Bijlage 1 - Omgevingsprogramma Entree
Tekst van het document
Cultuurhistorie Er is sprake van verstoring van de historisch stedenbouwkundige structuur, de H-structuur. Daarnaast wordt de zichtbaarheid, herinnerbaarheid en de gaafheid van de stedenbouwkundige opzet van de stad en H-structuur, het hoofdwegenstelsel van de Groeikernperiode, door het aanleggen van een stadsstraat aangetast. Het effect van Entree op de cultuurhistorie is zeer negatief, zowel op de stedenbouwkundige structuur als op de historische gebouwen van de groeikernperiode van Zoetermeer. Archeologie Aangezien er zich in het plangebied van Entree geen archeologische monumenten of terreinen bevinden, is er geen sprake van een eventuele verstoring of doorsnijding en is dus sprake van een neutraal effect. 6.2.13 Natuur Effectbeoordeling Soortenbescherming Indien een soort(groep) niet wordt benoemd in deze paragraaf blijkt uit het uitgevoerde onderzoek en literatuurstudie dat de soort (hoogstwaarschijnlijk) niet in het plangebied voorkomt. Er komen geen beschermde reptielen, libellen en vissen voor en geen beschermde grondgebonden zoogdieren voor. Het voorkomen van konijn is wel vastgesteld in het plangebied. Bij ontwikkelingen binnen perceel Oost 2 kunnen groeiplaatsen van dreps en glad biggenkruid vernietigd worden. Binnen perceel Oost 3 is mogelijk voortplantingshabitat en overwinteringshabitat van de rugstreeppad aanwezig.
Er worden plangebied meerdere bomen en dichte begroeiing verwijderd. Deze bieden mogelijk nestplaatsen voor algemene broedvogels en mogelijk nestplaatsen voor boomvalk, sperwer en/of ransuil met jaarrond beschermde nesten en nestplaatsen van spreeuw. Door de voorgenomen sloop en renovatie van bebouwing en bomenkap kunnen verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en tweekleurige vleermuis worden vernietigd of verstoord. Verder kunnen essentiële vliegroutes van vleermuizen verloren gaan bij het verwijderen van rechtlijnige groenstructuren zoals bomenrijen. De aanwezige iepen, zoete kersen en wilgen ook als voortplantingsplaats van grote vos benut worden. Voor beide alternatieven geldt dat het aanvragen van een omgevingsvergunning noodzakelijk is vanwege effecten op de soortgroepen broedvogels, flora, vleermuizen, amfibieën en/of vlinders. Beide alternatieven worden dus als zeer negatief (- -) beoordeeld. De indicator soortenbescherming is niet onderscheidend. Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden In het stikstof-onderzoek van Entree dat is uitgevoerd voor het ontwerp Plan-MER zijn (relatief kleine) bijdragen in het maximale planalternatief van 0,02 - 0,03 mol (meeteenheid voor stikstof) berekend op 6 Natura 2000-gebieden. Deze stikstofberekeningen gaan uit van 55
worst-case 2027. Tijdens de terinzagelegging is een onderzoek uitgevoerd met aangescherpte uitgangspunten, zijn de onderzoeksresultaten van stikstof van de RSZ betrokken en is de samenloop van de procedure van het Omgevingsprogramma Entree en de bescherming van de Natura 2000-gebieden beter in beeld gebracht. Uit het nieuwe onderzoek dat is verwerkt in het Plan-MER en de vertaling daarvan in het Omgevingsprogramma blijkt dat de aangescherpte uitgangspunten nog steeds leiden tot een bijdragen in zowel het minimale als het maximale planalternatief op de 6 Natura-2000 gebieden in de gebruiksfase maar dat de bijdragen lager zijn en in het maximale planalternatief 0,01 - 0,02 mol (meeteenheid voor stikstof) bedragen. Uit het rapport blijkt verder dat de eerder berekende stikstofbijdrage in de realisatiefase met de aangescherpte uitgangspunten niet tot een stikstofdepositie leidt. Binnen Zoetermeer wordt er gewerkt aan de Ruimtelijke Strategie Zoetermeer (RSZ), die zorg draagt voor een fors pakket aan omvangrijke maatregelen dat effect heeft op de mobiliteit in Zoetermeer als geheel en daarmee de modal split positief beïnvloedt naar verplaatsingen zonder auto (met name richting het OV en de fiets). De maatregelen die in de RSZ staan, zijn (nog) niet meegenomen in de (stikstof)berekeningen van Entree, omdat deze maatregelen nog niet zijn vastgesteld.
Maatregelen die hieruit voortvloeien en die de stikstofberekening kunnen beïnvloeden zijn bijvoorbeeld het instellen van een parkeerplafond en het verlagen van de snelheid; dit type maatregelen zorgt ervoor dat de modal split wijzigt. Met het nemen van de maatregelen uit de RSZ, blijkt dat bij een toename van 16.000 woningen Zoetermeerbreed er geen sprake is van stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden. Hieruit blijkt dat het met het nemen van maatregelen de mogelijke stikstofdepositie in positieve zin wordt beïnvloed tot het niveau dat er geen sprake is van stikstofdepositie boven de 0,00 mol. De toets of een project uitgevoerd kan worden, vindt plaats op projectniveau, dus bij de verlening van de bopa’s. Hierbij geldt dat een eerder uitgevoerde plantoets geen zekerheid geeft dat op projectniveau geen sprake is van stikstofdepositie (dit ook vanwege de verschillende uitgangspunten bij de toets). Ook is er geen verplichting om eerder een plan-toets uit te voeren. Op projectniveau zullen namelijk – ongeacht eerdere uitkomsten van de passende beoordeling op planniveau – de effecten op Natura 2000-gebieden nog altijd moeten worden onderzocht.
Vanwege de beoogde fasering in tijd van de ontwikkelingen in Entree en het feit dat uit het stikstofonderzoek bij de RSZ blijkt dat met het nemen van maatregelen bij een fors groter woningbouwprogramma geen sprake is van stikstofdepositie is nogmaals beoordeeld of een passende beoordeling noodzakelijk is om het Omgevingsprogramma vast te stellen. Passend beoordelen betekent dat er een ecologische beschouwing plaatsvindt op wat het effect is van de stikstofdepositie op de instandhoudingsdoelstellingen voor natuur. In het kader 56
ONTWIKKELVISIE ENTREE
van het ontwerp van het Omgevingsprogramma is dat in hoofdlijnen reeds inzichtelijk gemaakt. Of een passende beoordeling verplicht is, hangt af of het Omgevingsprogramma kan worden beschouwd als een plan op grond van de Habitatrichtlijn. Over deze vraag is nog geen jurisprudentie. Maar vanwege het karakter van het Omgevingsprogramma, een beleidsmatig en bovendien vrijwillig document, is tot de conclusie gekomen dat een dergelijk omgevingsprogramma geen plan in de zin van Habitatrichtlijn en dat het gelet daarop niet verplicht is om een passende beoordeling op te stellen. Wel zal in samenwerking met de grondeigenaren aankomende periode invulling gegeven aan het verder onderzoeken van stikstofdepositie en het verder beoordelen van mogelijke maatregelen die invloed hebben op de stikstofdepositie in relatie tot de keuzes die in het kader van de RSZ worden gemaakt. Kansen voor verhoging natuurwaarden Er zijn kansen voor verhoging van natuurwaarden als hier bewust op ingezet wordt bij de ontwikkeling van het gebied. Zo ligt er een ambitie voor de realisatie van verschillende soorten habitats waarmee bio- diversiteit in het plangebied vergroot kan worden. Daarnaast worden groenblauwe structuren gerealiseerd die ook in verbinding komen met omliggende parken en groen. Verder zal ook in de nieuwbouw natuur- inclusief bouwen worden toegepast.
