CConstaterende datZoetermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Toelichting Ontwerp bestemmingsplan Edisonstraat

Raadsvergadering 8 juli 2024, gemeente ZoetermeerBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling Bestemmingsplan Transformatorstation Edisonstraat Stedin27.570 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Transformatorstation Stedin Edisonstraat Zoetermeer Toelichting bestemmingsplan Stedin Netbeheer B.V. 3 november 2023

Project Opdrachtgever

Document Status Datum Referentie

Adres

Transformatorstation Stedin Edisonstraat Zoetermeer Stedin Netbeheer B.V.

Toelichting bestemmingsplan Definitief 03 3 november 2023 133460/23-017.531 Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

7

1.1

Aanleiding tot nieuw bestemmingsplan

7

1.2

Ligging plangebied

7

1.3

Geldende bestemmingsplannen

8

1.3.1 1.3.2 1.3.3 1.3.4

8 9 9 9

Bestemmingsplan ‘Oosterheem/Zegwaartseweg-Noord’ Bestemmingsplan ‘Parapluherziening schoolpleinen’ Bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren en Geluidsgevoelige objecten’ Bestemmingsplan ‘Paraplu Herziening Dagstandplaatsen Zoetermeer’

1.4

Andere procedure(s) en gerelateerde projecten

9

1.5

Leeswijzer toelichting

9

2

BESCHRIJVING PLANGEBIED

10

2.1

Huidige situatie

10

2.2

Toekomstige situatie

11

3

BELEIDSKADER

14

3.1

Rijksbeleid

14

3.1.1 3.1.2 3.1.3

14 15 15

3.2

3.3

3.4

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Ladder voor duurzame verstedelijking

Provinciaalbeleid

15

3.2.1 3.2.2 3.2.3

15 18 18

Omgevingsvisie Zuid-Holland Omgevingsprogramma Zuid-Holland Omgevingsverordening Zuid-Holland

Regionaal beleid

20

3.3.1

20

RES 1.0 regio Rotterdam Den Haag

Gemeentelijk beleid

21

3.4.1

21

Zoetermeer 2040

4

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

22

4.1

Besluit milieueffectrapportage

22

4.2

Geluid

22

4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.3

4.4

Toetsingskader Resultaten Conclusie

23 23 24

Externe veiligheid

24

4.3.1 4.3.2 4.3.3

25 25 26

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Bedrijven en milieuzonering

26

4.4.1 4.4.2 4.4.3

26 27 28

Toetsingskader Resultaten Conclusie

4.5

Magneetvelden

28

4.6

Verkeer en parkeren

29

4.7

Natuur

30

4.7.1 4.7.2 4.7.3 4.8

Bodem 4.8.1 4.8.2 4.8.3

4.9

4.10

4.11

4.13

4.14

30 31 34 35

Toetsingskader Resultaten Conclusie

35 35 36

Archeologie

36

4.9.1 4.9.2 4.9.3

36 36 37

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Trillingen

37

4.10.1 4.10.2 4.10.3

37 38 38

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Water 4.11.1 4.11.2 4.11.3

4.12

Toetsingskader Resultaten Conclusie

38 Toetsingskader Resultaten Conclusie

39 39 40

Luchtkwaliteit

40

4.12.1 4.12.2 4.12.3

40 41 41

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Landschap en cultuurhistorie

41

4.13.1 4.13.2

Resultaten Conclusie

42 43

Kabels en leidingen

43

4.14.1 4.14.2 4.14.3

43 43 43

Toetsingskader Resultaten Conclusie

4.15

Ontplofbare oorlogsresten

44

4.15.1 4.15.2 4.15.3

44 44 44

Toetsingskader Resultaten Conclusie

4.16

Bezonning

44

5

JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING

46

5.1

Algemeen

46

5.1.1 5.1.2 5.1.3

46 46 47

Wat is een bestemmingsplan? Over bestemmen en aanduiden Hoofdstukopbouw van de regels

5.2

Dit bestemmingsplan

47

5.3

Toelichting op de regels

47

5.3.1 5.3.2 5.3.3 5.3.4

47 48 49 49

Inleidende regels Bestemmingsregels Algemene regels Overgangs- en slotregels

6

UITVOERBAARHEID

50

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

50

6.1.1 6.1.2

50 50

6.2

Belanghebbende overheden Participatie omwonenden en grondeigenaren

Economische uitvoerbaarheid

50

6.2.1

51

Planschade

6.3

Handhaafbaarheid

51

7

PROCEDURE

52

7.1

Inleiding

52

7.2

Voorontwerpfase

52

7.3

Ontwerpfase

52

7.4

Vaststellingsfase

52

7.5

Beroepsfase

53

Laatste pagina

53

Bijlage(n)

Aantal pagina's

I

Ontwerptekeningen

1

II

Akoestisch onderzoek

34

III

Veiligheidsstudie

11

IV

35

V

Quickscan flora en fauna en nader onderzoek potentieel jaarrond beschermde nesten Stikstofdepositieonderzoek

VI

Historisch vooronderzoek bodem

31

VII

Verkennend bodemonderzoek

-

VIII

Watertoets

25

IX

Ontplofbare oorlogsresten

7

15

1 INLEIDING 1.1

Aanleiding tot nieuw bestemmingsplan

Als gevolg van de toenemende vraag naar elektriciteit en anderzijds de toenemende terug levering van elektriciteit op het net door duurzame energieopwekking is het noodzakelijk de capaciteit van het elektriciteitsnet te vergroten. Ook in Zoetermeer is versterking van het elektriciteitsnet aan de orde. Om de capaciteitsproblematiek op het elektriciteitsnet op te lossen is Stedin Netbeheer B.V. (hierna: Stedin) voornemens om een nieuw transformatorstation ten behoeve van de regionale energie-infrastructuur op te richten aan de Edisonstraat (bekend onder de naam Zoetermeer 13, ZTM13). Het huidige transformatorstation ‘Zoetermeer 13’ is niet meer toereikend qua capaciteit en biedt niet de ruimte om uit te breiden. Daarom is nieuwbouw op een ander kavel noodzakelijk. Stedin is daarom op zoek gegaan naar een geschikte locatie in de nabijheid van het bestaande transformatorstation bij de kruising Edisonstraat/Stephensonstraat. Het bestaande transformatorstation wordt na ingebruikname van het nieuwe station aan de Edisonstraat gesloopt. Het station aan de Edisonstraat zal bestaan uit een transformatorstation (trafocellen), een schakelgebouw en verbindende ondergrondse kabels. In de bebouwing worden schakelinstallaties en twee vermogenstransformatoren met een elektrisch vermogen van 22,5 MVA geplaatst. Het maximaal in te schakelen vermogen van het station bedraagt 45 MVA.

