CConstaterende datZoetermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Toelichting Ontwerp bestemmingsplan Edisonstraat

Raadsvergadering 8 juli 2024, gemeente ZoetermeerBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling Bestemmingsplan Transformatorstation Edisonstraat Stedin27.570 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Ter plaatse van de (voorlopig) beoogde locatie van de nieuwe woning is eveneens een toetspunt ingevoerd. Gevaar De begrenzing van de bestemming van het transformatorstation grenst aan de perceelgrens van de woning. De aanbevelingen uit de veiligheidsstudie om bepaalde beperkingen op te nemen in het bestemmingsplan is opgevolgd. In de verbeelding van het bestemmingsplan is een bouwvlak met een bouwaanduiding binnen de bestemming Bedrijf-nutsvoorziening opgenomen voor het transformatorstation, zodat geen toekomstige uitbreiding naar de risico-ontvanger toe gerealiseerd kan worden. Het werkelijke gevaar van het transformatorstation is namelijk vanaf de gevel van het gebouw waarin de transformator is gelegen. Bij wijziging van het bestemmingsplan op een dergelijke manier kan een afstand van circa 23 m worden geborgd. Een nadere onderbouwing voor het afwijken van de richtafstand kan door te kijken naar de precieze omvang van de activiteit en de aanwezige (veiligheids)voorzieningen. De richtafstand voor gevaar is namelijk gebaseerd op een gemiddelde activiteit van dat type. Ook gaat de VNG publicatie er vanuit dat nader gekeken kan worden naar de afstanden, omdat in de praktijk nagenoeg altijd (met uitzondering van kerncentrales en schietbanen) getoetst dient te worden aan het Bevi en daarmee risicoberekeningen voorhanden zijn.

In deze situatie is dit echter niet mogelijk, omdat het transformatorstation niet getoetst kan worden aan het Bevi. De VNG-richtafstanden zijn voor de werkbaarheid ingedeeld in categorieën. Voor dit concrete geval is duidelijk dat er nooit een vermogen van meer dan 45 MVA door de transformatoren zal gaan. In de veiligheidsstudie is dit vermogen vergeleken met het gemiddelde van 10-100 MVA, dus 55 MVA. Op basis van deze redenering kan, onder aanname van een lineair verband tussen de afstand en het vermogen, een richtafstand worden afgeleid van (45 MVA/55 MVA) x 30 m = 24 m. De afstand van 23 m ligt dus beperkt binnen deze afgeleide richtafstand. Daarom zijn in de veiligheidsstudie de mogelijke fysische effecten bij een

27 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

incident binnen het transformatorstation in meer detail beschouwd. Op deze manier is duidelijk geworden hoe de afgeleide richtafstand zich verhoudt tot de verwachte effectafstanden. Als eerste is relevant dat het transformatorgebouw een demontabel roostergevel heeft aan de wegzijde en gesloten is richting de woningen. Overdrukeffecten van explosies verdrijven makkelijker via een open structuur dan een gesloten structuur. Door de open structuur van het transformatorgebouw zullen de overdrukeffecten kleiner zijn. De overdruk zal aan de weg ook groter zijn dan richting de woningen. Verder ligt tussen het transformatorgebouw en de woningen het schakelgebouw. De wanden van dit gebouw vangen ook enige overdruk, scherfwerking en warmtestraling op die anders op de woningen zou vallen. Overdruk wordt dus niet als een maatgevend incidentscenario beschouwd. In conventionele risicoberekeningen wordt de 1 % letaliteitsafstand gehanteerd als de afstand tot waar er nog een extern veiligheidsrisico is ten gevolge van een incidentscenario. In het geval van een brand komt dit overeen met een blootstelling van één minuut aan een warmtestralingsintensiteit van 12,5 - 15 kW/m2. De warmtestralingsintensiteit op de richtafstand van 30 m is dus lager dan 12,5 kW/m 2 en leidt tot een letaliteit van <1 % en zal vooral leiden tot tweedegraads brandwonden.

Daarnaast zal de intensiteit kwadratisch afnemen met de afstand. Het hanteren van een lineaire verband tussen het vermogen en de richtafstand is dus ook een worst-case benadering, omdat het fysisch effect en dus het gevaar van een brand kwadratisch afneemt met de afstand. Ook zijn de richtafstanden afgeleid in 1986. Sindsdien zijn de veiligheidsvoorzieningen die worden genomen verder gevorderd. Standaard worden beter geïsoleerde kabels gebruikt en is kortsluiting detectie aanwezig. Voor het transformatorgebouw worden de muren extra verstevigd en worden ze brandwerend met een WBDBO (Weerstand Brand Doorlating Brand Overslag) van 60 minuten uitgevoerd. De richtafstand van dit transformatorstation zal in deze motivatie daarom in de ordegrootte 10-30 m liggen, waarbij de voorziene afstand van circa 23 m passend lijkt. Daarnaast is het maatgevende incidentscenario bij transformatorstations een plasbrand. De handreiking ‘Verantwoorde brandweer advisering externe veiligheid’ stelt dat de zelfredzaamheid bij plasbranden hoog is door de lange ontwikkelingsduur, waardoor de kans op dodelijke slachtoffers gereduceerd wordt. Vanuit de geschetste situatie wordt verwacht dat er daarnaast voldoende ruimte en bereikbaarheid is voor hulpdiensten om een voorspoedige incidentbestrijding te realiseren. Uitgangspunt is dat in deze gemengde omgeving voldoende bluswater voorhanden is.

Hieruit lijkt er geen noodzaak voor het treffen van aanvullende maatregelen of voorzieningen.

4.4.3

Conclusie

Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering zijn er geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.

4.5

Magneetvelden

Overal waar stroom doorheen loopt ontstaat een magnetisch veld. Zo ook rond hoogspanningsverbindingen. Er is geen sprake van wettelijke limieten voor blootstelling aan deze magnetische velden. Onlangs (2022) heeft een herijking van het voorzorgbeleid met betrekking tot de mogelijke gezondheidsrisico’s van magneetvelden van netcomponenten in het elektriciteitsnet plaatsgevonden. Hierbij is, voor andere netcomponenten dan bovengrondse hoogspanningslijnen, besloten om geen ruimtelijke maatregelen te treffen c.q. geen standaard afstanden aan te houden en wordt voor nieuwe situaties uitgegaan van het treffen van bronmaatregelen.

