Bijlage 1 - Toelichting Ontwerpbestemmingsplan Transformatorstation Wiltonstraat Stedin
Tekst van het document
De vraag voor parkeergelegenheid voor busjes/auto’s ten behoeve van het transformatorstation is beperkt. Zoals hierboven beschreven is het transformatorstation niet permanent bemand. Wel kan sprake zijn van sporadisch bezoek door personeel ten behoeve van inspectie en onderhoud. Dit zal gelijk zijn aan circa 15 busjes per jaar. Hiervoor is voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein, waardoor het voornemen niet leidt tot een toename van parkeerdruk. Er wordt voldaan aan de ‘Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels Zoetermeer 2019’. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.7
Natuur
In deze paragraaf wordt ingegaan op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling vanuit het oogpunt van natuur. In deze paragraaf zijn het toetsingskader, de resultaten en de conclusies weergegeven.
4.7.1
Toetsingskaders
De Wet natuurbescherming regelt op hoofdlijnen drie zaken: 1 bescherming van planten- en diersoorten; 2 bescherming van bos en houtopstanden; 3 bescherming van de in het kader van Europees natuurbeleid aangewezen Natura 2000-gebieden. Soortenbescherming Ten aanzien van soortenbescherming maakt de Wet natuurbescherming onderscheid in 3 categorieën: - vogels: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn; - Habitatrichtlijnsoorten: dit zijn soorten uit bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage I en II van het Verdrag van Bern en bijlage II van het Verdrag van Bonn; - andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om een aantal zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving zoals foerageergebieden of vliegroutes) van beschermde soorten uit de eerste en tweede categorie mogen niet (opzettelijk) verstoord of vernietigd worden. Daarnaast mag geen enkele beschermde soort (opzettelijk) worden gedood of verwond. Bij vogels zijn daarnaast de nesten van belang.
27 | 52
Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03
De categorie ‘andere soorten’ gaat om soorten die niet onder de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn vallen. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren beschermd moeten worden. De overige soorten uit deze bijlage worden om ecologische redenen beschermd. Hiermee wordt door Nederland uitvoering gegeven aan het Biodiversiteitsverdrag om de staat van instandhouding van dier- en plantsoorten te garanderen. Gebiedsbescherming Natura 2000 De minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Ten aanzien van gebiedsbescherming geldt dat de Wet natuurbescherming de bescherming van Natura 2000-gebieden regelt. Momenteel geldt het volgende kader voor de vergunningverlening voor projecten: - op basis van de Wet natuurbescherming is een vergunning vereist voor projecten die een significant gevolg kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied1.
Dit is dus niet het geval indien significante gevolgen op voorhand zijn uit te sluiten; - indien niet op voorhand kan worden uitgesloten dat mogelijke significante gevolgen optreden, dient een Passende Beoordeling te worden opgesteld om in beeld te brengen of er daadwerkelijk significante gevolgen aan de orde zijn. In een Passende Beoordeling mogen ook mitigerende maatregelen (zoals externe saldering) betrokken worden. De vergunning kan worden verleend indien (eventueel met toepassing van deze mitigerende maatregelen) de voorgenomen activiteit de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten2; - als uit de Passende Beoordeling blijkt dat significante gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, kan een vergunning enkel worden verleend indien de ADC-toets succesvol wordt doorlopen: · A: er zijn geen alternatieve oplossingen; · D: het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang; · C: door middel van compenserende maatregelen wordt gewaarborgd dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft3. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland, de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS), zorgt voor een aaneengesloten netwerk van natuurgebieden en natuurontwikkelingsgebieden die met elkaar verbonden worden door ecologische verbindingszones.
De rechtstreekse werking van NNN vindt plaats door toetsing van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van bestemmingsplannen aan het NNN-beleid (titel 2.10 Barro). Er geldt geen separate vergunningplicht. Houtopstanden Ten behoeve van het voornemen worden houtopstanden geveld. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom (conform Wet natuurbescherming), waardoor de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Zoetermeer van toepassing is op het vellen van houtopstanden. In de APV wordt onder het vellen van een boom ook het verplanten van een boom verstaan. Uit artikel 4:10 van de APV volgt dat het verboden is zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstanden te vellen of te doen vellen die vermeld staan op het door het college vastgestelde overzicht monumentale en herdenkingsbomen Zoetermeer, en/of staan in door het college aangewezen beschermde gebieden, alsmede houtopstanden die eigendom zijn van de gemeente. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht en/of een andere vorm van groencompensatie opleggen onder nader te stellen voorschriften.
1
Artikel 2.7 lid 2 Wet natuurbescherming.
2
Artikel 2.7 lid 3 jo. Artikel 2.8 lid 3 Wet natuurbescherming.
3
Artikel 2.8 lid 2 Wet natuurbescherming.
28 | 52
Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03
4.7.2
Resultaten
Soortenbescherming Om de consequenties van de Wet natuurbescherming, onderdeel beschermde soorten, voor de voorgenomen ontwikkeling in beeld te brengen is een quickscan Flora en Fauna uitgevoerd (zie bijlage II van deze toelichting). In onderstaande tabel zijn de conclusies uit het onderzoek weergegeven.
29 | 52
Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03
Tabel 4.1 Samenvattende tabel soortenbescherming Soortgroep
Kans op overtreding Wnb?
Vervolgstappen nodig?
Ontheffing aanvragen?
