Bijlage 2 - GOFLO Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Inclusief bijlagen
Tekst van het document
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 45
Tabel 3. Te verwachten planbijdrage aan lokale luchtkwaliteit (bron: notitie db/a consultants)
Op basis van het worst-case scenario wordt geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een overschrijding van de maximale grenswaarden op of rondom de projectlocatie. De beoogde ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij. Er zijn geen randvoorwaarden of belemmeringen. Conclusie In het kader van lucht is sprake van een ETFAL.
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Omgevingswet (afdeling 16.4) en het Omgevingsbesluit (hoofdstuk 11) met bijlage V. In afdeling 16.4 Omgevingswet is onderscheid gemaakt tussen de MER en de m.e.r.beoordeling voor plannen en programma’s (paragraaf 16.4.1) en tussen de MER en de m.e.r.-beoordeling voor projecten (paragraaf 16.4.2). In bijlage V van het Omgevingsbesluit is de aanwijzing van de m.e.r(beoordelings-)plichtige projecten en besluiten geregeld. In bijlage V zijn verschillende kolommen opgenomen. Zo bevat kolom 1 in samenhang met kolom 2 van bijlage V Omgevingsbesluit de projecten waarvoor een project-MER moet worden gemaakt. Kolom 1 in samenhang met kolom 3 van bijlage V Omgevingsbesluit bevat de projecten waarvoor een project-m.e.r.-beoordeling moet worden verricht. De besluiten waarvoor de projectMER-plicht of de project-m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, zijn aangewezen in kolom 4 van bijlage V Omgevingsbesluit. In kolom 4 wordt onder ‘het omgevingsplan’ ook ‘de omgevingsplanactiviteit’ verstaan (art.
11.6 lid 3 Omgevingsbesluit). Indien een ontwikkeling bijvoorbeeld kwalificeert als een stedelijk ontwikkelingsproject, is een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Er dient in dat geval te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag (zie ook Omgevingsbesluit artikel 11.10). De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud. In de praktijk staat de informatie vaak in een aparte notitie (aanmeldnotitie). In deze mededeling staat de informatie die het bevoegd gezag nodig heeft om te bepalen of de initiatiefnemer een MER moet maken. De mededeling en aanvraag kunnen tegelijkertijd, het verzoek om de m.e.r.-beoordelingsbeslissing is dan onderdeel van de aanvraag. Het is ook mogelijk om eerst te verzoeken om een m.e.r.beoordelingsbeslissing, en daarna de aanvraag te doen.
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 46
Het bevoegde gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die boordeling op in de te verlenen omgevingsvergunning (artikel 11.11 Omgevingsbesluit). Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling is aan te merken als stedelijk ontwikkelingsproject zoals omschreven onder, categorie J.11. Derhalve is het doorlopen van de m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. In dit kader dient een mededeling te worden gedaan van het aangewezen project bij het bevoegd gezag, waarin een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten zijn opgenomen. Conclusie Omdat sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, dient een m.e.r.-beoordeling doorlopen te worden.
MOBILITEIT EN PARKEREN Algemeen Bij mobiliteit en ruimtelijke planvorming dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Nieuwe ontwikkelingen mogen namelijk niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. Mobiliteit speelt op alle schaalniveaus (Rijk, provincie, regio en gemeente). Zo bevat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verschillende rijksinstructieregels voor de instandhouding van de rijksinfrastructuur. In de omgevingsvisies, de omgevingsverordening en het omgevingsplan komt het aspect mobiliteit ook terug. Op het moment dat de gemeente of provincie specifieke ambities heeft voor mobiliteit kan dit uitgewerkt worden in een programma, zoals bijvoorbeeld een Regionaal mobiliteitsprogramma (RMP). In deze RMP’s wordt hoofdzakelijk gefocust op verbetering van de duurzame mobiliteit middels een regionale aanpak. Parkeernormen en Uitvoeringsregels Zoetermeer 2019 Op 16 december 2019 heeft de gemeenteraad van Zoetermeer de Nota Parkeerbeleid Zoetermeer 2019 en de Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels Zoetermeer 2019 vastgesteld. Het parkeerbeleid is tot stand gekomen in overleg met inwoners, ondernemers en belangenorganisaties. Het grondgebied van de gemeente is opgedeeld in drie parkeernormzones, waarin gebiedsspecifieke parkeernormen gelden. Er zijn parkeernormen opgenomen voor autoparkeren maar ook voor fietsparkeren.
Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling beslaat de sloop van het aanwezige, leegstaande kantoorpand. Hierna wordt er een appartementencomplex teruggebouwd dat ruimte biedt aan 86 appartementen die verdeeld worden over 8 bouwlagen. De appartementen zijn allen circa 50 m2 groot. Ten behoeve van deze ontwikkeling is door Creating Living Spaces op 31 januari 2025 een onderbouwing parkeeropgave opgesteld, welke als bijlage 7 aan deze onderbouwing is toegevoegd. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste punten uit deze onderbouwing. Vrijgekomen parkeerplaatsen en overcapaciteit De sloop van het bestaande kantoorpand gaat gepaard met een reductie van het winkeloppervlak, waardoor er 60 parkeerplaatsen vrij komen in de openbare ruimte. De capaciteit van de bestaande parkeergelegenheid is bij een onderzoek van Mobycon in kaart gebracht, hieruit blijkt dat dat er een overcapaciteit bestaat van 173 parkeerplaatsen. Normatieve parkeeropgave De projectlocatie is gelegen in zone C. De normatieve parkeerbehoefte is berekend en afgezet tegen de oude situatie. De resultaten zijn hieronder in tabel 4 weergegeven.
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 47
Tabel 4. Bepaling normatieve parkeerbehoefte ‘nieuw voor oud’ (bron: onderbouwing Creating Living Spaces)
Op basis van het geldende parkeerbeleid is saldering technisch gezien niet toegestaan. De norm kan echter worden verlaagd door de inzet van deelmobiliteit. De normcorrectie is gebaseerd op het uitgangspunt dat 1 deelauto 4 autoparkeerplaatsen voor bewoners vervangt. De maximale correctie bedraagt 25% van de totale normatieve parkeerbehoefte van bewoners (exclusief maatgevend moment). Bij een normatieve parkeerbehoefte van 41 plaatsen voor bewoners mogen maximaal 2 deelauto’s worden geplaatst. De ontwikkeling behelst de realisatie van woningen. De normatieve parkeeropgave wordt geoptimaliseerd op basis van dubbelgebruik. De ontwikkeling van 86 appartementen valt samen met de reeds toegestaane 1.320 m2 wijkcentrum, waarvan de functie niet wijzigt. Voor dit wijkcentrum blijven de openbare parkeerplaatsen beschikbaar. De maximale parkeerbehoefte met inbegrip van dubbelgebruik bedraagt op het maatgevende moment (zaterdagmiddag) 111 parkeerplaatsen, waarvan het wijkcentrum 74 parkeerplaatsen in gebruik heeft. De voor dubbelgebruik gecorrigeerde normatieve parkeeropgave door de 86 appartementen bedraagt daarmee 37 (111-74= 37) parkeerplaatsen. Dit is weergegeven in de onderstaande tabel. Tabel 5. Normatieve parkeeropgave op basis van dubbelgebruik (bron: onderbouwing Creating Living Spaces)
De parkeerbehoefte van 37 parkeerplaatsen is niet oplosbaar binnen de grenzen van de beoogde ontwikkeling. Maatschappelijk gezien is er behoefte aan de herontwikkeling van het winkelcentrum, inclusief het appartementencomplex dat ruimte biedt aan 86 woningen en voorzieningen in de plint (zie ook paragraaf 4.5 en 6.2.1). Hoewel er technisch gezien geen saldering kan plaatsvinden, wordt benadrukt dat in de directe omgeving een overcapaciteit is ten aanzien van parkeerplaatsen. De initiatiefnemer heeft daarom een aanvraag gedaan voor een ontheffing voor het gebruik van 37 parkeerplaatsen, waarvan 21 bestemd voor bewoners en 16 voor bezoekers. De initiatiefnemer neemt hierbij een inspanningsplicht op zich om zich maximaal in te spannen voor de oplevering van 21 bewoners van parkeerplaatsen elders in de omgeving. Dit zou resulteren in de effectieve ontheffing van 16 parkeerplaatsen voor bezoekers. Op basis van het vigerend beleid is het bevoegd gezag, de gemeente Zoetermeer hiermee akkoord gegaan.
