, groeikern, die zich de afgelopen decennia kenmerkte door de uitbreiding van met elkaar verbonden maar solitaire wijken. De ruimte en kansen voor uitbreiding zijn er nagenoeg niet meer, zeker niet in die mate waarin de groeiende vraag naar woningen

44/257

Kenmerk

R004-1298160CNC-V02-sss-NL

gefaciliteerd kan worden. Zoetermeer kiest nu voor een binnenstedelijke verdichting waarmee tegelijkertijd de verbinding tussen de naar binnengekeerde wijken versterkt kan worden. Deze verdichting ziet Zoetermeer vooral langs de hoofdstructuur van Zoetermeer plaatsvinden. Entree is daarin de eerste stap waarmee tegelijkertijd de kans ligt om de omliggende twee wijken, Driemanspolder en Meerzicht met elkaar te verbinden.

Figuur 2-3 Structuurplan Zoetermeer

Figuur 2-3 Schematische weergave

Figuur 2-3 Schematische weergave

1968

opbouw wijkontwikkeling

mogelijke binnenstedelijke

Zoetermeer (bron:gemeente

ontwikkeling rondom de

Zoetermeer)

hoofdstructuur van Zoetermeer

(conform Ruimtelijke Strategie Zoetermeer 2040) (bron: gemeente Zoetermeer)

Structuur van het plangebied Het gebied Entree ligt ingekapseld tussen een aantal bestaande wegen. De Afrikaweg doorsnijdt het gebied en vormt daarmee een duidelijke barrière tussen de twee delen. Die twee delen worden aan de buitenzijde begrensd door de Boerhaavelaan en Bredewater. Deze infrastructuur en de fysieke beperkingen die deze meebrengen vormen belangrijke structuren die ten grondslag liggen aan het concept van het stedenbouwkundig model voor Entree. Dat geldt ook voor het hoogteverschil, de Afrikaweg ligt hoger dan het omliggende gebied, wat mede bijdraagt aan de barrièrewerking, Ook de bestaande groenstructuren, en dan met name diegene gelegen aan de randen van het gebied vormen een zachte rand met de omliggende wijken, maar kennen weinig kwaliteit en nodigen niet uit toch verblijf. Het behoud, versterken en verbinden van deze randen is eveneens een belangrijke drager voor het stedenbouwkundig model. In het gebied zal een aantal gebouwen blijven staan, waaromheen ontwikkeld zal worden. Het plangebied kent daarnaast ook een versnipperd grondeigendom, met meerdere particuliere grondeigenaren. De hiervoor benoemde ‘randvoorwaarden’ definiëren de buitenste plangrens van Entree en vormen ook de dragende structuur binnen het plangebied.

Entree vanaf 2015 Het Omgevingsprogramma Entree, de Ontwikkelvisie Entree en het Beeldkwaliteitsplan Entree zijn het resultaat van een ontwerp- en ontwikkeltraject waarvan de eerste stappen al in 2015 zijn gezet. In dat jaar is de Project Aanpak Entree door de gemeenteraad vastgesteld.

45/257

Kenmerk

R004-1298160CNC-V02-sss-NL

Het kantorengebied langs de Afrikaweg wordt dan al als opgavegebied gesignaleerd en de inzet op dat moment richt zich vooral op: • Knooppunt ontwikkeling: beter benutten bestaande infra • Van een gescheiden stad naar een gemixte stad •

Gebiedskwaliteit verhogen ipv. transformatie kantoorpanden naar woningen

In 2017 is de eerste Gebiedsvisie voor Entree vastgesteld. In die gebiedsvisie is het gebied rondom de Afrikaweg als onderzoekslocatie voor het toevoegen van 3.500 woningen genoemd. Doelstelling naar aanleiding van woningmarktonderzoek van destijds waren: • De woningvoorraad in Zoetermeer moet meer diversifiëren • De moderne woonconsument wil meer kwaliteit en comfort in de woning • •

Autobezit en behoefte aan parkeerplaatsen neemt af Nabijheid van openbaar vervoer en voorzieningen worden steeds belangrijker

Deze onderzoeksresultaten duiden de zoektocht naar een meer stedelijk woonmilieu en knooppunt gericht woonmilieu, dat t.o.v. de rest van Zoetermeer onderscheidend is en doorstroming op de woningmarkt op gang kan brengen. In het kader van de gebiedsvisie is middels ontwerpend onderzoek gekomen tot drie varianten voor de stedenbouwkundige opzet van Entree. De variant met een Stadsstraat met blokken aan weerszijden, een variant met een stadsweg met vrij liggende blokken geadresseerd aan Bredewater en Boerhaavelaan en een variant met de Afrikaweg als stadstunnel.

