CConstaterende datZoetermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Omgevingsprogramma Entree

Raadsvergadering 14 juli 2025, gemeente ZoetermeerBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling kaderstellende beleidsdocumenten ten behoeve van Omgevingsprogramma Entree40.806 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

44

ONTWIKKELVISIE ENTREE

4.

5.

6.

7.

8.

9.

Deze blokken verschillen in vorm en grootte, maar vertonen een gelijke diversiteit in de samenstelling van panden. De panden in de stedelijke blokken variëren bijvoorbeeld in hoogte, korrelen architecturale uitstraling, zonder dat het contrast wordt opgevoerd. Dit draagt niet alleen bij aan een menselijke maat, maar geeft de wijk ook een unieke uitstraling. Een goede stad op ooghoogte: De Zoetermeerse laag is bepalend voor de menselijke schaal en maat, zowel van de bebouwing als van de openbare ruimte. De stedelijke laag (sokkel) wordt ontworpen in relatie tot de straat, waarbij de interactie tussen binnen en buiten ende schaalverkleining in de gevel een leidende rol spelen op ooghoogte. Bijzondere entrees, openingen en poorten: De openingen in de gevelwanden worden vormgegeven als bijzondere entrees, stegen, poorten of paden, die duidelijk markeren dat je een informeel binnengebied betreedt. Deze entrees zijn opvallende en beeldbepalende elementen in Entree en verbinden het interieur met het exterieur, zowel op de schaal van het stedelijk blok als van het individuele pand. Ze zorgen voor levendigheid en interactie en nodigen bewoners, ondernemers en bezoekers uit. Langs de dwarsstraten bevinden zich voordeuren.

Groene, collectieve en toegankelijke binnentuinen: De binnentuinen van de stedelijek blokken zijn groene, collectieve ruimtes die uitnodigen tot ontmoeting en spel voor de direct omwonenden. Deze binnenhoven zijn overdag openbaar toegankelijk en maken deel uit van een netwerk van straten, pleinen en parken, wat leidt tot de ontwikkeling van een secundair, informeel routenetwerk: de binnentuinenroute. De openingen in de gevelwanden - vormgegeven als poort, steeg of pad - markeren duidelijk de overgang naar deze informele binnenruimtes, die als een verbindende schakel fungeren tussen de openbare ruimte en de beslotenheid van de tuinen. Natuurinclusief en onderdeel van het stedelijk ecosysteem: In Entree Midden wordt natuurinclusief gebouwd. Elke ruimte– van dak en gevel tot de collectieve binnentuin – draagt zoveel mogelijk bij aan de biodiversiteit en de beleving van stadsnatuur. Samen creëren deze ruimtes een goed functionerend ecosysteem, bestaande uit verschillende biotopen en habitats, die niet alleen gunstig zijn voor planten en dieren, maar ook voor het leefklimaat van de mens. Een multifunctioneel dakenlandschap: Entree beschikt over een multifunctioneel, divers en zorgvuldig vormgegeven daklandschap, waarbij bijzondere aandacht uitgaat naar daken die in het zicht zijn. Er wordt zoveel mogelijk ingezet op principes als ‘de vijfde gevel’ en‘bruikbare buitenruimte’.

Het daklandschap is niet alleen een ontmoetingsplek voor mensen, maar ook een plek waar planten en dieren zich kunnen vestigen, waar water kan worden opgevangen, en waar energie of warmte kan worden opgewekt. Hoogwaardig vormgegeven panden: De gebouwen in Entree Midden hebben een heldere en functionele hoofdvorm, staan met de voeten op de grond en stralen een zekere robuustheid en stevigheid uit.

