CConstaterende datZoetermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2- Toelichting bestemmingsplan Nieuwbouw Van Doornenplantsoen

Raadsvergadering 23 oktober 2023, gemeente ZoetermeerBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling Bestemmingsplan Nieuwbouw Van Doornenplantsoen22.171 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Figuur 5.4 Richtafstanden handreiking VNG

De richtafstanden ten opzichte van de omgevingstypen rustige woonwijk, rustig buitengebied

Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld

48/62

en gemengd gebied gaan uit van het principe van functiescheiding. Door het hanteren van richtafstanden tussen een bedrijventerrein of bedrijfslocatie en een gebied met een variatie aan functies (zoals wonen, horeca en kleine bedrijvigheid), wordt de toelaatbaarheid van milieubelastende functies beoordeeld. 5.5.2

Relatie tot het plangebied

Het plangebied zelf kan gekwalificeerd worden als het omgevingstype 'gemengd gebied'. In en direct rondom het plangebied zijn immers diverse functies toegestaan, zoals sport en maatschappelijk. Dit bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een onderwijsgebouw mogelijk alsmede een sporthal. Scholen vallen op basis van de VNG-publicatie binnen milieucategorie 2 (SBI 2008-code 852, 8531, 8532, 854 en 855). Voor het omgevingstype gemengd gebied geldt voor milieucategorie 2 een richtafstand van 10 meter. Een sporthal valt op basis van de VNG-publicatie binnen milieucategorie 3.1 (SBI 2008-code 931), waarvoor binnen het omgevingstype gemengd gebied een richtafstand van 30 meter geldt. De richtafstanden dienen gemeten te worden van de bestemmingsgrens van een hindergevende functie tot de gevel van een gevoelig object (zoals woningen of een onderwijsgebouw). Op onderstaand figuur is de maatgevende richtafstand van 30 meter gemeten vanaf de grens van het plangebied weergegeven. Hieruit is af te leiden dat zich binnen deze richtafstand geen gevoelige objecten, zoals woningen bevinden. Wel is ten zuiden/zuidwesten de functie 'Maatschappelijk' gelegen, waarbinnen onderwijs is toegestaan. Onderwijs is aan te merken als een gevoelige functie en deze is gedeeltelijk binnen de richtafstand van de beoogde sporthal gelegen. Het maatgevende hinderaspect betreft geluid.

Omdat in het plangebied een sporthal en een onderwijsgebouw wordt voorzien, dient daar vanuit akoestisch oogpunt reeds rekening mee te worden gehouden. In die zin, dat de geluiduitstraling vanuit de sporthal niet zodanig is, dat dit een belemmering vormt voor het onderwijsgebouw binnen het plangebied. Uit het onderzoek van DGMR volgt dat de beoogde sporthal eveneens geen belemmering vormt voor de in de omgeving gelegen onderwijsfuncties (zie ook paragraaf 5.1 Geluidhinder van deze toelichting). De overige binnen de richtafstanden gelegen functie betreft de functie sport en maatschappelijk. Voor deze functie geldt dat deze geen hinder ondervindt van de voorgenomen ontwikkeling en een toetsing aan de richtafstand achterwege kan blijven.

Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld

49/62

Figuur 5.5 Richafstand van 30 meter gemeten vanuit bestemmingsplangrens (bron: QGIS, eigen bewerking)

5.5.3

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg. 5.6

Externe Veiligheid

5.6.1

Regelgeving en beleid

Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt, transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en ondergrondse buisleidingen. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Aan het PR is een wettelijke grenswaarde verbonden die niet mag worden overschreden. Het PR wordt 'vertaald' als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen

Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld

50/62

kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een verantwoordingsplicht, kan afwijken. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR 5.6.2

Relatie tot het plangebied

Op basis van de risicokaart kan vastgesteld worden dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting, transportroute of overige stationaire risicobron.