Mitigerende maatregelen
Vervolgonderzoek (indien mitigatie niet mogelijk of niet voldoende)
flora
nee
geen, wel zorgplicht
nee
nee
grondgebonden zoogdieren
nee
geen, wel zorgplicht
nee
nee
vleermuizen
ja, indien foeragerende/overvliegende vleermuizen worden verstoord
ja, door:
nee
nee, mits mitigerende maatregelen in acht worden genomen
ja, indien algemeen voorkomende broedparen worden verstoord
ja drie mogelijkheden:
nee
nee, mits mitigerende maatregelen in acht worden genomen
vogels
-
werkzaamheden overdag uitvoeren en gebruik maken van vleermuisvriendelijk lichtbeheer
-
buiten het broedseizoen werken
-
of plangebied ongeschikt maken voor broedvogels
werkzaamheden voor het broedseizoen inzetten en continu doorwerken
vogels
ja, mogelijke vernietiging van jaarrond beschermde nesten van roofvogels bij de kap van bomen.
niet van toepassing
ja, van de aanwezige nesten in het plangebied moet onderzocht worden op roofvogels met 3 bezoeken in maart t/m half mei
nee, zie uitkomsten nader onderzoek
amfibieën
ja, indien rugstreeppad tijdens werkzaamheden in het plangebied komt
ja, door te voorkomen dat tijdens de werkzaamheden geschikt leefgebied voor rugstreeppadden ontstaat of kolonisatie mogelijk is
nee
nee, mits mitigerende maatregelen in acht worden genomen
reptielen
nee
geen, wel zorgplicht
nee
nee
vissen
nee
geen, wel zorgplicht
nee
nee
vlinder, libellen & ongewervelden
nee
geen, wel zorgplicht
nee
nee
30 | 52
Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03
In een es en in een zwarte els binnen het plangebied zijn de twee potentieel jaarrond beschermde nesten waargenomen (zie afbeelding 4.3). Daarom is nader onderzoek uitgevoerd (zie bijlage II bij deze toelichting). De nesten in het plangebied zijn niet in gebruik door vogelsoorten waarvan het nest een jaarrond beschermd nest is. Tijdens geen van de veldbezoeken zijn vogels met een jaarrond beschermd nest in of nabij de nesten waargenomen. Het nest in de gewone es is tijdens het broedseizoen 2023 bezet geweest door zwarte kraai. Het nest van zwarte kraai is een jaarrond beschermd nest van categorie 5. Dit betekent dat deze soort in de categorie vogels zit die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. In de omgeving van het plangebied is meer en geschikter broedbiotoop aanwezig in de vorm van het ‘Van Tuylpark’ circa 100 m ten zuidoosten van het nest, dus een nest bouwen in de buurt van het huidige nest is daadwerkelijk mogelijk voor zwarte kraai. De nesten hebben derhalve geen jaarrond beschermde status.
Afbeelding 4.3 Locatie bomen in plangebied met potentieel jaarrond beschermd nesten
Gebiedsbescherming In de quickscan Flora en Fauna (bijlage II) is ook het aspect gebiedsbescherming beschouwd. Het optreden van directe effecten en indirecte effecten (met uitzondering van stikstofdepositie) kan als gevolg van de afstand (circa 7 km) tussen het plangebied en omliggende Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Een Voortoets om directe effecten van het voornemen op Natura 2000-gebieden te toetsen is niet nodig. Voor het onderdeel stikstofdepositie zijn voor de aanlegfase AERIUS-berekeningen uitgevoerd (zie bijlage III van deze toelichting). Uit deze berekening volgt dat geen sprake is van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen. Gedurende de gebruiksfase van het transformatorstation vinden enkel stikstofemissies plaats als gevolg van wegverkeer. Het gaat vooral om kleine personenbusjes van Stedin Operations, die gebruikt worden voor bijvoorbeeld inspecties, reparaties en onderhoud. Voor de aanlegfase is berekend dat bij 642 verkeersbewegingen ‘licht verkeer’ per jaar (en het zware verkeer en werktuigen) geen depositie plaatsvindt.
31 | 52
Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03
Daarom kan geconcludeerd worden dat tijdens de gebruiksfase met aanzienlijk minder verkeersbewegingen per jaar (circa 15 busjes per jaar) ook geen depositie plaats zal vinden. Daarnaast streeft Stedin voor 2030 naar volledig elektrisch vervoer, zodat er op termijn in het geheel geen sprake meer zal zijn van emissie van bedrijfsauto’s voor onderhoud. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten het NNN. Het NNN van Zuid-Holland heeft geen ‘externe werking’ die een toets van gebruik aangrenzend aan het natuurgebied verplicht stelt. Omdat het plangebied geheel buiten het NNN valt, is er geen sprake van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden. Houtopstanden Voor het realiseren van de kabels en het transformatorstation worden houtopstanden (bomen) binnen het plangebied verwijderd en indien mogelijk herplant. De mogelijkheid tot het herplanten van de houtopstanden wordt in een later stadium onderzocht. Deze houtopstanden zijn op moment van schrijven eigendom van de gemeente. De houtopstanden staan daarnaast in een beschermd gebied (zie afbeelding 4.4). Voor het vellen van deze houtopstanden moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd (Artikel 4:10 APV, lid 1, in samenhang met artikel 2.2, lid 1, sub g Wet algemene bepalingen omgevingsrecht).
De vergunning kan worden geweigerd op grond van: de strijdigheid met de Wet natuurbescherming of andere regelgeving inzake natuurbescherming; het onvoldoende aannemelijk maken van een verwijderingsbelang. Uit de uitgevoerde onderzoeken in het kader van de Wet natuurbescherming is gebleken dat geen strijdigheid is met de Wet natuurbescherming (bij de uitvoering van de werkzaamheden worden de maatregelen ter voorkoming van overtreding in acht genomen). Gezien de noodzaak van het transformatorstation en de te onderzoeken mogelijkheid tot herplanting van de houtopstanden wordt op voorhand geen belemmering verwacht voor het verkrijgen van de vergunning.
Afbeelding 4.4 Beschermde gebieden (rood) in Zoetermeer rond het plangebied (blauw)
32 | 52
Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03
4.7.3
Conclusie
Bij de uitvoering van de werkzaamheden worden de maatregelen ter voorkoming van overtreding van de Wet natuurbescherming (soortenbescherming) in acht genomen. In een es en in een zwarte els binnen het plangebied zijn de twee potentieel jaarrond beschermde nesten waargenomen. Daarom is nader onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de nesten geen jaarrond beschermde status hebben. Vanwege de ruime afstand tot NNN-gebieden en Natura 2000-gebieden kunnen significant negatieve effecten op deze gebieden op voorhand worden uitgesloten (met uitzondering van stikstofdepositie). Uit de berekening en analyse blijkt dat er tijdens de bouwfase en gebruiksfase geen sprake is van stikstofdeposities op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Daarmee is de realisatie van het voorliggende plan op het aspect stikstofdepositie uitvoerbaar. Ten behoeve van het voornemen worden houtopstanden gekapt, waarvoor een omgevingsvergunning dient te worden aangevraagd. Op voorhand wordt geen belemmering verwacht op het verkrijgen van de omgevingsvergunning. Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de in dit bestemmingsplan voorgenomen ontwikkelingen.
