Bijlage 2 - Gloflo Flexwoningen Ruimtebaan
Tekst van het document
Woningen
Parkeernorm bewoners
Parkeerbehoefte bewonersdeel
Parkeernorm bezoekers
Parkeerbehoefte bezoekersdeel
Totale parkeerbehoefte
Zeer klein (51) Klein (30)
0,3 per woning 0,6 per woning
15,3
0,3 per woning
15,3
30,6
18
0,3 per woning
9
27
24,3
57,6 (58)
Totaal
33,3
In het plan wordt het bezoekersdeel en het bewonersdeel op hetzelfde parkeerterrein opgelost. Dit betekent dat er uitwisseling mogelijk is tussen bewoners parkeren en bezoekers parkeren. In hoofdstuk 5.8 van de Nota parkeernormen en Uitvoeringsregels 2019 Zoetermeer staat een toelichting over dubbelgebruik. Bij dubbelgebruik moet gekeken worden wat het drukste dagdeel is. Dit wordt op basis van aanwezigheidspercentages berekend. De aanwezigheidspercentages staan in bijlage 2 van de Nota parkeernormen en Uitvoeringsregels 2019 Zoetermeer. In onderstaande uitsnede is te zien wat de aanwezigheidscijfers zijn voor bewoners en bezoekers van de flexwoningen:
36
De aanwezigheidspercentages worden toegepast op: - de totale parkeerbehoefte voor de bewoners van de 81 woningen, te weten 33,3 parkeerplaatsen; en - de totale parkeerbehoefte voor de bezoekers van de 81 woningen, te weten 24,3 parkeerplaatsen. Het toepassen van de aanwezigheidspercentages levert het volgende beeld op: Werkdag ochtend
Werkdag middag
Werkdag avond
Koopavond
Werkdag nacht
Zaterdag middag
Zaterdag avond
Zondag middag
Woningen bewoners
16,65
16,65
29,97
26,64
33,3
19,98
26,64
23,31
Woningen bezoekers
2,43
4,86
19,44
17,01
0
14,58
24,3
17,01
Totaal
19,08
21,51
49,41
43,65
33,3
34,56
50,94
40,32
Afgerond
20
22
50
44
34
35
51
41
Te zien is dat op een gemiddelde zaterdagavond zowel 80% van de parkeercapaciteit voor de bewoners wordt gebruikt als 100% van de parkeercapaciteit voor de bezoekers. Op dit dagdeel zijn daarom de minste mogelijkheden om parkeerplaatsen dubbel te gebruiken. Dit dagdeel wordt daarom het maatgevende dagdeel genoemd. Te zien is dat in het plangebied 51 parkeerplaatsen nodig zijn als rekening wordt gehouden met dubbelgebruik van parkeerplaatsen. Oplossen binnen de contouren van de ontwikkeling (stap 4) Binnen het plangebied worden twee kleine parkeerterreinen gerealiseerd parallel aan de Ruimtebaan om de parkeerdruk op te vangen. In totaal bieden deze parkeerterreinen ruimte voor 56 parkeerplaatsen, hetgeen voldoende is om de parkeerbehoefte van 51 parkeerplaatsen op te vangen (uitgaande van dubbelgebruik). In dit plan is gekozen voor het realiseren van 31 parkeerplaatsen door middel van het plaatsen van grasbetontegels, waarbij de overige 25 parkeerplaatsen als ruimtereservering zijn opgenomen. De reden hiervoor is dat de flexwoningen specifieke woningen zijn voor specifieke doelgroepen en dus niet gezien kunnen worden als een ‘reguliere’ woning. In heel Nederland is nog niet veel ervaring opgedaan met het parkeren bij flexwoningen, waardoor het nog zoeken is naar het toepassen van de juiste parkeernorm.
Naar verwachting zal de parkeernorm lager uitvallen dan de reguliere parkeernorm, omdat de te huisvesten personen veelal niet in een reguliere gezinssituatie zitten met meerdere gezinsleden en volledig autobezit. De gemeente Zoetermeer is en blijft eigenaar van de grond waarop de flexwoningen worden gerealiseerd. Mocht blijken dat behoefte is aan meer dan 31 parkeerplaatsen ter plekke, dan worden deze parkeerplaatsen gemakkelijk gerealiseerd door ook hier grasbetontegels op te nemen. Om te zorgen dat daadwerkelijk meer parkeerplaatsen worden gerealiseerd als de parkeerdruk hoger blijkt te zijn dan de 31 parkeerplaatsen die in eerste instantie worden gerealiseerd, wordt in de omgevingsvergunning opgenomen dat binnen zes maanden na oplevering van de laatste woningen (sleuteloverdracht) een parkeerdrukmeting moet worden uitgevoerd door de gemeente. Als de bezetting van de parkeerplaatsen hoger blijkt te zijn dan 85%, dan geldt de voorwaardelijke verplichting dat de resterende 25 parkeerplaatsen alsnog binnen één maand door de gemeente worden gerealiseerd. 37
Voor fietsen bedraagt de norm 2 fietsparkeerplaatsen per zeer kleine woning, waarvan 1 voor bezoek. Bij kleine woningen is de fietsparkeernorm 3 fietsparkeerplaatsen per woning, waarvan 1 voor bezoek. Het totaal aantal benodigde fietsparkeerplaatsen bedraagt hiermee 51 x 2 = 102 fietsparkeerplaatsen voor de zeer kleine woningen en (16 + 14) x 3 = 90 voor de kleine woningen. Het totaal aantal fietsparkeerplaatsen bedraagt hiermee 192 (111 voor bewoners en 81 voor bezoekers). Om te voorzien in de behoefte aan fietsparkeerplaatsen krijgen de bewoners een eigen inpandige fietsenstalling met 1 of 2 fietsparkeerplaats(en) per woning, afhankelijk van de woninggrootte. Er zijn 51 zeer kleine woningen (1pp) en 30 kleine (2 pp) in het plan, wat betekent dat in de inpandige fietsenstalling 111 fietsparkeerplaatsen aanwezig moeten zijn. Voor het bezoekersdeel is de norm 1 pp, wat betekent dat in openbaar gebied 81 fietsparkeerplaatsen zouden moeten worden gerealiseerd. In het inrichtingsplan voor de flexwoningen is te zien dat een reservering aanwezig is voor 40 fietsparkeerplaatsen en dat daarnaast nog 40/41 fietsparkeerplaatsen in de toekomst kunnen worden gerealiseerd als daar behoefte aan blijkt te zijn.
