Bijlage 2 - GOFLO Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Inclusief bijlagen
Tekst van het document
Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Project Status Projectnummer Kenmerk Datum Auteur Controle
Hart van Meerzicht te Zoetermeer Definitief 25157 25157.GF 22 juli 2025 E.E. Schijff dr.ing. E.J. Scheer
Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628
COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 – 744 08 38 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch op geluidsband of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Mees Ruimte & Milieu.
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 2
INHOUDSOPGAVE 1
2
3
4
5
6
Aanleiding en doel
5
Aanleiding besluitgebied Geldend omgevingsplan Leeswijzer
5 5 6 6
Project en toetsing omgevingsplan
7
Projectbeschrijving Toetsing omgevingsplan
7 8
Ruimtelijk beleid
11
Rijksbeleid Provinciaal beleid Omgevingswaarden Regionaal beleid Gemeentelijk beleid
11 13 17 18 18
Omgevingskwaliteit
21
stedenbouwkundige inpassing beeldkwaliteit, welstand & Architectuur Cultuurhistorie, monumenten en archeologie Duurzaamheid en natuurinclusief bouwen Ladder voor duurzame verstedelijking
21 22 22 24 27
Aspecten fysieke leefomgeving
28
Milieuzonering Asbest Bodem Externe veiligheid Geluid Geur Kabels en leidingen Licht Lucht Milieueffectrapportage Mobiliteit en parkeren Natuur Ontplofbare oorlogsresten Trillingen Waterbelang Windhinder
28 30 30 33 35 37 39 40 43 46 47 49 52 52 54 58
Beschrijving uitvoerbaarheid
60
Economische uitvoerbaarheid
60
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 3
7
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
60
Conclusie ETFAL
62
Bijlagen 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
Asbestinventarisatierapport (Hofstede cs, d.d. 30-07-2024) Verkennend bodemonderzoek (Hofstede cs, d.d. 23-05-2025) Akoestisch onderzoek wegverkeers- en spoorweglawaai (Tritium, d.d. 24-12-2024) Akoestisch onderzoek geluidwering gevels (Tritium, d.d. 23-07-2025) Bezonningsdiagrammen (Groosman) Notitie Luchtkwaliteit (db/a consultants, d.d. 28-01-2025) Memo Onderbouwing Parkeren (Creating Living Spaces, d.d. 31-01-2025) Stikstofonderzoek (Ecofect, d.d. 20-01-2025) Natuurwaardenonderzoek (Ecofect, d.d. 11-07-2025) Participatieverslag (Gemeente Zoetermeer, d.d. 11-02-2025)
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 4
1
AANLEIDING EN DOEL AANLEIDING In opdracht van Woonhave Ontwikkeling B.V. heeft Mees Ruimte & Milieu een goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving opgesteld voor de gewenste ontwikkeling van de woningbouw ter plaatse van de Herenwaard te Zoetermeer. Omdat de ontwikkeling niet mogelijk is op basis van het geldende omgevingsplan, dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van een omgevingsvergunning voor een ‘buitenplanse omgevingsplan activiteit’ (hierna: BOPA). Onderdeel van deze omgevingsvergunning is de motivatie om af te wijken van het geldende omgevingsplan, de zogenoemde ‘Goede Onderbouwing van (de effecten op) de Fysieke LeefOmgeving’ (hierna: GOFLO). Voorliggende rapportage betreft de GOFLO, waarin wordt gemotiveerd dat sprake is van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (hierna: ETFAL).
BESLUITGEBIED Het besluitgebied is gelegen aan de Herenwaard en Eesterwaard in de gemeente Zoetermeer. Aan de noordzijde van de projectlocatie ligt parkeerterrein. In het oosten loopt de trambaan van de randstadrail. Het westen wordt begrenst door de bebouwing van het winkelcentrum. Kadastraal beslaat het besluitgebied de perceelnummers 1716, 1717, 1248, 1249 en 1250 van sectie F van de kadastrale gemeente ZTM00. Figuur 1. Luchtfoto projectgebied
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 5
GELDEND OMGEVINGSPLAN Ter plaatse van de projectlocatie geldt het “Omgevingsplan gemeente Zoetermeer” (/akn/nl/act/gm0637/2020/omgevingsplan), zoals gepubliceerd en in werking op 24 juni 2024 en in werking. De projectlocatie valt onder het tijdelijk deel van het omgevingsplan, aangezien de voormalige bestemmingsplannen nog niet zijn omgezet in een definitief omgevingsplan. In paragraaf 2.2 van deze GOFLO wordt hier nader op ingegaan.
LEESWIJZER Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de activiteit die deze motivering mogelijk maakt. Het betreft de onderbouwing waarom sprake is van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (ETFAL). De hiernavolgende hoofdstukken zijn als volgt opgebouwd: • Hoofdstuk 2: In dit hoofdstuk wordt het project (de beoogde ontwikkeling) beschreven en vindt toetsing aan het geldende omgevingsplan plaats. • Hoofdstuk 3: In dit hoofdstuk worden de relevante beleidskaders beschouwd. • Hoofdstuk 4: Dit hoofdstuk betreft een beschrijving van de omgevingskwaliteit, waarbij onder meer de stedenbouwkundige inpassing, archeologie en cultuurhistorie aan bod komen. • Hoofdstuk 5: Dit hoofdstuk betreft een beschrijving van de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving, waar omgevingsaspecten zoals bodem, geluid en gezondheid aan bod komen. • Hoofdstuk 6: In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van het project beschreven. • Hoofdstuk 7: Dit hoofdstuk betreft de conclusie ten aanzien van de ETFAL.
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 6
2
PROJECT EN TOETSING OMGEVINGSPLAN PROJECTBESCHRIJVING Huidige situatie Het besluitgebied is gelegen in de wijk Meerzicht. Meer specifiek ligt het besluitgebied in het ‘Hart van Meerzicht’. Het Hart van Meerzicht heeft de functie van een wijkcentrum. Momenteel heeft het wijkcentrum te maken met veel leegstand en een verouderd uiterlijk en inrichting. Bovendien is de openbare ruimte rondom het projectgebied niet aantrekkelijk. Op de projectlocatie zelf is een leegstaand gebouw met winkelruimte op de begane grond en kantoorruimte op de verdiepingen aanwezig. Figuur 2. Huidige situatie (bron: QGIS, eigen bewerking)
Toekomstige situatie De beoogde ontwikkeling betreft de sloop van het huidige kantoorpand. Hierna wordt er een woongebouw terug gebouwd met ruimte voor 86 appartementen verdeeld over acht lagen. De plint biedt ruimte aan voorzieningen, waaronder aanvullende retail, een supermarkt en een horecavoorziening met terras. Deze activiteiten zijn reeds planologisch toegestaan en worden niet nader behandeld in deze GOFLO. Daarnaast
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 7
geldt er een inspanningsplicht om 21 parkeerplaatsen voor bewoners veilig te stellen voor de beoogde ontwikkeling.
TOETSING OMGEVINGSPLAN In deze paragraaf wordt het initiatief getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege, bestaande uit: • • •
Bestemmingsplannen, beheersverordeningen, uitwerkingsplannen, wijzigingsplannen & exploitatieplannen; Lokale verordeningen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan (indien aanwezig: Erfgoedverordening, Geurverordening en/of Verordening afvoer van hemelwater); Bruidsschat.
Bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden 2.2.1.1 Bestemmingsplan “Meerzicht – Westerpark” Dit bestemmingsplan is op 28 juni 2013 door de gemeenteraad van Zoetermeer vastgesteld. De projectlocatie kent de enkelbestemming “Centrum”. Er geldt een bouwvlak, met daarbij een maatvoering van een maximum bouwhoogte van 8 meter en deels 16 meter. Hieronder volgt een weergave van de bestemmingsplankaart. Figuur 3. Uitsnede bestemmingsplankaart (bron: bestemmingsplan ‘Meerzicht – Westerpark, via het omgevingsloket op 10 juli 2025)
Enkelbestemming “Centrum” Gronden die de enkelbestemming “Centrum” hebben zijn bedoeld voor: De voor 'Centrum' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. uitsluitend op de verdiepingen wonen - al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroep of bedrijf - waarbij entrees en stijgpunten en bergingen ten behoeve van wonen wel op de begane grond zijn toegestaan; b. uitsluitend op de begane grond detailhandel tot en met categorie B van de in Bijlage 2 bij deze regels behorende 'Lijst van bedrijfsactiviteiten functiemenging'; c. uitsluitend op de begane grond dienstverlening tot categorie A van de in Bijlage 2 bij deze regels behorende 'Lijst van bedrijfsactiviteiten functiemenging';
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 8
d. uitsluitend op de begane grond horeca tot en met categorie 2 van de in Bijlage 3 bij deze regels behorende 'Staat van horeca-activiteiten'; e. kantoren; Met daaraan ondergeschikt: f. g. h. i. j. k. l. m. n. o. p. q.
groenvoorzieningen; kunstwerken; nutsvoorzieningen; laad- en losruimte; objecten van beeldende kunst; parkeervoorzieningen; reclameobjecten; speelvoorzieningen; verblijfsgebied en terrassen; vlaggenmasten en lichtmasten; water; wegen en paden;
met de daarbij behorende bouwwerken. Algemene afwijkingsregels Op basis van het artikel 28.1 mag het bevoegd gezag middels het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van regels in het bestemmingsplan. Dit mogen zij doen voor: a. afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10 %; b. het bouwen van luifels, erkers, balkons, bordessen, pergola's en andere ondergeschikte bouwdelen, mits deze het bouwvlak of bestemmingsvlak met niet meer dan 2 m overschrijden; c. het bouwen van technische ruimten, lift- en/of trappenhuizen mits: • de oppervlakte van de overschrijding, per technische ruimte, lift- en trappenhuis, niet meer bedraagt dan 20 m²; • de bouwhoogte van een technische ruimte, lift- of trappenhuis niet meer bedraagt dan 3 m boven de, voor het desbetreffende bouwvlak geldende, maximale bouwhoogte; 2. het bouwen van draagconstructies voor reclamedoeleinden en objecten van beeldende kunst tot een bouwhoogte van maximaal 20 m; 3. het bouwen van nutsvoorzieningen met een bouwhoogte van maximaal 5 m en een oppervlakte van maximaal 60 m2; 4. het plaatsen van sirenemasten met een bouwhoogte van maximaal 40 m. Toetsing aan Bestemmingsplan De woningen op de verdiepingen worden planologisch toegestaan, echter wordt de maatvoering van ten hoogste 8 en 16 meter overschreden. De algemene afwijkingsregels zijn niet toereikend om de ontwikkeling te kunnen realiseren.
De beoogde ontwikkeling is daarmee niet geheel passend. Het doorlopen van een planologische procedure is noodzakelijk. 2.2.1.2 Parapluherziening “schoolpleinen” De Parapluherziening “Schoolpleinen” is vastgesteld op 10 maart 2016 door de gemeenteraad van Zoetermeer. De herziening is alleen van toepassing op plangebieden waar scholen van primair onderwijs zijn gevestigd. Aanleiding voor is een uitspraak van de Raad van State waarin wordt verklaard dat het van schoolpleinen als openbaar speelterrein na schooltijd in strijd is met het bestemmingsplan dat op die locatie gold. Om te verzekeren dat gemeente Zoetermeer in overeenstemming is met de bestaande praktijk, is de parapluherziening “Schoolpleinen” opgesteld. De beoogde ontwikkeling behelst de realisatie van een appartementencomplex dat ruimte biedt aan 86 woningen. Er wordt geen school of schoolplein aangelegd. Hiermee zijn de desbetreffende regels uit de
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 9
parapluherziening “Schoolpleinen” niet van toepassing op de beoogde ontwikkeling. Toetsing aan dit plan kan daarom achterwege blijven. 2.2.1.3 Parapluherziening “Parkeren en Geluidsgevoelige objecten” Het parapluplan ‘Parapluherziening Parkeren en Geluidsgevoelige objecten’ is op 15 mei 2018 vastgesteld door de gemeenteraad van Zoetermeer. Door deze parapluherziening wordt het mogelijk om gemeentelijke parkeernormen opnieuw van toepassing te verklaren op alle ontwikkelingen die rechtstreeks of met binnenplans afwijken zijn toegestaan in bestemmingsplannen van voor 2018. Ter wille van de eenduidigheid wordt deze regeling eveneens toegevoegd aan de latere bestemmingsplannen waarin al is voorzien in een parkeerregeling. De parkeersituatie wordt behandeld in par. 5.11 (aspect mobiliteit en parkeren). Ten aanzien van de geluidsgevoelige objecten geldt dat deze parapluherziening van toepassing is op de ruimtelijke ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone van een weg, spoorweg of gezoneerd industrieterrein waarbij een besluit hogere waarden noodzakelijk is. Een geluidsgevoelig object is een gebouw dat door zijn functie meer behoefte heeft aan een rustige omgeving, hierbij kan gedacht worden aan een woning maar ook een school of ziekenhuis. De beoogde ontwikkeling bestaat uit een appartementencomplex dat ruimte biedt aan 86 woningen.
Daarmee worden er geluidsgevoelige objecten gerealiseerd. Het geluidsaspect komt nader aan bod in par. 5.5. 2.2.1.4 Parapluherziening “Dagstandplaatsen Zoetermeer” Het bestemmingsplan “Parapluherzieing Dagstandplaatsen Zoetermeer” is op 10 december 2020 onherroepelijk vastgesteld door de gemeenteraad van Zoetermeer. Als aanvulling op het diverse winkelbestand zijn er een aantal standplaatshouders die het warenaanbod in Zoetermeer aanvullen. Hiervan zijn er vaste standplaatshouders zoals patat-, vis-, loempiaverkopers maar ook tijdelijke standplaatshouders zoals oliebollenverkopers of promotors van nieuwe producten en dergelijke. Deze standplaatsen bevinden zich in de openbare ruimte en om dit in goede banen te leiden heeft het college van Burgemeester en Wethouders de “Nadere regels voor standplaatsen 2018” vastgesteld. Dit beleid voorziet in een actueel kader, dat middels deze paraplubestemming gelijktijdig worden herzien ten aanzien van de regels over standplaatsen. De beoogde ontwikkeling voorziet in de sloop van een kantoorpand waarna een appartementencomplex met 86 woningen wordt terug gebouwd. Dat betekent dat er geen dagstandplaatsen worden gerealiseerd, daardoor is voorliggende parapluherziening niet van toepassing op de ontwikkeling en dat verdere toetsing aan de parapluherziening achterwege blijft.
Beperkingengebieden Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. De Omgevingswet verplicht Rijk en provincie om beperkingengebieden aan te wijzen, zoals zones rond wegen, hoofdspoorwegen, luchthavens (bijvoorbeeld Luchthavenindelingsbesluit), waterkeringen, rijkswegen en vaarwegen. Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. De projectlocatie is niet gelegen in een beperkingengebied, belemmeringen of randvoorwaarden zijn daarmee niet aan de orde.