Kansen voor verhoging van natuurwaarden worden in beide varianten op deze wijze benut. De gemeente Zoetermeer heeft in beide varianten hoge ambities voor de ontwikkeling van natuurwaarden, maar ook voor andere onderwerpen zoals duurzaamheid en energie. Hierin dient in het uiteindelijke ontwerp een afweging gemaakt te worden. Een dak kan bijvoorbeeld gebruikt worden voor zowel groen als zonnepanelen, maar niet beiden op precies dezelfde plek. In beide alternatieven zal door de maatregelen sprake zijn van een toename aan groen oppervlak en natuur inclusief bouwen wat tot een positief effect leidt. In beide alternatieven er dus mogelijk sprake zijn van een toename van natuur- waarden, afhankelijk van de daadwerkelijke mate van verstoring. Deze alternatieven scoren daarom licht positief (+). Mitigatie en compensatie Broedvogel Bij voorkeur worden werkzaamheden niet in het broedseizoen (maart tot en met augustus) uitgevoerd. Wanneer dit niet mogelijk is zullen maatregelen getroffen moeten worden om de aanwezigheid van broedende vogels te voorkomen. Effecten op broedvogels wordt voorkomen door voorafgaand aan het broedseizoen het plangebied ongeschikt (korte vegetatie en bomen gekapt) te maken. Komen alsnog vogels tot broeden zullen komen op de bebouwing, Dan dienen maatregelen getroffen te worden om verstoring van het broedgeval te voorkomen.
Vogels met jaarrond beschermde nesten (inclusief spreeuw) Voorafgaand aan de werkzaamheden en buiten het broedseizoen worden alternatieve soortspecifieke nestlocaties aangeboden. Daarnaast wordt leefgebied van deze soorten waar nodig geoptimaliseerd om aantasting
in foerageergebied te mitigeren. Dit is na afronding van het plan in de vorm van groenstructuren en groene daken. Er wordt aanbevolen uitsluitend overdag te werken en het gebruik van kunstlicht gedurende de werkzaamheden zo veel mogelijk te beperken. Vleermuizen Verblijfplaatsen in gebouwen en in bomen dienen voorafgaand aan de werkzaamheden gecompenseerd te worden. Hiervoor kunnen tijdelijke vleermuiskasten ingezet worden. Bij gefaseerde bouwwerkzaamheden kunnen inbouwkasten mogelijk ook gerekend worden bij (tijdelijk) aangeboden verblijfplaatsen. Voorafgaand aan het verwijderen van essentiële vliegroute(s) dient een tijdelijke vliegroute gerealiseerd te zijn. In de permanente situatie dienen robuuste vliegroute(s) in de directe omgeving van de oorspronkelijke vliegroute te worden teruggeplaatst. Door de werkzaamheden overdag uit te voeren worden negatieve effecten door kunstlicht voorkomen. De vliegroute(s) dienen daarnaast niet direct belicht worden tussen zonsondergang en zonsopgang. Amfibieën Voordat er werkzaamheden starten op perceel Oost 3 dient de locatie afgezet te worden door middel van amfibieschermen. Er moet gezorgd worden dat rugstreeppadden de locatie wel kunnen verlaten, maar niet kunnen koloniseren. Dit is alleen mogelijk indien er geschikt leefgebied voor rugstreeppad in de directe omgeving voorkomt.
Als dit niet zo blijkt te zijn dienen individuen afgevangen te worden en op een geschikte locatie uitgeplaatst te worden. Pas na vrijgave van de werklocatie kunnen de werkzaamheden starten. Vlinders Voorafgaand aan het verwijderen van iepen, zoete kersen of wilgenbomen dienen deze boomsoorten op geschikte locaties geplant te zijn. Flora Voorafgaand aan de werkzaamheden op perceel Oost 2 dient zaad van dreps en glad biggenkruid verzameld te worden. Door de bovenste grondlaag af te graven zal tevens de zaadbank in de bodem verzameld worden. De zaden en afgegraven bodem dient op een nieuwe geschikte locatie met een open en zandige onbewerkte grondlaag, teruggeplaatst te worden. (Specifieke) zorgplicht Voor algemene en rode lijst soorten is het noodzakelijk om invulling te geven aan de (specifieke) zorgplicht. Er moeten maatregelen worden geformuleerd die ertoe leiden dat tijdens de werkzaamheden negatieve effecten op planten en dieren zoveel mogelijk wordt voorkomen. Hierbij dient tevens bij de inrichting van het plangebied aandacht te worden besteed aan de realisatie van algemeen geschikt habitat voor plant en dier. Binnen de percelen Oost 4 en 5 komt konijn voor. Tijdens de werkzaamheden moet voorkomen worden dat konijnen worden gedood. Maatregelen om dit te voorkomen dienen voorafgaand aan de werkzaam- heden te worden
geformuleerd. Een van de te nemen maatregelen is om de werkzaamheden richting één kant uit te voeren. Algemeen De te nemen mitigerende en compenserende maatregelen in het kader van de omgevingsvergunning moeten in een activiteitenplan worden uitgewerkt. De uitvoering van de maatregelen in het kader van de omgevingsvergunning en de (specifieke) zorgplicht moeten in een ecologisch werkprotocol worden uitgewerkt. Dit protocol moet aanwezig zijn op de werklocatie en het aanwezig personeel moet op de hoogte zijn van de inhoud van dit ecologisch werkprotocol. Het protocol dient te worden opgesteld door een ter zake kundige op het gebied van flora en fauna. Eventuele ecologische begeleiding dient eveneens te worden uitgevoerd door een ter zake kundige op het gebied van flora en fauna. Indien de mitigerende en compenserende maatregelen naar voldoening opgevolgd worden, is het effect op beschermde soorten neutraal (0).Mitigatie en compensatie stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Als gevolg van de twee alternatieven is in de gebruiksfase sprake van een toename van stikstofdepositie op overbelaste Natura 2000-gebieden. Om die reden zijn (significant) negatieve effecten op Natura 2000- gebieden niet op voorhand uit te sluiten. Dit betekent niet dat het plan per definitie niet uitvoerbaar is.
Voor mitigerende maatregelen kan gedacht worden aan smart mobility, inzet op openbaar vervoer om emissies van verkeer te beperken en/of extern salderen. In de aanlegfase is - afhankelijk van het bouwtempo geen sprake van een toename van stikstofdepositie. Om die reden zijn er geen wettelijk verplichte mitigerende of compenserende maatregelen van toepassing. Wel zijn mitigerende maatregelen mogelijk om het realiseren van meer programma per jaar mogelijk te maken. Op basis van de berekeningen ligt dat punt op 500 appartementen, 100 woningen en niet wonen voorzieningen. Bovenwettelijke mitigatie en compensatie Het verhogen van natuurwaarden is geen wettelijke verplichting maar betreft een bovenwettelijk kader. Als aanvullende maatregelen kan gedacht worden aan • Het inzaaien van bermen met een gebiedseigen inheems mengsel. • Ecologisch maaibeheer. • Natuurinclusief bouwen. • Het plaatsen van takkenrillen en ‘rommelhoekjes’ als schuilplaats voor grondgebonden zoogdieren. 6.2.14 Duurzaamheid en energie Duurzaamheid en energie In deze paragaaf worden het opwekken van thermische- en de elektrische energie ten opzichte van energieopwekking beoordeeld.Het aspect energie in het plangebied wordt beoordeeld aan de hand van de gebouwgebonden energievraag ten opzichte van energieopwekking in het plangebied. Het aspect wordt kwantitatief beoordeeld.
Bij de beoordeling wordt de benodigde en beschikbare hoeveelheid energie bekeken aan de hand van de thermische- en de elektrische energie. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen het minimale 57
en het maximale alternatief, waarin het aantal woningen en utiliteiten verschilt. Bij thermische energie gaat het om het verwarmen van ruimten en tapwater. Elektrische energie is de stroom die nodig is voor de werking van warmtepompen en andere apparaten. Thermische energie De beschikbare thermische energie uit omgevingswarmtebronnen overstijgt de benodigde hoeveelheid in het projectgebied. In vervolgonderzoek dient onderzocht te worden welke omgevingswarmtebron het beste kan worden ingezet, aangezien meerdere omgevingswarmtebronnen in de volledige vraag naar thermische energie kunnen voorzien. Het aspect opwekking gebouwgebonden thermische energievraag wordt beoordeeld als zeer positief. Elektrische energie Om de berekende energievraag in te vullen zijn veel zonnepanelen nodig. Het is niet realistisch dat dit in de praktijk gehaald wordt binnen het plangebied zelf. De verwachting is dat een gedeelte van de gebouwgebonden energievraag in het projectgebied opgewekt kan worden. Het aspect opwekking gebouwgebonden elektrische energievraag wordt daarom beoordeeld als negatief. Om dit te beperken kan gezocht worden naar mogelijkheden om meer elektriciteit op te wekken in dan wel nabij het projectgebied. Onderzoek de mogelijkheid voor de aanleg van zonneparken. Wat het effect van deze maatregelen is, kan met de huidige gegevens niet in kaart worden gebracht.
