Bijlage 2- Toelichting bestemmingsplan Nieuwbouw Van Doornenplantsoen
Tekst van het document
NieuwbouwVan Doornenplantsoen
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk1
4 Inleiding
5
1.1
Aanleiding planherziening
5
1.2
Ligging en begrenzing
5
1.3
Huidige juridische planologisch regime
6
1.4
Doel van het bestemmingsplan
9
1.5
Leeswijzer
9
Hoofdstuk2
Beleidskaders
10
2.1
Rijksbeleid
10
2.2
Provinciaal beleid
12
2.3
Regionaal beleid
20
2.4
Gemeentelijk beleid
21
2.5
Conclusie beleid
33
Hoofdstuk3
Bestaande situatie
34
3.1
Ontstaansgeschiedenis
34
3.2
Ruimtelijke en functionele analyse plangebied
34
3.3
Cultuurhistorie en archeologie
35
Hoofdstuk4
Beschrijving plan
37
4.1
Projectplan
37
4.2
Ruimtelijke inpassing
37
4.3
Verkeer en vervoer
38
Hoofdstuk5
Milieu en leefkwaliteit
41
5.1
Geluidhinder
41
5.2
Bodemkwaliteit
43
5.3
Luchtkwaliteit
44
5.4
Water
46
5.5
Bedrijven en milieuzonering
48
5.6
Externe Veiligheid
50
5.7
Ecologie
52
5.8
Bodemenergie
54
5.9
Kabels en leidingen
55
5.10
Strategische milieu-beoordeling
56
Hoofdstuk6
Juridische vormgeving
58
6.1
Inleidende regels
58
6.2
Bestemmingsregels
58
6.3
Algemene regels
58
6.4
Overige regels
58
6.5
Overgangs- en slotregels
59
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
2/62
Hoofdstuk7
Uitvoerbaarheid
60
7.1
Financiële uitvoerbaarheid
60
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
60
Hoofdstuk8
Handhaving
62
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
3/62
Toelichting
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
4/62
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding planherziening
De gemeente Zoetermeer heeft een wettelijke plicht om te voorzien in voldoende openbaar onderwijs voor haar inwoners. Derhalve is de gemeente voornemens om aan het Van Doornenplantsoen een nieuw schoolgebouw voor het MOTION Beweeg College en een nieuwe gemeentelijke sporthal te bouwen. De huidige locatie van het MOTION Beweeg College is sterk verouderd en veel te groot. De nieuwe school biedt ruimte aan maximaal 550 leerlingen en heeft een oppervlak van 6.200 m2. De maximum bouwhoogte bedraagt 15 meter. Het Programma van Eisen 'Frisse scholen 2021' is een basis voor het bouwen van een nieuwe school. Hiermee wordt een goede en geschikte onderwijskwaliteit vastgelegd in een leuke, gezonde, inspirerende en duurzame omgeving. In een Frisse School is aandacht voor de thema's: energie, luchtkwaliteit, temperatuur, licht en geluid. In het coalitieakkoord 'Samen doen wat nodig is' is afgesproken om te investeren in sportaccommodaties. De nieuwe sporthal wordt gebouwd vanwege het tekort aan sporthallen in Zoetermeer. De nieuwe sporthal wordt overdag gebruikt door de scholen. Daarnaast zullen ook de Zoetermeerse sportverenigingen en gehandicapten- en wedstrijdsport de zaal gebruiken. Een aantal gezamenlijke ruimten zal worden gedeeld met het MOTION Beweeg College (entree, garderobe, kleedruimte, toiletten). Dankzij deze samenwerking wordt de sporthal optimaal benut.
De sporthal wordt eveneens tot een maximale bouwhoogte van 15 meter gebouwd en kent een oppervlak van maximaal 2.250 m2. Door de nieuwe school en sporthal op het Van Doornenplantsoen te realiseren, komt er 12.000 m2 vrij als (her)ontwikkellocatie. De realisatie van het nieuwe schoolgebouw in het plangebied alsmede de realisatie van een sporthal is niet toegestaan binnen het geldende bestemmingsplan "Palenstein". Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken moet de huidige bestemming 'Sport' gewijzigd worden in de bestemming 'Maatschappelijk' waarbinnen zowel het nieuwe onderwijsgebouw als sporthal (ter plaatse van de daarvoor opgenomen functieaanduiding) wordt toegestaan. 1.2
Ligging en begrenzing
Het plangebied is gelegen aan het Van Doornenplantsoen in Zoetermeer. De gronden staan kadastraal bekend als perceelnummer 5433, sectie B, gelegen in de kadastrale gemeente Zegwaard. Globaal gezien wordt de projectlocatie omsloten door: 1. 2. 3. 4.
De Australiëweg (ten noorden); De scholencampus, waaronder het ROC ID College en MBO Rijnland (ten zuiden); Een groot parkeerterrein (ten oosten); Gebouwen en velden van Sportvereniging Phoenix (ten westen).
Ter plaatse van de beoogde nieuwbouw is in de huidige situatie geen bebouwing aanwezig.
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
5/62
Figuur 1.1 Begrenzing plangebied (bron: QGIS, eigen bewerking)
1.3
Huidige juridische planologisch regime
1.3.1
Bestemmingsplan "Palenstein"
Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan "Palenstein", zoals vastgesteld op 19 juli 2013 door de gemeenteraad van Zoetermeer. Volgens het bestemmingsplan kent het plangebied een bestemming 'Sport' waar sport tot en met categorie 2 van de in de bijlage bij de planregels opgenomen 'Staat van bedrijfsactiviteiten ten opzichte van een rustige woonwijk' toegestaan is. Daarnaast zijn ook vormen van niet-zelfstandige detailhandel en niet-zelfstandige horeca ten dienste van de bezoekers van de sportvoorzieningen toegestaan. Bebouwing is slechts binnen het bouwvlak mogelijk tot een maximale bouwhoogte van 6 meter en een maximale goothoogte van 3 meter. Naast de bestemming 'Sport' is een beperkt gedeelte van het plangebied gelegen binnen de bestemming 'Groen'. De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor: groenvoorzieningen; waterpartijen en waterlopen; langzaam verkeersroutes; extensieve recreatie; in- en uitritten ten behoeve van verkeersontsluitingen; een evenemententerrein, ter plaatse van de aanduiding 'evenemententerrein'; een busbaan van ten hoogste 1 rijstrook, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - busbaan'; en daaraan ondergeschikte voorzieningen, zoals speelvoorzieningen, speelvelden en wegen en paden. Verder is een zeer beperkt deel van het plangebied gelegen binnen de bestemming 'Verkeer Verblijfsgebied'.