Figuur 2-4 Varianten Afrikaweg visie Entreegebied Zoetermeer volgens Visie Afrikaweg 2017 (gemeente Zoetermeer)

Op grond van een integrale afweging is gebleken dat de stadsstraat voorkeur had. Deze variant bood de meest reële kans voor een verbetering van de ruimtelijke structuur, waarbij adressen worden gecreëerd en geluidluwe zijden achter de stadsstraat, in tegenstelling tot het model van een stadsweg met losse blokken. Hierdoor is geluidsbelasting beter te mitigeren. Uit de afweging bleek ook dat de voordelen van de Stadstunnel niet voldoende waren om de hoge investeringskosten te verantwoorden.

46/257

Kenmerk

R004-1298160CNC-V02-sss-NL

De uiteindelijke doelstellingen van de visie luidden: 1. 2.

Gebied ontwikkelen tot een groene en hoogwaardige stadswijk met een mix aan wonen en stedelijk programma Een zeer aantrekkelijk openbaar vervoersknooppunt realiseren dat als overstapmachine goed

3.

functioneert en visitekaartje van de Entree van Zoetermeer Creëren van nieuwe stadstraat met aandacht voor groen, verdichting en sociale samenhang

Figuur 2-5 Visiekaart Entree volgens Visie Afrikaweg 2017 (bron: gemeente Zoetermeer)

Het Masterplan 2019 is tot stand gekomen na een eerste verkenning van bovenstaande ambities met de markt. In deze fase vindt er verder onderzoek plaats naar de bijdrage van Entree aan de zoekopgave naar meer woningen naar aanleiding van het coalitieakkoord. Ook in dit plan is verder gestudeerd en ontworpen aan het concept van de stadsstraat met aan weerszijden woningen en

47/257

Kenmerk

R004-1298160CNC-V02-sss-NL

omzoomd met een groene kraag als prettige overgang naar omliggende wijken en parken.

Figuur 2-6 Ruimtelijk principe van de overgangen en groene verbindingen van Entree volgens het Masterplan 2019 (bron: gemeente Zoetermeer)

Daarna is, op basis van het Masterplan, Entree uitgewerkt in een Planuitwerkingskader, een Ontwerp-bestemmingsplan en een structuurontwerp Openbare Ruimte. Hierin heeft een verdiepingsslag plaatsgevonden van het concept met gesloten bouwblokken en is afgestemd op de grondeigendommen (perceelsgrenzen) van de eigenaren in het gebied. Hier is ook de pandsgewijze opbouw van de blokken in Entree geïntroduceerd. In dit stadium vond de ontsluiting van de stedelijke blokken deels plaats via ventwegen die parallel aan de Afrikaweg zijn gelegen. In 2022 – 2023 is onderzocht of een landtunnel over de Afrikaweg tot de mogelijkheden behoort. Uit het onderzoek blijkt dat het effect daarvan positief is, zoals het verminderen van fijnstof en geluidsoverlast. Ook wordt de oversteekbaarheid van de Afrikaweg veiliger en aantrekkelijker. En verbetert het wooncomfort vanuit de nieuwe woningen door zicht op een groene parkachtige omgeving, in plaats van op een weg. Bij een overkapping met een hoogte van 7,5 meter ontstaat een visuele barrière, met name bezien vanuit de plinten, en is mogelijk sprake van meer schaduwwerking. Deze factoren spelen mee in de afzetbaarheid van het vastgoed. Een halfverdiepte overkapping, met een lagere hoogte van 4 meter, was wat dat betreft gunstiger en heeft een minder negatief effect op de plinten.