Ook als het gaat om het aantal fietsparkeerplaatsen is van belang dat de flexwoningen woningen zijn voor specifieke doelgroepen en dus niet gezien kunnen worden als een ‘reguliere’ woning. Naar verwachting zal de fietsparkeernorm lager uitvallen dan de reguliere parkeernorm, omdat de te huisvesten personen veelal niet in een reguliere gezinssituatie zitten met meerdere gezinsleden en bezit van meerdere fietsen. In de hiervoor genoemde parkeerdrukmeting zal dan ook de bezetting
38
van de fietsparkeerplaatsen in openbaar gebied worden gemeten, zodat een besluit kan worden genomen over het alsnog realiseren van de aanvullende fietsparkeerplaatsen. In de provinciale omgevingsverordening is ook bepaald dat de parkeernorm voor de sociale huurwoningen 0,7 autoparkeerplaats bedraagt. Dezelfde parkeernorm van 0,7 geldt voor nieuwe woningen in door de provincie aangegeven stationsomgevingen, zoals aangegeven op onderstaande kaart:
Volgens deze kaart vallen de te realiseren flexwoningen ook in een stationsomgeving. Van de parkeernorm van 0,7 mag alleen worden afgeweken als de gemeente op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren heeft vastgesteld. In Zoetermeer wordt voor de flexwoningen (sociale huurwoningen) van 40 tot 70 m2 een parkeernorm van 0,9 autoparkeerplaats gehanteerd. Dit heeft te maken met de ligging in een gebied dat de gemeente aanduidt als ‘zone C’. Dit is een gebied met een hoge autoafhankelijkheid dat zich kenmerkt door: -
Relatief weinig openbaar vervoeraanbod in de directe nabijheid; Aanwezigheid van goede fietsinfrastructuur maar met grotere fietsafstanden naar centrumgebied; Relatief laag aanbod aan (dagelijkse) voorzieningen; Een gemiddeld autobezit van meer dan 1,10 auto per huishouden in de afgelopen 5 jaar.
Al deze kenmerken rechtvaardigen de iets hogere parkeernorm voor sociale huurwoningen dan de provinciale norm. 39
6. Ladder voor duurzame verstedelijking of maatschappelijke behoefte Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen en leegstand tegen te gaan heeft het Rijk instructieregels in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving opgenomen die moeten worden toegepast bij wijzigingen van het omgevingsplan of bij een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Deze instructieregels staan ook bekend als de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. De ladder voor duurzame verstelijking is onder andere van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een woningbouwlocatie. Het plan voor de flexwoningen valt hieronder. De ladder voor duurzame verstedelijking houdt in dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen zoveel als mogelijk binnen bestaand stedelijke gebied of bestaand stedelijk groen worden gerealiseerd én dat rekening wordt gehouden met de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling. Realisatie binnen bestaand stedelijk gebied De flexwoningen worden binnen bestaand stedelijke gebied gerealiseerd. Voorzien in een behoefte Het plangebied wordt volledig ingezet ten behoeve van een tijdelijk woonprogramma, met 81 huurwoningen. Het woonprogramma bestaat in het geheel uit kleine, sociale huurwoningen waarvan de huur niet meer bedraagt dan de liberalisatiegrens.
Om te kunnen aantonen dat de ontwikkeling van flexwoningen voorziet in een behoefte, is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de feiten en cijfers van de Zoetermeerse woningmarkt. In de woonvisie Zoetermeer zijn feiten en cijfers over de woningmarkt van Zoetermeer opgenomen. In het geval van de Flexwoningen is de ontwikkeling van de sociale huursector en vrije huursector relevant, aangezien de doelgroepen voor de Flexwoningen zich bevinden in dit woningmarktsegment. Ongeveer 36% van de Zoetermeerse woningvoorraad (ongeveer 19.000 woningen) bestaat uit sociale huurwoningen, waarmee Zoetermeer een vooraanstaande positie inneemt als het gaat om aanbieden van betaalbare huisvesting voor de lagere inkomensgroepen. Helaas zet de verkoop van sociale huurwoningen, stijgende huurprijzen en een slinkende investeringscapaciteit van de woningcorporaties de sociale huursector zowel landelijk, regionaal als lokaal in de toekomst onder (grote) druk. Vooral het aanbod in de goedkoopste sociale huursegmenten neemt erdoor af: kleine sociale huurwoningen in het prijssegment € 0 - € 389 en het prijssegment € 389 - € 596 en grote sociale huurwoningen in het prijssegment € 389 - € 596. Met name de laagste inkomensgroepen – alle sociale minima en (grote) gezinnen met een inkomen tot € 34.000 – kunnen hierdoor in de problemen komen.
40
De afname van de kleinere sociale huurwoningen vormt met name voor personen die met spoed een nieuwe woning nodig hebben een probleem. Daar komt bij dat de bouw van nieuwe woningen niet snel genoeg gaat om de getoonde tekorten weg te werken. Hierdoor is al jaren een structureel tekort ontstaan, waar het plan voor de flexwoningen een tijdelijke oplossing voor wil bieden. Doordat gewerkt wordt met specifieke doelgroepen voor de flexwoningen, wordt gewaarborgd dat de toekomstige bewoners ook echt diegenen zijn die behoefte hebben aan de sociale huurwoningen waar nu nog een tekort aan is. Het betreft de volgende doelgroepen: •
• •
Jongeren: o Zoetermeerse jongeren (al dan niet studerend), o Jonge statushouders (personen die een asielzoekersprocedure succesvol hebben afgerond en onderdeel gaan uitmaken van de Nederlandse samenleving), o Jongeren die begeleid moeten wonen. Personen met een lichte zorgvraag Spoedzoekers, zoals: o Personen die geen recht hebben op urgentie, maar wel met spoed een woning nodig hebben om hun leven weer op de rit te krijgen; o Personen die hun relatie verbreken en direct andere woonruimte nodig hebben; o Personen die in of rond Zoetermeer gaan werken maar nog op grote afstand wonen.
Hierbij krijgen jongeren een contract voor vijf jaar met een verlenging van maximaal twee jaar, krijgen spoedzoekers een contract van maximaal twee jaar en krijgt de zorgdoelgroep een contract voor maximaal de duur van het project (15 jaar).
7. Openbare ruimte en ondergrond Direct binnen het plangebied zijn geen (planologisch relevante) kabels of leidingen aanwezig waarmee rekening moet worden gehouden. Wel ligt aan de zijde van de Ruimtebaan, ter hoogte van 41
het fietspad en het Conferencepad, een hemelwaterleiding (zoals te zien is op onderstaande afbeelding in blauw).
De te realiseren woningen worden niet ter hoogte van de hemelwaterleiding gesitueerd. Bij eventuele infrastructurele werkzaamheden en/of graafwerkzaamheden zal rekening worden gehouden met de aanwezigheid van de leiding. Afwatering van hemelwater in het plangebied zal niet plaatsvinden op deze bestaande hemelwaterleiding, maar via twee greppels / wadi’s die uitkomen bij bestaand oppervlaktewater in het noorden van het plangebied. De riolering voor het plangebied wordt aangelegd in het midden van het plangebied, onder een nog te realiseren ontsluitingsweg. Deze wordt aangesloten op een bestaande rioolleiding direct ten westen van de Ruimtebaan. Het traject voor data- en elektrakabels komt ongeveer op hetzelfde traject te liggen.
42
Voor het inzamelen van afval wordt ter hoogte van het te realiseren entreeplein een ‘afvalstation’ gerealiseerd, bestaande uit onder andere twee ondergrondse afvalcontainers. Op onderstaande detailtekening is de locatie van het afvalstation goed te zien:
Voor dit project is het niet noodzakelijk om een nieuwe in- of uitrit op de openbare weg te realiseren. De nieuw te realiseren ontsluitingsweg wordt aangesloten op de bestaande in- / uitrit van het Conferencepad op de Ruimtebaan. Naast de ontsluitingsweg wordt het binnengebied voor fietsers en voetgangers toegankelijk gemaakt en waar mogelijk groen ingericht. De openbare ruimte in het plangebied is ook zoveel mogelijk toegankelijk voor personen met een functiebeperking, wat in lijn is met de instructieregel uit het Besluit kwaliteit leefomgeving dat rekening wordt gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen met een beperking (Paragraaf 5.1.8. Bkl).