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 10
3
RUIMTELIJK BELEID RIJKSBELEID Nationale Omgevingsvisie In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Drie afwegingsprincipes Het doel van de NOVI is het bereiken van een balans tussen: ‘(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig; 2. Kenmerken & identiteit; 3. Afwentelen voorkomen. Nationale belangen De NOVI haalt 21 nationale belangen aan. Nationale belangen zijn belangen bij de fysieke leefomgeving waarbij het Rijk een rol ziet voor zichzelf. De behartiging van deze nationale belangen komt alleen het Rijk toe, maar de belangen worden gedeeld met gemeenten, waterschappen, provincies en andere belanghebbenden. Daardoor is afstemming maar ook gezamenlijke overeenkomstnodig over de wijze waarop deze belangen behartigd worden.
Onderstaande opsomming bevat de 21 nationale belangen, waarbij de eerste drie van een meer overkoepelende aard zijn. Deze belangen gelden zowel bij de bovengrondse als ondergrondse ruimtelijke ordening.
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 11
1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit. 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties. 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit. 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving. 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten. 10. Beperken van klimaatverandering. 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO2-arm is en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur. 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen. 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie. 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit) 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater. 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat. 17.
Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit. 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteit van (inter)nationaal belang. 20. Verbeteren en beschermen natuur en biodiversiteit 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij 3.1.1.1 Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van een appartementencomplex met 86 woningen. Het bestaande kantoorpand wordt gesloopt; er vindt geen extra ruimtebeslag plaats, wat bijdraagt aan duurzame ontwikkeling. Bovendien wordt er aandacht besteed aan de omgeving rondom het complex, zo worden er stappen ondernomen om de sociale veiligheid te vergroten. Bijvoorbeeld door donkere hoeken beter te verlichten. De leefomgevingskwaliteit in het winkelcentrum Meerzicht wordt hiermee verbetert en de nieuwe woningen sluiten aan bij de woonbehoefte. Dit ondersteunt nationaal belang 1, 2,5 en 8. Er zijn geen belemmeringen of randvoorwaarden. 3.1.1.2 Conclusie De ontwikkeling is in lijn met het beleid uit de NOVI.
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Hoofdstuk 8 van het Bkl bevat beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen. Deze beoordelingsregels gelden voor omgevingsvergunningen waarvoor het Rijk de vergunningenplicht bepaalt in de Omgevingswet, het Besluit activiteiten leefomgeving of het Besluit bouwwerken leefomgeving. Beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen waarvoor decentrale overheden de vergunningenplicht bepalen staan in het omgevingsplan, de waterschapverordening of de omgevingsverordening. In relatie tot de onderhavige ontwikkeling geldt dat de gemeente, en daar waar het wateraspecten betreft het desbetreffende waterschap, het bevoegde gezag is. In het Bkl zijn specifieke beoordelingsregels voor een aanvraag omgevingsvergunning (buitenplanse) omgevingsplan activiteit opgenomen (artikel 8.0b t/m 8.0e Bkl). Artikel 8.0b, eerste lid, in hoofdstuk 8 van het Bkl bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning te verkrijgen, de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl de provinciale
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 12
instructieregels en eventuele instructies over omgevingsplannen het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 3.1.2.1 Relatie tot ontwikkeling De toets aan deze instructieregels vindt plaats in de paragrafen waarin de desbetreffende omgevingsaspecten worden behandeld, meer specifiek in hoofdstuk 4 en 5 van deze GOFLO. 3.1.2.2 Conclusie Vooruitlopend op de toetsing in hoofdstuk 4 en 5 wordt geconcludeerd dat er geen randvoorwaarden of belemmeringen zijn voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling.
PROVINCIAAL BELEID Omgevingsvisie Zuid-Holland In de Omgevingsvisie Zuid-Holland wil de provincie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Er is daarom geen eindbeeld voor 2030 of 2050 opgenomen, maar de maatschappelijke opgaven zijn vertaald in verschillende onderdelen: • Ambities: hierin wordt omschreven waar de provincie heen wil; • Beleidsdoelen: deze geven richting aan de ambities; • Beleidskeuzes bepalen hoe de ambities bereikt dienen te worden. In de Omgevingsvisie zijn zeven provinciale vernieuwingsambities vastgesteld, twintig beleidsdoelen en 64 beleidskeuzes.
De ambities zijn: • Ambitie 1: samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten; • Ambitie 2: bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor; • Ambitie 3: schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaal en betaalbaar voor iedereen; • Ambitie 4: een welvarend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland; • Ambitie 5: versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving; • Ambitie 6: sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit; • Ambitie 7: gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige en aantrekkelijke leefomgeving. Voor ambitie 6 geldt bovendien dat de provincie, op grond van beleidskeuze 6-1 Voldoende woningen op de juiste plek, wenst te voorzien in voldoende en passende ‘woningen’ op de juiste plekken en in het bijzonder voor de doelgroepen van woningcorporaties, aandachtsgroepen en ouderen. Onder aandachtsgroepen vallen ook woonwagenbewoners. 3.2.1.1 Relatie tot ontwikkeling Het huidige kantoorgebouw met winkelruimte wordt gesloopt en vervangen door een appartementencomplex met ruimte voor 86 woningen, verdeeld over 8 verdiepingen.
Hiermee worden extra woningen toegevoegd aan Zuid-Holland (ambitie 6). De ontwikkeling is onderdeel van de verbetering van Meerzicht in Zoetermeer en draagt bij aan het uiterlijk, de sociale samenhang en veiligheid van de wijk (ambitie 7). 3.2.1.2 Conclusie De ontwikkeling is in lijn met de beleidsambities uit de Omgevingsvisie Zuid-Holland. Belemmeringen of randvoorwaarden zijn niet aan de orde. Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 13
Zuid-Hollandse omgevingsverordening De inhoud van de Omgevingsvisie is voor een groot deel leidend voor de inhoud van de Omgevingsverordening. In de verordening van provinciale staten van Zuid-Holland zijn de regels opgenomen voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Aan deze regels moeten ruimtelijke plannen van de gemeenten voldoen. Enkele relevante speerpunten uit de omgevingsverordening zijn de regels voor ruimtelijke kwaliteit en de ladder voor duurzame verstedelijking. Regels voor ruimtelijke kwaliteit Voor toetsing aan de provinciale regels met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit is vooral de ruimtelijke impact van een ontwikkeling van belang. Hoe groot die ruimtelijke impact is wordt in specifieke gevallen bepaald aan de hand van gebiedsprofielen en door onderscheid te maken in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging. In artikel 7.42 van de Omgevingsverordening is opgenomen aan welke voorwaarden een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient te voldoen ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. In geval van het type ontwikkeling 'inpassing' speelt de ontwikkeling zich af op het niveau van een kavel.