Deze variant biedt ook de mogelijkheid tot het maken van een aantrekkelijk dakpark. Uit het onderzoek blijkt ook dat een landtunnel, in beide vormen, negatieve effecten heeft op de financiële haalbaarheid. Het college heeft destijds dan ook besloten dat met een (half verdiepte) landtunnel een aantrekkelijk perspectief wordt geboden, maar dat de geraamde kosten niet opwegen tegen de voordelen. Het Ontwerp-bestemmingsplan heeft in 2022 ter inzage gelegen. Zoals in paragraaf 2.1 al is aangegeven, waren er verschillende redenen om de planvorming voor Entree ter herzien en

48/257

Kenmerk

R004-1298160CNC-V02-sss-NL

integraal te verdiepen. Met die herziening ontstond ook de kans om meer verblijfskwaliteit aan de Stadsstraat toe te voegen, de verbinding met de wijken Meerzicht en Driemanspolder nadrukkelijker mee te nemen en versnippering van groen en ecologische structuren te voorkomen. Belangrijk bij de herziening was het besluit van de gemeenteraad van 8 juli 2024 over de bandbreedten van het te realiseren programma in Entree. Bij dit besluit is ook bevestigd dat het gebied is vergroot ten opzichte van de eerdere plannen door het toevoegen van West 8. In de totstandkoming van het stedenbouwkundig model uit de Ontwikkelvisie Entree is ook onderzocht hoe er meer verblijfskwaliteit aan de openbare ruime kan worden toegevoegd. Op de Afrikaweg is de keuze gemaakt om de ventwegen uit het concept te halen, ten faveure van groen en verblijfsgebied. Dit betekent dat de dwarsstraten autovrij konden worden gemaakt, waardoor tezamen met de voordeuren in deze dwarsstraten de mogelijkheden tot verblijven op straat en ontmoeting tussen bewoners ten goede zal komen. In lijn met de opzet van het concept uit Planuitwerkingskader is ook in het huidige stedenbouwkundige model gekozen voor gesloten bouwblokken.

Deze stedenbouwkundige opzet is in het concept van Entree, met wonen en een voorzieningenplint ter weerszijden van de Afrikaweg, de meest passende opzet gezien geluidssituatie en de haalbaarheid van de ontwikkeling. Er wordt in die gesloten bouwblokken gestreefd naar maximale differentiatie (bijvoorbeeld in hoogte en verschijningsvorm) en met verschillende woonmilieus met elk hun eigen kwaliteiten. De totstandkoming van het stedenbouwkundig model heeft een zorgvuldige verfijning doorlopen. Hierbij is op meerdere facetten (leefkwaliteit, geluid, openbare ruimte, duurzaamheid, verkeer, kosten en bebouwing) onderzocht op welke wijze het stedenbouwkundig model tot de meest integrale keuze leidt. Ook sec qua akoestiek ziet gemeente Zoetermeer dat dit model met gesloten bouwblokken de meeste voordelen oplevert.

Figuur 2-7 Principes van het stedelijk blok volgens de Ontwikkelvisie Entree 2025 (bron: gemeente Zoetermeer)

49/257

Kenmerk

2.3

R004-1298160CNC-V02-sss-NL

Omgevingsprogramma Entree

Zoetermeer groeit en werkt zelfbewust aan een nieuwe schaalsprong: van groeikern naar volwassen stad, en de gebiedstransformatie Entree is daar onderdeel van. Zoetermeer heeft de ambitie om met Entree een levendige stadswijk te maken. Een levendige stadswijk waarbij gezondheid, duurzame mobiliteit en toekomstbestendigheid belangrijke waarden zijn. Dit kan alleen worden bereikt met een gebiedsgerichte integrale aanpak. De gemeente werkt tegelijkertijd parallel aan de verder ontwikkeling/uitwerking van zowel de omgevingsvisie als het omgevingsplan. Vooruitlopend op de vaststelling van de omgevingsvisie vindt inhoudelijke afstemming plaats op de (uitwerking) van de visie en ambitie van het Masterplan, zodat zowel op plangebied als Zoetermeer breed dit in overeenstemming is met elkaar. Nadat het Omgevingsprogramma Entree is vastgesteld, zal het te zijner tijd opgenomen worden in het omgevingsplan. Het Omgevingsprogramma is een vrijwillig programma. De inhoud van een vrijwillig Omgevingsprogramma is vormvrij. Dat wil zeggen dat de Omgevingswet weinig eisen aan de opzet en inhoud van een programma stelt. De gemeente zet het Omgevingsprogramma in om sturing te geven aan de ontwikkelingen in Entree. Het betreft dus een gebiedsprogramma. De ambities, zoals vastgesteld in het Masterplan Entree uit 2019, vormen de basis.