Deze gronden zijn onder meer bestemd voor straten, erven, pleinen,
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
6/62
fietsenstallingen, fietspaden, groenvoorzieningen en parkeervoorzieningen. Figuur 1.2 toont de verbeelding van het bestemmingsplan "Palenstein" met daarop het plangebied weergegeven.
Figuur 1.2 Vigerend bestemmingsplan (bron: QGIS, eigen bewerking).
Toetsing beoogde ontwikkeling aan het geldende bestemmingsplan De ontwikkeling die onderhavig bestemmingsplan Nieuwbouw Van Doornenplantsoen mogelijk maakt is op meerdere onderdelen strijdig met het geldende bestemmingsplan "Palenstein". De strijdigheid is gelegen in: de functie. Onderwijs is niet toegestaan binnen de bestemmingen 'Sport', 'Groen' en 'Verkeer - Verblijfsgebied'. De beoogde sporthal is wel in overeenstemming met de huidige bestemming 'Sport'. de bouwmogelijkheden. Binnen de huidige bestemming 'Sport' zijn gebouwen slechts toegestaan binnen een bouwvlak. Een bouwvlak ontbreekt in het plangebied. Het beoogde onderwijsgebouw en de beoogde sporthal zijn derhalve in strijd met de bouwregels behorende bij de bestemming 'Sport'. Ditzelfde geldt voor de bouwmogelijkheden behorende bij de bestemming 'Groen'. Binnen de bestemming 'Groen' zijn immers slechts schuilhutten als gebouwen toegestaan. Onderhavig bestemmingsplan voorziet derhalve in een nieuw juridisch-planologisch kader.
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
7/62
1.3.2
Parapluherziening schoolpleinen
Op 3 oktober 2016 is door de gemeenteraad van Zoetermeer het bestemmingsplan "Parapluherziening Schoolpleinen" (gewijzigd) vastgesteld. Aanleiding voor deze parapluherziening is het legaliseren van het gebruik van schoolpleinen van het primair onderwijs als speelterrein na schooltijd. Om dit mogelijk te maken voorziet de parapluherziening in de wijziging van een tiental bestemmingsplannen. De wijziging betreft de toevoeging van de zinsnede: 'openbare speelterreinen/speelplaatsen', aan twee artikelen in elk bestemmingsplan. Dit betreft de toevoeging aan de begripsomschrijving van de term 'maatschappelijke voorzieningen' en aan de artikelen die de functiebeschrijving 'maatschappelijk' dan wel 'gemengd-1' omvat in het betreffende bestemmingsplan. Zodoende staat onomstotelijk vast dat binnen de bestemming die geldig is voor onderwijsvoorzieningen, het gebruik van de gronden voor o.a. openbare speelterreinen/speelplaatsen is toegelaten. Toetsing beoogde ontwikkeling aan het geldende bestemmingsplan De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van nieuwbouw ten behoeve van (bijzonder) basis- en voortgezet onderwijs. In dit bestemmingsplan wordt de bepaling waar de "Parapluherziening Schoolpleinen" in voorziet overgenomen, teneinde te borgen dat het te realiseren schoolplein ook na schooltijd openbaar toegankelijk is. 1.3.3
Parapluherziening Parkeren en Geluidsgevoelige objecten
Op 14 mei 2018 heeft de gemeenteraad van Zoetermeer het bestemmingsplan "Parapluherziening Parkeren en Geluidsgevoelige objecten" vastgesteld. De parapluherziening voorziet in een planregel die bepaalt dat bij de aanvraag om een omgevingsvergunning aangetoond dient te worden dat voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd conform het op dat moment geldende gemeentelijk beleid. Daarnaast voorziet de parapluherziening in een planregel die bepaalt dat bij nieuwe situaties in de zin van de Wet geluidhinder de realisatie van geluidsgevoelige objecten, voor zover gelegen binnen een geluidszone, alleen mogelijk is indien wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarden van de Wet geluidhinder dan wel aan het besluit hogere waarden geluid dat bij het ruimtelijke plan is gevoegd, met inbegrip van de in dat besluit opgenomen voorwaarden en maatregelen. Toetsing beoogde ontwikkeling aan het geldende bestemmingsplan In het bestemmingsplan "Nieuwbouw Van Doornenplantsoen" zal de betreffende planregel voor het aspect parkeren uit de Parapluherziening worden overgenomen. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de mogelijkheid om geluidsgevoelige objecten te realiseren. Derhalve wordt de planregel t.a.v. geluid uit de Parapluherziening overgenomen. 1.3.4
Parapluherziening Dagstandplaatsen Zoetermeer
Op 30 november 2020 heeft de gemeenteraad van Zoetermeer het bestemmingsplan "Parapluherziening Dagstandplaatsen Zoetermeer" (gewijzigd) vastgesteld. Met deze parapluherziening worden alle geldende bestemmingsplannen gelijktijdig op één onderdeel, in dit geval het opnemen van standplaatsen voor ambulante handel, herzien. Hiermee wordt juridisch-planologisch geregeld dat het innemen van een standplaats in overeenstemming is met het bestemmingsplan. In een enkel geval wordt een bestaande standplaatslocatie wegbestemd, conform het beleid. Toetsing beoogde ontwikkeling aan het geldende bestemmingsplan Onderhavig bestemmingsplan "Nieuwbouw Van Doornenplantsoen" staat de realisatie van standplaatsen voor ambulante handel niet toe. Derhalve wordt de planregel uit de Parapluherziening in dit bestemmingsplan niet overgenomen.
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
8/62
1.4
Doel van het bestemmingsplan
Het doel is om ter plaatse van het plangebied een school te realiseren met een sporthal. In de huidige planologische situatie is ter plaatse geen maatschappelijke functie toegestaan. Voorliggend bestemmingsplan is primair bedoeld om de beoogde ontwikkelingen juridisch en planologisch mogelijk te maken. 1.5
Leeswijzer
Hoofdstuk 1 van voorliggend plan bevat de aanleiding van het project. In hoofdstuk 2 wordt het actueel beleidskader geschetst. Hoofdstuk 3 bevat een beschrijving van de bestaande situatie. In hoofdstuk 4 wordt de behoefte, stedenbouw en ruimtelijke impact behandeld. In hoofdstuk 5 worden de relevante randvoorwaarden en omgevingsaspecten ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling behandeld. Hoofdstuk 6 wordt de uitvoerbaarheid van voorliggend plan en de inspraak behandeld. Ten slotte wordt in hoofdstuk 7 een toelichting gegeven op de gekozen planvorm en de gedachten die ten grondslag liggen aan de juridische regeling zoals deze op de verbeelding en in de regels is opgenomen.