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 48
Ontsluiting Omdat het nog onduidelijk is of en waar de parkeerplaatsen voor bewoners gerealiseerd worden, kan er nog niet een precieze ontsluitingsroute worden vastgesteld. De meest nabijgelegen parkeerplaats bevindt zich aan de voorzijde van het te slopen kantoorgebouw. Voertuigen afkomstig van deze parkeerplaatsen kunnen zich ontsluiten op de Meerzichtlaan. Vanaf de Meerzichtlaan kan het verkeer zich in oostelijke richting afwikkelen op de Afrikaweg. In westelijke richting kan het verkeer zich via de Meerzichtlaan afwikkelen richting de Amerikalaan. Gelet op de beperkte parkeerbehoefte van de nieuwe functies in combinatie met het verwijderen van de oude functies, is het aannemelijk dat de ontsluiting voldoende in staat is de verkeersgeneratie af te wikkelen. Immers, door weghalen van functies vervallen er ook verkeersbewegingen. Conclusie Het aspect mobiliteit en parkeren levert geen randvoorwaarden of belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
NATUUR Algemeen De Omgevingswet regelt per 1 januari 2024 het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden. Bescherming gebieden De Omgevingswet bevat instrumenten om natuurgebieden te beschermen. Hierbij gaat het om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en bijzondere natuurgebieden en landschappen. Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd aan de hand van een aanwijzingsbesluit. Instandhoudingsdoelstellingen Instandhoudingsdoelstellingen zoals bedoeld in artikel 2.43 Omgevingswet geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in een gunstige staat te brengen. Herstel in geval van habitattypen kan zowel uitbreiding oppervlakte als verbetering kwaliteit betreffen. In het geval van een herstelopgave voor soorten kan het gaan om uitbreiding van de omvang van het leefgebied en om verbetering van de kwaliteit van het leefgebied voor uitbreiding van de populatie.
Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk en is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van aanwezige dier- en plantsoorten, natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen. Bijna alle aangewezen Natura 2000gebieden zijn onderdeel van het NNN. De provincie wijst in de omgevingsverordening de NNN-gebieden aan. Naast de Natura 2000-gebieden kan de minister van LNV bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen (artikel 2.44 lid 2 Omgevingswet). De provincie kan in de omgevingsverordening bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aanwijzen (artikel 2.44 lid 5 Omgevingswet). Bescherming soorten Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel dier- en plantsoorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Hierbij gaat het om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen en om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Hier zijn als eerste de provincies verantwoordelijk voor. Ook andere overheden kunnen actief beleid voeren, zo is het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid.
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 49
Bescherming houtopstanden Bomen en bossen vallen onder houtopstanden en vervullen een belangrijke en unieke functie in de fysieke leefomgeving. Bescherming van houtopstanden is derhalve onderdeel van de Omgevingswet. Door de lange ontwikkelingstijd van bossen is deze bescherming van groot belang. Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) De Omgevingswet regelt in het Besluit activiteiten leefomgeving activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. De activiteiten met betrekking tot de planologie zijn onder te verdelen in: -
Natura 2000-activiteiten; Geen Natura 2000-activiteit, wel nadelig voor Natura 2000-gebied; Flora- en fauna-activiteit (activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild) Vellen en beheren van houtopstanden
Omgevingswaarden natuurgebieden Depositie van zwaveldioxide (SO2) en stikstofdioxiden (NO2) kan schade veroorzaken aan natuurgebieden. Om kwetsbare vegetatie te beschermen gelden omgevingswaarden (besluit kwaliteit leefomgeving, 2018, paragraaf 2.2.1, art. 2.3 lid 1; art. 2.4 lid 2). Deze omgevingswaarden gelden enkel voor natuurgebieden met een oppervlakte van 1.000 m2 of meer. Bovendien moet het natuurgebied liggen binnen; • 20 km van een aangewezen aaneenschakeling van steden en dorpen; • 5 km van bebouwing, een IPPC- installatie of een andere milieubelastende installatie, of een autosnelweg of autoweg waarvan per dag meer dan 50.000 motorvoertuigen gebruik maken. Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling bestaat uit de sloop van een kantoorpand. Op de vrijgekomen locatie wordt een appartementencomplex van circa 30 meter teruggebouwd. Het appartementencomplex biedt ruimte aan 86 appartementen, verdeeld over 8 bouwlagen. De beoogde ontwikkeling kan invloed hebben op habitat en flora en fauna. De mogelijke gevolgen zijn inzichtelijk gemaakt door een stikstofdepositieberekening en een natuurwaardenonderzoek. Bescherming gebieden Zoals hierboven aangeven is er een stikstofdepositieberekening opgesteld. Het onderzoek is op 22 januari 2025 uitgevoerd door Ecofect B.V. en is als bijlage 8 aan deze GOFLO toegevoegd.
Hieronder wordt kort ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusies. Het meest nabijgelegen Natura 2000 – gebied ligt op ongeveer 11,3 kilometer afstand van de projectlocatie en betreft het gebied ‘Meijendel & Berkheide’. Het gebied ‘Meijendel & Berkheide’ is op basis van de Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 – gebied en is reeds overbelast ten aanzien stikstof. In de aanlegfase kent de beoogde ontwikkeling een stikstofdepositie 0,0 mol/ha/ja. In de nieuwe gebruiksfase bedraagt de stikstofdepositie van 0,0 mol/ ha/ja. Dit betekent dat de gehele ontwikkeling een stikstofdepositie kent van 0,0 mol/ha/ja, waardoor de grenswaarde niet verder overschreden wordt. De beoogde ontwikkeling heeft geen gevolgen voor beschermde gebieden. Stikstofdepositie levert geen randvoorwaarden of belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Bescherming soorten De beoogde ontwikkeling heeft, vanwege de aard en omvang van de beoogde werkzaamheden, mogelijk gevolgen voor beschermde dier- en plantsoorten. Derhalve is het uitvoeren van een onderzoek noodzakelijk. Er is op 11 juli 2024 een natuurwaardeonderzoek uitgevoerd door Ecofect B.V. Dit onderzoek bestaat uit bureauonderzoek en veldonderzoek en is als bijlage 9 toegevoegd aan deze goflo. Hieronder worden de belangrijkste resultaten en conclusies behandeld.
