Bijlage 3 - Bestemmingsplan, toelichting
Tekst van het document
Het ontsluiten van (een deel van) de nieuwe ontwikkeling via een aansluiting op het wegvak tussen de rotonde en het kruispunt (aan de smalle zijden van het plangebied) is vanwege de korte lengte van circa 30 meter niet verkeersveilig. Een (erf)aansluiting op het korte wegvak zo dicht bij de rotonde kan in voorkomende gevallen leiden tot terugslag tot op de rotonde, waardoor de doorstroming op de gebiedsontsluitingswegen kan stagneren. Zo dicht op de rotonde zijn verstoringen als gevolg van aansluitingen met uitwisseling van verkeer niet wenselijk. Dit kan leiden tot onverwachte reacties die een risico zijn voor de verkeersveiligheid. De uitwisseling van verkeer (tussen gebiedsontsluitingswegen en erftoegangswegen) vindt nu plaats op rotondes. Een rotonde is de meest verkeersveilige kruispuntoplossing, omdat de snelheid van het verkeer op de rotonde laag ligt. De Hagesteinstraat en Puttershoekstraat hebben een rijbaanbreedte van ruim 5 meter en zijn daarmee prima geschikt voor personenauto- en fietsverkeer in beide rijrichtingen. Voor dit soort woonstraten (erftoegangswegen) wordt normaliter in de uitgangspunten van Duurzaam Veilig Verkeer een maximumaantal van 5.000 tot 6.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal aangehouden.
De Hagesteinstraat en Puttershoekstraat zijn met een rijbaanbreedte van iets meer dan 5 meter breder dan het minimumprofiel (4,80 meter, CROW) maar minder breed dan het ideale profiel (5,50 meter, Handboek Openbare Ruimte gemeente Zoetermeer; of 5,80 meter, CROW). De Hagesteinstraat en Puttershoekstraat zijn daarom minder geschikt om het maximumaantal voertuigbewegingen van 5.000 tot 6.000 te verwerken. Vanwege het iets smallere profiel moet een ideale bovengrens van 4.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal worden aangehouden. Op basis van het verkeersmodel (V-MRDH 2.8, zie onderstaande uitsnede) verwerkt de Hagesteinstraat op het drukste gedeelte nu circa 3.000 motorvoertuigenbewegingen per etmaal. Op de overige gedeelten verwerken beide straten veel minder verkeer. Procentueel zal Hugo de Grootlaan / Aletta Jacobslaan Oosterheem versie vastgesteld 27/55
de toename op de rustige wegvakken het grootst zijn, maar ver onder de 4.000 motorvoertuigen per etmaal blijven. Het drukste deel van de Hagesteinstraat krijgt wel wat verkeer, maar relatief gezien niet zoveel dat dit tot problemen leidt (en het blijft ruim onder de 4.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal). Het verkeer rijdt primair van/naar de gebiedsontsluitingswegen en dus niet in grote aantallen verder de woonbuurt in.
Afbeelding 4.7: Verkeersmodel V-MRDH 2.8. In het akoestisch onderzoek is daarnaast een beschouwing gemaakt van een eventuele toename van de geluidsbelasting op bestaande woningen door de gekozen ontsluitingsvariant. Dat blijkt niet het geval, zie hiervoor hoofdstuk 5.2. Autoparkeren De voorgenomen ontwikkeling brengt ook een parkeerbehoefte met zich mee. In de regels van dit bestemmingsplan (artikel 11.1) is middels een voorwaardelijke verplichting vastgelegd dat een omgevingsvergunning uitsluitend kan worden verleend indien op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, conform de normering zoals opgenomen in de 'Nota Parkeernormen en uitvoeringsregels' (2019), of diens rechtsopvolger(s). Het plangebied ligt grotendeels in de parkeernormzone C, een gedeelte aan de oostzijde valt binnen zone B. Verder wordt in de Nota parkeernormen bij de functie woningen uitgegaan van een minimumnorm, gedifferentieerd naar verschillende woningtypen. In bijlage 2 is de parkeerbalans voor de voorgenomen ontwikkeling opgenomen. Bij deze parkeerbalans is per deelgebied beoordeeld of sprake is van een sluitend geheel per deelgebied. Uit deze parkeerberekening blijkt dat per deelgebied een sluitende parkeerbalans bestaat. Daarmee wordt voorzien in het benodigde aantal parkeerplaatsen op grond van de 'Nota Parkeernormen en uitvoeringsregels (2019)'.
Onderstaande parkeerbalans is een samenvatting van de inrichtingstekening. Hieruit kan worden opgemaakt dat voor ieder deelgebied ruimschoots wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen.
Hugo de Grootlaan / Aletta Jacobslaan Oosterheem versie vastgesteld 28/55
Deelgebied
P vereist (privé)
P vereist (openbaar)
P voorzien (privé)
P voorzien (openbaar)
Saldo – Voldoet?
Hekendorp- en Heicopstraat
32,2
6,9
47
9
+ 16,9 Ja
Heicop- en Hazerswoudestraat
47,8
13,8
54
15
+ 7,4 Ja
Nieuwland- en Peursumstraat
47,8
13,8
55
16
+ 9,4 Ja
Peursum- en Poortugaalstraat
52,8
10,2
82
17
+ 26 Ja
Tabel 4.3: Samenvatting park eerbalans per deelgebied.
Compensatie bestaande park eerplaatsen Zoals gebleken uit voorgaande conclusie voorziet het nieuwe plan, dat door deze bestemmingswijziging mogelijk wordt gemaakt, in zijn eigen parkeerbehoefte. Het plan heeft daarmee geen gevolgen voor de huidige parkeersituatie. Aan de zuidoostkant van het gebied dienen 10 bestaande openbare parkeerplaatsen verwijderd te worden in verband met de aanleg van nieuwe inritten en ondergrondse afvalcontainers. In verband hiermee is door middel van parkeertellingen de parkeerdruk onderzocht (zie hiervoor bijlage 3). Tijdens de parkeertellingen zijn alle geparkeerde voertuigen, ook fout geparkeerde voertuigen, geteld en gedeeld door het daadwerkelijk (formeel) aantal aanwezige parkeerplaatsen. De parkeertellingen zijn uitgevoerd in oktober 2018, september 2019 en mei 2021. De gegevens uit mei 2021 gaven mogelijk een vertekend beeld (vanwege de coronapandemie), waardoor ook eind september 2021 nogmaals een parkeertelling is uitgevoerd. De parkeerdruk in oktober 2018 en september 2019 was hoger dan in mei en september 2021, waardoor de situatie uit oktober 2018 en september 2019 als maatgevend wordt beschouwd. In het bouwplan en de bijbehorende parkeerbalans is op basis van de gehanteerde parkeernota een overschot van 7 parkeerplaatsen (afgerond) aan de Puttershoekstraat voorzien (openbaar parkeren).