28 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

Voor de realisatie van het transformatorstation zullen, in lijn met het nieuwe voorzorgbeleid, de volgende bronmaatregelen worden getroffen: fase-optimalisatie bij bovengrondse hoogspanningslijnen of ondergrondse kabels (dat wil zeggen: het anders positioneren van de elektriciteitsdraden ten opzichte van elkaar); het in driehoek leggen van kabels of toepassen van drie-fasenkabels; het zo veel mogelijk vermijden van geleiders langs muren en plafonds van stations en transformatorhuisjes. In het voorzorgbeleid geldt de laatste maatregel in geval van directe ligging naast woningen, scholen, kinderdagverblijven of crèches. Van een directe ligging naast woningen, scholen, kinderdagverblijven of crèches is in de onderhavige situatie geen sprake. Het transformatorgebouw wordt namelijk zo ver mogelijk van de dichtstbijzijnde woning/bouwgerechtigde kavel geplaatst (langs de Edisonstraat). Het nieuwe voorzorgbeleid wordt binnenkort geformaliseerd tussen het ministerie van Economische Zaken en Klimaat en Netbeheer Nederland. Vervolgens worden de bevoegde gezagen ruimtelijke ordening en de netbeheerders door middel van een brief over de instandhouding van het huidige voorzorgbeleid geïnformeerd. Met het treffen van bovenstaande maatregelen vormt het aspect magneetvelden geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de in dit bestemmingsplan voorgenomen ontwikkelingen.

4.6

Verkeer en parkeren

In deze paragraaf worden de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de verkeersgeneratie en parkeren besproken. Eerst wordt ingegaan op het effect van de tijdelijke ontwikkeling op de verkeersgeneratie op de ontsluiting van het terrein. Daarna wordt ingegaan op de parkeerbehoefte en parkeercapaciteit. Verkeer Het nieuwe transformatorstation wordt ontsloten via de Edisonstraat. Het transformatorstation is niet permanent bemand. Wel kan sprake zijn van sporadisch bezoek door personeel ten behoeve van inspectie en onderhoud. Dit zal gelijk zijn aan circa vijftien busjes per jaar. De ontwikkeling zorgt voor een zeer geringe verkeersgeneratie. Om deze reden kan de verkeersgeneratie naar verwachting zonder problemen worden afgewikkeld op de omliggende wegen. Het aspect verkeer is geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Parkeren De ‘Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels Zoetermeer 2019’ bevat verscheidene uitgangspunten met betrekking tot het thema parkeren. Het toetsingskader uit deze nota is gebord in het Bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren en Geluidsgevoelige objecten’.

Uit artikel 3.1 van dit bestemmingsplan volgt dat het bevoegd gezag kan pas een omgevingsvergunning verlenen voor de activiteiten bouwen en/of het gebruiken van gronden en/of de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening, met inachtneming van het volgende: - in het geval van nieuwbouw, uitbreiding of functiewijziging van gebouwen en/of voorzieningen, dient op eigen terrein te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid en laad- en losvoorzieningen; - er is sprake van voldoende parkeergelegenheid en laad- en losvoorzieningen, indien voldaan wordt aan de normen en eisen die zijn neergelegd in de door het bevoegd gezag vastgestelde beleidsregels met betrekking tot het parkeren en laden en lossen, zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag omgevingsvergunning. In het kader van de uitvoerbaarheid van voorliggend plan is een omgevingsvergunning - bouwen noodzakelijk voor het realiseren van het transformatorstation. Om deze reden is getoetst aan artikel 3.1 van het bestemmingsplan.

29 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

Uit de nota volgt dat de gemeente Zoetermeer als basis van de autoparkeernormen kiest voor de recent in 2018 geactualiseerde parkeerkencijfers van het CROW. Op basis van deze parkeernormen kan de parkeerbehoefte worden bepaald. Voor transformatorstations worden zowel in de CROW-publicatie als in de nota geen parkeernormen genoemd. De vraag voor parkeergelegenheid voor busjes/auto’s ten behoeve van het transformatorstation is beperkt. Zoals hierboven beschreven is het transformatorstation niet permanent bemand. Wel kan sprake zijn van sporadisch bezoek door personeel ten behoeve van inspectie en onderhoud. Dit zal gelijk zijn aan circa vijftien busjes per jaar. Hiervoor is voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein, waardoor het voornemen niet leidt tot een toename van parkeerdruk. Er wordt voldaan aan de ‘Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels Zoetermeer 2019’. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.7

Natuur

In deze paragraaf wordt ingegaan op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling vanuit het oogpunt van natuur. In deze paragraaf zijn het toetsingskader, de resultaten en de conclusies weergegeven.

4.7.1

Toetsingskader

De Wet natuurbescherming regelt op hoofdlijnen drie zaken: 1 bescherming van planten- en diersoorten; 2 bescherming van bos en houtopstanden; 3 bescherming van de in het kader van Europees natuurbeleid aangewezen Natura 2000-gebieden. Soortenbescherming Ten aanzien van soortenbescherming maakt de Wet natuurbescherming onderscheid in drie categorieën: - vogels: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn; - habitatrichtlijnsoorten: dit zijn soorten uit bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage I en II van het Verdrag van Bern en bijlage II van het Verdrag van Bonn; - andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om een aantal zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving zoals foerageergebieden of vliegroutes) van beschermde soorten uit de eerste en tweede categorie mogen niet (opzettelijk) verstoord of vernietigd worden. Daarnaast mag geen enkele beschermde soort (opzettelijk) worden gedood of verwond. Bij vogels zijn daarnaast de nesten van belang. De categorie ‘andere soorten’ gaat om soorten die niet onder de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn vallen.

Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren beschermd moeten worden. De overige soorten uit deze bijlage worden om ecologische redenen beschermd. Hiermee wordt door Nederland uitvoering gegeven aan het Biodiversiteitsverdrag om de staat van instandhouding van dier- en plantsoorten te garanderen. Gebiedsbescherming Natura 2000 De minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Ten aanzien van gebiedsbescherming geldt dat de Wet natuurbescherming de bescherming van Natura 2000-gebieden regelt

30 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

Momenteel geldt het volgende kader voor de vergunningverlening voor projecten: - op basis van de Wet natuurbescherming is een vergunning vereist voor projecten die een significant gevolg kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied1. Dit is dus niet het geval indien significante gevolgen op voorhand zijn uit te sluiten; - indien niet op voorhand kan worden uitgesloten dat mogelijke significante gevolgen optreden, dient een Passende Beoordeling te worden opgesteld om in beeld te brengen of er daadwerkelijk significante gevolgen aan de orde zijn. In een Passende Beoordeling mogen ook mitigerende maatregelen (zoals externe saldering) betrokken worden. De vergunning kan worden verleend indien (eventueel met toepassing van deze mitigerende maatregelen) de voorgenomen activiteit de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten2; - als uit de Passende Beoordeling blijkt dat significante gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, kan een vergunning enkel worden verleend indien de ADC-toets succesvol wordt doorlopen: · A: er zijn geen alternatieve oplossingen; · D: het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang; · C: door middel van compenserende maatregelen wordt gewaarborgd dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft3.