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 50
Flora Er zijn geen beschermde soorten aangetroffen. De aanwezigheid van beschermde flora is op basis van bureauonderzoek niet aannemelijk Vogels Geen huismussen, geen gierzwaluw, geen uilen en roofvogels, geen spechten en holtenbroeders, geen categorie 5 soorten. Bij het bureauonderzoek is er geen recente, relevante waarneming van beschermde vogelsoorten naar voren gekomen. Tijdens het veldonderzoek zijn er geen (nesten van) beschermde uilen of roofvogels aangetroffen. De op de projectlocatie aanwezige bomen, holten, bosjes en andere verblijfsplaatsen bieden voldoende bescherming voor potentieel aanwezige huismussen, gierzwaluwen en spechten en holtebroeders. Negatieve effecten als gevolg van de realisatie van de beoogde ontwikkeling zijn daarmee niet aan de orde voor de genoemde vogelsoorten. De projectlocatie is in potentie geschikt voor vogelsoorten uit beschermingscategorie 5. Op en rondom de projectlocatie kunnen de vink, pimpelmees, koolmees, ekster, gekraagde en zwarte roodstaart en de spreeuw aanwezig zijn. Deze zijn echter niet aangetroffen tijdens het veldonderzoek. Daarnaast zijn er geen soorten met een jaarrond beschermd nest waargenomen. Om negatieve effecten zo goed mogelijk uit te sluiten is het advies om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Vleermuizen Op de projectlocatie zijn er geen geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig.
Ondanks realisatie van de beoogde ontwikkeling blijft het foerageergebied intact. Ook onmisbare vliegroutes blijven behouden. Ten aanzien van vleermuizen worden geen negatieve effecten verwacht. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen vaste verblijfplaatsen van beschermde zoogdieren aangetroffen. Daarnaast zijn er geen sporen van de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten aangetroffen. Er zijn geen relevante, recentelijke waarnemingen opgenomen in de geraadpleegde databases. Negatieve effecten op beschermde zoogdiersoorten zijn daarmee niet aan de orde. Reptielen en amfibieën De projectlocatie en de nabije omgeving zijn niet geschikt voor beschermde reptielen of amfibieën doordat er geen geschikte waterlichamen aanwezig zijn. Negatieve effecten zijn daarmee niet aannemelijk. Vissen Doordat er geen wateren op de projectlocatie aanwezig zijn, is er geen sprake van de aanwezigheid van beschermde vissoorten. Negatieve effecten zijn daardoor uitgesloten. Vlinders en libellen De projectlocatie heeft geen potentie als leefgebied voor beschermde vlindersoorten en/of libellensoorten. Er zijn recente, relevante waarnemingen in de geraadpleegde databases opgenomen. Negatieve effecten van de ontwikkeling op vlinders en libellen zijn daarmee uitgesloten.
Overige soorten ongewervelden De projeclocatie heeft geen potentie voor overige, beschermde soorten. Daarnaast is de projectlocatie niet gelegen in bekend verspreidingsgebied van beschermde soorten ongewervelden. Tot slot zijn er geen recente, relevante waarnemingen in de geraadpleegde databases bekend. Negatieve effecten op overige beschermde soorten ongewervelden zijn daarmee niet aan de orde.
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 51
Tussenconclusie De projectlocatie is geen (onderdeel van het) leefgebied van beschermde soorten. Om negatieve effecten zo goed mogelijk uit te sluiten is het advies om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Bescherming houtopstanden Ter plaatse van de projectlocatie zijn geen bomen of bossen zoals bedoeld in het onderdeel houtopstanden van de Omgevingswet aanwezig die zullen worden gekapt. Een meld-of herplantingsplicht is niet van toepassing. Conclusie In het kader van natuur is sprake van een ETFAL.
ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN Algemeen Niet gesprongen explosieven zijn ontplofbare oorlogsresten, bijvoorbeeld uit de Eerste of de Tweede Wereldoorlog. Wanneer deze verplaatst of geraakt worden bij werkzaamheden in de grond, kunnen ze een gevaar opleveren. Conform Arbowetgeving dient het terrein daarom voorafgaand aan grondroerende werkzaamheden onderzocht te worden op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Hiermee wordt voorkomen dat tijdens werkzaamheden in de bodem ontplofbare oorlogsresten worden aangetroffen die een gevaar voor de werknemers en de openbare orde en veiligheid kunnen vormen. In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot ontplofbare oorlogsresten. Gemeenten dienen hierin een eigen afweging te maken. Voor zover gemeenten in de Algemene Plaatselijke Verordening / Verordening van de fysieke leefomgeving regels hebben opgenomen met betrekking tot dit onderwerp, blijven die regels onverkort van kracht zolang ze niet actief worden meegenomen in het gemeentelijk omgevingsplan. De Omgevingswet heeft daarnaast geen invloed op gemeentelijk beleid ten aanzien van ontplofbare oorlogsresten. Relatie tot ontwikkeling Binnen de gemeente Zoetermeer is geen vooronderzoek naar ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd. In het omgevingsplan “Omgevingsplan gemeente Zoetermeer” zijn ook geen bepalingen inzake dit onderwerp opgenomen.
De gronden van de projectlocatie zijn in het verleden al geroerd en zijn momenteel bebouwd. Een onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie In het kader van ontplofbare oorlogsresten is sprake van een ETFAL.
TRILLINGEN Algemeen Onder de Omgevingswet worden trillinggevoelige gebouwen – zoals gebouwen voor woongebruik, onderwijs of kinderopvang – beschermd tegen trillingen veroorzaakt door activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn hiervoor in paragraaf 5.1.4.4 instructieregels opgenomen. Instructieregels zijn bindende regels voor bestuursorganen. De instructieregels in paragraaf 5.1.4.4 Bkl zijn van toepassing op het toelaten van: a. een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit; of
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 52
b. een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz plaatsvinden die veroorzaakt worden door een activiteit, anders dan het wonen, die is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit. De paragraaf is in beginsel niet van toepassing op: a. een trillinggevoelige ruimte in een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk is gelegen op een industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder; b. met uitzondering van artikel 5.82 en 5.83, op een trillinggevoelig gebouw dat in een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar; en c. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Trillinggevoelige gebouwen en ruimten Een trillinggevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Bovenstaande geldt niet voor een gedeelte van een gebouw als het omgevingsplan in dat gedeelte geen trillinggevoelige ruimten toelaat. Ook zijn woonwagens en drijvende woonfuncties geen trillinggevoelige gebouwen.
Een trillinggevoelige ruimte is een verblijfsruimte of verblijfsgebied van de functies die in sub a t/m d zijn beschreven. Aanvaardbaarheid Het Bkl bepaalt dat in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw. Het omgevingsplan dient er daarnaast in te voorzien dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Van deze aanvaardbaarheid is sprake wanneer in het omgevingsplan toepassing is gegeven aan de waarden zoals benoemd in artikel 5.87, eerste en tweede lid, artikel 5.87, vierde lid, artikel 5.88 of 5.89 Bkl. Of aan deze waarden kan worden voldaan, dient te blijken uit een onderzoek naar trillingshinder. Beoordeling trillingshinder De meet- en beoordelingsrichtlijn voor trillingen van Stichting Bouwresearch Rotterdam (SBR-richtlijn) vormt de basis voor het bepalen van trillingen. De SBR-richtlijn heet voluit: Meet- en Beoordelingsrichtlijn, deel B, 'Hinder voor personen in gebouwen 2006'. Deze richtlijn is ook het uitgangspunt voor de Beleidsregel trillinghinder spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. Het beoordelingskader voor trillinghinder door activiteiten is overgenomen uit deze richtlijn. Dit beoordelingskader staat in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling is aan te merken als een trillinggevoelig gebouw en/of een trillinggevoelige ruimte als bedoeld in het Bkl, omdat de ontwikkeling van een gebouw met een woonfunctie is beoogd. Binnen 100 meter van de projectlocatie is een tramspoor aanwezig, dat mogelijk trillingshinder veroorzaakt. Een onderzoek is daarom noodzakelijk zodat hier bij de verdere planvorming voldoende rekening mee kan worden gehouden. Het onderzoek is al in gang gezet en de resultaten zullen worden betrokken bij de vergunningaanvraag voor de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit. Conclusie In het kader van trillingen is sprake van ETFAL.
