Bijlage 2- Toelichting bestemmingsplan Nieuwbouw Van Doornenplantsoen
Tekst van het document
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
25/62
de gevolgen voor de aanwezige bomen in beeld te worden gebracht.
Relatie tot het plangebied Het plangebied is op basis van de Groenkaart gelegen binnen het gebied dat is aangeduid als 'Stadsgroen hoog dynamisch'.
Figuur 2.5 Groenkaart Zoetermeer, plangebied ter plaatse van oranje ster
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
26/62
Figuur 2.5 uitsnede Visie biodiversiteit, plangebied ter plaatse van oranje ster
In dit bestemmingsplan worden slechts de planologische kaders voor de realisatie van een nieuw onderwijsgebouw en nieuwe sporthal vastgelegd. De bouw van de nieuwe gebouwen zal door de gemeente worden aanbesteed. In de tender die onderdeel uitmaakt van deze aanbesteding zullen eisen worden gesteld ten aanzien van klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen. Hierbij bijvoorbeeld te denken aan een zo groen mogelijke inrichting van het terrein, daar groen warmteopbouw ter plaatse kan verlagen, maar mogelijk ook aan het opvangen, vasthouden en hergebruiken van regenwater. Daarnaast wordt de kopppeling gemaakt met onder meer de Groentrilogie, het Porgramma Duurzaam en Groen Zoetermeer en de Nota Duurzaam Bouwen. Conclusie De Groentrilogie staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg. 2.4.8
Mobiliteitsvisie
In de Mobiliteitsvisie Zoetermeer 2030 (de Mobiliteitsvisie) is beschreven op welke wijze de gemeente de komende jaren wil omgaan met zaken als vervoer, parkeren, fietsvoorzieningen en verkeersveiligheid. In de Mobiliteitsvisie wordt omschreven dat Zoetermeer een aantrekkelijke en uitstekend bereikbare en verkeersveilige stad zijn voor haar inwoners, werknemers en bezoekers. Om dit te kunnen bereiken is een prettige woon- en leefomgeving noodzakelijk. Daar leveren bereikbaarheid en mobiliteit een belangrijke bijdrage aan. In de Mobiliteitsvisie wordt onder andere de koppeling gelegd met het Zoetermeerse woonbeleid. De woningbouwopgave van 10.000 tot 16.000 woningen leidt tot een te verwachten toename van ca. 30.000 inwoners. De voorgestane groei van de stad betekent een impuls van o.a. het voorzieningenniveau en de onderwijsmogelijkheden. Een goed verkeers- en vervoersnetwerk aangevuld met nieuwe en slimme mobiliteitsconcepten zijn daarbij cruciaal.
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
27/62
De Mobiliteitsvisie stelt vanuit de gestelde ambitie twee doelstellingen en een aantal daarmee samenhangende opgaven centraal: 1. Zoetermeer leefbaar en vitaal: a. mobiliteitssysteem en ruimtelijke ambities gaan hand in hand; b. versterken onderlinge verbondenheid gebieden rond de stadsring; c. verder verbeteren van de verkeersveiligheid; d. kwalitatief krachtig en robuust OV-netwerk opgebouwd vanuit drie hoofdknooppunten; e. fietsen en lopen stimuleren door goede netwerken en stallingen; f. innovatie en duurzaamheid maximaal stimuleren. 2. Zoetermeer centraal in de Metropoolregio Rotterdam Den Haag en de Randstad: a. samenwerking regionale en maatschappelijke partners intensiveren; b. versterken en robuuster maken OV-netwerk op regionaal niveau; c. nieuwe regionale noord-zuid autoverbinding onderzoeken; d. Zoetermeer laat zich zien binnen een aantrekkelijk regionaal fietsnetwerk. De gestelde opgaven betreffen grotendeels een voortzetting van de opgaven zoals verwoord in de voormalige Mobiliteitsvisie 2017, aangevuld met nieuwe opgaven en verder vormgegeven als gevolg van kennis en inzichten van nu. Relatie tot het plangebied Het bestemmingsplan vormt geen belemmering voor het verwezenlijken van de doelen die met de visie worden nagestreefd.
Wel geldt dat het toevoegen van een onderwijsgebouw en een sporthal enkel kan plaatsvinden wanneer het mobiliteitsnetwerk deze toename op kan vangen en kan verwerken. Het plangebied is gelegen langs de Australiëweg (onderdeel van de Stadsring) en op loop- en fietsafstand verschillende OV-knooppunten. Hierdoor beweegt men zich gemakkelijk binnen de gemeentegrenzen, maar zijn omliggende dorpen- en steden, de Metropoolregio Rotterdam Den Haag en de Randstad eveneens goed bereikbaar. Vanuit het oogpunt van mobiliteit en bereikbaarheid betreft het plangebied een goede locatie voor de beoogde ontwikkeling. In paragraaf 4.3 Verkeer en vervoer van voorliggend plan wordt het aspect verkeer en parkeren nader beschouwd. Conclusie De Mobiliteitsvisie Zoetermeer 2030 staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg. 2.4.9
Parkeerbeleid 2019
Het geactualiseerde parkeerbeleid Zoetermeer, zoals vastgelegd in de Nota Parkeerbeleid Zoetermeer 2019 en de Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels Zoetermeer 2019, is op 16 december 2019 door de gemeenteraad vastgesteld. In het geactualiseerde parkeerbeleid zijn de laatste inzichten ten aanzien van het parkeren en de toetsing op parkeernormen meegenomen. Voor alle functies zijn duidelijke vaste minimale parkeernormen per zone opgenomen. Hiervan kan in principe niet naar beneden afgeweken worden. Voor zeer kleine woonvormen, jongerenwoningen, studentenwoningen, zorgwoningen en sociale/goedkope huurwoningen zijn specifieke parkeernormen opgenomen. Hiermee is het parkeerbeleid doelgroepgericht. Verder verschilt de parkeernorm bij nieuwe ontwikkelingen afhankelijk van de locatie in de stad waar deze ontwikkeling wordt voorzien. Het parkeerbeleid is gebiedsgericht. Rekening is gehouden met een hoog, gemiddeld of laag autobezit, gebiedskenmerken zoals OV-bereikbaarheid, aanbod aan voorzieningen alsmede de ambities voor het gebied in de toekomst vanuit gewenst ruimtegebruik, duurzaamheid en leefbaarheid. Relatie tot het plangebied De Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels Zoetermeer 2019 is van toepassing. In paragraaf
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
28/62
4.3.4 van voorliggend plan wordt nader ingegaan op het aspect parkeren. Voorts is het voldoen aan het parkeerbeleid geborgd in de Regels van dit plan. Conclusie Het Parkeerbeleid 2019 is geborgd in de Regels van dit plan. 2.4.10 Actieplan Fiets 2014 - 2030 Zoetermeer kent een fijnmazig uitgebouwd fietsroutenetwerk. De gekozen stedenbouwkundige opzet van de stad zorgt voor een solitair, vrijliggend en barrièrevrij fietsnetwerk en daardoor een voor fietsers snelle, verkeersveilige en comfortabele bereikbaarheid van de voorzieningen, winkel- en werkgebieden, onderwijslocaties en woonwijken onderling. Desondanks bestaan er nog diverse hindernissen die de gemeente graag wegneemt. Met het Actieplan Fiets wil Zoetermeer de bewuste keuzemogelijkheden voor de verschillende vervoerswijzen vergroten door de laatste hindernissen weg te nemen en het fietsgebruik onder zowel bestaande als nieuwe inwoners en bezoekers verder stimuleren.