Van de 10 vervallen parkeerplaatsen kunnen er op basis van de parkeertellingen 8 parkeerplaatsen vervallen om nog steeds onder een bezettingsgraad van 85% te blijven en hoeven er slechts 2 parkeerplaatsen gecompenseerd te worden. In werkelijkheid worden er ten opzichte van de 10 die vervallen 7 gecompenseerd, aangezien dat het overschot aan openbare parkeerplaatsen betreft dat in het plan wordt gerealiseerd. Er wordt dus enerzijds op basis van het woningbouwprogramma voldaan aan het benodigde aantal bezoekersparkeerplaatsen, en anderzijds vervallen er per saldo dus nog slechts 3 openbare parkeerplaatsen (ten opzichte van de voorgaande situatie). Op eigen terrein is op basis van de parkeernorm een nog ruimer overschot aan privé parkeerplaatsen aanwezig. Er is daarom geen parkeeroverlast te verwachten vanuit de bewoners van het bouwplan. Uit het parkeeronderzoek is gebleken dat de bezettingsgraad circa 80% bedraagt. De ontwikkeling valt overeenkomstig de Nota Parkeerbeleid 2019 binnen het beleidsgebied IV (woonwijken). Voor dit gebied is beoogd dat de parkeerdruk niet boven de 85% uit mag komen wanneer openbare parkeerplaatsen verdwijnen als gevolg van een planontwikkeling. Dit is bedoeld om zo de leefbaarheid en bereikbaarheid te borgen.
Na planrealisatie blijft de bezettingsgraad, met 3 openbare parkeerplaatsen minder, nog steeds ruim onder de 85%, waarmee wordt voldaan aan het Nota Parkeerbeleid Zoetermeer 2019.
Hugo de Grootlaan / Aletta Jacobslaan Oosterheem versie vastgesteld 29/55
Fietsparkeren Naast een behoefte van autoparkeerplekken ontstaat ook behoefte aan fietsparkeerplekken. In de 'Nota Parkeernormen en uitvoeringsregels' is bepaald hoeveel plekken beschikbaar moeten zijn. Hoewel niet juridisch afdwingbaar aangezien het Bouwbesluit leidend is, is in het kader van goede ruimtelijke ordening toch voldaan aan de eisen uit het parkeerbeleid. De eengezinswoningen hebben in de achtertuin een berging met daarin het benodigd aantal stallingsplekken. In de voortuin is voorzien in de bezoekersplek(ken). Bij de appartementen is op de begane grond voor ieder appartement een ruime berging waarmee voorzien wordt in de benodigde fietsparkeerplekken. Voor het bezoekersdeel wordt nabij de entree van het gebouw een voorziening getroffen.
Hugo de Grootlaan / Aletta Jacobslaan Oosterheem versie vastgesteld 30/55
Hoofdstuk 5 5.1
M ilieu en leefkwaliteit
Strategische milieu-beoordeling
Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage oftewel m.e.r. ontwikkeld. De m.e.r.-beoordeling is een instrument met als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De voorgenomen ontwikkeling is opgenomen in eerste kolom van de zogenaamde D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage. De ontwikkeling van 166 woningen kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject, maar blijft ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. Dit neemt niet weg dat in dit geval een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Dit dient plaats te vinden aan de hand van drie criteria: Kenmerken van het project; Plaats van het project; Kenmerken van het potentiële effect. In het kader van de voorliggende ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld waarin de verschillende milieuaspecten zijn afgewogen. Deze notitie is te raadplegen in bijlage 4. Uit deze notitie blijkt dat sprake is van nadelige milieueffecten. Deze effecten zijn weloverwogen beoordeeld en waar compensatie gevraagd is, zal worden gecompenseerd. Maatregelen zullen worden doorgevoerd om deze effecten te beperken.
Er kan geconcludeerd worden dat nadelige effecten te reguleren zijn en dat een m.e.r.-beoordeling in deze niet noodzakelijk is. In dit hoofdstuk zijn daarnaast diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Per aspect is bepaald of de ontwikkeling gevolgen heeft voor de (milieu)aspecten bedrijven- en milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bodemgeschiktheid, flora en fauna, water, archeologie, cultuurhistorie, verkeer en parkeren.
5.2
Geluidhinder
5.2.1
Kader
De Wet geluidhinder, en het hierop gebaseerde Besluit geluidhinder, bevatten normen en regels ter voorkoming of beperking van geluidhinder ten gevolge van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai, industrielawaai afkomstig van een gezoneerd industrieterrein. Aangegeven wordt welke objecten bescherming genieten tegen geluid. Naast woningen gaat het onder meer om scholen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, psychiatrische ziekenhuizen. Woonwagenstandplaatsen en verblijfsterreinen bij psychiatrische ziekenhuizen worden aangemerkt als geluidsgevoelige terrein. 5.2.2
Onderzoek
De nieuwe woningen zijn gelegen binnen de zone van de route Hugo de Grootlaan / Aletta Jacobslaan / Thomas Morelaan, de Willem Dreeslaan en de Randstadrail. Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) moet daarom akoestisch onderzoek worden uitgevoerd naar de aspecten wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai. Door KuiperCompagnons is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is te raadplegen als bijlage 5 bij de toelichting. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is eveneens onderzoek gedaan naar de omliggende 30 km/uur wegen. Dit betreft de Hagesteinstraat, de Puttershoekstraat, de Hekendorpstraat, de Heicopstraat, de Hazerswoudestraat, de Peursumstraat, de Poortugaalstraat, de Benthuizenstraat, de Ammerstolstraat, de Aarlanderveenstraat, de Absrechtstraat, de Schiebroekstraat, de Schuddebeursstraat en het Oosterheemplein. Als laatste is in dit onderzoek ook in beeld gebracht welk akoestisch effect de planontwikkeling Hugo de Grootlaan / Aletta Jacobslaan Oosterheem versie vastgesteld 31/55
heeft op de bestaande woningen ten noordoosten van het plan. Het plangebied is niet gelegen in een onderzoekszone van een gezoneerd industrieterrein. Rek enresultaten Uit het onderzoek blijkt dat het verkeer op de route Hugo de Grootlaan / Aletta Jacobslaan / Thomas Morelaan tot een overschrijding leidt van de voorkeursgrenswaarde. De maximaal berekende waarde bedraagt 62 dB. De maximale hogere waarde van 63 dB wordt niet overschreden. Het verkeer op de Willem Dreeslaan veroorzaakt geen geluidsbelasting boven de voorkeursgrenswaarde. Vanuit een goede ruimtelijke ordening is er ook onderzoek gedaan naar de omliggende 30 km wegen. Het verkeer op deze wegen leidt tot een maximale geluidsbelasting van 49 dB. Het railverkeer veroorzaakt op de woningen langs deze spoorlijn een geluidsbelasting van maximaal 50 dB. De maximale hogere waarde van 63 dB wordt niet overschreden, uitgaande van toetsing als wegverkeerslawaai zoals dit gedeelte van het traject van de Randstadrail beschouwd moet worden. De cumulatieve geluidsbelasting wordt in hoofdzaak bepaald door het wegverkeer en bedraagt maximaal 67 dB langs de Aletta Jacobslaan. Deze hoge geluidbelasting wordt gecompenseerd doordat alle grondgebonden woningen in het plan beschikken over een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte.