4.8
Bodem
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Met andere woorden: is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt voor de beoogde bestemming(en)/functie(s)? Is er bodemverontreiniging die de functiedoelen kan frustreren, levert dit gezondheidsrisico’s, ecologische risico’s of verspreidingsrisico’s op en kan er tijdig iets aan gedaan worden? Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.
4.8.1
Toetsingskader
In de Wet bodembescherming (Wbb) is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, zoals stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingssituaties op basis van een bodemonderzoek.
4.8.2
Resultaten
Ten behoeve van het voornemen is een historisch vooronderzoek conform NEN 5725 (zie bijlage IV van deze toelichting). Hieruit blijkt dat ter plaatse van het toekomstige transformatorstation geen bodem belastende activiteiten bekend zijn. Gelet op de voorgenomen werkzaamheden is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek NEN 5740 noodzakelijk voor het vaststellen van de actuele bodemkwaliteit, omdat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem niet afdoende bekend is.
33 | 52
Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03
Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de actuele milieuhygiënische kwaliteit voldoet aan het huidige en toekomstige gebruik van de locatie. Op basis van de resultaten is het niet aannemelijk dat risico’s voor de volksgezondheid en/of milieu aanwezig zijn. De resultaten van het uitgevoerde onderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader onderzoek. De milieuhygiënische kwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen werkzaamheden. Ten aanzien van de hergebruikmogelijkheden van bij werkzaamheden vrijkomende grond zijn in het verkennend bodemonderzoek een aantal aandachtspunten benoemd. Deze aandachtpunten worden in acht genomen bij de werkzaamheden.
4.8.3
Conclusie
Gelet op de voorgenomen werkzaamheden is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek NEN 5740 noodzakelijk voor het vaststellen van de actuele bodemkwaliteit, omdat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem niet afdoende bekend is. Uit het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek volgt dat er geen nader onderzoek nodig is. Het aspect bodem geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.9
Archeologie
Voorafgaand aan het vaststellen van het bestemmingsplan dient inzicht te zijn verkregen in bekende en te verwachten archeologische waarden in het plangebied en omgeving, en wat de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden zijn en of deze een bedreiging vormen voor het bodemarchief. Indien dit het geval is, wordt geadviseerd op welke wijze hiermee in het vervolgtraject van de plannen rekening dient te worden gehouden.
4.9.1
Toetsingskaders
De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. De Erfgoedwet regelt onder andere de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Archeologisch onderzoek zal moeten worden uitgevoerd als er sprake is van een hoge trefkans of als het plangebied niet is gekarteerd.
4.9.2
Resultaten
De gemeente Zoetermeer heeft een archeologische verwachtingen- en beleidskaart opgesteld waarop archeologisch waardevolle gebieden en de archeologische verwachting van de waardevolle gebieden zijn opgenomen1. Op de gemeentelijke archeologische verwachtingen- en beleidskaart is opgenomen dat de onderzoekslocatie is vrijgegeven voor archeologie (zie onderstaande afbeeldingen).
1
De archeologie van Zoetermeer, Delftse Archeologische Rapporten, CIS code: 64863, november 2015.
34 | 52
Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03
Afbeelding 4.5 Uitsnede archeologische verwachtingenkaart, onderzoekslocatie in rode contour (afbeelding noordelijk georiënteerd)
Afbeelding 4.6 Uitsnede archeologische beleidskaart, locatie in rode contour (afbeelding noordelijk georiënteerd)
4.9.3
Conclusie
Op basis van de archeologische verwachtingen- en beleidskaart, blijkt geen archeologisch onderzoek nodig te zijn. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de realisatie van het transformatorstation.
4.10
Trillingen
4.10.1 Toetsingskader Bij het opstellen van ruimtelijke plannen dient het aspect trillingen beoordeeld te worden. Trillingen bewegen zich door de bodem en gebouwconstructies. De effecten als gevolg van trillingen kunnen zijn: schade aan gebouwen en hinderbeleving.
35 | 52
Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03
Naast hinder voor mensen kunnen de effecten van trillingen ook zijn schade of verstoring van trilling gevoelige apparatuur. In tegenstelling tot de Wet geluidhinder bij geluid, bestaat in Nederland nog geen wettelijk kader voor trillingen. De beoordeling van trillingen vindt daarom zijn grondslag in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening. Hierin is de zorg voor een goede ruimtelijke ordening voorgeschreven. Daarvoor is het nodig om mogelijke trillinghinder in kaart te brengen en deze te betrekken in de beoordeling. De Stichting Bouw Research (hierna: SBR) meeten beoordelingsrichtlijn is in Nederland de meest gebruikte richtlijn voor het meten en beoordelen van trillingen. SBR-richtlijn Een belangrijk en voor veel situaties te gebruiken toetsingskader is de SBR-richtlijn ‘Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen’. Deze richtlijn bestaat uit drie delen: deel A schade aan gebouwen; deel B hinder voor personen in gebouwen; deel C storing aan apparatuur. De richtlijn sluit grotendeels aan bij internationale richtlijnen (Duitse norm DIN 4150, ISO 2631/2) en gaat in op het meten van trillingen en op een beoordelingssystematiek. De richtlijn heeft alleen betrekking op trillingen die van buiten het te beoordelen gebouw komen. Dit betekent dat het gaat om trillingen die via de ondergrond en de funderingen het gebouw bereiken.
Dat is ook het beoordelingscriterium voor deel A (schade aan gebouwen). Deel A kent een herziene versie van eind 2017. Bij deel B (hinder voor personen in gebouwen) worden de trillingen gemeten op vloeren, omdat daar de hinder optreedt. Op te merken valt dat de richtlijn zich toespitst op het meten en beoordelen. De richtlijn gaat dan ook niet in op bouwkundige adviezen. De SBR richtlijn deel B wordt in de praktijk veelvuldig toegepast. Door het ontbreken van een wettelijk kader waarin grenswaarden zijn gedefinieerd, is bij het opstellen van voorliggende handreiking gekozen om aan te sluiten bij de huidige praktijk en is het advies om de SBR-richtlijn deel B als toetsingskader op te nemen/te hanteren. Met de wetenschap dat er onderzoek gaande is naar onder andere dosis-effect-relaties en te hanteren blootstellingsmaten, geldt de SBR-richtlijn deel B op dit moment als ‘best-practice’.