8. Milieu en kwaliteit leefomgeving 8.1. Toetsing Besluit m.e.r./m.e.r.-beoordeling Het instrument milieueffectrapportage is bedoeld om het milieubelang in het begin van het besluitvormingsproces een volwaardige plaats te geven bij activiteiten met mogelijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in het Omgevingsbesluit.
43
Een besluit over een project kan project-mer-plichtig zijn of m.e.r.-beoordelingsplichtig. In het eerste geval moet een milieueffectrapport worden gemaakt en in het tweede geval moet allereerst worden beoordeeld of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben en, als dat het geval is, het maken van een milieueffectrapport aan de orde is. Om te bepalen of een milieueffectrapport aan de orde is, moet bijlage V van het Omgevingsbesluit worden geraadpleegd. In deze bijlage is een tabel opgenomen, waarin te zien is in welke gevallen bij projecten een mer-plicht geldt, een merbeoordelingsplicht geldt en bij welke besluiten deze mer-(beoordeling) moet zijn uitgevoerd. Voor het project Flexwonen is onderstaand onderdeel uit bijlage V van het Omgevingsbesluit van belang bij de beoordeling of een mer-plicht of mer-beoordelingsplicht aan de orde is:
Bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaat het om de aanleg, wijziging of uitbreiding van woningen, voorzieningen als winkelcentra en parkeerterreinen en kantoorruimten. Uit jurisprudentie blijkt dat ook voor stedelijke ontwikkelingsprojecten van geringe omvang het opstellen van een aanmeldnotitie een verplicht onderdeel is van de procedure. Ook de realisatie van 81 tijdelijke woningen moet beschouwd worden als een stedelijk ontwikkelingsproject. In kolom 2 is te zien dat een mer-plicht niet aan de orde is, maar uit kolom 3 volgt dat wel een mer-beoordelingsplicht geldt. Te zien is dat in kolom 4 het omgevingsplan is opgenomen als relevant besluit en dus niet een omgevingsvergunning. Als voor een project een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit nodig is (zoals nu het geval is), dan wordt die omgevingsvergunning het project-mer-beoordelingsplichtige besluit in plaats van het omgevingsplan. Dat volgt uit artikel 11.8 lid 3 van het Omgevingsbesluit. Conclusie voor het project Flexwonen is dan ook dat een mer-beoordelingsplicht noodzakelijk is. In de project mer-beoordeling zijn twee verplichte stappen te zetten: Allereerst moet de initiatiefnemer van een mer-beoordelingsplichtig project zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. De mededeling is vormvrij en mag tegelijk met de aanvraag of daarvoor worden aangeleverd.
In dit geval zijn de meeste zaken die in de mededeling van het voornemen terug moeten komen in het kader van deze onderbouwing al beschreven en gemotiveerd. Deze onderbouwing is ook aan het college verzonden in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning en kan daarom ook worden beschouwd als de mededeling van het voornemen aan het bevoegd gezag. Hierbij is met name hoofdstuk 8 van de onderbouwing (‘milieu en kwaliteit leefomgeving’) relevant.
44
Ten tweede moet het bevoegd gezag, in dit geval het college, een beslissing nemen over de projectmer-beoordeling. Dat hoeft niet via een afzonderlijk besluit, maar mag ook binnen de besluitvorming over de omgevingsvergunning en de bijbehorende stukken plaatsvinden.
Mededeling voornemen: In artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit is aangegeven welke inhoud de mededeling van het voornemen in ieder geval moet bevatten. In onderstaande tabel is in de linker kolom aangegeven welke diverse inhoudelijke vereisten gelden en in de rechter kolom is een invulling gegeven van deze inhoudelijke vereiste, al dan niet door een verwijzing naar de paragraaf binnen deze onderbouwing waar alle relevante informatie te vinden is: Inhoudelijke vereisten
Invulling van deze inhoudelijke vereiste
Beschrijving van de fysieke kenmerken van het project.
Het project bestaat uit de bouw van 81 flexwoningen met de daarbij behorende bovengrondse en ondergrondse infrastructuur op een voormalige baggeropslaglocatie. Ten behoeve van het project vindt in de noordoosthoek van het plangebied het rooien van opschot plaats (bestaande uit onder andere drie bomen). Het plangebied wordt waar mogelijk groen ingericht en in totaal worden 15 nieuwe bomen geplant. Een nadere beschrijving van de fysieke kenmerken van het project is te vinden in paragraaf 1.3, hoofdstuk 3 en paragraaf 5.4 van deze onderbouwing.
Beschrijving van de sloopactiviteiten
Binnen dit project zijn geen sloopactiviteiten aan de orde.
De locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn.
De locatiekeuze en de projectlocatie zijn uitgebreid beschreven in paragraaf 1.3 en 1.4 van deze onderbouwing. In en rond het plangebied zelf zijn geen directe negatieve effecten op het milieu te verwachten als gevolg van de woning bouw, zeker gezien het feit dat een ecologische verbinding voor vleermuizen in het noorden van het plangebied in stand wordt gehouden en de woningen niet direct tegen deze ecologische verbinding aan worden gebouwd. Tussen de ecologische verbinding en de woningen wordt een greppel / Wadi gegraven voor een goede waterafvoer. Aan te brengen lichtmaster langs het wandelpad aan de noordzijde van het plangebied worden niet hoger dan 4 meter, zodat de vliegroute voor vleermuizen ter plekke ook niet teveel verstoord wordt.
De mogelijke aanzienlijke milieueffecten van het project
Uit een berekening met de laatste versie van de AERIUS calculator blijkt dat geen stikstofdepositie te verwachten is in de dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden rondom 45
Zoetermeer. Dit geldt zowel voor de bouwfase als voor de gebruiksfase. In paragraaf 8.5 is het onderwerp stikstofdepositie verder omschreven.
Voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project als gevolg van de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen.
Aangezien het in dit project alleen gaat om woningbouw zijn geen aanzienlijke milieueffecten door residuen of afvalstoffen te verwachten. Huishoudelijk afvalwater wordt geloosd op een bestaand rioolstelsel langs de Ruimtebaan en hemelwater wordt afzonderlijk afgevoerd via twee wadi’s naar het oppervlaktewater in het noorden van het plangebied.
Voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit.
Niet van toepassing op dit project.
Rekening moet worden gehouden met de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn en, voor zover relevant, met de beschikbare resultaten van andere relevante beoordelingen van de milieueffecten
In bijlage III van de mer-richtlijn gaat het achtereenvolgens om: 1. de kenmerken van de activiteit, 2. de locatie van de activiteit en 3. de potentiële milieugevolgen van de activiteit. De genoemde punten zijn elders in deze tabel en in deze onderbouwing benoemd, toegelicht en gemotiveerd.
Bij de mededeling kan een beschrijving worden verstrekt van de kenmerken van het voorgenomen project en van de voorgenomen maatregelen om mogelijk aanzienlijke milieueffecten te vermijden of te voorkomen.
Aanzienlijke milieueffecten zijn niet aan de orde gezien het voormalige gebruik van deze locatie als baggeropslag, wat een bedrijfsmatige activiteit was. Daarnaast is zowel in de bouwfase als in de gebruiksfase geen stikstofdepositie te verwachten op gevoelige Natura-2000 gebieden.