Voor de woningen in de appartementengebouwen waarbij een geluidbelasting berekend is hoger dan 53 dB voor wegverkeerslawaai, worden bouwkundige maatregelen getroffen om een geluidluwe buitenruimte te kunnen realiseren. Hierdoor kan worden gesteld dat voor alle in het plan opgenomen woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Akoestisch effect bestaande bebouwing Voor beide geluidssoorten weg- en railverkeerslawaai blijkt dat de planontwikkeling ter plaatse van de bestaande woningen ten noordoosten van het bestemmingsplan 'H. de Grootlaan - A. Jacobslaan' leidt tot een afname van de geluidsbelasting op de bestaande woningen ten noordoosten van het plan. Voor wegverkeerslawaai varieert deze afname van 1 tot 3 dB en voor railverkeerslawaai van 1 tot 4 dB. Ter plaatse van de bestaande woningen ten zuidwesten van het bestemmingsplan 'H. de Grootlaan - A. Jacobslaan' leidt de planontwikkeling voor wegverkeerslawaai tot een toename van maximaal 1,0 dB voor wegverkeerslawaai ter plaatse van de bestaande woningen ten zuidwesten van de Hugo de Grootlaan. Voor railverkeerslawaai is sprake van een zeer geringe verandering van 0,1 dB van de geluidsbelasting door de reflecties van het geluid in de nieuwe woonbebouwing.
Omdat op geen van de bestaande woningen sprake is van een significante hoorbare toename van de geluidsbelasting van 1,5 dB of meer leidt het aspect geluid niet tot een significante verandering van het woon- en leefklimaat bij de bestaande woningen aan weerszijden van het plan. Maatregelen Bron- en overdrachtsmaatregelen in de vorm van bijvoorbeeld een stiller wegdek of een scherm zijn in deze stedelijke situatie vanuit stedenbouwkundig en verkeerskundig oogpunt niet mogelijk. Zonder maatregelen voldoet het plan niet aan de voorwaarden uit het hogere waarden beleid van gemeente Zoetermeer. Zonder scherm is bij een aantal woningen geen sprake van een geluidluwe buitenruimte. Uit het onderzoek blijkt dat een scherm van 2 m hoog op de in bijlage 5 van het akoestisch onderzoek, derde en vierde afbeelding aangeduide plaatsen tussen de grondgeboden woningen langs de Hugo de Grootlaan en de Aletta Jacobslaan er toe leidt dat alle grondgebonden woningen een geluidsluwe buitenruimte hebben. De massa van dit scherm moet minimaal 10 kg/m2 zijn. Voor de 24 grondgebonden woningen haaks op de Hugo de Grootlaan / Aletta Jacobslaan wordt aan de achterzijde van de woning een uitbouw van circa 2 bij 2 meter gerealiseerd. Hugo de Grootlaan / Aletta Jacobslaan Oosterheem versie vastgesteld 32/55
Deze uitbouw is over alle drie de verdiepingen en zorgt ervoor dat de geluidsbelasting op het afgeschermde geveldeel (noordoost) wordt gereduceerd tot onder de voorkeursgrenswaarde. De appartementen langs de Hugo de Grootlaan en de Aletta Jacobslaan hebben vanuit wegverkeerslawaai bezien geen geluidsluwe gevel en buitenruimte. De appartementen met een geluidsbelasting hoger dan 53 dB worden voorzien van een afgeschermde buitenruimte. Deze maatregel leidt er toe dat achter het balkonscherm een geluidluw geveldeel en een geluidsluwe buitenruimte ontstaat. In deze buitenruimte moet sprake zijn van 'buitenlucht'. Dit is het geval als er een permanente ventilatievoorziening aanwezig is, die tenminste een factor 5 groter is dan de volgens het Bouwbesluit benodigde voorzieningen in de inwendige scheidingsconstructie waartegen de loggia staat. De permanente ventilatievoorziening van de loggia dient daarnaast ten minste een capaciteit te hebben van 3,0 liter per seconde per m2 loggia oppervlak. Omdat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden moet in het kader van het bestemmingsplan een hogere waarde worden vastgesteld voor weg- en railverkeerslawaai. Bij de ter inzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan is gelijktijdig een ontwerpbesluit hogere waarden ter inzage gelegd. Tegen dit besluit zijn geen zienswijzen ingediend.
Bij de vaststelling van het bestemmingsplan wordt gelijktijdig het hogere waardenbesluit vastgesteld. Het hogere waardenbesluit is opgenomen is opgenomen in bijlage 12. 5.2.3
Conclusie
Uit onderzoek is gebleken dat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, en een hogerewaardenbesluit moet worden genomen. Met het treffen van verschillende maatregelen kan worden voldaan aan het hogere waardenbeleid van de gemeente Zoetermeer.
5.3
Trillingshinder
5.3.1
Kader
Voor trillingshinder bestaan geen wettelijke normen. Wel kan trillingshinder een rol spelen bij de vraag of met de ontwikkeling van het project, sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Een hulpmiddel hierbij is de SBR-richtlijn "Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen". Deze richtlijn bestaat uit drie delen: Deel A, Schade aan gebouwen; Deel B, Hinder voor personen in gebouwen; Deel C, Storing aan apparatuur. Deze richtlijn sluit grotendeels aan bij internationale richtlijnen, waarbij veel aandacht wordt besteed aan het meten van trillingen. Over het algemeen wordt dan ook verwezen naar deze richtlijn wanneer een trillingsonderzoek is voorgeschreven en uitgevoerd. Naast aandacht voor de meting van trilling bevat de richtlijn ook een beoordelingssystematiek. De richtlijnen hebben alleen betrekking op trillingen die van buiten het te beoordelen gebouw komen. Dat houdt in dat het gaat om trillingen die via de ondergrond en de funderingen het gebouw bereiken. Bij deel B (hinder voor personen in gebouwen) worden de trillingen gemeten op vloeren, omdat daar de hinder optreedt. Trillingshinder wordt beoordeeld aan de hand van het maximale trillingsniveau en het gemiddeld trillingsniveau. Dit is vergelijkbaar met het maximale geluidsniveau en het langtijdgemiddeld geluidsniveau bij de beoordeling van geluid.
Voor een aantal typen trillingen en verschillende gebouwfuncties (wonen, onderwijs e.d.) staan in de richtlijn grens- en streefwaarden. Voor schade aan gebouwen zijn grenswaarden opgenomen. Overschrijding van deze waarden wordt beoordeeld als een onacceptabele kans op schade.