Het voornemen is niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de juridisch-planologische vertaling van het voornemen.

1.2

Ligging plangebied

De beoogde locatie van het transformatorstation is gelegen aan de Edisonstraat in het Noordoosten van Zoetermeer. Het plangebied is gelegen op een bedrijventerrein en is kadastraal bekend als kadastrale gemeente Zegwaard, sectie F, nummer 5741. Afbeelding 1.1 geeft de ligging en afbakening van het plangebied weer.

7 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

Afbeelding 1.1 Zoom-in plangebied en het inrichtingsplan op hoofdlijnen

1.3

Geldende bestemmingsplannen

Ter plaatse van het plangebied gelden de volgende bestemmingsplannen: - bestemmingsplan ‘Oosterheem/Zegwaartseweg-Noord’ (onherroepelijk, vastgesteld sinds 25 juni 2014); - bestemmingsplan ‘Parapluherziening schoolpleinen’ (onherroepelijk, vastgesteld sinds 3 oktober 2016); - bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren en Geluidsgevoelige objecten’ (onherroepelijk, vastgesteld sinds 15 mei 2018); - bestemmingsplan ‘Paraplu Herziening Dagstandplaatsen Zoetermeer’ (onherroepelijk, vastgesteld sinds 10 december 2020).

1.3.1

Bestemmingsplan ‘Oosterheem/Zegwaartseweg-Noord’

Op de locatie van het te realiseren transformatorstation zijn in het vigerende bestemmingsplan ‘Oosterheem/Zegwaartseweg-Noord’ binnen de van toepassing zijnde enkelbestemming ‘groen’ reeds nutsvoorzieningen toegestaan. Hoewel binnen deze bestemming nutsvoorzieningen zijn toegestaan, wordt hierbinnen niks geregeld met betrekking tot bedrijven en milieucategorieën of transformatorstations. Daarnaast is de beoogde bebouwing van dusdanige omvang dat deze niet past binnen de bouwregels van de vigerende enkelbestemming ‘groen’. Derhalve wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld waarin een transformatorstation expliciet wordt toegestaan.

8 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

1.3.2

Bestemmingsplan ‘Parapluherziening schoolpleinen’

Het bestemmingsplan ‘Parapluherziening schoolpleinen’ bevat geen bepalingen welke relevant zijn voor het beoogde voornemen. Een nadere toetsing aan dit bestemmingsplan is niet aan de orde.

1.3.3

Bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren en Geluidsgevoelige objecten’

Het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren en Geluidsgevoelige objecten’ bevat het toetsingskader voor voldoende parkeerkeergelegenheid bij het verlenen van omgevingsvergunningen. Het thema parkeren wordt nader toegelicht in paragraaf 4.6 van deze toelichting. Met de beoogde ontwikkeling worden geen geluidsgevoelige objecten gerealiseerd. Een nadere toetsing aan de planregels met betrekking tot geluidsgevoelige objecten is niet aan de orde.

1.3.4

Bestemmingsplan ‘Paraplu Herziening Dagstandplaatsen Zoetermeer’

Het bestemmingsplan ‘Paraplu Herziening Dagstandplaatsen Zoetermeer’ bevat geen bepalingen welke relevant zijn voor het beoogde voornemen. Een nadere toetsing aan dit bestemmingsplan is niet aan de orde.

1.4

Andere procedure(s) en gerelateerde projecten

In de omgeving van de voorgenomen ontwikkeling zijn geen projecten bekend die mogelijk van invloed zijn op de realisatie. Verder zijn geen andere procedures van toepassing op het voornemen.

1.5

Leeswijzer toelichting

De toelichting bij voorliggend bestemmingsplan bestaat uit 7 hoofdstukken. Na dit eerste inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader beschreven dat van toepassing is op het voornemen en het plangebied. Hoofdstuk 4 onderbouwt de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de milieu- en omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 worden de planregels nader toegelicht. Vervolgens worden in hoofdstuk 6 en 7 de uitvoerbaarheid respectievelijk de bestemmingsplanprocedure beschreven.

9 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

2 BESCHRIJVING PLANGEBIED In dit hoofdstuk wordt het plangebied beschreven. Allereerst wordt ingegaan op de huidige situatie en vervolgens wordt ingegaan op de planbeschrijving.

2.1

Huidige situatie

Het plangebied is gelegen aan de Edisonstraat in het Noordoosten van Zoetermeer, aan de rand van het bedrijventerrein Zoeterhage. Het plangebied is omgeven door de bebouwde kom van Zoetermeer (zie afbeelding 2.1).

Afbeelding 2.1 Ligging plangebied

Het perceel bestaat uit een omheind grasveld (zie afbeelding 2.2). Binnen het plangebied staat een Hollandse iep en een gewone plataan. Net buiten het plangebied aan de zuidoostkant staat een moseik. De Hollandse iep, gewone plantaan en moseik zijn op moment van schrijven eigendom van de gemeente. Aan de noordwestgrens van het plangebied staat een rij bomen van onder andere esdoorns (buiten het plangebied). Deze bomen zijn privaat eigendom. Het perceel is omheind met een afrastering. Ten noorden

10 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

van de beoogde locatie is een parkeerterrein gelegen van een kerk. De dichtstbijzijnde woning, gelegen aan Zegwaartseweg 45, ligt op een afstand van circa 30 m van de grens van het plangebied. Het naastgelegen perceel, tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde woning, heeft de bestemming ‘Woongebied - 2’. Het plangebied is ontsloten door de Edisonstraat en de Zegwaartseweg. Op het moment van schrijven is het perceel in eigendom van de gemeente Zoetermeer. Beoogd wordt om de gronden te verkopen aan Stedin.

Afbeelding 2.2 Impressie plangebied

2.2

Toekomstige situatie

Het voornemen is om een inpandig transformatorstation te realiseren. Het station bestaat uit twee gebouwen: een schakelgebouw en een transformatorgebouw. Om geluidemissie naar de nabijgelegen woning zoveel mogelijk te beperken wordt het transformatorgebouw langs de weg (Edisonstraat) geplaatst, zo ver mogelijk van de dichtstbijzijnde gelegen woning. Daarnaast schermt het tussenliggende schakelgebouw het geluid afkomstig van het transformatorgebouw af. Ten noordwesten van de beoogde locatie is een bouwgerechtigd kavel (voor een woning) aanwezig. In afbeelding 2.3 is een situatieschets weergegeven van het beoogde transformatorstation. In deze situatieschets is de afstand van de trafocellen weergegeven tot de grens van de bestemming ‘Woongebied 2’ en tot de uiterste situering van de gevel van een woning die het bestemmingsplan ‘Oosterheem/Zegwaartseweg-Noord’ toelaat. In deze toelichting en bijbehorende onderzoeken wordt, waar relevant, het voornemen getoetst aan de woonfunctie die het bestemmingsplan Oosterheem/Zegwaartseweg-Noord’ toelaat op het kavel achter de bestaande woning. Het schakelgebouw en het transformatorgebouw hebben een gezamenlijke oppervlakte van circa 315 m2. Beide gebouwen hebben een hoogte van 6,65 m boven maaiveld. Het transformatorstation is in principe onbemand, maar wordt af en toe bezocht voor inspectie en onderhoud.