Bestaande structuren en kwaliteiten veranderen niet tot nauwelijks en er wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaarten. Ladder voor duurzame verstedelijking Indien sprake is van een stedelijke ontwikkeling, dient eveneens te worden voldaan aan artikel 7.44 van de Omgevingsverordening. Bij een stedelijke ontwikkeling in het bestaand stads- en dorpsgebied dient in de toelichting van het bestemmingsplan ingegaan te worden op de ladder voor duurzame verstedelijking. De regionaal afgestemde behoefte kan blijken uit een geheel of gedeeltelijke instemming met regionale bestuurlijke afspraken door gedeputeerde staten of uit een door gedeputeerde staten openbaar gemaakt document. 3.2.2.1 Relatie tot ontwikkeling Ruimtelijke kwaliteit Volgens artikel 7.42 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland geldt een ontwikkeling als ‘inpassing’ wanneer deze goed aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het gebied, met minimale impact. De geplande sloop van het kantoorpand met winkelruimte en bouw van een appartementencomplex zonder extra ruimtebeslag past in de omgeving, waar al appartementencomplexen zijn. De identiteit of schaal verandert niet en de ruimtelijke kwaliteit blijft minimaal gelijk.
Stedelijke ontwikkeling Op grond van artikel 7.45 moet in het omgevingsplan (geldt ook voor BOPA’s) dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, in de motivering aandacht worden besteed aan de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking. In paragraaf 4.5 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt ingegaan op de woningbehoefte binnen de provincie en regio, waaraan dit plan bijdraagt. Op basis hiervan kan worden vastgesteld dat er zowel kwalitatief als kwantitatief behoefte is aan de voorgestelde ontwikkeling. Wonen Op basis van artikel 7.47a dient een (omgevings)plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met 12 woningen of meer mogelijk maakt, te voorzien in voldoende sociale huurwoningen. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan 30% sociale huurwoningen of wat hierover is vastgelegd in de afgestemde regionale behoefte, bedoeld in artikel 7.44. Artikel 7.47b bepaalt verder dat ook moet worden voorzien in voldoende betaalbare woningbouw. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan 2/3 betaalbare woningbouw of wat hierover is vastgelegd in de afgestemde regionale behoefte, bedoeld in artikel 7.44. Met toepassing van de balansregeling uit artikel 7.86 kan de gemeente afwijken van de regels uit de omgevingsverordening, mits er geen onevenredige afbreuk plaatsvindt aan de doelstelling van de
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 14
desbetreffende regeling. Het doel van de regeling is om een goede balans te vinden in de verdeling van woningen (sociaal, huur, koop etc.) in gebieden. Gelet op het feit dat er naar verhouding al veel sociale huurwoningen aanwezig zijn in Meerzicht kan er middels toepassing van de balansregeling uit artikel 7.86 worden afgeweken van de verplichting om tenminste 30% sociale huur te realiseren. Daarnaast geldt dat de ontwikkeling zal voldoen aan de Wet betaalbare huur. Dit betekent dat er wordt voldaan aan de verplichting uit de provinciale omgevingsverordening. Aanwijzingen op basis van de omgevingsverordening Voortvloeiend uit de omgevingsverordening kent de projectlocatie een groot aantal aanwijzingen, gereguleerde activiteiten en locatie gebonden begrenzingen. Met oog op de leesbaarheid is ervoor gekozen alle aanwijzingen, activiteiten en locaties in een tabel op te nemen en daaronder in te gaan op de voor de beoogde ontwikkeling relevante onderdelen. Soort
Benaming
Artikel
Gebiedsaanwijzing Gebiedsaanwijzing, locaties Gebiedsaanwijzing, locaties
Hoogheemraadschap van Rijnland Peilbesluitgebieden
Artikel 2.12 Art. 7.5
Regionale wateren
Nee
Gebiedsaanwijzing, locaties Gebiedsaanwijzing, locaties Omgevingswaarden
Stationsomgeving
Art. 2.12, 5.6 t/m 5.11, 6.1, 7.4, a7.10, 7.10a, 7.12, 13.3 en 13.4 Art. 7.45d en 7.45e
Zuid-Holland
Art. 1.5
Ja
Gemiddelde kans op overstroming: waarde staat in regeltekst Activiteit gereguleerd in de ZuidHollandse Omgevingsverordening Activiteit met geitenhouderij Activiteit met voorbeschermingsregels gereguleerd in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening Activiteit op locatie waar na sanering grondwaterverontreiniging is achtergebleven Activiteiten in verband met verontreiniging van het grondwater gereguleerd in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening Directe schadebestrijding Drainagewater of spoelwater van filters bij grondgebonden teelt in een kas Drainwater of spoelwater van filters bij substraatteelt in een kas Flora- en fauna-activiteit gereguleerd in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening Gelegenheid bieden tot zwemmen en baden gereguleerd in de ZuidHollandse Omgevingsverordening
Art. 5.8 en 5.9
Nee
Art. 1.3, 3.1 t/m 3.10
Nee
Art. 3.226 Art. 3.224 en 3.225
Nee Nee
Art. 3.121, 3.141g en 3.141h
Nee
Art. 3.118 t/m 3.120, 3.122, 3.123 en 3.141i
Nee
Art. 3.186 t/m 3.191 Art. 3.233, 3.234, 3.236 en 2.237 Art. 3.233, 3.234, 3.236 en 2.237. Art. 3.181 en 3.182
Nee Nee
Art. 3.201 en 3.216
Nee
Activiteit Activiteit Activiteit Activiteit
Activiteit
Activiteit Activiteit Activiteit Activiteit Activiteit
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Relevant voor de ontwikkeling? Ja Nee
Ja
Nee Nee
Pagina | 15
Soort
Benaming
Artikel
Activiteit
Gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in een badwaterbassin Gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in een badwaterbassin voor eenmalig gebruik Gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in een badwaterbassin waarin het water wordt gedesinfecteerd Gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in een zwemvijver Gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in overige badwaterbassin Gelegenheid bieden tot zwemmen of baden op een zwemlocatie Grondwatersanering
Art. 3.216
Relevant voor de ontwikkeling? Nee
Art. 3.219
Nee
Art. 3.217 en 3.221
Nee
Art. 3.218 en 3.221
Nee
Art. 3.220 en 3.221
Nee
Art. 3.201 t/m 3.215
Nee
Art. 3.121, 3.133 t/m art. 3.141f Art. 3.232 en 3.235
Nee
Art. 3.122 en 3.123 Art. 3.222
Nee Nee
Art. 3.222
Nee
Art. 3.121, 3.124 t/m 3.132 Art. 3.118
Nee
Art. 3.189
Nee
Art. 3.192 t/m 3.200
Nee
Art. 3.183 t/m 3.185
Nee
Art. 3.227
Nee
Art. 3.227 t/m 3.231
Nee
Activiteit
Activiteit Activiteit Activiteit Activiteit Activiteit Activiteit
Activiteit Activiteit Activiteit
Activiteit Activiteit
Activiteit Activiteit
Activiteit Activiteit Activiteit
Lozen van drain-, spoel- of drainagewater bij het telen van gewassen in kassen Ongewoon voorval Ontgrondingsactiviteit gereguleerd in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening Ontgrondingsactiviteit op land, in regionale wateren en in een winterbed van rivier in beheer bij het Rijk Risicobeoordeling grondwaterkwaliteit Saneren van de bodem ter uitvoering van een bronaanpak (voorbeschermingsregels grondwaterkwaliteit) Schadelijke handeling met beschermde soorten ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting Vellen en beheren van houtopstanden gereguleerd in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening Vernielen of beschadigen van nesten rustplaatsen, eieren Waterontrekkingsactiviteit gereguleerd in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening Waterontrekkingsactiviteit voor industriële toepassingen of voor de openbare drinkwatervoorziening
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Nee
Nee
Pagina | 16
Gebiedsaanwijzing: Hoogheemraadschap Rijnland o.g.v. art. 2.12 Dit artikel regelt de verdeling van de regionale wateren over de waterschappen die in de provincie ZuidHolland de waterhuishouding regelt. In dit geval ligt de projectlocatie en de daarin aanwezige regionale wateren in het beheergebied van het Hoogheemraadschap Rijnland. Dit houdt in dat wanneer er handelingen plaatsvinden die invloed (kunnen) hebben op water, er getoetst moet worden aan de regels van het Hoogheemraadschap Rijnland. Deze toetsing vindt plaats in paragraaf 5.15 (waterbelang). Gebiedsaanwijzing & locatie: Stationsomgeving o.g.v. art. 7.45d en 7.45e Op grond van deze aanwijzing mag een ontwikkeling in een stationsomgeving een maximale parkeernorm van 0,7 parkeerplaats per woning hanteren. Afwijken is alleen mogelijk wanneer dit in parkeerbeleid is vastgesteld door de desbetreffende gemeente. Hierbij moet het parkeerbeleid specifiek zijn afgestemd op autobezit per woning of woonoppervlak. Het parkeer aspect wordt behandeld in par. 5.11. Vooruitlopend hierop wordt geconcludeerd dat deze gebiedsaanwijzing geen randvoorwaarden of belemmering oplevert voor de beoogde ontwikkeling. Gebiedsaanwijzing & locatie: Zuid – Holland o.g.v. art. 1.5 Dit artikel regelt de geometrische begrenzing en daarmee het toepassingsbereik van de omgevingsverordening.