10. Panden hebben één hoofdmateriaal en hoofdkleur: Het stedelijk blok bestaand uit panden met een familie van kleuren (variaties van dezelfde kleur in verschillende tinten). Elk pand binnen het blok wordt gekenmerkt door één hoofdmateriaal en een bijbehorende hoofdkleur. De continuïteit in materialisatie en kleurgebruik draagt bij aaneen samenhangende en harmonieuze uitstraling van de stedelijke blokken. 11. Panden hebben een herkenbare plastiek: Er wordt gestreefd naar panden met hoogwaardige materialen die zich onderscheiden door plasticiteit, tactiliteiten zorgvuldige detaillering. In Entree Midden zijn de panden niet overdreven sculpturaal of spectaculair vormgegeven, maar wordt de eenvoud van de hoofdvorm versterkt door de nadruk op materialiteit en detaillering. De sokkel, en vooral de plint, wordt beschouwd als het meest cruciale onderdeel van het pand. 12. Speciale panden verrassen: Elk stedelijk blok verrast in de vorm van een bijzondere entree, poort of steeg, of een bijzonder gebouw dat net contrasteert, qua maat, qua hoogte of qua materiaal. De verrassing kan ook liggen in een gebouw met vernieuwende typologieën en bijzondere collectieve ruimtes die niet alleen functioneel, maar ook sociaal en ecologisch verantwoorde experimenten zijn. Deze elementen van ‘verwondering’ bieden oriëntatie en leesbaarheid. 13.

Balkon, erker, loggia en dakbeëindiging integraal mee ontwerpen: Individuele, gebouw gebonden buitenruimtes ondersteunende geleding en verschijningsvorm van gebouwen en het bijbehorend materiaalconcept. De buitenruimtes, zowel verglaasd als open, zijn ondergeschikt aan, of versterken de compositie in de gevel. 14. Panden worden locatiespecifiek ontworpen: Verschillende locatie-specifieke kenmerken in en rondom Entree Midden zijn van invloed op het ontwerp van de panden. Deze kenmerken worden integraal en in een vroeg ontwerpstadium meegenomen. 15. Reclame is ondergeschikt aan de architectuur en de omgeving: Gevelreclame op gebouwen dient representatief, hoogwaardig en terughoudend te zijn in vormgeving. 16. Parkeerpanden: Waar noodzakelijk worden (tijdelijke) parkeerpanden gerealiseerd in Entree. De parkeerpanden voegen zich in de stedelijke laag van Entree. Ze krijgen een volwaardige gevel en bij voorkeur een levendige plint, die bijdragen aan de activatie van de openbare ruimte. 17. Zorgvuldige inpassing van bestaande gebouwen: Bestaande gebouwen worden zorgvuldig ingepast, waarbij bij transformaties nadrukkelijk aansluiting wordt gezocht bij de karakteristieken van het gebouw. Er wordt gestreefd naar een balans tussen architectuurhistorische waarden ende impact van ingrepen.

Historische gebouwen kunnen een nieuwe functie krijgen in een eigentijdse omgeving zonder verlies van (erfgoed)waarde, mits de transformatie zorgvuldig wordt uitgevoerd. Zo biedt bestaand erfgoed de kans om een historische laag te behouden binnen een overwegend nieuw te bouwen wijk.

18. Buitenruimte nodigt uit tot gebruik: Omdat er veel mensen gebruik van maken vraagt een hoogstedelijke wijk als Entree om een hoge kwaliteit van de openbare ruimte. Daarnaast is de ambitie om zoveel mensen op een gezonde manier in de openbare ruimte te laten bewegen leidend voor een inrichting die daar ook toe uitdaagt, waar ruimte is voor persoonlijke ontplooiing, ontmoeting en beweging. Dit leidt tot de opgave van het maken van: • Een robuust raamwerk dat de noodzakelijke verbinding maakt met structuren op stadniveau, zowel op het gebied van een netwerk voor voetgangers, fietsers, maar ook op het gebied van groen en water; • Waar voorlopig de doorstroming van de auto wordt gewaarborgd, welke in de loop van de tijd kan transformeren naar meer verblijven; • Een duurzame en stijlvolle openbare ruimte; • Een inrichting die functioneel en ruimtelijk is afgestemd opeen hoogstedelijk gebied; • Een openbare ruimte die klimaatbestendig en natuurinclusief wordt aangelegd, met voldoende ruimte voor ecologische verbindingen.