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 53
WATERBELANG Algemeen Op grond van de Omgevingswet is het wegen van het waterbelang noodzakelijk bij het vaststellen van het omgevingsplan. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan (artikel 5.37 van het Bkl). De regeling voor weging van het waterbelang is geformuleerd als instructieregel. De betekenis van deze instructieregel moet gezien worden in het licht van de belangenafweging die plaatsvindt in het omgevingsplan. Art. 5.37 lid 1 verplicht de gemeente bij die belangenafweging om in het omgevingsplan met de relevante waterbelangen rekening te houden en daarbij de opvattingen van de waterbeheerder te betrekken. Daarnaast is de weging ook noodzakelijk bij bijvoorbeeld een buitenplanse omgevingsactiviteit (paragraaf 8.1.1.2 Bkl). De waterbeheerder brengt het waterbelang bij de totstandkoming van een ruimtelijk plan onder de aandacht van het bestuursorgaan dat bevoegd is het betreffende ruimtelijk plan vast te stellen. Daarbij vormt de toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan het kader. De waterbelangen zien met name op het voorkomen en beperken van overstromingen (waterveiligheid), wateroverlast en droogte (waterkwantiteit). Verder strekt de weging van het waterbelang zich uit over het belang van een goede waterkwaliteit.
Ook de vervulling van op grond van de wet aan watersystemen toegekende maatschappelijke functies, zoals scheepvaart of zwemwater, is een van deze waterbelangen. Door ontwikkelingen als klimaatverandering, met meer extreem natte en droge periodes, en bodemdaling wegen waterbelangen steeds nadrukkelijker mee bij ruimtelijke beslissingen. Het is aan het daartoe bevoegde bestuursorgaan om in het betreffende ruimtelijk plan rekening te houden met de waterbelangen. In zoverre zijn de opvattingen van de waterbeheerder dus niet doorslaggevend. Het is nadrukkelijk de bedoeling dat via deze regeling de waterbelangen meer aan de voorkant van het planproces aan de orde komen (Stb. 2018, 292, p. 340). In de Omgevingswet en Besluit kwaliteit leefomgeving geeft het Rijk aan welke vergunningplichten gelden voor verschillende wateractiviteiten. Zo stelt het Rijk een vergunningplicht voor onder andere een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk, een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk, lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of op een zuiveringtechnisch werk, stortingsactiviteiten op zee en waterontrekkingsactiviteiten. Waterschappen kunnen ook een vergunningplicht hanteren in hun waterschapsverordening.
Beleid Kaderrichtlijn Water Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma is vastgesteld op 18 maart 2022. Het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 worden de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en vaarwegen beschreven. In het Nationaal Water Programma zijn drie hoofdambities opgenomen: • Een veilige en klimaatbestendige delta. • Een concurrerende, duurzame en circulaire delta. • Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. Een veilige en klimaatbestendige delta Vanwege het feit dat Nederland kwetsbaar is voor de gevolgen van klimaatverandering, zijn maatregelen vereist die verdere klimaatverandering tegengaan. Daarnaast zijn stappen nodig om ons aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering. Dit wordt klimaatadaptatie genoemd. Klimaatadaptatie is een opgave die vele beleidsterreinen en sectoren raakt en daar dwars doorheen loopt. Klimaatadaptatie is een belangrijk onderdeel van het waterveiligheidsbeleid. Het Rijk bouwt voort op bestaande strategieën, zoals de overstromingsrisicobenadering en meerlaagsveiligheid. Uiterlijk in 2050 Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 54
moeten de primaire waterkeringen aan de aangescherpte wettelijke normen voldoen. Ook wordt gewerkt aan het versterken van regionale keringen. Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta Een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Daarom moet Nederland in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Het Rijk werkt aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. Het Rijk wil de internationale concurrentiekracht van de mainports en van de Nederlandse maritieme sector op een duurzame manier versterken en daarom wordt gewerkt aan een vlot, veilig, robuust en duurzaam goederenvervoersystemen over water. Daarnaast richt Rijkswaterstaat op maatregelen voor het tegengaan van verzilting en het verkennen van mogelijke systeemingrepen voor een klimaatbestendige zoetwatervoorzieningen. Vervolgens werkt Rijkswaterstaat aan vlot, veilig, robuust en duurzaam verkeer van scheepvaart over water door de aanleg en het beheer en onderhoud van rijkswateren en vaarwegen. Hierbij wordt veel aandacht besteed aan het klimaatbestendig maken van het netwerk en aan de verduurzaming van aanleg, beheer en onderhoud.
Met innovaties op het gebied van technologie, data en digitalisering wordt gewerkt aan veiliger, schoner en efficiënter vervoer over water. Ten slotte bezuinigt Rijkswaterstaat op het eigen energieverbruik en het zet in op klimaatneutraal werken. Door het onder voorwaarden laten gebruiken van het Rijkswaterstaat-areaal voor het opwekken van duurzame energie voor en door derden kan een bijdrage geleverd worden aan de energietransitie. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen. Het kabinet heef in 2021 het statiegeldsysteem uitgebreid naar kleine flesjes om de hoeveelheid plastic in het milieu te verminderen. Het Rijk neemt in de planperiode van dit NWP veel maatregelen voor een natuurlijkere inrichting van de grote wateren om de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) te bereiken. Deze maatregelen zijn opgenomen in de stroomgebiedbeheerplannen 2022-2027.
In de afgelopen periode zijn daarnaast extra middelen vrijgemaakt voor de Delta aanpak Waterkwaliteit, het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer en de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW). Al deze maatregelen betekenen een grote stap naar het halen van de doelen voor waterkwaliteit en natuur. In 2021 heef het Rijk de Beleidsnota Drinkwater 20212027 vastgesteld om schoon, gezond en genoeg (drink)water voor iedereen veilig te blijven stellen. Het Programma Natuur en het Programma Versterken Biodiversiteit bevatten maatregelen om de waternatuur te versterken. De visie voor kringlooplandbouw draagt bij aan het verbeteren van de kwaliteit van grond en oppervlaktewater. De aanpak van bodemdaling is ook voor het waterbeheer van groot belang. Het Programma Ontwikkeling Nationale Strategie (ONS) Landschap ondersteunt een landschapsinclusieve aanpak van de wateropgaven. Rijkswaterstaat richt zich in de planperiode van het NWP op het uitvoeren van de 3e tranche KRW-maatregelen, het opstellen en uitvoeren van Natura 2000beheerplannen en het verkennen en uitvoeren van de PAGW-maatregelen in de rijkswateren. Daarbovenop gaat extra aandacht uit naar opkomende en zeer zorgwekkende stoffen, zowel op het gebied van vergunningverlening als kennisontwikkeling.