Naast het onderzoeken van meer bronnen van energie is het ook mogelijk om het energieverbruik te verminderen. Zo kan de toepassing van warmteterugwinning op de douches in woningen de vermogens- en energievraag voor tapwater verminderen. Voor goed geïsoleerde woningen geldt dat douchewater een relatief groot deel van de energievraag invult, door dit te minimaliseren wordt relatief veel energie bespaard. 6.2.15 Klimaatadaptatie Wateroverlast De ontwikkeling is gebonden aan de Waterschapsverordening en op grond daarvan geldt de plicht om een eventuele toename van verharding te compenseren. Voor de planontwikkeling (op het niveau van de Ontwikkelvisie) is een globale waterbalans opgesteld door gemeente Zoetermeer. Hieruit volgt dat de ontwikkeling van Entree voldoet aan de compensatieeis van zowel het hoogheemraadschap en de gemeente. Dit heeft als gevolg dat wateroverlast in het plangebied zal afnemen. Ondanks dat het oppervlak groen in het plangebied afneemt ten opzichte van de huidige situatie. Hier wordt ook nader op ingegaan in het deelonderzoek water. Het hoogheemraadschap stelt vanuit haar klimaatregels de volgende regels 1. Het gebied dient een regenbui van 90 mm in 24 uur op te vangen om extreme neerslag aan te kunnen. 2. Het gebied dient een bui van 20 mm in 24 uur in de 58
ONTWIKKELVISIE ENTREE
bodem op te nemen en vasthouden om droge periodes aan te kunnen. Voor de ontwikkeling Entree gelden de volgende ambities 1. In de openbare ruimte wordt waterberging in open water en boven- en ondergrondse voorzieningen toegepast. 2. Ontwikkelende partijen zijn verantwoordelijk voor het realiseren van eigen waterberging op de eigen plots. 3. Het water draagt bij aan de natuurlijke beleving van het gebied. 4. Voorkeur voor groenblauwe maatregelen zoals oppervlaktewater, wadi’s en verlaagde groenstructuren, boven kunstmatige, ondergrondse oplossingen. De ambities zijn doorvertaald naar de volgende maatregelen 1. Oppervlaktewater aan de oostzijde Boerhaavelaan toevoegen. 2. Wadi aan de westzijde van Bredewater toevoegen. 3. Groenblauw kader in het ontwerp benutten voor waterberging. 4. Waterbergingssysteem toevoegen op de Afrikaweg. 5. Op de kavels water vasthouden op het dak, binnentuin en/of parkeerkelder. De uitwerking van de plannen bepaalt in hoeverre er sprake is van meerwaarde op het thema wateroverlast. Op basis van de watercompensatieverplichting is de beoordeling van de minimale en maximale alternatieven positief (+) omdat met de watercompensatieverplichting wordt uitgegaan dat voldoende maatregelen genomen worden en wateroverlast in het gebied afneemt.
Echter is het noemenswaardig dat in het plangebied een groot verschil is tussen het gebied ten westen en ten oosten van de Afrikaweg als gekeken wordt naar het toekomstige watersysteem. Het watersysteem van de oostkant is groot in oppervlak en aaneengesloten. Het watersysteem aan de westkant is versnipperd aanwezig en klein in oppervlak. De effecten op gebied van wateroverlast zal daarom ook verschillend zijn. Zie deelonderzoek water in het MER voor verdere toelichting. Hittestress Hittestress is een van de klimaatadaptatieopgaven in de ontwikkeling. In de Ontwikkelvisie Entree zijn verschillende ambities voor hitte vastgesteld (zie bijlage II): de lijstaanhef 1. 30% schaduw in de openbare ruimte en binnenterreinen van het plangebied, bij verblijfsplekken en op fiets- en looproutes richting koele plekken. 2. Op maximaal 300 meter loopafstand is een openbaar toegankelijk, in de buitenruimte of inpandig koele, schaduwrijke verblijfsplek. 3. Groenvoorzieningen in de openbare ruimte moeten zo veel als mogelijk bestand zijn tegen de hitte. 4. Bij de materiaalkeuze is er aandacht voor kleur en dichtheid in verband met opwarming en warmteafgifte en weerkaatsing. 5. Nieuwe woningen worden hittebestendig ontworpen.
Hittebestendige woningen zorgen voor een voldoende koel binnenklimaat. Dit is sinds 2021 in het ontwerpcriterium TOjuli (temperatuur-overschrijding) in de BENG-eisen geborgd. Het is mogelijk om de hittestress in het plangebied via het ontwerp te beperken door basismaatregelen: • De Stadsstraat: het creëren van een robuust groenstructuur langs de Afrikaweg. • De Groene Kraag: het groenblauwe raamwerk aan de buitenranden van het plangebied versterken. • Verkoelende waterelementen realiseren in de openbare ruimte. • De gebouwen zorgen voor extra schaduwwerking. De maatregelen zullen bijdragen aan het verlagen van de impact van hittestress in de nieuwe ontwikkeling. De hogere bebouwing leidt ook tot meer schaduwwerking en lagere temperaturen buiten. De keerzijde van deze schaduwwerking is dat er minder zon beschikbaar is voor de groei van bomen en ander groen. Daarnaast neemt het percentage groen in het gebied af met de ontwikkeling. Daarom wordt een neutraal (0) effect verwacht voor beide alternatieven. Uitgangspunt is hierbij dat de gebouwen voldoen aan de BENG-eisen en bij de inrichting van de openbare ruimte en daken minimaal de basismaatregelen uit de BENG worden meegenomen. De bebouwing leidt ook tot meer schaduwwerking en lagere temperaturen buiten.
Droogte Omdat de ontwikkeling van Entree op een bodem met kleiige karakteristieken in de toplaag plaatsvindt, is droogte een minder grote opgave. In de Ontwikkelvisie Entree (zie bijlage II) zijn verschillende ambities en maatregelen benoemd om de droogte-impact niet te vergroten: • Hemelwater wordt vertraagd en langdurig vastgehouden. Dit kan op de daken en ondergronds onder de Afrikaweg. • De beplanting wordt afgestemd op het toekomstige klimaat. • Daarnaast is in de waterschapverordening de 20 millimeter-regel opgenomen. Om ervoor te zorgen dat een gebied droogte aankan, moet de bodem in een gebied een normale bui van 20 mm in 24 uur op kunnen nemen en kunnen vasthouden voor droge periodes. In de huidige situatie zijn delen van het plangebied (enigszins) gevoelig voor bodemdaling. Afhankelijk van de toename in verhard oppervlak en bouwhoogtes op uitgeefbaar terrein bij de ontwikkeling van Entree kan een toename in belasting/gewicht leiden tot (verschil)zettingen. Door dit mee te nemen in het ontwerp en bouwrijp maken van de gebieden kunnen zettingen worden beperkt of zelfs worden voorkomen. Omdat de ontwikkeling van Entree op een bodem van waterrijke klei plaatsvindt is droogte een minder grote opgave. In beide het minimale en maximale alternatief zal binnen het plangebied het verhard oppervlak toenemen en het groen oppervlak afnemen.
Echter worden in de Ontwikkelvisie Entree maatregelen benoemd om de droogte-impact niet te vergroten.