45

6 PLANMER 6.1 WAAROM EEN MER Bij bepaalde plannen en/of besluiten met mogelijke grote milieugevolgen is op grond van de Omgevingswet verplicht om informatie te verzamelen over de als gevolg van de activiteit optredende milieugevolgen. Dit vindt plaats met een mer-procedure. Of dit nodig is, is mede afhankelijk van de aard en omvang van de activiteit en het soort besluit. De ontwikkeling van Entree valt onder categorie J11 ‘Stedelijk ontwikkelingsproject’ uit de bijlage bij het Omgevingsbesluit. Daarbij is er geen directe mer-plicht (kolom 2), maar wel een mer-beoordelingsplicht (kolom 3) bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. In zijn algemeenheid geldt een MER-plicht voor plannen of programma’s als die kaderstellend zijn voor MERplichtige of MER-beoordelingsplichtige projecten. Het Omgevingsprogramma Entree stelt kaders voor de verdere ontwikkeling en latere uitwerking via buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Een MER- plicht is daarom aan de orde. Van de uitzondering voor kleine gebieden op lokaal niveau en kleine wijzigingen wordt geen gebruik gemaakt. Eerder heeft de commissie mer een voorlopig toetsingsadvies uitgebracht op het Plan-MER dat als bijlage bij het ontwerp-bestemmingsplan was opgenomen. Dit advies is betrokken bij het opstellen van dit Omgevingsprogramma en bijbehorende stukken.

Ook is dit advies in de Plan-MER behorend bij dit Omgevingsprogramma betrokken. In bijlage 2 van het Plan-MER (in te zien op de website Entree Zoetermeer) is een analyse opgenomen van het voorlopig toetsingsadvies en de manier waarop dit verwerkt is. Het MER maakt onderscheid tussen plangebied en studiegebied. Het plangebied is het gebied waarin de ontwikkeling (voorgenomen activiteit) plaatsvindt. Milieueffecten hoeven zich niet te beperken tot het plangebied. Effecten kunnen ook daarbuiten optreden. In het MER wordt dat studiegebied genoemd. Het MER geeft per thema aan of het gaat om effecten in het plangebied of in het studiegebied. Het MER vergelijkt de milieueffecten van de ontwikkeling van Entree met de referentiesituatie. De referentiesituatie is de huidige situatie van het plangebied en de omgeving daarvan zonder de ontwikkeling van Entree. Dat is de toekomstige situatie als Entree niet doorgaat maar ander vastgestelde ontwikkelingen wel. Per thema zijn de effecten in het MER in beeld gebracht. Hiervoor is gebruik gemaakt van een vijfpuntschaal:

46

ONTWIKKELVISIE ENTREE

6.2 CONCLUSIES PER THEMA Een overzicht van de beoordeling van de effecten minimum- en maximumalternatief is in het Plan-MER opgenomen in Tabel 4, zie paragraaf 4.2. Per thema zijn die hier navolgend uitgewerkt. In paragraaf 6.4 Algehele conclusie MER is een overzichtstabel opgenomen waarin per thema is aangegeven hoe deze in het MER is beoordeeld. 6.2.1 Verkeer en vervoer Het thema verkeer is een belangrijk thema voor de ontwikkeling van Entree. Effecten op de verkeersstudie en –doorstroming zijn daarom zorgvuldig onderzocht. In verschillende iteraties zijn ten behoeve van het raadsbesluit Herprogrammering (d.d. 8 juli 2024) aantallen woningen en aantallen vierkante meters aan voorzieningen doorgerekend met het verkeersmodel. Het ontwerpen van het wegprofiel en inrichting van de Afrikaweg verliep parallel hieraan. De resultaten van de iteraties van het verkeersmodel leverden beperkte verschillen op wat betreft verkeersgeneratie, zelfs te gering om op relevante onderdelen onderscheidend te zijn. Dit is de basis geweest voor de keuze om een afwijkend minimumalternatief te onderzoeken voor verkeer. Voor verkeer wordt het realistische alternatief het ‘Plan Min alternatief’ genoemd. Het maximumalternatief is onveranderd.