11 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

Afbeelding 2.3 Situering van het beoogde transformatorstation en de afstand van de trafocellen tot de grens van de bestemming wonen (rood) en tot de uiterste situering van de gevel van de woning die het bestemmingsplan toelaat (blauw)

Schakelgebouw Het schakelgebouw bestaat uit twee verdiepingen met op de eerste verdieping twee kabelschachten en twee traforuimtes. Op de tweede verdieping staan twee ruimtes met schakelkasten, een accuruimte en een laagspanningsinstallatie. Transformatorgebouw Het transformatorgebouw bestaat uit twee trafo’s (in twee trafocellen) met een vermogen bij vollast van 45 MVA die inpandig zijn geplaatst. De trafo’s hebben aan de wegzijde een demontabel roostergevel ten behoeve van ventilatie en het in- en uithijsen van de transformatoren. De twee trafocellen hebben een bronvermogen van 58 dB(A). In de trafocellen wordt de elektrische spanning veranderd zodat netten en verbindingen met verschillende netspanningen aan elkaar gekoppeld kunnen worden. Aan de voorzijde van het gebouw wordt gebruik gemaakt van een demontabel roostergevel. Tevens wordt een kelder geplaatst als onderdeel van het transformatorgebouw. De transformators zijn gevuld met olie (10.000 liter). De kelder van het transformatorgebouw is ontworpen om bij een eventuele calamiteit lekkages te voorkomen. De kelder vervult de functie van een lekbak bij eventuele lekkages. Terreininrichting Het terrein wordt grotendeels voorzien van halfverharding (grasbetontegels), betontegels en heesters/struiken. In totaal worden drie parkeerplaatsen gerealiseerd. De verbindende kabels worden ondergronds gerealiseerd.

Voor het realiseren van de kabels worden drie bomen verwijderd en indien mogelijk herplant (zie afbeelding 2.4). Dit betreffen de Hollandse iep en de gewone plataan binnen het plangebied en de moseik net buiten het plangebied.

12 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

Afbeelding 2.4 Aanduiding te verwijderen bomen (indien mogelijk herplanting van de bomen)

Klimaatadaptatie Op het gebied van klimaat worden in het standaardontwerp van de gebouwen van Stedin maatregelen opgenomen voor laag energieverbruik. De energie die nodig is voor de bedrijfsvoering van het station wordt beperkt door onder andere: extra goed geïsoleerde muren en daken, natuurlijke ventilatie en slimme klimaatregeling en het toepassen van LED-verlichting in combinatie met bewegingssensoren. Verder hanteert Stedin ontwerpeisen voor nieuwe transformatorstations. Hierin worden onder andere voorwaarden gesteld aan het hittebestendig ontwikkelen en ontwerpen van het gebouw, ter voorkoming van hittestress en oververhitting van de binnenruimtes. In het ontwerp van een nieuw schakelgebouw wordt ingezet op het vergroenen en wordt het platte dak van een groendak met waterbuffering (groen/blauw dak) voorzien. Op het terrein zoekt Stedin ook naar mogelijkheden die de esthetische en landschappelijke inpasbaarheid van de transformatorstations vergroten. Op die manier hebben deze aspecten een positief effect op, voornamelijk, klimaat en biodiversiteit. Het terrein wordt grotendeels voorzien van grasbetontegels, waardoor het terrein een groene uitstraling krijgt. Tevens is deze terreinverharding waterdoorlatend. Waar mogelijk wordt het terrein verder bekleed met laag blijvende struiken voorzien.

13 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

3 BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt voor de voorgenomen ontwikkeling het relevante ruimtelijk beleid en wet- en regelgeving beschreven. Aangegeven wordt wat de relatie is tussen het plan en het beleid/wet- en regelgeving. Daarnaast wordt getoetst of het plan in overeenstemming is met het geldende beleid/wet- en regelgeving.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Daarnaast beschrijft de NOVI nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in vier prioriteiten: 1 ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2 een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; 3 sterke en gezonde steden en regio’s; 4 een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Daarnaast zijn in de NOVI 21 nationale belangen beschreven. Relatie NOVI met voorgenomen ontwikkeling Eén van de nationale belangen is het realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur (belang 11). Vitale functies in de maatschappij zijn afhankelijk van een betrouwbare toelevering en uitwisseling van energie. Energie moet veilig worden opgewekt, gewonnen, getransporteerd, opgeslagen en gebruikt.

De hoofdinfrastructuur voor opwekking, winning, conversie, opslag en transport van energie is onderdeel van dit nationale belang. Het transformatorstation is noodzakelijk om te kunnen (blijven) voorzien in de vraag naar elektriciteit in de omgeving. De energietransitie vraagt om uitbreiding van het elektriciteitsnet. Het huidige transformatorstation ‘Zoetermeer 13’ is niet meer toereikend qua capaciteit en biedt niet de ruimte om uit te breiden. Daarom is nieuwbouw noodzakelijk op een ander kavel. Het nieuwe transformatorstation is van essentieel belang voor een goed functionerend en betrouwbaar elektriciteitsnetwerk. De realisatie van het nieuwe transformatorstation in Zoetermeer sluit aan op de belangen beschreven in de NOVI met betrekking tot ‘het realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur’.