Figuur 5.6 Uitsnede risicokaart, plangebied ter plaatse van oranje ster (bron: Atlas Leefomgeving, geraadpleegd op 10 augustus 2022)

Ter nadere toelichting: De A12 is immers op ruim 1,5 kilometer afstand van het plangebied gelegen. Over deze route worden brandbare vloeistoffen, brandbare gassen en giftige vloeistoffen vervoerd. De invloedsgebieden van brandbare vloeistoffen en brandbare gassen heeft een afstand van respectievelijk 45 en 325 meter. Het invloedsgebied van giftige vloeistoffen is 880 meter. Gelet op de afstand tussen de A12 en het plangebied, is het plangebied niet binnen het invloedsgebied gelegen. Aan de Van Aalstlaan 10 is een LPG-tankstation gevestigd. De jaarlijkse LPG-doorzet van dit tankstation is per vergunning van 16 maart 2012 beperkt tot 500 m3 per jaar. De bevoorrading van LPG naar het tankstation Van Aalstlaan vindt plaats via de Australiëweg en de Van Aalstlaan. De gemeente Zoetermeer heeft geen route gevaarlijke stoffen vastgelegd. Uitgegaan kan worden dat het aantal transporten op deze wegen

Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld

51/62

(bevoorrading van één tankstation) dusdanig laag is dat dit, vanuit het oogpunt van externe veiligheid, geen ruimtelijke gevolgen met zich meebrengt. Op ruim 1 kilometer afstand (ten oosten van het plangebied) is een buisleiding van de GasUnie gelegen. Deze buisleiding heeft een maximale werkdruk van 4.000 kPa en een uitwendige diamater van 219,1 mm. De 1%-letaliteitscontour bedraagt derhalve 95 meter en de 100%-letaliteitscontour 50 meter. Het plangebied ligt hier ruimschoots buiten. Nader onderzoek in het kader van externe veiligheid is derhalve niet vereist. 5.6.3

Conclusie

Het aspect externe veiligheid staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg. 5.7

Ecologie

5.7.1

Regelgeving en beleid

Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieen, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan de provincie ervoor kiezen om een gebied aan te wijzen als bijzonder nationaal natuurgebied- of landschap of als Nationaal Natuurnetwerk (NNN). Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Nationaal Natuurnetwerk De term EHS werd in 1990 geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan (NBP) van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

In 2013 veranderde de naam van Ecologische Hoofdstructuur naar Nationaal Natuurnetwerk (NNN). NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in of in de nabijheid van het NNN gelegen is, verlangt de provincie een "nee-tenzij-toets". 5.7.2

Relatie tot het plangebied

Door Bureau Stadsnatuur is een ecologishce quickscan uitgevoerd, welke zich richt op de drie aspecten van de Wet natuurbescherming: soortenbescherming, gebiedsbescherming en bescherming houtopstanden. In deze paragraaf worden de resultaten uit het onderzoek weergegeven. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 4 van deze toelichting. Resultaten soortenbescherming Na raadpleging van de NDFF Verspreidingsatlas Planten komen geen groeiplaatsen van beschermde plantensoorten binnen het plangebied naar voren. Tijdens het verkennend veldonderzoek in en direct rondom het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten of potentiële groeiplaatsen aangetroffen. Er zijn ook geen Zoetermeerse ‘Veldgidssoorten’ aangetroffen. Deze worden op basis van de terreingesteldheid ook niet verwacht.

Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld

52/62

In het plangebied komen geen situaties voor die zich kwalificeren als geschikt leefgebied voor beschermde insecten. In de omgeving van het plangebied komen geen populaties van in Nederland inheemse beschermde soorten insecten voor. In het plangebied is geen geschikt leefgebied aanwezig voor beschermde vissoorten, weekdieren of tweekleppigen. De watergang aan de noordkant valt grotendeels buiten het plangebied en wordt naar verwachting niet aangetast door de voorgenomen bouwwerkzaamheden. In het plangebied komen geen situaties voor die zijn aan te merken als geschikt leefgebied voor beschermde amfibieën. In de directe nabijheid van het plangebied komen geen populaties van in Nederland inheemse beschermd soorten amfibieën voor. De Rugstreeppad Epidalea calamita had tot en met 2020 een kleine populatie in Oosterheem, waarvan een deel zich op twee kilometer afstand van het plangebied bevond. Die twee kilometer bestaan echter uit aaneengesloten gebied vol barrières (bebouwing, verharde infrastructuur, hoog opgaand groen) en daardoor is er geen natuurlijke corridor, waardoor migratie naar het plangebied niet aannemelijk is. Bovendien was de locatie in 2021 geheel bebouwd en waren er geen Rugstreeppadden meer aanwezig. Wel kunnen in de slootoever naast het plangebied algemene soorten amfibieën voorkomen waarvoor in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt.