Voor het grondwatersysteem gaat Rijkswaterstaat samen met regionale waterbeheerders de effecten op het grondwater van de rijkswateren en eigen werkzaamheden daarin verkennen. Hierbij wordt ook gekeken of de rijkswateren een positieve bijdrage kunnen leveren aan de gewenste grondwatersituatie
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 55
van het regionale grondwatersysteem. Dit mede ter bestrijding van gevolgen van wateroverlast en voornamelijk verdroging. Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 Het Regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 is vastgesteld op 1 december 2021. Met dit programma laat de Provincie Zuid-Holland zien hoe ze, samen met haar partners, werkt aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland. In het regionaal waterprogramma staat hoe de provincie uitwerking geeft aan de Europese richtlijnen over water en gaat ze in op onderwerpen zoals zoetwatervoorzieningen, wateroverlast, waterrecreatie en vaarwegen. Voortgangsnota KRW In de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water 2016-2021, vastgesteld op 14 oktober 2015, zijn de doelen en maatregelen voor waterkwaliteit van grond- en oppervlaktewater vastgesteld. Deze nota fungeert als een regionaal waterplan conform de Waterwet, voor het thema waterkwaliteit. Provinciaal Waterplan 2010-2015 Een aantal onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010-2015 blijft ongewijzigd van kracht. Dit heeft betrekking op een onderdeel van waterveiligheid, water en natuur en vismigratie.
Hoogheemraadschap Rijnland Waterbeheerprogramma 6 ‘Water wijst de weg’ 2022-2028 Het hoogheemraadschap Rijnland heeft in haar waterbeheerprogramma de aanpak en plannen voor goed waterbeheer ten behoeve van wonen, werken en genieten binnen haar beheersgebied vastgelegd. Het programma gaat in op plichten vanuit Europese Richtlijnen ten aanzien van water, maar ook op extra onderdelen als klimaatadaptatie, de digitale transformatie en de waterketen. Daarnaast wordt de visie op samenwerking gegeven en ingegaan op de financiën van het waterschap. Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen in het beheergebied van het Hoogheemraadschap Rijnland. Het hoogheemraadschap heeft vier leggers vastgesteld, namelijk de legger regionale waterkeringen, de legger primaire waterkeringen, de legger oppervlakte wateren en de legger ondersteunende kunstwerken. Uitsneden van deze leggerkaarten zijn hieronder toegevoegd. Daarnaast heeft het Hoogheemraadschap Rijnland op 1 mei 2025 de waterschapsverordening ‘de Rijnlandse Keur’ vastgelegd. Figuur 6. Legger regionale waterkeringen (bron: Hoogheemraadschap Rijnland, geraadpleegd op 10 juli 2025)
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 56
Figuur 7. Legger primaire waterkeringen (bron: Hoogheemraadschap Rijnland, geraadpleegd op 10 juli 2025)
Figuur 8. Legger kunstwerken vigerend (bron: Hoogheemraadschap Rijnland, geraadpleegd op 10 juli 2025)
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 57
Figuur 9. Legger kunstwerken vigerend (bron: Hoogheemraadschap Rijnland, geraadpleegd op 10 juli 2025)
Effect op waterkwaliteit Bij de totstandkoming van het project worden er geen uitloogbare materialen zoals lood, kopen en zink toegepast. Hierdoor is er geen sprake van een negatief effect op schoon hemelwater, de grondwaterkwaliteit op de projectlocatie wordt niet negatief beïnvloedt. Daarnaast wordt er gebruik gemaakt van gescheiden hemelwaterafvoer. Effect op waterkwantiteit Uit de leggerkaarten valt op de maken dat er geen oppervlakte wateren aanwezig zijn op de projectlocatie. In de huidige situatie is de projeclocatie geheel verhard. In de toekomstige situatie blijft de projectlocatie verhard. Er is geen sprake van een toename van verhard oppervlak. Hierdoor is er geen sprake van een vergunningenplicht. In het openbaar gebied wordt waar mogelijk minder verharding teruggebracht. Effect op beperkingengebieden De projectlocatie is niet gelegen in of nabij beschermingszones of beperkingengebieden van kunstwerken. Negatieve effecten zijn daarmee uitgesloten. Ook is er geen sprake van randvoorwaarden of belemmeringen. Conclusie In het kader van water is sprake van een ETFAL.
WINDHINDER Algemeen Windhinder is een aspect van de fysieke leefomgeving, zoals bedoeld in artikel 2.1 Omgevingswet. Hiermee is windhinder ook een onderdeel van de taak van de gemeente voor het evenwichtig toedelen van functies aan locaties in het omgevingsplan. De gemeente heeft hier wel een ruime mate van beleidsvrijheid in, nu voor het aspect windhinder instructieregels van het Rijk ontbreken. Beoordelingskader NEN-norm voor windhinder De NEN 8100 is een norm voor de beoordeling van het windklimaat. De norm werkt met uurgemiddelde windsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans in percentage van uren per jaar. In een tabel is
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 58
voor verschillende situaties en activiteiten (doorlopen, slenteren, langdurig zitten) aangegeven of het windklimaat slecht, matig of goed is. In deze norm zit een beslismodel dat aangeeft wanneer een windonderzoek nodig kan zijn: • gebouwen hoger dan 30 meter: windonderzoek is nodig • beschut gelegen gebouwen, hoogte 15 tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is • onbeschut gelegen gebouwen, hoogte tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is De NEN 8100 is vanuit de wet niet verplicht, maar wordt wel algemeen gebruikt om te beoordelen of de ontwikkeling in overeenstemming is met een veilige en gezonde fysieke leefomgeving (voorheen: een goede ruimtelijke ordening). Borging windhinder in het omgevingsplan In het omgevingsplan kan de gemeente regels opstellen over de wijze waarop windhinder in de planvorming betrokken dient te worden. Dit kan bijvoorbeeld door het opnemen van een omgevingsvergunningplicht in het omgevingsplan, door het opnemen van maatregelen in het omgevingsplan (wanneer de maatregelen voor het beperken van windhinder reeds bekend zijn) of door het vastleggen van een meldingsplicht voor bouwen van hoge gebouwen in het omgevingsplan. In onderstaand kader is een voorbeeld van een omgevingsvergunningplicht opgenomen. Voorbeeld omgevingsvergunningplicht De gemeente neemt een vergunningplicht op voor bebouwing hoger dan 30 meter.
Hieraan koppelt de gemeente een beoordelingsregel. De beoordelingsregel stelt als voorwaarde dat de initiatiefnemer aantoont dat er een aanvaardbaar windklimaat ontstaat. Eventueel kan de gemeente in het omgevingsplan vastleggen dat de initiatiefnemer dit aantoont met een windonderzoek dat voldoet aan de NEN norm 8100 voor windhinder en windgevaar.
Relatie tot ontwikkeling In het omgevingsplan van de gemeente Zoetermeer zijn er vooralsnog geen regels opgenomen over het uitvoeren van een windhinderonderzoek. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in bebouwing van circa 30 meter hoogte. Het betreft hier een gebouw dat deels afgeschermd wordt door omliggende gebouwen. Een verslechtering van een windhinderonderzoek is daarmee niet aannemelijk. Omdat er geen regels in het omgevingsplan zijn opgenomen en een verslechtering niet aan de orde lijkt, is er geen windhinderonderzoek uitgevoerd. Randvoorwaarden of belemmeringen zijn niet aan de orde. Conclusie In het kader van windhinder is sprake van een ETFAL.