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
9/62
Hoofdstuk 2 2.1
Beleidskaders
Rijksbeleid
Het kader voor een bestemmingsplan wordt gevormd door diverse nationale, provinciale, regionale, en (deel)gemeentelijke nota's. Dit beleid stelt planologische en bestuurlijke beleidskaders (randvoorwaarden) aan de ruimtelijke (on)mogelijkheden voor het plangebied waarmee rekening moet worden gehouden. In dit hoofdstuk wordt voor het plangebied het relevante algemene beleid beknopt samengevat. 2.1.1
Nationale Omgevingsvisie
Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen.
Relatie tot het plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een nieuw onderwijsgebouw alsmede de bouw van een nieuwe sporthal. De primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving, de woningvoorraad en de leefbaarheid ligt bij gemeenten en provincies. Het beleid voor de ontwikkeling van deze locatie wordt daarom overgelaten aan de provincie en gemeente. De nationale belangen, de vier prioriteiten uit de Uitvoeringsagenda en de afwegingsprincipes staan niet in de weg aan de voorgenomen ontwikkeling. Gemotiveerd kan worden dat de ontwikkeling juist een bijdrage kan leveren aan de nationale belangen, waaronder het bevorderen van de duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Conclusie De NOVI staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg. 2.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk rijksbeleid te borgen en legt daarmee nationale ruimtelijke belangen vast. De ruimtelijke onderwerpen van nationaal belang zijn daardoor beperkt. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. In hoofdstuk 2 van het Barro is, om de nationale belangen te beschermen per onderwerp (één onderwerp per titel) aangegeven welke beperkingen er per welk (ruimtelijk) gebied gelden. Relatie tot het plangebied Het Barro voorziet niet in specifieke regels die in voorliggend bestemmingsplan dienen te worden opgenomen of restricties opleggen aan de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Het Barro staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg.
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
10/62
2.1.3
Besluit ruimtelijke ordening (2012)
Het Bro stelt vanuit de Rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. Onderwerpen zoals Ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor goed ontwerp, aandacht voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Relatie tot het plan Indien sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, dient de Ladder voor duurzame verstedelijking te worden doorlopen. Voor de definitie van een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verwezen naar artikel 1.1.1 lid 1 sub i van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Onder andere de ruimtelijke ontwikkeling van een woningbouwlocatie is een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) heeft in haar overzichtsuitspraak over de Ladder voor duurzame verstedelijking geoordeeld dat de realisatie van 11 woningen – of minder – niet is aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 1.1.1 lid 1 sub i Bro (ECLI:NL:RVS:2017:1724). Ook een ontwikkeling waarvan het ruimtebeslag minder dan 500 m2 bvo bedraagt, is niet aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 1.1.1 lid 1 sub i Bro.
De ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt is aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 1.1.1 lid 1 sub i Bro. Een onbebouwd sportveld wordt immers herontwikkeld tot een nieuwe onderwijslocatie inclusief bijbehorende sporthal. Er is derhalve sprake van een functiewijziging alsmede van een groter planologisch ruimtebeslag (ook groter dan 500 m2). De beoogde nieuwbouw is bestemd voor het Motion Beweeg College, dat in de huidige situatie is gevestigd aan het Van Doornenplantsoen 1 te Zoetermeer. De kwaliteit en capaciteit van de huidige onderwijshuisvesting van het Motion Beweeg College is echter niet in overeenstemming met de gewenste kwaliteit en vereiste capaciteit. Het gebouw uit 1976 is gebouwd in een periode waarin andere keuzes op het vlak van esthetica, energieverbruik, onderwijskundige concepten en omvang zijn gemaakt dan men in de huidige situatie zou maken. Op 12 oktober 2020 heeft de gemeenteraad ingestemd met het voorstel om voor het Motion Beweeg College vervroegd nieuwbouw te realiseren (in plaats van in 2027, in 2022). De nieuwbouw is beoogd in onderhavig plangebied. Met de nieuwbouw wordt daarnaast voorzien in een onderwijsinstelling waar behoefte aan is. Op de oude locatie konden 1.300 leerlingen worden gehuisvest en deze had daarmee een overcapaciteit.
De beoogde nieuwbouw voorziet in een oppervlak van maximaal 6.200 m2, waardoor overeenkomstig de daadwerkelijke behoefte wordt gebouwd (maximaal 550 leerlingen). Daarnaast voorziet het plan in een kwalitatieve behoefte, daar het Motion Beweeg College) zich richt op op sport en beweging. Dit betreft een nieuw onderwijsconcept, dat voor veel vmbo basis en kader leerlingen is weggelegd. Naast de vele aandacht voor bewegen en sport, blijven de ‘gewone lessen’ uiteraard ook aanwezig: de school leidt de kinderen immers op voor een vmbo diploma. Voor de huidige locatie van het Motion Beweeg College wordt een nieuwe, tijdelijke passende invulling gezocht. Te denken valt aan kleine ambachten, catering, grafische diensten, ateliers met eventuele verkooppunten en woonwerkunits. Daarnaast kan de huidige locatie gezien worden als (her)ontwikkellocatie op de langere termijn. Dit valt buiten de scope van dit bestemmingsplan. De overige onderwerpen uit het Bro voor de beoogde ontwikkeling worden behandeld in hoofdstuk 4 en 5, waarin de ruimtelijke en milieutechnische aspecten worden behandeld. Conclusie Conform de Ladder voor duurzame verstedelijking is de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling aangetoond. De overige onderwerpen uit het Bro voor de
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
11/62
beoogde ontwikkeling worden behandeld in hoofdstuk 4 en 5, waarin de ruimtelijke en milieutechnische aspecten worden behandeld. 2.2
Provinciaal beleid
Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma's en –plannen. 2.2.1
Omgevingsvisie Zuid-Holland
Per 1 april 2019 is de Zuid-Hollandse Omgevingsvisie in werking getreden. De meest recente versie van de Omgevingsvisie Zuid-Holland is de geconsolideerde versie van 15 maart 2022. In de omgevingsvisie is het al bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De Omgevingsvisie omvat de volgende wettelijk verplichte plannen: de provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro); het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm); het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww); het verkeers- en vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer; de natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb). Toekomstige beleidsvernieuwing biedt kansen voor verbeteringen in Zuid-Holland. De provincie heeft hiervoor 7 vernieuwingsambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. 2. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. 4. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland. 5.
Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. 7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. Deze nevengeschikte ambities staan niet op zichzelf. Ze zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De ambities zijn de kaders waarbinnen de provincie ruimte geeft. Die ruimte kan per opgave verschillen. Door in te zetten op de zeven ambities draagt Zuid-Holland bij aan een betere leefomgeving in de provincie. Beleid ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang.
Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
12/62
passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied ('korrelgrootte') bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het 'laadvermogen' van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling. Inpassing. Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of de herstructurering van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks.
De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die niet past bij de aard of de schaal van een gebied en daarmee niet geheel past binnen de richtpunten. Voorbeelden zijn een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed en de verbreding van een provinciale weg. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief optimaal resultaat, Ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. De ontwikkeling past niet bij de aard en schaal van het gebied. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Bij transformatieopgaven is bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding en zal de betrokkenheid van de provincie zich richten op een actieve behartiging van provinciale doelen en een kwalitatief optimaal resultaat.
Gelet op de verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat niet aan alle richtpunten kan worden voldaan, maar dat door middel van een nieuw integraal ontwerp er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat. Ook hierbij kunnen ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig zijn om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren.
Figuur 2.1 Soorten ontwikkeling.
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
13/62
De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen een uitwerking van de kwaliteitskaart en de richtpunten op gebiedsniveau, en zijn opgesteld in samenwerking met regionale partijen. Ze bieden een gebiedsspecifieke handreiking voor het omgaan met ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. Naast het generieke kwaliteitsbeleid, dat geldt voor de gehele provincie, wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn. Relatie tot het plangebied Toets aan de kwaliteitskaart Beoogd wordt om binnen het plangebied een nieuw onderwijsgebouw alsmede de bouw van een nieuwe sporthal te realiseren. Om te beoordelen of de ruimtelijke ontwikkeling passend is, wordt het plan hieronder getoetst aan de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit. Op basis van de kwaliteitskaart zijn de volgende richtpunten van belang voor de ruimtelijke kwaliteit. Laag van de ondergrond Het plangebied is gelegen in 'Bijzonder relief – oude stroomgordels en geulafzettingen' en 'Veencomplex – oude zeeklei'. Voor het 'Bijzonder relief – oude stroomgordels en geulafzettingen' gelden de volgende richtpunten: Ontwikkelingen houden de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand.
Waar mogelijk worden de archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Voor 'Veencomplex – oude zeeklei' geldt het richtpunt: Ontwikkelingen in droogmakerijen leveren een bijdrage aan een duurzame waterhuishouding
Figuur 2.2 Uitsnede Laag van de ondergrond
De vaststelling van dit bestemmingsplan staat het in stand houden van de onregelmatige
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
14/62
patronen en het reliëf van het landschap niet in de weg. Tevens maakt het plangebied geen deel uit van gronden met archeologische waarden, zoals beschreven in paragraaf 3.3 van deze toelichting. Op het aspect water wordt nader ingegaan in paragraaf 5.4 van dit bestemmingsplan. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied is niet gelegen in één van de door de kwaliteitskaart 'Laag van de cultuur- en natuurlandschappen' aangewezen gebieden. De richtlijnen die horen bij voornoemde kaart zijn niet van toepassing op de beoogde ontwikkeling. Laag van de stedelijke occupatie Het plangebied is gelegen in 'Steden en dorpen' en 'Bouwwerken voor energie-opwekking'. Voor 'Steden en dorpen' gelden de volgende richtpunten: Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur. Daar waar hoogbouw niet samenvalt met “zwaartepunten” in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving. Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur.
Een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand (zie stads- en dorpsranden). Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd. Het eigen karakter van het historisch centrum wordt versterkt. Historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied. Bij bedrijventerreinen krijgt de beeldkwaliteit van de randen, een goede ontsluiting en de samenhang met de omgeving extra aandacht. Voor 'Bouwwerken voor energie-opwekking' geldt het richtpunt: Bij de plaatsing van nieuwe bouwwerken voor energie-opwekking zal een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht moeten geven in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van deze bouwwerken op de (wijde) omgeving.
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
15/62
Figuur 2.3 Uitsnede Laag van de stedelijke occupatie
Met dit bestemmingsplan wordt niet voorzien in hoogbouw. Voor het beoogde bouwvolume is aansluiting gezocht bij het gemeentelijk beleid en de stedenbouwkundige uitgangspunten ter plaatse. Het plangebied betreft geen historische kern of een locatie met cultuurhistorische waarden, zoals beschreven in paragraaf 3.3 van deze toelichting. Bouwwerken voor energie-opwekking zijn niet voorzien met dit bestemmingsplan. Laag van de beleving Het plangebied is niet gelegen in één van de door de kwaliteitskaart 'Laag van de beleving' aangewezen gebieden. De richtlijnen die horen bij voornoemde kaart zijn niet van toepassing op de beoogde ontwikkeling. Toets aan het soort ontwikkeling Zoals eerder benoemd wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassen, aanpassen en transformeren. De ontwikkeling sluit aan bij de huidige gebiedsidentiteit, gezien reeds scholen met sportvelden in de omgeving gelegen zijn. Om deze reden is sprake van een inpassingsontwikkeling. Uitgangspunt is dat bij inpassing, een ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten. Bij de herontwikkeling binnen het plangebied zijn de richtpunten zoals voortgekomen uit de 'toets aan de kwaliteitskaarten' van belang voor de beoordeling van het effect op de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van het plan.
Toets aan beschermingscategorieën Naast het generieke kwaliteitsbeleid, wordt onderscheid gemaakt in beschermingscategorie 1 en 2. Het plangebied is niet gelegen binnen één van de gronden aangewezen met beschermingscategorie 1 of 2. Aanvullende of restrictieve regels in verband met deze beschermingscategorieën zijn dan ook niet van toepassing op het plangebied. Conclusie De Omgevingsvisie Zuid-Holland staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg.