Doordat de projectlocatie in deze begrenzing is gelegen, zijn de regels van de verordening van toepassing op de projectlocatie. Dit levert echter geen randvoorwaarden of belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 3.2.2.2 Conclusie De provinciale omgevingsverordening levert geen randvoorwaarden of belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling.
OMGEVINGSWAARDEN Een omgevingswaarde is een van de instrumenten om beleid door te laten werken vanuit het Rijk en provincie, maar ook van de gemeente zelf. Omgevingswaarden zijn maatstaven voor de fysieke leefomgeving voor: • • •
de gewenste staat of kwaliteit op een bepaald moment op een bepaalde plaats; de toelaatbare belasting door activiteiten; de toelaatbare concentratie of depositie van stoffen.
De omgevingswaarde moet worden uitgedrukt in meetbare of berekenbare eenheden of anderszins in objectieve termen. Een kwalitatieve omgevingswaarde is mogelijk als zo'n aspect met objectieve termen kan worden omschreven. Bijvoorbeeld: wanneer een rivier moet voldoen aan de normen voor een 'goede ecologische toestand', is een objectieve beschrijving van kwaliteiten nodig in bijvoorbeeld een programma of beleidsregel. Omgevingswaarden hebben geen doorwerking naar andere partijen dan de gemeente die de omgevingswaarde heeft vastgesteld. De gemeente kan omgevingswaarden vaststellen in het omgevingsplan. Het moet dan gaan om omgevingswaarden die het gemeentebestuur kan beïnvloeden of beheersen door de inzet van beleidsinstrumenten, zoals voor geur of geluid.
Relatie tot ontwikkeling In paragraaf 2.2 (toets aan het omgevingsplan) is niet gebleken dat voor de voorgenomen ontwikkeling omgevingswaarden zijn vastgesteld, waaraan de voorgenomen ontwikkeling moet worden getoetst. Uit de toets aan rijksbeleid volgen geen omgevingswaarden. Het provinciale beleid bevat een omgevingswaarde voor het wateraspect. Deze wordt behandeld in paragraaf 5.15 van deze GOFLO, waarin het wateraspect aan bod komt. In het gemeentelijk beleid zijn geen omgevingswaarden zijn vastgelegd.
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 17
Conclusie De Omgevingswaarden vormen geen randvoorwaarde voor de nadere uitwerking van de voorgenomen ontwikkeling.
REGIONAAL BELEID Strategische Agenda 2023 – 2026: Het vertrekpunt voor de agenda is meer welvaart én welzijn voor de mensen die in de metropoolregio Rotterdam Den Haag (hierna: MRDH) wonen, werken en leven. De MRDH is aan het veranderen en verwelkomt zo’n 400.000 nieuwe inwoners in een periode waarin de fysieke leefomgeving onder druk staat. De gemeenten in Zuid-Holland maken ruimte voor 200.000 nieuwe woningen. De bouw van deze woningen vindt hoofdzakelijk plaats in stedelijk gebied en rond OV-lijnen. De MRDH heeft een viertal regionale opgaven geformuleerd, namelijk groei van de regio, vernieuwen van de regio, kwaliteit van de regio en herstel van de regio. Op basis van deze opgaven heeft de MRDH zichzelf zes opdrachten gegeven: 1. Investeren in bereikbaarheid 2. Toekomstbestendige economie stimuleren 3. Actieve en collectieve vormen van mobiliteit stimuleren 4. Vernieuwen van werklocaties 5. Versterken van regionale mobiliteitsnetwerken 6. Herstellen van OV-systemen. 3.4.1.1 Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 86 woningen dicht bij een OV-halte, waarmee wordt ingespeeld op de voorspelde bevolkingsgroei van 400.000 mensen in de regio. Dit project sluit aan bij de doelen die zijn vastgesteld in de Strategische Agenda 2023-2026. 3.4.1.2 Conclusie De ontwikkeling voldoet aan de Strategische Agenda 2023-2026.
GEMEENTELIJK BELEID Omgevingsvisie economische en ruimtelijke ontwikkeling van de stad’ vastgesteld door de gemeenteraad van Zoetermeer. In de visie worden een aantal keuzes gemaakt voor Zoetermeer, nu de stad de ruimtelijke grenzen voor haar groei heeft bereikt. Dat de fysieke grenzen zijn bereikt, betekent echter niet dat de stad stopt met groeien. De omgevingsvisie vormt het fundament voor de groei en daarmee voor de ruimtelijke toekomst van Zoetermeer in het jaar 2040. Hierbij zijn er zes hoofdlijnen geformuleerd: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Zoetermeer is mijn huis Duurzame stad in en tussen de parken Palet van wijken en buurten Doorlopende ontplooiingskansen voor iedereen Stad van toegepaste innovatie Zoetermeer regiostad
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 18
Zoetermeer is mijn thuis In 2040 is Zoetermeer een stad in balans. Een stad waarin iedereen wordt verwelkomd en iedereen zich thuis voelt. Zoetermeer is een diverse stad, waarbij verschillende leefstijlen en een levendige en inclusieve samenlevingsvormen Duurzame stad in en tussen de parken In 2040 onderscheidt Zoetermeer zich in de regio als groene sub-urbane stad. De stad is voorzien van een netwerk van groenzones, parken en water. Zij vormen een aansluitend geheel met de groengebieden die de stad omringen. Het groene karakter vormt in 2040 de identiteit van Zoetermeer. Palet van wijken en buurten Iedere wijk heeft in 2040 invulling gegeven aan zijn eigenheid. Iedere plek schrijft – stap voor stap- zijn eigen historie en verhaal. De inwoners, ondernemers en organisaties zijn de auteur. Samen geven zij kleur aan de straat, de buurt en de wijk. Doorlopende ontplooiingskansen voor iedereen In 2040 heeft iedere Zoetermeerder kansen om zich te blijven ontwikkelen en stappen te zetten op de sociaaleconomische ladder. Stad van toegepaste innovatie In 2040 heeft Zoetermeer het profiel als stad van toegepaste innovaties. Een profiel dat is geworteld in de oorsprong van de stad. Een stad en samenleving, niet geremd door oude inzichten en behouden tradities. Zoetermeer is een regiostad In 2040 profiteert Zoetermeer van de regio en de regio van Zoetermeer.
