CConstaterende datZoetermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Toelichting Ontwerpbestemmingsplan Transformatorstation Wiltonstraat Stedin

Raadsvergadering 8 juli 2024, gemeente ZoetermeerBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling Bestemmingsplan Transformatorstation Wiltonstraat Stedin27.981 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Transformatorstation Stedin Wiltonstraat Zoetermeer Toelichting bestemmingsplan

Stedin Netbeheer B.V. 6 november 2023

Project Opdrachtgever

Document Status Datum Referentie

Adres

Transformatorstation Stedin Wiltonstraat Zoetermeer Stedin Netbeheer B.V.

Toelichting bestemmingsplan Definitief 03 6 november 2023 135677/23-017.714

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Koningin Julianaplein 10, 12e etage Postbus 85948 2508 CP Den Haag +31 (0)70 370 07 00 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

6

1.1

Aanleiding tot nieuw bestemmingsplan

6

1.2

Ligging plangebied

6

1.3

Geldende bestemmingsplannen

7

1.3.1 1.3.2 1.3.3

7 7 8

Bestemmingsplan ‘ Noordelijke Bedrijventerrein’ Bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren en Geluidsgevoelige objecten’ Bestemmingsplan ‘Parapluherziening Dagstandplaatsen Zoetermeer’

1.4

Andere procedure(s) en gerelateerde projecten

8

1.5

Leeswijzer toelichting

8

2

BESCHRIJVING PLANGEBIED

9

2.1

Huidige situatie

9

2.2

Toekomstige situatie

10

3

BELEIDSKADERS

12

3.1

Rijksbeleid

12

3.1.1 3.1.2 3.1.3

12 13 13

3.2

3.4

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Ladder voor duurzame verstedelijking

Provinciaalbeleid

13

3.2.1 3.2.2 3.2.3

13 16 16

Omgevingsvisie Zuid-Holland Omgevingsprogramma Zuid-Holland Omgevingsverordening Zuid-Holland

Gemeentelijk beleid

18

3.4.1

18

Zoetermeer 2040

4

MILIEU-OMGEVINGSASPECTEN

20

4.1

Besluit milieueffectrapportage

20

4.3

Geluid

22

4.3.1 4.3.2 4.3.3

Toetsingskader Resultaten Conclusie

22 23 23

4.4

Externe veiligheid

23

4.4.1 4.4.2

24 24

Toetsingskader Resultaten

4.5

Magneetvelden

26

4.6

Verkeer en parkeren

26

4.7

Natuur

27

4.7.1 4.7.2 4.7.3 4.8

Bodem 4.8.1 4.8.2 4.8.3

4.9

4.10

4.11

27 29 33 33

Toetsingskader Resultaten Conclusie

33 33 34

Archeologie

34

4.9.1 4.9.2 4.9.3

34 34 35

Toetsingskaders Resultaten Conclusie

Trillingen

35

4.10.1 4.10.2 4.10.3

35 36 36

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Water 4.11.1 4.11.2 4.11.3

4.12

Toetsingskaders Resultaten Conclusie

36 Toetsingskader Resultaten Conclusie

37 37 38

Luchtkwaliteit

38

4.12.1 4.12.2 4.12.3

39 39 39

Toetsingskader Resultaten Conclusie

4.14

Resultaten

40

4.16

Ontplofbare oorlogsresten

42

4.16.1 4.16.2 4.16.3

42 42 43

4.17

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Bezonning

43

4.17.1

43

Toetsingskaders

5

JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING

45

5.1

Algemeen

45

5.1.1 5.1.2 5.1.3

45 45 46

5.2

Wat is een bestemmingsplan? Over bestemmen en aanduiden Hoofdstukopbouw van de regels

Dit bestemmingsplan

46

5.3

Toelichting op de regels

46

5.3.1 5.3.2 5.3.3 5.3.4

46 47 47 48

Inleidende regels Bestemmingsregels Algemene regels Overgangs- en slotregels

6

UITVOERBAARHEID

49

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

49

6.1.1 6.1.2

49 49

6.2

Belanghebbende overheden Participatie omwonenden en grondeigenaren

Economische uitvoerbaarheid

49

6.2.1

50

Planschade

6.3

Handhaafbaarheid

50

7

PROCEDURE

51

7.1

Inleiding

51

Laatste pagina

52

Bijlage(n) I

Ontwerptekeningen

II III

Quickscan flora en fauna en nader onderzoek potentieel jaarrond beschermde nesten Stikstof depositieonderzoek

IV

Historisch vooronderzoek bodem en verkennend bodemonderzoek

V

Watertoets

Aantal pagina's

1 INLEIDING 1.1

Aanleiding tot nieuw bestemmingsplan

Als gevolg van de toenemende vraag naar elektriciteit en anderzijds de toenemende terug levering van elektriciteit op het net door duurzame energieopwekking is het noodzakelijk de capaciteit van het elektriciteitsnet te vergroten. Ook in Zoetermeer is versterking van het elektriciteitsnet aan de orde. Om de capaciteitsproblematiek op het elektriciteitsnet op te lossen is Stedin Netbeheer B.V. (hierna: Stedin) voornemens om een nieuw transformatorstation ten behoeve van de regionale energie-infrastructuur op te richten aan de Wiltonstraat (bekend onder de naam Zoetermeer 2, ZTM2). Het huidige transformatorstation ‘Zoetermeer 2’ is niet meer toereikend qua capaciteit en biedt niet de ruimte om uit te breiden. Daarom is nieuwbouw op een ander kavel noodzakelijk. Stedin is daarom op zoek gegaan naar een geschikte locatie in de nabijheid van het bestaande transformatorstation aan de Schoolstraat. Het bestaande transformatorstation wordt na ingebruikname van het nieuwe station aan de Wiltonstraat gesloopt. Het station aan de Wiltonstraat zal bestaan uit een transformatorstation (trafocellen), een schakelgebouw en verbindende ondergrondse kabels. In de bebouwing worden schakelinstallaties en drie vermogenstransformatoren met een elektrisch vermogen van 22,5 MVA geplaatst. Het maximaal in te schakelen vermogen van het station bedraagt 67,5 MVA.

Het voornemen is niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de juridisch-planologische vertaling van het voornemen.

1.2

Ligging plangebied

De beoogde locatie van het transformatorstation is gelegen aan de Wiltonstraat in het zuidoosten van Zoetermeer. Het plangebied is gelegen op bedrijventerrein Hoornerhage en is kadastraal bekend als kadastrale gemeente Zegwaard, sectie E, nummer 2620. Afbeelding 1.1 geeft de ligging en afbakening van het plangebied weer.