De belangrijkste speerpunten waar Zoetermeer zich binnen de beleidsperiode op zal richten zijn: het aantal fietsverplaatsingen per persoon binnen de stad in 2030 met 50% te verhogen ten opzichte van 2012; het gebruik van de fiets (als vervoerwijze) in het woonwerkverkeer met 5% verhogen ten opzichte van 2012; het gebruik van de fiets (als vervoerwijze) van en naar het Stadshart en Dorpsstraat met 5% verhogen ten opzichte van 2012; de concurrentiepositie van de fiets binnen Zoetermeer ten opzichte van andere vervoerwijzen te verbeteren; de fietsstallingsmogelijkheden zowel kwantitatief als kwalitatief optimaliseren; het comfort voor fietsers verhogen door een snel, veilig en hindernisvrij fietsnetwerk; innovatieve acties en maatregelen om het fietsgebruik onder verschillende doelgroepen te verhogen (onder andere fietsen leuk en aantrekkelijk maken, imago verbeteren). Relatie tot het plangebied Voorliggend bestemmingsplan heeft in principe geen direct verband met het Actieplan Fiets. Zo worden bijvoorbeeld geen nieuwe fietsverbindingen aangelegd. Wel relevant om te benoemen is dat het plangebied direct gelegen is langs een zogeheten verbindend fietsnetwerk. Dit maakt dat het plangebied voor gebruikers goed te bereiken is per fiets.
De aanwezigheid van dit fietsnetwerk zorgt er ook voor dat omliggende voorzieningen in de directe omgeving alsmede in de rest van de stad bereikbaar zijn en zorgt tevens voor een goede aansluiting op het hoofdfietsnetwerk. Deze aansluiting maakt het bestemmings(fiets)verkeer toegankelijk. Conclusie Het Actieplan Fiets 2014 - 2030 staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg.
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
29/62
2.4.11 Waterplan Zoetermeer (2002) Het Waterplan Zoetermeer is opgesteld door de gemeente Zoetermeer tezamen met het voormalige waterschap Wilck en Wiericke (dat inmiddels deel uitmaakt van het Hoogheemraadschap van Rijnland) en het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. De doelstelling van het Waterplan Zoetermeer is het behouden en versterken van een duurzaam watersysteem. Kortom een watersysteem dat betrouwbaar, levend en boeiend is. Om ook in de toekomst een veilig en goed functionerend watersysteem in Zoetermeer te behouden, moet meer ruimte voor water worden gerealiseerd. In het Waterplan Zoetermeer is afgesproken dat bij herontwikkeling gestreefd wordt naar het realiseren van extra water in het gebied dat (her)ontwikkeld wordt. In het stedelijk gebied wordt daarnaast ingezet op het vertragen van piekafvoeren, onder meer door het toepassen van open verharding of het realiseren van vegetatiedaken Een ander aandachtspunt uit het Waterplan is de waterkwaliteit. De kaderrichtlijn water (KRW) voorziet in het verbeteren van de waterkwaliteit. Er wordt gestreefd naar een waterkwaliteit, die minimaal voldoet aan de landelijk geldende normen en ook een aantrekkelijk leefgebied vormt voor plant en dier.
Hiervoor is het van belang dat geen uitlogende, milieubelastende materialen, zoals zink, koper en lood, worden toegepast in oppervlakken welke direct of via het schoonwaterriool afwateren naar het oppervlaktewater. Lange duikers hebben een negatief effect op de waterkwaliteit, omdat het water aan licht en lucht onttrokken wordt. Bovendien is het water in duikers niet zichtbaar. In het Waterplan wordt er dan ook naar gestreefd waterpartijen zoveel mogelijk via open water met elkaar te verbinden. Relatie tot het plangebied Voor dit plan is de wettelijk verplichte watertoets doorlopen, aan de hand waarvan het planvoornemen is afgestemd met het waterschap. In paragraaf 5.4 wordt aangegeven op welke manier de waterhuishoudkundige belangen worden gewaarborgd. Conclusie Het Waterplan Zoetermeer staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg. 2.4.12 Programma Duurzaam en Groen Zoetermeer (2020 - 2030) Het Programma Duurzaam & Groen Zoetermeer is geactualiseerd voor de periode 2020 – 2023. Ambitie Energietransitie De ambitie voor de energietransitie is: “Een aardgasvrije gebouwde omgeving in 2040 i.c.m.
met een verbetering van de kwaliteit van de woningen qua gezondheid (ventilatie en voorkomen oververhitting) en comfort/energiebesparing." Maatregelen De belangrijkste maatregelen de komende jaren voor de energietransitie zijn: Het realiseren van een ondersteuningsaanbod voor particuliere huiseigenaren en VvE's. Het maken van energietransitie-plannen in de regio en op stadsniveau. Het realiseren van een aardgasvrije energievoorziening voor ruim 1100 woningen en voorzieningen in de bestaande hoogbouw van Palenstein. Ambitie Groen/Biodiversiteit De ambitie voor groen/biodiversiteit is: "In 2040 een groenblauwe structuur in en om de stad hebben die onze concurrerende woonaantrekkelijkheid van Zoetermeer vergroot, leidt tot verhoging van de biodiversiteit en verbetering van de gezondheid en de klimaatadaptatie." Maatregelen De belangrijkste maatregelen in de komende jaren voor versterking groen/biodiversiteit zijn:
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
30/62
Investeringsplannen in 2020 voor de Binnenstad (o.a. Central Park), het Entreegebied, en de bestaande wijken (pilot in Meerzicht). Vergroten van het areaal natuurlijk(er) beheerd gebied voor o.a. weidevogels (Nieuwe Driemanspolder en Meerpolder) en moerassige natuur (Nieuwe Driemanspolder en het Plassengebied). Relatie tot het plangebied De ambities en maatregelen uit het Programma Duurzaam en Groen Zoetermeer zullen, daar waar mogelijk, vertaald worden in de gemeentelijke tender voor de bouw van de nieuwe onderwijsvestiging en sporthal. Conclusie Het Programma Duurzaam en Groen Zoetermmeer staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg. 2.4.13 Nota Duurzaam Bouwen De Nota Duurzaam Bouwen (vastgesteld door de gemeenteraad 21 september 2009) besteedt aandacht aan nieuwbouw, bestaande bouw en gemeentelijke gebouwen. Daarnaast wordt specifiek aandacht besteed aan klimaatbeleid, omdat het een speerpunt is binnen het Programma Duurzaam Zoetermeer. In de Nota is bepaald dat voor projecten vanaf 25 woningen of vergelijkbare grootte de ontwikkelaar van het vastgoed een energievisie dient uit te werken. Daarnaast geldt voor nieuwbouwlocaties met meer dan 1 woning dat GPR-gebouw wordt toegepast. Voor overige locaties zal voor alle labels van het instrument GPR een ambitieniveau van minimaal 7 worden gehanteerd.