Beslissing over de project-mer-beoordeling: Gezien de motivering zoals hiervoor genoemd in de mededeling van het voornemen, de motivering zoals opgenomen in deze onderbouwing en de relevante criteria uit bijlage III van de mer-richtlijn, komt het college van burgemeester en wethouders tot de conclusie dat er niet dusdanige milieueffecten zijn als gevolg van dit project, dat een milieueffectrapport moet worden opgesteld. In de overwegingen bij de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit zat deze conclusie dan ook worden opgenomen. Geconcludeerd kan worden dat ook op het punt van milieueffecten sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
8.2. Duurzaamheid toegankelijkheid 46
8.3. Klimaatadaptatie Risico’s op overstromingen Via www.klimaateffectatlas.nl is te zien dat het risico op overstromingen in het plangebied met een hoogte van meer dan 20 cm klein is: tussen de 1 op 300 en 1 op 3000 per jaar.
Er is dan ook geen directe aanleiding om op dit punt in het plangebied maatregelen te treffen met betrekking tot de kans op overstromingen. Risico’s door droogte Door het toepassen van veel groen bij de inrichting van het plangebied, op de gevsl en op hetb dak van het gezamenlijke paviljoen wordt de bodem zoveel als mogelijk beschermd tegen uitdrogen en wordt vocht vastgehouden. Regenwater kan zo nog altijd zoveel mogelijk in de grond zakken in plaats van in het riool stromen. Daarnaast wordt het water zo lang mogelijk vastgehouden en vertraagd afgevoerd, waardoor in droge periodes minder snel sprake zal zijn van een watertekort. Risico’s door bodemdaling Via de bodemdalingskaart van de provincie Zuid-Holland is de zien dat de draagkracht van de bodem ter hoogte van het plangebied grotendeels goed is. De bodem bevat nauwelijks een veenlaag, waardoor inklinking en bodemdaling hier zeel beperkt zal zijn. Op het gebied van bodemdaling zijn
47
dan ook geen aanvullende maatregelen benodigd.
Risico’s door hittestress Via www.klimaateffectatlas.nl is de gevoelstemperatuur in diverse gebieden in Zoetermeer goed in te zien. Uit de hittekaart wordt duidelijk waar in Zoetermeer zogenaamde ‘hitte-eilanden’ te vinden zijn die kunnen leiden tot hittestress
Het plangebied kent een relatief hoge gevoelstemperatuur op warme dagen, met uitzondering van het open water in het noordoosten van het plangebied en ter hoogte van de groen omzoming van het plangebied. Met de groene inrichting van het plangebied, onder andere door middel van een groene, centrale ontmoetingsruimte, groene gevels, het waterdoorlatend uitvoeren van de parkeerplaatsen door
48
toepassing van grasbetontegels en de aanplant van 15 nieuwe bomen, wordt zoveel mogelijk bijgedragen aan het beperken van de risico’s op hittestress.
8.4. Natuur Om de effecten van de nieuwe bebouwing te bepalen, is voor het plan Flexwonen een quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Het toetsingskader hierbij op Rijksniveau is het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Omgevingsbesluit. Aanvullend heeft de gemeente Zoetermeer gemeentelijk natuurbeleid opgesteld, te weten de ‘gemeentelijke groentrilogie’. De gemeentelijke groentrilogie gaat in op de bescherming van bomen, het behoud en versterking van de biodiversiteit en versterking en compensatie van het groen (de groenkaart). Op 7 juli 2023 heeft bureau Stadsnatuur een rapportage opgeleverd met de rapportage van de quickscan. De rapportage is opgeleverd in de tijd dat de Wet ruimtelijke ordening nog van kracht was, maar aangezien de systematiek onder de Omgevingswet niet is gewijzigd, kan deze rapportage nog altijd worden gebruikt. Daar komt bij dat de rapportage nog vrij recent is (niet ouder dan twee jaar). Onderdeel van de quickscan was zowel een bureauonderzoek als een veldbezoek. Het veldbezoek heeft op 9 juni 2023 plaatsgevonden. Beschermde plantensoorten zijn bij het veldonderzoek en bij het bureauonderzoek in het plangebied niet aangetroffen. Door de terreingesteldheid worden beschermde soorten op korte termijn ook niet verwacht. Verder komen in het plangebied ook geen populaties van beschermde soorten insecten voor.
In het rapport is ook aangegeven dat geen geschikt leefgebied aanwezig is voor beschermde vissoorten, weekdieren of tweekleppigen. Daarbij is ook aangegeven dat de watergang aan de noordkant buiten het plangebied valt en naar verwachting niet wordt aangetast door de voorgenomen bouwwerkzaamheden. Het niet aantasten van de watergang in het noorden is inderdaad uitgangspunt bij dit project, maar als ter plekke gegraven gaat worden om meer oppervlaktewater te realiseren, dan moet rekening worden gehouden met de ter plekke aanwezige soorten. Het zorgvuldig omgaan met leefgebieden bij werkzaamheden volgt ook uit de diverse besluiten bij de Omgevingswet. Amfibieën hebben ook geen geschikt leefgebied op de planlocatie, maar het kan wel zijn dat in de slootoever en groenstroken naast het plan gebied algemene soorten amfibieën voorkomen waarvoor in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt. Hiervoor is de zorgplicht van toepassing. Als het gaat om vogels dan zijn geen nesten of andere aanwijzingen gevonden voor het gebruik van het plangebied als vaste rustplaats door soorten met beschermde nesten of vaste rustplaatsen. Bij het veldbezoek is een Sperwer aangetroffen, waarbij de bosschage aan de overzijde van de sloot en ten oosten van het plangebied naar verwachting een geschikte nestlocatie is.
Voor algemeen voorkomende soorten geldt dat nesten die in gebruik zijn niet opzettelijk mogen worden verstoord. De meeste strikt beschermde zoogdieren kunnen op voorhand worden uitgesloten. Alleen de aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied is bekend, maar daarvoor geldt dat een essentiële vliegroute of foerageerfunctie is uitgesloten op basis van de inrichting van het plangebied. In het plangebied zijn ook geen bomen aanwezig met geschikte holtes om te rusten of verblijven. Voor overige, algemene soorten zoogdieren geldt de zorgplicht bij het uitvoeren van werkzaamheden.
49
Tot slot zijn voor beschermde reptielen geen geschikte leefgebieden aangetroffen. Uit de toetsing aan het gemeentelijk groenbeleid volgt dat met name het aanvullen of versterken van de ecologische verbinding langs de Randstadrail en de vegetatie rondom het plangebied mogelijkheden biedt om de connectie te versterken met omringende groengebieden en groenstructuren. Hierover kan gemeld worden dat de ecologische verbinding en de overige vegetatie rondom het plangebied versterkt worden door de bebouwing niet direct aangrenzend op de groenstructuren te situeren en doordat tussen de woningen en de bestaande groenstructuren greppels/wadi’s worden aangelegd met een groene inrichting. Alles overwegende kan de conclusie worden getrokken dat aanvullend onderzoek naar flora en fauna niet noodzakelijk is.
8.5. Stikstofdepositie De realisatie van het plan voor de flexwoningen kan negatieve gevolgen hebben voor stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden in de omgeving. Om die reden is het projecteffect op de dichtstbijzijnde Natura-2000 gebieden berekend met behulp van de ‘Aerius calculator’. Het projecteffect is bepaald voor zowel de bouwfase als de gebruiksfase, waarbij voor de bouwfase gerekend is met rekenjaar 2024 en voor de gebruiksfase met rekenjaar 2025. Het projecteffect van de bouw én gebruiksfase van de flexwoningen bedraagt op alle gehanteerde rekenpunten (bij de omliggende Natura-2000 gebieden) 0,00 mol/ha/jaar. Hierdoor kan de conclusie worden getrokken dat geen significant negatieve effecten op de omringende Natura-2000 gebieden te verwachten zijn. Het onderzoeksrapport en de projectberekening voor de bouwfase en gebruiksfase zijn achtereenvolgens als bijlage 7, bijlage 8 en bijlage 9 opgenomen bij deze onderbouwing.