6 | 52

Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03

Afbeelding 1.1 Zoom-in plangebied en het inrichtingsplan op hoofdlijnen

1.3

Geldende bestemmingsplannen

Op de beoogde locatie gelden de volgende bestemmingsplannen: - bestemmingsplan ‘Noordelijke Bedrijventerreinen’ (onherroepelijk sinds 20 september 2013); - bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren en Geluidsgevoelige objecten’ (onherroepelijk, vastgesteld sinds 15 mei 2018); - bestemmingsplan ‘Parapluherziening Dagstandplaatsen Zoetermeer’ (onherroepelijk, vastgesteld 10 december 2020).

1.3.1

Bestemmingsplan ‘ Noordelijke Bedrijventerrein’

Op de locatie van het te realiseren transformatorstation zijn in het vigerende bestemmingsplan ‘Noordelijke Bedrijventerreinen’ binnen de van toepassing zijnde enkelbestemming ‘groen’ reeds nutsvoorzieningen toegestaan. Hoewel binnen deze bestemming nutsvoorzieningen zijn toegestaan, wordt hierbinnen niks geregeld met betrekking tot bedrijven en milieucategorieën of transformatorstations. Daarnaast is de beoogde bebouwing van dusdanige omvang dat deze niet past binnen de bouwregels van de vigerende enkelbestemming ‘Groen’. Derhalve wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld waarin een transformatorstation expliciet wordt toegestaan.

1.3.2

Bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren en Geluidsgevoelige objecten’

Het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren en Geluidsgevoelige objecten’ bevat het toetsingskader voor voldoende parkeerkeergelegenheid bij het verlenen van omgevingsvergunningen. Het thema parkeren wordt nader toegelicht in paragraaf 4.6 van deze toelichting. Met de beoogde ontwikkeling worden geen geluidsgevoelige objecten gerealiseerd. Een nadere toetsing aan de planregels met betrekking tot geluidsgevoelige objecten is niet aan de orde.

7 | 52

Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03

1.3.3

Bestemmingsplan ‘Parapluherziening Dagstandplaatsen Zoetermeer’

Het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Dagstandplaatsen Zoetermeer’ bevat geen bepalingen welke relevant zijn voor de voorgenomen ontwikkeling. Een nadere toetsing aan dit bestemmingsplan is daarmee niet aan de orde.

1.4

Andere procedure(s) en gerelateerde projecten

In de omgeving van de voorgenomen ontwikkeling zijn geen projecten bekend die mogelijk van invloed zijn op de realisatie. Verder zijn geen andere procedures van toepassing op het voornemen.

1.5

Leeswijzer toelichting

De toelichting bij voorliggend bestemmingsplan bestaat uit 7 hoofdstukken. Na dit eerste inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader beschreven dat van toepassing is op het voornemen en het plangebied. Hoofdstuk 4 onderbouwt de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de milieu- en omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 worden de planregels nader toegelicht. Vervolgens worden in hoofdstuk 6 en 7 de uitvoerbaarheid respectievelijk de bestemmingsplanprocedure beschreven.

8 | 52

Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03

2 BESCHRIJVING PLANGEBIED In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van het plangebied gelet op zowel de huidige als beoogde toekomstige situatie.

2.1

Huidige situatie

Het plangebied is gelegen op bedrijventerrein Hoornerhage, ter hoogte van de overgang van de Wiltonstraat in de Phillipsstraat. Het plangebied bevindt zich in de bebouwde kom van Zoetermeer (zie afbeelding 2.1). Op de aangrenzende percelen ten noorden en ten zuiden bevinden zich diverse bedrijven. Direct ten oosten van het plangebied ligt een verlichte doorgaande weg, de Oostweg, die aansluit op de A12. Tussen de Oostweg en het plangebied ligt een sloot en een bomenrij. Aan zuidoostkant van de Oostweg ligt het Van Tuyllpark.

Afbeelding 2.1 Ligging plangebied (rood) en bedrijventerrein Hoornerhage (blauw)

9 | 52

Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03

Het plangebied bestaat uit een klein bosschage met enkele bomen (zwarte els en zomereik) en ondergroei van gewone vlier, braam en brandnetel (zie afbeelding 2.2). Het plangebied is ontsloten door de Wiltonstraat en de Philipsstraat. Op het moment van schrijven is het perceel in eigendom van de gemeente Zoetermeer. Beoogd wordt om de gronden te verkopen aan Stedin.

Afbeelding 2.2 Impressie plangebied

2.2

Toekomstige situatie

Het voornemen is om een inpandig transformatorstation te realiseren. Het station bestaat uit twee gebouwen: een schakelgebouw en een transformatorgebouw. Het schakelgebouw en het transformatorgebouw hebben een gezamenlijke oppervlakte van circa 485 vierkante m. Beide gebouwen hebben een hoogte van 6,65 m boven maaiveld. Het transformatorstation is in principe onbemand, maar wordt af en toe bezocht voor inspectie en onderhoud. Schakelgebouw Het schakelgebouw bestaat uit twee verdiepingen met op de eerste verdieping twee kabelschachten en twee traforuimtes. Op de tweede verdieping staan twee ruimtes met schakelkasten, een accuruimte en een laagspanningsinstallatie. Transformatorgebouw Het transformatorgebouw bestaat uit drie trafo’s (in drie trafocellen) met een vermogen bij vollast van 67,5 MVA die inpandig zijn geplaatst in een gebouw. In de trafocellen wordt de elektrische spanning veranderd zodat netten en verbindingen met verschillende netspanningen aan elkaar gekoppeld kunnen worden. Aan de voorzijde van het gebouw wordt gebruik gemaakt van een demontabel roostergevel. Tevens wordt een kelder geplaatst als onderdeel van het transformatorgebouw.

10 | 52

Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03

De transformators zijn gevuld met olie (10.000 liter). De kelder van het transformatorgebouw is ontworpen om bij een eventuele calamiteit lekkages te voorkomen. De kelder vervult de functie van een lekbak bij eventuele lekkages. Het transformatorstation is in principe onbemand, maar wordt af en toe bezocht voor inspectie en onderhoud. Terreininrichting Het terrein wordt grotendeels voorzien van halfverharding (grasbetontegels), betontegels en heesters/struiken. In totaal worden drie parkeerplaatsen gerealiseerd op eigen terrein. De verbindende kabels worden ondergronds gerealiseerd. Voor het realiseren van de kabels en het transformatorstation worden de bomen binnen het plangebied verwijderd en indien mogelijk herplant. Klimaatadaptatie Op het gebied van klimaat worden in het standaardontwerp van de gebouwen van Stedin maatregelen opgenomen voor laag energieverbruik. De energie die nodig is voor de bedrijfsvoering van het station wordt beperkt door onder andere: extra goed geïsoleerde muren en daken, natuurlijke ventilatie en slimme klimaatregeling en het toepassen van ledverlichting in combinatie met bewegingssensoren. Verder hanteert Stedin ontwerpeisen voor nieuwe transformatorstations. Hierin worden onder andere voorwaarden gesteld aan het hittebestendig ontwikkelen en ontwerpen van het gebouw, ter voorkoming van hittestress en oververhitting van de binnenruimtes.