Het leven van de mensen speelt zich niet af binnen de gemeentegrenzen. We maken een groot gebied bestemd voor wonen, werken en leven. De visie biedt een kader voor de ontwikkeling van Zoetermeer tot 2040 waarbij de stad streeft naar een gebalanceerde, inclusieve en duurzame samenleving. 3.5.1.1 Relatie tot ontwikkeling Een oud kantoorpand wordt gesloopt om plaats te maken voor een appartementencomplex met 86 woningen. Dit project is onderdeel van ‘Hart van Meerzicht’, dat ook het opknappen van het winkelcentrum omvat. 3.5.1.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met de ambities uit de ‘Omgevingsvisie Zoetermeer 2040: Een stad voor iedereen’.
Woonbeleid Het huidige woonbeleid is opgenomen in de Woonvisie Zoetermeer – Samen aan de slag op de woningmarkt is in 2015 vastgesteld en betreft een actualisatie van de woonvisie uit 2019. De Woonvisie Zoetermeer is echter niet meer actueel. Er wordt momenteel gewerkt aan nieuw beleid in de vorm van een volkshuisvestingsprogramma. De publicatie van het volkshuisvestingsprogramma vindt in loop van 2025 plaats. Het ophanden zijnde volkshuisvestingsprogramma is een uitwerking van een contourennotitie. De contourennotitie is op 11 september 2024 gepubliceerd. De contourennotitie is opgesteld als richtlijnendocument voor het nog te komen volkshuisvestingsprogramma ‘Woningbouw als aanjager’. Aanleiding voor nieuwe volkshuisvestingsprogramma is drieledig. Ten eerste moeten er veel woningen bijkomen om de te verwachte bevolkingsgroei en het woningtekort op te vangen. Ten tweede moet de bestaande voorraad worden opgeknapt en van het gas af. Ten derde moet de woningvoorraad aan de woningbehoefte van de vergrijzende bevolking worden aangepast.
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 19
De contourennotitie bevat een aantal ambities voor het wonen in 2040: • Woningaanbod in balans brengen: Zoetermeer wil zorgen voor een goede mix van woningen, zodat er voor iedereen een passende woning is. • Ouderen langer thuis laten wonen: Er komen meer geschikte woningen voor ouderen, zodat ze langer zelfstandig kunnen blijven wonen. • Concurreren met andere steden: Zoetermeer wil aantrekkelijker worden voor nieuwe bewoners, zoals jongeren en 40+ huishoudens. • Verminderen van verschillen tussen wijken en gemeenten: de gemeente wil ervoor zorgen dat alle wijken even aantrekkelijk zijn. Zoetermeer heeft een aantal ambities zoals inzetten op de bouw van 10.735 nieuwe woningen tot 2040. Deze nieuwe woningen moeten verspreid worden door de stad zodat elke wijk profiteert. Samenwerking met marktpartijen en inwoners is hierbij noodzakelijk om zo nieuwe woonvormen, bijvoorbeeld meergeneratiewonen, mogelijk te maken. Daarnaast wordt er gestreefd naar een woningvoorraad die uit 30% uit sociale huurwoningen bestaat. De wijken moeten in balans worden gebracht, wat betekent dat sociale huurwoningen minder een bepaald aantal wijken geconcentreerd worden en meer verspreid door de stad.
Ook wordt er gewerkt aan de kwaliteit van woningen en woonomgevingen zodat deze een richtinggevende en inspirerende werking hebben op corporaties en ontwikkelaars Om bovenstaande te realiseren is een planvoorraad nodig van 16.000 woningen. Daarnaast moeten er meer nieuwbouwlocaties worden opgenomen in het omgevingsplan. Om een goede balans te creëren moet er een doelgroepenregeling worden vastgesteld. Tevens moeten er duidelijke kaders worden vastgesteld voor de realisatie van nieuwbouw. Uitgangspunt hierbij is het blijven betrekken van marktpartijen en woningcorporaties. 3.5.2.1 Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling voegt 86 woningen toe aan Zoetermeer, als onderdeel van het streven om 10.735 nieuwe woningen te bouwen voor 2040. De woningen voldoen aan BENG-eisen en zijn bestemd voor het middeldure huursegment, gericht op senioren en jongeren. 3.5.2.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling draagt bij aan de ambities van het Zoetermeerse woonbeleid.
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 20
4
OMGEVINGSKWALITEIT In de Omgevingswet is een goede omgevingskwaliteit opgenomen als een centrale doelstelling (artikel 1.3 Omgevingswet). Dit duidt op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving.
STEDENBOUWKUNDIGE INPASSING In de Omgevingswet is een goede omgevingskwaliteit opgenomen als een centrale doelstelling (artikel 1.3 Omgevingswet). Dit duidt op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving. Bij het toedelen van functies aan locaties in het Omgevingsplan moet de landschappelijke kwaliteit worden meegenomen (artikel 2.4 en 4.2 Omgevingswet). Op Rijksniveau zijn er een beperkt aantal instructieregels opgesteld voor landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De provincie en gemeente hebben hierdoor vrijheid om de aspecten landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit in te vullen in bijvoorbeeld de Omgevingsvisie en het Omgevingsplan. Eén van de instructieregels waaraan de provincies en gemeenten moeten voldoen betreft het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5 van het Bkl). In de NOVI (zie ook paragraaf 3.1.1) is vastgelegd dat het behouden en versterken van landschappelijke kwaliteiten onderdeel is van de nationale belangen. Sommige landschappen zijn zo waardevol dat ze extra beschermd worden, zoals het Groene Hart.
In de Omgevingsvisie kan ingegaan worden op de kwaliteit van het landschap en hoe dit kan worden behouden en versterkt. Daarnaast is het van nationaal belang om de kernkwaliteiten van stad en land te borgen. Op provinciaal niveau betreft de stedenbouwkundige kwaliteit bijvoorbeeld de grens tussen het open landschap en de verstedelijking. Met beleid voor ruimtelijke kwaliteit kan dit worden beschermd. Op gemeentelijk niveau gaat stedenbouwkundige kwaliteit over bijvoorbeeld de hoofdstructuur van een stad. Stedenbouwkundige kwaliteit wordt afgewogen bij de keuze voor een ontwikkellocatie en de stedenbouwkundige invulling. Relatie tot de ontwikkeling De beoogde ontwikkeling is eerste project van ‘Meer voor Meerzicht’ en omvat de sloop van een kantoorpand en de bouw van een appartementencomplex. Voor dit project is een planuitwerkingskader vastgesteld dat ook de stedenbouwkundige inpassing behandelt. De locatie sluit nu stedenbouwkundig slecht aan door het sterke contrast tussen hoog- en laagbouw in de wijk. Met een nieuwe schijf wordt het gebouw beter geïntegreerd in het winkelcentrum. Het plan volgt de stedenbouwkundige uitgangspunten uit het planuitwerkingskader. Conclusie Stedenbouwkunde levert, zolang het gebouw voldoet aan de stedenbouwkundige uitgangspunten, geen randvoorwaarden of belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling op de projectlocatie.