Voor 6 locaties die in het programma Duurzaam Zoetermeer waren aangewezen als innovatieve gebieden of projecten (o.a. Culturele As en Vlek A Oosterheem) blijven scherpe ambities gelden op energiebeleid. Relatie tot het plangebied De eisen uit de Nota Duurzaam Bouwen zullen worden vertaald in de gemeentelijke tender voor de bouw van de nieuwe onderwijsvestiging en sporthal. Conclusie De Nota Duurzaam Bouwen staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg. 2.4.14 Welstandsnota In april 2012 is de nieuwe Welstandsnota Zoetermeer van kracht geworden. In de Welstandsnota staan de criteria waarop de Stadsbouwmeester zijn advies over bouwplannen baseert. Er worden drie beleidsniveaus onderscheiden, die aan een gebied kunnen worden toegekend, te weten; intensief, regulier en een luw welstandsbeleid. Deze drie niveaus geven de kwalitatieve ambities en de mate van vrijheid aan in het omgaan met de bestaande structuur en het bebouwingsbeeld, stedenbouwkundig en architectonisch. Ze zijn vertaald in algemene criteria, die naar gelang het niveau hoger is, uitgebreider worden. Relatie tot het plangebied Voor het plangebied geldt een 'intensief' en een 'regulier' welstandsbeleid.
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
31/62
Figuur 2.7 Uitsnede Welstandsnota Zoetermeer.
Binnen het reguliere welstandsbeleid geldt dat een bouwwerk of verbouwing voldoet aan redelijke eisen van welstand wanneer: 1. het volume, maat, schaal en verschijningsvorm past in zijn omgeving en daarmee in harmonie is (verwantschap) of zorgvuldig contrasteert; 2. het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de openbare ruimte; 3. het zich duidelijk herkenbaar richt op zijn omgeving en zich daar niet vanaf keert; 4. het is afgestemd op stedenbouwkundige en architectonische typologie van het gebied; 5. het evenwicht en beheerst is vormgegeven in goede maatverhoudingen en compositie van de onderdelen, daarin begrepen het materiaalgebruik, de constructie en het daklandschap; 6. het rekening houdt met de vorm, de kleur en het materiaalgebruik van de omliggende gebouwen; 7. het consistent is in de gekozen bouwstijl. In welstandsintensieve gebieden is behoud of zelfs herstel van de structuur en het bebouwingsbeeld uitgangspunt. Er worden hogere eisen gesteld aan het ontwerp en de relatie met de omgeving. Er dient te worden voortgebouwd op de oorspronkelijke context, dit kan traditioneel of vernieuwend, met gebruikmaking van nieuwe interpretaties. Een bouwwerk of verbouwing voldoet aan redelijke eisen van welstand wanneer: 1. het volume, maat, schaal en verschijningsvorm afgestemd is op zijn omgeving en zich naadloos voegt in het bestaande stadsbeeld; 2.
het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de openbare ruimte; 3. het zich duidelijk herkenbaar richt op zijn omgeving en zich daar niet vanaf keert; 4. het in overeenstemming is met de stedenbouwkundige en architectonische typologie van het gebied; 5. het belangrijke doorzichten en zichtlijnen op cultuurhistorisch waardevolle structuren en gebouwen respecteert;
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
32/62
6. het evenwichtig en beheerst is vormgegeven in goede maatverhoudingen en compositie van de onderdelen, daarin begrepen het kleur- en materiaalgebruik, de constructie en het daklandschap; 7. het afgestemd is op de vorm, de kleur en het materiaalgebruik van de omliggende gebouwen; 8. het consistent is in de gekozen bouwstijl; 9. het bij restauraties respect betoont aan de authenticiteit en hoofdstructuur van het bestaande gebouw, daarin begrepen het bewaren of herstellen van de samenhang in het gevelbeeld. Het beoogde bouwplan zal aan bovenstaande criteria getoetst worden en vindt zijn weg in het traject van de omgevingsvergunning. Conclusie Bij de nadere planuitwerking vindt de toets aan de Welstandsnota plaats. De Welstandsnota staat derhalve niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg. 2.5
Conclusie beleid
Het voorgenomen plan is getoets aan het geldende Rijks-, provinciale-, regionale- en gemeentelijk beleid. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het plan niet in strijd is met het geldende beleid. Het plangebied is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied en er zijn geen nationale belangen van invloed. Het plan voorziet in woningbouw en derhalve wordt een bijdrage geleverd aan de bestaande vraag naar woningen en wordt bijgedragen aan de schaalsprong.
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
33/62
Hoofdstuk 3 3.1
Bestaande situatie
Ontstaansgeschiedenis
Palenstein verrees ten noorden van de oude dorpskern in de Palensteinse Polder. De toestemming om dit natte gebied in te polderen en droog te maken werd in 1759 verleend. Eind 1762 was het karwei geklaard. De polder is genoemd naar het woonhuis van de ambachtsheer, het Huis te Palenstein dat aan de Dorpsstraat stond. De ambachtsheer had de droogmaking van de polder voor tweederde gefinancierd. Van oorsprong werd het poldergebied gekenmerkt door de rechte lijnen, de vele sloten en lintbebouwing. Bij de bouw van de wijk Palenstein zijn, zoals vaak gebeurde bij de naoorlogse bouw, de cultuurhistorische elementen verloren gegaan. In 1962 besluit de Tweede Kamer dat Zoetermeer moet groeien om zo het woningtekort in Den Haag op te vangen. Het Structuurplan Groot Zoetermeer, waarin het hele groei proces in vastgelegd is, wordt in 1968 vastgesteld. Het uitgangspunt in dat Structuurplan was een compacte stad bestaande uit vier wijken om het centrum heen. Het eerste kwadrant bestaat uit de wijken Dorp, Palenstein en Driemanspolder. Het plan is geënt op het functionalisme dat zich baseert op het principe van een scheiding van de functies wonen, werken, winkelen en recreatie en een concentratie van de wijkvoorzieningen.
Een stelsel van hoofdwegen in de vorm van een H-structuur ontsluit de wijken voor autoverkeer en geeft tevens aansluiting op de wegen naar Den Haag, Leiden, Delft en Rotterdam. Met deze wegen werd beoogd de wijken te vrijwaren van doorgaand verkeer. Erlangs werden zones met niet-woonbestemmingen geprojecteerd. Door de aanleg van de Zoetermeerlijn (de huidige RandstadRail) vanaf 1972 is Zoetermeer via het spoor rechtstreeks verbonden met Den Haag en zijn de wijken ook onderling bereikbaar. De lijn was oorspronkelijk als lus rondom het stadscentrum gedacht, maar door de lus om te klappen kon ook het stadscentrum zelf worden bereikt. Zo ontstond een duidelijke structuur conform het stedenbouwkundige uitgangspunt dat de autowegen buitenom lopen en het openbaar vervoer binnendoor, die nog steeds goed herkenbaar is. In Palenstein werd in maart 1966 de allereerste paal geslagen voor de uitbreiding van Zoetermeer. In de wijk komen de algemene ideeën uit de jaren zestig duidelijk tot uitdrukking: rationalisatie en schaalvergroting als gevolg van de vraag hoe grote groepen mensen op verantwoorde wijze te huisvesten. Een vraag die al voor de tweede wereldoorlog speelde. Vooral de jaren zestig zijn het tijdperk van de grootschaligheid. 3.2
Ruimtelijke en functionele analyse plangebied
Vanuit de wijkvisie voor Palenstein zijn geen concrete ruimtelijke/stedenbouwkundige kaders voor onderhavig plangebied te vinden omdat het plangebied buiten de grenzen van de wijkvisie ligt. Voor het plangebied ontstaat daardoor de bijzondere situatie dat de omgeving sterk in beweging is en een kwalitatieve impuls krijgt, terwijl voor de locatie zelf geen visie is. Een hele belangrijke ontwikkeling is de verplaatsing van het (winkel)centrum direct aan de andere kant van de Van Aalstlaan. Daardoor ontstaat in de hele wijk een zwaartepuntverandering richting het plangebied. Rondom het deel van Palenstein waar een wijkvisie voor is gemaakt is een Rand van Palenstein te onderscheiden (zie ook figuur 3.1). De rand wordt begrensd door de bovenwijkse infrastructuur zoals de Australiëweg, de Randstadrail en historische waterlopen zoals de Schinkelweg en de Zegwaartseweg. De bebouwing in deze rand is meestal een stuk jonger dan de wijk zelf (jaren 70 en 80). Daarnaast zijn hier voornamelijk niet-wonen functies beland, zoals utilitaire/commerciële en maatschappelijke voorzieningen bijvoorbeeld een KPN schakelgebouw, het Monuta-uitvaartgebouw, een pompstation met garage (tweemaal), drie schoolgebouwen ten behoeve van het voortgezet onderwijs, een RandstadRail halte en een aantal bedrijfsgebouwen. De woongebouwen in deze zone kenmerken zich als solitaire alzijdige wooncomplexen.
