CConstaterende datZoetermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 18 Omgevingsprogramma Bijlage 3 Nota van beantwoording zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan

Raadsvergadering 14 juli 2025, gemeente ZoetermeerBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling kaderstellende beleidsdocumenten ten behoeve van Omgevingsprogramma Entree47.011 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 6

Naar aanleiding van zienswijzen en het voorlopig advies van de commissie mer is de wegenstructuur aangepast. In de Ontwikkelvisie (uitgewerkt in e het schetsontwerp dat ter kennisname bij de stukken is gevoegd) gaat uit van de gewijzigde wegenstructuur. Ook de onderzoeken zijn uitgevoerd op basis van deze uitgangspunten (zie ook beantwoording zienswijze 3.32.18).

Voor de beantwoording wordt verwezen naar het antwoord onder 2.2.4.

Voor de beantwoording wordt verwezen naar 10.2. In aanvulling daarop over de extra brandvoorzieningen wordt opgemerkt dat eventuele maatregelen die nodig zije laadpalen onderdeel zullen zijn van de (toets op) de omgevingsvergunningen als de concrete uitwerking op plotniveau bekend is.

Voor beantwoording wordt verwezen naar 3.23.5.

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 63

3.36.8

3.36.9

vastgestelde maximaal toegestane 24-uurs waarde. Ook de maandelijks gemiddelde waarden liggen ver boven de door de WHO vastgestelde maximaal toegestane waarden. De conclusie bij deze waarden is dat het langdurig op deze locatie verblijven een risico voor de gezondheid kan zijn. De toename van de verkeersintensiteit door de Entree betekent zonder tegenmaatregelen dat de luchtkwaliteit, niet in de laatste plaats door de toenemende hoeveelheid fijnstof, verder zal verslechteren en in toenemende mate een gevaar voor de gezondheid van de bewoners van de Entree en omliggende wijken zal vormen. Voor de bewoners van de Entree, maar ook voor de investeerders, zou – naast een overkapping langs de A12 - een andere overkapping namelijk van de nieuwe Afrikaweg ook een goede oplossing zijn voor vermindering van geluid en kwalijke stoffen uitstoot. Hierdoor is het volgens indiener tevens mogelijk de hoeveelheid groen enorm te vermeerderen. De leefbaarheid zal hierdoor met enorme stappen verhoogd worden. Voor de investeerders betekent dit dat minder dure oplossingen voor geluidsisolatie en afvangen fijnstof etc kunnen worden gekozen. De Sijtwendetunnel kan als voorbeeld gelden. Indiener is positief over het idee een groene wijk met stedelijke allure te ontwikkelen. Indiener stelt vraagtekens of de ambitie overeenkomt met de geschetste ‘werkelijkheid’ in de plannen.

Indiener heeft grote vraagtekens bij het groen op straatniveau. Groen op straatniveau wordt vooral gevormd door de ‘groene loper’ en het ‘Entreepark’. Indiener denkt dat dit zeer beperkt is gelet op de hoeveelheid bebouwing en (vent)wegen. Veel van het groene karakter komt van groen op hoogte, met name op de daken. De eis van duurzaamheid van de wijk betekent dat minimaal de helft van de daken belegd zal zijn met zonnepanelen. En naar mate er meer woningen komen, de bebouwing in de hoogte stijgt, zal dit neigen tot toenemen van het aantal zonnepanelen op de daken en tegelijkertijd de hoeveelheid dakgroen afnemen. Verder zal het nodige groen aan de binnenzijde van de bouwblokken komen. Indiener verzoekt te voorkomen dat dit alleen voor bewoners toegankelijk is. De onder 36.8 geduide overkapping van de nieuwe Afrikaweg kan volgens indiener een enorme boost geven aan het groen in deze nieuwe wijk. Genoemde overkapping van de A12 biedt groen op parkomvang en bovendien eenvoudige doorsteken naar Rokkeveen, waardoor moeilijke trajecten als zweefbruggen niet meer nodig zijn.

Voor de beantwoording wordt verwezen naar het antwoord onder 3.23.6.

In de nieuwe openbare ruimte van Entree zijn verschillende soorten groen ontworpen. Groen is vooral ontworpen op de plekken in de openbare ruimte waar wordt verbleven of die wordt gebruikt door langzaam verkeer (fiets en voetganger). Alle vormen van groen zijn beleefbaar, maar niet alle groene delen van de openbare ruimte worden ook toegankelijk. De reden hiervoor is dat delen van de groene openbare ruimte een ecologische functie krijgen, die zich niet goed verhoudt tot toegankelijkheid. Dat brengt een ongewenste verstoring met zich mee. Bij het ontwerpbestemmingsplan Entree Midden viel gezonde openbare ruimte onder het rapport ruimtelijke kwaliteit, in het MER behorende bij het Omgevingsprogramma Entree is het meegenomen in de effectstudie Gezondheidsbevordering. In de effectstudie Gezondheidsbevordering, indicator gezondheid/gezonde openbare ruimte komt de invulling en het gebruik van het groen terug. Nieuwe bouwplannen zijn verplicht tot het realiseren van groene binnentuinen. De nieuwe binnentuinen zijn overdag toegankelijk voor iedereen. Wel zal tussen zonsondergang en zonsopkomst de binnentuinen worden afgesloten door middel van een hek. Met betrekking tot groene daken en zonnepanelen, zie het antwoord op 3.32.7 Noch de Afrikaweg, noch de A12 zullen worden overkapt. Zie ook het antwoord onder 3.23.6.

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 64

3.36.10

Indiener heeft twijfels bij de ‘stedelijke allure’. Stedelijke allure is meer dan alleen het neerzetten van hoogbouw. Daar horen ook horeca, terrasjes, sportvoorzieningen e.d. bij om het bijvoorbeeld voor de ‘young professional’ aantrekkelijk te maken hier te wonen. De geboden voorzieningen in dit kader zijn echter te beperkt om deze allure waar te maken. Ruimte voor maximaal 9 horecazaken is bijvoorbeeld erg weinig. Een veelvoud van dit soort voorzieningen is nodig om daadwerkelijk allure te geven.

Het maximaal te realiseren programma voor niet-woonfuncties dient te voorzien in een actuele behoefte, waarbij ook wordt gekeken naar het reeds bestaande aanbod in de omgeving. Voorkomen dient te worden dat onaanvaardbare effecten elders ontstaan door de plannen. Er is een toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking vereist (zgn. Laddertoets). Dit is vastgelegd in artikel 6.10 van de provinciale Omgevingsverordening. Op basis van de uitkomsten van Ladertoets is het maximum oppervlak aan niet woonfuncties, waaronder detailhandel, horeca en sport vastgelegd. Hiermee sluit het plan aan op de behoefte. Indiener wijst specifiek op dat er mogelijk te beperkt horeca wordt gerealiseerd. Het maximum oppervlak horeca is in de Laddertoets bepaald aan de hand van een vraagberekening. Deze vraagberekening is indicatief. Onderscheidende horeca creëert immers een eigen vraag die nauwelijks in modellen te vangen is. De uitkomsten uit de Laddertoets zijn daarmee geen harde wetenschap maar geven wel houvast en inzicht bij de raming van de marktpotentie. De in de Laddertoets opgenomen vraagberekening leidt dus niet tot onaanvaardbare effecten elders. De toegestane horeca is relatief beperkt en ondersteunend aan het grotere woonprogramma en de andere niet-woonfuncties, passend bij de aard van het gebied als ‘levendige verbindingszone’.

Indien blijkt dat op termijn meer horeca gewenst is, dan zullen individuele verzoeken worden getoetst op wenselijkheid, behoefte en de uitgangspunten uit het horecabeleid. De behoerfte aan sport voorzieningen is ook bepaald in de Laddertoets. De gemeente onderschrijft dat voor het realiseren van stedelijke allure, de combinatie van functies voor de diverse doelgroepen (waaronde de ‘young professional’) van essentieel belang is.

3.37 3.37.1

Beantwoording De gewenste vorm van stedelijkheid wordt gedragen door de verbouw van de Afrikaweg tot stadsstraat. Door de gekozen plangrenzen ontbreekt met name in het noordelijk deel van het plangebied de zo gewenste samenhang van twee delen tot een geheel. Daarbij is de transformatie van autonome weg tot stadsstraat lastig en complex en vraagt veel inspanningen om tot een nieuw ruimtelijke geheel te kunnen functioneren. Indiener vraagt daarbij de concurrentie van andere kwaliteitsdragers niet uit te sluiten, zoals de reeks groene hoven en de groende landschappelijke randzones.