14 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening bevestigt in juridische zin de kaderstellende uitspraken uit de NOVI ten aanzien van de daarin genoemde nationale belangen. Het Barro wordt nader uitgewerkt in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Relatie Barro met voorgenomen ontwikkeling In 2012 is een aantal onderwerpen toegevoegd aan het Barro, waaronder het onderwerp elektriciteitsvoorziening. In het Barro zijn voor bestemmingsplannen met betrekking op hoogspanningsverbindingen, waaronder ook de schakel- en transformatorstations, regels opgenomen. Onder hoogspanningsverbindingen wordt in het Barro een verbinding met een spanning van ten minste 220 kV bedoeld. De voorgenomen ontwikkeling betreft geen schakel- en transformatorstation voor 220 kV (of hoger) verbindingen. Het Barro stelt geen regels aan bestemmingsplannen voor verbindingen met een spanning van minder dan 220 kV. Daarnaast kan het voorkomen dat een ruimtelijk plan conflicteert met de belangen uit het Barro. Zo is de voorgenomen ontwikkeling gelegen in een radarverstoringsgebied voor een radarstation (zone maximale hoogte windturbines). Er is geen sprake van de oprichting van windturbines in voorliggend bestemmingsplan. Voorliggend bestemmingsplan voldoet aan de eisen die in het Barro gesteld worden.

3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe laddersystematiek geldt. Deze regeling staat beschreven in artikel 3.1.6 Bro. Het bevoegd gezag moet voldoen aan een motiveringsvereiste als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt via een bestemmingsplan, uitwerkings- of wijzigingsplan, of een omgevingsvergunning. Zo bevat een dergelijk plan een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het plan een ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. De laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Mede aan de hand van jurisprudentie is duidelijk welke ontwikkelingen al dan niet worden aangemerkt als (nieuwe) stedelijke ontwikkeling.

Relatie ladder voor duurzame verstedelijking met voorgenomen ontwikkeling Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van een transformatorstation mogelijk. Jurisprudentie (RvS 26 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1123) heeft aangetoond dat een transformatorstation niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling worden beschouwd. Een toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking kan daarom achterwege blijven.

3.2

Provinciaalbeleid

3.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland

De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 februari 2023. De Omgevingsvisie bestaat uit drie onderdelen, te weten Ruimtelijke hoofdstructuur, Ambities en sturing en Omgevingskwaliteit.

15 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

Ruimtelijke hoofdstructuur De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden: - het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via HOV (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen; - de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht; - het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur; - de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie; - de groene ruimte en de groenblauwe structuur; - het bodem- en watersysteem; - energie. Ambities en sturing De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft zes richtinggevende ambities geformuleerd in de fysieke leefomgeving. Door in te zetten op de zes ambities wordt bijgedragen aan het sterker maken van Zuid-Holland.

Deze ambities zijn: - naar een klimaatbestendige delta; - naar een nieuwe economie: the next level; - naar een levendige meerkernige metropool; - energievernieuwing; - best bereikbare provincie; - gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Deze ambities zijn vertaald in beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. Omgevingskwaliteit Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit: - een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken; - een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit; - een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de ‘kwaliteitskaart’ en de ‘richtpunten ruimtelijke kwaliteit’. Relatie Omgevingsvisie met voorgenomen ontwikkeling Ruimtelijke hoofdstructuur De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet direct van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. Wel sluit het voorgenomen plan aan op het ambitiethema energie.

Ambities en sturing De provincie Zuid-Holland streeft naar een substantiële verhoging van het aandeel duurzame energie. Daarnaast spant de provincie zich in om Europese en nationale energiedoelen in de breedte te bereiken, namelijk het realiseren van de reductie van energieverbruik en de uitstoot van broeikasgassen, met name CO2. Hierbij wordt vanuit een integrale benadering de energietransitie bevorderd. Het realiseren van een transformatorstation vormt een essentieel onderdeel in de integrale benadering voor het bevorderen van de (regionale) energietransitie.

16 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

Omgevingskwaliteit Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit van belang. Ruimtelijke ontwikkelingen die maatschappelijk en economisch gewenst zijn, moeten bijdragen aan de balans tussen de instandhouding, benutting en versterking van de bestaande gebiedskwaliteiten. Deze gebiedskwaliteiten vinden hun grondslag in de drie onderscheiden deltalandschappen. De kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten geven richting aan de wijze waarop ontwikkelingen kunnen inspelen op ruimtelijke gebiedskwaliteiten. Hierna wordt ingegaan op de relevante kaartlagen. Laag van de ondergrond Op de laag van de ondergrond is het plangebied aangewezen als ‘Veencomplex - Veen’. Binnen het veengebied is een aantal plekken waar in de ondergrond nog grote veenpakketten aanwezig zijn. Niet alleen zijn deze veenpakketten van bijzondere waarde, ook zijn deze gebieden zeer gevoelig voor bodemdaling. Richtpunt hierbij zijn: - ontwikkelingen in het veenlandschap dragen zorg voor behoud van het veen en zijn met name bij de diepe veenpakketten gericht op het beperken van de bodemdaling. Het voorgenomen plan heeft geen invloed op de bodemdaling. De funderingen van de gebouwen ten behoeve van het transformatorstation bestaan uit palen. Uit sonderingen volgt wat de noodzakelijke paallengtes zijn. Het veen vormt geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen.

Laag van occupatie Op de laag van de stedelijke occupatie is het plangebied aangeduid als ‘steden en dorpen’. Ontwikkelingen dienen hier bij te dragen aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van het dorp en versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. Relevante richtpunten zijn: - ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp; - hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur; - daar waar hoogbouw niet samenvalt met ‘zwaartepunten’ in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving; - ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur; - cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd; - historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied. Bij bedrijventerreinen krijgt de beeldkwaliteit van de randen, een goede ontsluiting en de samenhang met de omgeving extra aandacht.

In algemene zin geldt dat het planvoornemen van dermate kleinschalige aard is dat er geen sprake is van het aantasten van de karakteristieke kenmerken/identiteit van het karakter van het plangebied en de omliggende omgeving. Richtpunten ruimtelijke kwaliteit energie Ten aanzien van het thema Energie zijn in de Omgevingsvisie specifiek richtpunten opgenomen voor bouwwerken voor elektriciteitsopslag en/of -distributie. Vanwege de technische verschijningsvorm sluit het bouwwerk vaak als vanzelf aan bij een industriële en infrastructurele omgeving. Bij andere gebiedskenmerken is de opgave groter om het bouwwerk op vanzelfsprekende wijze te plaatsen in het landschap. De volgende richtpunten worden in acht genomen: - bij de locatiekeuze wordt afgewogen hoe het bouwwerk de gewenste ruimtelijke structuur in een gebied kan versterken, aangezien de nabijheid van een aansluitpunt op het elektriciteitsnetwerk aantrekkingskracht heeft voor energieverbruikers en -leveranciers; - met een beeldkwaliteitsparagraaf wordt de ruimtelijke impact inzichtelijk gemaakt en een passende verschijningsvorm en zorgvuldige landschappelijke inpassing aangetoond.