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland, de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS), zorgt voor een aaneengesloten netwerk van natuurgebieden en natuurontwikkelingsgebieden die met elkaar verbonden worden door ecologische verbindingszones. De rechtstreekse werking van NNN vindt plaats door toetsing van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van bestemmingsplannen aan het NNN-beleid (titel 2.10 Barro). Er geldt geen separate vergunningplicht. Houtopstanden Ten behoeve van het voornemen worden houtopstanden geveld. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom (conform Wet natuurbescherming), waardoor de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Zoetermeer van toepassing is op het vellen van houtopstanden4. In de APV wordt onder het vellen van een boom ook het verplanten van een boom verstaan. Uit artikel 4:10 van de APV volgt dat het verboden is zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstanden te vellen of te doen vellen die vermeld staan op het door het college vastgestelde overzicht monumentale en herdenkingsbomen Zoetermeer, en/of staan in door het college aangewezen beschermde gebieden, alsmede houtopstanden die eigendom zijn van de gemeente. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht en/of een andere vorm van groencompensatie opleggen onder nader te stellen voorschriften.

4.7.2

Resultaten

Soortenbescherming Om de consequenties van de Wet natuurbescherming, onderdeel beschermde soorten, voor de voorgenomen ontwikkeling in beeld te brengen is een QuickScan Flora en Fauna uitgevoerd (zie bijlage IV van deze toelichting). In onderstaande tabel zijn de conclusies uit het onderzoek weergegeven.

1

Artikel 2.7 lid 2 Wet natuurbescherming.

2

Artikel 2.7 lid 3 jo. Artikel 2.8 lid 3 Wet natuurbescherming.

3

Artikel 2.8 lid 2 Wet natuurbescherming.

4

Onder houtopstand wordt hakhout, een houtwal of één of meer bomen verstaan. Onder vellen wordt afzagen, afhakken, kappen, rooien, rigoureus snoeien, verplanten of het verrichten van handelingen zowel boven- als ondergronds die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben verstaan.

31 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

Tabel 4.2 Samenvattende tabel soortenbescherming Soortgroep

Kans op overtreding Wnb?

Vervolgstappen nodig?

Ontheffing aanvragen?

Mitigerende maatregelen

Vervolgonderzoek (indien mitigatie niet mogelijk of niet voldoende)

flora

nee

geen, wel zorgplicht

nee

nee

grondgebonden zoogdieren

nee

geen, wel zorgplicht

nee

nee

vleermuizen

ja, indien foeragerende/overvliegende vleermuizen worden verstoord

ja, door:

nee

nee, mits mitigerende maatregelen in acht worden genomen

nee

nee, mits mitigerende maatregelen in acht worden genomen

-

werkzaamheden overdag uitvoeren en gebruik maken van vleermuisvriendelijk lichtbeheer

vogels

ja, indien algemeen voorkomende broedparen worden verstoord

ja drie mogelijkheden:

-

buiten het broedseizoen werken werkzaamheden voor het broedseizoen inzetten en continu doorwerken

-

of plangebied ongeschikt maken voor broedvogels

vogels

ja, indien de boom met een potentieel jaarrond beschermde nest wordt gekapt

niet van toepassing

ja, onderzoek roofvogels met drie bezoeken in maart t/m half mei

nee, zie uitkomsten nader onderzoek

amfibieën

ja, indien rugstreeppad tijdens werkzaamheden in het plangebied komt

ja, door te voorkomen dat tijdens de werkzaamheden geschikt leefgebied voor rugstreeppadden ontstaat of kolonisatie mogelijk is

nee

nee, mits mitigerende maatregelen in acht worden genomen

reptielen

nee

geen, wel zorgplicht

nee

nee

vissen

nee

geen, wel zorgplicht

nee

nee

vlinder, libellen & ongewervelden

nee

geen, wel zorgplicht

nee

nee

32 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

In de Hollandse iep binnen het plangebied is een potentieel jaarrond beschermd nest waargenomen (zie afbeelding 4.1). Daarom is nader onderzoek uitgevoerd (zie bijlage IV bij deze toelichting). Uit dit onderzoek blijkt dat tijdens geen van de veldbezoeken vogels met een jaarrond beschermd nest in of nabij het nest zijn waargenomen. Het nest heeft derhalve geen jaarrond beschermde status.

Afbeelding 4.1 Locatie bomen in en rondom plangebied met potentieel jaarrond beschermd nest

Gebiedsbescherming In de quickscan Flora en Fauna (bijlage IV) is ook het aspect gebiedsbescherming beschouwd. Natura 2000 Het optreden van directe en indirecte effecten (met uitzondering van stikstofdepositie) kan als gevolg van de afstand (5 km) tussen het plangebied en omliggende Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Een Voortoets om directe effecten van het voornemen op Natura 2000-gebieden te toetsen is niet nodig. Voor het onderdeel stikstofdepositie zijn voor de aanlegfase AERIUS-berekeningen uitgevoerd (zie bijlage V van deze toelichting). Uit deze berekening volgt dat geen sprake is van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen. Gedurende de gebruiksfase van het transformatorstation vinden enkel stikstofemissies plaats als gevolg van wegverkeer. Het gaat vooral om kleine personenbusjes van Stedin Operations, die gebruikt worden voor bijvoorbeeld inspecties, reparaties en onderhoud. Voor de aanlegfase is berekend dat bij 3.000 verkeersbewegingen ‘licht verkeer’ per jaar (en het zware verkeer en werktuigen) geen depositie plaatsvindt. Daarom kan geconcludeerd worden dat tijdens de gebruiksfase met aanzienlijk minder verkeersbewegingen ‘licht verkeer’ per jaar (circa vijftien busjes per jaar) ook geen depositie plaats zal vinden.

Daarnaast streeft Stedin voor 2030 naar volledig elektrisch vervoer, zodat er op termijn in het geheel geen sprake meer zal zijn van emissie van bedrijfsauto’s voor onderhoud.