50
8.6. Geluid De te realiseren woningen in het plangebied zijn geluidgevoelige gebouwen, die op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden beschermd tegen een overmatige geluidbelasting door industrie, wegen en spoorwegen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. Standaardwaarde: een geaccepteerd geluidniveau waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken; Grenswaarde: een grens waarvan alleen bij uitzondering (zoals bij zwaarwegende belangen) en met geluidbeperkende maatregelen kan worden afgeweken. De hoofdregel is dat voldaan wordt aan de standaardwaarde, in dat geval is geen nadere afweging of besluitvorming nodig. Het geluid is dan aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Geluid dat boven de standaardwaarde uitkomt kan als aanvaardbaar worden beoordeeld, als: - Redelijkerwijs geen geluidbeperkende maatregelen gerealiseerd kunnen worden om aan de standaardwaarde te voldoen; of - De overschrijding door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt. Het geluid mag niet boven de wettelijk vastgestelde grenswaarde uitkomen en het besluit moet 51
voldoen aan diverse instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (art. 5.78u tot en met 5.78ad). Bij het overschrijden van de standaardwaarden moet het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel worden betrokken. Tevens moet de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw worden beoordeeld en moet het gezamenlijke geluid worden vastgelegd. De wettelijk vastgelegde standaardwaarden en grenswaarden zijn als volgt:
In het plangebied voor de flexwoningen is de geluidbelasting vanuit gemeentewegen en vanuit het lokaal spoor relevant, aangezien het plangebied binnen de geluidaandachtsgebieden ligt. Om het plan te kunnen toetsen op de eisen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving, is een akoestisch onderzoek verricht. Dit onderzoek is als bijlage 18 opgenomen bij deze onderbouwing. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat het geluid (Lden) ten gevolge van wegverkeer over gemeentewegen ten hoogste 58 dB bedraagt. Hiermee wordt de standaardwaarde van 53 dB voor wegverkeer over gemeentewegen overschreden. Aan de grenswaarde van 70 dB wordt voldaan. Het geluid (Lden) ten gevolge van spoorverkeer bedraagt ten hoogste 57 dB. Hiermee wordt de standaardwaarde van 55 dB voor lokale spoorwegen overschreden. Aan de grenswaarde van 65 dB wordt voldaan. Het treffen van permanente maatregelen om de geluidbelasting van het spoor en de wegen te reduceren (geluidarm asfalt, schermen, vergroten afstand tussen geluidbron en woningen) is in het geval van de tijdelijke flexwoningen niet haalbaar te achten. Het gecumuleerde geluid LCUM varieert op de gevels van de flexwoningen tussen 42 tot 58 dB.
Het gecumuleerde geluid is op de meeste posities als redelijk tot zeer goed gekwalificeerd, de hoogste waarden van Lcum tot 58 dB treden op ter plaatse van de westgevel van blok 1 (tot 58 dB) en de zuidwestgevel van blok 6 (tot 56 dB). In onderstaande tabel is een kwalificatie te zien van de gecumuleerde geluidniveaus:
52
Voor alle bouwblokken geldt dat het gecumuleerde geluid van één van de lange gevels ten hoogste 50 dB is (geluidkwaliteit goed) of ten hoogste 45 dB (geluidkwaliteit zeer goed). Hiermee kan worden gesteld dat sprake is van een goede fysieke leefomgeving. Het gezamenlijke geluid Lg bedraagt 40 tot 59 dB. Binnen de Omgevingswet en het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) bepaalt het gezamenlijke geluid de minimaal vereiste geluidwering van de gevel. De benodigde geluidwering van de gevel bedraagt ten hoogste 26 dB (gezamenlijk geluid 59 dB minus 33 dB). De karakteristieke geluidwering van de gevel, waarbij moet worden uitgegaan van een gevelopbouw zoals genoemd in hoofdstuk 6 van het onderzoeksrapport, voldoet aan de eisen uit het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL) voor het gezamenlijk geluid ten gevolge van wegverkeer en spoorverkeer. Conclusie luidt dan ook dat geluid bij deze gevelopbouw geen belemmeringen oplevert voor de ontwikkeling van de Flexwoningen.
8.7. Luchtkwaliteit Ter bescherming van de gezondheid zijn instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. De regels staan in paragraaf 5.1.4.1 en bevatten zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten de volgende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof in acht moeten worden genomen: Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)
Grenswaarde Jaargemiddelde concentratie van 40µg/m3 Jaargemiddelde concentratie van 40µg/m3; 24-uurgemiddelde concentratie: maximaal 35 keer per jaar meer dan 50µg/m3 Jaargemiddelde concentratie van 25µg/m3 -
Een indicatie van de luchtkwaliteit in en rond het plangebied kan verkregen worden via het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit van de Rijksoverheid (CIMLK). Dit instrument is er op gericht om de luchtkwaliteit in Nederland te verbeteren. Het doel is om te voldoen aan de Europese grenswaarden voor fijn stof en stikstofdioxide, zoals ook opgenomen in de Wet Milieubeheer. In de monitoringstool zijn zowel de waarden van het afgelopen jaar als de waarden in 2030 te vinden. Dit levert de volgende resultaten op voor het plangebied: 53
NO2 concentratie:
2022
2030:
PM10 concentratie (jaargemiddelde concentratie)
2022
54
2030:
PM10 concentratie (24-uurgemiddelde concentratie: aantal overschrijdingsdagen)
2022
55
2030:
PM2,5 concentratie (jaargemiddelde concentratie)
2022
56
2030:
Alle concentraties van de getoonde stoffen blijken volgens de monitoringstool zowel nu als in de toekomst (tot 2030) onder de grenswaarden te liggen. Hierdoor is ter plaatse van het projectgebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Vervolgens is het van belang om te motiveren wat de gevolgen van de planvorming zijn op de hier getoonde concentraties. De ontwikkeling mag niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de ontwikkeling mag niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van
57
de genoemde stoffen in de buitenlucht. In de volgende twee situaties is sprake van ‘niet in betekenende mate’: 1. een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (=1,2 μg/m³); 2. een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Het project ligt aan één ontsluitingsweg en bestaat uit 81 woningen. Dit is ruimschoots onder de ‘niet in betekenende mate’ grens van 1.500 woningen. Daarnaast is met behulp van de NIBM-tool van de Rijksoverheid berekend of de toename van het verkeer als gevolg van het plan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Hierbij is uitgegaan van een gemiddelde verkeersgeneratie van 2,1 voertuigbewegingen per woning op een weekdag. Met 81 flexwoningen leidt dit tot maximaal 170 extra verkeersbewegingen per weekdag. In de NIBM-tool leidt dit tot de volgende uitkomst:
De toename van concentraties draagt hiermee niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plekke.