4.10.2 Resultaten De voorgenomen ontwikkeling produceert tijdens de gebruiksfase geen noemenswaardige trillingen. Tijdens de aanlegfase vinden echter werkzaamheden plaats (onder andere tijdelijke schroefwerkzaamheden) die trillingen in de bodem kunnen veroorzaken. Om trillinghinder tijdens de uitvoeringsfase zoveel mogelijk te beperken worden de funderingspalen schroevend ingebracht.
4.10.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling produceert tijdens de gebruiksfase geen noemenswaardige trillingen. Om trillinghinder tijdens de uitvoeringsfase zoveel mogelijk te beperken worden de funderingspalen schroevend ingebracht. Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de uitvoering van het voornemen.
4.11
Water
De voorgenomen ontwikkeling kan effecten hebben op de waterhuishoudkundige situatie, zowel kwantitatief als kwalitatief. In Nederland is daarom de watertoets een verplicht onderdeel van elke ruimtelijke ontwikkeling.
36 | 52
Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03
De watertoets is een procesinstrument waarbij de waterbeheerders in een vroegtijdig stadium worden betrokken bij de voorgenomen ontwikkeling, zodat verschillende aspecten van ‘water’ een goede plaats krijgen in de planvorming. In de waterparagraaf worden de effecten van het ontwerp op deze verschillende aspecten omschreven, zoals waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, beheer en onderhoud en het effect op grondwaterpeilen.
4.11.1 Toetsingskader De watertoets is met ingang van 1 november 2003 wettelijk verplicht geworden voor bestemmingsplannen. Omdat het beleid van het waterschap niet rechtstreeks doorwerkt in het bestemmingsplan is in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaald dat de gemeente vooroverleg met onder andere het waterschap moet voeren (art. 3.1.1 Bro). Daarnaast staat ook expliciet beschreven dat de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving moet bevatten van de wijze waarop in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de waterhuishouding (art. 3.1.6 b Bro). Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Hieronder staat een overzicht van de voor het plangebied relevante wet- en regelgevingen en nota's. Waterwet Het doel van de Waterwet is verwoord in artikel 2.1 van de wet. Hierbij gaat het om voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.
Dit kader wordt vervolgens in de Waterwet en onderliggende regelgeving geconcretiseerd met concrete normen voor waterkeringen, waterkwantiteit, functievervulling en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen. Het rijk, de provincies en de regionale waterbeheerders dienen hun beleid op deze normen af te stemmen en dat te beschrijven in water(beheer)plannen. Keur Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK). De keur is een algemene verordening van het waterschap/hoogheemraadschap. Op grond van artikel 56 in combinatie met artikel 78 van de Waterschapswet stelt het waterschap verordeningen vast die het nodig oordeelt voor de behartiging van de opgedragen taken. De taken die aan waterschap worden opgedragen betreffen, volgens artikel 1 van de Waterschapswet, de zorg voor het watersysteem en de zorg voor het zuiveren van afvalwater. Eventueel kunnen nog de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden worden opgedragen, bijvoorbeeld vaarwegbeheer. Naast de Waterschapswet, die de organisatie van de waterschappen regelt, geven de Waterwet en de daarop gebaseerde regelgeving allerlei bepalingen over de inhoud van het waterbeheer, bijvoorbeeld in de vorm van doelstellingen en concrete normen.
Omgevingsverordening Zuid-Holland In de Omgevingsverordening is aandacht voor verschillende waterhuishoudkundige thema’s. Provinciale gebiedsspecifieke beleidskeuzes worden in de Omgevingsverordening met specifieke artikelen geborgd. Het gaat om reserveringen voor waterveiligheid en beperking wateroverlast en drinkwater-/grondwaterbeschermingsgebieden.
4.11.2 Resultaten De waterparagraaf is opgenomen in bijlage V van deze toelichting. Op basis van de watertoets wordt het volgende geconcludeerd: - het plan leidt niet tot aantasting van watergangen of waterhuishoudkundige kunstwerken. Het watersysteem blijft functioneren;
37 | 52
Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03
-
-
-
-
-
-
het plan leidt tot een verhardingstoename van 1.168 m2. Hierbij is 693 m2 aan doorlatende grasbetontegels voor de helft meegeteld. Hemelwater komt door de verhardingstoename in de toekomstige situatie versneld tot afvoer in vergelijking met de huidige, onverharde situatie. HHSK eist dat er open water wordt gegraven als compensatie voor de versnelde afvoer van hemelwater. De compensatie-eis bedraagt 5 % van de verhardingstoename en er geldt een aftrekpost van 500 m 2. Daardoor is (1.168 – 500) x 5 % = 33 m2 aan watercompensatie benodigd; de watercompensatie dient te worden aangelegd voor of gelijktijdig met de verhardingstoename; de verhardingstoename leidt tot een verminderde infiltratie van hemelwater. In theorie wordt daardoor het grondwater minder aangevuld. Dit effect is echter zeer minimaal, omdat de verhardingstoename relatief beperkt is en infiltratie nog steeds mogelijk is door de geplande grasbetontegels en groenvoorzieningen; de gemeente Zoetermeer hanteert conform het GRP het beleid dat waterstromen gescheiden worden. Dit betekent dat hemelwater en afvalwater apart worden ingezameld. Voor onderhavig plan houdt dit in dat de toegevoegde verharding met een HWA met een zuiverende tussenstap geloosd kan worden op de nabijgelegen oppervlaktewaterlichamen. Het lokale verkeer beperkt tot beheer en onderhoud en verontreinigende stoffen worden inpandig gehouden.