33 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten het NNN. Het NNN van Zuid-Holland heeft geen ‘externe werking’ die een toets van gebruik aangrenzend aan het natuurgebied verplicht stelt. Omdat het plangebied geheel buiten het NNN valt, is er geen sprake van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden. Houtopstanden Voor het realiseren van de kabels worden drie houtopstanden (bomen) verwijderd en indien mogelijk herplant. Dit betreffen de Hollandse iep en de gewone plataan binnen het plangebied en de moseik net buiten het plangebied. De mogelijkheid tot het herplanten van de houtopstanden wordt in een later stadium onderzocht. De Hollandse iep, gewone plantaan en moseik zijn op moment van schrijven eigendom van de gemeente. De Hollandse iep, de gewone plataan en de moseik staan daarnaast in een beschermd gebied (zie afbeelding 4.2). Voor het vellen van deze houtopstanden moet een Omgevingsvergunning worden aangevraagd (Artikel 4:10 APV, lid 1, in samenhang met artikel 2.2, lid 1, sub g Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). De vergunning kan worden geweigerd op grond van: de strijdigheid met de Wet natuurbescherming of andere regelgeving inzake natuurbescherming; het onvoldoende aannemelijk maken van een verwijderingsbelang.

Uit de uitgevoerde onderzoeken in het kader van de Wet natuurbescherming is gebleken dat geen strijdigheid is met de Wet natuurbescherming (bij de uitvoering van de werkzaamheden worden de maatregelen ter voorkoming van overtreding in acht genomen). Gezien de noodzaak van het transformatorstation en de te onderzoeken mogelijkheid tot herplanting van de houtopstanden wordt op voorhand geen belemmering verwacht voor het verkrijgen van de vergunning.

Afbeelding 4.2 Beschermde gebieden (rood) in Zoetermeer rond het plangebied (blauw)

4.7.3

Conclusie

Bij de uitvoering van de werkzaamheden worden de maatregelen ter voorkoming van overtreding van de Wet natuurbescherming (soortenbescherming) in acht genomen. In de Hollandse iep binnen het plangebied is een potentieel jaarrond beschermd nest waargenomen (zie afbeelding 4.1). Daarom is nader onderzoek uitgevoerd (zie bijlage IV bij deze toelichting). Uit dit onderzoek blijkt dat tijdens geen van de veldbezoeken

34 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

vogels met een jaarrond beschermd nest in of nabij het nest zijn waargenomen. Het nest heeft derhalve geen jaarrond beschermde status. Uit de berekening en analyse blijkt dat er tijdens de bouwfase en gebruiksfase geen sprake is van stikstofdeposities op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Daarmee is de realisatie van het voorliggende plan op het aspect stikstofdepositie uitvoerbaar. Ten behoeve van het voornemen worden houtopstanden gekapt, waarvoor een omgevingsvergunning dient te worden aangevraagd. Op voorhand wordt geen belemmering verwacht op het verkrijgen van de omgevingsvergunning. Vanwege de ruime afstand tot NNN-gebieden en Natura 2000-gebieden vindt geen verstoring van deze gebieden plaats. Het aspect natuur vormt daarom geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de in dit bestemmingsplan voorgenomen ontwikkelingen.

4.8

Bodem

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Met andere woorden: is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt voor de beoogde bestemming(en)/ functie(s)? Is er bodemverontreiniging die de functiedoelen kan frustreren, levert dit gezondheidsrisico’s, ecologische risico’s of verspreidingsrisico’s op en kan er tijdig iets aan gedaan worden? Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand stillbeginsel.

4.8.1

Toetsingskader

In de Wet bodembescherming (Wbb) is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, zoals stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingssituaties op basis van een bodemonderzoek.

4.8.2

Resultaten

Ten behoeve van het voornemen is een historisch vooronderzoek conform NEN 5725 (zie bijlage VI van deze toelichting). Hieruit blijkt dat ter plaatse van het toekomstige transformatorstation geen bodem belastende activiteiten bekend zijn. Gelet op de voorgenomen werkzaamheden is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek NEN 5740 noodzakelijk voor het vaststellen van de actuele bodemkwaliteit, omdat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem niet afdoende bekend is. Uit het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek (zie bijlage VI van deze toelichting) volgt dat de actuele milieuhygiënische kwaliteit voldoet aan het huidige en toekomstige gebruik van de locatie. Op basis van de resultaten is het niet aannemelijk dat risico’s voor de volksgezondheid en/of milieu aanwezig zijn. De resultaten van het uitgevoerde onderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader onderzoek. De milieuhygiënische kwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen werkzaamheden.

35 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

4.8.3

Conclusie

Uit het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek volgt dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor voorliggend bestemmingsplan.

4.9

Archeologie

Voorafgaand aan het vaststellen van het bestemmingsplan dient inzicht te zijn verkregen in bekende en te verwachten archeologische waarden in het plangebied en omgeving, en wat de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden zijn en of deze een bedreiging vormen voor het bodemarchief. Indien dit het geval is, wordt geadviseerd op welke wijze hiermee in het vervolgtraject van de plannen rekening dient te worden gehouden.

4.9.1

Toetsingskader

De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. De Erfgoedwet regelt onder andere de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Archeologisch onderzoek zal moeten worden uitgevoerd als er sprake is van een hoge trefkans of als het plangebied niet is gekarteerd.

4.9.2

Resultaten

Conform het bestemmingsplan Oosterheem/Zegwaartseweg-Noord heeft het perceel de dubbelbestemming Waarde - Archeologie. Voor gebieden met een archeologische dubbelbestemming geldt op basis van het bestemmingsplan dat ingrepen die dieper gaan dan 50 cm-mv, onderzoeksplichtig zijn. De geplande ingrepen reiken dieper dan 50 cm-mv. De gemeente Zoetermeer heeft een archeologische verwachtingen- en beleidskaart opgesteld waarop archeologisch waardevolle gebieden en de archeologische verwachting van de waardevolle gebieden zijn opgenomen1. Op de gemeentelijke archeologische verwachtingen- en beleidskaart is opgenomen dat de onderzoekslocatie is vrijgegeven voor archeologie (zie afbeeldingen 4.3 en 4.4). Om deze reden wordt de archeologische verwachtingswaarde uit het bestemmingsplan ‘Oosterheem/Zegwaartseweg-Noord’ niet overgenomen in voorliggend bestemmingsplan.

1

De archeologie van Zoetermeer, Delftse Archeologische Rapporten, CIS code: 64863, november 2015.