Doorstroming wegvakken In deze analyse wordt (kwantitatief) gekeken naar de intensiteit/capaciteitsverhouding (I/C-verhouding) in de spitsen van de wegvakken binnen Entree (plangebied) alsmede van een aantal andere wegen in Zoetermeer (samen het studiegebied). Concreet is in deze analyse gekeken naar de I/C-verhouding op de A12, op de hoofdstructuur, op Entree en op omliggende wijken. Beide alternatieven worden qua doorstroming van de verkeersvakken als neutraal (0, geen verandering van klasse I/C-verhouding) beoordeeld. Doorstroming kruispunten Van alle afslagbewegingen in het VISSIM-netwerk zijn gemiddelde voertuigverliesuren (VVU) bepaald in de twee-uurs ochtend- en avondspitssimulaties. De VVU’s zijn het product van de gemiddelde verliestijden per traject (in seconden) en het aantal voertuigen dat dit traject heeft gereden, gedeeld door 3600 seconden. De sommatie van de VVU van alle trajecten geeft het totaal aantal VVU in het gehele netwerk gedurende de 2-uurs spitsperiodes. In de resultaten wordt onderscheid gemaakt in motorvoertuigen (personen- en vrachtauto’s), bussen, fietsers en voetgangers. De doorstroming van de individuele kruispunten laten zien dat door de plansituaties de doorstroming bij de aansluiting A12 erop vooruitgaat. In de ochtendspits neemt de verkeersdruk op de rotonde Bredewater-Meerzichtlaan wel toe.

Verder wordt door de komst van Entree een toename van de voertuigverliesuren

(VVU) verwacht door introductie van een meer stedelijk omgeving met de twee gelijkvloerse oversteken. Om deze reden wordt het aspect ‘doorstroming kruispunten’ als ‘negatief’ beoordeeld. Om de doorstroming te verbeteren is daarom gekeken om de fietsoversteek weg te halen en de fietsoversteken verder terug te leggen, zodat ook ruimte komt om een by-pass vanaf het Bredewater in te passen. Fietsers en voetgangers houden voorrang. Door het terugleggen blijft de verkeersveiligheid gewaarborgd, omdat maar rijstrook hoeft te worden overgestoken (voorbeeld Schiedam Nieuwlandplein). De maatregel heeft een groot positief effect op de doorstroming en een positief effect op de doorstroming van het netwerk. De totale beoordeling van de doorstroming van de kruispunten kan dankzij deze maatregel worden veranderd van negatief naar neutraal. Kwaliteit openbaar vervoer In de huidige situatie rijden bussen over een vrije busstrook met hoge prioriteit bij kruispunten. In het ontwerp voor de aangepaste Afrikaweg worden deze busstroken vervangen door aparte busbanen, waarbij de bussen ook bij verkeerslichten hoge prioriteit behouden. De drie haltes op de Afrikaweg worden vervangen door één centrale halte nabij de noordelijke oversteek, wat gunstig is voor regiolijnen, aangezien er minder haltes zijn die qua loopafstanden overlappen.