In de Ontwikkelvisie Entree en het Beeldkwaliteitsplan Entree is een integrale visie op het gebied opgenomen. Juist de transformatie tot stadsstraat is een belangrijk uitgangspunt en daar zijn verschillende maatregelen voor opgenomen in het Omgevingsprogramma en de bijbehorende stukken. Zo is sprake van een herinrichting van de Afrikaweg, wordt de snelheid verlaagd en zullen de plinten ingevuld worden met een divers programma. Daarnaast is er aan de westzijde van het plangebied een gedeelte aan toegevoegd, die het concept stadsstraat verder zal versterken. Zowel in de Ontwikkelvisie als het Beeldkwaliteitsplan is het uitgangspunt geweest om de ontwikkeling van de gebouwen te ontwerpen in samenhang met de openbare ruimte. Onder andere door de groen-blauwe kraag vormt Entree de

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 65

3.37.2

3.37.3

3.37.4

Door de veelheid aan variabelen in de uitgebreide set spelregels en richtlijnen is volgens indiener wel heel veel mogelijk. Variatie wint aan waarde als duidelijk is op welke schaal verschillen zijn toegestaan dan wel worden verlangd. Verschillende bouwhoogten, diversiteit in architectuurstijlen tot op de korrel van de panden leidt ogenschijnlijk tot een stedelijk beeld; een decor van niet-waargemaakte ambities. Hoe stabiel is de voorgestelde architectonisch ruimtelijke diversiteit als drager voor ruimtelijke kwaliteit?

Deze jaren van voorbereiding, onderzoek en ontwerp omvatten al meer dan een college-periode. 15 jaar realisatie zal een sterke wissel trekken op continuïteit van de personele bezetting van ontwerpteams, Q-team, projectleiding en beleid. Wie wil zich daar als persoon aan verbinden? Breed gedragen documenten zoals een BK-plan zijn niet alleen waardevol voor de startfase, maar evenzeer voor de veel langere fase van exploitatie. Het project moet vele tientallen jaren mee, worden beheerd en goed onderhouden en dan is de vraag of de nu ingezette ambitie niet te hoog is. Indiener vraagt of de voorstellen voor beeldkwaliteit niet teveel ingaan op het eerste effect van realisatie? Wat volgens indiener wordt gemist in de omschrijvingen van beeldkwaliteit is het reageren op fysieke aspecten. Bouwen ter weerszijde van voorheen de Afrikaweg moet gezien de te verwachte geluidsbelasting leiden tot het specifiek reageren van gevels op oriëntatie van licht, bezonning en geluid. De bijgevoegde afbeeldingen van architectonische referenties zijn

verbinding tussen verschillende parken in de omgeving; Arianepark, Westerpark, Bossenpark en Willem Alexanderplantsoen. Hiermee zijn de door indiener ‘groene hoven en groene landschappelijke randzones’ geborgd. Het gaat hierbij dus om het versterken van deze groene zones, in verbinding evenals in gebruik. Mede naar aanleiding van zienswijzen zijn de stedenbouwkundige en progranmatische kaders en uitgangspunten geactualiseerd en verrijkt en (als zodanig) verwerkt in de Ontwikkelvisie. Door middel van doelen, essenties en principes en een spelregelkaart met rooilijn, hoogten en hoogteaccenten wordt een helder en eenduidig kader geschetst. Deze zijn ook vertaald in beleidregels. Zoetermeer heeft voor de welstandstoets een Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) die tevens de rol van monumentencommissie heeft. Daarnaast is er de Stadsbouwmeester met een adviserende rol, met name over de grotere ontwikkelingen in Zoetermeer. Voor Entree is door de gemeente een Q-team (kwaliteitsteam) in het leven geroepen. Het Q-team vormt de spil in de kwaliteitsborging en zorgt voor continuïteit in de advisering richting de CRK. Het is de CRK die het advies van het Q-team uiteindelijk bekrachtigt als een advies aan het college van burgemeesters en wethouders. Hierbij blijft vanwege de lange looptijd wel enige flexibiliteit nodig om in te spelen op ontwikkelingen. Die wordt ook geboden.

Het kan voorkomen dat inzichten wijzigen, naar aanleiding van uitwerking van de bouwblokken, of simpelweg door omstandigheden wijzigen (wettelijke normen, materialen e.d.). Het Q team kan in goed overleg een afwijking op de uitgangspunten honoreren omdat die een betere bijdrage levert aan de omschreven doelen voor Entree. In dat licht is het ook van belang te monitoren of de gestelde kaders van de Ontwikkelvisie en in het bkp bijgesteld moeten worden. De gemeente onderschrijft het beeld van indiener dat breed gedragen documenten waardevol zijn. De nu opgenomen kaders voor de ontwikkeling van Entree worden gevormd door de Ontwikkelvisie en het Beeldkwaliteitsplan. Deze documenten bieden eenduidige en heldere kaders voor de gehele duur van de gebiedsontwikkeling. Het is niet mogelijk maar ook niet wenselijk om een (uitwerking van een) ontwikkeling als Entree aan aan individuele personen te verbinden.

In de Ontwikkelvise en het Beeldwaliteitsplan zijn de kaders en uitgangspunten voor de ontwikkeling van Entree geactualiseerd en verrijkt. In deze documenten, en bijgaand MER, is rekening gehouden met de aspecten geluid en bezonning.

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 66

zo verschillend en divers, dat bijna alles mogelijk lijkt. Hoe staat het met ‘dove’ gevels en hun bijdrage aan de kwaliteit van de openbare ruimte? Tot slot heeft integrale beeldkwaliteit anno 2022 ook te maken met de circulariteit van bouwmaterialen cq gebouwonderdelen; tot in welke mate heeft deze optiek de richtlijnen en spelregels beïnvloed?

De geluidbelasting in Entree is hoog, in de architectonische uitwerking zal hier dan ook rekening mee gehouden moeten wordnen, Hiervoor zijn diverse maatregelen denkbaar, onder andere door akoestisch te ontwerpen. Zie ook paragraaf 8.7 Gezonde Leefomgeving van de Ontwikkelvisie en het Beeldkwaliteitsplan voor een architectonische vertaling. Voornoemde maatregelen zijn onderdeel van de advisering/toetsing van het Qteam, de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) en de Stadsbouwmeester op individuele plots. Met betrekking tot circulariteit zie paragraaf 8.6 van de Ontwikkelvisie.

3.37.5

3.37.6

Met voorheen de Afrikaweg als drager valt op dat het noordelijk deel van EntreeMidden zich anders voordoet cq ontwikkelt dan het deel gelegen ten zuiden van de koppeling van Meerzichtlaan met de Van Leeuwenhoeklaan. Op dat resterend deel is bijna het gehele programma geprojecteerd en dat leidt volgens indiener tot het beeld van onevenwichtigheid. Het profiel van de nieuwe Afrikaweg is niet over de gehele lengte de drager van het geheel en daarmee is ingeboet op de samenhang binnen Entree. Binnen alle doelstellingen, richtlijnen en spelregels worden veel aspecten genoemd en met tekeningen en beelden geïllustreerd. Niet overal worden argumenten gehanteerd en dat leidt voor indiener tot vragen over essentiële afspraken, die tot maat en schaal leiden. Waar komen de gehanteerde bouwhoogten vandaan en waarom worden zij binnen Entree gebruikt? Daarnaast valt op dat grote hoogteverschillen tussen naast elkaar gelegen panden worden gestimuleerd; waarom is een harmonieuze blok/plot opbouw eigenlijk verboden?

3.38 3.38.1

Doordat de brandweerkazerne niet gerealiseerd wordt in Entree is ruimte ontstaan om het plangebied uit te breiden. Dit is gedaan door het toevoegen van West 8. Daarmee ontstaat een evenwichtig geheel aan zowel oost- als westzijde van de Afrikaweg. In het Omgevingsprogramma is opgenomen op welke wijze het programma is verdeeld over de verschillende plots.