In het ontwerp van een nieuw schakelgebouw wordt ingezet op het vergroenen en wordt het platte dak van een groendak met waterbuffering (groen/blauw dak) voorzien. Op het terrein zoekt Stedin ook naar mogelijkheden die de esthetische en landschappelijke inpasbaarheid van de transformatorstations vergroten. Op die manier hebben deze aspecten een positief effect op, voornamelijk, klimaat en biodiversiteit. Het terrein wordt grotendeels voorzien van grasbetontegels, waardoor het terrein een groene uitstraling krijgt. Tevens is deze terreinverharding waterdoorlatend. Waar mogelijk wordt het terrein verder bekleed met laag blijvende struiken voorzien.

11 | 52

Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03

3 BELEIDSKADERS In dit hoofdstuk wordt voor de voorgenomen ontwikkeling het relevante ruimtelijk beleid en wet- en regelgeving beschreven. Aangegeven wordt wat de relatie is tussen het plan en het beleid/wet- en regelgeving. Daarnaast wordt getoetst of het plan in overeenstemming is met het geldende beleid/wet- en regelgeving.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Daarnaast beschrijft de NOVI nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in vier prioriteiten: 1 ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2 een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; 3 sterke en gezonde steden en regio’s; 4 een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Daarnaast zijn in de NOVI 21 nationale belangen beschreven. Relatie NOVI met voorgenomen ontwikkeling Eén van de nationale belangen is het realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur (belang 11). Vitale functies in de maatschappij zijn afhankelijk van een betrouwbare toelevering en uitwisseling van energie. Energie moet veilig worden opgewekt, gewonnen, getransporteerd, opgeslagen en gebruikt.

De hoofdinfrastructuur voor opwekking, winning, conversie, opslag en transport van energie is onderdeel van dit nationale belang. Het transformatorstation is noodzakelijk om te kunnen (blijven) voorzien in de vraag naar elektriciteit in de omgeving. De energietransitie vraagt om uitbreiding van het elektriciteitsnet. Het huidige transformatorstation ‘Zoetermeer 2’ is niet meer toereikend qua capaciteit en biedt niet de ruimte om uit te breiden. Daarom is nieuwbouw noodzakelijk op een ander kavel. Het nieuwe transformatorstation is van essentieel belang voor een goed functionerend en betrouwbaar elektriciteitsnetwerk. De realisatie van het nieuwe transformatorstation in Zoetermeer sluit aan op de belangen beschreven in de NOVI met betrekking tot ‘het realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur’.

12 | 52

Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening bevestigt in juridische zin de kaderstellende uitspraken uit de NOVI ten aanzien van de daarin genoemde nationale belangen. Het Barro wordt nader uitgewerkt in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Relatie Barro met voorgenomen ontwikkeling In 2012 is een aantal onderwerpen toegevoegd aan het Barro, waaronder het onderwerp elektriciteitsvoorziening. In het Barro zijn voor bestemmingsplannen met betrekking op hoogspanningsverbindingen, waaronder ook de schakel- en transformatorstations, regels opgenomen. Onder hoogspanningsverbindingen wordt in het Barro een verbinding met een spanning van ten minste 220 kV bedoeld. De voorgenomen ontwikkeling betreft geen schakel- en transformatorstation voor 220 kV (of hoger) verbindingen. Het Barro stelt geen regels aan bestemmingsplannen voor verbindingen met een spanning van minder dan 220 kV. Daarnaast kan het voorkomen dat een ruimtelijk plan conflicteert met de belangen uit het Barro. Zo is de voorgenomen ontwikkeling gelegen in een radarverstoringsgebied voor een radarstation (zone maximale hoogte windturbines). Er is geen sprake van de oprichting van windturbines in voorliggend bestemmingsplan. Voorliggend bestemmingsplan voldoet aan de eisen die in het Barro gesteld worden.

3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe laddersystematiek geldt. Deze regeling staat beschreven in artikel 3.1.6 Bro. Het bevoegd gezag moet voldoen aan een motiveringsvereiste als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt via een bestemmingsplan, uitwerkings- of wijzigingsplan, of een omgevingsvergunning. Zo bevat een dergelijk plan een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het plan een ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. De laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Mede aan de hand van jurisprudentie is duidelijk welke ontwikkelingen al dan niet worden aangemerkt als (nieuwe) stedelijke ontwikkeling.

Relatie ladder voor duurzame verstedelijking met voorgenomen ontwikkeling Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van een transformatorstation mogelijk. Jurisprudentie (RvS 26 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1123) heeft aangetoond dat een transformatorstation niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling worden beschouwd. Een toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking kan daarom achterwege blijven.

3.2

Provinciaalbeleid

3.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland

De meest recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 februari 2023. De Omgevingsvisie bestaat uit drie onderdelen, te weten Ruimtelijke hoofdstructuur, Ambities en sturing en Omgevingskwaliteit.

13 | 52

Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03

Ruimtelijke hoofdstructuur De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden: - het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hoogwaardig openbaar vervoer (HOV) verbonden regiokernen; - de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht; - het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur; - de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie; - de groene ruimte en de groenblauwe structuur; - het bodem- en watersysteem; - energie. Ambities en sturing De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft zes richtinggevende ambities geformuleerd in de fysieke leefomgeving. Door in te zetten op de zes ambities wordt bijgedragen aan het sterker maken van Zuid-Holland.

Deze ambities zijn: - naar een klimaatbestendige delta; - naar een nieuwe economie: the next level; - naar een levendige meerkernige metropool; - energievernieuwing; - best bereikbare provincie; - gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Deze ambities zijn vertaald in beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. Omgevingskwaliteit Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit: - een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken; - een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit; - een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de ‘kwaliteitskaart’ en de ‘richtpunten ruimtelijke kwaliteit’. Relatie Omgevingsvisie met voorgenomen ontwikkeling Ruimtelijke hoofdstructuur De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet direct van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. Wel sluit het voorgenomen plan aan op het ambitiethema energie.