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 59
6
BESCHRIJVING UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. Er is geen aanleiding om aan de economische haalbaarheid van het plan te twijfelen.
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Participatie Ten behoeve van het plan ‘Hart voor Meerzicht’ heeft er op 11 februari 2025 een eerste participatieavond plaatsgevonden. Er is een verslag opgesteld, welke als bijlage 10 aan deze GOFLO is toegevoegd. Hieronder volgt een korte samenvatting van deze participatiebijeenkomst. De bijeenkomst werd georganiseerd door de initiatiefnemer in samenspraak met de gemeente. Onderwerp van de participatieavond was de geplande verbouwing van het winkelcentrum Meerzicht, en het eerste project dat van start gaat. Dit project betreft de voorliggende ontwikkeling en dus de sloop van een leegstaand deel en de bouw van een appartementencomplex met 86 appartementen dat in de plint ruimte biedt aan voorzieningen, waaronder horeca met terras. In het plenaire deel is er ingegaan op de behoefte aan een kwaliteitsverbetering van het winkelcentrum en de toevoeging van woningen in de wijk. Daarna zijn de plannen voor de voorliggende ontwikkeling verder toegelicht door de initiatiefnemer. Na het plenaire deel is er door middel van de informatiemarkt aan verschillende tafels input van omwonenden en andere stakeholders opgehaald. Het algemene sentiment is dat bewoners blij zijn dat Meerzicht een opknapbeurt krijgt. Er is dan ook steun voor het versterken van het winkelcentrum en de komst van nieuwe woningen, maar ook voor de vestiging van nieuwe horeca.
Er is echter ook veel input opgehaald over specifieke onderwerpen, waaronder: • Het winkelcentrum: de beoogde discounter wordt als waardevolle aanvulling beschouwd, wel is er onduidelijkheid over routing en entrees. Ook zijn er wensen geuit over de uitstraling, toegankelijkheid en het type winkels. • Parkeren: Er zijn zorgen over de parkeerdruk en onveiligheid. Daarnaast zijn er vragen over herinrichting en normering. • Fietsers en voetgangers: er moet veel aandacht zijn voor meer en veiligere fietsparkeerplekken, eventueel bewaakt. Ook is er de wens voor meer ruimte voor voetgangers. • Laden en lossen: verplaatsen van laden/lossen bij jumbo is positief, er zijn zorgen over ruimte, geluidsoverlast en verkeersveiligheid. • Horeca en woningen: enthousiasme over daghoreca met terras, verzoek om voorrang voor buurtbewoners bij toewijzing van de appartementen. • Bouwfase: overlast tijdens de sloop/bouw en de wens voor goede communicatie en afstemming met VVE’s. • De openbare ruimte: er is een wens voor vergroening en een waterpartij. Ook een speelplek voor kinderen en jongeren is gewenst. Er is veel input voor het gebruik van de openbare ruimte voor
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 60
zowel autoparkeren als fietsparkeren. Er zijn zorgen geuit over overlast door dieren, de rommelige openbare ruimte als mede een onveilig gevoel. Ook is er een wens voor meer verlichting en onderhoud. De gemeente is beheerder van de openbare ruimte, daarom is dit met name input voor de rol van de gemeente en de verdere versterking van Meerzicht.
Planologische procedure De Algemene wet bestuursrecht kent twee voorbereidingsprocedures: de korte voorbereidingsprocedure en de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Voor deze buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) wordt de korte voorbereidingsprocedure doorlopen. Bij een besluit op aanvraag geeft het bevoegd gezag kennis van dat besluit, tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking. Dan volgt voor eenieder de mogelijkheid om eventuele bezwaren tegen het besluit bekend te maken. Een bezwaarmaker moet het bezwaar binnen 6 weken indienen bij het bevoegd gezag dat het besluit heeft genomen. Wanneer iemand het niet eens is met het besluit op dat bezwaar, kan hij of zij nog in beroep gaan. Met bovenstaande procedures wordt de maatschappelijke betrokkenheid afdoende gewaarborgd.
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 61
7
CONCLUSIE ETFAL De initiatiefnemer heeft als doel het kantoorpand te slopen, waarna een appartementencomplex wordt teruggebouwd. Het appartementencomplex biedt ruimte aan 86 woningen verdeeld over acht lagen. Daarnaast wordt er een daktuin beoogd en inspanning geleverd om 21 parkeerplaatsen voor bewoners te realiseren. Het geldende omgevingsplan staat de beoogde ontwikkeling niet toe. Voor deze ontwikkeling dient dan ook een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van een omgevingsvergunning voor de ‘buitenplanse omgevingsplanactiviteit’ (BOPA). In dit kader is voorliggende ‘goede onderbouwing van (de effecten op) de fysieke leefomgeving’ (GOFLO) opgesteld. Middels voorliggende GOFLO is het project gemotiveerd aan relevante beleidskaders en omgevingsaspecten. De uitvoerbaarheid van het initiatief is getoetst aan de diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de bijbehorende regelgeving. Hieruit blijkt dat een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) is gewaarborgd.
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 62
– Abestinventarisatierapport
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 63
– Verkennend Bodemonderzoek
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 64
– Akoestisch onderzoek wegverkeers- en spoorweglawaai
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 65
documentkenmerk: 2402729DJ-01, versie 0
Akoestisch onderzoek wegverkeers- en spoorweglawaai Meerzicht te Zoetermeer (2402729DJ-01, versie 0)
documentkenmerk: 2402729DJ-01, versie 0
Akoestisch onderzoek wegverkeers- en spoorweglawaai
in opdracht van Woonhave Ontwikkeling B.V. Museumpark 7 3015 CB ROTTERDAM
betreffende locatie Meerzicht Zoetermeer documentkenmerk 2402729DJ-01 versie 0 vestiging Nuenen datum 24 december 2024
opgesteld door:
gecontroleerd door:
ir. J.W.P. Jansen
ir. M. Claessens
Projectleider Duurzaam, Geluid & Energie
Projectleider Duurzaam, Geluid & Energie
Dit document is digitaal gegenereerd en derhalve niet voorzien van een handtekening. De inhoud is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven. Het document mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd. Door derden aangebrachte wijzigingen en/of toevoegingen dan wel oneigenlijk gebruik van het document vallen niet onder de verantwoording van Tritium Advies. Op dit rapport is een disclaimer van toepassing; zie https://www.tritium.nl/algemene-disclaimer/
Tritium Advies B.V. Adviseurs in bouwen, milieu en veiligheid T.
088 44 02 900
E.
info@tritium.nl
I.
www.tritium.nl
KvK-nr.