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
34/62
Het Van Doornenplantsoen, waar onderhavig plangebied in is gelegen, is ontworpen als monofunctionele onderwijsdriehoek in de modernistische traditie en heeft een geïsoleerde ligging ten opzichte van de omliggende wijken omdat het omgeven is door infrastructuur en water.
Figuur 3.1 Stedenbouwkundig kader Rand van Palenstein
3.3
Cultuurhistorie en archeologie
Op basis van de Beleidskaart van Zoetermeer volgt dat het plangebied is gelegen in een gebied zonder archeologische waarden. Tevens kent het plangebied op basis van het vigerende bestemmingsplan geen dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Het aspect archeologie vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde woningbouwontwikkeling ter plaatse van het plangebied.
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
35/62
Figuur 3.2 Uitsnede Beleidskaart archeologie Zoetermeer (plangebied als oranje ster gemarkeerd).
Het plangebied is in de huidige situatie onbebouwd en braakliggend. Er zijn ter plaatse geen gemeentelijke-, provinciale dan wel Rijksmonumenten aanwezig. Het aspect cultuurhistorie vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling waar voorliggend plan in voorziet. In het geval van een vondst waarvan redelijkerwijs wordt vermoed dat het een archeologische vondst betreft, dan wordt dit op grond van artikel 5.10 Erfgoedwet zo spoedig mogelijk gemeld (Algemene meldingsplicht).
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
36/62
Hoofdstuk 4 4.1
Beschrijving plan
Projectplan
Algemene toelichting De ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt betreft de realisatie van een nieuw onderwijsgebouw alsmede de bouw van een nieuwe sporthal. In het nieuwe onderwijsgebouw zal Stichting Lucas Onderwijs zich vestigen. Stichting Lucas Onderwijs is een dynamische en betrokken stichting voor bijzonder primair en voortgezet onderwijs. Zij werken vanuit de visie dat ieder kind recht heeft op het best denkbare onderwijs en willen hierbij een schoolgebouw ontwerpen, welke past bij het onderwijs van vandaag en morgen en de bijzondere omgeving en locatie waar het komt te liggen. Het bouwen van deze nieuwe school is het begin van een upgrade van het hele gebied Van Doornenplantsoen. Door de school aan de noordzijde van het centraal liggende groene dijklichaam te situeren ontstaat meer evenwicht in het gebied, omdat tot op heden de bebouwing alleen aan de zuidzijde ligt. Het zal daarmee ook het eerste gebouw zijn in het van Doornenplantsoen dat nadrukkelijk zichtbaar is vanuit de Australiëweg. Daarom wordt ook een hoogte van drie lagen voorgesteld, deze is hoger dan de bestaande schoolgebouwen. Concreet programma en bouwvolume De nieuw te realiseren onderwijslocatie zal een plek bieden aan maximaal 550 leerlingen. Het onderwijsgebouw wordt daarnaast over een oppervlak van maximaal 6.200 m2 gerealiseerd.
Beoogd is in het nieuwe onderwijsgebouw Motion Beweeg College te huisvesten. Op het nieuwe Motion Beweeg College starten leerlingen elke dag met bewegen. De leerlingen kunnen kiezen uit drie richtingen: voetbal, dans of algemeen beweging. In het gebouw is derhalve ruimte voor diverse leslokalen en overige voorzieningen, zoals een aula en een schoolkantine. Het onderwijsgebouw wordt maximaal 15 meter hoog. In het plangebied wordt daarnaast voorzien in voldoende fietsparkeergelegenheid alsmede een openbaar toegankelijk schoolplein. De nieuwe sporthal wordt gebouwd vanwege het tekort aan sporthallen in Zoetermeer. De nieuwe sporthal wordt overdag gebruikt door de scholen. Daarnaast zullen ook de Zoetermeerse sportverenigingen en gehandicapten- en wedstrijdsport de zaal gebruiken. Een aantal gezamenlijke ruimten zal worden gedeeld met het MOTION Beweeg College (entree, garderobe, kleedruimte, toiletten). Dankzij deze samenwerking wordt de sporthal optimaal benut. De sporthal heeft eveneens een maximale bouwhoogte van 15 meter en kent een oppervlak van maximaal 2.250 vierkante meter. 4.2
Ruimtelijke inpassing
Het plangebied (Nieuwbouw Van Doornenplantsoen) heeft een aantal karakteristieke eigenschappen: aan de noordzijde wordt het gebied begrensd door de "Parklane" Australiëweg, deze is onderdeel van de hoofdverkeerstructuur. door het hart van het gebied ligt een groen dijklichaam. samen met het MBO en het Erasmus college vormt het de scholendriehoek. aan de zuidzijde wordt het gebied begrensd door het tracé van de RandstadRail met een halte. De locatie van de nieuwbouw kent een aantal verschillende zijdes, per zijde zal het gebouw reageren op de aanliggende (openbare) ruimte zowel functioneel als in beeldkwaliteit: een “herkenbaar gezicht” naar de noordzijde aan (hoger gelegen)de Australieweg. aan de oostzijde ligt het aan de gemeenschappelijke parkeervoorziening. Dit is een grootschalig parkeerveld. oriëntatie en belangrijkste ingang aan de zuidzijde aan het groene dijklichaam. Het
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
37/62
gebouw zelf kan op een directe manier of door middel van een intermediaire buitenruimte aansluiting zoeken met de groene dijk. Het hoogteverschil van het dijklichaam zou creatief gebruikt kunnen worden. aan de westzijde aan een korfbalveld. Afhankelijk van de toekomstige (sport) relatie kan hier op worden gereageerd. Voor wat betreft beeldkwaliteit en architectuur zijn de volgende randvoorwaarden gesteld: eigentijds met een knipoog naar het modernisme. frisse en sportieve uitstraling; sport en bewegen als basis. opvallende en gastvrije entree. duurzaam: klimaatadaptief, natuurinclusief en circulair bouwen. 4.3
Verkeer en vervoer
4.3.1
Autoverkeer
In Zoetermeer worden de wegen volgens het principe van Duurzaam Veilig vormgegeven. Dit is vastgelegd in de 'Nota Duurzaam Veilig 1e fase' uit 1998 en het 'Actieplan Verkeersveiligheid 2013'. Het betekent dat wegen worden verdeeld in wegcategorieën. Aan deze wegcategorieën zijn snelheid, gebruik en inrichting gekoppeld. Doel is het verhogen van de herkenbaarheid en de verkeersveiligheid. De volgende wegcategorieën worden onderscheiden: Stroomwegen Stroomwegen zijn onderdeel van het hoofdwegennet van Zoetermeer. De wegen hebben als functie het snel afwikkelen van grote hoeveelheden doorgaand verkeer. Deze wegen verbinden wijken met elkaar en leiden het verkeer naar de A12 en de provinciale wegen. De maximum toegestane snelheid op stroomwegen bedraagt 70 km/uur. Daarnaast fungeert de Rijksweg A12 als stroomweg op het schaalniveau van het Rijk. Langzaam verkeer wordt niet via de stroomwegen afgewikkeld en kruist de stroomwegen uitsluitend ongelijkvloers of via verkeerslichten (verkeersregelinstallaties). Gebiedsontsluitingswegen Gebiedsontsluitingswegen hebben als functie het verdelen en verzamelen van verkeer en woningen en bedrijven bereikbaar te maken. Het langzaam verkeer moet zoveel mogelijk gebruik maken van vrijliggende fiets- en voetpaden. Er is geen parkeergelegenheid op of terzijde van de rijbaan. De maximum snelheid bedraagt 50 km/uur.