Ambities en sturing De provincie Zuid-Holland streeft naar een substantiële verhoging van het aandeel duurzame energie. Daarnaast spant de provincie zich in om Europese en nationale energiedoelen in de breedte te bereiken, namelijk het realiseren van de reductie van energieverbruik en de uitstoot van broeikasgassen, met name CO2. Hierbij wordt vanuit een integrale benadering de energietransitie bevorderd. Het realiseren van een transformatorstation vormt een essentieel onderdeel in de integrale benadering voor het bevorderen van de (regionale) energietransitie.

14 | 52

Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03

Omgevingskwaliteit Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit van belang. Ruimtelijke ontwikkelingen die maatschappelijk en economisch gewenst zijn, moeten bijdragen aan de balans tussen de instandhouding, benutting en versterking van de bestaande gebiedskwaliteiten. Deze gebiedskwaliteiten vinden hun grondslag in de drie onderscheiden deltalandschappen. De kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten geven richting aan de wijze waarop ontwikkelingen kunnen inspelen op ruimtelijke gebiedskwaliteiten. Hierna wordt ingegaan op de relevante kaartlagen. Laag van de ondergrond Op de laag van de ondergrond is het plangebied aangewezen als ‘Bijzonder reliëf en aardkundige waarden’. Binnen dit landschap zijn nog een aantal bijzondere, natuurlijke hoogteverschillen te vinden. Vanwege de hogere ligging waren deze plekken aantrekkelijk voor (pre)historische bewoning. Het zijn vaak plekken van grote archeologische en aardkundige waarde. Behoud van dit reliëf houdt de leesbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het gebied in stand. Richtpunt hierbij zijn: ontwikkelingen houden de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand; waar mogelijk worden de archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Door de geringe omvang van het voorgenomen plan is geen sprake van invloed op het reliëf in het landschap en archeologische waarden. Het landschap vormt geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen. Laag van occupatie Op de laag van de stedelijke occupatie is de locatie van het voornemen aangeduid als ‘steden en dorpen’. Ontwikkelingen dienen hier bij te dragen aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van het dorp en versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. Relevante richtpunten zijn: - ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp; - hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur; - daar waar hoogbouw niet samenvalt met ‘zwaartepunten’ in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving; - ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur; - cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd; - historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied.

Bij bedrijventerreinen krijgt de beeldkwaliteit van de randen, een goede ontsluiting en de samenhang met de omgeving extra aandacht. In algemene zin geldt dat het voornemen van dermate kleinschalige aard is dat er geen sprake is van het aantasten van de karakteristieke kenmerken/identiteit van het karakter van de locatie van het voornemen en de omliggende omgeving. Richtpunten ruimtelijke kwaliteit energie Ten aanzien van het thema Energie zijn in de Omgevingsvisie specifiek richtpunten opgenomen voor bouwwerken voor elektriciteitsopslag en/of -distributie. Vanwege de technische verschijningsvorm sluit het bouwwerk vaak als vanzelf aan bij een industriële en infrastructurele omgeving. Bij andere gebiedskenmerken is de opgave groter om het bouwwerk op vanzelfsprekende wijze te plaatsen in het landschap. De volgende richtpunten worden in acht genomen: - bij de locatiekeuze wordt afgewogen hoe het bouwwerk de gewenste ruimtelijke structuur in een gebied kan versterken, aangezien de nabijheid van een aansluitpunt op het elektriciteitsnetwerk aantrekkingskracht heeft voor energieverbruikers en -leveranciers; - met een beeldkwaliteitsparagraaf wordt de ruimtelijke impact inzichtelijk gemaakt en een passende verschijningsvorm en zorgvuldige landschappelijke inpassing aangetoond.

15 | 52

Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03

Het huidige transformatorstation ‘Zoetermeer 2’ is niet meer toereikend qua capaciteit en biedt niet de ruimte om uit te breiden. Daarom is nieuwbouw op een ander kavel noodzakelijk. Stedin is op zoek gegaan naar een geschikte locatie in de nabijheid van het bestaande transformatorstation aan de Schoolstraat. Het bestaande transformatorstation wordt na ingebruikname van het nieuwe station aan de Wiltonstraat gesloopt. In hoofdstuk 4.13 van deze toelichting wordt nader ingegaan op de verschijningsvorm en landschappelijke inpassing van de bebouwing. Conclusie Het voorgenomen plan past binnen de globale lijnen die zijn uitgezet in de omgevingsvisie. De samenhangende beleidskeuzes worden verder uitgewerkt in het Omgevingsprogramma en de Omgevingsverordening. Voor de toetsing aan het Omgevingsprogramma en de Omgevingsverordening wordt verwezen naar paragraaf 3.2.2 en 3.2.3 van deze toelichting.

3.2.2

Omgevingsprogramma Zuid-Holland

Het Omgevingsprogramma Zuid-Holland is een uitwerking van de beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het Omgevingsprogramma is een overzicht van alle maatregelen inclusief de onderliggende activiteiten. Het Omgevingsprogramma is 6 april 2021 vastgesteld door Provinciale Staten. Sindsdien is het Omgevingsprogramma enkele keren gewijzigd vastgesteld. In de geconsolideerde versie van het Omgevingsprogramma zijn de wijzigingen opgenomen. Relatie Omgevingsprogramma met voorgenomen ontwikkeling Eén van de genoemde maatregelen in het Omgevingsprogramma betreft ‘bijdragen aan het verbeteren van de energie-efficiency en energie infrastructuur’. De provincie wenst bij te dragen aan de ontwikkeling van een toekomstbestendig energiesysteem en -infrastructuur. Voorliggend plan draagt bij aan het ontwikkelen van een toekomstbestendig energiesysteem en - infrastructuur. Het transformatorstation is nodig om te kunnen voorzien in de vraag naar elektrisch vermogen in de omgeving. Dit is van essentieel belang voor een goed functionerend en betrouwbaar elektriciteitsnetwerk.

3.2.3

Omgevingsverordening Zuid-Holland

De Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) is 15 december 2021 vastgesteld door Provinciale Staten. Sindsdien is de ZHOV enkele keren gewijzigd en aangevuld. De Wijziging ZHOV 2022 en het bijbehorende Voorbereidingsbesluit grondwaterkwaliteit zijn 11 november 2022 vastgesteld door Provinciale Staten. Naast de Wijzing ZHOV 2022 liepen en lopen er ook nog andere wijzigingen van de ZHOV. Zo zijn in 2022 de Modules ‘Ontwikkeling Middengebied Zuidplaspolder’, ‘Ruimte en Wonen’ en ‘Energietransitie’ vastgesteld door Provinciale Staten. In de Omgevingsverordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van het provinciaal ruimtelijk beleid zoals dat opgenomen is in de Omgevingsvisie. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Relatie ZHOV met voorgenomen ontwikkeling Ruimtelijke kwaliteit (artikel 6.9) In artikel 6.9 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.

Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan rekening gehouden met de beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit, zoals vermeld op kaart 14 in bijlage II bij de verordening en beschreven in de Omgevingsvisie beleidskeuze landschap (plangebied is niet weergegeven op kaart 14 in bijlage II).

16 | 52

Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03

Het kwaliteitsbeleid gaat dus uit van het ‘ja, mits’-principe: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en geldt in principe voor het grondgebied van de gehele provincie, dat wil zeggen zowel de groene ruimte als de bebouwde ruimte. Uit de artikelsgewijze toelichting van de verordening volgt dat om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen twee uitgangspunten: een kleinschalige ontwikkeling heeft in beginsel minder ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten dan een grootschalige ontwikkeling en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid; hoe hoger en specifieker de kwaliteit van een gebied is, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. De voorgenomen ontwikkeling kan worden beschouwd als kleinschalige ontwikkeling en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Bij het beantwoorden van de vraag of bij een beoogde ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd kan blijven, wordt de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren gehanteerd.

Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: - de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en houdt rekening met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; - de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; - de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren.

Ten aanzien van het voornemen wordt geconcludeerd dat sprake is van 'inpassen'. Het transformatorstation sluit aan de bestaande gebiedsidentiteit en voorziet niet in een wijziging op structuurniveau. Het plangebied is gelegen aan de rand van een bedrijventerrein. Het uiterlijk van de bebouwing op een bedrijventerrein is ondergeschikt aan de functie. In hoofdstuk 4.13 van deze toelichting wordt nader ingegaan op de verschijningsvorm en landschappelijke inpassing van de bebouwing. Er wordt voldaan aan de voorwaarde uit artikel 6.9 lid 1, onder a van de Omgevingsverordening (inpassen). Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 6.10) In artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat ‘een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a) de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b) indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 ha nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buiten stedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart negentien in bijlage II en wordt rekening gehouden met de voor deze

locaties opgenomen gegevens en criteria in bijlage X. Bij het voorgenomen plan is in deze toelichting in paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking conform bovenstaand sub a. Hieruit blijkt dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en een toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking daarom achterwege kan blijven.

17 | 52

Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03

Bedrijventerreinen (artikel 6.12) Het plangebied is op Kaart 20 Bedrijventerreinen van de ZHOV aangeduid als ‘Bedrijventerrein’. De ruimte voor bedrijven in de hogere milieucategorieën (HM-bedrijven) staat onder druk door de milieuzoneringen rondom woningbouw. Gezien het belang van de HMC-bedrijven is de (milieu)ruimte voor dit type bedrijven van provinciaal belang. Om deze reden is in artikel 6.12 van de ZHOV opgenomen dat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein de vestiging van bedrijven uit de hoogst mogelijke milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten mogelijk maakt, dan wel voorziet in overeenkomstige milieuzones voor geluid of geur, passend bij de omgeving van het bedrijventerrein, waarbij rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkelingen op een grote buitenstedelijke bouwlocatie als bedoeld in artikel 6.10 van de ZHOV of die mogelijk zijn op grond van een vigerend bestemmingsplan. In voorliggend bestemmingsplan is de bestemming ‘Bedrijf’ toegekend aan de planlocatie. Van de bepaling uit de ZHOV kan alleen worden afgeweken indien daartoe aanleiding bestaat in verband met toekomstige ontwikkelingen die zijn opgenomen in een vigerend bestemmingsplan of het Programma ruimte/Omgevingsprogramma. Met de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een bedrijf uit de hoogst mogelijke milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

Gelet op de dichtstbijzijnde woningen aan de Bleiswijkseweg worden bedrijven in de hogere milieucategorieën niet wenselijk geacht op de beoogde locatie voor het transformatorstation. Het realiseren van een transformatorstation sluit aan bij het beleid beschreven in het Omgevingsprogramma Zuid-Holland (zie paragraaf 3.2.2 van deze toelichting). Het plangebied is niet aangewezen als grote buitenstedelijke bouwlocatie. Conclusie Gezien het voorgaande wordt geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening Zuid-Holland.

3.3

Regionaal beleid

3.3.1

RES 1.0 regio Rotterdam Den Haag

In de Regionale Energiestrategie (RES) 1.0 van regio Rotterdam Den Haag is de gezamenlijke energiestrategie van alle overheden in de regio vastgelegd. De energieregio Rotterdam Den Haag bestaat uit 21 gemeenten, vier waterschappen en de provincie. In de RES 1.0 is het bod gedaan om in te zetten op 2,8-3,2 TWh duurzame opwek. Daarmee levert de regio 8 tot 9 % van de landelijke doelstelling van 35 TWh. Daarnaast wordt gestreefd naar energie-efficiëntie en energiebesparing en een balans tussen energievraag en energieproductie. In de uitvoeringsagenda staat uitgewerkt hoe de gestelde doelen zullen worden gehaald. De uitvoeringsagenda is bedoeld als (bestuurlijke) basis voor het voortzetten van de regionale samenwerking. Relatie RES 1.0 met voorgenomen ontwikkeling Het voornemen sluit aan bij de RES 1.0. De ontwikkeling voorziet in het uitbreiden van de elektriciteitsnetwerken en vervult daarmee een essentiële rol in het behalen van de doelstelling voor duurzame elektriciteitsopwekking in de regio. Het transformatorstation is noodzakelijk om te kunnen (blijven) voorzien in de vraag naar elektriciteit in de omgeving. Het huidige transformatorstation ‘Zoetermeer 2’ is niet meer toereikend qua capaciteit en biedt niet de ruimte om uit te breiden. Daarom is nieuwbouw noodzakelijk op een ander kavel.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Zoetermeer 2040

Op 31 januari 2022 heeft de gemeenteraad de Visie Zoetermeer 2040 vastgesteld. De Visie schetst een integraal lange termijn perspectief voor sociale, economische en ruimtelijke ontwikkelingen.

18 | 52

Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03

Het gewenste toekomstbeeld voor Zoetermeer is uitgewerkt aan de hand van zes hoofdlijnen, te weten: 1 Zoetermeer is mijn thuis; 2 duurzame stad in en tussen de parken; 3 palet van wijken en buurten; 4 doorlopende ontplooiingskansen voor iedereen; 5 stad van toegepaste innovatie; 6 Zoetermeer regiostad. Relatie Visie Zoetermeer 2040 met voorgenomen ontwikkeling De realisatie van een transformatorstation wordt als zodanig niet genoemd in de visie, aangezien de visie een toekomstbeeld op hoofdlijnen betreft. Desalniettemin vormt de visie geen belemmering voor het voorgenomen plan.