Met de actualisatie en verrijking en naar aanleiding van zienswijzen zijn de bouwhoogte en de hoogte van accenten aangepast en nauwkeurig door middel van een Spelregelkaart met regels voor elk stedelijk bouwblok aangegeven. Daarbij is aangegeven hoe Entree zal inspelen op het accentueren van de belangrijkste routes en op haar omgeving In de Ontwikkelvisie in paragraaf 4.2 is dit nader toegelicht.

Beantwoording In het bestemmingsplan wordt genoemd een oppervlakte voor woning e.d. van tenminste 78m2. Indiener is van mening dat genoemde maat vermeld in de exploitatiebegroting gehandhaafd moet worden voor de geplande sociale huur en levensloopbestendige woningen. Zeker voor levensloopbestendige woningen waar een bovengemiddelde kans bestaat op rolstoelgebruik e.d. van de bewoners, dient de gebruiksruimte waaronder de bad- en toiletruimte, voldoende te zijn om te kunnen manoeuvreren en het voertuig te stallen. Ook als er mantelhulp vereist zou zijn dient een dergelijke woning, we spreken dan ook over ouderen, voorzien te zijn van 3 kamers. Indiener wil in ieder geval de minimale maat zoals hiervoor genoemd, als minimum standaard vastgesteld zien.

In het Raadsvoorstel (Her-)programmering Entree van 8 juli -2024 (2024-072573) wordt uitgegaan van een gemiddelde woninggrootte vanvan 85-90 m² bvo. Deze gemiddelde woninggrootte betekent echter niet dat elke woning een door de indiener gevraagde woningoppervlakte van 78 m2 heeft. Er is uitgebreid onderzoek gedaan naar verschillende doelgroepen, inkomensgroepen, betaalbaarheid en haalbaarheid. Dit betekent dat er een grote diversiteit aan woonproducten met daarbij behorende fucnites zal worden nagestreefd, voor jong en oud. Daarbij wordt in voldoende mate voorzien in levensloopbestendige woningen.

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 67

3.39 3.39.1

Beantwoording Indiener wordt door de plannen in zijn persoonlijke belangen geschaad gezien het verlies van uitzicht en bezonning door toekomstige hoge bebouwing. Het uitzicht van indiener verandert door de beoogde hoogbouw in behoorlijke mate, vooral de genoemde hoogbouw “B” en “C” van 90 meter zijn onevenredig hoog en beïnvloeden het uitzicht in negatieve zin. In 2014 heeft indiener ook een zienswijze ingediend naar aanleiding van de toenmalige plannen omdat er een hoge toren recht voor het uitzicht van indiener gepland was. Hierop is op 26-05-2015 door de gemeenteraad een aanpassing gedaan, door de maximale bouwhoogte te verlagen naar 42 meter. Wat indiener echter opvalt in het nieuwe bestemmingsplan is dat de gebouwen A een maximale hoogte mogen hebben van 50 meter (dus 8 meter hoger). Dat zal volgens indiener minimaal omlaag moeten worden gebracht naar 42 meter. De hoogte van de geplande torens B en C zou indiener omlaag willen zien naar maximaal 32 meter hoogte. (Gelijkgetrokken met de overige maximale hoogte van 32 meter langs de oostzijde van de Afrikaweg) Zo is de impact op het uitzicht een stuk minder. Dit geldt ook (met name) voor bewoners van de flat Noorderbosch en Molenwijk. In het bestemmingsplan staat bij de gebouwen D (aan de westzijde van de Afrikaweg) een maximale bouwhoogte van 32 meter.

Op een foto van de maquette lijken de gebouwen D echter een stuk hoger te zijn. Een maximale bouwhoogte van 32 meter is volgens indiener acceptabel. Verder merkt indiener op dat de beoogde wolkenkrabbers aan weerszijde van het station wel erg hoog zijn met een maximale bouwhoogte van 90 meter en 120 meter. Indiener vraagt of het echt nodig is om in Zoetermeer een aanblik zoals Manhattan te creëren?

3.40

Ten aanzien van het aspect bezonning wordt verwezen naar het antwoord onder 2.1.1. Ten aanzien van het aspect uitzicht wordt verwezen naar het antwoord onder 2.2.1. Met de actualisatie en verrrijking en naar aanleiding van zienswijzen is de hoogte van de accenten aangepast.

Beantwoording Als mede-eigenaar van een aantal woningen op de Stadhoudersring op de nummers 12, 14, 18, 26, 34, 36, 38, 54, 56, 62, 68, 86, 90, 92, 94, 112, 120, 126, 132, 136, 142, 148, 152, 158, 162, 166, 170, 174, 176, 178, 186, 206, 208, 234, 252, 262, 268, 278, 269, 302, 320, 338, 356, 360, 368, 378, 384, 432, 438, 456, 466, 510, 516, 520, 528, 534, 538, 550, 560, 562, 570, 578, 588, 602, 610, 614, 620, 628, 646, 648, 654, 656, 672, 674, 680, 682, 684, 694, 698, 720, 726, 728 en 736 wil indiener u graag op de hoogte stellen van zijn en de aan hem gemelde zorgen over de huidige plannen voor ‘De Entree’. Van de woningen die indiener aan de Stadhoudersring verhuurt, bevindt zich een flink aandeel in de sociale huursector.

Onderstaand is per specifiek onderdeel van de zienswijze een reactie opgenomen.

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 68

3.40.1

De zorgen betreffen met name de aantasting van het groene uitzicht vanuit de flat, de mogelijk effecten op de bezonning en de lichtinval. Op basis van de vigerende plannen verwacht indiener dat het groene uitzicht, waarvan de bewoners van de Stadhoudersring op dit moment profiteren, in ernstige mate zal worden aangetast zodra De Entree zal zijn gebouwd. Daarnaast betreffen de zorgen de bezonning en de lichtinval om- en in genoemde woningen. Een dergelijke aantasting op het leef-en wooncomfort acht indiener zeer onwenselijk en bovendien zorgelijk. De analyse in de MER lijkt geen recht te doen aan de belangen van de huidige bewoners. Weliswaar neemt de hoeveelheid groen met de bouw van De Entree mogelijk niet af, maar met het aangepaste uitzicht wijzigt de ervaring ervan in elk geval wel zeer drastisch.

Ten aanzien van het aspect bezonning wordt verwezen naar het antwoord onder nr. 2.1.1.

3.40.2

Ten aanzien van de bezonning is de eis van indiener aan de verantwoordelijken tenminste de strenge TNO richtlijn voor de woningen op het bovenstaande adressen te respecteren en te borgen. Bovendien verzoekt indiener om deze richtlijn als uitgangspunt te nemen bij het bouwontwerp en de bouwrealisatie van De Entree.

Ten aanzien van het aspect bezonning wordt verwezen naar het antwoord onder nr. 2.1.1

3.40.3

Ten aanzien van het groen wil indiener benadrukken dat de gemeente Zoetermeer de positieve effecten van groen op haar bewoners in het oog houdt. Het wijzigen van een groen karakter heeft mogelijk gevolgen op de zorg die haar bewoners nodig hebben.

De gemeente beaamt de positieve effecten van groen op het welzijn van haar bewoners. Dit vormt dan ook een belangrijk aspect bij zowel de openbare ruimte als de inrichting van de binnentuinen in de planvorming van Entree.

3.41 3.41.1

Ten aanzien van het aspect uitzicht wordt verwezen naar het antwoord onder nr. 2.2.1.

Beantwoording Deze zienswijze betreft de zienswijze 2.

Voor de beantwoording wordt verwezen naar het antwoord onder 2.2.