17 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

Het huidige transformatorstation ‘Zoetermeer 13’ is niet meer toereikend qua capaciteit en biedt niet de ruimte om uit te breiden. Daarom is nieuwbouw op een ander kavel noodzakelijk. Stedin is op zoek gegaan naar een geschikte locatie in de nabijheid van het bestaande transformatorstation bij de kruising Edisonstraat/Stephensonstraat. Het bestaande transformatorstation wordt na ingebruikname van het nieuwe station aan de Edisonstraat gesloopt. In hoofdstuk 4.13 van deze toelichting wordt nader ingegaan op de verschijningsvorm en landschappelijke inpassing van de bebouwing. Conclusie Het voorgenomen plan past binnen de globale lijnen die zijn uitgezet in de omgevingsvisie. De samenhangende beleidskeuzes worden verder uitgewerkt in het Omgevingsprogramma en de Omgevingsverordening. Voor de toetsing aan het Omgevingsprogramma en de Omgevingsverordening wordt verwezen naar paragraaf 3.2.2 en 3.2.3 van deze toelichting.

3.2.2

Omgevingsprogramma Zuid-Holland

Het Omgevingsprogramma Zuid-Holland is een uitwerking van de beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het Omgevingsprogramma is een overzicht van alle maatregelen inclusief de onderliggende activiteiten. Het Omgevingsprogramma is 6 april 2021 vastgesteld door Provinciale Staten. Sindsdien is het Omgevingsprogramma enkele keren gewijzigd vastgesteld. In de geconsolideerde versie van het Omgevingsprogramma zijn de wijzigingen opgenomen. Relatie Omgevingsprogramma met voorgenomen ontwikkeling Eén van de genoemde maatregelen in het Omgevingsprogramma betreft ‘bijdragen aan het verbeteren van de energie-efficiency en energie infrastructuur’. De provincie wenst bij te dragen aan de ontwikkeling van een toekomstbestendig energiesysteem en -infrastructuur. Voorliggend plan draagt bij aan het ontwikkelen van een toekomstbesteding energiesysteem en -infrastructuur. Het transformatorstation is nodig om te kunnen voorzien in de vraag naar elektrisch vermogen in de omgeving. Dit is van essentieel belang voor een goed functionerend en betrouwbaar elektriciteitsnetwerk.

3.2.3

Omgevingsverordening Zuid-Holland

De Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) is 15 december 2021 vastgesteld door Provinciale Staten. Sindsdien is de ZHOV enkele keren gewijzigd en aangevuld. De Wijziging ZHOV 2022 en het bijbehorende Voorbereidingsbesluit grondwaterkwaliteit zijn 11 november 2022 vastgesteld door Provinciale Staten. Naast de Wijzing ZHOV 2022 liepen en lopen er ook nog andere wijzigingen van de ZHOV. Zo zijn in 2022 de Modules ‘Ontwikkeling Middengebied Zuidplaspolder’, ‘Ruimte en Wonen’ en ‘Energietransitie’ vastgesteld door Provinciale Staten. In de Omgevingsverordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van het provinciaal ruimtelijk beleid zoals dat opgenomen is in de Omgevingsvisie. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Relatie ZHOV met voorgenomen ontwikkeling Ruimtelijke kwaliteit (artikel 6.9) In artikel 6.9 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.

Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan rekening gehouden met de beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit, zoals vermeld op kaart 14 in bijlage II bij de verordening en beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap (plangebied is niet weergegeven op kaart 14 in bijlage II). Het kwaliteitsbeleid gaat dus uit van het ‘ja, mits’principe: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en

18 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

geldt in principe voor het grondgebied van de gehele provincie, dat wil zeggen zowel de groene ruimte als de bebouwde ruimte. Uit de artikelsgewijze toelichting van de verordening volgt dat om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen twee uitgangspunten: een kleinschalige ontwikkeling heeft in beginsel minder ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten dan een grootschalige ontwikkeling en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid; hoe hoger en specifieker de kwaliteit van een gebied is, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. De voorgenomen ontwikkeling kan worden beschouwd als kleinschalige ontwikkeling en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Bij het beantwoorden van de vraag of bij een beoogde ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd kan blijven, wordt de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren gehanteerd.

Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: - de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en houdt rekening met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; - de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; - de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren.

Ten aanzien van het voornemen wordt geconcludeerd dat sprake is van 'inpassen'. Het transformatorstation sluit aan de bestaande gebiedsidentiteit en voorziet niet in een wijziging op structuurniveau. Het plangebied is gelegen aan de rand van een bedrijventerrein. Het uiterlijk van de bebouwing op een bedrijventerrein is ondergeschikt aan de functie. In hoofdstuk 4.13 van deze toelichting wordt nader ingegaan op de verschijningsvorm en landschappelijke inpassing van de bebouwing. Er wordt voldaan aan de voorwaarde uit artikel 6.9 lid 1, onder a van de Omgevingsverordening (inpassen). Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 6.10) In artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat ‘een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 ha nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buiten stedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart negentien in bijlage II en wordt rekening gehouden met de voor deze

locaties opgenomen gegevens en criteria in bijlage X. Bij het voorgenomen plan is in deze toelichting in paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking conform bovenstaand sub a. Hieruit blijkt dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en een toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking daarom achterwege kan blijven.

19 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

Bedrijventerreinen (artikel 6.12) Het plangebied is op Kaart 20 Bedrijventerreinen van de ZHOV aangeduid als ‘Bedrijventerrein’. De ruimte voor bedrijven in de hogere milieucategorieën (HM-bedrijven) staat onder druk door de milieuzoneringen rondom woningbouw. Gezien het belang van de HMC-bedrijven is de (milieu)ruimte voor dit type bedrijven van provinciaal belang. Om deze reden is in artikel 6.12 van de ZHOV opgenomen dat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein de vestiging van bedrijven uit de hoogst mogelijke milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten mogelijk maakt, dan wel voorziet in overeenkomstige milieuzones voor geluid of geur, passend bij de omgeving van het bedrijventerrein, waarbij rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkelingen op een grote buiten stedelijke bouwlocatie als bedoeld in artikel 6.10 van de ZHOV of die mogelijk zijn op grond van een vigerend bestemmingsplan. In voorliggend bestemmingsplan is de bestemming ‘Bedrijf’ toegekend aan de planlocatie. Van de bepaling uit de ZHOV kan alleen worden afgeweken indien daartoe aanleiding bestaat in verband met toekomstige ontwikkelingen die zijn opgenomen in een vigerend bestemmingsplan of het Programma ruimte/omgevingsprogramma. Met de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een bedrijf uit de hoogst mogelijke milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