8.8. Trillingen In het omgevingsplan zijn in paragraaf 22.3.5 regels opgenomen over trillingen. Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. De woningen zijn trillinggevoelige gebouwen, waardoor de regels uit het omgevingsplan van toepassing zijn. Er gelden maximale (streef)waarden voor continue trillingen. Continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten mogen niet hoger zijn dan de waarde A1 trillingssterkte Vmax, zoals aangegeven in onderstaande tabel. Als niet kan worden voldaan aan deze waarde, dan mogen continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten niet hoger zijn dan de waarde A2 trillingssterkte Vmax én A2 trillingsterkte Vper.
58
In het plangebied is als het gaat om trillingen de relatie tussen het gebruik van Randstadrail-spoor en de woningen van belang. Onderzocht moet zijn het gebruik van de Randstadrail niet leidt tot trillingen in de woningen boven de grenswaarden. Daarnaast moet in de bouwfase van het plan zeker zijn dat tijdens het bouwen geen trillingen ontstaan die een negatieve invloed kunnen hebben op het Randstadrail-spoor. In januari 2024 heeft bureau Peutz onderzocht in hoeverre de flexwoningen te maken krijgen met trillingen als gevolg van de Randstadrail. Het rapport is als bijlage 12 opgenomen bij deze onderbouwing. Bureau Peutz heeft op twee locaties metingen verricht op 1 november tussen 10.00 uur en 13.30 uur, zoals te zien is op onderstaande afbeelding:
Uit de metingen blijkt dat het maximaal optredende trillingsniveau vanwege treinpassages op de meetposities voldoet aan de streefwaarde A1 van 0,1 voor nieuwe situaties. Gezien de beperkte 59
trillingsniveaus op maaiveldniveau is de kans op voelbare trillingen binnen de geprojecteerde woningen verwaarloosbaar. Verder heeft bureau Peutz een prognose gemaakt van de optredende trillingsniveaus ter plaatse van de spoorwegconstructie als gevolg van de heiwerkzaamheden voor de flexwoningen. In de onderzoeksnotitie, die op 31 januari 2024 is opgeleverd, is aangegeven dat vanaf een afstand van minimaal 5 meter van de heiwerkzaamheden geen zetting van het spoortalud te verwachten is (bij toepassing van de maximale slagenergie van 50 kNm). De afstand tussen de heiwerkzaamheden en het talud van het spoor is in dit geval minimaal 11 meter, waardoor op het gebied van trillingen geen beperkingen optreden. In bijlage 16 bij deze onderbouwing is het rapport van Peutz opgenomen.
8.9. Bodem Het omgevingsplan van de gemeente Zoetermeer en het Besluit kwaliteit leefomgeving bevatten regels om menselijk contact met verontreinigde bodem zoveel als mogelijk te voorkomen. In artikel 22.29 van het omgevingsplan is bepaald dat een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk alleen verleend wordt als (onder andere): • De toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of • bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Deze voorwaarden gelden voor activiteiten die betrekking hebben op een bodemgevoelig gebouw op een bodengevoelige locatie. Hieronder wordt het volgende verstaan (volgens artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving): Bodemgevoelig gebouw: 1. Een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur aaneengesloten aanwezig zullen zijn; of 2. Een woonschip of woonwagen.
3.
Een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving van ten hoogste 50 m2 is géén bodemgevoelig gebouw.
Bodemgevoelige locatie: a) de locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of b) een onmiddellijk aan een gebouw als bedoeld onder a) grenzende aaneengesloten tuin of een daaraan grenzend aaneengesloten terrein; of c) een onmiddellijk aan een op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegelaten woonschip of woonwagen grenzende tuin of grenzend terrein.
De flexwoningen moeten op basis van bovenstaande tabel gezien worden als bodemgevoelige gebouwen die op een bodemgevoelige locatie gebouwd gaan worden. Dit betekent dat de kwaliteit van de bodem ter plekke niet mag worden overschreden of dat anders sanerende of andere maatregelen getroffen moeten worden. Wat de toelaatbare kwaliteit is van de bodem, is beschreven in artikel 22.30 van het omgevingsplan. Hierin staat dat de toelaatbare kwaliteit van de bodem de interventiewaarde bodemkwaliteit is, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
60
Bodemonderzoek baggerdepot Bij de oplevering van het baggerdepot in 2019 is een bodemonderzoek verricht. Dit onderzoek is onder de Wet ruimtelijke ordening uitgevoerd, maar de wijze van onderzoeken en de toetsing aan de interventiewaarden is met de komst van de Omgevingswet niet wezenlijk gewijzigd. Het onderzoek is daarom ook bruikbaar onder de Omgevingswet. Het bodemonderzoek ui 2019 is als bijlage 5 toegevoegd aan deze ruimtelijke onderbouwing. Bureau Hoste Milieutechniek B.V. heeft op 25 juli 2019 het bodemonderzoek opgeleverd (eindsituatie bodemonderzoek, voormalig baggerdepots Hoogheemraadschap van Rijnland, depot Ruimtebaan te Zoetermeer). Voor het onderzoek zijn 14 boring verricht tot een diepte van 2 meter onder maaiveld.
Uitgevoerde boringen tijdens het bodemonderzoek in 2019 Hierbij is gebleken dat de grond binnen de kades tot een diepte van 2 meter onder maaiveld uit zand bestaat, met plaatselijk klei in de bovengrond. Er zijn geen aanwijzingen dat ter plekke asbestverdacht materiaal aanwezig is of ongedefinieerd puin. Verder is de grond ten hoogste licht verontreinigd met minerale oliën en bestrijdingsmiddelen. Het grondwater is licht verontreinigd met Barium. In de bovengrond is geen Pfos/Pfoa aangetroffen. Conclusie van het onderzoek luidde dat het gebruik van de locatie als baggerdepot geen noemenswaardige negatieve invloed heeft gehad op de bodem en het grondwater. De eindsituatie van de bodemkwaliteit was met dit onderzoek voldoende vastgelegd. Bodemonderzoek ten behoeve van geplande woningen (2022) Het plangebied is in 2022 nader onderzocht vanwege de voorgenomen woonfunctie in het gebied. Op 12 oktober 2022 heeft bureau Van der Helm Milieutechniek B.V. een onderzoeksrapport opgeleverd (Verkennend Milieukundig (asbest)bodemonderzoek t.p.v. voormalig baggerspeciedepot ‘Ruimtebaan” te Zoetermeer). Het onderzoeksrapport is als bijlage 6 opgenomen bij deze ruimtelijke onderbouwing. Het onderzoek bestaat uit een vooronderzoek en een veldonderzoek en labaratoriumonderzoek. In dit onderzoek is het plangebied iets groter, omdat nu ook de kades van het baggerdepot zijn onderzocht.
Bij het veldonderzoek zijn in totaal 19 boringen verricht tot een maximale diepte van 2 meter onder maaiveld. Hierbij werden in één terreindeel puinbijmengingen in
61
de bovengrond aangetroffen. Vanwege deze puinbijmengingen is ter plaatse ook een asbestonderzoek uitgevoerd.
Onderzoeksgebied bodemonderzoek 2022 (Van der Helm) In de grond zijn maximaal licht verhoogde concentraties van enkele zware metalen, PCB, minerale olie en OCB aangetoond. De interventiewaarden bodemkwaliteit wordt echter nergens overschreden. In het grondwater zijn verder geen verhoogde concentraties van de onderzochte stoffen aangetroffen. Daar waar puinbijmengingen zijn aangetroffen is geen asbest geconstateerd. De totaal gewogen asbestconcentratie (< 2 mg/kg d.s.) overschrijdt de norm voor nader asbestonderzoek niet. De locatie wordt op basis van de onderzoeksresultaten als onverdacht op asbest beschouwd. Alles bij elkaar genomen luidt de conclusie van het onderzoek dan ook dat er géén belemmeringen aanwezig zijn voor de voorgenomen bouw van de tijdelijke woningen als het om de bodemkwaliteit gaat.