Hemelwater wordt vertraagd en langdurig vastgehouden. Dit kan op de daken en ondergronds onder de Afrikaweg en de beplanting wordt afgestemd op het toekomstige klimaat. Op basis hiervan wordt een neutraal (0) effect verwacht op beiden het minimale en maximale alternatief. Overstroming De ontwikkeling biedt kansen om voor meerlaags (water) veiligheid te zorgen. De Afrikaweg kan als vlucht- en evacuatieroute worden gebruikt. Omdat de Afrikaweg hoog ligt en de gebouwen de begane grond aan de weg krijgen, ontstaat een grote vluchtlocatie voor de nieuwe ontwikkeling en de omgeving. Er is veel extra ruimte beschikbaar. Echter worden in de Ontwikkelvisie Entree geen maatregelen benoemd ten behoeve van waterveiligheid. Op basis hiervan wordt een neutraal (0) effect verwacht op beiden het minimale en maximale alternatief. Mitigatie en compensatie Als bij de uitwerking van de plannen aanvullende maatregelen genomen worden, verbetert de effectbeoordeling voor wateroverlast, droogte en overstroming. Voor wateroverlast zijn aanvullende maatregelen als volgt • Waterberging toevoegen aan de noordwestzijde van het plangebied. • Oppervlaktewater aan de oostzijde toevoegen. • Bovengrondse waterstructuur in oost-westrichting creëren om zo lengte van duikers te beperken. • Knelpunten voor wateroverlast bij tunnels verhelpen.
Als de bovengenoemde maatregelen worden doorgevoerd verbetert de effectbeoordeling van positief (+) naar zeer positief (++). Voorwaarde is wel dat de bovenstaande maatregelen worden meegenomen en het stedenbouwkundig model gehandhaafd blijft. Als de verharding bij verandering in het stedenbouwkundig model extra toeneemt zijn extra maatregelen nodig. Voor hitte zijn aanvullende maatregelen als volgt • Het bieden van voldoende koele, schaduwrijke, toegankelijke openbare ruimte, buitenruimte en daken voor alle nieuwe bewoners. • Het overgrote deel van de bestaande bomen vervangen met nieuwe bomen, zodat het effect voor mensen en milieu zo optimaal mogelijk is. Voorbeelden hiervan zijn het toepassen van bomen rondom poelen ter voorkomen van verdamping en het planten van bomen met een kortere levensduur tussen bomen met een lange levensduur om op korte termijn voldoende schaduw in het plangebied te realiseren. Als de bovengenoemde maatregelen worden doorgevoerd verbetert de effectbeoordeling van neutraal (0) naar positief (+). Makkelijk inpasbare maatregelen treffen ten behoeve van waterveiligheid zijn als volgt • Gevoelige nutsvoorzieningen boven peilhoogte. • Evacuatiemogelijkheden bij eengezinswoningen via de eerste verdieping creëren. 59
•
•
In kaart brengen van de assets die een ontwrichtende werking hebben als ze uitvallen door wateroverlast en overstroming. Voorbeelden zijn trafo’s van het elektriciteitsnetwerk en schakelkasten van een rioolgemaal en waar nodig deze hoger aanleggen. Grondgebonden woningen altijd met twee verdiepingen bouwen, zodat vluchten binnen de woning mogelijk is.
Voor overstroming is momenteel geen aandacht besteed aan maatregelen ten behoeve van gevolgbeper- kingen overstroming. Door hieraan aandacht te besteden en het opnemen van maatregelen wordt verwacht dat de effectbeoordeling zal veranderen. Als de bovengenoemde maatregelen worden doorgevoerd verbetert de effectbeoordeling van neutraal (0) naar positief (+). 6.3 ADVIES COMMISSIE MER Op 13 mei 2025 heeft de Commissie mer het Toetsingsadvies voor de milieueffectrapportage bij het Omgevingsprogramma van Entree Zoetermeer uitgebracht. De Commissie waardeert de inspanningen en zorgvuldigheid waarmee de gemeente streeft naar een optimale inrichting van de wijk Entree. De Commissie vindt dat het MER veel goede informatie bevat en uitgebreid, toegankelijk en goed leesbaar is. Desondanks mist de Commissie belangrijke informatie in het MER. Zo zijn de milieugevolgen voor de nieuwe bewoners in een gebied als Entree, met hoge geluidbelasting en weinig groen, niet goed uitgelicht. Daarnaast zijn de keuze voor het huidige stedenbouwkundige ontwerp van Entree en de consequenties voor de leefomgeving niet helder. Er zijn verschillende doelstellingen voor de wijk, maar het is onduidelijk hoe deze zijn meegewogen in de keuze voor dit ontwerp.
Verder merkt de Commissie op dat er een alternatief ontbreekt waarbij de gezonde leefomgeving als uitgangspunt wordt genomen en dat de onderzochte alternatieven alleen verschillen in aantallen mensen en voorzieningen. Tot slot zijn de stikstofeffecten van het plan nog niet voldoende in beeld gebracht. De Commissie adviseert om deze informatie aan te vullen in het MER voordat er een besluit over het programma wordt genomen. Op een aantal onderdelen is het MER aangevuld. Dat betreffen geluid, stikstof, de onderbouwing bij de sloop-nieuwbouw van de panden Bredewater 4-14 en Bredewater 16 en de totstandkoming van het stedenbouwkundig model. Waar de gemeente aanvulling nodig achtte op de andere onderdelen van het advies, is dat in het navolgende beschreven. Bomen Delen van de bestaande structuren bestaan uit grote oude bomen die in hoge mate het groene aanzicht van het kenmerkende straatbeeld bepalen. Veel van deze bomen zijn dermate oud dat behoud op de lange termijn niet verantwoord is. Deze bomen blijven in Entree behouden zolang dit verantwoord is terwijl jonge nieuw aangeplante bomen in die tijd steeds meer in volume toenemen. Dit zorgt ervoor dat tijdens de gefaseerde realisatie van 60
ONTWIKKELVISIE ENTREE
Entree het totale volume van boomkronen zo groot als mogelijk is. Er zijn ook deelgebieden die een nieuwe inrichting krijgen. Doordat de wijk in het nieuwe plan aan twee zijden (oost en west) geleidelijk oploopt naar de Afrikaweg wordt er veel veranderd in de hoogtepeilen en de infrastructuur van het gebied. Dat zorgt voor beperkingen bij het inpassen van het bestaande groen, waardoor niet veel van het bestaande groen behouden kan worden. Overstroming De commissie MER constateert in haar advies dat niet expliciet wordt gemaakt dat er meer dan 10.000 nieuwe mensen worden blootgesteld aan het bestaande overstromingsrisico. In zowel de effectstudie Omgevingsveiligheid en de effectstudie Klimaat wordt ingegaan op overstroming. Hierbij is inderdaad niet expliciet benoemd dat de nieuwe bewoners worden blootgesteld aan een bestaand overstromingsrisico. Uit de studies blijkt echter dat de Afrikaweg door zijn hogere ligging dan het maaiveld, een goede vluchtroute biedt voor hoog water en ook voor de toegankelijkheid voor hulpdiensten. Ook blijkt dat door de stedenbouwkundige opzet deze weg veel bereikbaarder wordt voor eenieder in en om het plangebied heen, dan nu het geval is. En belangrijk is te constateren dat mensen ook de verdiepingen van de gebouwen kunnen opzoeken.
Er worden dus weliswaar geen nieuwe expliciete maatregelen getroffen, maar impliciet zijn er en komen er voldoende vluchtmogelijkheden tegen overstroming. Passende beoordeling Vanwege de beoogde fasering in tijd van de ontwikkelingen in Entree en het feit dat uit het stikstofonderzoek bij de RSZ blijkt dat met het nemen van maatregelen bij een fors groter woningbouwprogramma geen sprake is van stikstofdepositie (zie ook paragraaf 6.2.13) is nogmaals beoordeeld of een passende beoordeling noodzakelijk is om het Omgevingsprogramma vast te stellen. Passend beoordelen betekent dat er een ecologische beschouwing plaatsvindt op wat het effect is van de stikstofdepositie op de instandhoudingsdoelstellingen voor natuur. In het kader van het ontwerp van het Omgevingsprogramma is dat in hoofdlijnen reeds inzichtelijk gemaakt. Of een passende beoordeling verplicht is, hangt af of het Omgevingsprogramma kan worden beschouwd als een plan op grond van de Habitatrichtlijn. Over deze vraag is nog geen jurisprudentie. Maar vanwege het karakter van het Omgevingsprogramma, een beleidsmatig en bovendien vrijwillig document, is tot de conclusie gekomen dat een dergelijk omgevingsprogramma geen plan in de zin van de Habitatrichtlijn is en dat het gelet daarop niet verplicht is om een passende beoordeling op te stellen.