36 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

Afbeelding 4.3 Uitsnede archeologische beleidskaart, onderzoekslocatie in rode contour (afbeelding noordelijk georiënteerd)

Afbeelding 4.4 Uitsnede archeologische verwachtigenkaart, onderzoekslocatie in rode contour (afbeelding noordelijk georiënteerd)

4.9.3

Conclusie

De archeologische verwachtingen- en beleidskaart dateert uit 2015 en het bestemmingsplan uit 2014. Uit navraag bij de gemeente Zoetermeer blijkt dat de archeologische verwachtingen- en beleidskaart leidend is ten opzichte van het bestemmingsplan. Op basis van de archeologische verwachtingen- en beleidskaart, blijkt geen archeologisch onderzoek nodig te zijn. De archeologische verwachtingswaarde uit het bestemmingsplan ‘Oosterheem/ZegwaartsewegNoord’ wordt niet overgenomen in voorliggend bestemmingsplan. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.10

Trillingen

4.10.1 Toetsingskader Bij het opstellen van ruimtelijke plannen dient het aspect trillingen beoordeeld te worden. Trillingen bewegen zich door de bodem en gebouwconstructies. De effecten als gevolg van trillingen kunnen zijn: schade aan gebouwen en hinderbeleving. Naast hinder voor mensen kunnen de effecten van trillingen ook

37 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

zijn schade of verstoring van trilling gevoelige apparatuur. In tegenstelling tot de Wet geluidhinder bij geluid, bestaat in Nederland nog geen wettelijk kader voor trillingen. De beoordeling van trillingen vindt daarom zijn grondslag in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening. Hierin is de zorg voor een goede ruimtelijke ordening voorgeschreven. Daarvoor is het nodig om mogelijke trillinghinder in kaart te brengen en deze te betrekken in de beoordeling. De Stichting Bouw Research (hierna: SBR) meeten beoordelingsrichtlijn is in Nederland de meest gebruikte richtlijn voor het meten en beoordelen van trillingen. SBR-richtlijn Een belangrijk en voor veel situaties te gebruiken toetsingskader is de SBR-richtlijn ‘Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen’. Deze richtlijn bestaat uit drie delen: deel A schade aan gebouwen; deel B hinder voor personen in gebouwen; deel C storing aan apparatuur.

De richtlijn sluit grotendeels aan bij internationale richtlijnen (Duitse norm DIN 4150, ISO 2631/2) en gaat in op het meten van trillingen en op een beoordelingssystematiek. De richtlijn heeft alleen betrekking op trillingen die van buiten het te beoordelen gebouw komen. Dit betekent dat het gaat om trillingen die via de ondergrond en de funderingen het gebouw bereiken. Dat is ook het beoordelingscriterium voor deel A (schade aan gebouwen). Deel A kent een herziene versie van eind 2017. Bij deel B (hinder voor personen in gebouwen) worden de trillingen gemeten op vloeren, omdat daar de hinder optreedt. Op te merken valt dat de richtlijn zich toespitst op het meten en beoordelen. De richtlijn gaat dan ook niet in op bouwkundige adviezen. De SBR richtlijn deel B wordt in de praktijk veelvuldig toegepast. Door het ontbreken van een wettelijk kader waarin grenswaarden zijn gedefinieerd, is bij het opstellen van voorliggende handreiking gekozen om aan te sluiten bij de huidige praktijk en is het advies om de SBR-richtlijn deel B als toetsingskader op te nemen/te hanteren. Met de wetenschap dat er onderzoek gaande is naar onder andere dosis-effect-relaties en te hanteren blootstellingsmaten, geldt de SBR-richtlijn deel B op dit moment als ‘best-practice’.

4.10.2 Resultaten De voorgenomen ontwikkeling produceert tijdens de gebruiksfase geen noemenswaardige trillingen. Tijdens de aanlegfase vinden echter aanlegwerkzaamheden plaats (onder andere tijdelijke schroefwerkzaamheden) die trillingen in de bodem kunnen veroorzaken. Om trillinghinder tijdens de uitvoeringsfase zoveel mogelijk te beperken worden de funderingspalen schroevend ingebracht.

4.10.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling produceert tijdens de gebruiksfase geen noemenswaardige trillingen. Om trillinghinder tijdens de uitvoeringsfase zoveel mogelijk te beperken worden de funderingspalen schroevend ingebracht. Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.11

Water

De voorgenomen ontwikkeling kan effecten hebben op de waterhuishoudkundige situatie, zowel kwantitatief als kwalitatief. In Nederland is daarom de watertoets een verplicht onderdeel van elke ruimtelijke ontwikkeling. De watertoets is een procesinstrument waarbij de waterbeheerders in een vroegtijdig stadium

38 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

worden betrokken bij de voorgenomen ontwikkeling, zodat verschillende aspecten van ‘water’ een goede plaats krijgen in de planvorming. In de waterparagraaf worden de effecten van het ontwerp op deze verschillende aspecten omschreven, zoals waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, beheer en onderhoud en het effect op grondwaterpeilen.

4.11.1 Toetsingskader De watertoets is met ingang van 1 november 2003 wettelijk verplicht geworden voor bestemmingsplannen. Omdat het beleid van het waterschap niet rechtstreeks doorwerkt in het bestemmingsplan is in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaald dat de gemeente vooroverleg met o.a. het waterschap moet voeren (art. 3.1.1 Bro). Daarnaast staat ook expliciet beschreven dat de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving moet bevatten van de wijze waarop in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de waterhuishouding (art. 3.1.6 b Bro). Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Hieronder staat een overzicht van de voor het plangebied en de ontwikkeling relevante wet- en regelgevingen. Waterwet Het doel van de Waterwet is verwoord in artikel 2.1 van de wet. Hierbij gaat het om voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.

Dit kader wordt vervolgens in de Waterwet en onderliggende regelgeving geconcretiseerd met concrete normen voor waterkeringen, waterkwantiteit, functievervulling en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen. Het rijk, de provincies en de regionale waterbeheerders dienen hun beleid op deze normen af te stemmen en dat te beschrijven in water(beheer)plannen. Keur Hoogheemraadschap van Rijnland en Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK), maar het plangebied overlapt daarnaast deels met de buitenbeschermingszone van een regionale kering van Hoogheemraadschap van Rijnland (HvR). De keur is een algemene verordening van het waterschap/hoogheemraadschap. Op grond van artikel 56 in combinatie met artikel 78 van de Waterschapswet stelt het waterschap verordeningen vast die het nodig oordeelt voor de behartiging van de opgedragen taken. De taken die aan waterschap worden opgedragen betreffen, volgens artikel 1 van de Waterschapswet, de zorg voor het watersysteem en zorg voor het zuiveren van afvalwater en eventueel kunnen nog de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden worden opgedragen, bijvoorbeeld vaarwegbeheer.

Naast de Waterschapswet, die de organisatie van de waterschappen regelt, geven de Waterwet en de daarop gebaseerde regelgeving allerlei bepalingen over de inhoud van het waterbeheer, bijvoorbeeld in de vorm van doelstellingen en concrete normen. Omgevingsverordening Zuid-Holland In de Omgevingsverordening is aandacht voor verschillende waterhuishoudkundige thema’s. Provinciale gebiedsspecifieke beleidskeuzes worden in de Omgevingsverordening met specifieke artikelen geborgd. Het gaat om reserveringen voor waterveiligheid en beperking wateroverlast en drinkwater/grondwaterbeschermingsgebieden.