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
16/62
2.2.2
Omgevingsverordening Zuid-Holland
Per 1 april 2019 is, naast de Omgevingsvisie, ook de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in werking getreden. De meest recente versie van de Omgevingsvisie Zuid-Holland is de geconsolideerde versie van 15 maart 2022. De inhoud van de omgevingsvisie is voor een groot deel leidend voor de inhoud van de omgevingsverordening. In de verordening van provinciale staten van Zuid-Holland zijn de regels opgenomen voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Hoe groot die ruimtelijke impact is wordt in specifieke gevallen bepaald aan de hand van gebiedsprofielen en door onderscheid te maken in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging. De voor onderhavig plan relevante artikelen worden hieronder weergegeven. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid.
Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. c. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening.
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
17/62
d. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie. Artikel 6.13 Detailhandel Lid 1 Een bestemmingsplan voorziet uitsluitend in nieuwe detailhandel op gronden: a. binnen of aansluitend aan een bestaande winkelconcentratie in de centra van steden, dorpen en wijken; b. binnen een nieuwe wijkgebonden winkelconcentratie in een nieuwe woonwijk; c. binnen een nieuwe goed bereikbare en centraal gelegen winkelconcentratie als gevolg van herallocatie. Lid 2 (niet relevant voor onderhavige ontwikkeling) ... (niet relevant voor onderhavige ontwikkeling) Lid 3 Het eerste lid is niet van toepassing op een bestemmingsplan dat voorziet in de volgende nieuwe detailhandel: a. .... (niet relevant voor onderhavige ontwikkeling) b. kleinschalige detailhandel: 1. in de vorm van een gemakswinkel; 2. bij sport-, culturele, medische, onderwijs, recreatie- en vrije tijdsvoorzieningen, alsmede andere locaties met veel bezoekers of passanten, met een assortiment dat aansluit op de aard van deze voorzieningen of locaties; ..... (niet relevant voor onderhavige ontwikkeling)
Artikel 6.35a Risico's van klimaatverandering In een bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte; alsmede de effecten van de bovengenoemde risico's op het risico van bodemdaling. Voor zover risico's zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico's. Relatie tot het plangebied Toets aan artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit Ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit geldt dat voorliggend bestemmingsplan voorziet in een inpassingsontwikkeling. Het realiseren van nieuw onderwijsgebouw en een nieuwe sporthal is een gebiedseigen ontwikkeling, passend binnen het stedelijk gebied van Zoetermeer. Uit de behandeling van de kwaliteitskaart blijkt dat de kaartlagen 'Laag van de ondergrond' en 'Laag van de stedelijke occupatie' van toepassing zijn. Omdat sprake is van een inpassingsontwikkeling, dient de ontwikkeling volledig binnen de relevante richtpunten uit de kwaliteitskaart te passen. Uit paragraaf 2.2.1 volgt dat daar sprake van is. Het bestemmingsplan is dan ook in lijn met de bepalingen ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit.
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
18/62
Toets aan artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen In paragraaf 2.1.3 van deze toelichting heeft reeds een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking plaatsgevonden. Hieruit volgt dat binnen bestaand stedelijk gebied zowel wordt voorzien in een kwantitatieve als kwalitatieve behoefte. Daarmee wordt eveneens aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening voldaan. Toets aan artikel 6.13 Detailhandel In dit bestemmingsplan wordt ook de mogelijkheid geboden aan kleinschalige detailhandel (max. 200 m2) gerelateerd aan de onderwijsfunctie. Het Motion Beweegcollege wil kunnen voorzien in een opleidingswinkel in de school, waar buurtbewoners producten kunnen kopen die de leerlingen hebben geproduceerd. Deze ontwikkeling past binnen de uitzonderingsmogelijkheid die artikel 6.13, derde lid, sub b onder 2 biedt. Toets aan artikel 6.35a Risico's van klimaatverandering In dit bestemmingsplan worden slechts de planologische kaders voor de realisatie van een nieuw onderwijsgebouw en nieuwe sporthal vastgelegd. De bouw van de nieuwe gebouwen zal door de gemeente worden aanbesteed. In de tender die onderdeel uitmaakt van deze aanbesteding zullen eisen worden gesteld ten aanzien van klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen.
Hierbij bijvoorbeeld te denken aan een zo groen mogelijke inrichting van het terrein, daar groen warmteopbouw ter plaatse kan verlagen, maar mogelijk ook aan het opvangen, vasthouden en hergebruiken van regenwater. Conclusie De Omgevingsverordening Zuid-Holland staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg. 2.2.3
Convenant klimaatadaptief bouwen in Zuid-Holland
Nieuwbouwlocaties in Zuid-Holland worden zoveel mogelijk klimaatadaptief gebouwd, zodat ze bestand zijn tegen weersextremen als gevolg van klimaatverandering. Deze ambitie is vastgelegd in het convenant Klimaatadaptief bouwen. Dit is ondertekend door onder meer bouwbedrijven, gemeenten (waaronder de gemeente Zoetermeer), de provincie, waterschappen, maatschappelijke organisaties, financiers en projectontwikkelaars. Klimaatadaptief bouwen moet leiden tot: minder wateroverlast; minder hittestress; minder nadelige gevolgen van langdurige droogte en bodemdaling, en meer biodiversiteit. Deze principes zijn vastgelegd in een programma van eisen voor klimaatadaptief bouwen.