3.42

Beantwoording Algemeen

3.42.1

Indiener vindt het een prima plan om in het gebied tussen het Bredewater en de Boerhavelaan een nieuwe woonwijk te doen verrijzen. Er is helaas (nog) geen concreet stedenbouwkundig plan. Het ontwerpbestemmingsplan schetst alleen de globale ruimtelijke contouren. De gemeente ontwikkelt straks de openbare ruimte. Dit wordt in grote lijnen zichtbaar in het Structuurontwerp Openbare Ruimte. Maar ook dat geeft nog maar een globaal inzicht in de mogelijkheden en intenties. Veel van de feitelijke invulling van de bouwvlakken wordt doorverwezen naar de afspraken die met de verschillende ontwikkelaars moeten worden gemaakt en de toetsing daarvan. De plannen en ontwerpen die zij voor hun deel van het gebied zullen maken en realiseren, bepalen uiteindelijk of ambities ook waargemaakt worden. Het bestemmingsplan biedt daarvoor maar beperkt houvast en borging. Deze aanpak stelt indiener niet gerust en

Met de actualisatie en herijking en naar aanleiding van zienswijzen zijn de Ontwikkelvisie en het Beeldkwaliteitsplan Entree gemaakt. Deze documenten dragen samen zorg voor een samenhangend ontwerp voor de gebouwde en openbare ruimte. De Ontwikkelvisie en het Beeldkwaliteitsplan tesamen zorgen voor een helder en eenduidig kader voor de gehele gebiedsontwikkeling voor lange termijn. De keuzes die voor Entree worden gemaakt sluiten aan bij de thema’s en keuzes van het Programma Zoetermeer 2040. De relatie van Entree met de omliggende wijken komt tot uitdrukking in met name de dwarsverbindingen in Entree. In Oost-West richting zullen Driemanspolder en Meerzicht via Entree veel beter toegankelijk met elkaar worden verbonden. Voor

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 69

3.42.2

maakt bovendien een goede beoordeling van het nu voorliggende globale ontwerpbestemmingsplan lastig. Daar komt nog bij dat wat er wel in de stukken staat vooral is gericht op het plangebied Entree Middengebied zelf. De relatie van de ingrijpende ontwikkeling met de aangrenzende buurten krijgt veel minder aandacht. Dit staat volgens indiener in schril contrast met de intenties en doelstellingen die in de Strategische Agenda Zoetermeer 2040 is opgenomen om toe te werken naar een gedragen plan met samenhang tussen de bestaande wijken en de Entree. Dit betekent dat het Entreegebied gedurende de ontwikkeling zou moeten bijdragen aan het mogelijk maken van transformaties van de aangrenzende wijken. Indiener ziet hiervan in de planontwikkeling zoals die nu ter visie ligt, nog weinig terug. Omvang van de wijk

deze twee wijken wordt Entree een verbinding (en een bestemming) in plaats van een barrière. De ontwikkeling van Entree is afgestemd op de Ruimtelijke Strategie Zoetermeer 2040.

In de bij het ontwerpbestemmingsplan behorende milieueffectrapportage en bijlagen worden meerdere aantallen woningen en oppervlaktes genoemd. Zo wordt waarschijnlijk per abuis de totale woningbouwopgave van de regio (230.000 woningen) aan Zoetermeer toegerekend. Ook krijgt de planvariant maximale opnamecapaciteit 6.300 woningen toebedeeld. Een onderbouwing waarom dit de maximale opnamecapaciteit zou zijn heeft indiener niet kunnen vinden. Verder krijgt deze variant - ook zonder nadere onderbouwing - aanzienlijk minder oppervlak aan voorzieningen. Deze maximale variant strookt niet met de uitgangspunten voor de Entree waar juist combinatie van functies en voorzieningen, wonen, werken en beleven een belangrijke ambitie is. Meer woningen zou dan in feite een minder volledige wijk kunnen betekenen. Bovendien rijst de wijk dan echt de pan uit.

De woningbouwopgave van Zoetermeer van ruim 10.000-16.000 woningen zal grotendeels gerealiseerd zal worden in Entree. Zoals vastgesteld in het raadsbesluit Herprogrammering van juli 2024 worden in het MER twee varianten onderzocht: Het minimale alternatief van 6.250 woningen, 40.000 m2 bvo kantoren, 20.000 m2 bvo bedrijfsfuncties en 35.000 m2 bvo maatschappelijke voorzieningen; Het maximale alternatief van 7.250 woningen, 50.000 m2 bvo kantoren, 40.000 m2 bvo bedrijfsfuncties en 45.000 m2 bvo maatschappelijke voorzieningen. Met betrekking tot het maximale alternatief nog de notie dat deze bestaat uit de maximale benutting van de bandbreedtes van elk van de programmaonderdelen. Het stedenbouwkundig model biedt niet de ruimte om op elk programmaonderdeel de maximale invulling te realiseren. Er zal sprake zijn van communicerende vaten: bijvoorbeeld meer woningen heeft als gevolg dat er minder ruimte overblijft voor niet-woonfuncties. Door in het maximale alternatief de maximale benutting op elk programmaonderdeel als uitgangspunt te nemen voor de onderzoeken, kan met zekerheid gezegd worden dat voor elk programmaonderdeel ook het worst-case scenario is onderzocht en beoordeeld.

3.42.3

In het luchtkwaliteitsonderzoek worden volgens indiener weer andere cijfers gebruikt. Daarin worden op de smalle strook met een oppervlakte van nog geen vierkante kilometer tussen 9.000 tot maximaal zelfs meer dan circa 11.000 woningen als

De combinatie van voorzieningen komt met name tot zijn recht in de stadsstraat. Het doel is om de Afrikaweg te transformeren tot een aangename, levendige stadsstraat, de ‘ruggengraat’ van het plan. Gebouwen krijgen adressen aan de straat en bij de inrichting krijgen verblijfs- en langzaam verkeer prioriteit. Voor het planMER is een nieuwe effectstudie luchtkwaliteit uitgevoerd op basis van de twee planvarianten. In paragraaf 4.1 van MER deel B- deelrapport Luchtkwaliteit is de onderzoeksmethodiek nader toegelicht.

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 70

3.42.4

mogelijkheid genoemd (zie Tabel 1.1. Mogelijkheden masterplangebied). Ook worden her en der verschillende cijfers gebruikt voor het aantal mensen per huishouden: 1,6, 1,9, 2,2. Hierdoor is er geen consistentie in de verschillende onderzoeken en onderbouwingen. Dit laat een onzorgvuldige indruk achter. De verwachting van indiener is dat met name voor de Randstad de groei in huishoudens en de vraag naar woningen aanmerkelijk lager kan uitvallen (tot 20%). De specifieke woningbouwopgave voor geheel Zoetermeer wordt beleidsmatig onderbouwd in de Laddertoets. Daarbij wordt de prognose Primos 2021 als leidraad genomen. Deze prognose voor 2030 ligt met 8.750 woningen beduidend hoger dan de prognoses uit de jaargangen 2019 en 2020. Gezien de actuele economische en maatschappelijke ontwikkelingen is hier volgens indiener ook wel wat op af te dingen. Daarbij kan worden gewezen op de effecten van een overspannen woningmarkt en de toenemende suburbanisatie en verhuizingen vanuit de Randstad naar andere landsdelen. Deze trends worden versterkt door de toename van het thuiswerken. Ook zal het sterk veranderende economische klimaat invloed krijgen op de vraag.

Als gevolg van de herprogrammering is een nieuwe Laddertoets uitgevoerd. Deze is als bijlage bij het Omgevingsprogramma toegevoegd. In de Laddertoets Entree Zoetermeer is onderzoek gedaan naar de behoefte aan woningen. Om een volledig beeld van de huishoudensontwikkeling (en woningvraag) in het verzorgingsgebied te krijgen, zijn verschillende prognoses van de afgelopen jaren naast elkaar gelegd. Er is gekeken naar de CBS migratiecijfers voor verhuizingen, de woningvraag in de gemeente Zoetermeer tot 2040, Primos prognoses van 2023 en 2024, het woningtekort in de regio Den Haag en naar de verwachte huishoudensontwikkeling. Om te bepalen of de boogde woningen in het plan kunnen voorzien in een behoefte, is de additionele woningvraag met de harde plancapaciteit geconfronteerd en is de behoefte in beeld gebracht voor de periode tot en met 2040. Door vraag en aanbod te confronteren, is te zien dat er in de marktregio een totale kwantitatieve behoefte bestaat aan circa 7.230 woningen t/m 2040. In het plan Entree zijn maximaal 7.250 woningen gepland, wat dus goed aansluit aan de totale kwantitatieve behoefte in de marktregio.