Wel zal in samenwerking met de grondeigenaren aankomende periode invulling gegeven aan het verder onderzoeken van stikstofdepositie en het verder beoordelen van mogelijke maatregelen die invloed hebben op de stikstofdepositie in relatie tot de keuzes die in het kader van de RSZ worden gemaakt.
Cultuurhistorie In het Masterplan wordt voor de ontwikkeling van Entree (al) uitgegaan van sloop- & nieuwbouw van alle bestaande kantoren. Nadat het Masterplan in 2019 is vastgesteld zijn er door de raad twee relevante moties aangenomen. Met de indiening van de motie “Cultuurhistorische panden inventariseren” en de motie “Cultuurhistorische waardenkaart” is het verzoek gedaan om een inventarisatie uit te voeren naar gebouwen in Zoetermeer met een mogelijk cultuurhistorische betekenis of waarde uit de periode van de groeikern. Dit heeft geresulteerd in het onderzoeksproject ‘Inventarisatie Post 45’ dat zich richt op het erfgoed uit de periode 1945 – 1990. Daarnaast is in 2019 een cultuurhistorische inventarisatie- en waardenstelling uitgevoerd door een extern bureau vanwege de transformatieopgave in Entree. Uit beide onderzoeken is naar voren gekomen dat een aantal gebouwen binnen Entree een cultuurhistorische waarde hebben. Het gaat daarbij concreet om de “Mammoet” (Bredewater 16) en “De Kristalkantoren” (Bredewater 2 t/m 14). Deze gebouwen komen in aanmerking voor de selectie van nieuwe gemeentelijke monumenten.
Vooruitlopend op het selectieproces van het Post 45-project, dit vanwege de planning en voortgang in de ontwikkeling van Entree, is ontwerpend onderzoek gedaan naar de (on-)mogelijkheden van het behoud van de kantoren en de gevolgen voor het aantal woningen, het parkeren, de betekenis voor de stadsstraat, centrumstraat en belangrijkste principes van Entree en de financiële gevolgen in relatie tot de gebiedsbusinesscase. Ook de eigenaar van de locatie is gevraagd naar zijn visie en de ontwikkelbaarheid van de betreffende kavels. Dit is verwerkt in een afwegingsmatrix en afgezet tegen het vigerende sloop- en vervolgens nieuwbouw scenario en bijbehorende businesscase. Het college heeft op 14 januari 2025 – het geheel overwegende – herbevestigd om voor het deelgebied Entree- West 6 en 7 uit te gaan van sloopen nieuwbouw. Dit besluit is als zodanig ook verwerkt in de stukken behorende bij het Omgevingsprogramma en ter inzage gelegd. Parallel aan het besluitvormingsproces over het Omgevingsprogramma loopt een selectieproces van de Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed (RCE) voor de aanwijzing van Rijksmonumenten. De Mammoet zal worden voorgedragen aan de Minister van Cultuur om te worden aangewezen als Rijksmonument. Het besluit hierover is echter nog niet genomen. De minister zal voorafgaande het college om advies vragen en ook de eigenaar wordt in de procedure betrokken.
Mocht uiteindelijk het besluit worden genomen om de Mammoet aan te wijzen als Rijksmonument dan zal de gemeente zicht daartoe verhouden.
6.4 ALGEHELE CONCLUSIE MER In bijlage IV is een samenvatting van het MER, met daarin een uitgebreide conclusie van de resultaten opgenomen. Om dubbellingen te voorkomen, wordt in deze paragraaf enkel de overzichtstabel opgenomen. Voor een tekstuele toelichting op deze tabel wordt verwezen naar de samenvatting van het MER. Milieueffecten In het Plan-MER is onderzoek uitgevoerd naar de milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling van Entree. Deze milieueffecten zijn zowel in het plangebied zelf in beeld gebracht als voor de gebieden daaromheen als de te verwachten milieueffecten groter zijn dan enkel het plangebied. Bij de toetsing van de Plan-MER heeft de Commissie mer geconstateerd dat eventuele milieugevolgen voor de nieuwe bewoners niet duidelijk genoeg blijken. Om die reden zijn voor de belangrijkste thema’s de gevolgen hieronder opgenomen. Ten aanzien van de milieugevolgen voor nieuwe bewoners is in het MER op alle relevante thema’s in beeld gebracht wat de gevolgen van de ontwikkeling zijn. Voor de nieuwe bewoners zijn met name de thema’s geluid, groen, overstromingsrisico en luchtkwaliteit van direct belang. Met betrekking tot geluid is geconstateerd dat sprake is van een hoog geluid belast gebied. Voor een deel van de woningen zal sprake zijn van een overschrijding van de grenswaarden van geluid.
Dit betekent dat extra maatregelen moeten worden getroffen aan de woning voor het verkrijgen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ook kan het zijn dat maatregelen zijn getroffen aan de (gezamenlijke) buitenruimte. Desondanks kan sprake zijn van meer geluidhinder dan in een rustig woongebied valt te verwachten. Entree wordt ingericht als een hoogstedelijk woon- en werkgebied. Dit betekent dat in vergelijking met andere gebieden in Zoetermeer er sprake zal van een meer versteende openbare ruimte. De realisatie van binnentuinen per blok, de versterking en uitbreiding van de Groene Kraag rondom Entree en het aanleggen van logische routes naar grotere groengebieden zorgen er wel voor dat groen altijd binnen loopafstand bereikbaar is. Delen van Entree liggen in een gebied met risico tot overstroming. Dit is een bestaand risico. Doordat de Afrikaweg hoger ligt dan het maaiveld zal deze niet overstromen. Hierdoor biedt deze weg een goede vluchtroute en blijft deze route toegankelijkheid voor hulpdiensten. Ook binnen de gebouwen is het mogelijk om hogere hoogten op te zoeken. Hierdoor is sprake van een aanvaardbaar risico. Centraal door het plangebied is de Afrikaweg gelegen en aan de zuidkant de A12. Onderzoek is gedaan naar de luchtkwaliteit in de nieuwe situatie.