19 | 52

Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03

4 MILIEU-OMGEVINGSASPECTEN In het kader van gemeentelijke besluitvorming dient bij een bestemmingsplanwijziging door middel van een integrale ruimtelijke benadering nadrukkelijk rekening te worden gehouden met de consequenties van het plan voor de omgeving en omwonenden. In dit hoofdstuk volgen de onderzoeken, analyses en conclusies naar de ruimtelijke thema’s ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling. Om een bestemmingsplanwijziging te realiseren moet er aangetoond worden dat er sprake is van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Door middel van het inzichtelijk maken van de effecten op de leefomgeving kunnen deze beter in beeld gebracht en afgewogen worden. Daarnaast geeft inzicht in de mogelijke effecten een goed beeld van de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. In onderstaande paragrafen volgt de behandeling van een aantal ruimtelijke thema’s. De paragrafen beginnen met de definitie en de relevantie van de thema’s, daarna volgt het toetsingskader waar alle relevante wet- en regelgeving aan orde komen, waarna de gevonden en onderzochte resultaten worden behandeld, met ten slot de conclusie.

4.1

Besluit milieueffectrapportage

In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) is in onderdeel C en D van de bijlage (de zogenaamde C- en D-lijst) aangegeven welke activiteiten m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. (kolom 2 in de C- en D-lijst) drempelwaarden opgenomen. Voor elk besluit dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage die onder de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Hetzelfde geldt voor elk besluit dat betrekking heeft op activiteiten die (1) voorkomen op de C-lijst, (2) onder de drempelwaarde van de C-lijst blijven en (3) niet voorkomen op de D-lijst. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Het transformatorstation van Stedin heeft als functie het spanningsniveau van 25 kilovolt om te zetten naar 10 kilovolt, zodat dit door bestaande elektriciteitsleidingen verder kan worden getransporteerd door Zoetermeer. Het uitbreiden of oprichten van dit type transformatorstation is niet een activiteit die benoemd staat in categorie C of categorie D van het Besluit milieueffectrapportage. Van de aanleg, wijziging of uitbreiding van een bovengrondse hoogspanningsleiding (categorie C en D24.1) is namelijk geen sprake.

Ook van de aanleg, wijziging of uitbreiding van een ondergrondse hoogspanningsleiding (categorie D24.2) is geen sprake. Het project is gelet op het bovenstaande niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig.

4.2

Bedrijven en milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies (zoals wonen en recreëren) anderzijds.

20 | 52

Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03

De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. De onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: - het zoveel mogelijk beperken of voorkomen van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; - het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven zodat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen verrichten.

4.2.1

Toetsingskader

De toelaatbaarheid van bedrijvigheid kan globaal worden beoordeeld met behulp van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In de publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. De publicatie geeft voor vele bedrijfstakken en installaties aan: - welke milieuonderwerpen een rol kunnen spelen; - welke gemiddelde afstanden tot de woonbebouwing 'passend' zijn. In de handreiking is een lijst opgenomen die inzichtelijk maakt welke milieuaspecten van belang zijn en in welke milieucategorie een bedrijf ingedeeld zou kunnen worden. Het instrument heeft een integrale benadering. Per bedrijf is in beeld gebracht welke richtafstand ten opzichte van gevoelige objecten aan de orde is voor de aspecten geluid, geur, stof en gevaar. De milieucategorie wordt bepaald op de maatgevende (grootste) afstand. De richtafstanden zijn afhankelijk van het omgevings- en gebiedstype. De locatie voor het beoogde transformatorstation kan worden gekenmerkt als een ‘gemengd gebied’. Gemengde gebieden betreffen onder andere gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen, gebieden met matige tot sterke functiemenging en gebieden met lintbebouwing in het buitengebied, met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid.

In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden met een stap worden verminderd. De richtafstanden uit de VNG Handreiking dienen gemeten te worden vanaf de grens van de bestemming die een milieubelastende functie toelaat tot de uiterste situering van de gevel van een gevoelige functie die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De daadwerkelijke milieubelasting van concrete activiteiten kan afwijken als gevolg van specifieke processen, hinderbeperkende maatregelen, de concrete inrichting van het bedrijf en de geldende milieuvergunning.

4.2.2

Resultaten

Een transformatorstation is in de handreiking opgenomen onder 'elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen'. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën op basis van het aantal MVA van de transformatoren. Op de locatie worden in totaal drie transformatoren geplaatst. Het maximaal in te schakelen vermogen van het station bedraagt 67,5 MVA. Omdat het totale transformatorvermogen van het station 10 - 100 MVA is, valt het station in milieucategorie 3.1. Hiervoor zijn richtafstanden opgenomen voor geluid (50 m) en gevaar (30 m). Deze richtafstanden zijn gebaseerd op een rustige woonomgeving. Omdat het transformatorstation onder ‘gemengd gebied’ valt, kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verminderd. Op basis van de VNG-publicatie betekent dit dat voor geluid een richtafstand kan worden aangehouden van 30 m en voor gevaar 10 m. De dichtstbijzijnde gevoelige bestemming (woonfunctie Bleiswijkseweg) bevindt zich op circa 80 m (zie afbeelding 4.1). Deze afstanden zijn groter dan de maatgevende richtafstand.

21 | 52

Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03

Binnen de reikwijdte van de maatgevende richtafstand is in de toekomst geen realisatie van woningen of andere gevoelige bestemmingen voorzien. Het bepalen van de daadwerkelijke milieubelasting voor het thema geluid en gevaar is niet aan de orde.

Afbeelding 4.1 Schematische weergave gemeten afstanden ten opzichte van gevoelige functies (globaal)

4.2.3

Conclusie

Er wordt voldaan aan de voorgeschreven richtafstanden. Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering zijn er geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling.

4.3

Geluid

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling dient het thema geluid beoordeeld te worden. Het thema geluid wordt vanuit twee kanten benaderd. Enerzijds, moet beoordeeld worden of met de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve effecten plaatsvinden ten aanzien van geluidsgevoelige objecten zoals onder andere woningen en scholen in de omgeving van het plangebied. Anderzijds, mag de voorgenomen ontwikkeling zelf geen ontoelaatbare hinder ervaren van geluidsbronnen in de omgeving. De ruimtelijke plannen moeten voldoen aan de wet- en regelgeving omtrent geluid die is opgenomen in de Wet geluidhinder (Wgh), de Wet milieubeheer (Wm) en onderliggende besluiten en regelingen.