17108024
Tritium Advies is gevestigd in:
Breda >> Nuenen >> Rijkevoort
documentkenmerk: 2402729DJ-01, versie 0
Inhoudsopgave pagina 1
Inleiding
1
2
Uitgangspunten
2
2.1
Locatiegegevens
2
2.2
Gegevens wegverkeer
2
2.3
Gegevens spoorwegverkeer
3
2.4
Modellering
4
2.4.1 Wegverkeerslawaai
4
3
Wet- en regelgeving
5
3.1
Berekeningsmethode
5
3.2
Randvoorwaarden
5
3.2.1 Inleiding
5
3.2.2 Geluidbronsoorten
5
3.2.3 Beleidsregels geluid
6
4
Rekenresultaten en toetsing
8
4.1
Geluidbelasting wegverkeerslawaai
8
4.2
Geluidbelasting spoorweglawaai
8
4.3
Geluidluwe gevels
8
4.4
Gecumuleerd geluid
9
4.5
Gezamenlijk geluid
9
4.6
Geluidwering gevels (GA;k)
9
5
Samenvatting en conclusie
Bijlagen Bijlage 1:
Situatietekening van het plan
Bijlage 2:
Verkeersgegevens wegverkeer
Bijlage 3:
Invoergegevens akoestisch model wegverkeerslawaai
Bijlage 4:
Grafische weergave akoestisch model wegverkeerslawaai
Bijlage 5:
Rekenresultaten geluidbelasting wegverkeer
Bijlage 6:
Invoergegevens akoestisch model spoorweglawaai
Bijlage 7:
Grafische weergave akoestisch model spoorweglawaai
Bijlage 8:
Rekenresultaten geluidbelasting spoorwegverkeer
Bijlage 9:
Gecumuleerd en gezamenlijk geluid
11
documentkenmerk: 2402729DJ-01, versie 0
1 Inleiding In opdracht van Woonhave Ontwikkeling B.V. is een akoestisch onderzoek wegverkeers- en spoorweglawaai uitgevoerd ten behoeve van de realisatie van het plan ‘Meerzicht’ te Zoetermeer. Het plan bestaat uit project 1, bestaande uit een supermarkt, horecaruimte en circa 50-58 wooneenheden, en project 2, bestaande uit circa 170 woningen, een winkelcentrum en parkeervoorzieningen. In onderhavig onderzoek wordt enkel project 1 beschouwd. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd ten behoeve van het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. In onderhavige rapportage is de ontwikkeling getoetst aan de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (verder: Bkl) en is aangegeven wat hiervan de consequenties zijn. Hierbij wordt rekening gehouden met het geluid door wegen en spoorwegen op de nieuwe geluidgevoelige gebouwen en wordt erin voorzien dat het geluid op de nieuwe geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. Op basis van de resultaten wordt beoordeeld of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en is vervolgens beoordeeld of voor de ontwikkeling extra geluidwerende maatregelen noodzakelijk zijn. De onderhavige locatie is niet gelegen binnen de geluidsaandachtsgebieden van luchthavens of industrieterreinen. Derhalve zijn deze aspecten in onderhavig onderzoek niet nader beschouwd.
pagina 1 van 11
documentkenmerk: 2402729DJ-01, versie 0
2 Uitgangspunten 2.1 Locatiegegevens Het plangebied is gelegen in het stedelijk gebied van Zoetermeer en is kadastraal bekend als sectie F, nummers 1248, 1249, 1250, 1255, 1716 en 1717 van de gemeente Zoetermeer. In bijlage 1 zijn tekeningen van het plangebied opgenomen. Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de Rijksweg A12. Conform Omgevingsregeling artikel 17.5 is het plan voor wegverkeerslawaai gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de gemeentewegen Meerzichtlaan, Bossenwaard, Uiterwaard, Herenwaard en Kerkenbos. Het plan is tevens gelegen net buiten het geluidaandachtsgebied van de gemeenteweg Leiwater. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is deze weg alsnog beschouwd in onderhavig onderzoek. Voor spoorweglawaai is het plan gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de trambaan Zoetermeer Driemandspolder – Zoetermeer Voorweg Hoog.
2.2 Gegevens wegverkeer De toekomstige verkeersgegevens voor de Rijksweg A12 zijn afkomstig uit het Centrale Voorziening GeluidGegevens (verder: CVGG), zoals deze beschikbaar is gesteld door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Hierbij is gebruik gemaakt van de recente versie van het Geluidregister Hoofdwegennet (versie 18-12-2024). Ten behoeve van de modellering zijn deze gegevens direct overgenomen in het akoestisch rekenmodel. Vanwege het ontbreken van gegevens in het CVGG voor de gemeentewegen zijn deze verkeersgegevens verstrekt door de gemeente Zoetermeer. Van de wegen zijn prognose etmaalintensiteiten van het jaar 2030 voorhanden. De etmaalintensiteiten zijn met 1% per jaar opgehoogd (autonome groei) tot het maatgevende jaar 2035. Voor alle uurverdelingen en de verdeling van lichte, middelzware en zware motorvoertuigen over dag-, avond- en nachtperiode van de gemeentewegen is gebruik gemaakt van het door het ministerie van VROM uitgegeven rapport “bepaling van verkeersgegevens ten behoeve van de Wet geluidhinder”, GF-DR-35-01. Hierbij is voor alle wegen (worst-case) de verdeling conform “gemeentelijke hoofdwegen” aangehouden. Alle verstrekte verkeersgegevens zijn opgenomen in bijlage 2. De verkeersinvoergegevens inclusief de maximumsnelheid en wegdektype worden gepresenteerd in navolgende tabellen 2.1 tot en met 2.2.
pagina 2 van 11
documentkenmerk: 2402729DJ-01, versie 0
Tabel 2.1: gegevens wegverkeer Rijksweg A12 Rijksweg A12* maximumsnelheid: 115 km/uur wegdek: 1- en 2-laags ZOAB jaar: 2035
etmaalintensiteit oost: 60.285 mvt.
jaar: 2035
etmaalintensiteit west: 74.816 mvt. dag
avond
nacht
ri. oost
ri. west
ri. oost
ri. west
ri. oost
gemiddeld per uur (%)
6,51
6,50
3,08
3,35
1,20
ri. west 1,08
lichte mvt. (%)
92,59
93,11
95,67
95,94
91,66
89,12
middelzware mvt. (%)
3,33
3,15
1,20
1,04
2,93
4,33
zware mvt. (%)
4,08
3,74
3,13
3,02
5,42
6,55
* De verkeersgegevens verschillen per wegvak. De hier opgenomen verkeersgegevens gelden voor het dichtst bij het plangebied gelegen wegvak.
Tabel 2.2: gegevens wegverkeer Meerzichtlaan, Bossenwaard, Uiterwaard, Herenwaard, Kerkenbos en Leiwater Meerzichtlaan*, Bossenwaard*, Uiterwaard, Herenwaard, Kerkenbos en Leiwater maximumsnelheid Meerzichtlaan en Bossenwaard: 50 km/uur maximumsnelheid Kerkenbos: 30 en 50 km/uur maximumsnelheid Uiterwaard, Herenwaard en Leiwater: 30 km/uur wegdek: asfalt (referentiewegdek) jaar: 2035
etmaalintensiteit Meerzichtlaan: 11.025 mvt.
jaar: 2035
etmaalintensiteit Bossenwaard: 12.223 mvt.
jaar: 2035
etmaalintensiteit Uiterwaard: 3.679 mvt.
jaar: 2035
etmaalintensiteit Herenwaard: 126 mvt.
jaar: 2035
etmaalintensiteit Kerkenbos: 3.826 mvt.
jaar: 2035
etmaalintensiteit Leiwater: 1.261 mvt. dag
avond
gemiddeld per uur (%)
6,47
3,58
nacht 1,01
lichte mvt. (%)
85,12
91,34
84,98
middelzware mvt. (%)
10,67
6,43
9,88
zware mvt. (%)
4,21
2,24
5,14
* De verkeersgegevens verschillen per wegvak. De hier opgenomen verkeersgegevens gelden voor het dichtst bij het plangebied gelegen wegvak.