Door de toename van het aantal woningen zal sprake zijn van een toename van verkeer, dat ten opzichte van de huidige situatie ook zich anders zal verdelen over de omliggende ontsluitingswegen. Dit zal leiden tot een afname van de luchtkwaliteit. Wel wordt nog steeds voldaan aan de wettelijke grenswaarden. 61
Het MER vergelijkt Het MER vergelijkt de milieueffecten de milieueffecten van de ontwikkeling van de ontwikkeling van Entree van met Entree de referentiesituatie. met de referentiesituatie. De referenDe referentiesituatietiesituatie is de huidige is desituatie huidigevan situatie het plangebied van het plangebied en de omgeving en de omgeving daarvan zonder daarvan dezonder ontwikkeling de ontwikkeling van van Entree. Dat Entree. is de Dat toekomstige is de toekomstige situatie als situatie Entreeals niet Entree doorgaat niet doorgaat maar ander maar vastgestelde ander vastgestelde ontwikkelingen ontwikkelingen wel. Per thema wel. Per zijnthema de effecten zijn deineffecten het MER inin het beeld MERgebracht. in beeld gebracht. Hiervoor is Hiervoor gebruikisgemaakt gebruik van gemaakt een vijfpuntvan een vijfpuntschaal: schaal:
MER-scoreschaal MER_scoreschaal MER_scoreschaal
Beoordeling van en en maximumalternatief Leefbaarheid en gezondheid Beoordeling vande de effecten effecten van vanhet hetminimumminimummaximumalternatief Leefbaarheid en gezondheid Gemeenteblad Gemeenteblad 2025 nr. 81458 2025 nr.2581458 februari25 2025 februari 2025
62
ONTWIKKELVISIE ENTREE
effect als zeer positief (++) wordt beoordeeld, of als negatief (-). Hieronder is per thema een beschrijving opgenomen van de belangrijkste resultaten uit de toets. In het navolgende overzicht is de score per thema weergegeven. Beoordeling van de effecten van het minimum- en maximumalternatief Verkeer en vervoer
Beoordeling van de effecten van het minimum- en maximumalternatief Verkeer en vervoer
Beoordeling van de effecten van het minimum- en maximumalternatief Bodem
Beoordeling van van het Bodem Beoordeling van de de effecten effecten van het minimumminimum-enenmaximumalternatief maximumalternatief Bodem Beoordeling van de effecten van het minimum- en maximumalternatief Bodem Beoordeling van de effecten van het minimum- en maximumalternatief Water
Beoordeling van de effecten van het minimum- en maximumalternatief Ruimtelijke kwaliteit Beoordeling van de effecten van het minimum- en maximumalternatief Water Beoordeling van de effecten van het minimum- en maximumalternatief Water Beoordeling van de effecten van het minimum- en maximumalternatief Water
Beoordeling van de effecten van het minimum- en maximumalternatief Ruimtelijke kwaliteit Beoordeling van de effecten van het minimum- en maximumalternatief Ruimtelijke kwaliteit Beoordeling van en en maximumalternatief Ruimtelijke kwaliteit Beoordeling vande de effecten effecten van vanhet hetminimumminimummaximumalternatief Ruimtelijke kwaliteit
Beoordeling van de effecten van het minimum- en maximumalternatief Ruimtelijke kwaliteit Beoordeling van de effecten van het minimum- en maximumalternatief Ruimtelijke kwaliteit
Gemeenteblad 2025 nr. 81458
25 februari 2025
6.2.1 Verkeer eneffecten vervoer Beoordeling van de van het minimum- en maximumalternatief Natuur Het thema verkeer is een belangrijk thema voor de ontwikkeling van Entree. Effecten op de verkeersstudie en –doorstroming zijn daarom zorgvuldig onderzocht. In verschillende iteraties zijn ten behoeve van het raadsbesluit Herprogrammering (d.d. 8 juli 2024) aantallen woningen en aantallen vierkante meters aan voorzieningen doorgerekend met het verkeersmodel. Het ontwerpen van het wegprofiel en inrichting van de Afrikaweg verliep parallel hieraan. De resultaten van de iteraties van het verkeersmodel leverden beperkte verschillen op wat betreft verkeersgeneratie, zelfs te gering om op relevante onderdelen onderscheidend te zijn. Dit is de basis geweest voor de keuze om een afwijkend minimumalternatief te onder6.2.1 Verkeer en vervoer zoeken voor verkeer. Voor verkeer wordt het realistische alternatief het ‘Plan Min alternatief’ genoemd. 6.2.1 Verkeer en vervoer Het maximumalternatief is onveranderd. Het thema verkeer is een belangrijk thema voor de ontwikkeling van Entree. Effecten op de verkeersstudie Het thema verkeer is een belangrijk thema voor de ontwikkeling van Entree. Effecten verkeersstudie en –doorstroming zijn daarom zorgvuldig onderzocht.
In verschillende iteraties zijnop tende behoeve van het Doorstroming wegvakken en –doorstroming zijn daarom zorgvuldig In verschillende iteraties zijn vierkante ten behoeve van aan het raadsbesluit Herprogrammering (d.d. 8 julionderzocht. 2024) aantallen woningen en aantallen meters raadsbesluit Herprogrammering (d.d. 8 juli 2024) aantallen woningen en aantallen vierkante meters aan voorzieningen doorgerekend met hetgekeken verkeersmodel. Het ontwerpen van het wegprofiel en inrichting van In deze analysedoorgerekend wordt (kwantitatief) naar deHet intensiteit/capaciteitsverhouding (I/C-verhouding) voorzieningen het verkeersmodel. ontwerpen van het het verkeersmodel wegprofiel en inrichting de Afrikaweg verliep parallel met hieraan. De resultaten van de iteraties van leverdenvan bein de spitsen van de wegvakken binnen Entree (plangebied) alsmede van een aantal andere wegenbein de Afrikaweg verliep hieraan. De resultaten van vanop het verkeersmodel leverden perkte verschillen op parallel wat betreft verkeersgeneratie, zelfsde teiteraties gering om relevante onderdelen onderperkte verschillen op is wat verkeersgeneratie, zelfsom te gering om op relevante onderdelente onderscheidend te zijn. Dit debetreft basis geweest voor de keuze een afwijkend minimumalternatief onderscheidend te verkeer. zijn.
Dit is de basis geweest de keuze om een afwijkend minimumalternatief te onderzoeken voor Voor verkeer wordt voor het ealistische alternatief het ‘Plan Min alternatief’ genoemd. zoeken voor verkeer. Voorisverkeer wordt het realistische alternatief het ‘Plan Min alternatief’ genoemd. Het maximumalternatief onveranderd. Gemeenteblad 2025 nr. 81458is onveranderd. 25 februari 2025 Het maximumalternatief Doorstroming wegvakken Doorstroming wegvakken
63
Mitigerende maatregelen Zoals uit de overzichtstabel en de conclusie uit de PlanMER blijkt, hebben beide alternatieven op de verschillende indicatoren effecten uiteenlopend van zeer negatief (- -) tot aan zeer positief (++). Voor verschillende indicatoren zijn de negatieve effecten echter na mitigatie of compensatie overigens neutraal (0). Een belangrijke algemene opmerking bij de mitigerende maatregelen is dat voor een aantal maatregelen op dit moment al duidelijk is dat deze worden toegepast. Voor andere maatregelen zal deze afweging later in het planproces plaatsvinden. Daar waar op dit moment al duidelijkheid over is, is dat nadrukkelijk hierna aangegeven. Als dat later in het planproces aan de orde kan komen, is aangegeven dat op dit op dit moment geen rekening is gehouden met invulling van deze mitigerende maatregel. Voor mitigerende maatregelen waarvan nu op voorhand al zekerheid is dat deze niet worden toegepast, is dat ook aangegeven. Toekomstige (nieuwe) beleidskeuzes kunnen daarnaast leiden tot een positieve aanpassing van de uitkomsten van de effectstudies.
Verkeer - Mitigerende maatregelen Om de doorstroming van de kruispunten te verbeteren, wordt het aanpassen van de rotonde Bredewater – Meerzichtlaan als mitigerende maatregel voorgesteld, worden aanvullende maatregelen voor de gelijkvloerse oversteken over de Afrikaweg in beeld gebracht en wordt de uitvoering van het ambitiescenario voor het parkeren als mitigerende maatregel voorgesteld. Na het nemen van deze maatregelen worden beide alternatieven als neutraal beoordeeld (0) voor doorstroming kruispunten, verkeersveiligheid en parkeren. Toepassing van de mitigerende maatregel Het aanpassen van de maatregel aanpassen rotonde Bredewater – Meerzichtlaan is opgenomen in het schetsontwerp van de openbare ruimte. Deze mitigerende maatregel zal derhalve worden uitgevoerd. Bij de verdere uitwerking naar van schetsontwerp naar voorlopig ontwerp worden de aanbevelingen uit de verkeersveiligheidsaudits, mede ten behoeve van de oversteken Afrikaweg, overgenomen. Een deel van deze maatregel (afname van verkeer) is echter afhankelijk van mobiliteitskeuzes die op een groter schaalniveau genomen worden van Entree. Er is derhalve op dit moment geen rekening gehouden met invulling van deze mitigerende maatregel.
