CConstaterende datZoetermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - GOFLO Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Inclusief bijlagen

Raadsvergadering 24 november 2025, gemeente ZoetermeerBij agendapunt: Raadsvoorstel Advies met instemming aanvraag omgevingsvergunning nieuwbouw 86 woningen Hart van Meerzicht30.467 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het doel van deze visie is om de biodiversiteit in de stad te behouden en versterken. Hierbij moet de stad aantrekkelijker, klimaatbestendiger en leefbaarder gemaakt worden door groen op alle niveaus te integreren en de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. Biodiversiteit is daardoor een belangrijke voorwaarde bij het ontwerpen, plannen en uitvoeren van bouwprojecten. Nieuwbouw biedt kansen door: • Integratie van groen en biodiversiteit in ontwerpen • Behoud en versterking van ecologische verbindingen Bovenstaande punten hebben als bijkomstig pluspunt dat er een bijdrage wordt geleverd aan klimaatadaptatie en het verbeteren van de leefkwaliteit. Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling behelst de sloop van een kantoorbouw. Hierna is er ruimte om een appartementencomplex met in de plint voorzieningen terug te bouwen. Deze ontwikkeling biedt kansen voor natuurinclusiviteit. Naast het appartementencomplex maakt een daktuin deel uit van de ontwikkeling, deze wordt grotendeels ingericht met groen. De privébalkons worden zo gerealiseerd dat bewoners deze groen kunnen inrichten. De initiatiefnemer zet zich samen met de gemeente in om in openbaar gebied groenstroken en plantenbakken toe te voegen. Ook worden er bomen aangeplant. Waar mogelijk wordt waterdoorlatende bestrating toegepast.

Conclusie Natuurinclusief bouwen vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 26

LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING Algemeen De toets voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, ook wel de ‘laddertoets’ genoemd, moet gedaan worden voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen die 'voldoende substantieel’ zijn. Het doel van de laddertoets is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in (niet-) stedelijke gebieden. Wettelijk kader Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stede- lijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.

3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Artikel 8.0b Besluit kwaliteit leefomgeving 1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, anders dan een omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang, zijn op de beoordeling van de aanvraag van overeenkomstige toepassing: a. de regels van hoofdstuk 5;

Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie maakt onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied. Om te beoordelen of de stedelijke ontwikkeling als ‘voldoende substantieel’ gekwalificeerd kan worden, moet de jurisprudentie geanalyseerd worden. Zie hiervoor de overzichtsuitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724). Zo ligt bijvoorbeeld bij wonen de grens op het op het toevoegen van 11 woningen of meer en / of bij detailhandel op het toevoegen van een brutovloeroppervlak van 500 m2 of meer. Dit betekent dat de Ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing is. Naast een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal) moet er voldoende behoefte moet zijn aan de desbetreffende ontwikkeling. Of er sprake is van een etfal, dient te blijken uit deze onderbouwing. Op basis van het beleid uit hoofdstuk 3 en meer specifiek paragraaf 3.5.2. blijkt dat er voldoende behoefte is aan deze ontwikkeling. Conclusie De Ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing. Op basis van het beleid blijkt dat er behoefte is aan de ontwikkeling.

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 27

5

ASPECTEN FYSIEKE LEEFOMGEVING In deze Goede onderbouwing van de Fysieke leefomgeving (GOFLO) wordt beschreven op welke wijze rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze aspecten omvatten in ieder geval de onderdelen die zijn opgenomen in artikel 1.2 van de Omgevingswet.

MILIEUZONERING We bevinden ons op dit moment in een tussenfase. In de bestemmingsplannen die onderdeel zijn geworden van het Omgevingsplan wordt gebruikt gemaakt van de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ om een goede ruimtelijke ordening te realiseren. Met de invoering van de Omgevingswet heeft de VNG een nieuwe handreiking gepubliceerd voor milieuzonering met als titel ‘Activiteiten en milieuzonering’. Zolang het Omgevingsplan nog niet is omgezet kan met de oude systematiek van ‘Bedrijven en milieuzonering’ worden gewerkt voor BOPA procedures. Algemeen Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt.

In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken. Tabel 1. Richtafstanden bedrijven en milieuzonering.

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk / rustig buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Pagina | 28

De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie kent deels de enkelbestemming ‘Centrum’ en deels de enkelbestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ Omliggende bestemmingen betreffen onder andere ‘Centrum’, ‘Verkeer-verblijfgebied’, ‘Wonen’, ‘Maatschappelijk’ en ‘Gemengd – 2’. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat er sprake is van gemengd gebied. De meest nabijgelegen milieubelastende bestemming betreft een brasserie in het winkelcentrum Meerzicht. Deze ligt op circa 32 meter van de projectlocatie. Een brasserie staat gelijk aan de categorie ‘Restaurants, cafetaria’s, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d. en kent SBI-2008 code 561. Deze categorie kent milieucategorie 1 en een hoogste richtafstand van 10 meter voor de aspecten geur, geluid en gevaar. Dit betekent dat er voldoende ruimte is tussen de beoogde woningen en het milieubelastende bedrijf. Op circa 126 meter van de projectlocatie ligt een benzineservicestation van TotalEnergies zonder LPG.

Een benzineservicestation zonder LPG heeft SBI-2008 code 473, kent milieucategorie 2 en een grootste richtafstand van 30 meter voor de aspecten geur en geluid. De beoogde ontwikkeling ligt op voldoende afstand van deze activiteit. Het winkelcentrum Meerzicht, waar de projectlocatie onderdeel van uitmaakt, is aangewezen als gebied waar functiemenging plaatsvindt. Dit houdt in dat verschillende functies binnen één gebied of zelfs op gebouwniveau gemengd mogen worden. Zo kan een milieugevoelige functie zoals wonen, plaatsvinden in een gebouw dat ook ruimte biedt aan een milieubelastende functie zoals horeca. Op grond van de bestemmingen ‘Centrum’, ‘Gemengd’ en ‘Maatschappelijk’ mogen er alleen functies gevestigd worden die behoren tot categorie A van bijlage 4 van de VNG-Brochure. Hierbij wordt er in de regels van het bestemmingsplan een uitzondering gemaakt bij de bestemming ‘Centrum’ voor de supermarkten (categorie B). Reden hiervoor is dat er reeds supermarkten zijn gevestigd. De beoogde ontwikkeling bestaat uit een gebouw dat in de plint ruimte biedt aan horeca met terras, retail in o.a. de vorm van een supermarkt en op de verdiepingen woningen. De activiteiten in de plint zijn planologisch reeds toegestaan en maken daardoor geen deel uit van deze vergunningenaanvraag. Dat deze activiteiten plaatsvinden betekent dat er op gebouwniveau functiemenging plaatsvindt.