Er wordt binnen de gemeente Zoetermeer onderscheid gemaakt tussen 'drukke gebiedsontsluitingswegen' en 'stille gebiedsontsluitingswegen', waarbij het onderscheid o.a. gemaakt wordt door de verkeersintensiteit (meer respectievelijk minder dan ongeveer 6.000 motorvoertuigen per etmaal). Erftoegangswegen Dit type wegen is onderdeel van een woon- of verblijfsgebied en heeft als belangrijkste functie het rechtstreeks ontsluiten van particuliere en openbare percelen. Op erftoegangswegen staat de verblijfsfunctie voorop en niet de verkeersfunctie. Er is geen sprake van een hoog percentage doorgaand verkeer. Fietsers rijden in principe over de rijbaan. Dit type wegen heeft een 30 km/h regime of is een woonerf. De interne wegen binnen het plangebied zullen bestaan uit erftoegangswegen met een 30 km/h regime. Relatie tot het plangebied Het plangebied is gelegen aan het Van Doornenplantsoen welke via de Du Meelaan en Van Aalstlaan aansluiting geeft op de Australiëlaan. Het Van Doornenplantsoen, de Du Meelaan en de Van Aalstlaan zijn allen 30 tot 50 km/uur wegen en betreffen wegen voor bestemmingsverkeer dan wel gebiedsontsluitingswegen. De Australiëlaan is een 70 km/uur weg en maakt onderdeel uit van de Zoetermeerse hoofdwegenstructuur. In de huidige situatie kent het plangebied geen verkeersaantrekkende werking. Als gevolg van de beoogde nieuwbouw zal hier verandering in komen.
Om de verkeersaantrekkende werking
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
38/62
van het nieuwe plan te berekenen is gebruik gemaakt van de kencijfers van de CROW-publicatie 381. Op basis hiervan is het plangebied aan te merken als 'zeer sterk stedelijk gebied', met de ligging in de schil van het centrum van Zoetermeer. Op basis van deze kenmerken en de beoogde functies zijn de volgende kencijfers vastgesteld: minimaal 8,8 en maximaal 15,4 verkeersbewegingen per 100 leerlingen voor een middelbare school minimaal 6,3 en maximaal 8,1 verkeersbewegingen per 100 m2 voor een sporthal Dit resulteert in de volgende, gemiddelde, verkeersaantrekkende werking: 67 verkeersbewegingen voor een middelbare school (12,1 x 5,5 leerlingen) 162 verkeersbewegingen voor een sporthal (7,2 x 22,5 m2) De totale toename van verkeersbewegingen bedraagt derhalve 229 verkeersbewegingen per etmaal. De verwachting is dat het omliggende wegennet over voldoende capaciteit beschikt om de verkeersaantrekkende werking van het plan op te vangen. Tot slot wordt hierbij opgemerkt dat de beoogde kleinschalige detailhandel geen zelfstandige verkeersaantrekkende werking genereert. De kleinschalige detailhandel is immers uitsluitend toegestaan wanneer deze gerelateerd is aan de onderwijsfunctie (het fungeert immers als opleidingswinkel in de school) en heeft een buurtfunctie. 4.3.2
Fietsverkeer
Zoetermeer beschikt over een fietsnetwerk dat bestaat uit een hoofdnetwerk, een verbindend netwerk en overige onderliggende voedende fietsroutes. Deze functionele indeling is doelmatig, omdat hierdoor een bepaalde hiërarchie tussen verschillende fietsroutes wordt aangeduid. Ook de daarmee samenhangende kwaliteitscriteria zijn anders. Om het fietsen aantrekkelijk te maken, moeten beide fietsnetwerken aan een aantal kwaliteitseisen voldoen. Op basis van het 'Actieplan fiets 2014-2030' blijkt dat in Zoetermeer goede condities aanwezig zijn voor verdere verhoging van het fietsgebruik. Het doel van Zoetermeer (en het Stadsgewest Haaglanden) is om het aantal fietsverplaatsingen in 2030 te laten stijgen met 50% ten opzichte van 2012. Dit kan eveneens leiden tot een toename van het aandeel fiets in de vervoerwijzekeuze (modal split) van enkele procenten. Om deze ambitie te realiseren wordt ingezet op gerichte acties en maatregelen om het fietsgebruik onder de verschillende doelgroepen te verhogen. Relatie tot het plangebied In paragraaf 2.4.10 is het bestaande fietsnetwerk rondom het plangebied reeds beschreven. 4.3.3
Openbaar vervoer
Het plangebied wordt ontsloten per openbaar vervoer met: RandstadRail Busvervoer RandstadRail RandstadRail is een netwerk van sneltramverbindingen. Lijn 3 en 4 rijden van Zoetermeer naar Den Haag. In Zoetermeer rijdt lijn 3 over de "krakeling". Lijn 4 rijdt naar Oosterheem. Op zowel de "krakeling" als de tak naar Oosterheem is sprake van een hoge frequentie in de spitsturen en een lagere frequentie in de daluren. De halte Palenstein is op circa 600 meter van het plangebied gelegen (8 loopminuten). Busvervoer In Palenstein zijn verschillende bushaltes aanwezig. De dichtstbijzijnde bushalte bij het plangebied is de bushalte aan de Vaartdreef. Deze bushalte is op circa 400 meter van het plangebied gelegen (5 loopminuten). Hiervandaan rijdt buslijn 165 richting Alphen aan den Rijn en Zoetermeer.
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
39/62
4.3.4
Parkeren
Voor het parkeren wordt uitgegaan van het vigerende gemeentelijke parkeerbeleid. Op dit moment zijn dat de parkeernormen die voortvloeien uit de op 16 december 2019 door de gemeenteraad van Zoetermeer vastgestelde "Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels Zoetermeer 2019". Uit de regels behorende bij dit bestemmingsplan vloeit voort dat bij indiening van de omgevingsvergunning voor bouwen getoetst moet worden aan dit parkeerbeleid. In het beleid is voorgeschreven hoe de parkeervraag van een ontwikkeling berekend moet worden en op welke manier deze moet worden geaccommodeerd dan wel onder welke voorwaarden daarvan kan worden afgeweken. In de regels is hiernaar verwezen. Dit betekent dat bij elk concreet plan dat wordt ingediend, de indiener moet aantonen dat in de parkeerbehoefte kan worden voorzien. Dit wordt gedaan door te toetsen aan het dan geldende parkeerbeleid. De beleidsregels worden regelmatig bijgesteld. Om die reden is in de regels ook vastgelegd dat indien de beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met de wijziging. Dat biedt de nodige flexibiliteit in het parkeerbeleid zonder dat het bestemmingsplan gewijzigd moet worden. Naast deze dynamische parkeerverwijzing moet het wel mogelijk zijn om, afhankelijk van het in te dienen plan, de benodigde parkeerplaatsen te kunnen realiseren.