De kans op verontreiniging is daardoor minimaal; indien de verharding toch wordt aangesloten op de bestaande gemengde riolering, wordt er door de verhardingstoename meer (schoon) hemelwater afgevoerd richting de gemengde riolering. Dit leidt tot een extra belasting op het gemengde riool, waardoor bij hevige neerslag de kans op overstortingen toeneemt. Het effect van dit plan op de waterkwaliteit is echter zeer beperkt, omdat de verhardingstoename gering is en de grasbetontegels de afstroom van hemelwater richting het riool beperken; mogelijk is voor de realisatie van het plan tijdelijke bemaling van het grondwater noodzakelijk. HHSK stelt eisen aan het onttrekken en lozen van grondwater. Er is op dit moment nog niets bekend over benodigde bemaling. Indien de onttrekking groter is dan 1 m3/uur, maar kleiner dan 5 m3, dan volstaat een melding. Indien de onttrekking groter is dan 5 m3/uur, dan is een effectbepaling en mogelijk een vergunning noodzakelijk; het plan ligt niet in de beschermingszone van waterkeringen. Daarom zijn op dat onderdeel geen vergunningen of meldingen noodzakelijk.
4.11.3 Conclusie De manier waarop de benodigde watercompensatie gerealiseerd gaat worden, wordt afgestemd met HHSK. Het planvoornemen leidt niet tot waterhuishoudkundige bezwaren. Het aspect vormt geen belemmering voor het plan.
4.12
Luchtkwaliteit
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritieke stoffen zijn stikstofdioxide en fijnstof. Voor andere in de Wm genoemde stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten.
38 | 52
Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03
4.12.1 Toetsingskader Titel 5.2 van de Wet milieubeheer geeft aan wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Het bevoegde bestuursorgaan moet dan aannemelijk maken, dat het project aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden voldoet: - een project is opgenomen in, of past binnen, het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen; - een project draagt alleen ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; - een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; - er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. De Wet milieubeheer (Wm) geeft grenswaarden voor de concentraties van onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient getoetst te worden of de ontwikkeling ervoor zorgt dat grenswaarden worden overschreden. Deze grenswaarden liggen voor zowel NO 2 als PM10 op een jaargemiddelde van 40 microgram/m3. Om te kunnen beoordelen of de grenswaarden gesteld in de Wm worden overschreden, moeten de achtergrondconcentraties (wat zijn de concentraties zonder de ontwikkeling) en de verwachte bijdrage van het project (hoeveel komt er qua concentraties bij) worden onderzocht.
4.12.2 Resultaten Het bestemmingsplan voorziet in een planologische regeling voor een transformatorstation. De huidige achtergrondconcentraties voor NO2 liggen tussen de 18 en 25 microgram per m3 en voor PM10 tussen de 16 en 18 microgram per m3 (bron: Atlasleefomgeving). Voor NO2 en PM10 is 40 microgram per m3 als jaargemiddelde de wettelijke grenswaarde. De huidige achtergrondconcentraties liggen ruim beneden de wettelijke grenswaarde. Er worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die leiden tot een substantiële toename van verkeer. De werkzaamheden ten behoeve van de aanleg genereren tijdelijk extra verkeer. In de gebruiksfase is het transformatorstation onbemand. Wel kan sprake zijn van sporadisch bezoek door personeel ten behoeve van inspectie en onderhoud. Dit zal gelijk zijn aan circa 15 busjes per jaar. Het transformatorstation genereert in principe geen uitstoot die leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Met de beoogde ontwikkeling blijven de achtergrondconcentraties ruim beneden de grenswaarden. Op het aspect stikstof is in paragraaf 4.7 van deze toelichting (natuur) nader ingegaan. Hieruit blijkt dat er vanuit dit aspect geen belemmeringen te verwachten zijn ten aanzien van de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied.
4.12.3 Conclusie Ten aanzien van het thema luchtkwaliteit vormen er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.13
Landschap en cultuurhistorie
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het verplicht om in een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de manier waarop er rekening is gehouden met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden (gebouwd erfgoed, cultuurlandschap en archeologie). Hierbij gaat het om zowel beschermde objecten en structuren, als niet beschermde objecten als structuren. Daarnaast dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening in de planvorming rekening te worden gehouden met het aspect landschap.
39 | 52
Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03
Hierbij gaat het om kenmerkende ruimtelijke patronen/structuren, karakteristieke beplantingsvormen en gebruikte soorten, de ruimtelijke opbouw van bebouwing in een gebied en natuurwaarden in de omgeving. De bescherming van cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet. Het uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is om het op een locatie aanwezige cultuurhistorische erfgoed te behouden. Dit houdt in dat bescherming moet worden geboden aan de aanwezige Rijks-, provinciale en gemeentelijke monumenten. Welstandsnota Zoetermeer Op 25 maart 2010 is de Welstandsnota Zoetermeer van kracht geworden (herzien in 2012). Hierin is aan de hand van gebiedsbeschrijvingen en architectuurstijlen het welstandsbeleid van de gemeente Zoetermeer vastgelegd. Tevens is een onderscheid gemaakt tussen gebieden met een regulier, intensief of luw welstandsbeleid en gemeentelijk beschermde stadsgezichten.
4.14
Resultaten
De Wiltonstraat is aangewezen als Intensief Welstandsgebied (zie afbeelding 4.7). Dit betekent dat een bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand wanneer: het in volume, maat, schaal en verschijningsvorm afgestemd is op zijn omgeving en zich naadloos voegt in het bestaande stadsbeeld; het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de openbare ruimte; het zich duidelijk herkenbaar richt op zijn omgeving en zich daar niet vanaf keert; het in overeenstemming is met de stedenbouwkundige en architectonische typologie en het gebied; het belangrijke doorzichten en zichtlijnen op cultuurhistorisch waardevolle structuren en gebouwen respecteert; het evenwichtig en beheerst is vormgegeven in goede maatverhoudingen en compositie van de onderdelen, daarin begrepen het kleur- en materiaalgebruik, de constructie en het deklandschap; het afgestemd is op de vorm, de kleur en het materiaalgebruik van de omliggende gebouwen; het consistent is in de gekozen bouwstijl; het bij restauraties respect betoont aan de authenticiteit en hoofdstructuur van het bestaande gebouw, daarin begrepen het bewaren of herstellen van de samenhang in het gevelbeeld. Toetsing aan de Welstandsnota is aan de orde bij het verlenen van een omgevingsvergunning bouwen. Landschappelijke inpassing en de daarmee samenhangende beeldkwaliteitseisen worden daarom later getoetst.
De verschijningsvorm van de gemetselde gebouwen zal in samenspraak met de Stadsbouwmeester worden vastgesteld.