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
19/62
Figuur 2.6: Programma van eisen klimaatadaptief bouwen
Relatie tot het plangebied Zoals in paragraaf 2.2.2 reeds is toegelicht, worden in dit bestemmingsplan slechts de planologische kaders voor de realisatie van een nieuw onderwijsgebouw en nieuwe sporthal vastgelegd. De bouw van de nieuwe gebouwen zal door de gemeente worden aanbesteed. In de tender die onderdeel uitmaakt van deze aanbesteding zullen eisen worden gesteld ten aanzien van klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen. Hierbij bijvoorbeeld te denken aan een zo groen mogelijke inrichting van het terrein, daar groen warmteopbouw ter plaatse kan verlagen, maar mogelijk ook aan het opvangen, vasthouden en hergebruiken van regenwater. Voorts zal in de tender als eis worden gesteld dat wordt voldaan aan het Zoetermeers Biodiversiteitsbeleid (zie ook paragraaf 2.4.7, 2.4.12 en 2.4.13 van deze toelichting). Conclusie Het Convenant klimaatadaptief bouwen Zuid-Holland staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg. 2.3
Regionaal beleid
2.3.1
Hoogheemraadschap Rijnland
Het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland is vastgelegd in het Waterbeheerprogramma (WBP6). De Omgevingswet vereist dat waterschappen elke 6 jaar de aanpak van hun watertaken vastleggen in een waterbeheerprogramma. Met het programma WBP6 maakt Rijnland duidelijk hoe het, in samenwerking met de omgeving, invulling geeft aan zijn wettelijke taken en zijn eigen ambities voor de periode 2022 - 2028. Het WBP6 is afgestemd met landelijke en regionale plannen zoals de Omgevingsvisies van Rijk, provincies en gemeenten. Daarnaast is bij de ontwikkeling van het WBP6 de omgeving nauw betrokken. De kerntaken van het Hoogheemraadschap zien op: schoon water, voldoende water, waterketen en waterveiligheid. Verder wordt invulling geven aan duurzaamheid in het gebied van Rijnland. Nota Waterveiligheid
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
20/62
Door de bevolkingsgroei, klimaatontwikkeling, zeespiegelstijging en bodemdaling neemt de druk op de schaarse ruimte binnen Rijnland toe. Tegelijkertijd worden waterkeringen ook steeds meer gebruikt voor andere functies als recreatie, natuur, infrastructuur en wonen. Het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft daarom de Nota Waterveiligheid opgesteld. De Nota Waterveiligheid vervangt de Nota Waterkeringen. In grote lijnen is het beleid uit de vorige nota nog steeds van toepassing. De nieuwe nota geeft een visie op en doelstellingen voor waterveiligheid. Zo zijn er een aantal (nieuwe) maatschappelijke ontwikkelingen in de volgende thema's: klimaatverandering, energietransitie, circulariteit en biodiversiteit. Toename verharding Binnen het beheergebied van het hoogheemraadschap van Rijnland gelden regels om onbebouwde grond te verharden. Bij toename van verharding van de onbebouwde gronden met meer dan 500 m2 is compensatie van verharding door middel van extra te graven vierkante meters water verplicht. Er dient bij toename van verharding met meer dan 500 m2 een vergunning aan te worden gevraagd bij het hoogheemraadschap van Rijnland. Leggers hoogheemraadschap van Rijnland In de leggers is voor alle wateren in het gebied aangegeven hoe breed en diep ze moeten zijn en voor alle waterkeringen hoe hoog en hoe breed. Ook staat erin wie waar voor welk onderhoud verantwoordelijk is.
Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming heeft plaatsgevonden over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. Waterplan Zoetermeer Het Waterplan Zoetermeer is opgesteld door de gemeente Zoetermeer tezamen met het voormalige Waterschap Wilck en Wiericke (dat inmiddels deel uitmaakt van het Hoogheemraadschap van Rijnland en het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Het plan wordt in paragraaf 2.4.11 Waterplan Zoetermeer (2002) van deze plantoelichting nader toegelicht.
Relatie tot het plangebied In paragraaf 5.4 Water van voorliggend plan zal nader op het wateraspect worden ingegaan.
2.4
Gemeentelijk beleid
2.4.1
Omgevingsvisie Zoetermeer 2040
De Omgevingsvisie Zoetermeer 2040 is de toekomstvisie voor de stad. Een visie voor de komende twintig jaar. Het schetst een integraal lange termijn perspectief voor sociale, economische en ruimtelijke ontwikkelingen. Een perspectief waarin een aantal dalende trends, zoals een afnemende woonaantrekkelijkheid en sociaaleconomische kracht zijn gekeerd en een opwaartse beweging voor de stad in gang is gezet. Een visie voor een stad en samenleving die werken aan een sterker fundament en beter in balans komt. De visie Zoetermeer 2040 is ook de omgevingsvisie voor de gemeente Zoetermeer in het kader van de Omgevingswet. In de Visie Zoetermeer zijn de volgende zes hoofdlijnen beschreven: 1. Zoetermeer is mijn thuis
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
21/62
In 2040 is Zoetermeer een stad in balans. Een stad waarin iedereen zich welkom en thuis voelt. De stad heeft een breed palet aan inwoners met verschillende leefstijlen. Zij vormen een levendige en inclusieve samenleving. Nieuwbouw zal met meer precisie worden ingezet. In de nieuwbouwproductie stapt gemeente Zoetermeer af van de standaard verdeling van percentages sociale huurwoningen, vrije sector huurwoningen en vrije sector koopwoningen. Ze gaat naar een meer precieze verdeling, waarbij maatwerk per wijk of project wordt geleverd. Daarbij wordt meer spreiding en diversiteit van verschillende typen woningbouw in elke wijk gecreëerd, en wordt gezorgd dat er in de stad voldoende woningen bijkomen in elk segment . 2. Duurzame stad in en tussen de parken In 2040 onderscheidt Zoetermeer zich in de regio als groene suburbane stad. De stad is dooraderd met een netwerk van groenzones, parken en water. Zij vormen een aansluitend geheel met de groengebieden die de stad omringen. Dit groene karakter vormt in 2040 dé identiteit van Zoetermeer. In 2040 wil gemeente Zoetermeer dat het groen functioneel gebruikt wordt en meer is dan decor. 3. Palet van wijken en buurten Elke wijk geeft in 2040 invulling aan zijn eigenheid. Elke plek schrijft - stap voor stap - zijn eigen historie en verhaal. Hiervan zijn de inwoners, ondernemers en organisaties de auteur.
Nieuwe ontwikkelingen dienen het fundament van de stad te versterken: oftewel de kracht van bestaande wijken laten toenemen. Het gaat om nieuwbouwprojecten die leiden tot sociaaleconomische impulsen van de omliggende buurten en wijken. Of bijdragen aan de bestaansbasis van voorzieningen in de bestaande wijken en buurten. 4. Doorlopende ontplooiingskansen voor iedereen In 2040 heeft iedere Zoetermeerder – ongeacht zijn of haar achtergrond en afkomst – kansen om zich te blijven ontwikkelen en stappen te zetten op de sociaaleconomische ladder. 5. Stad van toegepaste innovatie In 2040 heeft Zoetermeer het profiel als stad van de toegepaste innovaties. Een profiel dat is geworteld in de oorsprong van de stad. Een stad en samenleving, die niet geremd worden door oude inzichten en behoudende tradities. 6. Zoetermeer regiostad In 2040 profiteert Zoetermeer van de regio en de regio profiteert van Zoetermeer. Dit raakt een keur aan onderwerpen zoals wonen, arbeidsmarkt, economie, cultuur, natuur en bereikbaarheid. Relatie tot het plangebied Het bestemmingsplan maakt een nieuw onderwijsgebouw alsmede de bouw van een nieuwe sporthal mogelijk.