Deze basis is nader uitgewerkt in verschillende beleidsstukken zoals de Ontwikkelvisie Entree en het Beeldkwaliteitsplan Entree. Hieronder is een visuele weergave opgenomen van het Omgevingsprogramma.

Figuur 2-8 Visuele weergave van het Omgevingsprogramma

Het Omgevingsprogramma beschrijft de overkoepelende beleidsambities uit deze document en een vertaling daarvan in beleidsregels. Het Omgevingsprogramma en de beleidsregels vormen het kader voor de ontwikkeling van Entree en worden toegepast bij de vergunningverlening per plot en bieden daarmee de handvaten om de leefomgeving te beschermen, te beheren, te gebruiken en te ontwikkelen. De beleidsstukken die aan dit Omgevingsprogramma Entree ten grondslag liggen worden na vaststelling door de gemeenteraad als een integrale bijlage aan het

50/257

Kenmerk

R004-1298160CNC-V02-sss-NL

Omgevingsprogramma toegevoegd. In paragraaf 2.2.1 worden de hoofdzaken benoemd en kort toegelicht. Wilt u meer (achtergrond) informatie of nadere duiding kunt u dit vinden in het Omgevingsprogramma en de bijlagen.

Figuur 2-9 Stedenbouwkundig model

2.3.1

Ontwikkelvisie

De eerste ambities voor Entree liggen in het in februari 2019 vastgestelde Masterplan Entree. Dit biedt de basis voor de ontwikkeling van Entree als levendige stadswijk. Het geeft de belangrijkste indicatie van de beoogde ontwikkeling weer, met de nodige ambitie. Het beschrijft op hoofdlijnen de identiteit van Entree in een 5-tal eigenschappen: Uitnodigend, Actief, Verbindend, Vernieuwend en Gezond. Deze eigenschappen zijn ambitieus te noemen, zodat voor het bereiken ervan op een lange termijn wordt gerekend. Ze moeten bovendien niet ieder op zichzelf worden beschouwd maar juist in hun onderlinge samenhang. In de Ontwikkelvisie worden ze integraal opgepakt en uitgewerkt. Het uiteenrafelen in aparte essenties, doelen of principes is bedoeld om effectief te kunnen toetsen of uitgewerkte plannen voldoen aan de bedoelingen van het integrale plan en zo bijdragen aan de kwaliteit. Ze impliceren ook een aantal gebiedsoverstijgende keuzes die niet op het schaalniveau van Entree, maar op stadsniveau moeten worden gemaakt. De ontwikkeling van Entree zal dan ook adaptief zijn, dat wil zeggen dat er met de kennis van nu wordt ontworpen en ontwikkeld, maar dat toekomstige ontwikkelingen in de transitie op stadsniveau kunnen worden gefaciliteerd.

51/257

Kenmerk

R004-1298160CNC-V02-sss-NL

De vijf doelstellingen vormen een verdere uitwerking van de 5 eigenschappen uit het Masterplan: 1.

2.

Minder Woningnood: Entree betekent een substantiële afname van het tekort aan woningen binnen Zoetermeer. Dit geldt in kwantitatieve zin, maar ook in kwalitatieve zin. Entree richt zich op woonmilieus die nog niet in Zoetermeer zijn gerealiseerd waardoor er zowel door de huidige bewoners wooncarrière kan worden gemaakt als dat er nieuwe doelgroepen worden aangetrokken. Toekomstbestendige leefomgeving: Entree zal een toekomstbestendige en gezonde leefomgeving worden. Deze doelstelling vergt een grote inspanning, vooral op het gebied van mobiliteit. Tevens vraagt een gebied met een hoge dichtheid inventieve oplossingen met dubbel ruimtegebruik om ze ook toekomstbestendig te laten zijn.