4.11.2 Resultaten De waterparagraaf is opgenomen in bijlage VIII van deze toelichting. Op basis van de watertoets wordt het volgende geconcludeerd: - het plan leidt niet tot aantasting van watergangen of waterhuishoudkundige kunstwerken. Het watersysteem blijft functioneren;

39 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

-

-

-

-

-

-

het plan leidt tot een verhardingstoename van 1.011 m2, inclusief 419 m2 aan doorlatende grasbetontegels. Het plangebied is gelegen in een wijk waar bij aanleg al rekening is gehouden met verdere ontwikkeling. HHSK verplicht initiatiefnemers in deze wijk daarom niet om watercompensatie aan te leggen voor de verhardingstoename; de verhardingstoename leidt tot een verminderde infiltratie van hemelwater. In theorie wordt daardoor het grondwater minder aangevuld. Dit effect is echter zeer minimaal, omdat de verhardingstoename relatief beperkt is en infiltratie nog steeds mogelijk is door de geplande grasbetontegels en groenvoorzieningen; daarnaast wordt er door de verhardingstoename meer (schoon) hemelwater afgevoerd richting de berm naar de gemengde riolering. Hemelwater mag hier niet direct op het riool worden aangesloten. Voor onderhavig plan houdt dit in dat een voorziening (bijvoorbeeld een hoger gelegen kolk) moet worden aangebracht om overtollig water af te voeren. Omdat bij de inrichting van de wijk al rekening is gehouden met verdere ontwikkeling, wordt redelijkerwijs aangenomen dat het rioolstelsel ook voorbereid is op een grotere hoeveelheid afvloeiend hemelwater.

Door bovengenoemde voorziening leidt de ontwikkeling niet tot een toename van overstortingen van de gemengde riolering; het plan heeft nauwelijks effect op de waterkwaliteit, omdat lokaal verkeer beperkt is tot beheer en onderhoud en omdat verontreinigende stoffen inpandig worden gehouden. De kans op verontreiniging is daardoor minimaal; mogelijk is voor de realisatie van het plan tijdelijke bemaling van het grondwater noodzakelijk. HHSK stelt eisen aan het onttrekken en lozen van grondwater. Er is op dit moment nog niets bekend over benodigde bemaling. Indien de onttrekking groter is dan 1 m3/uur, maar kleiner dan 5 m3, dan volstaat een melding. Indien de onttrekking groter is dan 5 m3/uur, dan is een effectbepaling en mogelijk een vergunning noodzakelijk. In de DO-fase wordt onderzocht of bemaling noodzakelijk is. Indien nodig wordt een vergunning dan wel melding aangevraagd; het plan ligt deels in de buitenbeschermingszone van een regionale kering in beheer van HvR. In de buitenbeschermingszone zijn geen risicovolle activiteiten toegestaan. Onderhavig plan bevat geen risicovolle activiteiten en wordt niet beschouwd als een explosiegevaarlijke inrichting. Daarom is er op het onderdeel keringen geen melding/vergunning noodzakelijk.

4.11.3 Conclusie Het planvoornemen leidt niet tot waterhuishoudkundige bezwaren. Het aspect vormt geen belemmering voor het plan.

4.12

Luchtkwaliteit

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritieke stoffen zijn stikstofdioxide en fijnstof. Voor andere in de Wm genoemde stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten.

4.12.1 Toetsingskader Titel 5.2 van de Wet milieubeheer geeft aan wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Het bevoegde bestuursorgaan moet dan aannemelijk maken, dat het project aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden voldoet: - een project is opgenomen in, of past binnen, het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen; - een project draagt alleen ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging;

40 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

- een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; - er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. De Wet milieubeheer (Wm) geeft grenswaarden voor de concentraties van onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient getoetst te worden of de ontwikkeling ervoor zorgt dat grenswaarden worden overschreden. Deze grenswaarden liggen voor zowel NO 2 als PM10 op een jaargemiddelde van 40 microgram/m3. Om te kunnen beoordelen of de grenswaarden gesteld in de Wm worden overschreden, moeten de achtergrondconcentraties (wat zijn de concentraties zonder de ontwikkeling) en de verwachte bijdrage van het project (hoeveel komt er qua concentraties bij) worden onderzocht.

4.12.2 Resultaten Het bestemmingsplan voorziet in een planologische regeling voor een transformatorstation. De huidige achtergrondconcentraties voor NO2 liggen tussen de 18 en 20 microgram per m3 en voor PM10 tussen de 16 en 18 microgram per m3 (bron: Atlasleefomgeving). Voor NO2 en PM10 is 40 microgram per m3 als jaargemiddelde de wettelijke grenswaarde. De huidige achtergrondconcentraties liggen ruim beneden de wettelijke grenswaarde. Er worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die leiden tot een substantiële toename van verkeer. De werkzaamheden ten behoeve van de aanleg genereren tijdelijk extra verkeer. In de gebruiksfase is het transformatorstation onbemand. Wel kan sprake zijn van sporadisch bezoek door personeel ten behoeve van inspectie en onderhoud. Dit zal gelijk zijn aan circa vijftien busjes per jaar. Het transformatorstation genereert in principe geen uitstoot die leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Met de beoogde ontwikkeling blijven de achtergrondconcentraties ruim beneden de grenswaarden. Op het aspect stikstof word in paragraaf 4.6 van deze toelichting (natuur) nader ingegaan. Hieruit blijkt dat er vanuit dit aspect geen belemmeringen te verwachten zijn ten aanzien van de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied.

4.12.3 Conclusie De huidige achtergrondconcentraties NO2 en PM10 liggen ruim beneden de wettelijke grenswaarde. Ook met de voorgenomen ontwikkeling blijven de achtergrondconcentraties NO2 en PM10 ruim onder de wettelijke grenswaarde van 40 microgram per m3.

4.13

Landschap en cultuurhistorie

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het verplicht om in een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de manier waarop er rekening is gehouden met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden (gebouwd erfgoed, cultuurlandschap en archeologie). Hierbij gaat het om zowel beschermde objecten en structuren, als niet beschermde objecten als structuren. Daarnaast dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening in de planvorming rekening te worden gehouden met het aspect landschap. Hierbij gaat het om kenmerkende ruimtelijke patronen/structuren, karakteristieke beplantingsvormen en gebruikte soorten, de ruimtelijke opbouw van bebouwing in een gebied en natuurwaarden in de omgeving. De bescherming van cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet. Het uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is om het op een locatie aanwezige cultuurhistorische erfgoed te behouden. Dit houdt in dat bescherming moet worden geboden aan de aanwezige Rijks-, provinciale en gemeentelijke monumenten.