Bij de hoofdlijnen uit de Omgevingsvisie kan worden aangesloten, aangezien de onderwijsinstelling kan bijdragen aan het bieden van kansen voor iedereen om te blijven ontwikkelen en kansen te bieden om stappen te zetten op de sociaal-economische ladder. De onderwijsinstelling wordt ten behoeve van de Stichting Lucas Onderwijs opgericht. Stichting Lucas Onderwijs is een dynamische en betrokken stichting voor bijzonder primair en voortgezet onderwijs. Zij werken vanuit de visie dat ieder kind recht heeft op het best denkbare onderwijs en willen hierbij een schoolgebouw ontwerpen, welke past bij het onderwijs van vandaag en morgen en de bijzondere omgeving waar het komt te liggen. Daarnaast kan door de realisatie van een sporthal een veilige omgeving worden geboden om te sporten en te verblijven. Ook worden de voorzieningen in de 'scholendriehoek' versterkt door de nieuw te realiseren sporthal. Conclusie De Omgevingsvisie Zoetermeer 2040 staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg. De ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt levert juist een bijdrage aan de verwezenlijking van de hoofdlijnen uit de Omgevingsvisie.
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
22/62
2.4.2
Strategische agenda Zoetermeer 2040
De Strategische agenda 2040 slaat de brug tussen de ontwerp Omgevingsvisie Zoetermeer 2040 en de uitvoering op lange termijn. In de strategische agenda staan de programma's opgenomen waaraan de komende jaren wordt gewerkt. In de bijlage van de strategische agenda wordt ook ingegaan op de wijze waarop we de participatie bij de uitvoering gaan opzetten. De agenda wordt regelmatig bijgewerkt. Hierdoor kan gemeente Zoetermeer stap voor stap de visie uitwerken en goed reageren op nieuwe inzichten en omstandigheden. Het college zet de strategische agenda ‘in de steigers’ door middel van de onderstaande drie sporen: 1. Het doorlichten en bijstellen van het huidige beleid op basis van de Omgevingsvisie Zoetermeer 2040. 2. Het actualiseren van lopende programma's, projecten en acties op basis van de ingrediënten uit de Omgevingsvisie Zoetermeer 2040. 3. Direct aan de slag met programmavoorstellen voor twee pijlers uit de Omgevingsvisie Zoetermeer 2040. Het betreffen de pijlers: a. wijken voor de toekomst; en b. woningbouw als katalysator voor een sociaaleconomisch krachtige stad. Relatie tot het plangebied De Strategische Agenda zet onder andere in op het voorkomen dat de sociaaleconomische verschillen tussen buurten en wijken groter worden, onder de pijler 'wijken voor de toekomst'.
Door te voorzien in onderwijs vanuit de visie dat ieder kind recht heeft op het best denkbare onderwijs, kan worden bijgedragen aan de pijler. De bestaande 'scholendriehoek' wordt tevens versterkt door de nieuwbouw van de sporthal. Conclusie De Strategische agenda Zoetermeer 2040 staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg. Het bestemmingsplan sluit aan bij de pijler 'wijken voor de toekomst' en sluit daarmee aan de Strategische Agenda Zoetermeer 2040. 2.4.3
Speelruimtenota 2016 - 2026 'Ruimte geven!'
De Speelruimtenota 2016-2026 'Ruimte geven!' is opgesteld om voldoende speelruimte in relatie tot de leeftijdsopbouw en stedenbouwkundige opzet van de wijken te kunnen garanderen. Uit de inventarisatie blijkt dat er in het centrum in de huidige situatie voldoende speelplekken aanwezig zijn in vergelijking met het basisvoorzieningen-niveau. Er is wel sprake van te kleine en weinig uitdagende speelplekken. Relatie tot het plangebied De beoogde ontwikkeling voorziet in speelruimte bij het onderwijsgebouw. Het bieden van speelruimte past binnen de opgave van de nota om ruimte te bieden aan kinderen om elkaar te ontmoeten en te verbinden. Het plangebied is gelegen in een 'scholendriehoek' waardoor een veilige omgeving kan worden geboden om te spelen. In dit bestemmingsplan wordt eveneens de mogelijkheid opgenomen dat het schoolplein als speelterrein kan worden gebruikt na schooltijd (conform Parapluherziening Schoolpleinen, zie ook paragraaf 1.3.2). Conclusie De Speelruimtenota 2016 - 2026 'Ruimte geven!' staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg.
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
23/62
2.4.4
Wijkvisie Palenstein
De gemeente Zoetermeer en de woningcorporaties De Goede Woning, Vestia en Vidomes bouwen aan een nieuw Palenstein. Samen met de bewoners van deze wijk. De gemeente en de corporaties leggen in de wijkvisie uit wat de plannen zijn, hoe bewoners kunnen meedoen en wat de vernieuwing van de wijk inhoudt. De wijkvisie heeft als missie om een gezinsvriendelijke stadswijk te creëren, met ruimte voor individualiteit en verscheidenheid. Een stadswijk rijk aan water en groen; met afwisseling in dynamiek en luwte. Relatie tot het plangebied In de Wijkvisie zijn verschillende voorwaarden genoemd voor de vernieuwing van de wijk Palenstein. Naast het verbeteren van de woningbouwkwaliteit wordt ingezet op het geven van ruimte om elkaar te ontmoeten. Op buurtniveau, maar op centrale plekken. Het beoogde onderwijsgebouw en de sporthal wordt voorzien in een 'scholendriehoek', waardoor ruimte wordt geboden om elkaar te ontmoeten en te verbinden. Dit past bij de vernieuwingsambities uit de Wijkvisie. Conclusie De Wijkvisie Palenstein staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg. 2.4.5 Nota 'Ieder kind gelijke kansen Onderwijsachterstandenbeleid gemeente Zoetermeer 2019 - 2022' Op 8 april 2019 heeft de gemeenteraad ingestemd met het beleidsplan 'Ieder kind gelijke kansen, onderwijsachterstandenbeleid gemeente Zoetermeer 2019-2022'.