4.3.1

Toetsingskader

Wet geluidhinder De Wet geluidhinder (Wgh) geeft handvatten voor het ontwikkelen, opstellen en uitvoeren van lokaal geluidbeleid. De Wgh is van toepassing bij de aanleg en/of wijziging van de volgende geluidsbronnen: - gezoneerde bedrijventerreinen; - spoorwegen (geen hoofdspoorwegen); - wegen (hoofdwegen én 30 km wegen of woonerven).

22 | 52

Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03

Doordat na realisatie van het transformatorstation het totale, maximaal gelijktijdig in te schakelen, elektrische vermogen van de transformatoren lager wordt dan 200 MVA, wordt het transformatorstation niet aangemerkt als een categorie inrichting die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken (zie Bijlage I onderdeel C20.1 bij het Besluit omgevingsrecht). Het totale, maximaal gelijktijdig in te schakelen, elektrische vermogen bedraagt 67,5 MVA. De Wet geluidhinder is daarom niet van toepassing. Daarnaast wijzigt de verkeersgeneratie niet door de beoogde ontwikkeling. Dat betekent dat het wegverkeerslawaai als gevolg van deze ontwikkeling niet toeneemt. Hierdoor is er geen aanleiding dit aspect verder te onderzoeken. Activiteitenbesluit milieubeheer Voor inrichtingen (type A en B) in de zin van de Wet milieubeheer (Wm) gelden voor het aspect geluid regels uit het Activiteitenbesluit. Het Activiteitenbesluit bevat standaardwaarden die van toepassing op inrichtingen. Transformatorstations worden gezien als Wm-inrichting (type C) als: 1 de transformatoren niet in een gesloten gebouw zijn ondergebracht en; 2 het maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen 200 MVA of meer is. Gelet op het vermogen en de opstelling van de transformators is het transformatorstation niet vergunning plichtig in het kader van de Wet milieubeheer.

Daarmee valt het station onder de algemene grenswaarden van het Activiteitenbesluit.

4.3.2

Resultaten

Aanlegfase Voor de aanleg van het transformatorstation vinden de nodige werkzaamheden plaats. Deze werkzaamheden en het hierbij in te zetten materieel veroorzaken een bepaalde geluidsbelasting op de omgeving. De dichtstbijzijnde woonfunctie ligt op circa 80 m afstand van de grens van de locatie van het voornemen. De effecten treden alleen op tijdens de aanlegfase. Het gaat hierbij om tijdelijke geluidshinder veroorzaakt door vrachtverkeer, inbrengen van funderingspalen (schroefmethode) en graven. De Wet geluidhinder bevat geen regels voor dergelijke tijdelijke situaties. Voor bouwen zijn regels voor deze tijdelijke situaties opgenomen in het Bouwbesluit 2012 (art. 8.3) en voor overige activiteiten in de APV (art. 4:5). Tijdens de aanlegwerkzaamheden dient aan deze regels voldaan te worden. Gebruiksfase De dichtstbijzijnde woningen (geluidgevoelig objecten) liggen op een afstand van circa 80 m van de grens van het plangebied. Er wordt voldaan aan de richtafstand voor geluid (zie paragraaf 4.2 van deze toelichting). Nader akoestisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

4.3.3

Conclusie

Het transformatorstation is niet geluidsgevoelig en niet geluidzoneringsplichtig. Omdat wordt voldaan aan de richtafstand voor geluid ten opzichte van gevoelige bestemmingen is nader akoestisch onderzoek niet noodzakelijk. Het thema geluid vormt geen belemmering.

4.4

Externe veiligheid

Binnen het milieuthema externe veiligheid worden alle veiligheidsrisico ten aanzien van transport, opslag en productie van gevaarlijke stoffen in kaart gebracht. Hierin is het doel het beheersen van de verbonden risico’s voor mensen die zich in de nabijheid van gevaarlijke stoffen bevinden.

23 | 52

Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03

Het Nederlandse externe veiligheidsbeleid is gericht op de bescherming van individuen die zich bevinden in beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten1. Deze twee soorten (kwetsbare) objecten worden ook wel de risico-ontvangers genoemd. In het kader van het vaststellen van nieuwe ruimtelijke plannen zoals een bestemmingsplan moet worden getoetst of het realiseren van het plan een onacceptabel extern veiligheidsrisico oplevert. Bij de toetsing moet gekeken worden naar twee soorten risico’s, plaatsgebonden risico en groepsrisico. In deze paragraaf wordt eerst het toetsingskader beschreven met de daarbij behorende definities van het plaatsgebonden en groepsrisico. Daarna komen de risicobronnen die zich in het gebied bevinden aan de orde en is getoetst aan de geldende wet- en regelgeving.

4.4.1

Toetsingskader

Externe veiligheid betreft de beheersing van de risico's en gaat om het gebruik, de opslag, de productie en het transport van gevaarlijke stoffen. De gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen: - stationaire bronnen, zoals een fabriek of een LPG-vulpunt; - mobiele bronnen, zoals transport van gevaarlijke stoffen over wegen en door leidingen. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-5 (één op 100.000) en een contour waarbinnen deze kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze contour mogen in ieder geval geen kwetsbare objecten (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden. Het groepsrisico is de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Voor de contour van het groepsrisico geldt in ieder geval dat het niet wenselijk is om hier kwetsbare bestemmingen toe te staan.

Het streven moet zijn om het aantal personen binnen het invloed gebied onder de oriëntatiewaarde en waar mogelijk zo laag mogelijk te houden.

4.4.2

Resultaten

Gebruiksfase De dichtstbijzijnde woningen (kwetsbare objecten) liggen op een afstand van circa 80 m van de grens van het plangebied. Er wordt voldaan aan de richtafstand voor externe veiligheid (zie paragraaf 4.2 van deze toelichting). Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Daarnaast is de Signaleringskaart geraadpleegd (zie afbeelding 4.2). De situatie laat zien dat het plangebied dicht bij een stationaire risicobron, in dit geval een tankstation, is gelegen. Deze risicobron heeft een invloedsgebied en explosieaandachtsgebied contour van 150 m rond het tankstation, waar het plangebied binnen valt.

1

In artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen is de definitie opgenomen van kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten.