41 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

Welstandsnota Zoetermeer Op 25 maart 2010 is de Welstandsnota Zoetermeer van kracht geworden (herzien in 2012). Hierin is aan de hand van gebiedsbeschrijvingen en architectuurstijlen het welstandsbeleid van de gemeente Zoetermeer vastgelegd. Tevens is een onderscheid gemaakt tussen gebieden met een regulier, intensief of luw welstandsbeleid en gemeentelijk beschermde stadsgezichten.

4.13.1 Resultaten De Edisonstraat is aangewezen als Intensief Welstandsgebied (zie afbeelding 4.5). Dit betekent dat een bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand wanneer: het in volume, maat, schaal en verschijningsvorm afgestemd is op zijn omgeving en zich naadloos voegt in het bestaande stadsbeeld; het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de openbare ruimte; het zich duidelijk herkenbaar richt op zijn omgeving en zich daar niet vanaf keert; het in overeenstemming is met de stedenbouwkundige en architectonische typologie en het gebied; het belangrijke doorzichten en zichtlijnen op cultuurhistorisch waardevolle structuren en gebouwen respecteert; het evenwichtig en beheerst is vormgegeven in goede maatverhoudingen en compositie van de onderdelen, daarin begrepen het kleur- en materiaalgebruik, de constructie en het deklandschap; het afgestemd is op de vorm, de kleur en het materiaalgebruik van de omliggende gebouwen; het consistent is in de gekozen bouwstijl; het bij restauraties respect betoont aan de authenticiteit en hoofdstructuur van het bestaande gebouw, daarin begrepen het bewaren of herstellen van de samenhang in het gevelbeeld. Daarnaast is de Zegwaartseweg en de directe omgeving aangewezen als historisch lint. Toetsing aan de Welstandsnota is aan de orde bij het verlenen van een omgevingsvergunning.

Landschappelijke inpassing en de daarmee samenhangende beeldkwaliteitseisen worden daarom later getoetst. De verschijningsvorm van de gemetselde gebouwen zal in samenspraak met de Stadsbouwmeester worden vastgesteld.

Afbeelding 4.5 Plangebied globaal vergroot weergegeven met zwart kader

42 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

4.13.2 Conclusie De Edisonstraat is aangewezen als Intensief Welstandsgebied. Daarnaast is de Zegwaartseweg en de directe omgeving aangewezen als historisch lint. De inpassing van de bebouwing is afgestemd op de omgeving in samenspraak met de gemeente. De verdere verschijningsvorm van de gemetselde gebouwen zal in samenspraak met de stadsarchitect worden vastgesteld en komt aan de orde bij de omgevingsvergunning bouwen en de welstandstoets. Het aspect landschap en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het plan.

4.14

Kabels en leidingen

De ongestoorde ligging van planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dient te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen en verbindingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.

4.14.1 Toetsingskader De leidingen en verbindingen zijn te verdelen in drie typen: 1 buisleidingen met een externe veiligheidszone; 2 bovengrondse hoogspanningslijnen; 3 overige leidingen. De eerste twee type leidingen zijn in ieder geval planologisch relevant. Voor de overige leidingen bepalen bevoegd gezag en leidingbeheerders of deze planologisch relevant zijn. Voorbeelden van planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: - gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen en goederen; - aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; - defensiebrandstoffen; - warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.

4.14.2 Resultaten De ondergronds te realiseren kabels en leidingen ten behoeve van het transformatorstation worden niet als planologisch relevant beschouwd op basis van het Besluit externe veiligheid buisleidingen. In het bestemmingsplan is daarom geen beschermingszone opgenomen voor het kabel- en leidingentracé. De bestaande kabels en leidingen onder en nabij het plangebied worden tijdig geïnventariseerd. Ten behoeve van het project wordt (indien nodig) hierover tijdig afgestemd met de verantwoordelijke netbeheerders. Alvorens de aanleg plaatsvindt wordt een KLIC-melding gedaan. In het plangebied liggen geen planologisch vastgelegde leidingen.

4.14.3 Conclusie Er is geen noodzaak tot het planologisch vastleggen van het kabel- en leidingentracé ten behoeve van het transformatorstation. In het plangebied liggen geen planologisch vastgelegde leidingen. Het aspect kabels en leidingen vormt daarmee geen belemmering voor de realisatie van het plan.

43 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

4.15

Ontplofbare oorlogsresten

In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten (voorheen: niet-gesprongen explosieven) in het plangebied en de gevolgen hiervan op voorgenomen ontwikkeling.

4.15.1 Toetsingskader Na de Tweede Wereldoorlog zijn op diverse plekken in Nederland ontplofbare oorlogsresten (verder OO genoemd) achtergebleven. Deze OO vormen een risico op het moment dat in de nabijheid van deze explosieven activiteiten in de bodem worden uitgevoerd, zoals graven. Voorafgaand aan deze bodemroerende werkzaamheden dient de aanwezigheid van deze OO uitgesloten te worden of dienen eventuele OO verwijderd te worden.

4.15.2 Resultaten Voor het thema Ontplofbare Oorlogsresten is een gemeente breed vooronderzoek uitgevoerd. Ten behoeve van voorliggend bestemmingsplan is een bureaustudie uitgevoerd naar de consequenties van dit vooronderzoek voor het voornemen (zie bijlage XI van deze toelichting). De conclusie van deze bureaustudie luidt, dat het gebied op basis van de aangetroffen feiten onverdacht is op de aanwezigheid van explosieven uit WOII.

4.15.3 Conclusie Op basis van het achterhaalde feitenmateriaal kan samenvattend worden geconcludeerd dat er binnen of bij het plangebied geen gebeurtenissen plaats hebben gevonden die tot verdacht gebied hebben geleid. Het plangebied is daarmee onverdacht op de aanwezigheid van explosieven. Het aspect Ontplofbare Oorlogsresten vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.16

Bezonning

Er is geen wettelijk kader van toepassing voor het kwalitatief of kwantitatief beoordelen van beschaduwing. De meeste gemeenten hanteren de TNO-norm: de 'lichte' TNO-norm: ten minste twee mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende acht maanden) in midden vensterbank binnenkant raam; de 'strenge' TNO-norm: ten minste drie mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende tien maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. In de ‘visie Binnenstad 2040’ van de gemeente Zoetermeer zijn aanvullende beleidsregels met betrekking tot zon en schaduw opgenomen. De Zoetermeerse normen voor bezonning houden het volgende in: toetsingsperiode 19 februari en 21 oktober; minimale zonshoogte 10°; minimale potentiële bezonningsduur van twee uur per dag; geen verdere verslechtering in situaties met minder dan twee mogelijke zonuren; meetpunt op 1 m hoogte in het midden van de gevel van de onderste woonlaag, in geval van woning op verdieping 0,75 m boven vloerpeil; maximale afname bezonningsduur als gevolg van nieuwbouw is 50 %; bezonningsduur ter plaatse van voor en achtergevel mogen bij elkaar worden opgeteld; bij dakopbouw: maximale afname bezonningsduur 50 %;

44 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

-

voorts is de norm van toepassing op openbare en semi-openbare ruimten met een recreatieve functie en op buitenruimten bij scholen en kindercentra. Er is hier in de berekening van de bezonningsduur sprake van voldoende bezonning als meer dan 50 % van de oppervlakte in de zon ligt.