Hierdoor verbetert de concurrentiepositie van het openbaar vervoer (OV) ten opzichte van de auto, wat leidt tot een hoger gebruik van het OV in Zoetermeer, hoewel sommige passagiers verder moeten lopen. De langere loopafstanden worden goed gemaakt door betere toegankelijkheid naar de haltes aan de Afrikaweg. De hogere snelheden voor het busverkeer en flankerende maatregelen (bijv. ambitiescenario parkeren) zorgen voor een forse groei van het OV gebruik. Per saldo wordt de kwaliteit van het openbaar vervoer in beide plansituaties als positief ten opzichte van de referentiesituatie beschouwd. Kwaliteit langzaam-verkeersverbindingen Door het aanleggen van de stadsstraat ontstaan aan beide zijden fietspaden langs de Afrikaweg. Het oostelijk fietspad wordt verlengd over de A12 naar Rokkeveen als alternatief voor de huidige route met weinig kwaliteit via de Nelson Mandelabrug (roltrap/ lift). Naast fietspaden krijgt de stadsstraat aan beide zijden brede trottoirs, waarmee een logische en nieuwe aantrekkelijke verbinding voor langzaam verkeer tussen station Zoetermeer en het centrum ontstaat. Naast de drie bestaande onderdoorgangen worden twee gelijkvloerse oversteken gerealiseerd. De maaswijdte van het netwerk voor langzaam verkeer kent daardoor een verbetering; er hoeft minder ver omgelopen of met de fiets omgereden te worden om de Afrikaweg te kruisen.

De Boerhaavelaan krijgt in plaats van aan beide zijden tweerichting fietspaden nog maar aan één zijde een fietspad. Dat geldt ook voor het Bredewater. De fietspaden worden echter wel breder, minimaal 4,00 meter waardoor de hoge fietsintensiteiten in Entree kunnen worden opgevangen. Ten opzichte van de referentiesituatie verbetert de fijnmazigheid van het netwerk voor langzaam verkeer.

Verkeersveiligheid In de beoordeling van verkeersveiligheid is de snelheid van autoverkeer in relatie tot de oversteekbaarheid op de belangrijkste wegen in Entree, namelijk de Afrikaweg, Boerhaavelaan en Bredewater, geanalyseerd. De lagere snelheden op de Afrikaweg en de parallelwegen verbeteren de verkeersveiligheid, maar de toename van oversteekbewegingen door langzaam verkeer leidt tot een negatieve beoordeling van de verkeersveiligheid als geheel. Voor het oversteken van de Afrikaweg is bij een verlaging van de intensiteit van het verkeer oversteken in 1x voor voetgangers in de spits mogelijk. Dit is als mitigerende maatregel beschreven. Kwaliteit parkeren Voor de kwaliteit van het parkeren is gekeken naar de bereikbaarheid en functioneren van parkeren alsmede de omvang van parkeren. Zowel in de referentiesituatie als beide plansituaties geldt dat het parkeren wordt opgelost op de eigen ontwikkelkavel. Beide plansituaties scoren ‘neutraal’ op bereikbaarheid en functioneren van het parkeren. Qua omvang van parkeren laten eerste verkenningen van de parkeerbalans voor de Plan Min alternatief zien dat met het vigerende parkeerbeleid één-laags parkeren niet alle auto- parkeerplaatsen gemaakt kunnen worden in de voetprint van de gebouwen. Bij het maximumalternatief neemt het tekort verder toe.

Wat betreft de omvang is er sprake van een negatieve score voor de Plan Min alternatief en voor het maximumalternatief is deze op basis van expert judgement zeer negatief. Hiermee is de eindscore voor het onderdeel ’kwaliteit parkeren’ dus ook negatief tot zeer negatief. Voor Entree is daarom een specifieke “Nota maatwerk Parkeernormen en Uitvoeringsregels Entree” gemaakt, waarbij de parkeernormen meer specifiek zijn. Parkeren wordt in die mate gefaciliteerd, dat de ruimtelijke en programmatische ambitie kan worden gerealiseerd. Naast specifiek voor Entree parkeernormen, wordt maximaal ingezet op deelmobiliteit en marketing gericht op doelgroepen die in Entree gaan wonen. Daarnaast zullen aanvullende flexwerkplekken en HUB’s worden toegepast. Met deze aanvullende maatregelen moet het mogelijk zijn op het autoparkeren oplosbaar te maken binnen één laag op de bestaande kavels. Dit ambitiescenario past ook in de strategie voor de mobiliteitstransitie om verplaatsingen met de auto te vervangen door verplaatsingen met fiets, OV en te voet. Uit een quick-scan blijkt dat door het toepassen van een ambitiescenario het parkeren binnen de voetprint van de kavels worden opgelost. Hierdoor is de beoordeling neutraal na het nemen van mitigerende/ compenserende maatregelen. 6.2.2 Waarde van geluid Er is akoestisch onderzoek uitgevoerd.