Met andere woorden: de gekozen bestemming en bouwmogelijkheden die in de regels en op de verbeelding van dit bestemmingsplan aangegeven zijn, moet het wel mogelijk maken om de parkeerplaatsen te realiseren. In voorliggend bestemmingsplan betreft de gekozen bestemmingen 'Maatschappelijk'. Binnen deze bestemming worden parkeerplaatsen op maaiveld toegestaan. Omdat vooralsnog ervan uit wordt gegaan dat parkeren niet op eigen terrein, maar in de openbare ruimte zal plaatsvinden is een parkeerbalans opgesteld die uitgaat van het voorlopig ontwerp. In deze parkeerbalans is ook rekening gehouden met de parkeerbehoefte van de parkeervoorzieningen in de directe omgeving. Uit de parkeerbalans volgt dat, conform de parkeernormen en aanwezigheidspercentages behorende bij het parkeerbeleid voor zone B, voor alle bestaande voorzieningen én de nieuwe school en sporthal een parkeerbehoefte van maximaal 231 parkeerplaatsen op het maatgevende moment (werkdagmiddag/werkdagochtend).
In de directe omgeving van het plangebied zijn 309 parkeerplaatsen aanwezig, waardoor er voldoende ruimte is om in de parkeerbehoefte te voorzien. Parkeren staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
40/62
Hoofdstuk 5
Milieu en leefkwaliteit
5.1
Geluidhinder
5.1.1
Regelgeving en beleid
De Wet geluidhinder, en het hierop gebaseerde Besluit geluidhinder, bevatten normen en regels ter voorkoming of beperking van geluidhinder ten gevolge van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai afkomstig van een gezoneerd industrieterrein. Aangegeven wordt welke objecten bescherming genieten tegen geluid. Naast woningen gaat het onder meer om scholen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, psychiatrische ziekenhuizen. Woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonschepen worden aangemerkt als geluidsgevoelige terrein. Verplicht akoestisch onderzoek Bij de realisatie van woningen en overige geluidgevoelige objecten dient een akoestisch onderzoek te worden verricht waarin wordt aangetoond dat aan de geluidnormen krachtens de Wet geluidhinder wordt voldaan. Onderscheid wordt gemaakt tussen bestaande en nieuwe situaties. Voor nieuwe situaties gelden er strengere normen dan voor bestaande. Omdat de geluidsbelasting afneemt bij een toenemende afstand heeft de wetgever geluidszones gedefinieerd, een soort aandachtsgebieden, waarbinnen akoestisch onderzoek dient te worden verricht. Zonering Wegen, spoorwegen en zoneringsplichtige industrieterreinen kennen geluidszones. De geluidszone is het afgebakende gebied waarbinnen normen en grenswaarden van de Wet geluidhinder en de daarbij behorende uitvoeringsbesluiten van toepassing zijn.
De omvang van de geluidszones voor wegverkeer zijn afhankelijk van het aantal rijstroken en zijn vastgelegd in de Wet geluidhinder. Bij railverkeer zijn de zonebreedtes eveneens landelijk bepaald. Deze zijn vastgelegd in het Besluit geluidhinder. Voor een zoneringsplichtig industrieterrein wordt de geluidszone voor ieder afzonderlijk industrieterrein vastgesteld. Deze geluidszone wordt vastgesteld door middel van Zonebesluit en vastgelegd op een zonekaart of door middel van een bestemmingsplan, waarbij de zone wordt vastgelegd op de bestemmingsplankaart. Niet ieder industrieterrein is zoneplichtig. Zoneringsplichtig zijn alleen dié industrieterreinen waarop bepaalde soorten bedrijven die veel lawaai veroorzaken aanwezig zijn of zich kunnen vestigen. In onderdeel D, Bijlage 1 Besluit omgevingsrecht zijn de "grote lawaaimakers" volgens de Wet geluidhinder aangewezen. De geluidszonering van vliegvelden is gebaseerd op het werkelijke gebruik van die vliegvelden. De zonering is vastgelegd in zonekaarten per vliegveld. Het Zoetermeers grondgebied ligt niet binnen een geluidszone van een vliegveld. Normstelling De normstelling onderscheidt voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. De voorkeursgrenswaarde wordt voor alle (nieuwe) situaties nagestreefd. Realisatie hiervan is echter niet altijd mogelijk.
De wet biedt de mogelijkheid om ontheffing te verkrijgen van de voorkeursgrenswaarde tot de maximale ontheffingswaarde. Hogere waarde procedure Als uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting de voorkeursgrenswaarde overschrijdt, moet worden onderzocht of er mogelijke maatregelen zijn te treffen om het geluidsniveau terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde. Hierbij moet eerst worden gekeken naar mogelijke maatregelen bij de bron (bijvoorbeeld geluidsreducerend wegdek), dan in de overdracht (bijvoorbeeld geluidsschermen) en dan pas bij het 'ontvangend' object (bijvoorbeeld. extra gevelisolatie). Voor het verkrijgen van een ontheffing voor een hogere waarde dient een hogere waarde procedure te worden gevoerd. Geluidbeleid gemeente Zoetermeer
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
41/62
De gemeente Zoetermeer hanteert een eigen geluidbeleid bij het vaststellen van hogere waarden. Dit beleid is omschreven in het 'Beleid hogere waarden, beleid voor bouwen bij een hogere geluidbelasting' van 29 september 2009. In dit geluidbeleid wordt naast de wettelijk vastgestelde hoofdcriteria eveneens een viertal aanvullende voorwaarden omschreven op grond waarvan de hogere waarden kunnen worden verleend. Aan deze voorwaarden hoeft alleen te worden voldaan indien de voorkeursgrenswaarde met meer dan 5 dB wordt overschreden. Deze voorwaarden zijn: bij een aanvraag om bouwvergunning moet een bouwakoestisch onderzoek worden bijgevoegd en wordt getoetst of wordt voldaan aan de binnenwaarde zoals genoemd in het Bouwbesluit; bij appartementen en andere woningen dient minimaal 1 verblijfsruimte in de woning aan de geluidluwe zijde (maximaal 48 dB) te worden gerealiseerd; aan de geluidluwe zijde wordt een volwaardige buitenruimte (tuin of balkon) gesitueerd (minimaal 6 m2); het stedenbouwkundige ontwerp wordt zodanig vormgegeven dat daarbij zoveel mogelijk afscherming voor het achterliggende gebied ontstaat. Op 6 juni 2017 heeft de gemeente een aanvulling vastgesteld op het voornoemde ontheffingenbeleid, zoals omschreven in 'Afwijkingsregels hogere waardenbeleid geluid'.