In de nota wordt de actualisatie van het OAB-beleid in relatie gebracht met de beleidsimpuls rondom gelijke kansen in het onderwijs. Samen met scholen, onderwijsinstellingen, ouders en maatschappelijke organisaties werkt te gemeente aan gelijke kansen in het onderwijs door in te zetten op: 1. Verbinding 2. Effectiviteit 3. Kennisdeling Relatie tot het plangebied De gemeente zet in op het verbinden van leefwerelden - school, thuis en omgeving - ter bevordering van een veilige en stimulerende omgeving voor alle kinderen en jongeren. Met dit bestemmingsplan wordt een onderwijsinstelling gerealiseerd welke past bij het onderwijs van vandaag, vanuit de visie dat ieder kind recht heeft op het best denkbare onderwijs. Het plangebied is gelegen op een locatie met meerdere onderwijsinstellingen. Daarnaast wordt met dit bestemmingsplan een nieuwe sporthal gerealiseerd. Dit sluit aan bij het principe om een stimulerende omgeving voor alle kinderen en jongeren te realiseren. Conclusie De Nota 'Ieder kind gelijke kansen Onderwijsachterstandenbeleid gemeente Zoetermeer 2019 - 2022' staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg. 2.4.6
Sportagenda 2017 en verder, Zoetermeer sterker door sport
Deze sportagenda is in samenspraak met Zoetermeerse inwoners en verenigingen tot stand gekomen. Belangrijke aandachtspunten in de sportagenda zijn: Zoetermeerders zijn actief. Inzet op verhoging van regelmatige sportdeelname van alle Zoetermeerse inwoners. Daarnaast aanvullende aandacht voor de doelgroepen: kinderen en jongeren, ouderen (65+), mensen met een beperking en mensen in een achterstandssituatie. Ook wordt een tijdelijk impulsbudget in het leven geroepen om deze
Nieuwbouw Van Doornenplantsoen versie vastgesteld
24/62
doelgroepen aan het sporten te krijgen en sportaanbieders te stimuleren een bredere maatschappelijke rol op te pakken. Accommodaties op orde. Sportverenigingen, andere sportaanbieders en individuele sporters moeten kunnen beschikken over voldoende en kwalitatief goede sportvoorzieningen. In de sportagenda is ook aandacht voor herziening van huurtarieven, gericht op transparantie, eerlijkheid en stimulering van maatschappelijke inzet. Vitale sportverenigingen. De belangrijkste taak van sportaanbieders is en blijft het aanbieden van mogelijkheden voor sport en bewegen. Tegelijk zien we dat zij steeds belangrijker (kunnen) worden als partner bij het oppakken van andere maatschappelijke doelstellingen. Om deze redenen is het belangrijk dat er in Zoetermeer sprake is van vitale sportverenigingen. De gemeente ondersteunt dit met een vitaliteitscheck voor verenigingen en trekt hiervoor een extra verenigingsondersteuner aan. Sport in de maatschappij. Sport is een kansrijk hulpmiddel bij maatschappelijke uitdagingen. Dit willen we optimaal benutten. Hierbij richten we ons op de thema's participatie, gezondheid, welzijn en veiligheid. Daarnaast is verbinding van de sportaanbieders met het onderwijs en andere (sociale) partners van groot belang. Trots op de sport in Zoetermeer.
De gemeente richt zich primair op de breedtesport en legt daarmee een fundament voor topsport, waar verenigingen en sportaanbieders op kunnen voortbouwen. We zijn trots op de prestaties van de Zoetermeerse topsporters. We zetten hen dan ook graag in het zonnetje tijdens ons sportgala. Daarnaast ondersteunt de gemeente sportevenementen die bijdragen aan een consistente profilering van Zoetermeer als een stad van (winter)sport & leisure. Relatie tot het plangebied Het bestemmingsplan voorziet (onder andere) in de realisatie van een sporthal. De sporthal zal worden gebruikt door de Stichting Lucas Onderwijs als door externe partijen. Hierdoor kan worden bijgedragen aan het aandachtspunt om ervoor te zorgen dat sportverenigingen, andere sportaanbieders en individuele sporters moeten kunnen beschikken over voldoende en kwalitatief goede sportvoorzieningen. Tevens kan worden aangesloten bij de overige aandachtspunten, zoals het zorgen voor vitale sportverenigingen en het verbinden van de sportaanbieders met het onderwijs (en andere sociale partners). Conclusie De Sportagenda 2017 staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg. 2.4.7
Groentrilogie
De Groenkaart vormt een integraal afwegingskader voor groenfuncties in Zoetermeer en zet in op: groen op elk niveau van de stad, het waarderen van (de kwaliteit van het) groen en het verbinden van groen. Hierbij wordt een set spelregels gevoegd voor het omgaan met het groen. Onderdelen van het bomenbeleid vormen input voor het opstellen van de Groenkaart. Gelijktijdig met de Groenkaart is ook de Visie Biodiversiteit vastgesteld. De ambitie van de visie Biodiversiteit is om de biodiversiteit, en de waardering van de inwoners hiervoor, op peil te houden en waar mogelijk te vergroten. Dat moet gebeuren binnen de (afnemende) financiële mogelijkheden van de gemeente. Er wordt een stimulerende koers aangehouden gericht op samenwerking, inspiratie en communicatie, binnen de huidige budgetten. Tot slot is het Bomenbeleid opgesteld. Het bomenbeleid is gericht op het handhaven van het groene karakter van de gemeente Zoetermeer. Dit houdt in dat zorgvuldig om wordt gegaan met alle bomen en boomstructuren in de stad. Ten aanzien van het kappen van bomen, geldt het 'nee, tenzij' principe. Algemeen uitgangspunt is dat vergunningplichtige bomen niet zonder reden worden gekapt. De aanvrager van de kapvergunning dient bij de aanvraag een duidelijke motivering te geven waarom bomen gekapt dienen te worden. In het bomenbeleid zijn een aantal redenen benoemd waarom de kap van bomen plaatsvinden.
Het gaat dan bijvoorbeeld om gevaar of ziektes maar ook ontwikkelingen, reconstructies en herinrichtingen kunnen de kap van bomen noodzakelijk maken. In een vroegtijdig stadium van een ontwikkeling, dienen