8.10.
Omgevingsveiligheid
Om de veiligheid van gebruikers van de fysieke leefomgeving te waarborgen zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving regels opgenomen (in paragraaf 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6) die in acht moeten worden genomen bij het toelaten van beperkt kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen en zeer kwetsbare gebouwen én beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. In bijlage VI is in een uitgebreide lijst aangegeven wat onder dergelijke gebouwen en locaties wordt verstaan. De flexwoningen moeten worden gezien als beperkt kwetsbare gebouwen. Hetzelfde geldt voor een bijeenkomstfunctie zolang daarin niet een groot deel van de dag een groot aantal personen aanwezig 62
is. Het gemeenschappelijk paviljoen voldoet aan deze beschrijving en is dus ook een beperkt kwetsbaar gebouw. Verder staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving regels die in acht genomen moeten worden over het plaatsgebonden risico en over het groepsrisico binnen aandachtsgebieden. Hieronder wordt het volgende verstaan: Begrip Plaatsgebonden risico
Aandachtsgebieden
Groepsrisico (relevant binnen aandachtsgebieden)O
Definitie Het plaatsgebonden risico is de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit staat in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl.
Voor het plaatsgebonden risico zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving standaardwaarden en grenswaarden opgenomen. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Bij beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet rekening worden gehouden met een standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico. Bij kwetsbare, zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties moet een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht worden genomen van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV) en via www.atlasleefomgeving.nl. In een aandachtsgebied moet voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties rekening worden gehouden met het groepsrisico.
Hieraan wordt in ieder geval voldaan als binnen het aandachtsgebied: - Geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties worden toegelaten; en - Als de hiervoor genoemde gebouwen of locaties toch worden toegelaten: o Maatregelen zijn getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties; of o Het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen en op die locaties beperkt is. Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Plaatsgebonden risico: 63
Via www.atlasleefomgeving.nl is te zien of in en rond het plangebied activiteiten plaatsvinden met gevaarlijke stoffen, waardoor sprake zou kunnen zijn van een wijziging van het plaatsgebonden risico. Via atlasleefomgeving.nl is te zien dat de flexwoningen niet worden gebouwd op een locatie binnen een plaatsgebonden risicocontour.
Het dichtstbijzijnde bedrijf met gevaarlijke stoffen is Avandis (Wattstraat 63), een bedrijf gericht op co-packing en private label productie van sterke dranken in flessen en blikjes. Dit bedrijf ligt op meer dan 850 meter afstand van het plangebied, waardoor er geen sprake is van enige invloed op het gebied van externe veiligheid. Aandachtsgebieden / Groepsrisico: Uit de kaart van www.atlasleefomgeving.nl is te zien dat het plangebied waar de flexwoningen komen niet ligt binnen een brandaandachtsgebied, binnen een explosieaandachtsgebied of binnen een gifwolkaandachtsgebied. Externe veiligheid vormt hierdoor geen belemmering voor de ontwikkeling van flexwoningen op de projectlocatie.
8.11.
Gezondheid
Onder de Omgevingswet is het bevorderen van een gezonde fysieke leefomgeving van belang bij het (evenwichtig) toedelen van functies aan locaties. Het gaat hierbij niet alleen om zaken als het voorkomen van geurhinder en een goede luchtkwaliteit, maar ook het dusdanig inrichten van de leefomgeving dat deze een gezonde levensstijl bevorderd. Hierbij kan gedacht worden aan het bevorderen van fietsgebruik of het dusdanig groen inrichten van een plangebied dat dit uitnodigt voor het buiten verblijven en wandelen. In paragraaf 8.6 van deze onderbouwing is al ingegaan op het geluid dat kan ontstaan vanwege wegverkeer en de Randstadrail. De woningen staan op enige afstand van de Ruimtebaan, zodat onevenredige overlast vanwege wegverkeerslawaai niet aan de orde is. De luchtkwaliteit in het plangebied, zoals beschreven in paragraaf 8.7, voldoet aan de wettelijke normen die hiervoor zijn gesteld. Verder is in hoofdstuk 5 ingegaan op de omgevingskwaliteit van het plangebied. Kwaliteiten van het plangebied die naar verwachting een positieve invloed hebben om de gezondheid zijn: • De groene inrichting van het binnengebied, aangevuld met een gemeenschappelijk paviljoen waar bewoners elkaar kunnen ontmoeten. • Een rechtstreekse verbinding vanuit het plangebied naar het bestaande wandelpad langs het talud van de Randstadrail. Dit wandelpad ontsluit het plangebied met de westelijk en 64
•
•
oostelijk gelegen buurten. Om het wandelen verder te bevorderen wordt langs dit pad ook verlichting aangebracht. De laagbouw van twee bouwlagen in het plan gebied staat haaks op de bebouwing langs de Zegwaartseweg. Tussen deze bebouwing is sprake van een groene inrichting dat diep het plangebied binnendringt en gericht is op het zuidoosten. Hierdoor wordt optimaal gebruik gemaakt van het binnenvallende zonlicht. De bebouwing die het dichtst bij de randstadrail is gelegen bestaat uit drie bouwlagen. Hiermee wordt geluid afkomstig vanaf de Randstadrail zoveel mogelijk geblokkeerd.
9. Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 9.1. Economische uitvoerbaarheid Investeringsbudget De gemeente Zoetermeer is eigenaar van de grond waarop de flexwoningen worden gerealiseerd. Woningbouwcorporatie Vidomes bouwt en beheert de flexwoningen op de locatie voor een periode van 15 jaar. Op 17 oktober 2022 heeft de gemeenteraad van Zoetermeer de financiële uitgangspunten vastgesteld voor de flexwoningen aan de Ruimtebaan. Uitgangspunt is dat de locatie wordt verhuurd aan Vidomes, die dan vervolgens de woningen realiseert. Het woonprogramma bestaat uit tijdelijke huurwoningen die maximaal voor een huur tot de aftoppingsgrens worden verhuurd. Het voormalige baggerdepot moet ten behoeve van de woningbouw bouwrijp worden opgeleverd. Na plaatsing van de woningen wordt de openbare ruimte door de gemeente aangelegd en afgewerkt. Voor de investeringen in de openbare ruimte heeft de gemeenteraad een investeringsbudget beschikbaar gesteld. De kosten van het bouwrijp en woonrijp maken van de planlocatie worden in 15 jaar afgeschreven. De vaste afschrijvingskosten (kapitaallasten) worden gedekt uit de jaarlijkse huuropbrengsten. De huuropbrengsten worden daarbij jaarlijks geïndexeerd, bij de kapitaallasten is dat niet het geval. De dekking van de kapitaallasten is in de eerste zeven jaar niet voldoende, deze zijn dan hoger dan de huuropbrengsten.