Hugo de Grootlaan / Aletta Jacobslaan Oosterheem versie vastgesteld 33/55
5.3.2
Onderzoek
Ten zuiden van het plangebied ligt een spoorviaduct, het Oosterheemtracé van de Randstadrail. De minimale afstand van de nieuw te realiseren woningen tot aan de pylonen van het spoorviaduct bedraagt 40 meter. In de directe omgeving zijn in de bestaande situatie reeds woningen gelegen op een kleinere afstand, circa 30 meter, dan de toekomstige woningen. De Randstadrail is ter hoogte van het plangebied daarnaast volledig op hoogte gerealiseerd (een spoorviaduct bestaande uit een trogligger gedragen door enkelvoudige pylonen). Er bestaat daardoor geen direct contact tussen de constructie van de rails en de gronden waarop de woningen zijn voorzien. Hierdoor zal de hinder, gevormd door trillingen, beperkt zijn. Desondanks is in het kader van een goede ruimtelijke ordening een quick scan trillingen uitgevoerd door DGMR. Deze quick scan is opgenomen in bijlage 6. Hierin is op basis van de planinvulling, bodemgesteldheid, spooruitvoering en het type vervoer een inschatting gemaakt van de trillingsrisico's van het plan. Trillingsonderzoeken in het kader van spoortrillingen worden sinds juli 2019 uitgevoerd in overeenstemming met de 'Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen' van het Ministerie van I&W. Deze handreiking kent twee typen van onderzoek: een Quick scan trillingen en een vervolgonderzoek.
Een quick scan betreft een eerste verkenning van de risico's van een project en is een passend instrument in de planfase. In een quick scan wordt op basis van de planinvulling, de bodemgesteldheid, de spooruitvoering en het type vervoer een inschatting gemaakt van de trillingsrisico's van het plan. Als hieruit een trillingsrisico blijkt, dan volgt in de regel een vervolgonderzoek om het risico nader in beeld te brengen en zo nodig maatregelen te bepalen. De overeenkomstig de 'Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen' uitgevoerde Quick scan trillingen leidt tot de verwachting dat er op de locatie van het plangebied een verwaarloosbaar risico is met betrekking tot trillingen afkomstig van het Randstadrail spoorviaduct. Verwacht mag worden dat trillingen van dit spoorviaduct zelfs worden overstemd door trillingen van vrachtverkeer op de Hugo de Grootlaan en Aletta Jacobslaan en nauwelijks waarneembaar zijn. De voorziene bebouwing is qua constructie conventioneel en heeft ook geen sterk trillingsverhogende kenmerken die de situatie in een ander licht plaatsen en nader onderzoek zouden vergen. Volgens paragraaf 5.2 van de handreiking kan een vervolgonderzoek trillingen daarmee achterwege blijven. De verwachting is daarmee dat trillingen afkomstig van het spoor ruim voldoen aan de streefwaarden uit de SBR-B ten aanzien van trillingen.
Naast trillingen van de RandstadRail op de woningen, kunnen ook tijdens de bouw van de woningen trillingen ontstaan met een negatief effect op de RandstadRail. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is onderzocht of de bouw van de woningen leidt tot relevante trillingen op het Oosterheemviaduct waarover de RandstadRail rijdt. Het prognosticeren van trillingen op het Oosterheemviaduct is complex, gezien de rubberen blokken tussen dragende pylonen en het dek. Voor het prognosticeren van de trillingen op het fundament, ofwel de pylonen, kan aansluitingen gezocht worden in de SBR trillingsrichtlijn SBR-A “Schade aan gebouwen” en de daarin gegeven grenswaarden betonconstructies. De SBR-A gaat daarin uit van een overschrijdingskans van de grenswaarden van 1%. Voor de prognose van trillingen is gebruikt gemaakt van de prognosemethode voor heitrillingen in de CUR 95-2 “ Prognosemodel trillingshinder”. In de bijlage van het trillingsonderzoek (bijlage 6) is een trillingsprognose opgenomen. Uit de trillingsprognose blijkt dat op een afstand van meer dan 10 meter het schaderisico voor gewapende betonconstructies al is gedaald tot onder de 1%. De afstand van de pylonen tot enig heiwerk is echter nergens lager dan 40 meter. De heiprognose geeft op deze afstand een verwachte trillingssterkte van 0,9 mm/s aan met een bovengrens van 2,5 mm/s op fundatieniveau.
De SBR-A geeft als grenswaarden voor betonconstructies een trillingssterkte (Vtop) van 13,3 mm/s op funderingsniveau en 26,7 mm/s op onderdeelniveau. De berekende trillingssterkten afgezet tegen de grenswaarden uit de SBR-A leidt tot de conclusie dat deze Hugo de Grootlaan / Aletta Jacobslaan Oosterheem versie vastgesteld 34/55
trillingssterkten minimaal een factor 5 onder de grenswaarde liggen. Op een afstand van meer dan 40 meter van het heiwerk is het schaderisico voor de betonnen onderconstructie van het tramviaduct (de pylonen) dus nihil. Voor het betonnen dek van het viaduct gelden in de context van de SBR-A de hogere grenswaarden op onderdeelniveau. Ook met mogelijke enige trillingsversterking tussen pylonen en dek wordt het schaderisico als gering beschouwd, gezien de grote marge tussen de nu berekende trillingssterkte op fundatieniveau en de grenswaarde. Over eventuele gevolgen voor andere delen van de infrastructuur zoals de bovenleiding en aan de trams geeft deze rekenmethodiek geen inzicht. 5.3.3
Conclusie
Voor het aspect trillingen worden geen belemmeringen voor voorgenomen ontwikkeling voorzien. Op basis van een uitgevoerde quick scan trillingen wordt geconcludeerd dat er in het plangebied sprake is van een verwaarloosbaar risico met betrekking tot trillingen, en geen aanleiding is voor vervolgonderzoek. Daarnaast zijn de te verwachten trillingen als gevolg van heiwerk op het Oosterheemviaduct een factor 5 onder de grenswaarde. Het schaderisico aan de betonnen onderconstructie (de pylonen) en het betonnen dek is zodoende gering.
5.4
Bodemkwaliteit
Mede ter beoordeling van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, is inzicht vereist in de kwaliteit van de bodem. Omdat de bodemkwaliteit medebepalend is voor de vraag welke nieuwe functies in een gebied realiseerbaar zijn, is onderzoek naar eventuele beperkingen aan het bodemgebruik noodzakelijk. Hiertoe dient bodemonderzoek te worden verricht. 5.4.1
Wettelijk kader
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (hierna: Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. De Wbb regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van het plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van actuele risico's. Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem.
Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. In dit kader vereist de provincie in ieder geval: inzicht in reeds bekende verontreinigde locaties; inzicht in risicovolle activiteiten in verleden en huidige situatie; inzicht in bodemkwaliteit bij nieuwe bestemmingsaanduidingen of in de wijze waarop gegevens over bodemkwaliteit verkregen zullen worden. Indien verontreinigingen worden geconstateerd, moet worden aangegeven op welke wijze daarmee omgegaan zal worden, zowel in milieuhygiënische als in financiële en Hugo de Grootlaan / Aletta Jacobslaan Oosterheem versie vastgesteld 35/55
expoloitatietechnische zin. 5.4.2
Situatie plangebied
Het plangebied is momenteel in gebruik als openbare weg, openbare ruimte en deels braakliggend. Er zijn diverse gedempte sloten aanwezig. In de directe omgeving zijn geen bodembedreigende bedrijfsactiviteiten en ondergrondse opslagtanks gesitueerd geweest. Het plangebied is gelegen in de wijk Oosterheem, en bevindt zich niet in een milieubeschermingsgebied voor grondwater. Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Zoetermeer blijkt dat het plangebied is gelegen in zone 07: Recente uitbreidingen. De algemene bodemkwaliteit van de boven- en ondergrond zijn geclassificeerd als klasse AW2000. Op de vier braakliggende percelen is in 2019 een bodemonderzoek uitgevoerd. Dit wordt nader beschreven in de volgende paragraaf. Binnen het betreffende onderzoeksgebied is de bodem geschikt bevonden voor wonen (met tuin). Voor die delen van het plangebied waar herinrichting en/of nieuwbouw plaatsvindt, en waar nog geen onderzoek en/of sanering heeft plaatsgevonden, zal bodemonderzoek dan wel eventuele sanering moeten worden uitgevoerd. 5.4.3
Bodemonderzoek
In milieuhygiënisch opzicht dient te worden aangegeven welke bodemkwaliteit aanwezig is of na sanering resulteert, en indien deze afwijkt van de streefwaarden, welke beperkingen aan het bodemgebruik gesteld worden. In het kader van het voorliggende bestemmingsplan is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De belangrijkste resultaten zijn hieronder opgenomen, de volledige rapportage is als bijlage 7 bij deze toelichting opgenomen. Uit dit onderzoek komen voor de deelgebieden de volgende resultaten: Grond De concentraties van de geanalyseerde parameters overschrijden maximaal de achtergrondwaarde. De grond is getoetst aan de normen van het Besluit bodemkwaliteit en is overwegend, indicatief Altijd Toepasbaar, plaatselijk betreft de indicatieve bodemkwaliteit Klasse Industrie. Ter plaatse van de gedempte sloten is geen dempingsmateriaal aangetroffen, tevens zijn in de ondergrond maximaal licht verhoogde concentraties aangetroffen. Aangenomen mag worden dat de sloten gedempt zijn met gebiedseigen grond of met dezelfde grond waarmee het gebied is opgehoogd. Grondwater De concentraties van de geanalyseerde parameters overschrijden maximaal de streefwaarde. Asbest In de grondmengmonsters zijn geen asbestconcentraties boven de bepalingsgrens gemeten. De totaal gewogen asbestconcentratie overschrijdt niet het criterium voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.).
CROW400 Voor werkzaamheden in de grond is geen veiligheidsklasse van toepassing. 5.4.4
Conclusies
Geconcludeerd kan worden dat milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen aanwezig zijn voor de herbestemming van de percelen.
Hugo de Grootlaan / Aletta Jacobslaan Oosterheem versie vastgesteld 36/55
5.5
Luchtkwaliteit
5.5.1
Luchtkwaliteitseisen
Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. De jaargemiddelde grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) bedraagt 25 µg/m3. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 aangepast. Voor PM10 is dat 11 juni 2011 en 1 januari 2015 voor NO2. De grenswaarde voor PM2,5 is vanaf 1 januari 2015 van toepassing.
Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; de ontwikkeling wordt aangemerkt als een NIBM-project; de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit worden niet overschreden; projectsaldering kan worden toegepast. 5.5.2
Luchtkwaliteitsonderzoek
De voorliggende ontwikkeling draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een ontwikkeling is als NIBM aan te merken wanneer de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De ontwikkeling van 166 woningen in dit plan valt ook binnen de NIBM-regeling zodat onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool) In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het plangebied. In de NSL-monitoringstool zijn langs de belangrijkste wegen (Hugo de Grootlaan, Aletta Jacobslaan en Willem Dreeslaan) de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. In afbeelding 5.1 zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 weergegeven voor het peiljaar 2017.
Hugo de Grootlaan / Aletta Jacobslaan Oosterheem versie vastgesteld 37/55
Afbeelding 5.1: overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2017 (NSL-monitoringstool). Uit de afbeelding blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied de jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) niet overschrijden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. 5.5.3
Conclusies
De ontwikkeling in dit plan is aan te merken als een project dat niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan luchtverontreiniging. Toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit is dan ook niet nodig. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen oplevert voor de voorgenomen ontwikkelingen in dit bestemmingsplan (artikel 5.16, lid 1 aanhef en onder c Wm). Daarnaast zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening ter plaatse van het plan de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. Deze waarden zijn veel lager dan de gestelde grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit. Een overschrijding van de grenswaarden is dan ook niet te verwachten.
5.6
Water
5.6.1
Watertoets
Hieronder volgt de inhoudelijke toetsing van het plan aan de verschillende 'waterthema's', zoals die beschreven staan in de Handreiking Watertoets. Toetsing aan deze thema's levert de watertoets op. Huidige situatie In de bestaande situatie is het plangebied voor een groot deel onverhard. De gronden waarop de woningen en bijbehorende voorzieningen zijn voorzien zijn volledig onverhard. Zoals blijkt uit de legger Wateren van het Hoogheemraadschap liggen ten zuidwesten van de Randstadrail diverse waterlopen. Het betreft hoofdwatergangen volgens de legger van Schieland. In het westen van het plangebied en grenzend aan de oostrand is tevens Hugo de Grootlaan / Aletta Jacobslaan Oosterheem versie vastgesteld 38/55
oppervlaktewater gelegen. In de legger zijn bovendien de zones rondom de waterlopen aangeduid als oever, slootkant. Ten behoeve van het onderhoud van deze waterlopen is de dubbelbestemming 'Waterstaat' opgenomen.
Afbeelding 5.2: uitsnede Legger wateren (het plangebied is zwart omkaderd). Veiligheid In het plangebied zijn geen primaire of regionale waterkeringen gelegen. Uit de kaart van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) blijkt dat het maaiveld ter plaatse van het plangebied niet lager ligt dan het omliggende gebied. Hoewel het plangebied is gelegen onder NAP, is daarom geen sprake van een uitzonderlijk overstromingsrisico, ten opzichte van het omliggende gebied. Oppervlaktewatersysteem Het plangebied is gelegen in de waterstaatkundige eenheid 'Binnenwegse Polder'. Een waterstaatkundige eenheid is een gebied waarin het watersysteem één geheel vormt. Het waterpeil in het plangebied is flexibel en fluctueert tussen NAP -6,05 en - 5,95 m. Waterkwantiteit In de huidige situatie zijn de gronden waarop de ontwikkeling is voorzien, grotendeels bestemd als 'Gemengd - 1' (vigerend bestemmingsplan 'Oosterhage - Businesspark Oosterheem'). In de bijbehorende regeling is geen limiet opgelegd aan het te verharden oppervlak. Deze bestemming mag in de huidige situatie dan ook volledig worden verhard. Deze bestemming kent een totaal oppervlakte van 21.634 m2. Een deel van de gronden waarop de ontwikkeling is voorzien, is bestemd als 'Groen'. Dit deel is in de huidige situatie onverhard en zal in de toekomst verhard gaan worden.