Gelet op het aangrenzende woningbouwgerechtigde kavel, de nabij gelegen kerk en de woonwijk Oosterheem worden bedrijven in de hogere milieucategorieën niet wenselijk geacht op de beoogde locatie voor het transformatorstation. Het realiseren van een transformatorstation sluit aan bij het beleid beschreven in het Omgevingsprogramma Zuid-Holland (zie paragraaf 3.2.2 van deze toelichting). Het plangebied is niet aangewezen als grote buiten stedelijke bouwlocatie. Stationsomgeving (artikel 6.10c) De locatie van het voornemen is op Kaart 22 Planoptimalisatie van de ZHOV aangeduid als ‘Stationsomgeving’. In artikel 6.10c van de ZHOV is opgenomen dat een bestemmingsplan dat voorziet in nieuwe woningen in een stationsomgeving (zoals weergegeven op kaart 22 in bijlage II van de verordening), een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per woning hanteert. Deze beleidsregel is niet van toepassing op het voornemen, omdat voorliggend voornemen geen woning betreft. Conclusie Gezien het voorgaande wordt geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening Zuid-Holland.

3.3

Regionaal beleid

3.3.1

RES 1.0 regio Rotterdam Den Haag

In de Regionale Energiestrategie (RES) 1.0 van regio Rotterdam Den Haag is de gezamenlijke energiestrategie van alle overheden in de regio vastgelegd. De energieregio Rotterdam Den Haag bestaat uit 21 gemeenten, vier waterschappen en de provincie. In de RES 1.0 is het bod gedaan om in te zetten op 2,83,2 TWh duurzame opwek. Daarmee levert de regio 8 tot 9 % van de landelijke doelstelling van 35 TWh. Daarnaast wordt gestreefd naar energie-efficiëntie en energiebesparing en een balans tussen energievraag en energieproductie. In de uitvoeringsagenda staat uitgewerkt hoe de gestelde doelen zullen worden gehaald. De uitvoeringsagenda is bedoeld als (bestuurlijke) basis voor het voortzetten van de regionale samenwerking. Relatie RES 1.0 met voorgenomen ontwikkeling Het voornemen sluit aan bij de RES 1.0. De ontwikkeling voorziet in het uitbreiden van de elektriciteitsnetwerken en vervult daarmee een essentiële rol in het behalen van de doelstelling voor duurzame elektriciteitsopwekking in de regio. Het transformatorstation is noodzakelijk om te kunnen (blijven) voorzien in de vraag naar elektriciteit in de omgeving. Het huidige transformatorstation ‘Zoetermeer 13’ is niet meer toereikend qua capaciteit en biedt niet de ruimte om uit te breiden. Daarom is nieuwbouw noodzakelijk op een ander kavel.

20 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Zoetermeer 2040

Op 31 januari 2022 heeft de gemeenteraad de Visie Zoetermeer 2040 vastgesteld. De Visie schetst een integraal lange termijn perspectief voor sociale, economische en ruimtelijke ontwikkelingen. Het gewenste toekomstbeeld voor Zoetermeer is uitgewerkt aan de hand van zes hoofdlijnen, te weten: 1 Zoetermeer is mijn thuis; 2 duurzame stad in en tussen de parken; 3 palet van wijken en buurten; 4 doorlopende ontplooiingskansen voor iedereen; 5 stad van toegepaste innovatie; 6 Zoetermeer regiostad. Relatie Visie Zoetermeer 2040 met voorgenomen ontwikkeling De realisatie van een transformatorstation wordt als zodanig niet genoemd in de visie, aangezien de visie een toekomstbeeld op hoofdlijnen betreft. Desalniettemin vormt de visie geen belemmering voor het voorgenomen plan.

21 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

4 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN In het kader van gemeentelijke besluitvorming dient bij een bestemmingsplan door middel van een integrale ruimtelijke benadering nadrukkelijk rekening te worden gehouden met de consequenties van het plan voor de omgeving en omwonenden. Het bevoegd gezag is namelijk verantwoordelijk voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit gebeurt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is van toepassing voor alle ruimtelijke ontwikkelingen. De effecten op de leefomgeving worden in dit hoofdstuk door middel van de bespreking van diverse omgevingsaspecten in beeld gebracht en afgewogen, en hiermee wordt de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan aangetoond.

4.1

Besluit milieueffectrapportage

In het Besluit Milieueffectrapportage (m.e.r.) is in onderdeel C en D van de bijlage (de zogenaamde C- en Dlijst) aangegeven welke activiteiten m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. (kolom 2 in de C- en D-lijst) drempelwaarden opgenomen. Voor elk besluit dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage die onder de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Hetzelfde geldt voor elk besluit dat betrekking heeft op activiteiten die (1) voorkomen op de C-lijst, (2) onder de drempelwaarde van de C-lijst blijven en (3) niet voorkomen op de D-lijst. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Het transformatorstation van Stedin heeft als functie het spanningsniveau van 25 kilovolt om te zetten naar 10 kilovolt, zodat dit door bestaande elektriciteitsleidingen verder kan worden getransporteerd door Zoetermeer. Het uitbreiden of oprichten van dit type transformatorstation is niet een activiteit die benoemd staat in categorie C of categorie D van het Besluit milieueffectrapportage. Van de aanleg, wijziging of uitbreiding van een bovengrondse hoogspanningsleiding (categorie C en D24.1) is namelijk geen sprake.

Ook van de aanleg, wijziging of uitbreiding van een ondergrondse hoogspanningsleiding (categorie D24.2) is geen sprake. Het project is gelet op het bovenstaande niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig.

4.2

Geluid

Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient het aspect geluid beoordeeld te worden. Bij het aspect geluid gaat het om het ruimtelijk mogelijk maken van geluidsbron (zoals wijzigingen aan een weg, spoorweg of industrie) enerzijds, en aan bestemmingen die een zekere mate van rust nodig hebben (zoals woningen, scholen en ziekenhuizen) anderzijds. Ruimtelijke plannen moeten voldoen aan de wet- en regelgeving die is opgenomen in de Wet geluidhinder (Wgh), de Wet milieubeheer (Wm) en onderliggende besluiten en regelingen.