Het gaat met name om Bruine kikker Rana temporaria, Gewone pad Bufo bufo en Kleine watersalamander Lissotriton vulgaris. In het plangebied komen geen situaties voor die zijn aan te merken als geschikt leefgebied voor beschermde reptielensoorten. Inheemse soorten reptielen komen in de wijde omgeving niet voor. Uit de geraadpleegde verspreidingsgegevens komt de aanwezigheid van populaties van verschillende vogelsoorten naar voren. Vogelsoorten in Zoetermeer met jaarrond beschermde nesten of vaste rustplaatsen (waarvoor geldt dat vernieling of verwijdering ervan ontheffingsplichtig is) zijn Ooievaar Ciconia ciconia, Buizerd Buteo buteo, Havik Accipiter gentilis, Sperwer Accipiter nisus, Boomvalk Falco subbuteo, Slechtvalk F. peregrinus, Ransuil Asio otus, Huismus Passer domesticus en Gierzwaluw Apus apus. Er zijn geen nesten of andere aanwijzingen gevonden voor gebruik van het plangebied als vaste rustplaats door één van deze soorten. Een broedpaar Slechtvalk dat op 800 meter van het plangebied verblijft in een nestkast op een woontoren, was actief in het luchtruim in de ruime omgeving van het plangebied. De groenstrook langs de sloot aan de noordkant van het plangebied is geschikt als nestplaats voor enkele algemeen voorkomende vogelsoorten, waaronder Houtduif Columba palumbus, Merel Turdus merula, Winterkoning Troglodytes troglodytes en Heggenmus Prunella modularis.

De nesten van alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd door de Wet natuurbescherming. Nesten die in gebruik zijn mogen niet opzettelijk verstoord worden. Op basis van de biotoop en de verspreidingsgegevens kunnen de meeste strikt beschermde zoogdieren op voorhand worden uitgesloten. Het gaat om beschermde soorten van de Europese Habitatrichtlijn die onder art. 3.5 van de Wet natuurbescherming vallen. Van deze soorten is alleen het voorkomen van vleermuizen in het plangebied bekend. Alle soorten vleermuizen in Nederland zijn beschermd. De bescherming heeft niet alleen betrekking op de dieren zelf, maar ook op gebiedsfuncties. Het gaat hierbij om verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden en essentiële vaste vliegroutes. De in een stedelijke context van Zoetermeer meest voorkomende vleermuissoorten zijn Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii en Laatvlieger Eptesicus serotinus. Een essentiële vliegroute- of foerageerfunctie is uitgesloten op basis van de inrichting van het plangebied, dat vrijwel uitsluitend uit kortgemaaid gazon bestaat. Onder een essentieel foerageergebied wordt in dezen verstaan een foerageergebied dat van wezenlijk belang is voor het functioneren van een voortplantingsplaats of rustplaats wanneer er geen alternatieve foerageergebieden zijn om eventuele aantasting daarvan op te vangen (cf.

Kennisdocument Gewone dwergvleermuis). Gewone dwergvleermuis en Laatvlieger zijn gebouwbewonende soorten, op grond waarvan verblijfplaatsen in het plangebied zijn uitgesloten. De ook in bomen verblijvende Ruige dwergvleermuis en eventuele andere boombewonende soorten vleermuizen kunnen op voorhand worden uitgesloten op basis van het in het plangebied ontbreken van bomen met

Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld

53/62

voor vleermuizen als vaste rust- en verblijfplaats geschikte holtes. Voor wat betreft overige strikt beschermde, grondgebonden zoogdiersoorten die zouden kunnen worden verwacht in het plangebied, is de Steenmarter Martes foina een aandachtspunt. Het plangebied voorziet echter niet in elementen die door deze soort gebruikt kunnen worden als vaste rust- of verblijfplaats. Delen van het plangebied zijn geschikt voor algemene soorten zoogdieren waarvoor in de provincie ZuidHolland een vrijstelling geldt (Provinciale Staten van Zuid-Holland 2016b). Dit betreft soorten als Egel Erinaceus europaeus, Mol Talpa europaea en Huisspitsmuis Crocidura russula. In het veld zijn twee kleine concentraties molshopen aangetroffen, die wijzen op aanwezigheid van één of enkele exemplaren van deze soort. De groenstrook langs de sloot kan worden gebruikt om te foerageren en de kruidlaag biedt ook schuilmogelijkheden. Voor deze soorten is geen ontheffing of aanvullend onderzoek noodzakelijk. Wel geldt ten aanzien van deze dieren de Zorgplicht. Resultaten gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'De Wilck', zeven kilometer ten noordoosten van het plangebied. Alle overige beschermde natuurgebieden liggen op een veel grotere afstand. Invloeden (ook van buitenaf) mogen de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden niet in gevaar brengen.

Negatieve effecten (als gevolg van emissie, geluid, trilling of verlichting) op enig Natura 2000-gebied vallen redelijkerwijs uit te sluiten op basis van de afstand van deze gebieden tot het plangebied en de aard van de activiteiten die binnen het plangebied zullen plaatsvinden. Door DGMR is daarnaast een stikstofdepositieberekening uitgevoerd om te beoordelen of zich negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling op de in de nabijheid gelegen Natura 2000-gebieden voordoen. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 5 van deze toelichting. Uit het onderzoek volgt dat zowel in de aanleg- als in de gebruiksfase wordt voldaan aan de grenswaarde van 0,00 mol/ha/jaar. Er is derhalve geen vergunningplicht. Natuurnetwerk Nederland (NNN), Strategische reservering natuur & Belangrijk weidevogelgebied Het plangebied is niet gelegen in onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), Strategische reservering natuur & Belangrijk Weidevogelgebied. Gezien de locatie, aard en kleinschaligheid van de voorgenomenontwikkelingen is geen significant negatief effect aanwezig op de wezenlijke waarden en kenmerken, de oppervlakte of de samenhang van de dergelijke groengebieden. Resultaten bescherming houtopstanden Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom. Hiermee vallen eventuele bomen buiten de bescherming van beschermde houtopstanden als bedoeld in de Wet natuurbescherming.

In het plangebied zijn geen bomen aanwezig. 5.7.3

Conclusie

Het aspect ecologie staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg. 5.8

Bodemenergie

5.8.1

Regelgeving en beleid

De te bouwen projecten zullen niet meer worden aangesloten op het gasnet. De gemeente gaat geen medewerking verlenen aan een verzoek om een gebiedsaanwijzing zoals bedoeld in de ‘ministeriële regeling gebiedsaanwijzing gasaansluitplicht’ Een van de meest voor de hand liggende alternatieve energievoorzieningen zijn warmtepompen die gebruik maken van bodemenergie ter plaatse. In de binnenstad zijn al

Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld

54/62

enkele bodemenergiesystemen en er zijn ook meerdere systemen in voorbereiding. Mogelijk worden op termijn ook delen van de bestaande binnenstad aangesloten op een bodemenergiesysteem als de woningen van het aardgas worden gehaald. Onderzoek heeft aangetoond dat de capaciteit van de bodem op langere termijn niet voldoende is als er niet regulerend wordt opgetreden. Naar verwachting eind november 2021 wordt de binnenstad aangewezen als interferentiegebied op grond van de 'Verordening interferentiegebieden Zoetermeer' door de gemeenteraad. Het college heeft eveneens beleidsregels opgesteld, afgeleid uit het bodemenergieplan Binnenstad, die in werking treden zodra de Verordening interferentiegebieden in werking is getreden. De warmte en koude bronnen dienen in de stroken die aangegeven zijn in het bodemenergieplan te worden gerealiseerd. Bij voorkeur op eigen grond of van de buren. De gemeente ziet liever niet bronnen in de openbare ruimte, maar indien toch noodzakelijk dan is de 'Verordening Algemene Voorschriften Ondergrondse Infra' van toepassing. 5.8.2