40 | 52
Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03
Afbeelding 4.7 Plangebied globaal vergroot weergegeven met rode cirkel
4.14.1 Conclusie De Wiltonstraat is aangewezen als Intensief Welstandsgebied. De inpassing van de bebouwing is afgestemd op de omgeving in samenspraak met de gemeente. De verdere verschijningsvorm van de gemetselde gebouwen zal in samenspraak met de stadsarchitect worden vastgesteld en komt aan de orde bij de omgevingsvergunning bouwen en de welstandstoets. Het aspect landschap en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het plan.
4.15
Kabels en leidingen
De ongestoorde ligging van planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dient te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen en verbindingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.
4.15.1 Toetsingskader De leidingen en verbindingen zijn te verdelen in drie typen: 1 buisleidingen met een externe veiligheidszone; 2 bovengrondse hoogspanningslijnen; 3 overige leidingen. De eerste twee type leidingen zijn in ieder geval planologisch relevant. Voor de overige leidingen bepalen bevoegd gezag en leidingbeheerders of deze planologisch relevant zijn. Voorbeelden van planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: - gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen en goederen; - aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch;
41 | 52
Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03
-
defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.
4.15.2 Resultaten De ondergronds te realiseren kabels en leidingen ten behoeve van het transformatorstation worden niet als planologisch relevant beschouwd op basis van het Besluit externe veiligheid buisleidingen. In het bestemmingsplan is daarom geen beschermingszone opgenomen voor het kabel- en leidingentracé. In het plangebied liggen geen planologisch vastgelegde leidingen (zoals opgenomen in het bestemmingsplan). De overige niet planologische beschermde bestaande kabels en leidingen onder en nabij het plangebied worden tijdig geïnventariseerd. Ten behoeve van het project wordt (indien nodig) hierover tijdig afgestemd met de verantwoordelijke netbeheerders. Alvorens de aanleg plaatsvindt wordt een KLIC-melding gedaan.
4.15.3 Conclusie Er is geen noodzaak tot het planologisch vastleggen van het kabel- en leidingentracé ten behoeve van het transformatorstation. In het plangebied liggen geen planologisch vastgelegde leidingen (zoals opgenomen in het bestemmingsplan). Het aspect kabels en leidingen vormt daarmee geen belemmering voor de realisatie van het plan.
4.16
Ontplofbare oorlogsresten
In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten (voorheen: niet-gesprongen explosieven) in het plangebied en de gevolgen hiervan op voorgenomen ontwikkeling.
4.16.1 Toetsingskader Na de Tweede Wereldoorlog zijn op diverse plekken in Nederland ontplofbare oorlogsresten (verder OO genoemd) achtergebleven. Deze OO vormen een risico op het moment dat in de nabijheid van deze explosieven activiteiten in de bodem worden uitgevoerd, zoals graven. Voorafgaand aan deze bodemroerende werkzaamheden dient de aanwezigheid van deze OO uitgesloten te worden of dienen eventuele OO verwijderd te worden.
4.16.2 Resultaten Voor het gehele grondgebied van de gemeente Zoetermeer is een gemeente breed vooronderzoek uitgevoerd naar Ontplofbare Oorlogsresten. De locatie van het beoogde transformatorstation is niet aangewezen als verdacht gebied (zie onderstaande afbeelding 4.8).
42 | 52
Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03
Afbeelding 4.8 CE-bodembelastingkaart gemeente Zoetermeer (plangebied globaal rood omcirkeld)
Vervolgonderzoek is daarom niet noodzakelijk.
4.16.3 Conclusie De locatie van het beoogde transformatorstation is niet aangewezen als verdacht gebied op de CE bodembelastingkaart van de gemeente Zoetermeer. Het thema Ontplofbare Oorlogsresten vormt geen belemmering voor de uitvoering van het voornemen.
4.17
Bezonning
4.17.1 Toetsingskaders Er is geen wettelijk kader van toepassing voor het kwalitatief of kwantitatief beoordelen van beschaduwing. De meeste gemeenten hanteren de TNO-norm: de 'lichte' TNO-norm: ten minste twee mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende acht maanden) in midden vensterbank binnenkant raam; de 'strenge' TNO-norm: ten minste drie mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende tien maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. In de ‘visie Binnenstad 2040’ van de gemeente Zoetermeer zijn aanvullende beleidsregels met betrekking tot zon en schaduw opgenomen. De Zoetermeerse normen voor bezonning houden het volgende in: toetsingsperiode 19 februari en 21 oktober; minimale zonshoogte 10°; minimale potentiële bezonningsduur van twee uur per dag; geen verdere verslechtering in situaties met minder dan twee mogelijke zonuren;
43 | 52
Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03
-
meetpunt op één m hoogte in het midden van de gevel van de onderste woonlaag, in geval van woning op verdieping 0,75 m boven vloerpeil; maximale afname bezonningsduur als gevolg van nieuwbouw is 50 %; bezonningsduur ter plaatse van voor- en achtergevel mogen bij elkaar worden opgeteld; bij dakopbouw: maximale afname bezonningsduur 50 %; voorts is de norm van toepassing op openbare en semi-openbare ruimten met een recreatieve functie en op buitenruimten bij scholen en kindercentra. Er is hier in de berekening van de bezonningsduur sprake van voldoende bezonning als meer dan 50 % van de oppervlakte in de zon ligt.
In de visie opgenomen dat de bezonning in beeld dient te worden gebracht op enkele maatgevende dagen in het jaar. Het betreft 19 februari (vergelijkbaar 21 oktober) alsmede op 21 juni. Dit beleidskader van de gemeente Zoetermeer is van toepassing op de realisatie van hoogbouw (bebouwing van 30 m of hoger). Ondanks dat door de realisatie van het transformatorstation geen sprake is van hoogbouw, is het wenselijk om in het kader van een goede ruimtelijke ordening de effecten inzichtelijk te maken. In de directe omgeving van de beoogde locatie voor het transformatorstation zijn er twee bedrijfspanden gelegen. Ten noordoosten van het plangebied is een bedrijfsverzamelgebouw. Uit het raadplegen van een bezonningsdiagram volgt dat op 19 februari en 21 oktober enkel in de namiddag sprake kan zijn van schaduwwerking op de zuidwestelijke gevel van het pand. In juni is geen sprake van schaduwwerking op dit pand. Er wordt dus voldaan aan de minimale potentiële bezonningsduur van twee uur per dag. Tevens wordt opgemerkt dat de bestaande bomen in het plangebied reeds voor schaduwwerking zorgen. Daarnaast geldt dat op grond van de vigerende enkelbestemming ‘Groen’ een nutsvoorziening mag worden gebouwd met een bouwhoogte van maximaal 5 m. De bebouwing van het beoogde transformatorstation heeft een bouwhoogte van circa 6,6 m.