Horecavoorzieningen zoals cafés, bars, restaurants, cafetaria’s, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d. vallen allemaal in categorie A. Hiermee vormt dit geen belemmering voor de beoogde woningen. Hoewel de voorziene retail in de vorm van de supermarkt in categorie B valt, kent de projectlocatie de enkelbestemming ‘Centrum’. Hierdoor vormt dit geen belemmering voor de beoogde realisatie van woningen boven de plint. Ten aanzien van bedrijven en milieuzonering zijn er geen randvoorwaarden of belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie In het kader van activiteiten en milieuzonering is sprake van een ETFAL.

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 29

ASBEST Algemeen Asbest is een verzamelnaam voor zes in de natuur gevormde mineralen met een vezelstructuur, namelijk: actinoliet, amosiet, anthofylliet, chrysotiel, tremoliet en crocidoliet. Asbest is in het verleden veel toegepast in onder andere isolatieplaten, dakbedekking en afvoerbuizen. Als de microscopisch kleine vezels worden ingeademd, kan asbest kanker veroorzaken. Vanaf 1 januari 1994 geldt er een verbod op de toepassing van asbest. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) zijn de relevante regels rondom asbest in bouwwerken opgenomen. Voor objecten geldt het Bbl niet. De bepalingen voor objecten (bijvoorbeeld personenauto’s of vaartuigen) zijn terug te vinden in het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Voor bouwwerken die gebouwd zijn voor 1 januari 1994 dient op basis van artikel 7.9 Bbl een asbestinventarisatierapport te worden opgesteld, zodat bekend is of redelijkerwijs vermoed kan worden dat in het bouwwerk zich asbest of een asbesthoudend product bevindt. Voor het slopen van (een gedeelte van) een bouwwerk waarbij ook asbest wordt verwijderd, is het doen van een sloopmelding noodzakelijk (artikel 7.10 Bbl). De sloopmelding dient tenminste vier weken voor het begin van de sloopwerkzaamheden te worden gedaan. In uitzonderingsgevallen bedraagt deze termijn tenminste een week, zie hiervoor artikel 7.10 lid 2 Bbl.

Relatie tot ontwikkeling Het huidige kantoorpand stamt van vóór 1994 en wordt gesloopt. Dat betekent dat er werkzaamheden worden verricht in of aan een bouwwerk of gedeelte daarvan dat vóór 1 januari 1994 is gebouwd. Op 30 juli 2024 is door onderzoeksbureau Hofstede cs Milieuadviseurs een asbestinventarisatierapport opgesteld. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 1 bij deze GOFLO. Hieronder worden de resultaten kort weergegeven. Het gehele bouwwerk is onderzocht. Er heeft vooronderzoek plaatsgevonden aan de hand van beschikbare informatie. Zo is de locatie systematisch visueel geïnspecteerd, waarbij er onder andere monsters zijn genomen van asbestverdacht materiaal. De hoogpanningsruimtes zijn niet onderzocht, doordat deze niet behoren tot het eigendom van de opdrachtgever. Uit de visuele aspecten alsmede analyse van de monsters blijkt dat er 79 stuks asbesthoudend materiaal in de vorm van pakkingentussen het leidingwerk aangetroffen, deze kennen risicoklasse 1 of 2. Mits er geen bewerkingen plaatsvinden zijn er geen emissie- en daarmee geen gezondheidsrisico’s. Het advies is om tijdens de sloop van het leidingwerk alle aanwezige pakkingen te laten saneren door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf. Daarnaast dienen deze werkzaamheden tenminste vier weken voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld.

Dit aspect levert echter geen belemmering op voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie In het kader van asbest is sprake van een ETFAL.

BODEM Algemeen De chemische bodemkwaliteit heeft gevolgen voor de gezondheid en het milieu. Verontreinigingen kunnen het gebruik van een locatie beperken of tot hoge saneringskosten leiden. Het Aanvullingsspoor bodem (bestaande uit de Aanvullingswet bodem, het Aanvullingsbesluit bodem en de Aanvullingsregeling bodem) voegt het thema ‘bodem en ondergrond’ toe aan de Omgevingswet. De instrumenten van de Omgevingswet zijn daarmee toepasbaar op het thema bodem en ondergrond. De nieuwe regels komen in de plaats van de bestaande regels voor het beheer van bodemkwaliteit, zoals de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit uniforme saneringen. Bodemkwaliteit wordt een onderdeel bij een afweging van

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 30

aspecten van de fysieke leefomgeving. Deze afweging is onder andere nodig bij het opstellen van een omgevingsvisie en een omgevingsplan. Toelaten van een bouwactiviteit (bestaande uit een bodemgevoelig gebouw) op een bodemgevoelige locatie Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit, bestaande uit een bodemgevoelig gebouw, op een bodemgevoelige locatie. De gemeente is daarom verplicht om in het omgevingsplan regels op te nemen voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. Bodemgevoelige locatie Als bodemgevoelige locaties worden in ieder geval beschouwd: a. de locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; b. een onmiddellijk aan een gebouw als bedoeld onder a grenzende aaneengesloten tuin of een daaraan grenzend aaneengesloten terrein; of c. een onmiddellijk aan een op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegelaten woonschip of woonwagen grenzende tuin of grenzend terrein. Bodemgevoelig gebouw Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan: a. een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn; of b. een woonschip of woonwagen.

Een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in Bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving van ten hoogste 50 m 2 wordt niet beschouwd als een bodemgevoelig gebouw.

Het omgevingsplan dient regels te bevatten over: - de waarde waarboven maatregelen nodig zijn bij de realisatie van bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties (artikel 5.89i en artikel 5.89j van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)); - welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de hiervoor bedoelde waarde (artikel 5.89k Bkl); - een meldingsplicht voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn (artikel 5.89l Bkl); - de ingebruikname van de bodemgevoelige locatie (artikel 5.89m Bkl). Indien in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen, dan worden in het omgevingsplan ook regels gesteld die ertoe strekken dat de omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde (waarboven maatregelen nodig zijn voor het realiseren van bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties) alleen wordt verleend als aannemelijk is dat de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89ka Bkl).