Voor nieuwbouwsituaties in (krappe) binnenstedelijke omgevingen zijn de volgende beleidsregels opgenomen (citaat): de mogelijkheid om de eis van een eigen buitenruimte te laten vervangen door een gemeenschappelijke buitenruimte als er redelijkerwijs geen eigen buitenruimte voor elke woning mogelijk is; een balkon aan de geluidbelaste zijde met gesloten balkonschermen toe te staan in situaties waar een balkon aan de geluidluwe zijde niet mogelijk is; geen geluidluwe zijde te eisen in uitzonderingssituaties zoals bij hoekwoningen binnen een appartementengebouw dat is gelegen aan twee geluidbelaste wegen waardoor het niet mogelijk is om een geluidluwe zijde te realiseren. 5.1.2
Relatie tot het plangebied
Het beoogde onderwijsgebouw is aan te merken als een geluidgevoelig object. In dat kader heeft DGMR een akoestisch onderzoek verricht naar de geluidbelasting van het wegverkeer op het plangebied. In het akoestisch onderzoek is de maximale planologische invulling van dit bestemmingsplan als uitgangspunt genomen. De rapportage van DGMR is opgenomen in Bijlage 1 van deze toelichting. Hieronder worden de resultaten weergegeven. Resultaten Uit het akoestisch onderzoek volgt dat ten gevolge van de Australiëweg op de gehele noord-, oost- en westzijde van het plangebied de voorkeurswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt overschreden. Het treffen van geluidmaatregelen is door DGMR onderzocht, maar stuit op bezwaren van verkeerskundige, financiële, beheerstechnische en stedenbouwkundige aard. Derhalve zijn hogere grenswaarden nodig. Op de gehele zuidzijde wordt voldaan aan de voorkeurswaarde. Ten gevolge van de Vaartdreef wordt op alle gevels voldaan aan de voorkeurswaarde (48 dB). Op basis van de berekende waarden hoeven daarom geen maatregelen te worden beschouwd of hogere waarden te worden vastgesteld. Voor de 30 km/u wegen geldt het volgende. Op de noord- en westzijde wordt voldaan aan de voorkeurswaarde. De 30 km/u wegen leiden op de oost- en zuidgevel (tot de 4e bouwlaag) tot een overschrijding van de voorkeurswaarde.
Hierbij moet worden opgemerkt dat in het rekenmodel het Van Doornenplantsoen op zeer korte afstand (circa 3 meter) ligt van het plangebouw. In het definitieve ontwerp zal het te realiseren gebouw hoogstwaarschijnlijk op grotere afstand van het Van Doornenplantsoen liggen, wat een gunstig effect heeft op de geluidbelasting.
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
42/62
Tot slot is door DGMR het opgetelde geluidsniveau inzichtelijk gemaakt. Het opgetelde geluidsniveau bedraagt 65 dB (exclusief aftrek) op de noordzijde van het plangebied. Deze geluidsbelasting wordt echter geheel veroorzaakt door de Australiëweg. Op de overige zijden zijn de hoogst berekende geluidsbelastingen rond de 60 dB. 5.1.3
Conclusie
Het aspect geluid staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg. In het kader van het ontwerpbestemmingsplan is een ontwerpbesluit hogere grenswaarden voorbereid, die samen met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd. 5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Regelgeving en beleid
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of project locatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van actuele risico's.
Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. 5.2.2
Relatie tot het plangebied
In opdracht van gemeente Zoetermeer is door ATKB B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in het plangebied. In deze paragraaf worden de resultaten van het onderzoek weergegeven. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 2 van deze toelichting. Aanleiding voor het verkennend onderzoek is de voorgenomen nieuwbouw in het plangebied. Het doel van het onderzoek is het vaststellen van de huidige kwaliteit van de bodem, dat wil zeggen de kwaliteit van de grond en het grondwater. Het onderzoek is uitgevoerd conform de eisen uit de normen NEN 5725 en NEN 5740. In het onderzoek zijn de locatie- en achtergrondgegevens, de opzet, de uitvoering van het onderzoek en de behaalde resultaten uitgewerkt. Op basis van de interpretatie van alle gegevens en de toetsing aan de doelstelling(en) van het onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken: De bodem op de locatie bestaat tot gemiddeld 0,4 m-mv uit zand, gevolgd door klei tot 1,5 m-mv, gevolgd door zand tot de maximale boordiepte. De stijghoogte van het grondwater is vastgesteld op 1,7 m-mv. In de bodem zijn bij één boring resten met baksteen aangetroffen. De bodemopbouw ter plaatse van de gedempte watergang wijkt niet af van de opbouw van de omliggende bodem. Vermoedelijk is de watergang met gebiedseigen grond gedempt. Vervolgonderzoek is niet noodzakelijk.
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
43/62
Op het maaiveld en in het opgeboorde materiaal is geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Daarnaast is geen (bijmenging met) puin vastgesteld (een spotje goed definieerbaar baksteen uitgezonderd) en is de locatie op basis van historische gegevens niet verdacht voor het voorkomen van asbest. Er is geen directe aanleiding voor aanvullend onderzoek. Om aan- of afwezigheid van asbest in grond met enige zekerheid vast te stellen, is een onderzoek conform NEN 5707 altijd noodzakelijk. In de boven- en ondergrond zijn geen verontreinigingen vastgesteld. De bijmenging met baksteen heeft geen negatieve invloed op de bodemkwaliteit. Het grondwater is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters. De gehanteerde onderzoekshypothese “De bodem is niet verontreinigd met de parameters uit het standaardpakket” is bevestigd. De gehanteerde onderzoekstrategie voor een onverdachte locatie is daarmee correct. Nader onderzoek wordt in het kader van de doelstelling van het onderzoek (nieuwbouw) niet noodzakelijk geacht. Op basis van de verkregen resultaten wordt de bodemkwaliteit op de locatie geschikt geacht voor het voorgenomen gebruik als onderwijs- en sportlocatie. De bevoegde instantie die dit uiteindelijk moet beoordelen is in deze gemeente Zoetermeer. 5.2.3
Conclusie
Uit het verkennend bodemonderzoek volgt dat de bodemkwaliteit geschikt wordt geacht voor het voorgenomen gebruik en dat nader bodemonderzoek niet aan de orde is. Het aspect bodem staat daarmee de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Regelgeving en beleid
De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer, ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. Deze wijziging van de Wet milieubeheer is op 15 november 2007 in werking getreden en vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. De wijziging houdt in dat de in Nederland toegepaste koppeling tussen ruimtelijke ordening en luchtkwaliteit voor een deel wordt ontkoppeld. Dit maakt het mogelijk om niet voor elk ruimtelijk plan te hoeven toetsen aan de normen. Hierbij is met name het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) van belang. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Sinds de verlening van derogatie door de Europese Unie en de inwerkingtreding van het NSL per 1 augustus 2009 is de definitie van NIBM een bijdrage van niet meer dan 3% aan de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m3 van zowel PM10 als NO2. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk gemaakt kan worden dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Om versnippering van ‘in betekenende mate’ projecten in meerdere NIBM-projecten te voorkomen is een anti-cumulatieartikel opgenomen. De bijdrage van NIBM-projecten aan de luchtverontreiniging wordt binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) gecompenseerd met algemene maatregelen. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit is de kern van de Wet luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel alle ruimtelijke ontwikkelingen die 'in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als een bundeling van alle maatregelen ter verbetering
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
44/62
van de luchtkwaliteit. Deze maatregelen, zowel rijksmaatregelen als lokale, meer gebiedsgerichte, maatregelen, moeten leiden tot een verbetering van de luchtkwaliteit waardoor de 'in betekenende mate' ontwikkelingen alsnog doorgang kunnen vinden. Op basis van bovenstaande volgt dat bestuursorganen een ruimtelijk plan kunnen vaststellen als: wordt voldaan aan de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden, of een plan (per saldo) niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit, of een plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt, of een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit als gevolg van een ontwikkeling wordt gecompenseerd met een verbetering door een als gevolg van dat plan optredend effect of een met het besluit samenhangende maatregel (saldering zoals bedoeld in art. 5.16 lid 1 onder b Wet milieubeheer), of de ontwikkeling is opgenomen in het NSL.