In de huidige situatie is 21.634 m2 aan oppervlakteverharding toegestaan. Verharding huidige situatie Type verharding
Berekening
Oppervlakteverharding in m2
Bestemming 'Gemengd - 1'
100% van 21.634 m2
21.634
Bestemming 'Groen'
0% van 541 m2
0
Hugo de Grootlaan / Aletta Jacobslaan Oosterheem versie vastgesteld 39/55
Totale verharding
21.634
Voor de ontwikkeling van de gehele woonwijk Oosterheem is door het Hoogheemraadschap van Schieland bij besluit van 14 april 2003 een raamvergunning verleend (zie Bijlage 5). Als compensatie voor de toename van de verharding door de ontwikkeling van de woonwijk (en het bedrijventerrein Oosterhage) is 13 ha. oppervlaktewater aangelegd. De planologische wijzingen waar het vigerende bestemmingsplan (2013) in voorzag had geen toename van verharding tot gevolg anders dan reeds voorzien was in daarvoor geldende bestemmingsplannen en dan waarvoor de genoemde raamvergunning geldt. Dat houdt in dat de hierboven genoemde oppervlakteverharding binnen de verleende raamvergunning van het Hoogheemraadschap van Schieland mogelijk is. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de realisatie van 166 nieuwe woningen en bijbehorende voorzieningen (parkeerplaatsen, wegen en openbare ruimtes). Ten behoeve van deze nieuwe woningen zijn in dit bestemmingsplan bouwvlakken opgenomen die geheel bebouwd mogen worden. De gezamenlijke oppervlakte van deze bouwvlakken bedraagt 5.181 m2. Binnen de bestemming 'Wonen' maken de bouwvlakken maar een klein deel uit van de totale oppervlakte. Op de overige gronden is voorzien in de realisatie van erftoegangswegen, parkeervoorzieningen, tuinen en openbare ruimtes.
Het is aannemelijk dat het overige deel van de woonpercelen in de toekomstige situatie voor een groot deel verhard wordt, ofwel met erfbebouwing ofwel met (sier)bestrating e.d. Hierbij kan de vuistregel worden gehanteerd dat maximaal 90% van de resterende oppervlakte verhard wordt. De totale oppervlakte van de bestemming 'Wonen' bedraagt 17.359 m2. Het resterende oppervlak bedraagt (17.359 - 5.181) = 12.178 m2. Als hiervan 90% verhard wordt, bedraagt het verharde oppervlak binnen de rest van de bestemming 'Wonen' 10.960 m2. Naast verharding t.b.v. de woningen of overige verharding binnen de bestemming 'Wonen' worden ook groene openbare ruimtes ontwikkeld. Het idee is om deze ruimtes overwegend groen in te richten en hierbij slechts verharding t.b.v. het langzaam verkeer aan te leggen. Uitgangspunt voor deze gronden is dat maximaal 50% verhard wordt. Met een totaaloppervlak van 3.186 m2 zorgt dit voor 1.584 m2 aan verharding. In de toekomstige situatie is ten slotte ook verharding voorzien in de vorm van parkeerplaatsen in de openbare ruimte en de aanleg van verharding in de aangrenzende openbare ruimte. In het vigerende bestemmingsplan zijn een deel van deze gronden reeds bestemd als 'Verkeer' met de functieaanduiding 'parkeerterrein' en is volledige verharding nu al mogelijk.
De gronden waarop de overige parkeerplaatsen en andere ingrepen gepland staan, bedragen samen 3.546 m2. Het uitgangspunt voor deze gronden is dat deze vrijwel volledig verhard zullen worden. Wanneer de vierkante meters verhard oppervlak in de toekomstige situatie bij elkaar worden opgeteld, resulteert dit in 21.271 m2 verharding. Verharding toekomstige situatie Type verharding
Berekening
Oppervlakteverharding in m2
Nieuwe woningen (bouwvlakken)
100% van 5.181 m2
5.181
Overige (perceels)verharding
90% van 12.178 m2
10.960
Openbare ruimte (Bestemming 'Groen - 1')
50% van 3.168 m2
1.584
Ontsluiting parkeerplaatsen en openbare ruimte
100% van 3.546 m2
3.546
Totale verharding Hugo de Grootlaan / Aletta Jacobslaan Oosterheem versie vastgesteld 40/55
21.271
Ten opzichte van de huidige planologische situatie, waarvoor reeds een watervergunning is verleend en in watercompensatie is voorzien, voorziet de voorgenomen ontwikkeling niet in een toename van het verhard oppervlak. In de toekomstige situatie is sprake van (21.634 21.271) = 363 m2 minder verharding dan in de huidige situatie planologisch mogelijk is. De beleidsregel van het Hoogheemraadschap schrijft voor dat vanaf een toename van het verharde oppervlak van 500 m2 compenserende waterberging toegepast dient te worden. Voorgenomen ontwikkeling zorgt niet voor een zodanige toename van het verhard oppervlak dat watercompensatie benodigd is. Riolering Het algemeen beleid is dat schoon- en vuilwaterstromen worden gescheiden en gescheiden blijven tot aan het overnamepunt op de perceelsgrens. Schoon regenwater van gevels en daken dient bij voorkeur te worden benut (toiletspoeling, daktuinen e.d.) of te worden afgevoerd naar de bodem (infiltratie) en indien niet mogelijk of gewenst is dan rechtstreeks afgevoerd te worden naar het oppervlaktewater via een regenwaterriool. Volk sgezondheid Door het afkoppelen van hemelwater van de DWA worden vuilwateroverstorten (in de omgeving) tegengegaan. De risico's van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd.