Bij een dergelijke omgevingsvergunningaanvraag dient tevens een bodemonderzoek te worden overhandigd, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in het omgevingsplan waar een overschrijding van de desbetreffende waarde redelijkerwijs is uit te sluiten. Milieubelastende activiteit waarbij bodemverontreiniging kan ontstaan Bij een aantal milieubelastende activiteiten is voorafgaand aan de activiteit bodemonderzoek van de landbodem nodig. Het doel van het voorafgaand bodemonderzoek is om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen. De voorschriften voor het voorafgaand bodemonderzoek staan in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Paragraaf 5.2.2 stelt regels over het type onderzoek, de normen waaraan het onderzoek moet voldoen en over lozingen van vrijkomend afvalwater. Het voorafgaand bodemonderzoek naar de chemische kwaliteit van de landbodem is verplicht bij de volgende milieubelastende activiteiten: - Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.119, Bal); Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 31

-

Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.120, Bal); Saneren van de bodem (paragraaf 4.121, Bal); Bouwen op een bodemgevoelige locatie (paragraaf 5.1.4.5.1 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)).

Uit het voorafgaand onderzoek blijkt of de interventiewaarde bodemkwaliteit wordt overschreden. Ook volgt uit het voorgaand onderzoek wat de verwachte hergebruiks- of verwerkingsmogelijkheden voor de te ontgraven grond zijn en op welke manier de partijindeling tot stand komt. Voor de activiteit saneren geeft het onderzoek inzicht in de ontgravingscontour en -diepte om de beoogde terugsaneerwaarde te kunnen bereiken. Bij het bouwen op een bodemgevoelige locatie bepaalt het onderzoek of sanerende maatregelen nodig zijn om op de locatie te mogen bouwen. Het voorafgaand bodemonderzoek bestaat uit drie mogelijke fasen: het vooronderzoek, het verkennend bodemonderzoek en het nader bodemonderzoek. Gestart wordt in fase 1, het vooronderzoek. De volgende fase (het verkennend bodemonderzoek) is alleen van toepassing, als de noodzaak daartoe blijkt uit het eerdere onderzoek. Doel hiervan is dat de onderzoekslast voor de initiatiefnemer hiermee beperkt blijft. Geldigheid van bodemonderzoek De beoordeling van de geldigheid van een onderzoek is maatwerk. Het bevoegd gezag mag bij het nemen van besluiten op grond van de Omgevingswet in ieder geval gebruik maken van rapporten en onderzoeken die niet ouder zijn dan 2 jaar. Bevoegd gezag mag ook gebruik maken van oudere rapporten en onderzoeken als voldoende onderbouwd is dat de gegevens nog voldoende actueel en representatief zijn.

Of hiervan sprake is, is onder meer afhankelijk van hetgeen in de tussenliggende periode is gebeurd met een locatie en het type verontreiniging die eventueel in de bodem is gevonden. Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Er is immers sprake van de realisatie van een woongebouw op een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten in het omgevingsplan ‘Omgevingsplan Gemeente Zoetermeer’. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is daarmee verplicht. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door Hoofstede CS op 23 mei 2025 een bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek met rapportnummer wnh.ztm.24284.r01 is als bijlage 2 toegevoegd aan deze GOFLO. Dit onderzoek bestaat uit een vooronderzoek, veldbezoek en laboratoriumonderzoek. Hieronder wordt kort ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusies. De projectlocatie is in het verleden gebruikt als kantoorpand dat onderdeel uitmaakt van het winkelcentrum ‘Meerzicht’. Bij de omgevingsdienst Haaglanden is er geen informatie bekend over activiteiten die geleid hebben tot bodemverontreiniging. Er zijn in het verleden echter wel bodemonderzoeken uitgevoerd waarbij enkele lichtverhoogde concentraties zijn aangetroffen, deze waren dusdanig laag dat vervolgonderzoek toen niet nodig was.

De bovenste laag van de bodem (tot op 3,0 meter onder maaiveld) bestaat uit zand en het ondiepe grondwater lag tijdens het veldonderzoek op 1,3 meter beneden maaiveld. Er zijn geen zintuigelijke waarnemingen geweest die wijzen op een bodemverontreiniging. Bij het veldbezoek zijn er boringen gedaan, welke in het laboratorium zijn geanalyseerd. In de mengmonsters van de boven- en ondergrond zijn in het algemeen geen verhoogde waarden aangetroffen. Incidenteel komt er in de bovengrond een zeer licht verhoogd gehalte minerale olie voor. Het grondwater is matig belast met vinylchloride en licht belast met cis- 1,2 dichlooretheen. Hoewel een overschrijding in beginsel aanleiding geeft voor het uitvoeren van een vervolgonderzoek, is dit niet nodig doorat de bron van de verontreiniging licht buiten de onderzoekslocatie, de gemeten concentraties marginaal liggen boven de grenswaarden. Tot slot is er in 2009 na metingen al vastgesteld dat er geen sprake is van ernstige bodemverontreiniging.

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 32

Middels voorliggend onderzoek is de bodemkwaliteit op representatieve wijze vastgesteld. Indien er bij bouwwerkzaamheden bemaling wordt uitgevoerd moet het opgepompte grondwater mogelijk worden voorgezuiverd voorafgaand aan de lozing. De aangetroffen, plaatselijke lichte- tot matige grondwaterverontreiniging leiden echter niet tot andere randvoorwaarden en vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie In het kader van bodem is sprake van een ETFAL.

EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Bij externe veiligheid gaat het om de risico’s van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen, de veiligheid van inrichtingen en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Externe veiligheidsbeleid biedt de kaders waarmee een gebied zo ingericht kan worden dat mensen die er wonen of werken voldoende zijn beschermd bij ongevallen met gevaarlijke stoffen. Door vooraf na te denken over bescherming en doeltreffende maatregelen te nemen, kunnen mensen die in het gebied wonen of werken worden beschermd. Dit kan bijvoorbeeld door afstand te houden of mensen in het gebied de mogelijkheid te bieden om te vluchten of schuilen. Het 'plaatsgebonden risico' en 'aandachtsgebieden' zijn instrumenten van het externe veiligheidsbeleid waarmee invulling gegeven wordt aan het beschermen van de omgeving. Het wettelijk kader m.b.t.

externe veiligheid is vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het besluit staan instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij de beoordeling van de externe veiligheid zijn twee begrippen van belang: • Plaatsgebonden risico (PR): de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). • Aandachtsgebieden: aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen.

Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: o Brandaandachtsgebied o Explosieaandachtsgebied Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 33

o

Gifwolkaandachtsgebied

Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit staat in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Dit artikel biedt de gemeenteraad een eigen afwegingsruimte bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen een aandachtsgebied. Dat wil zeggen: zolang het gaat om een locatie buiten de afstand waar de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico geldt. Het noemen van het aantal van tien personen betekent niet dat de kans berekend moet worden. De vraag of van een groepsrisico sprake is, kan de gemeente ook beantwoorden met demografische gegevens of onderbouwde schattingen. Maatregelen Het bevoegd gezag kan diverse maatregelen inzetten om mensen te beschermen binnen de aandachtsgebieden.

Deze gereedschapskist bestaat uit de volgende maatregelen: • afstand houden tot de risicobron binnen het aandachtsgebied • aanvullende risicocommunicatie • beperken van personendichtheden in de omgeving van de risicobron • vlucht- en schuilmogelijkheden • omgevingsmaatregelen • aanvullende bouwmaatregelen in een voorschriftengebied. Voorschriftengebied Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. De gemeente wijst in dat geval een locatie binnen een (brand- of explosie)aandachtsgebied als (brand- of explosie)voorschriftengebied aan in het omgevingsplan. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Zij hebben tot doel om mensen in een gebouw beter te beschermen tegen de effecten van een brand of explosie. Voor gedeelten van het bouwwerk buiten het voorschriftengebied gelden geen aanvullende bouweisen uit het Bbl. Als de gemeente geen brand- of explosievoorschriftengebied in het omgevingsplan heeft aangewezen, gelden binnen het aandachtsgebied geen aanvullende bouweisen.

Zeer kwetsbare gebouwen Locaties voor zeer kwetsbare gebouwen in een brand- of explosieaandachtsgebied moeten altijd worden aangewezen als voorschriftengebied. Voor deze gebouwen zijn de aanvullende bouweisen na aanwijzing van het voorschriftengebied in het omgevingsplan dus altijd van toepassing. Het gaat dan om bijvoorbeeld ziekenhuizen, basisscholen en kinderdagverblijven. De aanvullende bouweisen gelden niet voor bestaande gebouwen die binnen een voorschriftengebied liggen. Deze gelden alleen in geval van nieuwbouw of vervangende nieuwbouw. Groepsrisico Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 34

Relatie tot ontwikkeling De kaartviewer Atlas Leefomgeving is een tool die de risico-objecten van de Risicokaart op een geografische kaart laat zien. Op de Atlas Leefomgeving is te zien dat: • Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een activiteit met risico’s; • Het projectgebied niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; • Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een nabij gelegen transportroute; • Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. Figuur 5. Uitsnede risicokaart ( geraadpleegd op 8 juli 2025 bron: https://www.atlasleefomgeving.nl)

De projectlocatie ligt niet in aandachtsgebieden afkomstig van risicovolle activiteiten. Ook ligt de projectlocatie niet in een aandachtsgebied afkomstig van het basisnet. De Rijksweg A12 ligt op circa 775 meter van de projectlocatie, echter wordt er over dit deel van het traject geen gevaarlijke stof vervoerd die een aandachtsgebied kent van groter dan 300 meter. Hiermee zijn er geen randvoorwaarden of belemmeringen. Conclusie In het kader van externe veiligheid is sprake van een ETFAL.

GELUID Algemeen De instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) voor geluid wijzen geluidgevoelige gebouwen en ruimten aan ter bescherming van mensen tegen geluid. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie van belang, te weten: • Woonfunctie • Onderwijsfunctie • Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang • Gezondheidszorgfunctie

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 35

Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke standaardwaarde geluid of de grenswaarde geluid uit het Bkl. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De onderstaande tabel geeft de waarden weer. Geluidbronsoort Provinciale wegen Rijkswegen Gemeentewegen Waterschapswegen Lokale spoorwegen Hoofdspoorwegen Industrieterreinen Industrieterreinen

Standaardwaarde (tabel 5.78t Bkl) 50 Lden

Grenswaarde (tabel 5.78u Bkl) 60 Lden

53 Lden

70 Lden

55 Lden

65 Lden

50 Lden 40 Lnight

55 Lden 45 Lnight

Op het moment dat wordt voldaan aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag heeft de mogelijkheid om meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar te beoordelen, maar dan dient aan een aantal wettelijke eisen te worden voldaan. Voorbeelden hiervan zijn dat er geen geluidbeperkende maatregelen getroffen kunnen worden om aan de standaardwaarde te voldoen of dat de geluidbeperkende maatregelen zorgen voor zoveel mogelijk beperking van overschrijding van de standaardwaarde. Geluid boven de grenswaarde is niet toegestaan, behoudens enkele uitzonderingen. Zo kan bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen, onder voorwaarden, een overschrijding van maximaal 5 dB van de grenswaarde worden toegestaan. Wel dient als compensatie daarvoor te worden nagedacht over het realiseren van een geluidluwe gevel. Er zijn ook andere gebouwen en locaties die niet zijn aangeven als geluidgevoelig. Voorbeelden hiervan zijn: kantoren, recreatiewoningen, begraafplaatsen of parken. Hiervoor geldt dat de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid kan bepalen vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Zodra in een gebouw of op een locatie met zekere regelmaat en voor een langere tijd personen kunnen verblijven dient het onderdeel geluid nader bekeken te worden.