Relatie tot het plangebied

In de nadere uitwerking van het plan zal duidelijk worden of een bodemenergiesysteem wordt toegepast. Wanneer dit aan de orde is, is de Verordening interferentiegebieden Zoetermeer van toepassing. 5.8.3

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect (bodem)energie geen belemmering vormt voor onderhavig plan. 5.9

Kabels en leidingen

5.9.1

Regelgeving en beleid

Voor sommige kabels en leidingen is het belangrijk deze op te nemen in het bestemmingsplan. Het gaat dan niet om de algemene nutsleidingen, maar om de leidingen waarbij bijvoorbeeld een veiligheidszone geldt of leidingen die een risico zijn als ze bij werkzaamheden geraakt worden. Bepaalde leidingen moeten vanuit regelgeving of rijksbeleid in een bestemmingsplan worden opgenomen. Dit is het geval bij bovengrondse hoogspanningslijnen en buisleidingen. Bij andere leidingen bepaald bevoegd gezag of dit wenselijk is, dit is bijvoorbeeld steeds vaker het geval bij ondergrondse hoogspanningsverbindingen. Dergelijke leidingen kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van de omgeving. De (planologische relevante) leidingen dienen als zodanig te worden bestemd en daarbij dient de afstand die moet worden vrijgehouden van bebouwing ter bescherming van de leiding, te worden aangeduid. Dit betreft de zogeheten beschermingszone. Naast planologisch relevante leidingen kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die planologisch niet relevant zijn, maar waar met de beheerder van de kabels en leidingen afstemming dient plaats te vinden over het beschermen dan wel verleggen van in en nabij een ontwikkellocatie gelegen kabels en leidingen.

Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld

55/62

5.9.2

Relatie tot het plangebied

In het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig. Daarnaast is op ruim 50 meter van het plangebied een ondergrondse 25-10 kV hoogspanningsverbinding gelegen. Sinds 2005 adviseert de Nederlandse rijksoverheid een voorzorgsprincipe voor bovengrondse hoogspanningslijnen. Inmiddels is het voorzorgsprincipe voor bovengrondse hoogspanningslijnen overgenomen voor ondergrondse hoogspanningsverbindingen. De RIVM richtlijn heeft het enkel over hoogspanningsverbindingen boven de 50 kV. In de omgeving van de projectlocatie zijn voor zover bekend geen kabelverbindingen gelegen met een spanning van meer dan 50 kV. Nader onderzoek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. 5.9.3

Conclusie

Het aspect kabels en leidingen staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg. 5.10

Strategische milieu-beoordeling

5.10.1 Wet- en regelgeving De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. De voorgenomen ontwikkeling kan gezien worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (figuur 5.6).

figuur 5.6: relevant onderdeel D. Activiteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarvan de procedure als bedoeld in de artikelen 7.16 t/m 7.20 van de wet van toepassing is.

De beoogde ontwikkeling valt niet binnen de richtwaarden van het Besluit m.e.r. ten aanzien van projecten waarbij milieusignificantie een rol speelt (kolom 2). De aard en omvang van het beoogde initiatief is zeer beperkt t.o.v. de richtwaarden van het Besluit m.e.r. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, dient een toets uitgevoerd te worden of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld

56/62

5.10.2 Vorm-vrije m.e.r. In maart 2023 is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld in de vorm van een aanmeldnotitie. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is als Bijlage 6 bij deze toelichting opgenomen. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat de activiteiten die mogelijk worden gemaakt in dit (ontwerp) bestemmingsplan, gelet op de kenmerken en de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, niet zodanig van invloed op het milieu zijn dat een milieueffectrapportage moet worden doorlopen. In de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt derhalve voorgesteld om het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Zoetermeer op basis van de aanmeldnotitie te laten besluiten dat geen milieueffectrapportage nodig is. Voor de goede orde moet worden opgemerkt dat de bijlagen bij de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. al als bijlagen bij deze toelichting zijn opgenomen en derhalve niet nogmaals zijn toegevoegd als bijlagen bij de aanmeldnotitie. 5.10.3 Conclusie Op 14 maart 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders besloten dat geen milieueffectrapportage hoeft te worden doorlopen. Het Besluit m.e.r. vormt derhalve geen belemmering voor deze ontwikkeling.

Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld

57/62

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische vormgeving

Inleidende regels

Het bestemmingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels bepalen de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de gronden. De bestemming is zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het plan is opgesteld op basis van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Het bestemmingsplan is primair bedoeld om de beoogde ontwikkelingen juridisch-planologisch mogelijk te maken. Het bestemmingsplan betreft dan ook een ontwikkelingsplan. De ruimtelijke en functionele kaders zijn voldoende duidelijk, waardoor gekozen is voor directe bouwtitels 6.1.1

Begrippen

In artikel 1 worden de begrippen die in de regels worden gebruikt omschreven. Sommige begrippen zijn voor meerdere uitleg vatbaar, daarom is het nodig om ze planologisch-juridisch af te bakenen en te preciseren, ten opzichte van het algemeen spraakgebruik. Zonder definitie zou een begrip tot verwarring kunnen leiden. 6.1.2

Wijze van meten

In artikel 2 wordt weergegeven hoe de in de regels opgenomen maten van een bouwwerk moeten worden gemeten. 6.2

Bestemmingsregels

6.2.1

Maatschappelijk

Binnen de bestemming ''Maatschappelijk' zijn maatschappelijke voorzieningen, uitsluitend in de vorm van onderwijs toegestaan. Daarnaast is ter plaatse van de functieaanduiding 'sporthal' een sporthal toegestaan. De functies zijn gemaximaliseerd om de invloed op de omgeving te kunnen verantwoorden. Gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd. Voor de bebouwing is een maximale hoogte opgenomen. 6.3

Algemene regels

6.3.1

Antidubbeltelregel

De antidubbeltelregel is een verplichte regel die voortkomt uit het Besluit ruimtelijke ordening. 6.3.2

Algemene afwijkingsregels

Dit artikel bevat de algemeen gebruikelijke afwijkingsmogelijkheden. Deze afwijkingsmogelijkheden gelden voor het hele plangebied. 6.4

Overige regels

In dit artikel zijn de algemene bouw- en gebruiksregels opgenomen over parkeernormen overeenkomstig de gemeentelijke parkeernota, zoals deze geldt op het moment van indienen van een aanvraag omgevingsvergunning.

Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld

58/62

6.5

Overgangs- en slotregels

6.5.1

Overgangsrecht

Deze artikelen regelen de bebouwing en het gebruik van gronden en opstallen, die op tijdstip van inwerkingtreding van dit plan in strijd zijn met de met de bouwregels, gebruiksregels of beide. 6.5.2

Slotregel

In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld

59/62

Hoofdstuk 7

Uitvoerbaarheid

7.1

Financiële uitvoerbaarheid

7.1.1

Grondexploitatie (artikel 6.12 Wro)

Op grond van het bepaalde in artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening is de gemeenteraad verplicht bij de vaststelling van een bestemmingsplan een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het onderhavige bestemmingsplan is een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voorzien. In afwijking van het bepaalde in artikel 6.12, lid 1 Wet ruimtelijke ordening bepaalt lid 2 van dit artikel dat de gemeenteraad kan besluiten bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen exploitatieplan vast te stellen indien: 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd (bijvoorbeeld via gronduitgifte, een anterieure overeenkomst over grondexploitatie); 2. het niet noodzakelijk is een tijdvak voor de exploitatie, dan wel een fasering in de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen vast te stellen; 3. het stellen van eisen voor de werken en werkzaamheden voor het bouwrijpmaken van het exploitatiegebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte in het exploitatiegebied, dan wel het stellen van regels omtrent het uitvoeren van die werkzaamheden, dan wel een uitwerking van de regels met betrekking tot de uitvoerbaarheid niet nodig is.