3.42.5

Indiener dringt aan op het afzien van de wijzigingsbevoegdheid voor het college en het begrenzen van het aantal woonheden tot een maximum van 4.500. Tegelijkertijd is volgens indiener een integrale aanpak noodzakelijk om de nieuwe wijk goed te kunnen verbinden met de omliggende buurten. Voor Zoetermeerse begrippen gaat de Entree een extreme woningdichtheid kennen. Indiener stelt de vraag of de gewenste en noodzakelijke kwaliteiten en voorzieningen van een Zoetermeerse wijk en de activiteiten van zoveel nieuwe bewoners nog in een dergelijke schaalgrootte passen. De plannen geven - hoewel beperkt - inzicht in de stedenbouwkundige kwaliteit van de gebouwen en de omgeving. Maar aan de kwaliteit van leven en samenleven wordt volgens indiener nog nauwelijks aandacht besteed. In de stukken is een indicatief programma opgenomen om voorzieningen in de Entree te vestigen of elders uit te breiden. Daar wordt echter geen concrete aanpak en realisatie aan verbonden. Het gaat in de Entree niet om een enkele woontoren, maar om een hele ‘familie’ van vrijwel aaneengesloten hoogbouw en torens. Met de Entree wordt de toon gezet voor

De thans bekende cijfers (en daarmee ook de actualisatie ten opzichte van de eerdere laddertoets) geven geen onderbouwing van de verwachting van indiener dat de groei zal afnemen in de randstad. Ten aanzien van het aspect Programmering wordt verwezen naar het antwoord onder nr. 2.2.6.

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 71

nieuwe hoogbouw in Zoetermeer. Dat vraagt niet alleen om een nieuwe visie op hoogbouw en ruimtelijke ontwikkeling, maar volgens indiener ook om een sociologische benadering (community building). Het vraagt niet alleen om een plan voor de wijk, maar om een integrale aanpak, inclusief een visie en aanpak voor de directe omgeving, de bestaande buurten van Meerzicht en Driemanspolder. Die visie ontbreekt (nog). De woningbehoefte is groot. Maar het is de vraag of een verdichting op deze schaal daarvoor de oplossing kan bieden. Dan wel dat daarmee een nieuw probleem wordt geïntroduceerd in de concurrentie op het benutten van de beperkt beschikbare ruimte en voorzieningen. Bouwhoogte in relatie tot de omgeving 3.42.6

Bij het vigerende bestemmingsplan ‘Afrikaweg en Omgeving’ is voor de toegestane bouwhoogte op de kop van het Bredewater de zogenoemde '30°-regel' toegepast. Bij de procedure bij de Raad van State in 2006 is dit aspect expliciet aan de orde geweest en valide bevonden (Uitspraak van 8 maart 2006, nummer 200502156/1). Geconstateerd werd dat door de 30°-regel er een geleidelijke opbouw van de hoogte is gegarandeerd. Indiener gaat ervan uit dat deze regel ook nu wordt toegepast voor de visuele aansluiting van de Entree op de Waterbuurt op dit punt. Indiener maakt zich met name zorgen over het contrast met de laagbouw van de Waterbuurt. Hier ontstaat een behoorlijke discrepantie

In het bestemmingsplan “Afrikaweg en Omgeving’ is de toegestane bouwhoogte op het gedeelte tegenover de zuidoostelijke hoek van de Waterbuurt rechtstreeks in het bouwvlak opgenomen. Daarbij is indertijd de 30-graden als vuistregel gebruikt. In het Omgevingsprogramma Entree wordt dezelfde rechtstreekse regeling toegepast, namelijk het direct weergeven in bouwhoogtes in plaats van de toepassing van de 30 of de 45 gradenregeling. Deze rechtstreekse hoogtes zijn weergegeven in de Spelregelkaart. De bouwhoogtes op de betreffende locatie (het gedeelte Entreepoort) passen binnen eerder gestelde hoogtematen. De bouwhoogtes voor Entree zijn tot stand gekomen op basis van een integrale afweging op aspecten zoals bezonning en de impact op privacy op de bestaande woningbouw. De maximale bouwhoogtes aan de zijde van de Waterbuurt, te weten basishoogte van 17 meter en een viertal accenten van 35 meter, zijn direct in de Spelregelkaart verwerkt. Het bezonningsonderzoek (dat is opgenomen als bijlage van het Omgevingsprogramma Entree) toont aan dat de nieuwbouw van Entree wel impact heeft op de bezonningsduur op de gevels van de woningen in de Waterbuurt, maar dat de bezonning ter plekke ruimschoots binnen de toepassing van de lichte TNO-norm blijft.

Daarnaast wordt de impact op het gevoel van de privacy gezien de afstand van 4355 meter ten opzichte van de bestaande bebouwing als aanvaardbaar geacht. Dit gaat ook op ter plekke van de vier accenten, die tevens nog 2,5 meter terugliggen. Bovendien grenzen de meeste woningen in de Waterbuurt met hun kopgevel aan Entree, waardoor het aspect van privacy minder speelt.

3.42.7

De belangrijkste hinder door intensieve hoogbouw treedt op voor de aspecten licht, geluid, privacy en wind. De ‘mogelijke’ windhinder kan volgens het milieueffectrapport worden gemitigeerd door voldoende afstand tussen de hoge bebouwing. Het wordt

Ten aanzien van het aspect wind wordt verwezen naar het antwoord onder nr. 3.25.1.

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 72

3.42.8

3.42.9

3.42.10

echter niet duidelijk hoeveel die afstand dan moet zijn. Sterker nog: dat moet kennelijk per locatie in relatie tot de bouwhoogte worden bekeken. Op voorhand wordt geconcludeerd dat het effect daarmee neutraal wordt. Indiener vindt dit een vreemde gang van zaken. Met het bekijken alleen is het probleem niet opgelost en bovendien gaat het in de Entree immers niet om afzonderlijke gebouwen, maar om een hele wijk met intensieve hoogbouw. Vooral tussen gebouwen in kan een windtunneleffect ontstaan en de hoogteverschillen kunnen wervelingen veroorzaken. Op de stadstraat Afrikaweg treedt mogelijk een ‘urban canyon’ effect op. Het kan niet anders of het aspect windhinder moet ook voor het gehele ensemble worden beschouwd. Er zijn technische mogelijkheden genoeg om de effecten via een windklimaatonderzoek te onderzoeken. Indiener vindt het onjuist dit zonder meer naar een toetsing per object door te verwijzen en zo doende de uiteindelijke afstemming en oplossing aan anderen over te laten. Hetzelfde geldt volgens indiener voor de (slag)schaduwwerking (schaduwkegels) van de hoogbouw en de woontorens. Het betreft verschillende hoogbouwobjecten en woontorens over een aaneengesloten grote lengte. Indiener is het niet eens met de regels dat ook op dit aspect elk gebouw en elke toren afzonderlijk moet worden beoordeeld, waar nu al maximale hoogtes worden aangegeven.

Daar komt nog bij dat door de schaduwwerking voor de woningen langs het Bredewater en direct daarachter het rendement van aanwezige en toekomstige zonnepanelen behoorlijk kan afnemen. Vooral in de periode dat de zon laag is en het energieverbruik hoog. Dit kan een betaalbare en succesvolle energietransitie in de weg staan. Indiener deelt de conclusie niet dat er als gevolg van de transformatie van de Entree geen negatieve effecten te verwachten zijn op de omgeving, zoals deze in het milieueffectrapport is verwoord. Het zijn volgens indiener misschien geen effecten die de plannen onmogelijk zullen maken, maar wel punten om serieus te nemen en er wat mee te doen. Verkeersafwikkeling Het uitgevoerde verkeersonderzoek voorziet feitelijk alleen problemen bij de aansluiting op de A12 vanuit Rokkeveen en de aansluitingen van de Meerzichtlaan en Van Leeuwenhoeklaan op de Afrikaweg. Deze kunnen volgens de onderzoekers met extra of verlengde rijstroken worden opgelost. Indiener is van mening dat dit onvoldoende is en dat er - zonder aanvullende maatregelen – grote problemen voor de doorstroming en verkeersveiligheid zullen ontstaan. Op alleen al de Afrikaweg met ventwegen is een groei van het aantal verkeersbewegingen met meer dan 25.000 per etmaal voor een deze ontwikkeling niet ondenkbeeldig.

Dat is het extra verkeer dat wordt gegenereerd door de ruim 10.000 bewoners en ook door de bezoekers van de plintgebouwen en voorzieningen en de gebruikers van het openbaarvervoer. Het wordt dus veel drukker dan in de huidige situatie. In het verkeersmodel wordt met een veel mildere groei gerekend. Het

Ten aanzien van het aspect bezonning wordt verwezen naar het antwoord onder nr. 2.1.1.