3.

Gezonde leefomgeving: Om een gezonde wijk te worden zal er in Entree duurzaam worden gebouwd. Dat geldt ook voor de inrichting van de buitenruimte, waarin groen een hoofdrol speelt, gelet wordt op de bodemkwaliteit en de biodiversiteit wordt gestimuleerd. Ook het stimuleren van beweging hoort daarbij en het faciliteren van ontmoeting tussen mensen, zowel door voorzieningen in de openbare ruimte als in gebouwen (zie ook ‘Actief’ en ‘Verbindend”- de doelstellingen zijn met elkaar verweven.)

4.

5.

Sociale cohesie: Met Entree wordt door flexibele ruimtelijke oplossingen, een slimme programmering en een hoogwaardige openbare ruimte ingespeeld op de condities om op vele manieren de sociale samenhang te stimuleren. Dit niet alleen binnen de wijk, maar ook tussen de omliggende wijken. Netwerk openbare ruimte t.b.v. ontmoeting, ruimte voor maatschappelijke voorzieningen Stimuleren lokale economie: Naast de woningbouwopgave voor Entree is het stimuleren van de lokale economie en het creëren van extra arbeidsplaatsen een speerpunt. Dit houdt in:

52/257

Kenmerk

R004-1298160CNC-V02-sss-NL

lokale ondernemers voorzien van betaalbare werkruimte en maatschappelijke voorzieningen aantrekkelijke locaties aan te bieden. Door buurtinitiatieven te stimuleren door bijvoorbeeld tijdelijk gebruik van grond of ruimte in een gebouw mogelijk te maken wordt de lokale sociale structuur versterkt en bijgedragen aan de lokale economie en weerbaarheid van de samenleving. Dat vraagt dus niet enkel lokaal besteden, maar vooral lokaal kunnen ondernemen. Hiertoe behoren ook het ruimte geven aan buurtinitiatieven Gebiedsgerichte integrale aanpak De ambitie om van Entree een levendige stadswijk te maken waarin gezondheid, duurzame mobiliteit en toekomstbestendigheid belangrijke waarden zijn, kan alleen worden bereikt met een gebiedsgerichte integrale aanpak. Maar in een langdurige gebiedsontwikkeling van deze omvang is het ook van belang om duidelijkheid te bieden door een helder kader. Dit kader moet robuust zijn om de kwaliteit ook langjarig te borgen, maar voldoende flexibel om toekomstvast te zijn. De belangrijkste kaders (de minimale basis) zijn vastgeklikt door hier beleidsregels voor te formuleren. Deze vormen samen met de uitvoerig beschreven doelen, essenties en uitwerkingen in principes in de Ontwikkelvisie een solide basis. Tegelijkertijd blijft maatwerk mogelijk. Niet alles is in detail vastgelegd in de beleidsregels.

Dit is een bewuste keuze en geeft flexibiliteit op verschillende thema’s die aankomende jaren nog volop in ontwikkeling zullen zijn (zoals duurzaamheid, maar ook de programmatische invulling van het gebied). Ook is afwijking van de beleidsregels mogelijk. De kaders waarbinnen dit mogelijk is, zijn of al uitgewerkt in de Ontwikkelvisie of moeten – als dat niet zo is – per geval gemotiveerd worden. Uitgangspunt is en blijft dat afwijking uitsluitend mogelijk is als dit passend is bij de doelstelling van Entree zoals hiervoor beschreven. De Ontwikkelvisie stelt als doel het realiseren van een levendige, duurzame en gezonde stadswijk die kwaliteit en aantrekkelijkheid toevoegt aan Zoetermeer. De ambities van het Masterplan Entree zijn in de Ontwikkelvisie uitgewerkt en vertaald in concrete stedenbouwkundige en programmatische ontwikkelkaders en ontwerpprincipes en vormen een toetsingskader voor de uitwerking van toekomstige ontwikkelingen op bouwplan- en plotniveau. De Ontwikkelvisie gaat uit van de volgende hoofdprincipes: •

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zoetermeer&id=03a86a84-c61f-43b2-8b53-8dc3a2fb10d6