5.3.2
Relatie tot het plangebied
(Niet) in betekenende mate Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling niet in betekenende waarde uitgewerkt in concrete voorbeelden. Deze concrete voorbeelden zien echter niet toe op de realisatie van een onderwijsgebouw en een sporthal. Derhalve dient op basis van de NIBM-tool te worden bepaald of de luchtkwaliteit als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling in betekenende mate verslechterd. Uit de NIBM-tool 2022 (geraadpleegd op 10 augustus 2022) volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate is.
Figuur 5.1 Uitsnede NIBM-tool (geraadpleegd op 10 augustus 2022)
Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de totale concentratie is ter plaatse van een specifiek rekenpunt. De totale concentratie bestaat uit de achtergrondconcentratie (op basis van de GCN-kaart) en de lokale bijdrage (van lokale bronnen, op basis van data over o.a. verkeersgegevens). Aan de hand daarvan kan worden
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
45/62
beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. Het dichtstbijzijnde rekenpunt is punt 125803 gelegen tussen het plangebied en de Australiëlaan. Uit de resultaten van monitoringstool blijkt dat de totale concentraties voor NO2, PM10 en PM2,5 onder de grenswaarden van 40 µg/m3 voor NO2 en PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5 liggen. De maximale bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkeling, is niet van zodanige omvang dat een overschrijding van de grenswaarden hierdoor te verwachten is. Zie hiertoe onderstaand figuur 5.2.
Figuur 5.2: totale concentraties in 2020 en 2030 (bron: www.nsl-monitoring.nl)
5.3.3
Conclusie
De beoogde ontwikkeling draagt 'niet in betekenende mate' bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Bovendien is sprake van een goed woon- en leefklimaat, gelet op de totale concentraties en de verkeersaantrekkende werking van het project. Het aspect luchtkwaliteit staat derhalve niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg. 5.4
Water
5.4.1
Regelgeving en beleid
Het Hoogheemraadschap van Rijnland is de waterkwaliteits- en waterkwantiteitsbeheerder in het plangebied. Samen met gemeente Zoetermeer en het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpener-waard heeft Rijnland het Waterplan Zoetermeer opgesteld met als doelstelling het behouden en versterken van een duurzaam watersysteem. Onder de verantwoordelijkheden vallen onder andere beveiliging tegen hoog water, peilbeheer en aan- en afvoer van water. Daarnaast wordt geadviseerd hoe om te gaan met hemelwater. In het algemeen zoekt het waterschap naar duurzame oplossingen. Uitgangspunt is dat het water zoveel mogelijk binnen een plangebied wordt vastgehouden en dat relatief schoon water ook relatief schoon blijft. Een toename van het verharde oppervlak in risicogebieden moet worden gecompenseerd met extra waterberging. Daarbij geldt dat het regenwater, dat op verharde oppervlaktes valt en schoon genoeg is (zoals van gevels en daken), zoveel mogelijk wordt vastgehouden of wordt geborgen. In verband met de waterkwaliteit dient de te realiseren bebouwing geen uitloogbare materialen toe te passen die in contact kunnen komen met het hemelwater. Tevens dient een gescheiden rioolstelsel te worden aangelegd. Het schone hemelwater van verharde oppervlakken kan op deze wijze via het hemelwaterriool worden afgevoerd naar het oppervlaktewater 5.4.2
Relatie tot het plangebied
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is de digitale watertoets doorlopen. De resultaten van de watertoets zijn in onderhavige waterparagraaf verwerkt. Waterkwaliteit Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse.
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
46/62
Waterkwantiteit Op basis van de Keur van Rijnland geldt een vrijstellingsgrens voor ontwikkelingen met een toename van het verhard oppervlak tot 500 m2. Door het toevoegen van een nieuwe sporthal en onderwijsgebouw op de planlocatie wordt deze grens overschreden. Gemeente Zoetermeer heeft derhalve in het memo 'Watertoets MOTION en sporthal (Van Doornenplantsoen' de compensatie-eis berekend en beschreven op welke wijze in deze watercompensatie wordt voorzien. Het memo is als Bijlage 3 bij deze toelichting opgenomen. In het plangebied zal de benodigde bergingscapaciteit voor het leeuwendeel worden gerealiseerd op het dak van de beoogde nieuwbouw. De resterende bergingseis wordt vormgegeven in één grote bak die gerealiseerd kan worden onder de trappenpartij of in de kruipruimte van het gebouw. In de nadere uitwerking van het ontwerp is een mogelijke overweging om de berging te combineren voor een eventueel grijswatersysteem in de school. Beschermde gebieden Op basis van de Legger Primaire Waterkeringen en de Legger Regionale Waterkeringen is het plangebied niet gelegen binnen een (beschermingszone van) primaire of regionale waterkering. Wel is een gedeelte van het plangebied gelegen op het talud van een primaire watergang. Dit is weergegeven op onderstaand figuur.
Figuur 5.3 Uitsnede Legger Oppervlaktewater (bron: Hoogheemraadschap van Rijnland)
Voor dit deel van de primaire watergang is geen beschermingszone opgenomen op de Legger Oppervlaktewater. Conform de beleidsregel ' Objecten in de beschermingszone van watergangen' geldt enkel een watervergunningplicht voor het plaatsen van objecten in de beschermingszone van een primaire watergang. Voor de onderhavige ontwikkeling is dit derhalve niet aan de orde. Riolering Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat de nieuwe gebouwen worden aangesloten op de bestaande riolering. Mocht dit niet mogelijk zijn, zal een nieuw, gescheiden rioleringstelsel worden aangelegd. 5.4.3
Conclusie
Het aspect water staat, met inachtneming van de watercompensatie, de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg. Wel zal in het kader van de nadere uitwerking een watervergunning moeten worden aangevraagd.
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
47/62
5.5
Bedrijven en milieuzonering
5.5.1
Regelgeving en beleid
Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Deze milieuzonering dient aldus twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; het bieden van voldoende ruimte en zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen. Een vergaande scheiding van functies kan echter ook leiden tot inefficiënt ruimtegebruik en een verlies aan ruimtelijke kwaliteit. Een gemengd gebied met een mix van wonen en werken, winkels en horeca stimuleert een levendig straatbeeld, een hogere sociale veiligheid en extra draagvlak voor voorzieningen. De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering is een handreiking voor milieuzonering in ruimtelijke plannen. Het boekje vormt een hulpmiddel voor gemeenten om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen voor een locatie concreet in te vullen. Het doel van de publicatie is om te komen tot maatwerk op lokaal niveau. Dit betekent dat gemaakte keuzes zorgvuldig moeten worden afgewogen en verantwoord.
De in de publicatie opgenomen richtafstanden zijn echter niet bedoeld om de aanvaardbaarheid te toetsen van situaties waarbij bestaande bedrijven in de nabijheid van bestaande woningen liggen. Het is dus niet bedoeld om bestaande situaties te beoordelen. De in de publicatie opgenomen richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van buurtgerichte voorzieningen, zoals basisscholen komen er vrijwel geen andere functies voor, behalve aan huis verbonden beroep of bedrijf. Anders dan rustige woonwijken, zijn er ook gebieden met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen, komen andere functies voor zoals winkels, horeca en of kleine bedrijven en voorzieningen. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Indien sprake is van een gemengd gebied kunnen deze richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat.