Bijlage 1 - Toelichting Ontwerpbestemmingsplan Transformatorstation Wiltonstraat Stedin
Tekst van het document
7.4
Vaststellingsfase
Deze fase gaat over de vaststelling van het bestemmingsplan. Indien de commentaren uit de ontwerpfase van het bestemmingsplan daar aanleiding toe geven, passen burgemeester en wethouders het bestemmingsplan aan. Dat kunnen zij overigens ook uit eigen beweging doen. Na afloop van de termijn van de terinzagelegging stellen burgemeester en wethouders het raadsvoorstel op. Daarin gaan zij onder meer in op de eventuele zienswijzen. Uiteindelijk beslist de raad over de vaststelling van het bestemmingsplan. De raad kan op dat moment ook besluiten om het bestemmingsplan niet, dan wel gewijzigd vast te stellen. De indieners van de zienswijzen hoeven niet te worden gehoord. Desgewenst kunnen zij gebruik maken van het spreekrecht.
51 | 52
Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03
7.5
Beroepsfase
Het vaststellingsbesluit wordt samen met het vastgestelde bestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegd. In deze periode kan beroep worden ingediend bij de Raad van State tegen het bestemmingsplan. Wanneer geen beroep wordt ingesteld, is het bestemmingsplan na afloop van de beroepstermijn (zes weken) onherroepelijk. Het bestemmingsplan treedt in werking op de dag dat de beroepstermijn is afgelopen en er geen schorsingsverzoek (voorlopige voorziening) is ingediend. Bij een eventueel ingesteld beroep is het bestemmingsplan onherroepelijk als er door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak is gedaan over het ingestelde beroep.
52 | 52
Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Definitief 03
Bijlage(n)
I BIJLAGE: ONTWERPTEKENINGEN
Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Bijlage I | Definitief 03
r
10 -1
4
k k bk
r
k k
r
r
r
r k
bk r
r
k
r k
r r
k
X: 95085.6755 Y: 451654.7192
7
7
k bk
9
k k
k
X: 95120.3015 Y: 451626.7134
11
r
r et
tw
eg
10
Oo s
et
k
29
stw
eg
X: 95093.6274 Y: 451593.8732
Oo
95059.1323 451622.0614
5
-2
Y: X:
23
1
r
Project:
Formaat:A-3 Schaal:
coordinaten ZTM 2 PD-002934 situatie (in meters)
Datum:24-04-2023 Wijz:0.4
Get: PWR Gec:
Documentsoort: Schets Ontwerp Status:concept Documentnr:
Bladnr:S-02
II BIJLAGE: QUICKSCAN FLORA EN FAUNA
Witteveen+Bos | 135677/23-017.714 | Bijlage II | Definitief 03
Bestemmingsplanwijziging transformatorstation Wiltonstraat Zoetermeer Quickscan flora en fauna
Stedin Netbeheer B.V. 27 september 2023
Project Opdrachtgever
Bestemmingsplanwijziging transformatorstation Wiltonstraat Zoetermeer Stedin Netbeheer B.V.
Referentie
Quickscan flora en fauna Definitief 27 september 2023 135677/23-015.446
Projectcode
135677
Document Status Datum
Projectleider Projectdirecteur
Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door
Paraaf
Adres
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Stationsweg 5 Postbus 3465 4800 DL Breda +31 (0)76 523 33 33 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
1
SAMENVATTING
5
2
INLEIDING
6
2.1
Aanleiding
6
2.2
Doel
6
2.3
Leeswijzer
7
3
PLANGEBIED
8
3.1
Beschrijving
8
3.2
Werkzaamheden
10
4
GEBIEDSBESCHERMING
11
4.1
Natura 2000 (Wet natuurbescherming)
11
4.1.1 4.1.2
11 12
4.2
Gegevens Effecten en conclusie
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
12
4.2.1 4.2.2
12 13
Gegevens Effecten & conclusie
5
SOORTENBESCHERMING
14
5.1
Methode
14
5.2
Beschrijving per soortgroep
14
5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.2.4 5.2.5 5.2.6 5.2.7 5.2.8
14 16 17 21 25 26 27 27
Flora Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Vogels Amfibieën Reptielen Vissen Vlinders, libellen en andere ongewervelden
6
HOUTOPSTANDEN
29
6.1
Gemeentelijk bomenbeleid
29
6.2
Conclusie en effecten
29
7
SAMENVATTING
31
7.1
Gebiedsbescherming
31
7.2
Soortenbescherming
31
7.3
Houtopstanden
33
8
LITERATUUR
34
Laatste pagina
34
Bijlage(n)
Aantal pagina's
I
Wetgevend kader
4
II
Instandhoudingsdoelen (IHD’s) Natura 2000
1
1 SAMENVATTING Netbeheerder Stedin is voornemens een transformatorstation op te richten in Zoetermeer. Het station zal bestaan uit een transformatorstation (trafocellen), een schakelgebouw en verbindende ondergrondse kabels. De werkzaamheden kunnen negatieve effecten hebben op beschermde natuurwaarden, en daarmee zowel in het kader van Gebiedsbescherming als Soortenbescherming kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming (Wnb). In voorliggende quickscan worden mogelijke effecten beoordeeld en consequenties hiervan inzichtelijke gemaakt. Het plangebied betreft een perceel op een bedrijventerrein waarop een bosschage aanwezig is. Uit de quickscan (en de resultaten uit de AERIUS-calculator t.a.v. stikstofdepositie) blijkt dat er geen negatieve effecten zijn op Natura 2000-gebieden of NNN-gebieden. Ten aanzien van soortenbescherming wordt geconcludeerd dat twee potentieel jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn in de te kappen bosschage. Voor de kap van de bosschage moet worden vastgesteld, middels nader onderzoek, of de nesten die in deze bomen zitten gebruikt worden door sperwer, buizerd of boomvalk.
5 | 34
Witteveen+Bos | 135677/23-015.446 | Definitief 03
2 INLEIDING 2.1
Aanleiding
Netbeheerder Stedin is voornemens om in Zoetermeer een station te bouwen voor de regionale energie infrastructuur. Dit station zal bestaan uit een transformatorstation en een schakelgebouw. Er zullen schakelinstallaties en drie vermogenstransformatoren met een vermogen van 22,5 MVA geplaats worden. Eindsituatie betreft een transformatorstation. De geplande werkzaamheden voor het transformatorstation kunnen effecten hebben op beschermde natuurwaarden in en rondom het plangebied. In deze quickscan worden mogelijke effecten op aanwezige beschermde natuurwaarden door de geplande werkzaamheden beoordeeld en getoetst. Naast het bepalen van de effecten van het voornemen op beschermde gebieden en soorten, worden ook de juridische consequenties en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen, zoals een ontheffingsaanvraag en eventuele mitigerende en/of compenserende maatregelen, inzichtelijk gemaakt.
2.2
Doel
Het doel van deze quickscan is om te toetsen: - welke effecten de werkzaamheden voor het transformatorstation hebben op: · beschermde gebieden (Natura 2000) in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb); · beschermde soorten in het kader van de Wnb; · het Natuurnetwerk Nederland (NNN); · houtopstanden dan wel gemeentelijk bomenbeleid; · planten en dieren die benoemd worden in de Veldgids beschermde planten en dieren van Zoetermeer [lit. 1]; - wat de consequenties van deze mogelijke effecten zijn in het kader van de natuurwetgeving en het natuurbeleid (ontheffings- en/of vergunningaanvraag in combinatie met mitigerende/compenserende maatregelen). Effecten van de gebruiksfase van het transformatorstation worden niet beoordeeld. Er vindt namelijk geen significant verschil in gebruik van het plangebied plaats na afronding van de werkzaamheden, in vergelijking met de huidige situatie. De huidige geluidsbelasting van het plangebied ligt tussen de 56 en 70 dB [lit. 2].
6 | 34
Witteveen+Bos | 135677/23-015.446 | Definitief 03
Afbeelding 2.1 Geluidsbelasting op en rond het plangebied (plangebied in blauw) [lit. 2]
2.3
Leeswijzer
Hoofdstuk 3 beschrijft het plangebied en de geplande werkzaamheden. In hoofdstuk 4 wordt verkend of er effecten zijn te verwachten op beschermde gebieden die vallen binnen de Wnb. Hoofdstuk 5 beschrijft per soortgroep of er in of nabij het plangebied beschermde soorten aanwezig zijn en wat de effecten van het voornemen op deze beschermde soorten Wnb zijn. In hoofdstuk 6 wordt onderzocht wat de vervolgstappen zijn in het kader van gemeentelijke bomenbeleid. In hoofdstuk 7 worden de conclusies gegeven en in hoofdstuk 8 is de geraadpleegde literatuur weergegeven. Het toetsingskader in relatie tot de natuurwet- en regelgeving is weergegeven in bijlage I.
7 | 34
Witteveen+Bos | 135677/23-015.446 | Definitief 03
3 PLANGEBIED 3.1
Beschrijving
Het plangebied ligt in het zuidwesten van de stad Zoetermeer (gemeente Zoetermeer, provincie Zuid- Holland). Het plangebied ligt op een bedrijventerrein Hoornerhage en bevindt zich in de bebouwde kom van Zoetermeer (Afbeelding 3.1). Direct ten oosten van het plangebied ligt een verlichte doorgaande weg, de Oostweg, die aansluit op de A12. Tussen de Oostweg en het plangebied ligt een sloot en een bomenrij. Aan zuidoostkant van de Oostweg ligt het Van Tuyllpark (Afbeelding 3.2). Het plangebied zelf bestaat uit een kleine bosschage met enkele oudere bomen (zwarte els en zomereik) en een ondergroei van gewone vlier, braam en brandnetel (Afbeelding 3.3).
Afbeelding 3.1 Ligging plangebied (rood) en bedrijventerrein Hoornerhage (blauw)
8 | 34
Witteveen+Bos | 135677/23-015.446 | Definitief 03
Afbeelding 3.2 Plangebied en direct omgeving
Afbeelding 3.3 Impressie plangebied
9 | 34
Witteveen+Bos | 135677/23-015.446 | Definitief 03
3.2
Werkzaamheden
De werkzaamheden bestaan uit het realiseren van een transformatorgebouw en een schakelgebouw. Er zullen schakelinstallaties en drie vermogenstransformatoren met een vermogen van 22,5 MVA geplaatst worden (Afbeelding 3.4). Voor de bouw van deze gebouwen worden heipalen door middel van de schroefmethode in de grond gebracht. De werkzaamheden omvatten niet het dempen van sloten. De bosschage die in het plangebied staat moet gekapt worden.
Afbeelding 3.4 Afbeelding van het te bouwen transformatorgebouw en schakelinstallaties
10 | 34
Witteveen+Bos | 135677/23-015.446 | Definitief 03
4 GEBIEDSBESCHERMING 4.1
Natura 2000 (Wet natuurbescherming)
4.1.1
Gegevens
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘De Wilck’, op circa 7 kilometer ten noorden van het plangebied (Afbeelding 4.1). Dit gebied heeft de status van Vogelrichtlijngebied [lit. 3]. Overige Natura 2000-gebieden (‘Meijendel & Berkheide’, ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’ en ‘Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein’) bevinden zich op ruim grotere afstand (> 14 km) van het plangebied.
Afbeelding 4.1 Ligging Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied [lit. 4]
Hieronder wordt een korte beschrijving gegeven van het Natura-2000 gebied De Wilck met relevante aandachtspunten.
11 | 34
Witteveen+Bos | 135677/23-015.446 | Definitief 03
De Wilck Het gebied De Wilck bestaat uit vochtige en natte graslanden. De Wilck maakt onderdeel uit van het Hollands-Utrechtse veenweidegebied. De veengebieden zijn pas vanaf de 10e eeuw in gebruik genomen en vanaf de dertiende eeuw is sprake van een systeem van polders en boezems waarop het water wordt uitgeslagen. De Slingerwetering die door het gebied loopt maakte vroeger deel uit van de loop van een eertijds uit het hoogveen ontspringend veenstroompje de Wilck. Het gebied is van betekenis als foerageergebied en vooral rustplaats voor kleine zwanen, die van hieruit ook in de omgeving van het gebied foerageren. Daarnaast is het gebied van enige betekenis als rust- en foerageergebied voor smienten. [lit. 3]. Het Natura 2000-gebied is aangewezen voor de niet-broedvogels kleine zwaan, en smient [lit. 3]. Een overzicht van deze habitattypen en soorten, en hun landelijke staat van instandhouding en doelstelling staat in bijlage II.
4.1.2
Effecten en conclusie
Fysieke effecten De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied bij het plangebied (‘De Wilck’) bevindt zich op circa 7 kilometer afstand. Overige Natura 2000-gebieden liggen op ruim 14 kilometer afstand van het plangebied. Vanwege de ligging van het plangebied buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden is van directe effecten als oppervlakteverlies en versnippering geen sprake. Ook negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden als gevolg van verstoring door licht (’s avonds en ’s nachts werken), geluid en trillingen zijn uitgesloten op basis van de relatief grote tussenliggende afstand. Van negatieve directe effecten van de werkzaamheden op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden is dus geen sprake. Stikstofdepositie Door de aard en omvang van de werkzaamheden, in combinatie met de afstand (14 kilometer) tot het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied (‘Meijendel & Berkheide’), zijn effecten van stikstofdepositie op voorhand niet uit te sluiten. Voor de stikstofdepositie op stikstofgevoelige gebieden is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Uit de berekening en analyse blijkt dat er tijdens de bouwfase en gebruiksfase geen sprake is van stikstofdeposities op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000gebieden. Daarmee kunnen mogelijke significante negatieve effecten door stikstofdepositie op voorhand worden uitgesloten.
Indirecte effecten Indirecte effecten op Natura 2000-gebieden zoals vernatting, verdroging, verontreiniging, verzoeting of verzilting kunnen als gevolg van de aard van het voornemen en de relatief grote tussenliggende afstand worden uitgesloten. Van negatieve indirecte effecten door de werkzaamheden op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden is dus geen sprake. Vervolgstappen in het kader van de Wnb onderdeel Gebiedsbescherming zijn niet nodig.
4.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
4.2.1
Gegevens
In de omgeving van het plangebied bevinden zich verschillende gebieden behorende tot het NNN-netwerk van de provincie Zuid-Holland. De dichtstbijzijnde percelen van het NNN-netwerk zijn gelegen op een afstand van circa 2.700 meter ten noorden van het plangebied (Afbeelding 4.2). De wezenlijke kenmerken en waarden van het dichtstbijzijnde deel van het NNN worden gevormd door de natuurbeheertypen N04.02 Zoete plas, N05.03 Veenmoeras, N10.02 Vochtig hooiland, N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland, N13.01 Vochtig weidevogelgrasland, N14.02 Hoog- en laagveenbos en N14.03 Haagbeuken-en essenbos.
12 | 34
Witteveen+Bos | 135677/23-015.446 | Definitief 03
Afbeelding 4.2 Percelen die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied [lit. 5]
4.2.2
Effecten & conclusie
Het plangebied grenst niet aan een NNN-gebied. Het dichtstbijzijnde perceel ligt op 4.300 meter ten noorden van het plangebied. Gezien het plangebied buiten de grenzen van het NNN ligt, en de Provinciale Ruimtelijke Verordening van de provincie Zuid-Holland geen bepalingen ten aanzien van externe werking bevat, is er geen sprake van directe negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN. Vervolgstappen zijn daardoor niet nodig.
13 | 34
Witteveen+Bos | 135677/23-015.446 | Definitief 03
5 SOORTENBESCHERMING 5.1
Methode
Om de aanwezigheid van beschermde flora en fauna in of rondom het plangebied vast te kunnen stellen is een bureaustudie en een verkennend veldbezoek uitgevoerd. De bureaustudie bestaat uit het raadplegen van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) [lit. 6]. Aanvullend hierop zijn, als daar aanleiding voor is, verspreidingsatlassen, internetbronnen en de op internet vrij verkrijgbare verspreidingsgegevens geraadpleegd. Ter verificatie van- en als aanvulling op de bureaustudie is een veldbezoek uitgevoerd op 9 maart 2023 door een ecoloog van Witteveen+Bos. Soortgerichte inventarisaties en tellingen van afzonderlijke dier- en plantensoorten waren geen onderdeel van het veldbezoek; wel zijn toevallige waarnemingen van soorten of verblijfplaatsen genoteerd. Daarnaast is een habitatscan uitgevoerd. De inventarisatie is niet vlakdekkend en slechts indicatief, maar is voor deze fase voldoende gedetailleerd. Op basis van de biotoopeisen van beschermde soorten, het veldbezoek en de resultaten van de bureaustudie is bepaald of beschermde soorten leefgebied kunnen vinden in en nabij het plangebied en of daar nader onderzoek naar nodig is. Aan de hand van de geplande werkzaamheden en de verstoringgevoeligheid van soorten is vervolgens bepaald of negatieve effecten kunnen optreden, en of er sprake is van een overtreding van de Wnb.
5.2
Beschrijving per soortgroep
5.2.1
Flora
Bureaustudie Uit de NDFF [lit. 6] blijkt dat de afgelopen vijf jaar binnen drie kilometer van het plangebied de volgende beschermde plantsoorten zijn waargenomen: dreps en glad biggenkruid. Dreps is eenmaal waargenomen in de bebouwde kom van Zoetermeer, circa 2 kilometer ten noorden van het plangebied. Glad biggenkruid is tweemaal waargenomen op bedrijvenpark PRISMA, circa 1800 meter ten oosten van het plangebied. Daarnaast worden ook soorten die genoemd worden in de Veldgids beschermde planten en dieren van Zoetermeer meegenomen. Uit de Veldgids zijn enkel soorten meegenomen die leven in het habitat ‘Bos en bomen’. Uit de NDFF [lit. 6] blijk dat bosaardbei, daslook, klimopbremraap, ruig klokje en tongvaren in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen. De dichtstbijzijnde waarnemingen van deze soorten ligt circa 600 m ten noorden van het plangebied en is een waarneming van daslook. De biotoopeisen van de in de omgeving waargenomen soorten staan beschreven in het kader hieronder. Dreps Dreps gedijt op zonnige, open plaatsen op vrij kalkarme, matig droge, matig voedselrijke, lichte grond (löss, zavel en leem). Ze is te vinden op wintergraanakkers, speltakkers, soms langs spoorwegen, braakliggende grond, wegranden, ruigten, ruderale plaatsen en stortterreinen. Ook te vinden in open plekken in bermen van grote verkeerswegen.
Ze is zeer zeldzaam in het midden van het land [lit. 7].
14 | 34
Witteveen+Bos | 135677/23-015.446 | Definitief 03
Glad biggenkruid Glad biggenkruid komt voor op zonnige, warme, open plaatsen (pioniervegetatie) op droge, voedselarme, met name stikstofarme, zwak zure, kalkarme grond (leemarm en lemig zand). De planten groeien op akkers (graanakkers en akkerranden), zeeduinen (laag blijvend duingrasland), bermen (open plekken en pas ingezaaide bermen) en grasland (gazons). Hoewel deze soort oorspronkelijk inheems was, is hij in Nederland nu zeer zeldzaam. Het voorkomen van de soort kent sinds 1950 een sterk dalende trend. Hij staat dan ook op de rode lijst vermeld als bedreigde soort [lit. 7] Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantsoorten waargenomen. De vegetatie binnen het plangebied bestaat uit begroeiing met bomen en struiken (zwarte els, zomer eik, gewone vlier, haagbeuk, meidoorn) met ondergroei (braam, Italiaanse aronskelk, brandnetel), omringd met een strook regulier eutroof grasveld (Afbeelding 5.2). Het plangebied en de directe omgeving biedt geen geschikt biotoop voor beschermde flora. Het plangebied bestaat uit een bosschage die zorgt voor schaduw op de kruidlaag. De bodem van het plangebied is eutroof. Zowel dreps als glad biggenkruid komen voor op zonnige, open plekken met een voedselarme/matig voedselrijke, lichte gronden. Het plangebied is dus niet geschikt voor de beschermde soorten die in de omgeving zijn waargenomen.
Het eutrofe karakter van het plangebied zorgt er voor dat het geen geschikt leefgebied voor bosaardbei, ruig klokje en tongvaren. Daarnaast is geen klimop aanwezig in het plangebied: de gastheerplant van de klimopbremraap. Hierdoor is het plangebied ook geen geschikt leefgebied voor klimopbremraap. Als laatste is er ook geen daslook en de duidelijk bodembedenkende groeiwijze van deze plant waargenomen tijdens het veldbezoek.
Afbeelding 5.1 Impressie van de vegetatie binnen het plangebied
15 | 34
Witteveen+Bos | 135677/23-015.446 | Definitief 03
Effecten en conclusie Uit de NDFF [lit. 6] blijkt dat er in de afgelopen vijf jaar binnen drie kilometer afstand van het plangebied waarnemingen bekend zijn van onder de Wnb beschermde flora. Het betreft dreps en glad biggenkruid. Het plangebied biedt geen geschikt biotoop aan glad biggenkruid en dreps door dichte begroeiing en de voedselrijkdom van de bodem in het plangebied. Het voorkomen van de Veldgidssoorten bosaardbei, daslook, klimopbremraap, ruig klokje en tongvaren is op basis van biotoopteisen en waarnemingen uitgesloten. Het plangebied en de directe omgeving bieden daarnaast ook geen geschikt biotoop aan andere beschermde flora. De meeste onder de Wnb beschermde flora zijn zeldzaam tot zeer zeldzaam en komen voor in zeer specifieke biotopen. Voorbeelden van biotopen waar onder de Wnb beschermde flora lokaal kunnen voorkomen zijn loof- en naaldbossen, hakhout en struwelen op kalkrijke, humeuze, vrij voedselarme, compacte en lemige bodems. Ook in heiden en borstelgraslanden en in onbemeste riet- en hooilanden, leemrijke akker (vooral onder wintergraan), op rivierduintjes, in kalkgraslanden en lemige blauwgraslanden, in duinvalleien en soms in het winterbed van rivieren komen de soorten voor. Daarnaast zijn er enkele soorten specifiek gebonden aan stenig substraat. Deze soorten zijn te vinden op rotsen, puinhellingen en oude (kalkrijke) muren.
Op basis van de ligging en de aard van het plangebied (bos en struiken) is het daardoor uitgesloten dat er binnen het plangebied beschermde plantsoorten voorkomen. Negatieve effecten zijn daardoor uitgesloten en er zijn geen vervolgstappen nodig.
5.2.2
Grondgebonden zoogdieren
Bureaustudie Op basis van de NDFF [lit. 6] zijn in de afgelopen 5 jaar binnen 3 kilometer van het plangebied waarnemingen bekend van enkele zoogdiersoorten die beschermd zijn onder het beschermingsregime ‘Andere soorten’ van de Wnb, zoals bunzing, egel, konijn en algemeen voorkomende muizensoorten. Voor deze soorten geldt binnen de provincie Zuid-Holland een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ingrepen. Er zijn in de omgeving van het plangebied geen waarnemingen bekend van niet-vrijgestelde ‘Andere soorten’ grondgebonden zoogdieren of soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn. Deze zijn hier op basis van verspreidingsgegevens ook niet te verwachten [lit. 8]. In de Veldgids beschermde planten en dieren van Zoetermeer staan geen verdere soorten die niet beschermd zijn onder de Wnb en dus nog niet worden meegenomen in deze rapportage. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen gedaan van, onder de Wnb, beschermde grondgebonden zoogdiersoorten. Het plangebied biedt wel geschikt biotoop aan verschillende ‘Andere soorten’ van de Wnb waarvoor in provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt, zoals soorten als konijn, egel en algemeen voorkomende muizensoorten. Het plangebied biedt beschutting voor egel en konijn en biedt plaats als nestgebied voor algemeen voorkomende muizen (Afbeelding 5.2).
De aanwezige biotoop is ongeschikt voor andere onder de Wnb beschermde grondgebonden zoogdiersoorten, omdat het plangebied binnen de bebouwde kom en op een bedrijventerrein ligt en te klein is. De oppervlakte van het bosschage is slechts circa 150 m2.
16 | 34
Witteveen+Bos | 135677/23-015.446 | Definitief 03
Afbeelding 5.2 Impressie van mogelijk biotoop konijn, egel, verschillende muizensoorten
Effecten en conclusie Het voorkomen van verschillende soorten grondgebonden zoogdieren (‘Andere soorten’ van de Wnb) zoals egel, konijn en algemene muizensoorten kan op basis van het aanwezige biotoop en de ligging van het plangebied niet worden uitgesloten. Voor deze soorten geldt binnen de provincie Zuid-Holland een vrijstelling voor artikel 3.10 (doden van dieren of beschadigen/vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen) in het kader van bestendig beheer en onderhoud bij ruimtelijke ingrepen. Een ontheffingsaanvraag en/of aanvullende maatregelen, dan wel compenserende maatregelen zijn voor deze vrijgestelde soorten niet nodig. Wel geldt te allen tijden de zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Op basis van de verspreidingsgegevens uit de NDFF kan worden uitgesloten dat beschermde (nietvrijgestelde) grondgeboden zoogdieren binnen de grenzen van het plangebied aanwezig zijn. Hierdoor zijn negatieve effecten van de geplande werkzaamheden op deze soortgroep uit te sluiten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.
5.2.3
Vleermuizen
Bureaustudie Alle soorten vleermuizen zijn in Nederland beschermd onder de Wnb en vallen onder bijlage IV van de Habitatrichtlijn (HR). Volgens de NDFF [lit. 6] komen er tenminste vier soorten vleermuizen voor in de directe omgeving van het plangebied. Het betreft waarnemingen in de afgelopen vijf jaar binnen drie kilometer van het plangebied van overvliegende en/ of foeragerende individuen van laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en gewone dwergvleermuis. Deze vleermuizen zijn verspreid door de bebouwde kom van Zoetermeer waargenomen. Hierbij zijn er zwaartepunten van waarnemingen in de groene delen van Zoetermeer zoals het Van Tuyllpark en de wijk Meerzicht.
17 | 34
Witteveen+Bos | 135677/23-015.446 | Definitief 03
Daarnaast is ook de verspreidingsatlas geraadpleegd. De volgende vleermuissoorten vinden ook hun natuurlijke verspreiding in de omgeving van het plangebied: gewone grootoorvleermuis, tweekleurige vleermuis en watervleermuis. In de Veldgids beschermde planten en dieren van Zoetermeer staan geen verdere soorten die niet beschermd zijn onder de Wnb. De biotoopeisen van de in de omgeving waargenomen soorten staan in onderstaand kader beschreven. Gewone dwergvleermuis (Kraam)kolonies zijn in Nederland vooral in gebouwen, in spouwmuren, achter betimmering en daklijsten, of onder dakpannen gevonden. Gewone dwergvleermuizen zijn plaatstrouw, maar gebruiken meerdere verblijfplaatsen en verhuizen relatief vaak. Gebouwen worden ook als winterverblijf gebruikt, waarbij vergelijkbare plaatsen als in de zomer benut worden. Overwinterende gewone dwergvleermuizen worden vooral bij toeval gevonden in spouwmuren, onder dakpannen, achter betimmering en daklijsten. Daarnaast zijn ze ook in spleten in de muur van kerktorens, en in spleten in grotten, groeves, betonnen bruggen en parkeergarages en dergelijke gevonden. Ze kiezen temperatuurgevoelige winterslaapplaatsen. Bij vorst zoeken ze vaak verwarmde huizen op [lit. 9]. Gewone grootoorvleermuis De gewone grootoorvleermuis komt verspreid over heel Nederland voor, maar nergens in grote aantallen.
De soort is sterk gebonden aan kleinschalig landschap en bosgebieden en is in de open polderlandschappen in West- en Noord-Nederland een zeldzaamheid. De gewone grootoorvleermuis gebruikt zeer uiteenlopende soorten verblijfplaatsen. Ze worden in de zomer aangetroffen op zolders, achter betimmeringen, daklijsten en vensterluiken, in spouwmuren en onder dakpannen, in holten en spleten in bomen en in nest- en vleermuiskasten. Ze verhuizen vaak. Als winterverblijf worden vooral ondergrondse ruimten gebruikt, zoals grotten, kalksteengroeven, oude steenfabrieken, bunkers, forten, vestingwerken, ijskelders en (kasteel)kelders [lit. 9]. Laatvlieger Kraamkolonies komen voor zover bekend alleen in gebouwen voor. Ze wonen in de spouwmuur, achter de betimmering, onder daklijsten en dakpannen of onder het lood rondom de schoorsteen. Soms worden ze ook op zolders aangetroffen. Laatvliegers bewonen een netwerk van verschillende huizen die op een afstand van hooguit enkele honderden meters van elkaar liggen. Ze verhuizen soms wel, maar zijn in principe erg plaats- en gebiedstrouw. In de winter zoeken laatvliegers nauwe en relatief droge plaatsen op zoals spouwmuren, spleten en scheuren in zolders, oude kelders en soms ook kieren dicht bij de ingang van grotten [lit. 9]. Rosse vleermuis Kraamkolonies zijn hoofdzakelijk bekend uit laaggelegen gebieden in Noord-Duitsland en Nederland.
De rosse vleermuis is in West-Europa een uitgesproken boombewonende soort. Zowel solitaire mannetjes, groepen vrouwtjes met jongen, als dieren in winterslaap gebruiken boomholten als onderkomen. In MiddenEuropa staat de rosse vleermuis bekend als een trekkende soort. Met behulp van ringonderzoek zijn in het verleden ook in Nederland waarnemingen gedaan die wijzen op trek. Anderzijds zijn er gebieden waar tijdens alle seizoenen rosse vleermuizen gevonden kunnen worden [lit. 9]. Ruige dwergvleermuis Uit het buitenland zijn verblijfplaatsen vooral aangetroffen in spleten en gaten in bomen, in nest- en vleermuiskasten, in gebouwen achter betimmeringen, achter daklijsten, onder dakbedekking en op zolders. Twee Nederlandse kolonies bewoonden spouwmuren. Vele solitaire mannetjes of kleine groepen zijn gevonden in spleten en gaten in bomen, achter loshangend schors en in kasten. Als winterverblijf zijn gebouwen (spouwmuur, dakpannen, betimmering), houtstapels, maar ook boomholtes en nest- en vleermuiskasten bekend [lit. 9].
18 | 34
Witteveen+Bos | 135677/23-015.446 | Definitief 03
Tweekleurige vleermuis In de zomer is de Tweekleurige vleermuis een bewoner van kieren en spleten in rotsen in bosachtig berglandschap en steppegebieden. In vlakke gebieden verblijft deze soort echter ook in muurspleten en zolderruimten van hoge gebouwen. Als winterslaapplaats worden grotten, kelders maar ook spleten in hoge gebouwen gebruikt [lit. 9]. Watervleermuis De watervleermuis is een boombewonende soort van half open tot gesloten, waterrijk en bosrijk landschap. Grotere dichtheden worden vooral daar gevonden waar zowel beschut water als ouder bos of oudere bomen aanwezig zijn. De verspreiding toont een duidelijke binding met de oudere bossen in de duinen in het westen van Nederland, en de bossen op de hogere zandgronden en het krijtlandschap in het oosten en zuiden van Nederland. Desondanks komt de soort ook voor in het laagland op plaatsen waar oudere bossen of parken aanwezig zijn. In het noordwestelijke laagland worden in bosarme omgeving soms kleine groepen op zolders gevonden [lit. 9]. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek werden geen waarnemingen gedaan van (sporen van) vleermuizen. Het plangebied heeft bosranden waar vleermuizen langs kunnen foerageren. Hierdoor is het plangebied geschikt als marginaal deel van het foerageergebied.
Het betreft echter een erg kleine bosschage en in de omgeving zijn gebieden die geschikter zijn als foerageergebied, zoals het van Tuyllpark aan de ander kant van de Oostweg. Het plangebied sluit aan op lineaire structuur van de bomenrij langs de Oostweg die vleermuizen kunnen volgen als vliegroute (Afbeelding 5.3). Tijdens het veldbezoek werd tevens de aanwezigheid van verblijfplaatsen voor vleermuizen onderzocht. In de bomen in en naast het plangebied zijn geen holtes of andere potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen waargenomen. Het ontbreken van pannendaken en spouwmuren bij de gebouwen aangrenzend aan het plangebied maakt deze gebouwen ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Circa 100 meter ten zuidwesten van het plangebied zijn huizen die wel als potentiële verblijfplaats kunnen dienen voor vleermuizen.
19 | 34
Witteveen+Bos | 135677/23-015.446 | Definitief 03
Afbeelding 5.3 Potentiële vliegroute voor vleermuizen
Effecten en conclusie Foerageergebied en vliegroutes Het plangebied beslaat een marginaal deel van het foerageergebied van vleermuizen. Er zijn in de omgeving meer en geschiktere foerageergebieden aanwezig. Er wordt daarom geen essentieel foerageergebied vernietigd. Wel sluit het plangebied aan op een potentiële vliegroute van vleermuizen. Door de werkzaamheden zal de vliegroute niet worden vernietigd, maar foeragerende en overvliegende vleermuizen kunnen wel worden verstoord, wanneer de werkzaamheden zorgen voor geluid, licht of trillingen in het gebied. Het verstoren (en daarmee tevens indirect aantasten van het leefgebied) van vleermuizen is onder de Wnb verboden. Deze vorm van verstoring is echter te voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de actieve periode voor vleermuizen, bij daglicht (tussen een uur na zonsopkomst en een uur voor zonsondergang) en indien mogelijk heeft werken in de winterperiode (december tot februari) voorkeur. Waar verlichting nodig is dient gebruik te worden gemaakt van efficiënt lichtbeheer.
Dit kan door: - gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting; - het kunstmatig licht enkel daar te richten waar het ook daadwerkelijk nodig is (doelgericht); - gebruikt te maken van armaturen die het licht door middel van een scherpe bundel één bepaalde kant (en weg van het foerageergebied/ de vliegroute) richten; - gebruik te maken van aangepaste armaturen die verstrooiing van licht minimaliseren;
20 | 34
Witteveen+Bos | 135677/23-015.446 | Definitief 03
-
het aantal lampen, de lichtintensiteit en het gebruik van hoge lichtmasten met veel lichtverstrooiing te beperken; voor en na de werkzaamheden het gebruik van kunstverlichting te beperken tot enkel verlichting ter beveiliging van opslagterreinen. Ook hiervoor gelden de bovenvermelde restricties.
Verblijfplaatsen Binnen het plangebied zijn geen holtes in bomen of andere structuren waargenomen die verblijfplaatsen kunnen bieden aan vleermuizen. Het vernietigen van vleermuisverblijfplaatsen of het doden van vleermuizen als gevolg van het voornemen is uitgesloten. De werkzaamheden omvatten het inbrengen van funderingspalen via een schroefmethode. Vleermuizen kunnen vanaf 80 dB(A) verstoord worden, de verstoringscontour voor deze werkzaamheden is daardoor circa 10 m [lit. 10 en 11]. Binnen deze verstoringcontour zijn geen verblijfplaatsen voor boom- of gebouwbewonende vleermuizen aanwezig. Hierdoor zijn negatieve effecten van de geplande werkzaamheden op verblijfplaatsen voor vleermuizen uit te sluiten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.
5.2.4
Vogels
Bureaustudie In de afgelopen vijf jaar werden binnen drie kilometer van het plangebied verschillende vogelsoorten waargenomen zoals kauw, wilde eend en houtduif. Daarnaast werden in de omgeving van het plangebied ook verschillende soorten waargenomen waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Het betreft boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, slechtvalk, sperwer, steenuil en wespendief [lit. 6]. Het betreft vooral waarnemingen van overvliegende en foeragerende individuen. Van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, huismus, slechtvalk en sperwer zijn echter ook nesten en nest- en/of territoriumindicerende waarnemingen bekend of verblijfplaatsen vastgesteld. Boomvalk, buizerd en sperwer zijn in de groenstructuren van Zoetermeer (woonwijk Meerzicht, groenstrook langs de Leidse Wallenwetering en prinses Arianepark) nest-indicerend waargenomen. Slechtvalk is nest-indicerend waargenomen op een hoge toren naast de Grote Dobbe. Daarnaast zijn huismus en gierzwaluw beide in de bebouwde kom van Zoetermeer waargenomen. Gierzwaluw is voornamelijk waargenomen in de wijk Buytenwegh. Huismus is maar tweemaal nest-indicerend is waargenomen. Huismus een zeer honkvaste soort en zal vaak maximaal enkele honderden meters van zijn nestplaats te zien zijn.
De soort is meermalen waargenomen in de gehele bebouwde kom van Zoetermeer daarom kan aangenomen worden dat nesten van huismus wijdverspreid voorkomen in de woonwijken van Zoetermeer. Daarnaast zijn ook de volgende Veldgidssoorten en categorie 5 soorten van de Wnb nest-indicerend waargenomen in de omgeving van het plangebied: blauwe reiger, boerenzwaluw, boomkruiper, ekster, grote bonte specht, huiszwaluw, koolmees, oeverzwaluw, pimpelmees, spreeuw, torenvalk en zwarte kraai. De biotoopeisen van categorie 1 t/m 4 soorten waarvan nest- of territoriumindicerende waarnemingen bekend zijn in de omgeving van het plangebied, staan in onderstaand kader beschreven. Boomvalk Broedt in allerlei typen bos, liefst in halfopen bos of aan de randen ervan, ook wel in solitaire bomen; bijna overal waar kraaien en eksters broeden. Dus ook regelmatig in populierensingels, op erven en in hoogspanningsmasten en in stadsparken. Concentraties boomvalken vaak waar veel libellen zijn [lit. 12]. Buizerd Is te vinden in uitgestrekte bossen afgewisseld met heide en boerenland, moerasbossen, boerenland met bosjes en houtwallen, duinvalleien met struweel, bosjes in steden. Combinatie van geschikte nestgelegenheid (bos of een bosje) met open land met veel voedsel is ideaal [lit. 12].
21 | 34
Witteveen+Bos | 135677/23-015.446 | Definitief 03
Gierzwaluw Voor hun nestgelegenheid zijn gierzwaluwen afhankelijk van beschikbaarheid van gebouwen met geschikte holtes. Ze jagen boven uiteenlopende habitats in dorpen en steden. Al het voedsel wordt gevangen in de lucht, ze zijn gespecialiseerd in het vangen van insecten in volle vlucht. Daarvoor zoeken ze meestal de luchtlagen op die op dat moment de meeste insecten bevatten, en dat kan best een flinke hoogte zijn [lit. 12]. Huismus Huismussen stellen prijs op een rommelige menselijke omgeving, met struikgewas, schuren, weilanden met vee, gemorst graan en zo verder. Talrijkst in dorpen en in oudere buitenwijken, met rommelige tuinen. Als er veel hoge bomen staan, verdwijnt de huismus. De huismus heeft 2 tot 3 legsels per broedseizoen met elk 4-6 eieren. Broedduur: 11-12 dagen. Huismussen broeden in een los kolonieverband. Het nest wordt vooral gemaakt onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen en in mussenkasten. Het slordige nest bestaat uit takjes, stro, veertjes en hondenharen [lit. 12]. Slechtvalk Broedt op kliffen en op bergwanden, in nissen en op richels; ook in oude nesten van roofvogels en kraaien. Steeds vaker in nestkasten. In Nederland in steden (kantoorgebouwen, torens) en in open boerenland in hoogspanningsmasten. Soms op de grond (Waddeneilanden). Jaagt vaak ver van het nest, in open landschappen met veel vogels.
Buiten de broedtijd meestal in open landschappen, in boerenland, uiterwaarden op kwelders e.d. Zit vaak op de grond of op een paaltje, maar ook op een hoog uitkijkpunt (masten). Groot aanbod aan prooien cruciaal [lit. 12]. Sperwer Broedt in bossen, soms tuinen en parken, meestal in een dicht, jong bos met naaldbomen (fijnspar, lariks), het liefst in halfopen landschappen. Soms ook in de stad of in tuinen, in open boerenland in windsingels, bosjes en op erven [lit. 12]. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn waarnemingen gedaan van wilde eend en waterhoen (Afbeelding 5.4). Ook is het plangebied door de aanwezigheid van struweel en dekking een geschikte nestplaats voor algemeen voorkomende vogelsoorten. Daarnaast zijn tijdens het veldbezoek twee potentieel jaarrond beschermde nesten waargenomen (Afbeelding 5.5 en Afbeelding 5.6). Deze potentieel jaarrond beschermde nesten kunnen geschikte nestplaats voor buizerd, havik en sperwer. Het plangebied biedt geen geschikte nestplaats aan huismus en gierzwaluw vanwege de afwezigheid van gebouwen. Het plangebied biedt ook geen geschikt leefgebied aan huismus door afwezigheid van dichte heggen of open zand. Wel zijn 100 meter ten zuidoosten van het plangebied meerdere huizen met groene tuinen en andere gebouwen aanwezig.
De huizen met afwisselend groen en andere gebouwen staan buiten het plangebied en bieden geschikt nestplaats en habitat aan huismus en gierzwaluw. Het plangebied en omgeving bieden geen geschikt biotoop aan slechtvalk door afwezigheid van geschikte nestlocaties (kunstmatige nestgelegenheid of hoge torens). Het plangebied kan ook nestgelegenheid zijn voor de Veldgidssoorten boomkruiper, ekster, koolmees, pimpelmees, spreeuw, torenvalk en zwarte kraai.
22 | 34
Witteveen+Bos | 135677/23-015.446 | Definitief 03
Afbeelding 5.4 Tijdens het veldbezoek waargenomen wilde eenden
Afbeelding 5.5 Waargenomen potentieel jaarrond beschermd nesten
23 | 34
Witteveen+Bos | 135677/23-015.446 | Definitief 03
Afbeelding 5.6 Locatie van de jaarrond beschermde nesten in het plangebied
Effecten en conclusie Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zijn beschermd onder artikel 3.1 van de Wnb. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen (artikel 3.1 Wnb). Vogels met jaarrond beschermde nesten In het plangebied zijn twee (potentieel jaarrond beschermde) nesten waargenomen. Deze nesten kunnen een vaste rust- of nestplaats zijn voor buizerd, havik, sperwer, ekster, zwarte kraai of torenvalk. Voordat de bouwwerkzaamheden plaats kunnen vinden worden de bomen op het perceel gekapt. Voor de kap van de bomen waarin deze nesten zitten is het nodig om na te gaan of deze nesten daadwerkelijk gebruikt worden door buizerd, havik of sperwer. De aanwezigheid van een nest of van een rustplaats van een deze soorten kan worden aangetoond door het uitvoeren van drie gerichte veldbezoeken. Deze moeten overdag na zonsopkomst plaatsvinden in de periode maart tot en met half mei, met een tussenperiode van minimaal 10 dagen. Wanneer op basis van het onderzoek wordt vastgesteld dat in de te kappen bomen een of meerdere jaarrond beschermde nesten aanwezig is/zijn en deze als gevolg van de werkzaamheden wordt aangetast, is voor het voornemen een ontheffing Wnb nodig.
Tijdens het bovengenoemde onderzoek wordt ook onderzocht of boomkruiper, koolmees, pimpelmees, spreeuw nestelen in het plangebied. De werkzaamheden omvatten het inbrengen van funderingspalen via de schroefmethode. Broedende vogels kunnen al vanaf 42 dB(A) verstoord worden, de verstoringscontour voor deze werkzaamheden is daardoor circa 30 m [lit. 10 & lit. 11]. In de huizen ten zuidoosten van het plangebied kunnen nesten van gierzwaluwen aanwezig zijn, maar deze liggen buiten de verstoringscontour van de werkzaamheden. Negatieve effecten en vervolgstappen voor huismus en gierzwaluw zijn uitgesloten.
24 | 34
Witteveen+Bos | 135677/23-015.446 | Definitief 03
Overige broedvogels Het onderzoeksgebied biedt leefgebied aan verschillende algemeen voorkomende broedvogels. Het voorkomen van algemeen voorkomende broedvogels gedurende het broedseizoen is dan ook aannemelijk. Voor aanwezige broedvogels geldt dat werkzaamheden tijdens het broedseizoen (maart tot en met september, afhankelijk van de soort) voor verstoring kunnen zorgen door trillingen of geluid. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat opzettelijk verstoren in het broedseizoen (individuen, nesten of eieren) verboden is volgens de Wnb. Het verkrijgen van ontheffing voor het verstoren van broedvogels is meestal niet mogelijk. De effecten op vogels en daarmee een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb zijn namelijk gemakkelijk te voorkomen, te weten door in principe drie mogelijkheden: - buiten het broedseizoen werken, dit met risico dat sommige vogels tot in september kunnen broeden; - de werkzaamheden vlak voor het broedseizoen inzetten en dan continue doorwerken (werkzaamheden niet langer dan enkele dagen stilleggen), zodat vogels niet gaan broeden in het gebied waar gewerkt wordt; - het plangebied voor het broedseizoen ongeschikt maken voor broedvogels. Als werkzaamheden plaats gaan vinden in het broedseizoen, moet een deskundige eerst vaststellen dat er geen broedende vogels aanwezig zijn in het plangebied.
Wanneer kan worden geconstateerd dat in de directe omgeving van de werkzaamheden geen vogels broeden bij de start van de werkzaamheden, vindt geen overtreding van de verbodsbepalingen plaats. Mochten er wel broedende vogels aanwezig zijn binnen de verstoringcontour van de werkzaamheden mag er pas worden gestart met de werkzaamheden als er niet meer gebroed wordt. Doorgaans zijn de meeste vogels rond half juli uitgebroed, er zijn echter vogelsoorten die tot in september broeden.
5.2.5
Amfibieën
Bureaustudie Op basis van de NDFF [lit. 6] zijn in de afgelopen vijf jaar binnen drie kilometer van het plangebied waarnemingen bekend van amfibiesoorten die zijn beschermd onder het beschermingsregime ‘Andere soorten’ van de Wnb (artikel 3.10), zoals bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Voor deze soorten geldt binnen de provincie Zuid-Holland een algemene vrijstelling in het kader van ruimtelijke ingrepen. Echter zijn ook waarnemingen bekend van een niet-vrijgestelde ‘Andere soorten’ amfibiesoort. Het betreft Alpenwatersalamander. Deze is 2 keer waargenomen in de bebouwde kom van Zoetermeer, circa 2,5 kilometer ten noordwesten van het plangebied. Dit betreffen echter waarnemingen van soorten in tuinvijvers, en daarbij liggen het plangebied en omgeving buiten de natuurlijke verspreiding van deze soort [lit. 8]. Deze waarnemingen betreffen daarom geen individuen van een wilde populatie. Deze zijn niet beschermd onder de Wnb, dus Alpenwatersalamander wordt daarom niet verder meegenomen in deze rapportage. Daarnaast zijn in de omgeving van het plangebied ook verschillende waarnemingen bekend van de Habitatrichtlijnsoorten Rugstreeppad (Error! Reference source not found.).
De soort is eenmaal waargenomen in het Heempark, circa 1,5 kilometer ten noordoosten van het plangebied en eenmaal aan de Burgemeester Middelberglaan op circa 3 kilometer van ten noordoosten van het plangebied. In de Veldgids beschermde planten en dieren van Zoetermeer staan geen verdere soorten die niet beschermd zijn onder de Wnb en dus nog niet worden meegenomen in deze rapportage. De biotoopeisen van de in de omgeving waargenomen soort worden in onderstaand kader beschreven.
25 | 34
Witteveen+Bos | 135677/23-015.446 | Definitief 03
Rugstreeppad De rugstreeppad is een bewoner van zandige terreinen met een betrekkelijk hoge dynamiek, zoals de duinen, de uiterwaarden van de grote rivieren, opgespoten terreinen, heidevelden en akkers. Maar hij wordt ook op klei- en veengronden aangetroffen. Voor de voortplanting is de rugstreeppad afhankelijk van ondiepe wateren, die vrij snel opwarmen. Vaak wordt gebruik gemaakt van tijdelijke poeltjes en plassen, maar ook slootjes en vennen kunnen geschikt zijn. Een voorwaarde is wel dat het water niet zuurder is dan pH 5. Brak water wordt getolereerd [lit. 13]. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek werden geen, onder de Wnb beschermde, amfibieën aangetroffen. De aanwezige biotopen binnen het plangebied komen niet overeen met de biotoopeisen van rugstreeppad. Rugstreeppad is bewoner van zandige terreinen met hoge dynamiek, deze zijn niet aanwezig in het plangebied. Naast het plangebied ligt een sloot. Hierdoor zijn passerende individuen van vrijgestelde 'Andere soorten' bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander aannemelijk. Effecten en conclusie Op basis van de aanwezige biotoop kan het voorkomen van algemeen voorkomende ‘Andere soorten’ amfibiesoorten zoals bruine kikker en gewone pad niet worden uitgesloten. Voor het verstoren van deze soorten in het kader van ruimtelijke ingrepen geldt een algemene vrijstelling in de provincie Zuid-Holland.
Ten aanzien van deze soorten zijn geen vervolgstappen nodig in het kader van de Wnb. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Wat de Habitatrichtlijnsoort rugstreeppad betreft, is het voorkomen van deze soort in de omgeving van het plangebied niet uit te sluiten. Het plangebied zelf is in haar huidige staat niet aantrekkelijk voor deze soort. Het is echter aannemelijk dat in de uitvoeringsfase van de hier beschouwde werkzaamheden (bijkomend) tijdelijk geschikt leefgebied voor rugstreeppadden wordt gecreëerd. Zo wordt de grond plaatselijk kaal gemaakt (open, vergraafbare bodem), kunnen zich ondiepe regenwaterpoelen in de bandensporen van de werktuigen ontstaan (voortplantingswater) en wordt werkmateriaal op het werkterrein opgeslagen (schuilplaatsen). Rugstreeppad is een zeer mobiele soort die makkelijk enkele kilometers buiten het huidige leefgebied kan opduiken op zoek naar dergelijke dynamische milieus. Gezien de nabijheid van geschikt leefgebied en recente bekende waarnemingen van deze soort in de (wijdere) omgeving is niet uit te sluiten dat deze soort in de uitvoeringsfase van de werkzaamheden ook binnen de grenzen van het plangebied opduikt. Individuele rugstreeppadden die sporadisch in het plangebied aanwezig zijn, kunnen worden verwond of gedood wanneer zij tijdens de werkzaamheden de planlocaties betreden en bijvoorbeeld onder de machines terechtkomen.
Het verwonden of doden van individuen van de rugstreeppad is onder de Wnb verboden. Overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb is te voorkomen door het treffen van mitigerende maatregelen. Om een overtreding van de Wnb te voorkomen dient vermeden te worden dat rugstreeppad tijdens de werkzaamheden het plangebied gaat bevolken. Hiertoe dient te worden voorkomen dat regenplassen ontstaan op de ondergrond, door te zorgen voor een geschikte afwatering en/of eventueel ontstane plassen zo spoedig mogelijk te dempen. Wanneer deze maatregelen zorgvuldig worden uitgevoerd is verstoring van rugstreeppadden als gevolg van de werkzaamheden uit te sluiten. Er zijn dan ten aanzien van deze soort geen vervolgstappen nodig in het kader van de Wnb. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht.
5.2.6
Reptielen
Bureaustudie Op basis van de NDFF [lit. 6] zijn in de afgelopen 5 jaar binnen 3 kilometer van het plangebied geen waarneming bekend van onder de Wnb beschermde reptielen. Deze zijn hier op basis van verspreidingsgegevens (plangebied ligt buiten het verspreidingsgebied van beschermde reptielen) en habitatvereisten ook niet te verwachten [lit. 7 en lit. 13].
26 | 34
Witteveen+Bos | 135677/23-015.446 | Definitief 03
In de Veldgids beschermde planten en dieren van Zoetermeer staan geen verdere soorten die niet beschermd zijn onder de Wnb en dus nog niet worden meegenomen in deze rapportage. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek werden geen, onder de Wnb beschermde, reptielen aangetroffen. De aanwezige biotoop binnen het plangebied komen niet overeen met de biotoopeisen van beschermde reptielen. Zo komen deze soorten bijvoorbeeld voor in zandige terreinen en voldoende open, zonnige plekken (zandhagedis, adder), waterrijke gebieden op overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden (ringslang), heide (gladde slang, levendbarende hagedis) en houtwallen en spoorbermen (hazelworm). Effecten en conclusie Door de afwezigheid van geschikt biotoop voor reptielen, kan worden uitgesloten dat beschermde reptielen binnen de grenzen van het plangebied aanwezig zijn. Hierdoor zijn negatieve effecten van de geplande werkzaamheden op deze soortgroepen uit te sluiten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.
5.2.7
Vissen
In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. In de omgeving van het plangebied zijn in de afgelopen 5 jaar geen waarnemingen gedaan van beschermde vissoorten. Deze soorten komen niet voor in de aanliggende sloot. De aanwezigheid en de verstoring van beschermde vissoorten is daarmee uit te sluiten. Nader onderzoek en/of een ontheffingsaanvraag is niet nodig.
5.2.8
Vlinders, libellen en andere ongewervelden
Bureaustudie Op basis van de NDFF [lit. 6] zijn over de afgelopen vijf jaar binnen drie kilometer van het plangebied geen waarneming bekend van onder de Wnb beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden. Onder de Wnb beschermde dagvlinders, libellen of andere ongewervelde komen vooral in leefgebieden voor waar hun biotoop nog grotendeels intact is. Dit betreffen veelal zeer specifieke soorten habitats waar de betreffende soort zijn levenscyclus volledig kan doorlopen. De leefgebieden van onder de Wnb beschermde ongewervelden liggen dan ook vooral binnen en rondom natuurgebieden. Voorbeelden van biotopen waar onder de Wnb beschermde ongewervelden lokaal kunnen voorkomen zijn droge en schrale kalkgraslanden, vochtige bossen in het oosten van het land en Zuid-Limburg, in blauwgraslanden, kruidenrijke heidevelden, vochtige duinvalleien en duingraslanden, kapvlakten in droog en oud eikenbos, wilgenbroekbos in beekdalen, voedselarme tot matig voedselrijke verlandende wateren met een dichte krabbenscheervegetatie (petgaten), hoogveentjes omgeven door bos en gebufferde vennen, langs zuurstofrijke bovenlopen van beken, en langs stromingsluwe oevers langs rivieren waar fijn sediment en organisch materiaal voorhanden is. Een belangrijke voorwaarde voor het voorkomen van dagvlinders is het voorkomen van waardplanten.
Waardplanten van de beschermde soorten dagvlinders zijn zeldzaam in Nederland en worden niet gevonden in oeverbermen of stedelijk gebied. In de Veldgids beschermde planten en dieren van Zoetermeer staan geen verdere soorten die niet beschermd zijn onder de Wnb en dus nog niet worden meegenomen in deze rapportage. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen vlinders, libellen en ongewervelden aangetroffen die onder de Wnb beschermd zijn. Hierbij wordt opgemerkt dat het veldbezoek, met betrekking tot vlinders, libellen en ongewervelden, niet in de meest geschikte periode van het jaar heeft plaatsgevonden. Het plangebied biedt geen geschikt biotoop voor beschermde dagvlinder, libellen en andere ongewervelde vanwege het ontbreken van waardplanten voor deze soorten.
27 | 34
Witteveen+Bos | 135677/23-015.446 | Definitief 03
Effecten en conclusie Door de afwezigheid van geschikt biotoop en waardplanten voor beschermde vlinder- of libelsoorten, kan worden uitgesloten dat beschermde dagvlinders, libellen of andere ongewervelde binnen de grenzen van het plangebied aanwezig zijn. Hierdoor zijn negatieve effecten van de geplande werkzaamheden op deze soortgroepen uit te sluiten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.
28 | 34
Witteveen+Bos | 135677/23-015.446 | Definitief 03
6 HOUTOPSTANDEN De bomen (houtopstanden) die in het kader van het voornemen gekapt moeten worden staat binnen de bebouwde kom van Zoetermeer. Daarom is enkel het gemeentelijke bomenbeleid van toepassing op deze bomen.
6.1
Gemeentelijk bomenbeleid
In de Algemene plaatselijke verordening Zoetermeer staat het volgende: Artikel 4:10 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden 1 het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstanden te vellen of te doen vellen die vermeld staan op het door het college vastgestelde overzicht monumentale en herdenkingsbomen Zoetermeer, en/of staan in door het college aangewezen beschermde gebieden, alsmede houtopstanden die eigendom zijn van de gemeente; 2 het in het eerste lid vermelde verbod geldt niet voor: a houtopstand waarvoor het bevoegd gezag toestemming geeft tot het direct vellen ervan, indien er sprake is van een situatie van acuut gevaar voor mens en/of omgeving; b houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld; c houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving van het college; d het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud; e het periodiek knotten of kandelaberen bij daarvoor geschikte boomsoorten; 3 de vergunning kan worden geweigerd op grond van: a de strijdigheid met de Wet natuurbescherming of andere regelgeving inzake natuurbescherming; b het onvoldoende aannemelijk maken van een verwijderingsbelang; 4 het bevoegd gezag kan een herplantplicht en/of een andere vorm van groencompensatie opleggen onder nader te stellen voorschriften.
Artikel 4:11 Aanvraag vergunning De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.
6.2
Conclusie en effecten
In het plangebied zijn bomen aanwezig die in het kader van de werkzaamheden voor de realisatie van het station worden gekapt. Deze bomen zijn in eigendom van de gemeente Zoetermeer en staan daarnaast ook in een beschermd gebied (Afbeelding 6.1). Voor het kappen van deze bomen moet een Omgevingsvergunning worden aangevraagd (Artikel 4:10, lid 1).
29 | 34
Witteveen+Bos | 135677/23-015.446 | Definitief 03
Afbeelding 6.1 Beschermde gebieden (rood) in Zoetermeer rond het plangebied (blauw)
30 | 34
Witteveen+Bos | 135677/23-015.446 | Definitief 03
7 SAMENVATTING 7.1
Gebiedsbescherming
Natura 2000 Het optreden van directe effecten, zoals verstoring door oppervlakteverlies, geluid, licht, trilling of optische verstoring kan als gevolg van de afstand (circa 7 km) tussen het plangebied en omliggende Natura 2000gebieden worden uitgesloten. Een Voortoets om directe effecten van het voornemen op Natura 2000gebieden te toetsen is niet nodig. Stikstofdepositie Effecten van stikstofdepositie van dit voornemen zijn op voorhand niet uit te sluiten. De omvang en reikwijdte van de stikstofdepositie door de werkzaamheden en/of het gebruik zijn met een AERIUS-berekening inzichtelijk gemaakt te worden. Uit de berekening en analyse blijkt dat er tijdens de bouwfase en gebruiksfase geen sprake is van stikstofdeposities op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Daarmee kunnen mogelijke significante negatieve effecten door stikstofdepositie op voorhand worden uitgesloten. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten het NNN. Voor gronden die grenzen aan het NNN, maar daar zelf buiten liggen, gelden volgens het provinciale NNN-beleid geen beperkingen. Het NNN heeft geen ‘externe werking’ die een toets van gebruik aangrenzend aan het natuurgebied verplicht stelt. Omdat het plangebied geheel buiten het NNN valt, is er geen sprake van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden.
7.2
Soortenbescherming
In de onderstaande tabel zijn de bevindingen en conclusies ten aanzien van de beschermde soorten samengevat.
31 | 34
Witteveen+Bos | 135677/23-015.446 | Definitief 03
Tabel 7.1 Samenvattende tabel soortenbescherming Soortgroep
Kans op overtreding Wnb?
Vervolgstappen nodig?
Ontheffing aanvragen?
Mitigerende maatregelen
Vervolgonderzoek (indien mitigatie niet mogelijk of niet voldoende)
flora
nee
geen, wel zorgplicht
nee
nee
grondgebonden zoogdieren
nee
geen, wel zorgplicht
nee
nee
vleermuizen
ja, indien foeragerende/overvliegende vleermuizen worden verstoord
ja, door:
nee
nee, mits mitigerende maatregelen in acht worden genomen
nee
nee, mits mitigerende maatregelen in acht worden genomen
-
werkzaamheden overdag uitvoeren en gebruik maken van vleermuisvriendelijk lichtbeheer
vogels
ja, indien algemeen voorkomende broedparen worden verstoord
ja drie mogelijkheden: -
buiten het broedseizoen werken;
-
werkzaamheden voor het broedseizoen inzetten en continu doorwerken;
-
of plangebied ongeschikt maken voor broedvogels
vogels
ja, mogelijke vernietiging van jaarrond beschermde nesten van roofvogels bij de kap van bomen.
niet van toepassing
ja, van de aanwezige nesten in het plangebied moet onderzocht worden op roofvogels met 3 bezoeken in maart t/m half mei.
mogelijk, afhankelijk van de uitkomsten van het vervolgonderzoek
amfibieën
ja, indien rugstreeppad tijdens werkzaamheden in het plangebied komt
ja, door te voorkomen dat tijdens de werkzaamheden geschikt leefgebied voor rugstreeppadden ontstaat of kolonisatie mogelijk is
nee
nee, mits mitigerende maatregelen in acht worden genomen
reptielen
nee
geen, wel zorgplicht
nee
nee
vissen
nee
geen, wel zorgplicht
nee
nee
vlinder, libellen & ongewervelden
nee
geen, wel zorgplicht
nee
nee
32 | 34
Witteveen+Bos | 135677/23-015.446 | Definitief 03
7.3
Houtopstanden
Voor het kappen van de bomen in het plangebied moet een Omgevingsvergunning worden aangevraagd, omdat de bomen in beheer zijn van de gemeente Zoetermeer en/of in een door het college aangewezen beschermd gebied liggen.
33 | 34
Witteveen+Bos | 135677/23-015.446 | Definitief 03
8 LITERATUUR 1 Veldgids beschermde planten en dieren Zoetermeer, gemeente Zoetermeer, maart 2011. 2 Atlasvoordeleefomgeving.nl, geraadpleegd op 04-04-2023. 3 www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/, geraadpleegd op 02-03-2023. 4 natura2000.nl, geraadpleegd op 02-03-2023. 5 www.zuid-holland.nl/politiek-bestuur/feiten-cijfers/atlassen-kaarten/, geraadpleegd op 06-04-2023. 6 NDFF-ecogrid database (ndff.nl), geraadpleegd op 02-03-2023. 7 verspreidingsatlas.nl, geraadpleegd op 02-03-2023. 8 zoogdierenvereniging.nl, geraadpleegd op 02-03-2023. 9 vleermuis.net, geraadpleegd op 02-03-2023. 10 Onderbouwing effectafstanden bestaande handelingen Natura 2000-gebieden in Overijssel, Provincie Overijssel. Arcadis, 2011. 11 A-blad Geluid en trillingen bij funderingswerkzaamheden, 2021 volandis.nl. 12 vogelbescherming.nl; geraadpleegd op 02-03-2023. 13 ravon.nl, geraadpleegd op 02-03-2023. 14 vlinderstichting.nl, geraadpleegd op 02-03-2023.
34 | 34
Witteveen+Bos | 135677/23-015.446 | Definitief 03
Bijlage(n)
I BIJLAGE: WETGEVEND KADER I.1
Wet natuurbescherming
I.1.1
Gebiedsbescherming
In hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming zijn de bepalingen voor gebiedsbescherming vastgelegd. De regels hebben als doel het beschermen en in stand houden van natuurgebieden met bijzondere of kwetsbare waarden. Hiermee zijn internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR), maar ook verdragen als bijvoorbeeld het Verdrag van Ramsar (Wetlands) in nationale regelgeving verankerd. Nederland past een vergunningstelsel toe bij de bescherming van Natura 2000-gebieden. Projecten die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000gebied, zijn volgens artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming vergunningplichtig. Voor elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden beoordeeld of kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden/ontwikkeling een significant negatief effect hebben op de beschermde natuurwaarden in het betreffende gebied. Indien significant negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, dient een ‘passende beoordeling’ te worden uitgevoerd. In het geval de passende beoordeling niet de zekerheid verschaft dat er geen sprake is van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied, moet de vergunning, c.q. de instemming, worden geweigerd, tenzij aan de ‘ADC-criteria’ voldaan wordt.