Ten aanzien van de maatregel ‘uitvoering van het ambitiescenario parkeren’ geldt dat het toepassen en uitvoeren daarvan facultatief is, maar dat de verwachting is dat de grondeigenaren hier gebruik van zullen maken. Er is dus een gerede kans dat het effect uiteindelijk neutraal (0) zal zijn. Leefbaarheid/gezondheid Geluid - Mitigerende maatregelen Bij de uitwerking van de plandelen zal nadrukkelijk rekening gehouden moeten worden gehouden met het geluid van de verschillende bronsoorten (wegverkeer, railverkeer, bedrijvigheid). Vanuit de maatregelvarianten 64
ONTWIKKELVISIE ENTREE
zijn diverse maatregelen denkbaar die de waarde van geluid verminderen (verlagen snelheid, geluidsscherm, luifel of tunnel). Toepassing van de mitigerende maatregelen Op dit moment is er in de periode tot 2040 niet de verwachting dat deze maatregelen zullen worden toegepast. Wel zal de gemeente, ook gelet op de doelstellingen in de Ruimtelijke Strategie Zoetermeer voor de langere termijn, in overleg treden met Rijkswaterstaat om te onderzoeken of bron- of overdrachtsmaatregelen (met een planhorizon van na 2040) mogelijk zijn. Er is derhalve op dit moment geen rekening gehouden met invulling van deze mitigerende maatregel. Luchtkwaliteit - Mitigerende maatregelen De negatieve effecten op de indicator NO2 worden met name veroorzaakt door grote NO2- emissies: verkeersbewegingen, sfeerverwarming en overige bronnen zoals roken en bijvoorbeeld brommergebruik. De belangrijkste mitigerende maatregelen is het instellen van een milieuzone binnen de woonwijk (diverse vormen denkbaar). Na het nemen van deze maatregel worden beide alternatieven als neutraal beoordeeld (0) voor NO2. Toepassing van de mitigerende maatregel Het instellen van een milieuzone binnen Entree is niet aan de orde. Er is derhalve geen rekening gehouden met invulling van deze mitigerende maatregelen.
Omgevingsveiligheid - Mitigerende maatregelen Bij de uitwerking van het ontwerp zijn verschillende mogelijkheden om de omgevingsveiligheid te optimaliseren. De meest effectieve maatregel voor omgevingsveiligheid is het afstand houden van risicobronnen in de omgeving van het plangebied. Voor het plangebied betekent dit het beperken van hoge concentraties bebouwing (en daarmee personen) direct langs de A12. Een effectieve maatregel in geval van een toxisch scenario is het uitvoeren van bebouwing met een (centraal) afschakelbare ventilatievoorziening. Het is hierbij belangrijk dat bewoners en beheerders van het gebouw op de hoogte zijn van deze voorziening en weten hoe ze deze correct moeten gebruiken. Het is aan te raden om instructies (handelingsperspectief) bij een incident met gevaarlijke stoffen aan de gebouwen toe te voegen. De Veiligheidsregio Haaglanden heeft ook aangegeven dat het wenselijk is om te oefenen met dergelijke scenario’s, bijvoorbeeld binnen de bedrijfshulpverlening. Onder de Omgevingswet kunnen verschillende veiligheidsmaatregelen worden getroffen binnen aandachtsgebieden, waaronder het aanwijzen van voorschriftengebieden met aanvullende bouweisen via het omgevingsplan. Voor zeer kwetsbare gebouwen, waar mensen aanwezig zijn die zichzelf niet tijdig in veiligheid kunnen brengen, gelden echter strikte maatregelen.
Dit omvat extra eisen aan brandwerendheid en brandklasse, die van toepassing zijn op nieuwbouw. Na het nemen van deze maatregelen worden beide alternatieven als neutraal beoordeeld (0) voor plaatsgebonden risico en groepsrisico.
Voor aandachtsgebieden verandert de beoordeling van negatief (-) naar neutraal (0) voor het minimumalternatief. Voor het maximumalternatief is dit een verandering van zeer negatief (- -) naar negatief (-). Toepassing van de mitigerende maatregelen Het beperken van hoge concentraties gebouwen langs de A12 is een maatregel die ten gunste kan staan van het aspect omgevingsveiligheid, maar niet in verhouding staat tot de ambities en doelstellingen (op hoofdlijnen het realiseren van tussen de 6.250 en 7.250 woningen met voorzieningen in een stedelijk woonmilieu) die de gemeente Zoetermeer met Entree heeft vastgesteld. Er is derhalve geen rekening gehouden met invulling van deze mitigerende maatregel. De maatregel afschakelbare ventilatievoorziening is een potentieel te realiseren maatregel en onderdeel van de verdere uitwerking en ontwerpen van de gebouwen. In het ontwerpproces zal hier aandacht voor worden gevraagd. Vanzelfsprekend worden de extra eisen gevolgd bij zeer kwetsbare gebouwen omdat dit een wettelijke verplichting is. Extra maatregelen in aandachtsgebieden zijn wettelijk niet verplicht. Er is derhalve geen rekening gehouden met invulling van deze mitigerende maatregel.
Trillingen - Mitigerende maatregel Om trillingseffecten te voorkomen zijn verschillende maatregelen te nemen zoals het realiseren van een zo vlak mogelijke wegopbouw, toepassing van asfalt in plaats van klinkers, minimaliseren van drempels, zwaarder geconstrueerde gebouwen op korte afstand van de erfontsluitingswegen, het vermijden van putten in de rijlijnen en het eventueel verzwaren van de fundering of het toepassen van stijvere bouwmethode. Zware en dure trillingsmaatregelen zijn in het hele plangebied onnodig. Toepassing van de mitigerende maatregel De maatregelen die voorgesteld worden zijn voor een groot deel onderdeel van de uitwerking van de openbare ruimte en zullen bij de verdere uitwerking van het ontwerp van de openbare ruimte worden betrokken. Er is derhalve op dit moment geen rekening gehouden met invulling van deze mitigerende maatregel. Mitigerende maatregel Windklimaat Ondanks het feit dat het windklimaat op de meeste plekken gunstig is, is er een aantal locaties waar een optimalisatie gewenst zou kunnen zijn: • Het windklimaat op het dek aan de oostzijde van het zuidwestelijke bouwblok plangebied (matig voor doorlopen in de geplande situatie) kan verbeterd worden door het plaatsen van een scherm aan de rand van het dek. • Door aan de westkant van het Poortgebouw windremmende maatregelen te nemen kan mogelijk ook hier het beperkt risico worden voorkomen.
• Het windklimaat bij de zuidoostelijk beëindiging van het plangebied kan verbeterd worden door het plaatsen van groen in het gebied met een matig windklimaat. Als er belangrijke looproutes door dit
•
gebied komen te lopen wordt geadviseerd deze zo mogelijk buiten het gebied met een matig windklimaat te houden of deze te voorzien van een afscherming in de vorm van bijvoorbeeld groenblijvende begroeiing. Binnen het plangebied zou lokaal een verdere verbetering van het windklimaat mogelijk zijn door het plaatsen van begroeiing, maar dat zou alleen nodig zijn op plekken waar er windgevoelige functies (entrees, winkels) gerealiseerd worden op plekken waar het windklimaat matig is voor slenteren.
Door het nemen van maatregelen ter voorkoming van het beperkt risico op windgevaar, kan de beoordeling op dat aspect worden verbeterd naar neutraal (0). Toepassing van de mitigerende maatregel De mogelijke maatregelen die kunnen leiden tot een neutraal effect, zijn onderdeel van nadere uitwerking van het ontwerp van de gebouwen Op het abstractieniveau van het Omgevingsprogramma zijn deze maatregelen te gedetailleerd en is op pandniveau niet onderzocht wat de effecten zijn. Daarom wordt in het omgevingsprogramma een beleidsregel opgenomen die stelt dat windhinderonderzoek verplicht moet worden uitgevoerd bij gebouwen hoger dan 30 meter. Op grond van die meer gedetailleerde onderzoeken kan beter worden bepaald of een mitigerende maatregel nodig is, en welke de beste resultaten opleveren. Er is derhalve op dit moment geen rekening gehouden met invulling van deze mitigerende maatregel. Bezonning - Mitigerende maatregel Het verbeteren van de bezonning van de omgeving is mogelijk door het verkleinen van de geplande bouwvolumes. Door deze verkleining kan de beoordeling voor bezonning van de omgeving verbeteren naar neutraal (0). Voor de geplande woningen kunnen de resultaten van het onderzoek gebruikt worden voor de planning van de locatie van woningen binnen het plan of de locatie van woonkamers binnen de woning.