De praktijk wijst uit dat een goede locatiekeuze van activiteiten of functies meestal voldoende is voor het bereiken van het gewenste beschermingsniveau. De instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) beperken zich tot geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige ruimten. Deze instructieregels verschillen (deels) per type geluidsbron zoals bedrijven en wegen. Daarnaast moet er gekeken worden naar geluid van alle geluidbronnen samen. Tot slot geldt voor geluidsnormen van onversterkt menselijk stemgeluid, zoals dat van spelende kinderen op een schoolplein, dat dit niet met waarden wordt gereguleerd. Volgens artikel 5.59 van het Bkl moet het omgevingsplan regelen dat het geluid dat wordt veroorzaakt door een activiteit op een geluidsgevoelig gebouw (zoals woningen) aanvaardbaar is. In een omgevingsplan kunnen, om het stemgeluid van spelende kinderen te reguleren, voorschriften worden opgenomen. Dit kan bijvoorbeeld zijn ten aanzien van het aantal kinderen dat tegelijkertijd buiten mag spelen om een aanvaardbaar geluidniveau te behouden. Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van een geluidgevoelig gebouw. Bovendien is het gebouw gelegen binnen de zone van een spoor en autoweg. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek is daarom noodzakelijk.

Op 24 december 2024 door Tritium Akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeers- en spoorweglawaai. Het onderzoeksrapport met kenmerk 2402729DJ-01 is als bijlage 3 toegevoegd aan deze GOFLO. Hieronder wordt op de belangrijkste resultaten en conclusies ingegaan. Wegverkeerslawaai Ter beoordeling van het wegverkeerslawaai zijn toekomstige verkeersgegevens voor de Rijksweg A12, waarbij ook alle (toekomstige) geluidschermen zijn meegenomen. Ook zijn de wegverkeersgegevens van de

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 36

Meerzichtlaan, Bossenwaard, Uiterwaard, Herenwaard, Kerkenbos en Leiwater meegenomen. Voor zowel de rijksweg als de gemeentewegen geldt dat het geluid op de gevels van de nieuwe woningen de standaardwaarde van respectievelijk 50 dB en 53 dB nergens overschrijdt. De geluidsbelasting afkomstig van wegverkeerslawaai op de beoogde woningen is daardoor aanvaardbaar. Spoorwegverkeer De projectlocatie ligt zéér nabij het spoor, daarom zijn de toekomstige verkeersgegevens voor de trambaan Zoetermeer Driemanspolder – Voorweg Hoog. Voor de maximumsnelheid wordt 40 km/uur gehanteerd, maar binnen een straal van 50 meter vanaf de halte wordt 20 km/uur aangehouden. De standaardwaarde voor spoorweglawaai van 55 dB wordt nergens overschreden. De geluidsbelasting op de geprojecteerde woningen is daarmee aanvaardbaar. Gecumuleerd geluid Om te verzekeren dat de geluidbelasting op nieuwe woningen aanvaardbaar is, moet ook het gecumuleerd geluid worden beoordeeld. Het gecumuleerde geluid bestaat uit al het geluid van alle geluidbronnen en activiteiten tegelijk. Hierbij wordt een correctie voor de verschillende mate van hinderlijkheid toegepast. Voor de beoogde woningen wordt het gecumuleerde geluid van gemeentewegen, de rijksweg A12 en de trambaan beoordeeld. Het gecumuleerde geluid wordt gekwalificeerd als redelijk.

Gezamenlijk geluid Bij realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten moet het bevoegd gezag de geluidsbelasting op de gevels van deze woningen worden vastgelegd in het omgevingsplan. De beoogde woningen liggen in een geluidaandachtgebied van gemeentewegen, een rijksweg en een trambaan. Het gezamenlijke geluid op de gevels bedraagt ten hoogste 55 dB. Om aan te tonen dat er daadwerkelijk een evenwichtige toedeling van functies aan locaties plaatsvindt is een vervolgonderzoek noodzakelijk. Dit vervolgonderzoek is op 23 juli 2025 door Tritium uitgevoerd en als bijlage 4 aan deze GOFLO toegevoegd. Hieruit blijkt dat het gezamenlijk geluid op de gevels maximaal 55 dB bedraagt. Er worden verschillende voorzieningen getroffen die de geluidssituatie ter plaatse ten goede komen. Bepaalde gevels worden BP4 opgebouwd en kieren wordt waar nodig gedicht middels dk of ek+dk. Er wordt geconcludeerd dat de woningen voldoende worden beschermd tegen geluid van buiten en voldoen aan de eisen uit het Bbl. Tussenconclusie De geluidsbelasting afkomstig van wegverkeer en spoorwegverkeer leiden niet tot een overschrijding van de standaardwaarden. Het gecumuleerde geluid wordt gekwalificeerd als ‘redelijk’. Het gezamenlijke geluid bedraagt ten hoogste 55 dB. Middels toepassing van geluidwerende materialen en maatregelen kan voorzien worden in een aanvaardbaar binnenniveau.

Dit moet middels aanvullend onderzoek worden bevestigd. Het aanvullende onderzoek wordt momenteel uitgevoerd. Vooralsnog vormt dit een randvoorwaarde, maar geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie In het kader van geluid is sprake van een ETFAL.

GEUR Algemeen In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat gemeenten in het omgevingsplan rekening dienen te houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt 2 kanten op: • bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen • bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven Gemeenten dienen dus te overwegen wat de beste locatie is voor een activiteit en/of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw. Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 37

Geurgevoelige gebouwen In artikel 5.91, lid 1 Bkl is bepaald dat een geurgevoelig gebouw in ieder geval een gebouw of een gedeelte van een gebouw is met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied* en nevengebruiksfuncties daarvan; d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied* en nevengebruiksfuncties daarvan. * een bedgebied is een verblijfsgebied met een of meer bedruimten Onder geurgevoelige gebouwen vallen eveneens ruimten met een nevengebruiksfunctie van de woonfunctie, bijvoorbeeld een garage of een kantoor aan huis. Daarnaast wordt onder een geurgevoelig gebouw ook verstaan een gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit mag worden gerealiseerd. In het omgevingsplan kunnen gemeenten bepalen dat: • niet het gehele gebouw geurgevoelig is, door bijvoorbeeld de woonfunctie in een gedeelte van een gebouw uit te sluiten; • (voormalige) bedrijfswoningen niet beschermd worden tegen geur van dit bedrijf. Er kan hierbij sprake zijn van een functionele binding tot het bedrijf (artikel 5.95 Bkl) of voormalige functionele binding (artikel 5.96 Bkl); • andere (gedeelten van) gebouwen worden aangewezen als geurgevoelig, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, lid 4 Bkl).