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 21
BEELDKWALITEIT, WELSTAND & ARCHITECTUUR Algemeen In navolging van de stedenbouwkundige inpassing dient hier expliciet ingegaan te worden op de architectonische kwaliteit en beeldkwaliteit van het gebouw. Relatie tot ontwikkeling Momenteel is er een kantoorpand gevestigd op de projectlocatie. Het gebouw uit 1972 heeft een haast brutalistische architectuur en wordt gekenmerkt door sober kleurgebruik. In 2006 is het winkelcentrum gedeeltelijk gerenoveerd, waarbij de gevel van het kantoorpand werd gewijzigd. Zo werd de entree uitgebouwd, men voegde een luifel toe en bekleedde de gevel met antraciet natuursteen. Het kantoorpand zal worden gesloopt, waarna er een appartementencomplex wordt teruggebouwd met in de plint ruimte voor voorzieningen. Binnen de gemeente Zoetermeer is de ‘Welstandsnota 2010’ van kracht. Hierin zijn eisen aan het uiterlijk van het gebouw vastgelegd. Zo is het voor initiatiefnemers vooraf inzichtelijk aan welke eisen zij moeten voldoen. Bovendien verzekert Welstandsbeleid de stad van een aantrekkelijk uiterlijk en buurten die een bepaalde mate samenhang kennen in hun vormgeving. Op basis van de ‘Welstandsnota 2010’ is er regulier welstandbeleid van toepassing op de projectlocatie. Dit resulteert in de volgende architectonische uitgangspunten: • Eigentijdse toevoeging maken in de orthogonale architectuur van de omgeving.
• Architectonische geleding in het ontwerp van luifel en balkons – Diepe luifel ten behoeve van verblijfskwaliteit op maaiveld, doorlopende balkons op de eerste lagen en losse balkons op de lagen erboven. Bij verder ontwerp en de realisatie van het gebouw moet rekening gehouden worden met de hier boven genoemde uitgangspunten. Er zijn geen verdere belemmeringen of randvoorwaarden vanuit het aspect beeldkwaliteit, welstand & architectuur. Conclusie Ruimtelijke kwaliteit vormt geen randvoorwaarde voor de beoogde ontwikkeling op de projectlocatie.
CULTUURHISTORIE, MONUMENTEN EN ARCHEOLOGIE Algemeen Onderdeel van de fysieke leefomgeving is het cultureel erfgoed en werelderfgoed. Cultureel erfgoed bestaat uit vijf elementen, namelijk monumenten (dit kunnen gebouwde monumenten zijn maar bijvoorbeeld ook tuinen en parken), archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschap en roerend of immaterieel erfgoed (dit kan bijvoorbeeld een haven met historische schepen zijn). Alle wettelijke regelingen rond de omgang met cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving zijn in de Omgevingswet terecht gekomen. Artikel 5.130 en Artikel 5.131 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat de instructieregels voor het cultureel erfgoed. Het beschermingsregime in het omgevingsplan moet ertoe strekken om in een vroeg stadium inzicht te verschaffen in het cultureel erfgoed dat binnen het desbetreffende gebied aanwezig is en om dit cultureel erfgoed voldoende te beschermen als een activiteit wordt ontplooid. De Omgevingswet vormt samen met de Erfgoedwet (2016) het fundament voor de bescherming van het erfgoed. Monumenten De aanwijzing van rijksmonumenten is opgenomen in de Erfgoedwet en deze monumenten zijn daarmee wettelijk beschermd. In een Omgevingsplan kan een rijksmonument worden opgenomen, maar dit is door de bescherming op grond van de Erfgoedwet niet verplicht.
In een Omgevingsplan dienen voor alle beschermde monumenten regels te zijn opgenomen om de omgeving van het beschermde monument te beschermen.
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 22
In de periode tot eind 2029 geldt een overgangsfase voor gemeentelijke monumenten. Na de overgangsfase worden alle gemeentelijke monumenten beschermd in een Omgevingsplan. Tot die tijd kunnen gemeentelijke monumenten ook beschermd worden via een erfgoedverordening. Archeologische monumenten In een Omgevingsplan dient rekening te worden gehouden met de (te verwachten) archeologische waarden. Een archeologische onderzoeksplicht in het Omgevingsplan regelt bijvoorbeeld wanneer archeologisch onderzoek moet plaatsvinden en aan welke eisen dit moet voldoen. In beginsel is een project kleiner dan 100 m² vrijgesteld, maar in een Omgevingsplan kan een andere vrijstellingsgrens worden vastgelegd. Stads- en dorpsgezichten & cultuurlandschappen Zowel het Rijk, de provincie als een gemeente kan een stads- of dorpsgezicht met een bijzonder cultuurhistorisch karakter aanwijzen voor bescherming. In een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht zijn de rechtsgevolgen niet gelijk aan die van een gemeentelijk beschermd gezicht. Vergunningsvrij bouwen is in een Rijksbeschermd stadsgezicht bijvoorbeeld ingeperkt. Een landschappelijk waardevol gebied kan beschermd zijn als cultuurlandschap.
Roerend of immaterieel erfgoed In de Omgevingswet is bepaald dat in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld aan roerend of immaterieel erfgoed als dit erfgoed direct of indirect voorwerp kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Denk hierbij bijvoorbeeld aan regels voor een haven met historische schepen. Of het toedelen van een functie aan een locatie die samenhangt met een (lokaal) volksgebruik dat wordt aangemerkt als immaterieel cultureel erfgoed. Werelderfgoed Naast de bescherming van erfgoed via de regels in artikel 5.130, is in artikel 5.131 voorzien in een specifieke regel voor het werelderfgoed. Een Omgevingsplan dient regels te bevatten voor het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed. Daarbij geldt dat een ontwikkeling in een betreffende gemeente invloed kan hebben (bijv. hoogbouw) op de universele waarde van werelderfgoed in een omliggende gemeente. Relatie tot ontwikkeling De geplande ontwikkeling betreft de sloop van een kantoorpand en de realisatie van een appartementencomplex. De locatie valt niet binnen of nabij gebieden met regels ter bescherming van cultureel erfgoed. Tevens bevindt de projectlocatie zich niet in een gebied waar archeologische waarden gelden of verwacht worden; daardoor geldt er geen onderzoeksplicht.
De locatie ligt ook niet in of bij beschermd stadsgezicht, dorpsgezicht, cultuurlandschap of werelderfgoed, zodat daarmee geen rekening hoeft te worden gehouden. Conclusie Het aspect cultuurhistorie, monumenten en archeologie vormt geen randvoorwaarde voor de beoogde ontwikkeling op de projectlocatie.
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 23
DUURZAAMHEID EN NATUURINCLUSIEF BOUWEN Klimaat en energietransitie Algemeen Beleid Rijk In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI, zie paragraaf 3.1.1.1 van deze GOFLO) zijn de ambities van het Rijk opgenomen die onder andere betrekking hebben op de fysieke leefomgeving in Nederland. Onderdeel hiervan is het beleidsdoel om ruimte te bieden voor klimaatadaptatie en energietransitie. Hiervoor heeft het Rijk de volgende beleidsdoelen: • •
• •
Nederland is in 2050 klimaatbestendig en water robuust. Bij (her)ontwikkelingen wordt voorkomen dat het risico op schade en slachtoffers door overstromingen of extreem weer toeneemt, voor zover dat redelijkerwijs haalbaar is. Om de klimaatdoelstellingen voor 2050 te behalen is ervoor gekozen dat het grootste gedeelte van de energieproductie wordt gerealiseerd door middel van windparken op de Noordzee. Ook de ruimte op zee is schaars: naast de vraag om ruimte voor energie, is er ruimte nodig voor scheepvaart, visserij, natuur(herstel), luchtvaart, defensieoefengebieden, zandwinning, olie- en gaswinning en recreatie. De opgave is om de juiste maatschappelijke balans te vinden in de ruimtelijke ontwikkeling van de Noordzee binnen de randvoorwaarden van een gezond ecosysteem. Dit is uitgewerkt in het Programma Noordzee 2022-2027. De energie-infrastructuur wordt geschikt gemaakt voor duurzame energiebronnen. De opgave van duurzame energie wordt gerealiseerd met het oog voor de kwaliteit van de omgeving en zo veel mogelijk gecombineerd met een andere functie.