De gronden waarop in het onderhavige bestemmingsplan een bouwplan, als bedoeld in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, is voorgenomen, zijn in eigendom bij de gemeente. Het verhaal van kosten van grondexploitatie is hierdoor anderszins verzekerd via de gronduitgifte. Indien er een noodzaak bestaat om locatie-eisen of een fasering vast te stellen, dan zal dit eveneens worden gedaan via de gronduitgifte. 7.1.2

Economische uitvoerbaarheid

Op grond van het bepaalde in artikel 3.1.6 onder f. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in deze toelichting inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Deze uitvoerbaarheid heeft in het bijzonder betrekking op de financieel economische uitvoerbaarheid. De (financiële) uitvoering van het bestemmingsplan vindt volledig plaats via een gemeentelijke grondexploitatie. De grondexploitatie heeft een nadelig resultaat. De gemeenteraad heeft een verliesvoorziening getroffen ter hoogte van het nadelige saldo waarmee de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is geborgd. 7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Bestuurlijk vooroverleg Het voorontwerpbestemmingsplan is op grond van artikel 3.1.1 Bro opgestuurd naar verschillende overheden en instanties. Allen hebben aangegeven geen aanleiding te zien tot het maken van opmerkingen. Informeren omgeving Voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan is door gemeente Zoetermeer een participatieavond georganiseerd. Het verslag hiervan is in Bijlage 7 van deze toelichting opgenomen. Zienswijzen

Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld

60/62

Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een periode van zes weken ter inzage gelegen (van 25 mei tot en met 6 juli 2023). Binnen deze periode is een zienswijze ingediend, welke is ondertekend door meerdere personen. De zienswijze is beantwoord en heeft niet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan.

Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld

61/62

Hoofdstuk 8

Handhaving

Op 9 mei 2011 heeft de gemeenteraad de beleidsnota 'Niet alleen Handhaven', Handhavingsbeleid 2011-2014 vastgesteld. Dit beleid ziet onder meer op het handhaven van bestemmingsplannen. Een belangrijk uitgangspunt in dit beleid is de dubbele regelkring. Dit betekent dat er van wordt uitgegaan dat toezicht en handhaving niet alleen wettelijke taken zijn, maar vooral ook instrumenten om beleidsdoelen te realiseren. Voor de handhaving is een prioritering ingevoerd. Daarbij zijn weegfactoren benoemd op basis waarvan de onderwerpen die het belangrijkst worden gevonden, het zwaarst worden gewogen. Fysieke veiligheid geldt als belangrijkste weegfactor. Natuur en duurzaamheid is de minst zware weegfactor. Vervolgens zijn voor de handhaving per taakveld bouwen, milieu en openbare ruimte prioriteiten gesteld. De handhaving van bestemmingsplannen valt onder het taakveld bouwen. Bij elk taakveld is een rangschikking ontstaan van zeer grote risico's naar zaken die nauwelijks risico's in zich herbergen. De prioritering wordt vervolgens in jaarlijkse handhavingsuitvoeringsprogramma's vertaald naar aandachtsgebieden, bijvoorbeeld extra aandacht voor illegale dakopbouwen, dakkapellen of illegaal gebruik. Handhaving kan plaatsvinden via de publiekrechtelijke, privaatrechtelijke en strafrechtelijke weg.

Het college van Burgemeester en Wethouders is bevoegd om met bestuursrechtelijke sancties op te treden tegen overtredingen van regels van bestemmingsplannen. De bestuursrechtelijke sancties bestaan uit de bestuursdwang en het opleggen van last onder dwangsom. Door middel van het privaatrecht kan de gemeente op indirecte wijze het bestemmingsplan handhaven. Dat kan door gebruikmaking van haar bevoegdheden als eigenaar of van contractuele bevoegdheden. De strafrechtelijke vervolging is afhankelijk van het Openbaar Ministerie. Overtredingen op grond van bestemmingsplanregels vallen met ingang van 13 september 2004 onder de Wet op de economische delicten. Strafrechtelijk optreden is gewenst bij overtredingen waarvan de gevolgen niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden. De Wet op de economisch delicten biedt verder de mogelijkheid bij het opleggen van de straf rekening te houden met het economisch voordeel dat de overtreder heeft behaald. Ook biedt de wet de mogelijkheid de verplichting op te leggen om op eigen kosten de gevolgen van het delict goed te maken.

Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld

62/62

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zoetermeer&id=12d5d576-691a-4965-b55f-185f19736b64