Zie beantwoording zienswijze 3.32.18

  

Doorstroming Afrikaweg, Bredewater en Boerhaavelaan: zie antwoord 3.23.1 en 3.32.18 Sluipverkeer via ventwegen: zie antwoord 3.23.2 en 3.32.15 Doorstroming aansluiting A12: zie antwoord 3.11.2

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 73

3.42.11

drukkere verkeer wikkelt zich niet alleen af op de Afrikaweg maar vooral ook via de omringende wegen. Op het middendeel van de Afrikaweg zijn twee gelijkvloerse oversteken voor langzaam verkeer gepland om beide delen van de nieuwe wijk beter te verbinden. Deze oversteken bestrijken drie of vier rijstroken per rijrichting, aangevuld met de oversteek van de parallelwegen. Samen ruim 60 meter. Zelfs met een knip in het midden levert dit een lange roodfase voor het wegverkeer op en bovendien lange wachttijden voor de overstekers om de vaart op de wegvakken er toch in te kunnen houden. Oversteekbewegingen en roodfases kunnen tevens nog worden beïnvloed door de prioritering van de lijnbussen. De ongelijkvloerse kruisingen zijn hierdoor nadelig voor de doorstroming en risicovol voor de verkeersveiligheid. Vooral voor voetgangers die slechter ter been zijn, zijn de oversteken te lang en de lange wachttijd kan ongeduldige acties in de hand werken, met alle gevolgen van dien. In het voortraject is toegezegd voor de oversteek een praktijkproef uit te voeren. Over dit onderzoek en resultaten en conclusies vind indiener niets terug. Indiener vindt het dan ook prematuur dat in het milieueffectrapport het effect op de verkeersveiligheid positief kan worden beoordeeld. Het positieve beeld van de uitgevoerde computersimulatie strookt ook niet met de eigen waarnemingen van indiener.

Ook in de huidige situatie is de kans op verstoringen groot, zo dicht bij de A12. Indiener is van mening dat de werkelijke gevolgen voor het verkeer op de Afrikaweg worden onderschat en twijfelt sterk over de invoerparameters van de uitgevoerde onderzoeken en simulaties. Op de drukke toptijden (vooral in de ochtend- en avondspits) kunnen door de verkeersdosering op de A12 lange wachtrijen optreden. Die zullen ook een doorwerking hebben op doorstroming op de verschillende kruispunten op de Afrikaweg. De simulatie gaat bovendien ervan uit dat een behoorlijke hoeveelheden motorvoertuigen gebruik zullen gaan maken van de parallelwegen (ventwegen), met name die aan de zijde van Driemanspolder. Daarin zit het risico voor sluipverkeer en een belangrijk conflictpunt met het tweezijdig fietsverkeer langs deze ventwegen. Daarnaast treedt bij filevorming op de A12 een direct effect op voor de Afrikaweg. Er zal dan langdurige file ontstaan en het leefklimaat van de nieuwe bewoners en bezoekers langs de stadsstraat danig kunnen verzieken. Dit zal gezien de drukte op de A12 en de optredende gebeurtenissen regelmatig voor komen. Indiener denkt dat nader onderzoek en maatregelen noodzakelijk zijn. Indiener maakt zich grote zorgen over de toekomstige verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid in relatie tot de beschreven maatregelen. Vooral op de wegen in de randen van het bestemmingsplan.

De gepresenteerde cijfers zijn volgens indiener een onderschatting van de situatie die werkelijk kan optreden. Een nader onderzoek naar mogelijke varianten voor de verkeersafwikkeling en de daarop te nemen maatregelen is noodzakelijk. Indiener onderbouwt dit als volgt.

De verkeersdrukte op de A12 vormt geen beletsel voor Entree. Uit de effectstudie Verkeer blijkt dat Entree nauwelijks extra verkeersdruk op de A12 genereert. Dit komt deels door een lagere snelheid op de Afrikaweg (van 70 naar 50 km/u) en de gelijkvloerse oversteken. Het wordt daardoor minder aantrekkelijk om via de Afrikaweg te gaan rijden. Verder is bij de verkeersmodelberekeningen voor Entree rekening gehouden met flankerend beleid, zoals een doorgetrokken HOV/BRT-lijn vanuit Leiden over de Afrikaweg, realisatie van een fietsroute langs de Afrikaweg over de A12 richting Rokkeveen en een gemiddeld lagere parkeernorm van 0,8 per woning. Dit komt overeen met het autobezit in Stadshart. Daarmee neemt het autoverkeer dus beperkt toe. De gebruikte verkeersmodellering in de verkeersonderzoeken door Goudappel Coffeng zijn op uitgangspunten/parameters en uitvoer gecontroleerd door twee verkeersbureaus DTV en GraaffTraffic. Er is derhalve sprake van een robuust onderzoek.

Voor Bredewater en Boerhaavelaan: Zie beantwoording zienswijze 3.32.13. Voor verantwoording van de cijfers zie beantwoording zienswijze 3.32.18 en 3.42.10. Voor ventwegen Afrikaweg: zie beantwoording zienswijze 3.23.2 en 3.32.15.

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 74

Aan de gevolgen van de gewijzigde situatie voor de onderliggende wegen wordt volgens indiener te weinig aandacht besteed. De bereikbaarheid voor de nieuwe appartementen en de ondernemers in de plint zal zich vooral via Bredewater en Boerhavelaan afwikkelen. De ontwikkeling van deze verkeersbewegingen kan ook het verkeersaanbod op de Afrikaweg behoorlijk beïnvloeden en de doorstroming frustreren. Vooral het verkeer op het Bredewater zal veel drukker worden ten opzichte van de referentiesituatie, maar ook ten opzichte van de verwachtingen uit het verkeersrapport. Indiener wijst daarbij op twee aspecten, die onvoldoende in beschouwing zijn genomen. (1) Bredewater en Boerhavelaan krijgen in het plan een verschillend karakter. Het doorgaande verkeer op de Boerhavelaan wordt bij de kruising met de Juliana van Stolberglaan afgeleid. De weg wordt ondergeschikt aangesloten en voert slingerend via een parkachtige omgeving naar het station. Daartegenover staat dat het Bredewater volgens het Structuurontwerp ten opzichte van de huidige situatie vrijwel wordt rechtgetrokken. Hierdoor is er een reële verwachting dat voor de route naar het station (Kiss & Ride, bezoek aan de bedrijven c.a. in de stations-strip) de nadruk vooral op het Bredewater zal komen te liggen. (2) De ventweg langs de Afrikaweg aan de zijde van Meerzicht wordt eenzijdig aangesloten.

Het verkeer dat hiervan gebruik maakt wordt teruggeleid naar het Bredewater. Samen met het toenemende lokale verkeer voor de nieuwe wijk zal dit een nog groei van het verkeer tot gevolg hebben. Op het Bredewater komt dus al het verkeer voor de woningen, al het retourverkeer vanaf de ventweg, een groot deel van het bestemmingsverkeer voor het station en het verkeer voor de bestaande buurten. Het verkeersmodel verwacht voor het Bredewater een verviervoudiging van het aantal motorvoertuigen per etmaal, maar indiener denkt dat dit nog een onderschatting is. De groei hier krijgt in de plannen nu in feite nauwelijks enig vervolg. Het is de vraag hoe de nieuwe weginrichting de stroom kan dragen, maar een punt wat hierbij zeker aandacht verdient, is de rotonde Meerzichtlaan/Bredewater. De verkeersstroom van en naar het Bredewater wordt ontzettend veel groter. Al in de huidige situatie veroorzaakt de rotonde bijna dagelijks een terugslag van het verkeer op de aansluitende wegen, vooral op de Meerzichtlaan-West. In combinatie met het veel intensievere fietsverkeer zal dit punt zonder aanvullende maatregelen volgens indiener echt problemen gaan geven, zowel qua doorstroming als qua verkeerveiligheid. Ongelukken en bijna-ongelukken zijn hier nu al aan de orde, mede als gevolg van de tweezijdige fiets- en wandeloversteken aan alle kanten.