In voorliggend bestemmingsplan wordt een maximale bouwhoogte van 7 m toegestaan. Aan de zuidwestelijke zijde van het plangebied bevindt zich een mobiliteitsbedrijf. Door de ligging van het bedrijf ten zuidenwesten van het plangebied kan bij voorbaat vastgesteld worden dat het niet mogelijk is dat deze negatieve effect ten aanzien van bezonning ondervindt. Gelet op bovenstaande is er geen aanleiding om te verwachten dat schaduwwerking tot onaanvaardbare hinder leidt.
44 | 52
Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03
5 JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de juridische planbeschrijving. Achtereenvolgens wordt ingegaan op de algemene opzet van de planregels en een toelichting op de regels (onder andere bestemmingsregels).
5.1
Algemeen
5.1.1
Wat is een bestemmingsplan?
Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, et cetera) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat: de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren; de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning tot bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt: het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen). En een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: het bebouwen van de gronden; het verrichten van werken (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument.
Andere ruimtelijke wetten en regels zoals de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Wet algemene bepalingen Omgevingsrecht zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.
5.1.2
Over bestemmen en aanduiden
Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de regels zijn opgenomen. De toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen met behulp van een aanduiding nader worden ingevuld. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur of een lettercode et cetera. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben.
45 | 52
Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03
5.1.3
Hoofdstukopbouw van de regels
De regels zijn verdeeld in vier hoofdstukken: 1 inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2); 2 bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en gebruiksregels opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn, dan worden deze ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsbepalingen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels en gebruiksregels opgenomen die specifieker ingaan op bijvoorbeeld de bouwhoogte, situering van gebouwen en de toegestane functies. Aansluitend worden afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels opgenomen. In een enkel geval worden ruimere mogelijkheden geboden door het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsplanbepalingen ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.
Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld; 3 algemene regels. In de laatste twee hoofdstukken zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Deze bepalingen hebben betrekking op het gehele plan. Het betreffen achtereenvolgens algemene regels, zoals een anti-dubbeltelregel, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels; 4 overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
5.2
Dit bestemmingsplan
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. Een toelichting op de bestemmingen is hierna opgenomen. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen hierboven is beschreven. Tevens is aangesloten bij de meest actuele landelijke standaarden voor de regels en de verbeelding, te weten de SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012) en IMRO2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening 2012). Qua inhoud en opzet is aangesloten bij recente en vergelijkbare bestemmingsplannen van de gemeente Zoetermeer.
5.3
Toelichting op de regels
5.3.1
Inleidende regels
Begrippen die in de regels worden gebruikt en die uitleg behoeven, worden in het eerste artikel van het bestemmingsplan uitgelegd. Vervolgens bevat het tweede artikel technische regelingen om onder andere oppervlaktes, hoogtes, dieptes en breedtes te kunnen bepalen.
46 | 52
Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03
5.3.2
Bestemmingsregels
De regels hebben voor elke bestemming dezelfde opbouw met achtereenvolgens, voor zover aanwezig, de volgende leden: - bestemmingsomschrijving; - bouwregels; - nadere eisen (indien aanwezig); - afwijken van de bouwregels (indien aanwezig); - specifieke gebruiksregels (indien aanwezig); - afwijken van de gebruiksregels (indien aanwezig); - omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (indien aanwezig); - wijzigingsbevoegdheid (indien aanwezig). Centraal staat de bestemmingsomschrijving. Daarin worden limitatief de functies en waarden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan respectievelijk worden beschermd. In een aantal gevallen geeft de bestemmingsomschrijving daarbij nog een nadere beperking in de vorm van een bestemmingscategorie of bijvoorbeeld een gebiedsbegrenzing, een maximale oppervlakte- of inhoudsmaat dan wel een beperking tot de bestaande bebouwing. De bouwregels zijn direct aan de bestemmingsomschrijving gerelateerd. Ook de gebruiksregels zijn gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving, zij het dat deze regels zijn opgenomen in de algemene gebruiksregels in hoofdstuk 3. Hierin is bepaald dat het verboden is de onbebouwde grond en/of de daarop aanwezige bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel in strijd met het in het plan bepaalde.
Bedoeld wordt een gebruik in strijd met de bestemmingsomschrijving. De afwijkings- en wijzigingsregels geven het bevoegd gezag bevoegdheden om onder voorwaarden af te wijken van een regel of onder voorwaarden het plan te wijzigen. Enkelbestemmingen Bedrijf - Nutsvoorziening De bestemming ‘Bedrijf - Nutsvoorziening’ is opgenomen voor het terrein van Stedin. In de bestemming is geregeld dat een nutsvoorziening ten behoeve van de distributie van stroom tot ten hoogste categorie 3.1 uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten is toegestaan. Een transformatorstation is de Staat van Bedrijfsactiviteiten opgenomen onder 'elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen'. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën op basis van het aantal MVA van de transformatoren. Omdat het totale transformatorvermogen van het station 10 - 100 MVA is, valt het station in milieucategorie 3.1. Op de verbeelding is een bouwvlak opgenomen waarbinnen de nieuwe bebouwing dient te komen (transformatorgebouw en schakelgebouw). De maximale bouwhoogte van beide gebouwen bedraagt 7 m. Deze maximale bouwhoogte is in de planregels geborgd met een aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)'. Voor de erfafscheiding rond het perceel is een maximale hoogte van 3 m opgenomen.
5.3.3
Algemene regels
Hoofdstuk 3 van het bestemmingsplan bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied van het bestemmingsplan. Hieronder worden de algemene regels van dit bestemmingsplan toegelicht. Anti-dubbeltelregel Deze regel bepaalt dat er niet twee keer voor eenzelfde locatie een bouwplan kan worden ingediend.