2.3 Gegevens spoorwegverkeer De toekomstige verkeersgegevens voor de trambaan Zoetermeer Driemanspolder – Zoetermeer Voorweg Hoog zijn conform opgave gemeente overgenomen van REISinformatiegroep bv. Voor de maximumsnelheid is 40 km/uur gehanteerd, echter binnen een straal van 50 meter bij een halte is 20 km/uur aangehouden. De verkeersgegevens zijn gepresenteerd in navolgende tabel 2.3. Tabel 2.3: gegevens trambaan Driemanspolder – Voorweg Hoog trambaan Driemanspolder – Voorweg Hoog maximumsnelheid: 20 (nabij tramhalte) en 40 km/uur uurintensiteiten rijtuigen categorie 7
Driemanspolder -> Voorweg Hoog
Voorweg Hoog -> Driemanspolder
dag (7:00-19:00)
6,00
6,00
avond (19:00-23:00)
4,00
4,00
nacht (23:00-7:00)
1,25
1,25
pagina 3 van 11
documentkenmerk: 2402729DJ-01, versie 0
2.4 Modellering Voor de locatie en afmetingen van de nieuwe woningen is uitgegaan van de in bijlage 1 opgenomen tekeningen. Voor de woningen is een verdiepingshoogte van 3 meter aangehouden. Enkel voor de begane grond is een verdiepingshoogte van 4 meter gehanteerd. Conform artikel 3.2, eerste lid, onder a van de Omgevingsregeling (verder: OR) dient als maatgevende toetshoogte twee derde van de hoogte van een bouwlaag te worden aangehouden. Als maatgevende toetshoogte voor de nieuwe woningen is gerekend met de in tabel 2.4 weergegeven hoogten. Voor alle punten is gerekend met invallend geluid. Tabel 2.4: toetshoogten bouwlaag
toetshoogte (m)
1e verdieping
6,0
2e verdieping
9,0
3e verdieping
12,0
5e verdieping
18,0
7e verdieping
24,0
e
8 verdieping
27,0
Voor de omgeving van het plangebied is gebruik gemaakt van een akoestisch model in Geomilieu, versie 2024.1. Alle bodemgebieden en gebouwen zijn verkregen uit de dataset 3D geluid zoals beschikbaar gesteld op PDOK. De invoergegevens van deze objecten zijn steekproefsgewijs gecontroleerd en waar nodig gecorrigeerd of aangevuld. In de berekeningen is als rekenparameter bodemfactor 0,00 (akoestisch hard) aangehouden met uitzondering van de ingevoerde bodemgebieden. De ingevoerde bodemgebieden zijn als akoestisch zacht (bodemfactor 1,00) en akoestisch half hard/zacht (bodemfactor 0,50) gemodelleerd. De akoestisch zachte bodemgebieden betreffen groenvoorzieningen en de ondergrond van de trambaan. Bij wegdektypen welke significant absorberende eigenschappen hebben, zoals het ZOAB op de Rijksweg A12, dient conform Bijlage IVe van de OR een bodem absorptiefactor van 0,50 te worden aangehouden. Voor het lokale maaiveld is 4 meter beneden NAP aangehouden. Significante hoogteverschillen in het maaiveld bij de trambaan zijn gemodelleerd middels hoogtelijnen conform de hoogtegegevens uit het Actueel Hoogtebestand Nederland.
2.4.1 Wegverkeerslawaai Ten behoeve van de modellering van het wegverkeerslawaai ten gevolge van de Rijksweg A12 zijn alle gegevens direct overgenomen vanuit het CVGG. Hierin zijn tevens alle (toekomstige) geluidschermen opgenomen. Voor de rotonde ter plaatse van Meerzichtlaan en Kerkenbos is een rotondecorrectie toegepast.
pagina 4 van 11
documentkenmerk: 2402729DJ-01, versie 0
3 Wet- en regelgeving 3.1 Berekeningsmethode De geluidbelastingen zijn bepaald met behulp van de meet- en rekenmethoden zoals beschreven in de Omgevingsregeling. De invoergegevens van het akoestisch model wegverkeerslawaai zijn weergegeven in bijlage 3. Een grafische weergave van deze invoergegevens is weergegeven in bijlage 4. In invoergegevens en de grafische weergave van het akoestisch model spoorweglawaai zijn weergegeven in respectievelijk bijlage 6 en 7.
3.2 Randvoorwaarden 3.2.1 Inleiding De maat voor geluid van een weg wordt uitgedrukt in de Lden-waarde. Lden is het tijdgewogen jaargemiddelde geluidniveau in dB op een plaats en vanwege een bron over alle perioden van 07.00 - 19.00 uur, van 19.00 - 23.00 uur en van 23.00 - 07.00 uur van een dag. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw binnen een geluidaandachtsgebied in het omgevingsplan wordt geluid beoordeeld door het bevoegd gezag. Hiervoor gelden instructieregels zoals gesteld in paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl.
3.2.2 Geluidbronsoorten De instructieregels voor geluid zijn van toepassing op een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en dat geheel of gedeeltelijk ligt in een geluidaandachtsgebied van: a.
wegen met geluidproductieplafonds (geluidbronsoorten provinciale wegen en rijkswegen);
b.
verharde gemeentewegen en waterschapswegen zonder geluidproductieplafonds, niet zijnde een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde (geluidbronsoorten gemeentewegen en waterschapswegen).
Binnen de voornoemde categorieën is het geluid: a.
bij wegen met geluidproductieplafonds als omgevingswaarden: het geluid bij volledige
b.
bij wegen zonder geluidproductieplafonds als omgevingswaarden: het geluid in een voor het
benutting van de geluidproductieplafonds; verkeer op die weg maatgevend jaar. Bij het bepalen van geluid door wegen wordt het geluid door alle tot die geluidbronsoort behorende wegen betrokken.
pagina 5 van 11
documentkenmerk: 2402729DJ-01, versie 0
Het geluid van een geluidbronsoort is de belasting door de geluidbronsoort als geheel. Dat wil zeggen van alle te onderscheiden delen van de betreffende geluidbronsoort. Hiermee wordt, door bepaling van één geluidbelasting voor de totale geluidbronsoort, cumulatie binnen één geluidbronsoort onder de regulering en normering gebracht.
3.2.3 Beleidsregels geluid Onder de oude wetgeving (Wgh) beschikte de gemeente Zoetermeer over aanvullende beleidsregels met het document “Hogere waarden beleid” d.d. 29 september 2009. Ondanks dat het ontheffingenbeleid nog niet is aangepast naar de Omgevingswet, is alsnog aansluiting gezocht bij de aanvullende voorwaarden conform dit beleidsstuk. Tevens dient uitgegaan te worden van de instructieregels conform het Bkl. Artikel 5.78r tot en met 5.78ad van het Bkl geven nadere uitleg met betrekking tot de instructieregels op het toelaten van geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied. Artikel 5.78s Bkl: In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door wegen en spoorwegen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied. Daarnaast wordt erin voorzien dat het geluid door een weg of spoorweg op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. Artikel 5.78t Bkl: Een omgevingsplan dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat, voorziet erin dat het geluid op dat gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde, zoals bedoeld in tabel 3.1. Tabel 3.1: normwaarden geluidgevoelige gebouwen geluidbronsoort