Beleid provincie Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland richt haar klimaatbeleid op zowel op het verminderen van CO₂-uitstoot als op het aanpassen aan klimaatverandering. Energietransitie en CO₂-reductie Met het programma 'Schone Energie voor Iedereen' draagt de provincie bij aan het nationale doel om in 2030 de CO₂-uitstoot te halveren. Dit programma legt de nadruk op: • Het bevorderen van zonne-energie. • Het behoud van het landschap. • Actieve participatie van inwoners en bedrijven. • Energiebesparing. • Het gebruik van Zuid-Hollandse warmte voor gebouwen en kassen. Klimaatadaptatie Als dichtbevolkte, laaggelegen deltaprovincie is Zuid-Holland kwetsbaar voor klimaatverandering. De provincie werkt samen met andere overheidslagen, bedrijven en maatschappelijke organisaties om zich voor te bereiden op effecten zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. De aanpak richt zich op zes grote uitdagingen: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Hittestress in stedelijke gebieden Waterschade in stedelijke gebieden Funderingsschade in stedelijke gebieden Verzilting Overstromingsrisico’s Veenoxidatie in het landelijk gebied.
De provincie Zuid-Holland beoogt bovenstaande uitdagingen aan te pakken door onder andere het verhogen van het waterpeil in veenweidegebieden om bodemdaling tegen te gaan en het leefgebied voor weidevogels te verbeteren. Daarnaast is het stimuleren van klimaatadaptief bouwen, gericht op het verminderen van
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 24
wateroverlast, hittestress en de nadelige gevolgen van droogte en bodemdaling, en het bevorderen van biodiversiteit van groot belang bij het oplossen van de zes hierboven genoemde opgaven. De provincie ziet klimaatadaptatie als opgave voor alle overheidslagen, bedrijven en maatschappelijke organisaties. De provincie Zuid-Holland werkt samen met deze partijen door verbindingen te leggen, ondersteuning te bieden met kennis of financiering, en onderzoek en innovatie te stimuleren. Daarnaast biedt de provincie een overzicht van beleidsinstrumenten voor klimaatadaptatie om gemeenten te ondersteunen bij het integreren van klimaatadaptatie in hun beleid. Beleid gemeente Zoetermeer De gemeente Zoetermeer heeft een ambitieus beleid ten aanzien van water en klimaat. Zo streeft de gemeente naar een duurzaam, veilig en gezond watersysteem. Dit betekent dat er wordt gewerkt aan een efficiënte afwatering van regenwater, het beperken van overstromingsrisico’s, het verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van natuurlijke waarden in de omgeving. Daarnaast wordt er in Zoetermeer veel aandacht besteed aan klimaatadaptatie. De gemeente heeft als doel om in 2040 klimaatneutraal te zijn en om te zorgen voor een veilige en gezonde leefomgeving voor haar inwoners.
Dit betekent dat er wordt gewerkt aan maatregelen zoals het vergroten van de waterberging, het verminderen van hittestress, het versterken van de waterveiligheid en het verminderen van de CO2-uitstoot. Dit doet de gemeente in samenwerking met diverse partijen, waaronder waterschappen, de provincie Zuid-Holland en Rijkswaterstaat. Het beleid wordt constant aangepast aan de laatste inzichten en ontwikkelingen rondom water en klimaat. Relatie tot ontwikkeling De sloop van het huidige kantoorgebouw, waarna een appartementencomplex wordt teruggebouwd biedt mogelijkheden voor duurzame energieopwekking. Daken worden zoveel mogelijk ingezet voor de energievoorziening door plaatsing van circa 100 zonnepanelen. De woningen worden gasloos gebouwd en voorzien van een duurzaam energiesysteem. De woningen hebben gemiddeld energielabel A+++. Daarnaast worden de woningen voorzien van All-electric verwarming en koeling, hoogwaardige isolatie en een energiezuinig ventilatiesysteem. Conclusie Het aspect klimaat en energietransitie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Natuurinclusief bouwen Algemeen Beleid Rijk In de Nationale Omgevingsvisie is opgenomen dat naast het realiseren van meer natuurgebieden van een goede kwaliteit, de opgave is dat de natuurlijke hulpbronnen op een duurzame manier worden benut en dat andere gebruikers niet langer afwentelen op de natuur, maar zelfs een bijdrage leveren aan natuur en biodiversiteit. Zo zal bij belangrijke ontwikkelingen als de veranderingen in de landbouw, de energietransitie en de uitbreiding van woongebieden en infrastructuur rekening worden gehouden met natuur (natuurinclusief ontwikkelen). Beleid provincie Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland zet actief in op natuurinclusief bouwen om de biodiversiteit te versterken en een gezonde leefomgeving te bevorderen. Natuurinclusief bouwen integreert natuur en biodiversiteit in bouwprojecten en gebiedsontwikkelingen, wat bijdraagt aan klimaatadaptatie, luchtzuivering en een prettige leefomgeving. Handreiking Natuurinclusieve (Woning)bouw en Gebiedsontwikkeling In juni 2024 heeft de provincie de 'Handreiking Natuurinclusieve (Woning)bouw en Gebiedsontwikkeling' gepubliceerd. Deze handreiking ondersteunt gemeenten bij het realiseren en beleidsmatig verankeren van natuurinclusief bouwen. Het document biedt praktische richtlijnen en voorbeelden om biodiversiteit te integreren in stedelijke ontwikkelingen.
Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO
Pagina | 25
Groeiagenda Natuurinclusief Zuid-Holland 2024–2027 Daarnaast is de 'Groeiagenda Natuurinclusief Zuid-Holland 2024–2027' opgesteld. Deze agenda streeft ernaar om in 2050 een natuurinclusieve provincie te realiseren. Het document benadrukt het belang van samenwerking met diverse stakeholders en het integreren van natuur in verschillende sectoren, waaronder de bouw. Kansenkaart voor Beschermde Diersoorten Om bouwers te helpen rekening te houden met beschermde diersoorten, heeft de provincie een 'Soorten Kansenkaart' ontwikkeld. Deze kaart biedt inzicht in de verwachte aanwezigheid van beschermde soorten in Zuid-Holland en ondersteunt bij het tijdig uitvoeren van ecologisch onderzoek en het integreren van natuurinclusieve maatregelen in ontwerpen. Provincie Zuid-Holland Door deze initiatieven stimuleert de provincie Zuid-Holland gemeenten en ontwikkelaars om natuurinclusief bouwen te omarmen en zo bij te dragen aan een duurzame en biodiverse leefomgeving. Beleid gemeente Zoetermeer In haar omgevingsvisie Zoetermeer 2040 heeft de gemeente opgenomen dat Zoetermeer in 2040 staat voor natuurinclusiviteit en duurzaamheid. Hiermee is de stad een ecologisch brongebied voor de regio. Het omgevingsplan bevat vooralsnog geen regels met betrekking tot natuurinclusief bouwen. De gemeente heeft haar beleidsambities opgenomen in haar ‘Visie Biodiversiteit & Veldgids beschermde soorten (2013)’.