In de stukken wordt voor de rotonde een extra bypass genoemd. Een dergelijke oplossing kan echter alleen voor de stroom vanaf het Bredewater van enig nut zijn, maar dit zal op de spitsmomenten de Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 75

toestroom van verkeer op het kruispunt Meerzichtlaan - Afrikaweg alleen nog maar verder intensiveren. Qua verkeersveiligheid zal het er ook op het Bredewater zelf niet beter worden. Door de huidige inrichting is er al een gematigde rijsnelheid. De maatregel om de rijsnelheid terug te brengen tot 30 km/u zal daarom weinig soelaas bieden. Parkeren 3.42.12

Indiener vindt het onbegrijpelijk dat de omgevingseffecten voor wat betreft parkeren zonder mitigerende of compenserende maatregelen op ‘neutraal’ worden beoordeeld. Indiener dringt daarom aan op nader onderzoek en een gerichte aanpak (monitoring, regulering).

Voor de beantwoording wordt verwezen naar het antwoord onder 2.2.4.

De conclusie is namelijk alleen beleidsmatig en rekenkundig voor de Entree zelf van toepassing. Maar het is voor indiener evident dat er ook voor dit aspect een nadelig effect op de directe omgeving kan optreden. De parkeernorm voor het gebied is afhankelijk van de (gemiddelde) grootte van de appartementen en zal (inclusief het parkeren voor bezoekers) onder de 1,0 liggen (parkeerbeleid Zoetermeer 2019). Daarbij is de insteek dat het parkeren voor bewoners en het personeel van de bedrijven en kantoren in de gebouwen zelf wordt opgelost. Bezoekers moeten ‘langs de straten’ parkeren. Wat daarmee wordt bedoeld is volgens indiener echter onduidelijk. Er zijn immers nauwelijks ‘straten’ in het nieuwe plangebied gepland en wat er aan nieuwe verbindingen komt, wordt zeker niet ingericht voor parkeren. Het kan bijna niet anders dan dat er uitwijkgedrag zal plaatsvinden naar de omliggende buurten en straten. Uitgaande van een parkeernorm van 0,15 voor bezoekers, betekent dit een extra parkeerdruk van tenminste 300 tot 350 auto’s aan zowel de Driemanspolder- als de Meerzichtzijde. Afhankelijk van de wijze waar en hoe parkeerregulering bij het station en het toekomstige busplatform plaatsvindt (parkeerzone, betaald parkeren), kan ook vanuit hier uitwijkgedrag naar de woonbuurten optreden.

Dit klemt temeer omdat in de huidige situatie de extra parkeerplaatsen tegenover het Korfwater en Kooienswater bij het gebouw van Panteia ook al worden gebruikt door omwonenden omdat de parkeercapaciteit van de Waterbuurt op momenten al aan de grens raakt. Deze parkeerplaatsen vallen bij de realisatie van de Entree weg. Ten opzichte van de huidige situatie zullen mogelijkheden voor parkeren op maaiveld behoorlijk afnemen, terwijl de behoefte (kort parkeren bewoners, parkeren bezoek bewoners en bedrijven) sterk zal toenemen. Het kan niet anders of er zal worden uitgeweken naar de beschikbare parkeerruimte in de omringende buurten. Die krijgen hier last van. Geluid en luchtkwaliteit 3.42.13

Indiener pleit er ten aanzien van geluid voor om nogmaals de mogelijkheden voor een structurele oplossing te onderzoeken. In ieder geval zou bij de ontwikkeling van de

Zie de beantwoording 3.1.22 en 3.23.4.

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 76

3.42.14

3.42.15

gebouwen lang de A12 de mogelijke functie in geluidsafscherming van de achterliggende wijken in het ontwerp mee kunnen worden genomen. Met name woningen aan het Korfwater en Kooienswater lopen het risico om door de hogere waarden te worden getroffen. De onderzoeken concluderen dat er geen sprake is van een reconstructiesituatie (Wgh), maar de argumenten op grond waarvan er voor een deel van de Entree gekozen moet worden voor toepassing van stap-3 van de Interimwet Stad- en Milieubenadering kunnen ook hier van toepassing zijn. De grotere verkeersdruk en het kunnen optreden van galm of reflectie door de gebouwen betekent dan een verdere verslechtering van de huidige situatie. Voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit maakt indiener zich specifiek zorgen over de gevolgen van de verkeerstoename op het Bredewater. Zoals eerder aangegeven kan de verkeersdruk hier behoorlijk hoger uitvallen dan nu in de modellen is opgenomen. Maar zelfs als de nu geprognotiseerde aantallen worden gebruikt, treedt hier ten opzichte van de huidige situatie een aanzienlijke verslechtering op. Een indicatieve toetsing met de NIBM-tool door indiener geeft aan dat het extra verkeer voor een verslechtering in betekende mate kan zorgen. Dit vraagt volgens indiener om een uitwerking van aanvullende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren.

De intensiteit van het verkeer neemt als gevolg van de Entree aanzienlijk toe. Weliswaar met een geleidelijke ontwikkeling naar schonere uitstoot en met een lagere rijsnelheid (voor zover deze ook in de praktijk kan worden gehandhaafd). Vooral in de rijrichting A12 zal de vermindering van de rijsnelheid ten opzichte van de huidige situatie echter geen of nauwelijks verbetering van de luchtkwaliteit kunnen opleveren omdat dit in de huidige situatie al voor een groot deel wordt bepaald door de verkeersregelinstallatie bij het kruispunt en het afremmende en optrekkende verkeer. Kortom: de huidige luchtkwaliteit is slecht en het wordt er niet beter op. De conclusies over de stikstofdepositie in Natura2000 gebieden zijn gebaseerd op het rekenmodel Aerius2020 met bijbehorende uitgangspunten. Inmiddels is hiervan nieuwe release met bijbehorende uitgangspunten van kracht. De invloed van de Entree reikt daarmee ook tot gebieden die in het oude model nog op afstand lagen. De conclusie dat ‘een depositiebijdrage binnen Natura-2000 gebieden wordt uitgesloten’, is daarmee volgens indiener voorbarig. Indiener gaat er vanuit dat afhankelijk van de herberekening ook hiervoor aanvullende maatregelen zullen worden voorgesteld.

Zie beantwoording 3.23.5

De constatering van indiener is juist. Ten tijde van het opstellen van het ontwerpbestemmingsplan was deze release van AERIUS nog niet beschikbaar. Er is een nieuwe berekening gemaakt met de laatst beschikbare versie van de AERIUS Calculator, waarin de aangepaste programmering als uitgangspunt is genomen. De uitkomst van deze effectstudie is dat sprake is van een stikstofbijdrage in de gebruiksfase en in de aanlegfase bij realisatie van meer dan 500 appartementen/100 woningen en niet wonen functies. Wel zijn er mitigerende maatregelen mogelijk. Zie voor meer informatie hfst. 6 van het Omgevingsprogramma

Groen 3.42.16

Per saldo neemt het oppervlak aan groen op maaiveld ten opzichte van de huidige situatie af. Compensatie wordt geleverd door de nieuwe groene inrichting van de randen (kragen), de middengebieden/patio’s van de gebouwde elementen en de groene inrichting en verbindingen op het niveau van de lagere dakvlakken. De groene kraag langs het Bredewater neemt in oppervlakte niet of nauwelijks toe. Deze is

Het is een feit dat het groene oppervlakte in Entree zal afnemen ten opzichte van de huidige situatie. Dat komt vooral omdat in de huidige situatie veel percelen nog braak liggen en nooit bebouwd zijn zoals de bedoeling was volgens de oude bestemmingsplannen. Veel percelen zijn daarom feitelijk nog groen terwil ze volgens de toen geldende bestemmingen eigenlijk wel bebouwd hadden kunnen

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 77

bovendien enige jaren geleden na samenspraak opnieuw ingericht. Het zou volgens indiener jammer zijn als het nog betrekkelijk jonge groen met berkenbomen en plantsoenen opnieuw zou moeten wijken. Het nieuwe groen komt op hoogte of achter de muur (dakparken en binnentuinen). De beleving van het nieuwe groen binnen de wijk heeft alleen meerwaarde voor (be)leefbaarheid en gezondheid als het ook voor anderen dan bewoners van de Entree toegankelijk kan zijn. Dit is in het beeldkwaliteitsplan expliciet beschreven voor het dakpark van het plintgebouw. Indiener pleit ervoor dit als uitdrukkelijke voorwaarde voor alle groene inrichting op te nemen.