Aanvaardbare geurhinder De geur van een activiteit moet op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente bepaalt zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Wanneer in het omgevingsplan geurwaarden zijn bepaald, gelden deze waarden bij een geurgevoelig gebouw op de gevel van het gebouw. De gemeente mag in het omgevingsplan ook vastleggen dat de waarde geldt op een locatie dichter bij de activiteit, bijvoorbeeld op een vast referentiepunt. Voor geurafstanden geldt dat deze gelden tot de gevel. Is het gebouw nog niet gerealiseerd, dan gelden de waarden en afstanden op en tot de plaats waar volgens het omgevingsplan de gevel van het gebouw mag komen te staan. In het omgevingsplan dient ook rekening te worden gehouden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten. Bebouwingscontour geur Gemeenten zijn verplicht in het omgevingsplan een ‘bebouwingscontour geur’ vast te stellen, wanneer in het omgevingsplan regels staan voor een rioolwaterzuiveringsinstallatie of agrarische activiteiten (artikel 5.97 Bkl). De gemeente wijst in ieder geval een bebouwingscontour aan rond het stedenbouwkundig samenstel van bebouwing.

Het gaat hierbij om bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel, horeca en de bij deze bebouwing horende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur. Voor lintbebouwing kan de gemeente zelf kiezen of deze binnen de bebouwingscontour wordt gebracht. Nb. de aanwijzing van een bebouwingscontour geur is alleen nodig als een rwzi of een agrarische activiteit ook echt geur veroorzaakt op een geurgevoelig gebouw. De geur moet dus op de locatie van een geurgevoelig gebouw te ruiken zijn. Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling is aan te merken als een geurgevoelig gebouw. In de omgeving van de nabije

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 38

omgeving van de projectlocatie zijn er geen geuremitterende activiteiten aanwezig. Nadere toetsing aan dit aspect kan daardoor achterwege blijven. Conclusie In het kader van geur is sprake van een ETFAL.

KABELS EN LEIDINGEN Algemeen De Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (Wibon) bevat regels ter bescherming van bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken. In het omgevingsplan kunnen de locaties en kenmerken van kabels en leidingen staan om de omgeving te beschermen tegen de risico’s van deze kabels en leidingen. Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (Wibon) De Wibon gaat niet op in de Omgevingswet. Doel van de Wibon is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen te voorkomen. Het gaat dan om water-, elektriciteit-, gasen telecomleidingen. Netbeheerders zijn door deze wet verplicht om informatie te geven over de ligging van hun kabels en leidingen. Mechanisch graven of heien mag in de openbare ruimte pas als er bij het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) van het Kadaster een KLIC-melding is gedaan. Deze verplichting geldt voor elke graafdiepte. Degene die de mechanische graafwerkzaamheden uitvoert of laat uitvoeren, is de grondroerder. Een grondroerder is verplicht informatie over de ligging van eventuele ondergrondse kabels en leidingen op de graaflocatie op te vragen. Dit moet gebeuren vóór de graafwerkzaamheden beginnen.

Het Kadaster regelt dat de melder informatie krijgt over de ligging van eventuele ondergrondse kabels en leidingen op de graaflocatie. Omgevingsplan – (toelaten van) buisleidingen en hoogspanningsleidingen Bij het toelaten van buisleidingen en hoogspanningsleidingen gaat het erom dat er een veilige omgeving rondom ondergrondse kabels en leidingen aanwezig is. Deze leidingen moeten opgenomen worden in het omgevingsplan. Voor andere ondergrondse kabels en leidingen kan de gemeente zelf bepalen of deze opgenomen worden in het omgevingsplan. Bijvoorbeeld leidingen die belangrijk zijn voor de energievoorziening, zoals de stadsverwarming. Als maatregelen nodig zijn, dan moeten deze geborgd worden in de omgevingsvergunning of het omgevingsplan. Deze bouwregels zijn gericht op het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Denk bijvoorbeeld aan de situering en afstand van ondergrondse kabels en leidingen ten opzichte van omliggende woningen. Daarnaast bepaalt een gemeente in haar omgevingsvisie welke ondergrondse leidingen of kabels relevant zijn voor de fysieke leefomgeving en of deze relevant zijn om op te nemen in het omgevingsplan. In het omgevingsplan staan geen of zeer beperkt gebruiksregels voor ondergrondse kabels en leidingen. Deze regels richten zich op de ligging, het type leiding en de gebruikskenmerken.

Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om de volgende kenmerken: • soort stof (bij buisleidingen) • maximale druk (bij gas in buisleidingen) • maximaal vermogen (bij ondergrondse hoogspanningsleidingen) Hoogspanningsverbindingen en magneetveldzones Op 21 april 2023 is het herijkte voorzorgbeleid magneetvelden bij elektriciteitsvoorzieningen in werking getreden. Het doel van het voorzorgbeleid magneetvelden is om, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te voorkomen dat burgers (volwassenen en kinderen) langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden die Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 39

afkomstig zijn van de elektriciteitsinfrastructuur. Niet omdat dit om gezondheidsredenen noodzakelijk is, maar uit voorzorg. Het voorzorgbeleid voor magneetvelden bestaat uit: • bronmaatregelen, die de netbeheerders bij alle netcomponenten treffen; • afstandsmaatregelen bij bovengrondse hoogspanningslijnen, die het bevoegd gezag voor de ruimtelijke ordening op basis van de berekening van de magneetveldzone kan treffen. Door de minister voor Klimaat en Energie (KE) en de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) is, in afstemming met de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), besloten om voor andere netcomponenten dan bovengrondse hoogspanningslijnen geen afstanden ten opzichte van gevoelige bestemmingen te adviseren. Dat betekent dat er ook geen magneetveldzone bij deze netcomponenten bepaald wordt. Het bevoegd gezag voor de ruimtelijke ordening heeft de mogelijkheid om de magneetveldzone van een bovengrondse hoogspanningslijn vast te leggen in een ruimtelijk plan (bestemmingsplan, omgevingsplan of projectbesluit). Door het verbinden van planregels aan de magneetveldzone kan voorkomen worden dat er nieuwe gevoelige bestemmingen in de magneetveldzone gerealiseerd kunnen worden.