Bij een goed ontwerp is het daarbij mogelijk om op vrijwel alle woninggevels van de nieuwbouw een voldoende bezonning te realiseren. Door deze verkleining kan de beoordeling voor bezonning plan verbeteren naar zeer positief (++). Toepassing van de mitigerende maatregel Het verkleinen van de bouwvolumes is een maatregel die niet realistisch is, gezien de ambities in aantallen woningen (en de opgave binnen Zoetermeer om woningen te realiseren) die binnen Entree gerealiseerd kunnen worden. Zouden de bouwvolumes worden verkleind, dan kan dit leiden tot minder woningen, kleinere woningen, minder ruimte voor voorzieningen en kan de businesscase onder druk komen te staan. Deze maatregel zal dan ook niet worden getroffen. Daarbij is ook in overweging genomen dat het aantal woningen dat als gevolg van Entree onder de lichte TNO norm qua bezonning scoort, beperkt is. De resultaten van het bezonningsonderzoek zullen gebruikt worden bij de verdere uitwerking van de plannen. In het kader van het Omgevingsprogramma Entree is het nog niet mogelijk aan te geven of en hoe de woningen/ plattegronden daarvan eruit komen te zien. Er is derhalve 65
op dit moment geen rekening gehouden met invulling van deze mitigerende maatregel. Gezondheidsbevordering - Mitigerende maatregel Reducerende maatregelen om hinder tijdens de aanlegfase te beperken kunnen zijn: • Goede routering aan- en afvoer van grond, bouwmaterialen langs routes met zo min mogelijk geluidsgevoelige bestemmingen. • Goede inrichting en beheer van laad- en losvoorzieningen. • Veilige tijdelijke verkeersmaatregelen. • De regulering van toegankelijkheid van de bouwterreinen. • De regulering van de tijdstippen van aan- en afvoer en bouwwerkzaamheden. Het nemen van deze maatregelen zou er toe kunnen leiden dat er minder overlast optreedt tijdens de aanleg van Entree. Tegelijkertijd is het volledig wegnemen van hinder tijdens de aanleg niet realistisch. Daarom blijft de effectbeoordeling gelijk (0). Hinder van licht kan vaak worden voorkomen door een juiste plaatsing en adequate afscherming van armaturen. Bij het ontwerpen van de gebouwen en de openbare ruimte zal daar aandacht aan moeten worden besteed. Ongeacht de mate van aandacht voor verlichting in het ontwerp blijft sprake van een toename van licht, en daarmee mogelijk hinder, ten opzichte van de huidige situatie. De effectbeoordeling blijft dan ook gelijk.
Toepassing van de mitigerende maatregel Wat betreft hinder tijdens de aanlegfase zal gebruik worden gemaakt van BLVC (bereikbaarheid, leefbaarheid, veiligheid en communicatie) plannen. In zo’n plan staat beschreven hoe de overlast op de omgeving kan worden beperkt en wie het aanspreekpunt bij eventuele overlast is. Hierbij zal worden gestreefd naar het zo goed als mogelijk voorkomen van overlast, desondanks kan enige mate van hinder niet voorkomen worden. Er is derhalve op dit moment geen rekening gehouden met invulling van deze mitigerende maatregel. Ook wat betreft hinder van licht geldt dat dit onderdeel zal zijn van de verdere uitwerking van de openbare ruimte en gebouwontwerpen. Waar mogelijk zal invulling aan deze maatregel worden gegeven. Er is derhalve op dit moment geen rekening gehouden met invulling van deze mitigerende maatregel. Water - Mitigerende maatregel Ten aanzien van waterkwantiteit en waterkwaliteit is het van belang dat in overeenstemming met het beleid en de eisen van het hoogheemraadschap en de gemeente, er maatregelen worden getroffen om zowel de waterkwantiteit als de waterkwaliteit van het oppervlaktewater aan de westzijde te verbeteren. Denk hierbij aan het voorzien van extra oppervlaktewater dan nu is voorzien, en dat minstens een van de lange duikers die de Afrikaweg kruist, vervangen wordt door oppervlaktewater en kortere duikers.
In de Ontwikkelvisie 66
ONTWIKKELVISIE ENTREE
Entree zijn geen uitspraken gedaan over het beperken van negatieve effecten op grondwaterstanden als gevolg van de ontwikkeling. Door aan te geven hoe de ontwikkeling omgaat met grondwater, met name hoe negatieve effecten op grondwaterstanden beperkt worden en/of voorkomen worden, en hoe mogelijke grondwateroverlast in het gebied beperkt wordt en/of voorkomen wordt, is de verwachting dat de effectbeoordeling verbeterd. Na het nemen van deze maatregelen worden beide alternatieven als positief beoordeeld (+) voor indicatoren waterkwaliteit en waterkwantiteit. Toepassing van de mitigerende maatregel De negatieve beoordeling van grondwater is enkel aan het westelijke gedeelte van het plangebied. Het oostelijke deel scoort daar wel positief (+). Een eventuele mitigerende maatregel zou dan enkel voor het westelijke deel nodig zijn. Het realiseren van extra oppervlakte water en het vervangen van minstens één van de lange duikers door oppervlakte water en kortere duikers, is een aspect dat in de verdere uitwerking van het plan c.q. ontwerp openbare ruimte onderzocht kan worden. In overleg met Rijnland zijn een aantal van deze maatregelen ook ingepast in het uiteindelijk ontwerp. Na realisatie hiervan is een neutraal effect redelijkerwijs te verwachten.
Ruimtelijke kwaliteit - Mitigerende maatregel Op de onderwerpen Stedelijk Landschap en Archeologie zijn mitigerende en/ of compenserende maatregelen niet aan de orde. Immers, op Stedelijk Landschap is het effect van Entree zeer positief (++) beoordeeld en bij Archeologie is het effect neutraal (0). Op de indicator Cultuurhistorie is het effect van Entree voor beide alternatieven zeer negatief (- -) door o.a. de sloop van de cultuurhistorisch waardevolle panden Bredewater 4-14 en Bredewater 16. De gemeente Zoetermeer ziet hiervoor geen realistische mitigerende maatregelen, aangezien het planvoornemen uitgaat van sloopnieuwbouw op deze plek. Soortenbescherming - Mitigerende maatregel Voor soorten zijn wettelijk verplichte maatregelen aangedragen per soort. Dit kunnen maatregelen zijn die invloed hebben op de fasering van de werkzaamheden of bijvoorbeeld het plaatsen van vleermuiskasten. Na het nemen van deze maatregelen worden beide alternatieven als neutraal (0) beoordeeld. Toepassing van de mitigerende maatregel Voor zover de maatregelen wettelijk verplicht zijn, worden deze vanzelfsprekend opgevolgd. Met betrekking tot vleermuizen, wordt in het kader van de benodigde vergunningentrajecten in beeld gebracht welke mitigerende maatregelen worden getroffen. Dit gebeurt voordat met de werkzaamheden kan worden begonnen.
Eventuele maatregelen kunnen vleermuiskasten zijn, maar ook een tijdelijke vliegroute of een robuuste vliegroute(s) in de directe omgeving van de oorspronkelijke vliegroute teruggeplaatst worden.
Stikstofdepositie - Mitigerende maatregel Er zijn vele mitigerende maatregelen denkbaar, maar de belangrijkste het instellen van een milieuzone binnen de woonwijk, aangezien verkeer de grootste bron van NOX-emissies is. Grote reducties zijn mogelijk indien geen verbrandingsmotoren worden toegestaan. Met minder vergaande maatregelen is ook nog een behoorlijke reductie haalbaar, bijvoorbeeld minimaal EURO- 6 voertuigen. Voor emissieloze scenario’s geldt dat de beoordeling dan zeer waarschijnlijk neutraal zou worden. Borging van een milieuzone kan via bepalingen in het omgevingsplan en een verkeersbesluit. Handhaving kan via een camerasysteem of BOA’s. Na het nemen van maatregelen worden beide alternatieven als neutraal (0) beoordeeld. In de aanlegfase is - afhankelijk van het bouwtempo geen sprake van een toename van stikstofdepositie. Om die reden zijn er geen wettelijk verplichte mitigerende of compenserende maatregelen van toepassing. Toepassing van de mitigerende maatregel Uit het stikstofonderzoek bij de Ruimtelijke Strategie Zoetermeer blijkt dat met het nemen van mobiliteitsmaatregen geen sprake is van stikstofdepositie. De beoordeling van stikstof vindt plaats op project-niveau. Er is derhalve op dit moment geen rekening gehouden met invulling van deze mitigerende maatregel.