Indien nieuwe wateren worden gerealiseerd en/of oevers van bestaande wateren worden vergraven, verdient het aanbeveling flauwe, natuurvriendelijke oevers te creëren. Bodemdaling Ten behoeve van de voorliggende ontwikkeling zal het (grond)waterpeil niet worden aangepast. Eventuele bodemdaling in de omgeving zal niet door het plan worden beïnvloed. Grondwateroverlast Het grondwater zit (vrij) ondiep. Indien ondergrondse constructies worden gebouwd, waarvan de onderkant dieper ligt dan de hoogste grondwaterstand, wordt geadviseerd waterdicht te bouwen om te voorkomen dat overlast van grondwater ontstaat. Waterkwaliteit Bij afkoppelen moet beoordeeld worden of het afstromend hemelwater van verharde terrein- en dakoppervlakken geen nadelige gevolgen heeft voor de huidige waterkwaliteit. Het tegengaan van riooloverstorten door de afkoppeling van hemelwater van de DWA komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Het ontstaan van (nieuwe) vervuilingsbronnen dient zoveel mogelijk te worden voorkomen om vervuiling van grond- en oppervlaktewater te beletten. Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen bij de toekomstige ontwikkelingen voorkomt dat het hemelwater wordt vervuild.
In verband hiermee dienen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink of teerhoudende dakbedekking te worden gebruikt op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het gemeentelijke inzamelings- en transportstelsel ligt bij de gemeente, tot aan het eindgemaal, dat in beheer is van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Het Hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het transport vanuit het eindgemaal tot en met afvalwaterzuiveringsinstallatie en voor de zuivering. De gemeentelijke riolering moet bereikbaar zijn voor beheer en onderhoud.
Hugo de Grootlaan / Aletta Jacobslaan Oosterheem versie vastgesteld 41/55
5.7
Bedrijven en milieuzonering
5.7.1
Begrip milieuzonering
Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Deze milieuzonering dient aldus twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; het bieden van voldoende ruimte en zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen. Een vergaande scheiding van functies kan echter ook leiden tot inefficiënt ruimtegebruik en een verlies aan ruimtelijke kwaliteit. Een gemengd gebied met een mix van wonen en werken, winkels en horeca stimuleert een levendig straatbeeld, een hogere sociale veiligheid en extra draagvlak voor voorzieningen. 5.7.2
VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering
De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering is een handreiking voor milieuzonering in ruimtelijke plannen. Het boekje vormt een hulpmiddel voor gemeenten om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen voor een locatie concreet in te vullen. Het doel van de publicatie is om te komen tot maatwerk op lokaal niveau. Dit betekent dat gemaakte keuzes zorgvuldig moeten worden afgewogen en verantwoord. De in de publicatie opgenomen richtafstanden zijn echter niet bedoeld om de aanvaardbaarheid te toetsen van situaties waarbij bestaande bedrijven in de nabijheid van bestaande woningen liggen. Het is dus niet bedoeld om bestaande situaties te beoordelen. De in de publicatie opgenomen richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van buurtgerichte voorzieningen, zoals basisscholen komen er vrijwel geen andere functies voor, behalve aan huis verbonden beroep of bedrijf. Anders dan rustige woonwijken, zijn er ook gebieden met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen, komen andere functies voor zoals winkels, horeca en of kleine bedrijven en voorzieningen. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.
Indien sprake is van een gemengd gebied kunnen deze richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen, komen andere functies voor zoals winkels, horeca en of kleine bedrijven en voorzieningen. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.
Hugo de Grootlaan / Aletta Jacobslaan Oosterheem versie vastgesteld 42/55
5.7.3
Milieuzonering in het plan
Ten noordoosten van het plangebied is de bestemming 'Gemengd - 1' gelegen. Binnen deze bestemming zijn inrichtingen van de ten hoogste milieucategorie 2 toegestaan. Hierbij geldt een richtafstand van 30 meter. De afstand van de grens van deze bestemming tot de grens van de toekomstige woonbestemmingen bedraagt op twee plekken minder dan deze 30 meter. De feitelijke afstand bedraagt bij de westelijke woonbestemming, waar gestapelde woningen zijn voorzien, circa 25 meter. Voor de oostelijke woonbestemming, waar gestapelde woningen zijn voorzien, circa 28 meter. De richtafstand wordt niet gerespecteerd. Binnen deze bestemmingen zijn de locaties waar de complexen zijn voorzien, echter expliciet aangeduid met een bouwvlak. De afstand van de bestemming 'Gemengd - 1' tot de dichtsbijzijnde bouwvlakken bedraagt circa 46 en 49 meter. Het overige gedeelte van de woonbestemming (buiten de bouwvlakken) is weliswaar een buitenruimte, maar die zullen niet voor verblijfsdoeleinden, zoals een tuin, worden ingericht. Bovendien is reeds op kleinere afstand van 'Gemengd - 1' een woonbestemming gerealiseerd; direct tegenover ligt op minder dan 25 meter al een woonbestemming (Hodenpijlstraat 1 t/m 201). Ook binnen de bestemming 'Gemengd - 1' zelf is wonen mogelijk, wat het geval is voor de adressen Hazerswoudestraat 294 t/m 356.
Gezien in de huidige situatie reeds op kortere afstand woningbouw is gelegen en het gedeelte van de woonbestemming dat wel binnen de richtafstand ligt niet voor verblijfsdoeleinden zoals een tuin - wordt ingericht, kan geconcludeerd worden dat voor de toekomstige bewoners sprake is van een goed woon- en leefklimaat. 5.7.4
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering zorgt niet voor belemmeringen.
5.8
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag, en vervoer van gevaarlijke stoffen (zoals vuurwerk, lpg, en munitie) over weg, water en spoor en door buisleidingen.
Hugo de Grootlaan / Aletta Jacobslaan Oosterheem versie vastgesteld 43/55
Afbeelding 5.3: Uitsnede risicokaart (het plangebied is rood omkaderd). 5.8.1
Inrichtingen
In het plangebied en de directe omgeving bevinden zich geen relevante inrichtingen of contouren van inrichtingen waarop het Bevi van toepassing is. 5.8.2
Transport gevaarlijke stoffen
In het plangebied en de directe omgeving bevinden zich geen transportassen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. 5.8.3
Buisleidingen
Ten oosten van het plangebied ligt een CO2-buisleiding die in eigendom is van OCAP. In september 2012 is voor deze leiding een M.e.r.-beoordeling uitgevoerd waaruit blijkt dat het invloedsgebied van deze leiding 450 meter bedraagt. Het plangebied is weliswaar deels binnen dit invloedsgebied gelegen, de gevoelige objecten zijn echter buiten deze 450 meter geprojecteerd waardoor een berekening of nadere onderbouwing niet benodigd is. De leiding vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.8.4
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.
Hugo de Grootlaan / Aletta Jacobslaan Oosterheem versie vastgesteld 44/55
5.9
Natuurwaarden
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). 5.9.1
Soortenbescherming
Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten: het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), Habitatrichtlijn (Hrl) en Andere Soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen.
Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In Zoetermeer is de provincie Zuid-Holland het bevoegd gezag voor de Wnb. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. 5.9.2
Gebiedsbescherming
Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 'externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een 'habitattoets' dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Natuurnetwerk Nederland Hugo de Grootlaan / Aletta Jacobslaan Oosterheem versie vastgesteld 45/55
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN. 5.9.3
Natuurwaardenonderzoek
Soortenbescherming Voor het plangebied is door Bureau Stadsnatuur een verkennend natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is te raadplegen als bijlage 9 van de toelichting. In het kader van de ontwikkeling worden werkzaamheden verricht, zoals het verwijderen van de begroeiing, grondwerk, het aanbrengen van de riolering, kabels en leidingen en het aanbrengen van overige infrastructuur. Op basis van de condities aangetroffen tijdens het onderzoek is geen aanvullende ontheffing van de Wnb noodzakelijk om tot ingebruikname van de bouwkavels op de drie locaties over te gaan. Aanvullend onderzoek is bovendien niet nodig omdat de functionaliteit voor beschermde soorten voldoende inzichtelijk is. Wel worden de volgende aanbevelingen gedaan met betrekking tot de werkzaamheden in het plangebied: Maai alle percelen na 15 juli en zo nodig tussen 15 februari en 15 maart om de kans op vestiging van broedende vogels te verkleinen, voor zover dat nog niet is gebeurd. Verwijder in het terrein aanwezige struiken en bomen - waar nodig - buiten de periode 15 maart-15 juli. Hoewel er nu geen broedende vogels zijn aangetroffen, is toekomstige vestiging niet uit te sluiten. Ten aanzien van deze locatie moeten de kosten van het plaatsen van amfibiewerend scherm worden afgewogen tegen de lage kans op vestiging van Rugstreeppad en kan worden overwogen dit niet te doen.
Laat een ecoloog, indien werkzaamheden nog moeten starten in het voorjaar, begin april een terreininspectie uitvoeren om eventuele risico's m.b.t. vestiging van vogels en andere dieren als gevolg van veranderingen in het terrein scherp te houden. Binnen de wijk Oosterheem komt de rugstreeppad voor. Het vestigingsrisico voor voorliggend plangebied wordt echter laag ingeschat, omdat de locatie geïsoleerd ligt, omsloten door bebouwing en infrastructuur en relatief ver ligt van nog resterende plaatsen waar de rugstreeppad recent is aangetroffen. Graaf- en bouwrijpwerkzaamheden kunnen deze situatie veranderen en daarom worden tijdens dergelijke werkzaamheden voorzorgsmaatregelen getroffen. Door middel van schermen wordt voorkomen dat de soort het plangebied kan betreden. Gebiedsbescherming De locatie is niet gelegen op gronden die zijn aangewezen als NatuurNetwerk Nederland (NNN, voorheen bekend onder de naam Ecologische Hoofdstructuur). Daardoor gaat er geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren. Toetsing aan de wet- en regelgeving omtrent het NNN is zodoende niet nodig. Het plangebied ligt op geruime afstand van enkele Natura 2000-gebieden. De Natura 2000-gebieden De Wilck en Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein zijn niet gevoelig voor stikstofdepositie. Dat geldt wel voor de Natura 2000-gebieden Meijendel & Berkheide en de Nieuwkoopse Plassen & De Haeck.
Door Rho is hiervoor een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. De bijbehorende Memo onderzoek stikstofdepositie (d.d. 10-09-2021) is te vinden in bijlage 10. Hierin zijn berekeningen uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de woningbouwontwikkeling voor de Hugo de Grootlaan / Aletta Jacobslaan Oosterheem versie vastgesteld 46/55
stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen. Daarbij is zowel de gebruiksfase (na oplevering van de woningen) als de realisatiefase beschouwd. De Wet Stikstofreductie en natuurverbetering bevat weliswaar een vrijstelling van de vergunningplicht voor bouwactiviteiten, maar voor de volledigheid zijn de mogelijke effecten tijdens de realisatiefase toch in beeld gebracht. De daarbij gehanteerde uitgangspunten zijn in de memo uiteengezet. Op basis van de resultaten van de uitgevoerde Aerius-berekeningen wordt geconcludeerd dat zowel voor de gebruiksfase als voor de realisatiefase geen sprake is van een berekende depositiebijdrage binnen de maatgevende Natura 2000-gebieden (geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar). Het rekenmodel kapt de stikstofdepositiebijdrage van verkeer op meer dan 5 kilometer afstand van de weg af. Dat betekent dat de huidige versie van het Aerius-model op grotere afstand nooit een depositietoename ten gevolge van het verkeer berekent. In het geval van het plangebied liggen de maatgevende Natura 2000-gebieden op meer dan 5 kilometer van de ontsluitende wegen. Uit jurisprudentie blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van mening is dat dit afstandscriterium onvoldoende is onderbouwd. De Minister moet de afkap van de stikstofberekening van het wegverkeer op 5 kilometer beter motiveren.
Mocht het afstandscriterium vervallen en Aerius ook depositie op meer dan 5 kilometer afstand van wegen berekenen, dan heeft dat geen gevolgen voor de berekeningsresultaten voor het plangebied. In dit geval liggen de verzuringsgevoelige habitats op meer dan 10 kilometer van de ontsluitende wegen. Uit de verspreidingsmodellen volgt dat emissies door het wegverkeer op relatief korte afstand van de weg neerslaan (onder andere omdat de emissies maar net boven de grond plaatsvinden). Bij een verkeersgeneratie van 1.030 mvt/etmaal, waarbij het verkeer snel opgaat in het heersende verkeersbeeld, kan met zekerheid worden uitgesloten dat bij het vervallen van het 5 km-criterium ter plaatse van de verzuringsgevoelige habitats op meer dan 10 km afstand een depositiebijdrage wordt berekend. Zodoende kunnen significant negatieve effecten worden uitgesloten. De natuurbescherming leidt niet tot belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.10
Wet
Bezonning
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is het aspect bezonning beschouwd. Er is onderzocht wat de schaduweffecten van de beoogde nieuwbouw zijn op de omgeving. De bezonningsstudie is opgenomen in bijlage 13. Het doel van de studie is het inzichtelijk maken van eventuele gewijzigde schaduwval in de omgeving ten gevolge van de toekomstige herontwikkeling. Hierbij is een vergelijk gemaakt met de huidige planologische situatie. Voor bezonning geldt geen wettelijk vastgesteld norm. Door de vijf grootste gemeenten van Nederland (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Eindhoven) wordt regelmatig overlegd over dit onderwerp. Er is een criterium opgesteld, ook wel de 'lichte TNO-norm' genoemd: “ten minste twee mogelijke bezonningsuren per dag voor de gevels van woningen, in de periode van 19 februari tot 21 oktober”. 19 februari is daarbij maatgevend; als op deze dag aan de norm wordt voldaan, zal dat ook in de overige maanden (tot en met 21 oktober) het geval zijn. Uit het onderzoek blijkt dat bij alle bestaande woningen ruimschoots aan de lichte TNO-norm wordt voldaan. Er is op de maatgevende datum sprake van een kleine 5 uur aan zonlicht, terwijl de norm 2 uur is. Daarnaast is een vergelijk gemaakt met de huidige planologische mogelijkheden.