Relatie tot ontwikkeling In het omgevingsplan “Omgevingsplan gemeente Zoetermeer” zijn geen regels opgenomen over buisleidingen / hoogspanningsleidingen met een bijbehorende beschermingszone. Ter plaatse van het projectgebied is er geen dubbelbestemming ter bescherming van een buisleiding of hoogspanningsverbinding aanwezig. De dichtstbijzijnde grondkabel bevindt zich op een afstand van circa 100 meter van de projectlocatie en heeft een bedrijfsspanning van 25-10 Kv. Gezien de afstand en de beperkte bedrijfsspanning zijn de beoogde woningen niet gelegen binnen het invloedsgebied van de grond kabel. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling worden er grondroerende werkzaamheden uitgevoerd. Een grondroerder is verplicht middels een KLIC-melding informatie over de ligging van eventuele ondergrondse kabels en leidingen op de graaflocatie op te vragen. Dit moet gebeuren vóór aanvang van de werkzaamheden. Conclusie In het kader van kabels en leidingen is sprake van een ETFAL.

LICHT Bezonning Algemeen Voldoende zonlicht en schaduw zijn aspecten van de fysieke leefomgeving. Voldoende zonlicht of juist voldoende schaduw op bijvoorbeeld gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken is belangrijk. Zo draagt voldoende zon bij aan een aangenaam verblijfsklimaat, maar geldt eveneens dat men in de steeds hetere zomers ook de schaduw moet kunnen opzoeken. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen. Daarbij kan de gemeente gebruikmaken van alle mogelijkheden van het instrument omgevingsplan. Gemeenten kunnen door regels aan bouwwerken te stellen in het omgevingsplan voorkomen dat er te veel of te weinig schaduw ontstaat. Hierbij kan gedacht worden aan: voldoende afstanden tussen (hoge) bebouwing, bouwhoogten, fysieke vorm van de gebouwen, ligging openbare ruimte en speelplekken ten opzichte van bebouwing en zongericht verkavelen. Naast stedenbouwkundige oplossingen kunnen gemeenten ook kiezen voor het vastleggen van een omgevingsvergunningplicht in het omgevingsplan of vastleggen van een meldingsplicht voor bouwen van hoge gebouwen in het omgevingsplan. Daarnaast kan in het omgevingsplan

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 40

worden opgenomen dat bij een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling een bezonningsonderzoek op basis van de TNO-norm dan wel gemeentelijke norm dient te worden uitgevoerd TNO-norm Voor het beoordelen of sprake is van voldoende zonlicht op de gevels van omliggende woningen, hanteren veel gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen de (niet wettelijk verplichte) TNO-norm. TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm: • de 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam; • de 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam; Deze normen zijn alleen van toepassing op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen nooit direct zonlicht. In sommige gevallen kan het echter wenselijk zijn om ook de bezonningssituatie voor deze woningen inzichtelijk te maken. Doorgaans wordt een bezonningsstudie aanbevolen bij een bouwhoogte van meer dan 25 meter. Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling voorziet in bebouwing van circa 30 meter hoogte. Hieronder zijn diagrammen opgenomen die de schaduwwerking van de geplande bebouwing weergeven. Deze zijn ook als bijlage 5 aan deze GOFLO toegevoegd. Figuur 4.

Bezonningsstudie 21 maart 8:00 uur (links) en 10:00 uur (rechts) (bron: creativelivingspaces)

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 41

Figuur 5. Bezonningsstudie 21 maart 12:00 uur (links) en 14:00 uur (rechts) (bron: creativelivingspaces)

Figuur 6. Bezonningsstudiie 21 maart om 16:00 uur (links) en om 18:00 uur (rechts) (bron: creativelivingspaces)

Uit de diagrammen blijkt dat de schaduw van het geplande gebouw grotendeels wegvalt in de schaduw van reeds aanwezige flatgebouwen aan de Eesterwaard en de Bagijnenwaard. Deze gebouwen hebben al schaduwwerking op de meest nabij gelegen woningen aan de Uiterwaard. De bezonningsituatie op de gevels van nabij gelegen, reeds aanwezige woningen verslechtert hierdoor niet. Conclusie Het aspect bezonning vormt geen belemmering. Een nader onderzoek naar dit aspect is niet noodzakelijk.

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 42

Lichthinder Algemeen Kunstmatige verlichting kan vier soorten negatieve effecten veroorzaken, te weten: 1. Hinder voor de mens 2. Hinder langs wegen 3. Verstoring van de natuur 4. Horizonvervuiling Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat daarom geen rijksinstructieregels voor lichthinder. Alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen staan rijksregels in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het Bal noemt Lichthinder niet als een specifieke milieubelastende activiteit. Wel kan een lichthinder veroorzakende activiteit een functioneel ondersteunende activiteit zijn bij een milieubelastende activiteit in de zin van het Bal. In dat geval is de specifieke zorgplicht van het Bal van toepassing op het veroorzaken van lichthinder. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen, lokaal algemeen verbindende voorschriften stellen en kan eventueel ook direct handhavend optreden als er onmiskenbaar strijd is met de zorgplicht. Overheden kunnen hierbij de “Richtlijn lichthinder” van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) als uitgangspunt hanteren. Concreet kan bijvoorbeeld gedacht worden aan kwantitatieve of kwalitatieve normen, aan het opleggen van een bepaalde afstelling of aan armaturen met afschermkapjes.

Dit kan ook voor vormen van lichthinder die niet door het Bal zelf geregeld worden. Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling betreft het slopen van een kantoorgebouw, waarna er een appartementencomplex van circa 30 meter wordt teruggebouwd. Er worden 86 woningen verdeeld over acht woonlagen. De voorgenomen ontwikkeling is daardoor geen activiteit die lichthinder kan veroorzaken. Daarnaast zijn er in de omgeving geen activiteiten die lichthinder veroorzaken. Conclusie In het kader van lichthinder is sprake van een ETFAL.

LUCHT Algemeen Volgens artikel 1.3 van de Omgevingswet valt lucht onder de fysieke leefomgeving. Het gebruik van de fysieke leefomgeving heeft soms ongewenste bijwerkingen zoals luchtverontreiniging. Een goede luchtkwaliteit is belangrijk voor de gezondheid van mensen en voor het milieu. Het bevoegd gezag toetst en monitort de luchtkwaliteit op plaatsen waar representatieve blootstelling is. Alleen als de blootstelling voldoende lang of ‘significant’ is, moet het bevoegd gezag de omgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10) toetsen. Dit uitgangspunt heet ook wel het blootstellingscriterium. Luchtkwaliteitstoets De gemeente moet de luchtkwaliteit toetsen binnen aangewezen aandachtsgebieden. Er moet worden nagegaan of de toe te laten activiteiten gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied. De gemeente doet dit voor de volgende activiteiten (artikel 5.51 lid 1 van het Bkl): • activiteiten die gevolgen hebben voor het gebruik van wegen, water en spoor (verkeersaantrekkende werking) of; • activiteiten waarvoor luchtregels zijn opgenomen in het Bal. In artikel 5.50 lid 1 van het Bkl worden enkele activiteiten aangewezen waarvoor te allen tijde een luchtkwaliteitstoets moet worden uitgevoerd door de gemeente. Dit geldt ook indien er geen aandachtsgebied in de omgeving aanwezig is.