47 | 52
Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03
Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn de algemene gebruiksregels opgenomen. Hierin is aangegeven welke functies in ieder geval in strijd zijn met het bestemmingsplan. Algemene aanduidingsregels In dit artikel worden de regels gesteld over gebiedsaanduidingen. Dit is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor naast de bestemmingen specifieke regels gelden of waar nadere afwegingen moeten worden gemaakt. In dit bestemmingsplan komt geen gebiedsaanduiding voor. Overige regels In de overige regels is de verhouding geregeld tussen dit bestemmingsplan en de onderliggende vigerende bestemmingsplannen en beheersverordeningen. Ter plaatse van de enkelbestemmingen in dit bestemmingsplan komen de enkelbestemmingen uit de vigerende bestemmingsplannen dan wel beheersverordeningen te vervallen. Ter plaatse van de dubbelbestemmingen in dit bestemmingsplan prevaleren de dubbelbestemmingen en blijven de onderliggende bestemmingen op basis van de vigerende bestemmingsplannen danwel beheersverordeningen van kracht voor zover zij niet strijdig zijn met de dubbelbestemmingen.
5.3.4
Overgangs- en slotregels
Conform het Bro (artikel 3.2.1 en 3.2.2) zijn standaardregels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik. Hierin is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
48 | 52
Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03
6 UITVOERBAARHEID In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de maatschappelijke uitvoerbaarheid en economische uitvoerbaarheid van het plan.
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Een bestemmingsplan dient maatschappelijk uitvoerbaar te zijn. Dat wil zeggen dat de voorgenomen ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan zijn besproken met belanghebbenden.
6.1.1
Belanghebbende overheden
Het voorontwerp bestemmingsplan is voorgelegd aan de belanghebbende overheden (het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) en de provincie Zuid-Holland). Uit dit vooroverleg is gebleken dat in het plan de belangen van deze overheden voldoende zijn gewaarborgd (zie ook paragraaf 7.2).
6.1.2
Participatie omwonenden en grondeigenaren
Tot slot zijn de grondeigenaren in en rondom het plangebied belanghebbend. Door Stedin is in samenwerking met de gemeente op 2 februari 2023 een inloopmiddag georganiseerd in Het Wapen van Zoetermeer aan de Zegwaartseweg 31. Deze middag was zowel voor het nieuwe transformatorstation aan de Edisonstraat als voor onderhavig station. Stedin had voor deze bijeenkomst een groot aantal aanwonenden (en gebruikers van bedrijven) door middel van brieven uitgenodigd. Tijdens deze middag zijn geen werknemers of eigenaren van bedrijven in de nabijheid van onderhavig station verschenen. Wel enkele aanwonenden en werknemers van de naast het transformatorstation aan de Edisonstraat gelegen bedrijf. Tijdens deze inloopmiddag zijn vragen beantwoord en suggesties van bezoekers betrokken bij de verdere planvorming. Verder kan een ieder in het kader van de bestemmingsplanprocedure een zienswijze indienen op het ontwerpbestemmingsplan en kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
De kosten van de aanleg en instandhouding komen voor rekening van de initiatiefnemer (Stedin). Er zijn voor de gemeente geen verhaalbare kosten aan verbonden. Het opstellen van een exploitatieplan is niet noodzakelijk.
49 | 52
Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03
Stedin heeft budgetten opgenomen om de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken (inclusief de verwerving van de gronden). Het plan wordt daarom economisch uitvoerbaar geacht. De economische uitvoerbaarheid van het project is hiermee gewaarborgd.
6.2.1
Planschade
Door wijzigingen van de planologische bestemming en de bijbehorende regels, kan er voor belanghebbenden (eigenaren, overige zakelijke gerechtigden en persoonlijk gerechtigden) in de nabijheid van het transformatorstation schade ontstaan. Deze schade wordt planschade genoemd. De grondslag voor de tegemoetkoming in planschade wordt gevormd door afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Tegemoetkoming is aan de orde indien schade ontstaat in de vorm van inkomensderving of vermindering van de waarde van een onroerende zaak door een wijziging van het planologisch regime, die leidt tot een planologisch nadeel voor een belanghebbende. Overigens leidt niet ieder planologisch nadeel tot (voor vergoeding in aanmerking komende) schade. Een tegemoetkoming wordt toegekend voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins verzekerd is. Dit laatste is bijvoorbeeld aan de orde bij de vestiging van zakelijke rechten en de verwerving van objecten. In deze gevallen is sprake van een volledige schadeloosstelling, dus inclusief een tegemoetkoming in planschade. De planschade is op die manier anderszins verzekerd.
6.3
Handhaafbaarheid
Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in het bestemmingsplan ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Zoetermeer vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een omgevingsvergunning. Uitvoering van bestemmingsplannen dient strikt te worden toegepast en gehandhaafd, omdat met het bestemmingsplan het waarborgen en verbeteren van het leefmilieu kan worden aangestuurd. Een recent bestemmingsplan met duidelijke en hanteerbare regels maakt handhaving eenvoudiger. Wat hierbij wel noodzakelijk is zijn eenduidige en eenvoudige bestemmingsplanbepalingen die goed werkbaar zijn.
De doeleindenomschrijving is daarbij belangrijk. Een duidelijke uitleg in de toelichting van het bestemmingsplan van de voorkomende bestemmingen kan verwarring en interpretatieverschillen voorkomen.
50 | 52
Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03
7 PROCEDURE 7.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt de procedure van het plan beschreven. Achtereenvolgens wordt ingegaan op de voorontwerpfase, ontwerpfase en de vaststellingsfase van het plan.
7.2
Voorontwerpfase
Een voorontwerp van een bestemmingsplan is een (eerste) concept. Artikel 3.1.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat het gemeentebestuur bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. De gemeente Zoetermeer heeft het voorontwerpbestemmingsplan digitaal beschikbaar gesteld aan de Provincie Zuid-Holland en het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK). De ingekomen reacties zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Uit dit vooroverleg is gebleken dat in het plan de waterschapsbelangen en provinciale belangen voldoende zijn gewaarborgd. De voorontwerpfase is niet voorgeschreven door de Wro en maakt geen deel uit van de ‘officiële’ procedure.
7.3
Ontwerpfase
Het ontwerpbestemmingsplan ligt gedurende zes weken ter inzage. Gedurende deze periode kan eenieder zienswijzen indienen op het ontwerpbestemmingsplan.