In de laatste acht jaren verandert de situatie: de huuropbrengsten zijn dan door de jaarlijkse indexatie hoger dan de exploitatielasten. Bezien over de gehele periode van 15 jaar worden de totale lasten geheel gedekt met de totale huuropbrengsten. Nadeelcompensatie Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Nadeelcompensatie kan aan de orde zijn bij het verlenen van een omgevingsvergunning, bijvoorbeeld doordat bij bestaande bewoners het uitzicht ingrijpend wordt aangetast. De planlocatie van de flexwoningen wordt aan de noordzijde, weestzijde en zuidzijde begrenst door bestaande infrastructuur. Bebouwing ligt op geruime afstand van de planlocatie, waardoor nadeelcompensatie hier naar verwachting niet aan de orde is. Aan de oostzijde van het plangebied is bestaande bebouwing aanwezig langs de Zegwaartseweg, bestaande uit zowel woningen als bedrijven. Vanuit de bestaande bebouwing zullen de woningen deels te zien zijn, maar niet in een mate waardoor sprake is van een onevenredige verslechtering van het vrije zicht. Nadeelcompensatie als gevolg van de ontwikkeling van het bouwplan is naar 65
verwachting niet aan de orde. De redenen hiervoor zijn als volgt: 1. De woningen aan de oostzijde van het plangebied zijn maximaal twee bouwlagen hoog; 2. De woningen aan de oostzijde van het plangebied staan met de kopse kant richting de Zegwaartseweg. Eventuele ‘muurvorming’ wordt hierdoor tot een minimum beperkt. 3. De woningen aan de oostzijde van het plangebied worden met groen omkleed. Daarnaast blijft het Conferencepad intact. De afstand tussen de bestaande bebouwing en de nieuwe woningen bedraagt minimaal 20 a 30 meter. 4. Door de realisatie van de flexwoningen in het noordwesten zal de bezonning bij de bestaande woningen niet wijzigen. 5. De flexwoningen worden ontsloten via een eigen oprit ter hoogte van de kruising Ruimtebaan / Conferencepad, de nieuwe bewoners hoeven daardoor niet het gehele Conferencepad af te rijden om de woningen te bereiken.
9.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid Procesvoorstel participatie In december 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders het procesvoorstel participatie voor het project “flexwonen Ruimtebaan” vastgesteld. In dit procesvoorstel wordt beschreven op welke wijze en op welk participatieniveau de participatie wordt georganiseerd. Samengevat richt de participatie zich op de ruimtelijke uitgangspunten voor de ontwikkeling, die uiteindelijk worden opgenomen in een Planuitwerkingskader. De schaal van de participatie is het buurtniveau, dus de direct aanwonenden zijn onderdeel van de participatie. Bewoners, organisaties en ondernemers verder van het plangebied af worden via de website en/of huis-aan-huis brieven geïnformeerd over het project. Het participatieniveau dat wordt gehanteerd is “informeren” en “consulteren”. Uitvoering procesvoorstel participatie Met direct aanwonenden van het plangebied is in april 2022 tijdens een eerste bijeenkomst gesproken over het initiatief om op de locatie Ruimtebaan flexwoningen te realiseren. Omwonenden in een grotere cirkel rond het plangebied zijn per brief geattendeerd op de online participatie over de ontwikkeling via DoeMee. Aan de omwonenden is gevraagd mee te denken over de uitgangspunten voor de ontwikkeling.
Van belang is met name om het groen zoveel mogelijk te behouden of terug te brengen en te zoeken naar oplossingen waarbij rust, zonlicht en privacy worden gewaarborgd. De tip werd meegegeven om het Conferencepad als natuurlijke barrière te benutten. De uitkomsten van de participatie zijn in het Planuitwerkingskader verwerkt. Vaststelling PUK Op 6 september 2022 heeft de gemeenteraad het Planuitwerkingskader vastgesteld. Dit planuitwerkingskader is als bijlage 13 aan deze onderbouwing toegevoegd. Keuze ontwerpvariant Op 15 december 2022 vond in de Commissiezaal van het stadhuis de tweede bewonersbijeenkomst plaats over het project Flexwonen Ruimtebaan. De direct omwonenden van het voormalige baggerdepot ontvingen voor deze avond een uitnodiging. In totaal waren 11 omwonenden, de verantwoordelijk wethouder (Wonen), een raadslid en meerdere betrokken ambtenaren aanwezig op de avond. De bijeenkomst was bedoeld om omwonenden te informeren over de laatste stand van zaken van het project en te luisteren naar ideeën voor het ontwerp van de flexwoningen aan de Ruimtebaan. Aangegeven werd hoe de opbrengst van de eerste bewonersbijeenkomst is verwerkt in het 66
Planuitwerkingskader voor de ontwikkeling van de flexwoningen. Het Planuitwerkingskader is in september 2022 vastgesteld door de gemeenteraad. De belangrijkste kaders en uitgangspunten worden toegelicht. Bij de presentatie zijn drie varianten getoond (zie hiervoor bijlage 14, 15 en 16 bij deze onderbouwing) waarover de bewoners hun mening gaven: • Variant A heeft niet de voorkeur. • Variant B heeft ook niet de voorkeur, vanwege een negatief effect op de privacy. • Variant C heeft een grote voorkeur (unaniem). Besloten werd dat variant C verder wordt uitgewerkt. Participatie via DoeMee Rond de bewonersbijeenkomst is ook het online participatieplatform DoeMee ingezet om te informeren en reacties op te halen. Op https://doemee.zoetermeer.nl/afgerond/2022/flexwonenruimtebaan/default.aspx is hierover een en ander terug te lezen, net als het participatieverslag van de bijeenkomst in april 2022. Inrichting openbaar gebied Tijdens de tweede bewonersbijeenkomst in december 2022 is aan de aanwezigen gevraagd wie er geïnteresseerd is in het meedenken over de inrichting van het openbaar gebied. Twee aanwezigen hebben zich hiervoor opgegeven en met hen is in september 2023 overleg gevoerd over dit thema. Bovendien is de situatie ter plaatse bekeken met aanwonenden en specialisten van de gemeente.
Dit overleg heeft erin geresulteerd dat er naast het inrichtingsplan voor het plangebied van het project ook een plan ligt voor het verwijderen en opnieuw aanplanten van openbaar groen in de directe omgeving van het plangebied (het Conferencepad).
9.3
Bestuurlijk vooroverleg
Ten behoeve van het project flexwonen is, voorafgaand aan de aanvraag omgevingsvergunning, ook advies gevraagd aan de volgende instanties: • Provincie Zuid-Holland • Hoogheemraadschap van Rijnland Provincie Zuid-Holland Op 10 januari 2023 is een eerste concept onderbouwing voor de flexwoningen Ruimtebaan naar de provincie Zuid-Holland gestuurd met de vraag of de provincie al aandachtspunten voor de locatie had (vanuit de provinciale omgevingsverordening) die meegenomen konden worden in de planvorming. De punten die de provincie meegaf waren de volgende, waarbij – indien nodig - in schuine tekst de reactie van de gemeente is aangegeven : 1. Compensatie bedrijventerreinen Momenteel heeft de voormalige bedrijfsbestemming. De locatie staat niet op de provinciale kaart van bedrijvigheid waarvoor een compensatieplicht geldt. Compensatie is hier niet aan de orde. 2. Tijdelijk gebruik te behoeve van Flexwonen Ten aanzien van het Flexwonen, het tijdelijk gebruik van deze binnenstedelijke plek nabij station en andere voorzieningen voor woningbouw voor de specifieke doelgroep ‘spoedzoekers, kleine huishoudens, lager inkomen’ vinden wij een positieve ontwikkeling. 67