In de visie is opgenomen dat de bezonning in beeld dient te worden gebracht op enkele maatgevende dagen in het jaar. Het betreft 19 februari (vergelijkbaar 21 oktober) alsmede op 21 juni. Dit beleidskader van de gemeente Zoetermeer is van toepassing op de realisatie van hoogbouw (bebouwing van 30 m of hoger). Ondanks dat door de realisatie van het transformatorstation geen sprake is van hoogbouw, is het wenselijk om in het kader van een goede ruimtelijke ordening de effecten inzichtelijk te maken. Wat betreft het bedrijfsverzamelgebouw aan de Edisonstraat geldt dat de twee ramen zijn gesitueerd op de noordoostelijke gevel van het gebouw. Omdat de noordwestelijke gevel tijdens kantooruren geen direct zonlicht ontvangt is geen sprake van schaduwwerking op het bedrijfsverzamelgebouw tijdens kantooruren. De dichtstbijzijnde woning, gelegen aan Zegwaartseweg 45, ligt op een afstand van circa 30 m ten noordwesten van het beoogde schakelgebouw. Daarnaast grenst een bouwgerechtigd kavel aan het plangebied, ook ten noordwesten van het plangebied. Uit het raadplegen van een bezonningsdiagram volgt dat op 19 februari en 21 oktober enkel in het begin van de ochtend sprake kan zijn van schaduwwerking over het bouwgerechtigde kavel en de (tuin van) de bestaande woning. In juni is geen sprake van schaduwwerking op deze percelen.

Er wordt dus voldaan aan de minimale potentiële bezonningsduur van twee uur per dag. Daarnaast geldt dat op grond van de vigerende enkelbestemming ‘Groen’ een nutsvoorziening mag worden gebouwd met een bouwhoogte van maximaal 5 m. De bebouwing van het beoogde transformatorstation heeft een bouwhoogte van circa 6,6 m. In voorliggend bestemmingsplan wordt een maximale bouwhoogte van 7 m toegestaan. Gelet op de stand van de zon, in combinatie met de posities van de gevels van de dichtstbijzijnde woning en het bedrijfsverzamelgebouw, is er geen aanleiding om te verwachten dat schaduwwerking tot onaanvaardbare hinder leidt.

45 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

5 JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de juridische planbeschrijving. Achtereenvolgens wordt ingegaan op de algemene opzet van de planregels en een toelichting op de regels (onder andere bestemmingsregels).

5.1

Algemeen

5.1.1

Wat is een bestemmingsplan?

Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, et cetera) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1 de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren; 2 de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning tot bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt: 1 het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen). En een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: 2 het bebouwen van de gronden; 3 het verrichten van werken (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument.

Andere ruimtelijke wetten en regels zoals de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.

5.1.2

Over bestemmen en aanduiden

Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de regels zijn opgenomen. De toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen met behulp van een aanduiding nader worden ingevuld. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur of een lettercode et cetera. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben.

46 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

5.1.3

Hoofdstukopbouw van de regels

De regels zijn verdeeld in vier hoofdstukken: 1 inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2); 2 bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en gebruiksregels opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn, dan worden deze ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsbepalingen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels en gebruiksregels opgenomen die specifieker ingaan op bijvoorbeeld de bouwhoogte, situering van gebouwen en de toegestane functies. Aansluitend worden afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels opgenomen. In een enkel geval worden ruimere mogelijkheden geboden door het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsplanbepalingen ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.

Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld; 3 algemene regels. In de laatste twee hoofdstukken zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Deze bepalingen hebben betrekking op het gehele plan. Het betreffen achtereenvolgens algemene regels, zoals een anti-dubbeltelregel, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels; 4 overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

5.2

Dit bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. Een toelichting op de bestemmingen is hierna opgenomen. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen hierboven is beschreven. Tevens is aangesloten bij de meest actuele landelijke standaarden voor de regels en de verbeelding, te weten de SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012) en IMRO2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening 2012). Qua inhoud en opzet is aangesloten bij recente en vergelijkbare bestemmingsplannen van de gemeente.

5.3

Toelichting op de regels

5.3.1

Inleidende regels

Begrippen die in de regels worden gebruikt en die uitleg behoeven, worden in het eerste artikel van het bestemmingsplan uitgelegd. Vervolgens bevat het tweede artikel technische regelingen om onder andere oppervlaktes, hoogtes, dieptes en breedtes te kunnen bepalen.

47 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

5.3.2

Bestemmingsregels

De regels hebben voor elke bestemming dezelfde opbouw met achtereenvolgens, voor zover aanwezig, de volgende leden: - bestemmingsomschrijving; - bouwregels; - nadere eisen (indien aanwezig); - afwijken van de bouwregels (indien aanwezig); - specifieke gebruiksregels (indien aanwezig); - afwijken van de gebruiksregels (indien aanwezig); - omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (indien aanwezig); - wijzigingsbevoegdheid (indien aanwezig). Centraal staat de bestemmingsomschrijving. Daarin worden limitatief de functies en waarden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan respectievelijk worden beschermd. In een aantal gevallen geeft de bestemmingsomschrijving daarbij nog een nadere beperking in de vorm van een bestemmingscategorie of bijvoorbeeld een gebiedsbegrenzing, een maximale oppervlakte- of inhoudsmaat dan wel een beperking tot de bestaande bebouwing. De bouwregels zijn direct aan de bestemmingsomschrijving gerelateerd. Ook de gebruiksregels zijn gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving, zij het dat deze regels zijn opgenomen in de algemene gebruiksregels in hoofdstuk 3. Hierin is bepaald dat het verboden is de onbebouwde grond en/of de daarop aanwezige bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel in strijd met het in het plan bepaalde.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zoetermeer&id=52d1cdbc-2be5-4b55-a5da-911b564f63ca