Dat onderzoek heeft betrekking op de volgende aspecten: • Geluid van wegen • Geluid van spoorwegen • Geluid van bedrijvigheid Er is akoestisch onderzoek uitgevoerd. In het navolgende een samenvatting van dat onderzoek. Uit het onderzoek blijkt dat sprake is van een (deels) 47

hoog waarde van geluid situatie. Bij een groot deel van de nieuw te realiseren woningen worden de wettelijke standaardwaarden van het geluid vanwege weg- en railverkeer overschreden. Vanwege gemeentelijke wegen en de spoorwegen worden de grenswaarden wel gerespecteerd. Vanwege de A12 worden op de eerste en tweedelijns gebouwen de grenswaarden niet gerespecteerd. Woningbouw nabij de A12 vormt daarom een uitdagende ontwerpopgave. Wanneer ook rekening wordt gehouden met het gemeentelijke geluidbeleid wordt de opgave nog groter. Dan zal bijvoorbeeld ook moeten worden voorzien in geluidluwe zijden.

naar de geluidwering van de gevels. Waar nodig zal de geluidwering moeten worden verbeterd, als onderdeel van het planvoornemen. Voor het railverkeer en het geluid van het transformaterstation is de beoordeling neutraal.

Er is al voorzien in geluidbeperkende maatregelen in de vorm van bijvoorbeeld het gebruiken van een stiller wegdek en snelheidsverlaging op de Afrikaweg en enkele omliggende wegen. Maatregelen aan/bij de A12 zijn ook verkend. Uit de verkenning blijkt dat ook met de maatregelen sprake blijft van overschrijdingen van de grenswaarde vanwege de A12. Omdat er bovendien geen duidelijkheid is in hoeverre de wegbeheerder wil meewerken aan deze maatregelen en de meest effectieve maatregelen (luifel en tunnel) zeer kostbaar zijn, zijn deze maatregelen in overleg met de gemeente Zoetermeer niet verder onderzocht. De uiteindelijke afweging daarvoor ligt bij de gemeente Zoetermeer.

Verlagen snelheid Uit de verkenning blijkt dat het verlagen van de snelheid en het toepassen van een stiller wegdek, leidt tot minder geluid. Er blijft echter op zowel de eerste als de tweedelijns bebouwing sprake van een overschrijding van de grenswaarde van 60 dB. Het geluid vanwege de A12 bedraagt ten hoogste 70 dB.

Vanwege het geluid van de A12 zal naar verwachting redelijkerwijs geen gebouwontwerp kunnen worden gemaakt waarmee de grenswaarden kunnen worden gerespecteerd. Afwijking van de grenswaarden is mogelijk als sprake is van zwaarwegende belangen. Daarvan is hier sprake. De gemeente Zoetermeer heeft dit gemotiveerd in de notitie zwaarwegende belangen die op de webpagina Entree Zoetermeer is terug te vinden. Ook zal redelijkerwijs niet overal aan de beleidsvoorwaarden uit het Afwegingskader geluid Zoetermeer kunnen worden voldaan. Om toch de woningen te kunnen realiseren en gelijktijdig een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen zijn aanvullende voorwaarden opgenomen in het Geluidkader Entree. Bij de verdere uitwerking van de plannen (BOPA) zal, indien niet kan worden voldaan aan het Afwegingskader geluid Zoetermeer, in ieder geval moeten worden voldaan aan het Geluidskader Entree. Hiermee is zowel het Afwegingskader geluid Zoetermeer en het Geluidskader Entree onderdeel van het planvoornemen. De beoordeling voor het wegverkeer is negatief. Hoewel de beoordeling varieert van zeer negatief en negatief voor de nieuwe woningen geldt dit voor een deel van het plangebied. De overige delen van het plangebied vallen binnen de klassen geen effect, positief en zeer positief. Voor de bestaande woningen is sprake van geen effect.