22 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

4.2.1

Toetsingskader

Wet geluidhinder De Wet geluidhinder (Wgh) geeft handvatten voor het ontwikkelen, opstellen en uitvoeren van lokaal geluidbeleid. De Wgh is van toepassing bij de aanleg en/of wijziging van de volgende geluidsbronnen: - gezoneerde bedrijventerreinen; - spoorwegen (geen hoofdspoorwegen); - wegen (hoofdwegen én 30 km wegen of woonerven). Doordat na realisatie van het transformatorstation het totale, maximaal gelijktijdig in te schakelen, elektrische vermogen van de transformatoren lager wordt dan 200 MVA, wordt het transformatorstation niet aangemerkt als een categorie inrichting die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken (zie Bijlage I onderdeel C20.1 bij het Besluit omgevingsrecht). Het totale, maximaal gelijktijdig in te schakelen, elektrische vermogen bedraagt 45 MVA. De Wet geluidhinder is daarom niet van toepassing, waardoor het opnemen van een geluidzone in het bestemmingsplan niet noodzakelijk is. Daarnaast wijzigt de verkeersgeneratie niet door de beoogde ontwikkeling. Dat betekent dat het wegverkeerslawaai als gevolg van deze ontwikkeling niet toeneemt. Hierdoor is er geen aanleiding dit aspect verder te onderzoeken. Activiteitenbesluit milieubeheer Voor inrichtingen (type A en B) in de zin van de Wet milieubeheer (Wm) gelden voor het aspect geluid regels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit).

Het Activiteitenbesluit bevat standaardwaarden die van toepassing zijn op inrichtingen. Transformatorstations worden gezien als Wm-inrichting (type C) als: 1 de transformatoren niet in een gesloten gebouw zijn ondergebracht en; 2 het maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen 200 MVA of meer is. Gelet op het vermogen en de opstelling van de transformators is het transformatorstation niet vergunningplichtig in het kader van de Wet milieubeheer. Daarmee valt het station onder de algemene grenswaarden van het Activiteitenbesluit. Tonaliteit Conform de ‘Handleiding meten en rekenen Industrielawaai’ geldt dat een straftoeslag van 5 dB moet worden toegepast als er sprake is van tonaal geluid ter plaatse van de geluidgevoelige bestemming. Deze straftoeslag wordt opgeteld bij het totale geluidniveau.

4.2.2

Resultaten

Aanlegfase Voor de aanleg van het transformatorstation vinden de nodige werkzaamheden plaats. Deze werkzaamheden en het hierbij in te zetten materieel veroorzaken een bepaalde geluidsbelasting op de omgeving. De dichtstbijzijnde woning ligt op circa 30 m afstand van de grens van het plangebied. De effecten treden alleen op tijdens de aanlegfase. Het gaat hierbij om tijdelijke geluidshinder veroorzaakt door vrachtverkeer, inbrengen van funderingspalen (schroefmethode) en graven. De Wet geluidhinder bevat geen regels voor dergelijke tijdelijke situaties. Voor bouwen zijn regels voor deze tijdelijke situaties opgenomen in het Bouwbesluit 2012 (art. 8.3) en voor overige activiteiten in de APV (art. 4:5). Tijdens de aanlegwerkzaamheden dient aan deze regels voldaan te worden.

23 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

Gebruiksfase De dichtstbijzijnde woning (geluidgevoelig object), gelegen aan Zegwaartseweg 45, ligt op een afstand van circa 30 m van de grens van het plangebied. Het naastgelegen perceel, tussen het plangebied en de bestaande woning, heeft daarnaast de bestemming ‘woongebied’. Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om hier eveneens een woning (geluidgevoelig object) te bouwen. Daarom is onderzocht in hoeverre de realisatie van het transformatorstation tot onaanvaardbare geluidniveaus zou kunnen leiden (zie bijlage II van de toelichting). Voor geluidgevoelige bestemmingen (onder andere woningen, zorg-, en onderwijsgebouwen) geldt artikel 2.17 lid 1 Activiteitenbesluit met een grenswaarde van 50/45/40 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond-, en nachtperiode. In onderstaande tabel zijn de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit samengevat.

Tabel 4.1 Geluidnormering Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en maximaal geluidsniveau (LAmax) 07.00 - 19.00 uur

19.00 - 23.00 uur

23.00 - 07.00 uur

LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen

50 (55)* dB(A)

45 (50) dB(A)

40 (45) dB(A)

LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen

70 (70) dB(A)

65 (65) dB(A)

60 (60) dB(A)

* De waarden tussen haakjes (xx) gelden als grenswaarde voor woningen op het bedrijventerrein.

Voor de maximale geluidsniveaus gelden de grenswaarden van 70/65/60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Het geluid van schakelgebouw is akoestisch niet relevant. Bij het berekenen van de geluidsbelastingen is er rekening gehouden met een tonaliteitstoeslag van 5 dB(A). Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bedraagt ten hoogste 38 dB(A) in de dagperiode op een hoogte van 1,5 m en 39 dB(A) in de avond- en nachtperiode op een hoogte van 7,5 m op de kavelgrens. Daarmee voldoet het station aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Het maximale geluidniveau bedraagt ten hoogste 66 dB(A) in de dagperiode op een hoogte van 1,5 m en bedraagt 34 dB(A) in de avond- en nachtperiode op een hoogte van 7,5 m op de kavelgrens. Ook dit voldoet aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit.

4.2.3

Conclusie

Het transformatorstation is niet geluidsgevoelig en niet geluidzoneringsplichtig. Uit het akoestisch onderzoek volg dat het aspect geluid de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de bestaande en de mogelijk nieuw te bouwen woning. Het aspect geluid vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.

4.3

Externe veiligheid

Het transport, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen brengen risico’s met zich mee door de mogelijkheid dat bij een ongeval gevaarlijke lading vrij kan komen. De discipline externe veiligheid houdt zich bezig met het beheersen van de hieraan verbonden risico’s voor mensen die zich in de nabijheid van gevaarlijke stoffen bevinden. Het Nederlandse externe veiligheidsbeleid is gericht op de bescherming van individuen die zich bevinden in beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten1. Deze twee soorten (kwetsbare) objecten worden ook wel de risico-ontvangers genoemd. In het kader van het vaststellen van nieuwe ruimtelijke plannen zoals een

1

In artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen is de definitie opgenomen van kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten.

24 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

bestemmingsplan moet worden getoetst of het realiseren van het plan een onacceptabel externe veiligheidsrisico oplevert. Bij de toetsing moet gekeken worden naar twee soorten risico’s, plaatsgebonden risico en groepsrisico. In deze paragraaf wordt eerst het toetsingskader beschreven met de daarbij behorende definities van het plaatsgebonden en groepsrisico. Daarna komen de risicobronnen die zich in het gebied bevinden aan de orde en is getoetst aan de geldende wet- en regelgeving.

4.3.1

Toetsingskader

Externe veiligheid betreft de beheersing van de risico's en gaat om het gebruik, de opslag, de productie en het transport van gevaarlijke stoffen. De gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen: - stationaire bronnen, zoals een fabriek of een LPG-vulpunt; - mobiele bronnen, zoals transport van gevaarlijke stoffen over wegen en door leidingen. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-5 (één op 100.000) en een contour waarbinnen deze kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze contour mogen in ieder geval geen kwetsbare objecten (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden. Het groepsrisico is de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Voor de contour van het groepsrisico geldt in ieder geval dat het niet wenselijk is om hier kwetsbare bestemmingen toe te staan.

Het streven moet zijn om het aantal personen binnen het invloed gebied onder de oriëntatiewaarde en waar mogelijk zo laag mogelijk te houden.

4.3.2

Resultaten

Transformatorstations vormen mogelijke veiligheidsrisico’s, zoals brandgevaar en stralingsgevaar, voor de omgeving. Dit risico, in combinatie met het bouwgerechtigde kavel naast het perceel van het transformatorstation, is aanleiding voor een veiligheidsstudie (opgenomen in bijlage III van deze toelichting). Voor transformatorstations kunnen twee hoofdoorzaken voor gevaar worden vastgesteld: kortsluiting en oververhitting van de minerale olie. Bij kortsluiting kunnen vonken ontstaan en bij oververhitting van de minerale olie zal de olie erg heet worden, wat tot brandwonden kan leiden bij direct contact. De effecten van vonken en warme olie zullen zich echter beperken tot binnen het gebouw, wat ook nog is omgeven door hekwerk. Onbevoegden zullen dus niet zomaar blootgesteld worden aan deze gevaren. In eerste instantie zullen kortsluiting en oververhitting van de minerale olie dus niet leiden tot direct gevaar naar de omgeving. Beiden kunnen wel leiden tot een explosie of een brand met als gevolg een plasbrand. Deze effecten vormen een direct gevaar voor de omgeving door middel van overdruk en warmtestraling. Het transformatorstation valt niet onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) of Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Ook betreft het transformatorstation geen inrichting waarvoor een plaatsgebonden risico of groepsrisico berekend hoeft te worden. Dit omdat het transformatorstation niet valt onder een categorieomschrijving van onderdeel B of C van bijlage 1 bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het minimaal in te schakelen vermogen van een transformatorstation om onder onderdeel C, categorie 20, te vallen is namelijk 200 MVA.

25 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

Ook is geen sprake van opslag van een gevaarlijke stof, omdat de minerale olie een proces- of systeemvloeistof is. Hierdoor valt het transformatorstation niet onder onderdeel C, categorie 5.1. van het Bor, waardoor het Besluit externe veiligheid Inrichtingen (Bevi) niet van toepassing is. Hieruit kan geconcludeerd worden dat er vanuit externe veiligheidsregelgeving geen nadere eisen, noch toetsing noodzakelijk zijn voor dit plan. Het transformatorstation betreft geen (beperkt) kwetsbare object. Daarnaast is geen sprake van risicocontouren van risicobronnen in de omgeving van het plangebied.

4.3.3

Conclusie

Uit de uitgevoerde veiligheidsstudie blijkt dat het plan realiseerbaar is in het kader van het milieuthema (externe) veiligheid. Dit omdat er vanuit de regelgeving geen nadere eisen of toetsing op het gebied van externe veiligheid voor dit plan noodzakelijk zijn. Het bestemmingsplan brengt geen externe veiligheidsrisico’s met zich mee voor gevoelige functies in de nabijheid van het plangebied. Het voorziet daarnaast niet in de mogelijkheid tot realisatie van nieuwe kwetsbare objecten in de nabijheid van risicovolle bronnen of transportroutes. Gelet op voorgaande vormt het thema externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied.

4.4

Bedrijven en milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies (zoals wonen en recreëren) anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. De onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: - het zoveel mogelijk beperken of voorkomen van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; - het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven zodat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen verrichten.

4.4.1

Toetsingskader

De toelaatbaarheid van bedrijvigheid kan globaal worden beoordeeld met behulp van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In de publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. De publicatie geeft voor vele bedrijfstakken en installaties aan: - welke milieuonderwerpen een rol kunnen spelen; - welke gemiddelde afstanden tot de woonbebouwing 'passend' zijn. In de handreiking is een lijst opgenomen die inzichtelijk maakt welke milieuaspecten van belang zijn en in welke milieucategorie een bedrijf ingedeeld zou kunnen worden. Het instrument heeft een integrale benadering. Per bedrijf is in beeld gebracht welke richtafstand ten opzichte van gevoelige objecten aan de orde is voor de aspecten geluid, geur, stof en gevaar. De milieucategorie wordt bepaald op de maatgevende (grootste) afstand. De VNG-publicatie is daarmee een onmisbaar hulpmiddel in de bestemmingsplanpraktijk. De richtafstanden zijn afhankelijk van het omgevings- en gebiedstype. Het plangebied kan worden gekenmerkt als een ‘gemengd gebied’. Gemengde gebieden betreffen onder andere gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen, gebieden met matige tot sterke functiemenging en gebieden met lintbebouwing

26 | 53

Witteveen+Bos | 133460/23-017.531 | Definitief 03

in het buitengebied, met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden met een stap worden verminderd. De richtafstanden uit de VNG Handreiking dienen gemeten te worden vanaf de grens van de bestemming die een milieubelastende functie toelaat tot de uiterste situering van de gevel van een gevoelige functie die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. In plaats van: de afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit, tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies, gelegen buiten betreffende perceel.

4.4.2

Resultaten

Een transformatorstation is in de handreiking opgenomen onder 'elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen'. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën op basis van het aantal MVA van de transformatoren. In het plangebied worden in totaal twee transformatoren geplaatst. Het maximaal in te schakelen vermogen van het station bedraagt 45 MVA. Omdat het totale transformatorvermogen van het station 10 - 100 MVA is, valt het station in milieucategorie 3.1. Hiervoor zijn richtafstanden opgenomen voor geluid (50 m) en gevaar (30 m). Deze richtafstanden zijn gebaseerd op een rustige woonomgeving. Omdat het transformatorstation onder ‘gemengd gebied’ valt, kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verminderd. Op basis van de VNG-publicatie betekent dit dat voor geluid een richtafstand kan worden aangehouden van 30 m en voor gevaar 10 m. Geluid Omdat een bouwgerechtigd kavel binnen de richtafstand 30 m ligt (naast de bestemming voor het transformatorstation), stelt de volgende stap van de VNG-richtlijn voor om de daadwerkelijke milieubelasting te bepalen middels de activiteiten die plaatsvinden. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat het aspect geluid geen belemmeringen geeft voor de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied (zie paragraaf 4.2 van de toelichting).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zoetermeer&id=52d1cdbc-2be5-4b55-a5da-911b564f63ca