zijn. In de nieuwe situatie komt er een nieuw ontwerp voor de bebouwing en de openbare ruimte. Daarin komt voldoende groen weer terug in de nieuwe openbare ruimte, in de binnentuinen en op daken en gevels van de nieuwbouw. Het klopt ook dat de groenstructuur aan het Bredewater relatief jong is. De huidige inrichting is ongeveer 10 jaar oud. De huidige inrichting is echter niet passend bij het toekomst-beeld van een gerealiseerde Entree. Het wordt een hoogstedelijk gebied wat vraagt om andere ontwerpkeuzes die op de lange termijn duurzaam zijn en passen bij gemeentelijk beleid en aansluiten bij ontwikkelingen in de toekomst. Zo wil Zoetermeer meer ruimte voor ecologie en langzaam verkeer. In dat licht voldoet de huidige inrichting niet. In het aangepaste Schetsontwerp Openbare Ruimte worden de parkeerplaatsen aan het Bredewater vervangen door langs-parkeerplaatsen. Hierdoor ontstaat meer ruimte voor de aanleg van een goede ecologische groenstructuur. Zie wat betreft de binnentuinen het antwoord bij zienswijze 3.36.9 Daarnaast worden vrijwel alle trottoirs in Entree zo breed dat er voldoende ruimte is om altijd naast het groen te lopen. Waar mogelijk worden bomen zo ontworpen dat deze, vooral op de lange termijn, voor schaduw zorgen om hittestress tegen te gaan.

Duurzaamheid 3.42.17

3.42.18

Ten aanzien van duurzaamheid worden in de rapportage ‘van ambities naar opgaven en maatregelen’ eigenlijk nog vooral ambities en intenties uitgesproken. De slag naar concrete uitwerking en borging moet nog worden gemaakt. In het ontwerpbestemmingsplan is hiervoor geen enkel ‘haakje’ aangebracht. De uitwerking en borging kan dan alleen privaatrechtelijk plaatsvinden. Daarmee is het volgens indiener maar de vraag in hoeverre deze ambities ook daadwerkelijk worden gerealiseerd. De constatering dat op het gebied van energie de Entreeplannen een grote winst opleveren ten opzichte van de autonome ontwikkeling ligt volgens indiener genuanceerder. Vraag daarbij is wat onder de autonome ontwikkeling wordt verstaan. Indien de Entree niet zou worden gebouwd, ligt er ook op het bestaande gebruik een duurzaamheidsopgave richting 2030 en 2050. Ook dan is er een drang om energieverbruik te verminderen, verschijnen er PV-panelen op de daken en wordt gezocht naar andere verwarmingsconcepten. Een collectief warmtenet wordt voor de Entree en de MER nog niet voor de hand. Indiener pleit ervoor om deze conclusie nog eens tegen het licht te houden. Een allelectric-oplossing vraagt veel energie. In hete zomers komt daar nog eens een grote

In de Ontwikkelvisie is in hoofdstuk 8 ingegaan op het onderwerp duurzaamheid. Een deel van de maatregel is ook als beleidsregel opgenomen in het Omgevingsprogramma. Alle aanvragen moeten voldoen aan de geldende wettelijke eisen. De ontwikkelvisie en omgevingsprogramma zijn bijlagen bij de anterieure overeenkomsten en daarmee onderdeel van de de privaatrechtelijke afspraken. Het toepassen van WKO-systemen met collectieve bronnen is op dit moment de verwachte en beproefde oplossing voor de ontwikkeling van Entree. Zoals indiener aangeeft, is de behoefte naar koeling een belangrijk onderdeel. Ook in de huidige wettelijke Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG)-eisen. Een warmetenet dat gericht is op alleen warmte is geen geschikte oplossing voor nieuwbouw om aan de BENG-eisen (en specifiek TO-juli) te kunnen voldoen. TO-juli is een waarde die een indicatie geeft van het risico op temperatuuroverschrijding in woningen in de maand juli. Deze grenswaarde is ingevoerd om oververhitting van woningen in de hete zomermaanden te voorkomen.

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 78

3.42.19

3.42.20

behoefte aan koeling bovenop. De hoge bouwdichtheid kan de goede werking van WKO’s behoorlijk frustreren. Het zal gezien het relatief beperkte dakoppervlak ondoenlijk zijn om de wettelijke BENG-norm te halen, laat staan de wijk energieneutraal te maken. Daarom pleit indiener ervoor om ook de opties van een (laagtemperatuur) bronnet in beschouwing te nemen en ook om de omliggende wijken in de aanpak rond energie te betrekken. Met name de laagbouw heeft grote dakoppervlakken, georiënteerd op zuid en west. Er zijn bewonersinitiatieven rond energietransitie. Hierin ligt een kans. Wat in de beschouwingen rond duurzaamheid volgens indiener nog ontbreekt is een aansprekende visie op circulariteit. Er wordt wel als norm gesteld dat de toename van woningen niet mag leiden tot toename van afvalwater, maar nergens wordt aangegeven tot welke maatregelen (bijvoorbeeld drinkwaterbesparing of hergebruik huishoudelijk afvalwater) deze ambitie zou moeten leiden. Ook mist indiener een ambitie voor hergebruik van te oogsten materialen, benutting bestaande gebouwelementen of de aandacht voor circulariteit in de ontwerpkeuzes en materialisatie van de nieuwe wijk. Ook is belangrijk om aan de ontwikkelaars mee te geven hoe in de nieuwe wijk moet worden omgegaan met huishoudelijk afval, mede tegen de achtergrond van de besluitvorming naar aanleiding van het referendum.

Zoals indiener adviseert, lijkt de optie voor een laagtemperatuur bronnennet een goede oplossing. Een WKO systeem met collectieve bronnen maakt immers gebruik van een laagtermperatuur bronnennet.

De ontwikkeling van de wijk zal geruime tijd (>10 jaar) duren. Dat betekent dat ook lange tijd hinder door bouwverkeer, activiteiten en regulering zal kunnen optreden. De impact op de omliggende gebieden is groot en duurt lang. De groenzones en grondwallen langs de Afrikaweg worden vroegtijdig verwijderd en verliest de dempende werking voor geluidhinder en luchtverontreiniging. Door de onmogelijkheid om de ventweg tweezijdig aan te sluiten op de Afrikaweg zal ook veel bouwverkeer gebruik moeten maken van het Bredewater. De ontwikkelaars wordt aanbevolen om zoveel mogelijk materieel te gebruiken met lage uitstoot en geluidsproductie. Maar uiteindelijk leveren wettelijke normen daarvoor de bovengrens. Vooral de lange termijn van de gebiedsontwikkeling vraagt om duidelijke afspraken over planning, regie en maatregelen om de situatie voor omwonenden en ondernemers aanvaardbaar te houden. Indiener doet hierbij een beroep op de zorgplicht van de gemeente.

Ten aanzien van het aspect bouwoverlast wordt verwezen naar het antwoord onder nr. 2.2.5.

3.43

De indiener stelt dat het ondoenlijk is om met het beperkte dakoppervlak de BENG-norm te behalen. Dit is echter niet correct. Er zijn veel andere maatregelen in te zetten om aan de BENG-norm te voldoen. In de Ontwikkelvisie is in hoofdstuk 8 ingegaan op het onderwerp duurzaamheid. Een deel van de maatregel is ook als beleidsregel opgenomen in het Omgevingsprogramma. In de Ontwikkelvisie zijn ontwerpprincipes opgenomen die gaan over CO2-reductie en duurzame herkomst van materialen. In het gebied is een gescheiden rioolstelsel aanwezig. Dit betekent dat het relatief schone hemelwater apart wordt ingezameld en wordt geloosd op het nabijgelegen oppervlaktewater. Het afvalwater wordt via een eigen stelsel (DWA) getransporteerd naar de rioolwaterzuivering. De wegen voeren af op het DWAstelsel. In het gebied komen, naast uitstroomvoorzieningen van het regenwaterstelsel, geen riooloverstorten voor van het dwa-stelsel. Afvalinzameling voor bewoners gebeurt in de logistieke zone langs de buitenstraten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zoetermeer&id=78fd96c2-3d31-4241-be7c-1fde3e4e713c