Uit het onderzoek blijkt dat de geluidsituatie bij de bestaande woningen, op een enkele uitzondering na, niet wezenlijk wijzigt. Over het algemeen blijft de geluidsituatie gelijk of is sprake van een minimale wijziging. Alleen bij het getransformeerde pand “De Baron” (Bredewater 18) is, door het vervallen van de huidige wal langs de Afrikaweg, sprake van een wezenlijke toename van het geluid. Daar zal aanvullend onderzoek uitgevoerd moeten worden 48

ONTWIKKELVISIE ENTREE

Mitigatie en compensatie Bij de uitwerking van de plandelen zal nadrukkelijk rekening gehouden moeten worden gehouden met het geluid van de verschillende bronsoorten (wegverkeer, railverkeer, bedrijvigheid). Vanuit de maatregelalternatieven zijn diverse maatregelen denkbaar die de waarde van geluid verminderen.

Geluidsscherm Uit het onderzoek blijkt dat een geluidscherm effectief is ter plaatse van de onderste bouwlagen. Op hogere bouwlagen heeft het scherm geen effect. Er blijft op zowel de eerste als de tweedelijns bebouwing sprake van een overschrijding van de grenswaarde van 60 dB. Het geluid vanwege de A12 bedraagt ten hoogste 72 dB. Luifel Uit de verkenning blijkt dat een luifel effectief is ter plaatse van het oostelijke plandeel. Bij het westelijke deel van het plan blijft sprake van overschrijdingen als gevolg van het verkeer op de toerit naar de A12. Het geluid vanwege de A12 bedraagt ten hoogste 68 dB. Tunnel Uit de verkenning blijkt dat een tunnel effectief is ter plaatse van het oostelijke plandeel. Bij het westelijke deel van het plan blijft sprake van overschrijdingen als gevolg van het verkeer op de toerit naar de A12. Het geluid vanwege de A12 bedraagt ten hoogste 68 dB.Door deze maatregelen te nemen zal het effect verminderen, maar of dit tot een neutraal effect leid hangt af van de uiteindelijk te nemen maatregelen. Aankomende periode zal verder in overleg worden getreden met Rijkswaterstaat om te onderzoeken of bron- of overdrachtsmaatregelen (met een planhorizon van na 2040) mogelijk zijn. 6.2.3 Luchtkwaliteit Effectbeoordeling In deze paragraaf zijn stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) beoordeeld. Stikstofdioxide (NO2).

In het onderzoek is het aantal blootgestelden per concentratieklasse voor de beschouwde stof opgenomen. Om de toetspunten met elkaar te kunnen vergelijken is ervoor gekozen om voor beide alternatieven met dezelfde toetspunten te rekenen. Hierdoor moet de set toetspunten in het éne alternatief representatief zijn voor 6.250 woningen en in het andere alternatief voor 7.250 woningen. Om per