24 | 52

Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03

Door bovenstaande is er mogelijk sprake van cumulatie van risico’s: als een (beperkt) kwetsbaar object gelegen is binnen de invloedssfeer van twee of meer risicobronnen1. Omdat de (beperkt) kwetsbare objecten2 buiten de richtafstand van het plangebied en buiten het invloedsgebied van het tankstation zijn gelegen, liggen de (beperkt) kwetsbare buiten de invloedssfeer van beide risicobronnen en is er geen dus sprake van cumulatie van risico’s. Artikel 6, lid 1 onder h van het Besluit risico zware ongevallen 2015 (Brzo) schrijft voor dat Brzo inrichtingen informatie moeten verschaffen over de onmiddellijke omgeving van de inrichting en de factoren die een zwaar ongeval kunnen veroorzaken of de gevolgen ervan ernstiger (ofwel domino-effecten: een ongeval van de ene risicobron veroorzaakt een ongeval bij een andere risicobron) kunnen maken. Het transformatorstation en het tankstation zijn beiden geen Brzo inrichtingen. Deze verplichting geldt dus niet voor het plangebied.

Afbeelding 4.2 Uitsnede signaleringskaart

4.4.3

Conclusie

Omdat wordt voldaan aan de richtafstand voor externe veiligheid ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten is nader onderzoek niet noodzakelijk. Het thema externe veiligheid vormt geen belemmering.

1

Handleiding Besluit externe veiligheid inrichtingen en Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen:

2

Conform artikel 1 onderdeel l, onder c, Besluit externe veiligheid inrichtingen is een kantoorgebouw met een

https://www.infomil.nl/publish/pages/113278/v054144snhandleidingbeviencircrisiconormeringvervoergevstoffen.pdf bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m² per object een kwetsbaar object (in het bestemmingsplan ‘Noordelijke bedrijventerreinen’ zijn zelfstandige kantoren en dienstverlening met een bedrijfsvloeroppervlak tot hoogste 1.000 m² per vestiging toegestaan. Overige kantoorgebouwen zijn conform artikel 1, onderdeel 1, onder b Besluit omgevingsrecht een beperkt kwetsbaar object. Binnen het invloedsgebied van Esso bevinden zich geen zelfstandige kantoren, gelet op het type bedrijvigheid dat gevestigd is in Hoornerhage.

25 | 52

Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03

4.5

Magneetvelden

Overal waar stroom doorheen loopt ontstaat een magnetisch veld. Zo ook rond hoogspanningsverbindingen. Er is geen sprake van wettelijke limieten voor blootstelling aan deze magnetische velden. Onlangs (2022) heeft een herijking van het voorzorgbeleid met betrekking tot de mogelijke gezondheidsrisico’s van magneetvelden van netcomponenten in het elektriciteitsnet plaatsgevonden. Hierbij is, voor andere netcomponenten dan bovengrondse hoogspanningslijnen, besloten om geen ruimtelijke maatregelen te treffen c.q. geen standaard afstanden aan te houden en wordt voor nieuwe situaties uitgegaan van het treffen van bronmaatregelen. Voor de realisatie van het transformatorstation zullen, in lijn met het nieuwe voorzorgbeleid, de volgende bronmaatregelen worden getroffen: fase-optimalisatie bij bovengrondse hoogspanningslijnen of ondergrondse kabels (dat wil zeggen: het anders positioneren van de elektriciteitsdraden ten opzichte van elkaar); het in driehoek leggen van kabels of toepassen van drie-fasenkabels; het zo veel mogelijk vermijden van geleiders langs muren en plafonds van stations en transformatorhuisjes. In het voorzorgbeleid geldt de laatste maatregel in geval van directe ligging naast woningen, scholen, kinderdagverblijven of crèches. Van een directe ligging naast woningen, scholen, kinderdagverblijven of crèches is in de onderhavige situatie geen sprake.

Het nieuwe voorzorgbeleid wordt binnenkort geformaliseerd tussen het ministerie van Economische Zaken en Klimaat en Netbeheer Nederland. Vervolgens worden de bevoegde gezagen ruimtelijke ordening en de netbeheerders door middel van een brief over de instandhouding van het huidige voorzorgbeleid geïnformeerd. Met het treffen van bovenstaande maatregelen vormt het aspect magneetvelden geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkelingen.

4.6

Verkeer en parkeren

In deze paragraaf worden de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de verkeersgeneratie en parkeren besproken. Eerst wordt ingegaan op het effect van de tijdelijke ontwikkeling op de verkeersgeneratie op de ontsluiting van het terrein. Daarna wordt ingegaan op de parkeerbehoefte en parkeercapaciteit. Verkeer Het nieuwe transformatorstation wordt ontsloten via de Philipsstraat en de Wiltonstraat. Het transformatorstation is niet permanent bemand. Wel kan sprake zijn van sporadisch bezoek door personeel ten behoeve van inspectie en onderhoud. Dit zal gelijk zijn aan circa 15 busjes per jaar. De ontwikkeling zorgt voor een zeer geringe verkeersgeneratie. Om deze reden kan de verkeersgeneratie naar verwachting zonder problemen worden afgewikkeld op de omliggende wegen. Het aspect verkeer is geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Parkeren De ‘Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels Zoetermeer 2019’ bevat verscheidene uitgangspunten met betrekking tot het thema parkeren. Het toetsingskader uit deze nota is geborgd in het Bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren en Geluidsgevoelige objecten’.

26 | 52

Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03

Uit artikel 3.1 van dit bestemmingsplan volgt dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan verlenen voor de activiteiten bouwen en/of het gebruiken van gronden en/of de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening, met inachtneming van het volgende: - in het geval van nieuwbouw, uitbreiding of functiewijziging van gebouwen en/of voorzieningen, dient op eigen terrein te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid en laad- en losvoorzieningen; - er is sprake van voldoende parkeergelegenheid en laad- en losvoorzieningen, indien voldaan wordt aan de normen en eisen die zijn neergelegd in de door het bevoegd gezag vastgestelde beleidsregels met betrekking tot het parkeren en laden en lossen, zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag omgevingsvergunning. In het kader van de uitvoerbaarheid van voorliggend plan is een omgevingsvergunning - bouwen noodzakelijk voor het realiseren van het transformatorstation. Om deze reden is getoetst aan artikel 3.1 van het bestemmingsplan. Uit de nota volgt dat de gemeente Zoetermeer als basis van de autoparkeernormen kiest voor de recent in 2018 geactualiseerde parkeerkencijfers van het CROW. Op basis van deze parkeernormen kan de parkeerbehoefte worden bepaald. Voor transformatorstations worden zowel in de CROW-publicatie als in de nota geen parkeernormen genoemd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zoetermeer&id=b591ca62-71c6-4cd4-9f7d-8a8064c9310c