Het gaat om de volgende activiteiten: • de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter;

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 43

• •

een wijziging van een tunnel waarbij de lengte minimaal 100 meter toeneemt; de aanleg van een auto(snel)weg.

Enkel op locaties waar mensen aanwezig zijn, vindt er een beoordeling van de luchtkwaliteit plaats door de overheid. Indien locaties aan één van de volgende criteria voldoen, is er geen toetsing of monitoring van de luchtkwaliteit benodigd: • relatief korte verblijven (blootstellingscriterium); • arbeidsplaatsen (artikel 2.2 Bkl); • als mensen daar niet kunnen komen (toepasbaarheidsbeginsel), bestaand uit (artikel 5.52 Bkl): o locaties waar het publiek niet kan komen en waar geen vaste bewoning is; o de rijbaan en middenberm van wegen, tenzij voetgangers toegang hebben tot de middenberm. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden voor NO2 en PM10 zijn de volgende agglomeraties waarvan de locatie bij ministeriële regeling is aangewezen (artikel 5.51 uit het Bkl): 1. Amsterdam/Haarlem (gemeenten: Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Beverwijk, Bloemendaal, Diemen, Haarlem, Haarlemmermeer, Heemskerck, Heemstede, Ouder-Amstel, Uithoorn, Velsen, Zaanstad en Zandvoort) 2. Den Haag/Leiden (gemeenten: Delft, Den Haag, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delftland, Oestgeest, Rijswijk, Voorschoten, Wassenaar en Westland) 3.

Rotterdam/Dordrecht (gemeenten: Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan de Ijssel, Dordrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Maassluis, Nissewaard, Papendrecht, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Sliedrecht, Vlaardingen, Zuidplas en Zwijndrecht) 4. Utrecht (gemeenten: Houten, Nieuwegein, Utrecht en IJsselstein) 5. Eindhoven (gemeenten: Best, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Helmond, Nuenen, Gerwen en Nederwetten en Veldhoven) Niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) Toetsen aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig indien een project of activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Dan gaat het bijvoorbeeld om een ruimtelijk project of activiteit waarvoor een omgevingsvergunning nodig is maar waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is. Indien dit het geval is, is er geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor (NO 2) en fijnstof (PM10) nodig. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

In artikel 5.54 van het Bkl staan standaardgevallen niet in betekenende mate aangegeven, waaronder: • Gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan: 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen; • Gebouwen met een kantoorfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan: 100.000 m 2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitingsweg en 200.000 m 2 brutovloeroppervlak en een gelijkmatige verkeersverdeling bij twee ontsluitingswegen; • Zowel gebouwen met een kantoorfunctie als gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties van die gebruiksfuncties, met: o één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 dat samen opgeteld kleiner is dan of gelijk is aan 1,2; of o twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en een evenredig grote brutovloeroppervlakte van kantoorfuncties.

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 44

Omgevingswaarden De nadruk ligt op verbetering van de luchtkwaliteit via lokale maatregelen. Daarvoor kunnen gemeenten en provincies lokale omgevingswaarden opstellen, bijvoorbeeld een aanvullende omgevingswaarde voor roet. Decentrale overheden kunnen ook strengere omgevingswaarden stellen. Ze moeten lokale omgevingswaarden zelf monitoren en een programma opstellen bij dreigende overschrijding. De provincie Zuid-Holland heeft een programma vastgesteld om te werken aan de luchtkwaliteit. Middels het omgevingsprogramma committeert de provincie zich aan het verbeteren van de luchtkwaliteit en het voldoen aan de WHO advieswaarden. De gemeente Zoetermeer heeft vooralsnog geen omgevingswaarden opgenomen met betrekking tot de luchtkwaliteit. Relatie tot ontwikkeling In onderhavig geval is er sprake van de realisatie van een woongebouw met circa 86 woningen, verdeeld over 8 verdiepingen. Gelet op de toekomstige verkeersgeneratie leidt de beoogde ontwikkeling mogelijk tot een toename van de uitstoot van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2). Om de gevolgen van de ontwikkeling in kaart te brengen is door db/a consultants op 28 januari 2025 een notitie luchtkwaliteit opgesteld. De notitie met kenmerk AR.10.939/1 is als bijlage 6 toegevoegd aan deze onderbouwing. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusies.

In onderstaande tabel worden allereerst de normen afkomstig uit de Europese richtlijn en Luchtkwaliteit en Gevaarlijke stoffen weergegeven. Tabel 2. Normstelling Europese richtlijnen Luchtkwaliteit en Gevaarlijke stoffen

De projectlocatie is niet gelegen binnen een aandachtsgebied. In onderhavig geval is er sprake van de sloop van een leegstaand kantoorpand, waarna er een appartementencomplex wordt teruggebouwd. Er worden 86 woningen verdeeld over 8 lagen. In de plint is er ruimte voor voorzieningen, waaronder een supermarkt en een horecavoorziening met terras. Om inzicht te krijgen in de te verwachten uitstoot op en rondom de projectlocatie is er een worst-case verkeersgeneratie opgesteld. De uitgangspunten voor het worstcasescenario zijn als volgt: • Full-service supermarkt in een plint van 4.248 m2 bvo in, een sterk stedelijke stedelijkheidsgraad, een ligging binnen het gebiedstype centrum. Dit leidt tot een generatie van 2.507 motorvoertuigen per etmaal. • 86 koopappartementen, gemiddelde van de maximale norm van een sterk stedelijke stedelijkheidsgraad, ligging in centrum en ligging in schilcentrum, wat leidt tot een generatie van 576 motorvoertuigen per etmaal. De te verwachten uitstoot is in de tabel hieronder weergegeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zoetermeer&id=aee1a210-45b5-4c94-9121-121a5ba24d1d