alternatief op het correcte aantal woningen uit te komen is een factor gehanteerd om van het aantal toetspunten te komen tot het aantal bestemmingen. Voor beide alternatieven geldt dat er sprake is van meer dan 5% van de blootgestelden in de klasse met een toename van meer dan 1,2 μg/m3. Hieruit volgt dat de beoordeling voor stikstofdioxide (NO2) neerkomt op zeer negatief voor beide alternatieven. Uit de effectbeoordeling blijkt dat beide alternatieven een zeer negatief behalen op de indicator NO2. Er zijn diverse bronnen die zorgen voor stikstofdioxide-emissies. De bronnen met de grootste emissies zijn: • Verkeersbewegingen vormen de grootste bron van NO2-emissies. Bij een gemiddelde grondgebonden woning wordt uitgegaan van meerdere verkeersbewegingen per dag. • Sfeerverwarming is een andere belangrijke bron van NO2-emissies. Het gaat dan onder meer om houtkachels, kaarsen, pelletkachels, olielampen, gasgestookte terrasverwarming, barbecueën en zelfs vuurwerk. Deze bronnen vatten we samen onder de term ‘sfeerverwarming’. • Er zijn diverse overige bronnen die een rol spelen bij de NO2-emissie van woonwijken. Zo ontstaat er ook emissie door roken en bijvoorbeeld brommergebruik Voor bovenstaande bronnen zijn vele maatregelen denkbaar, maar de belangrijkste maatregelen zijn het instellen van een milieuzone binnen de woonwijk (diverse vormen denkbaar).

Omdat verkeer de grootste bron van NO2-emissies is. Volgens verschillende onderzoeken zijn grote reducties mogelijk indien geen verbrandingsmotoren worden toegestaan. Met minder vergaande maatregelen is ook nog een behoorlijke reductie haalbaar (minimaal EURO-6 voertuigen). Voor beide scenario’s geldt dat de beoordeling dan zeer waarschijnlijk neutraal zou worden. Fijnstof (PM10 en PM2,5) In het onderzoek is het aantal blootgestelden per concentratieklasse voor de beschouwde stoffen opgenomen. Om de toetspunten met elkaar te kunnen vergelijken is ervoor gekozen om voor beide alternatieven met dezelfde toetspunten te rekenen. Hierdoor moet de set toetspunten in het éne alternatief representatief zijn voor 6.250 woningen en in het andere alternatief voor 7.250 woningen. Om per alternatief op het correcte aantal woningen uit te komen is een factor gehanteerd om van het aantal toetspunten te komen tot het aantal bestemmingen. Voor beide alternatieven geldt dat er sprake is van meer dan 95% van de blootgestelden in de klasse tussen de -0,4 en 0,4 μg/m3. Hieruit volgt dat de beoordeling voor stikstofdioxide (PM10 en PM2,5) neerkomt op ‘neutraal’ voor beide alternatieven. In geen van beide planalternatieven wordt voldaan aan de WHO-advieswaarden. Dit is ook logisch omdat enkel al de achtergrondconcentraties hier niet aan voldoen.

Hierin willen voldoen vraagt maatregelen op rijksniveau en is niet zozeer afhankelijk van de ontwikkeling.

6.2.4 Omgevingsveiligheid Effectbeoordeling Plaatsgevonden risico Als gevolg van de voorgenomen planontwikkeling komt er in het plangebied ruimte voor extra woningen en komen er verschillende publieksfuncties. Voor de toekomstige situatie moeten de voorgenomen planontwikkeling buiten de PR 10-6 -contour van het tankstation en de A12 blijven (respectievelijk maximaal 35 en 0 meter) en buiten de veiligheidsafstand van schietvereniging (acht meter). Net als in de referentiesituatie (waarbij is geconcludeerd dat de PR 10-6 -contouren en veiligheidsafstanden niet tot het plangebied reiken) liggen er geen (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties in de betreffende contouren van de verschillende risicobronnen. De ontwikkeling van Entree heeft geen effect (beoordeling: 0) c.q. kent geen aandachtspunten voor het plaatsgebonden risico vanuit de bestaande risicobronnen. Er worden geen nieuwe risicobronnen binnen de ontwikkeling van Entree toegevoegd. De alternatieven zijn hierin niet onderscheidend. Groepsrisico Onder huidige situatie en autonome ontwikkeling is geconcludeerd dat het invloedsgebied van de A12 binnen het plangebied is gelegen.

Van het LPG-tankstation en de overige risicobronnen reikt het invloedsgebied niet tot het plangebied en hebben de planontwikkelingen derhalve geen invloed op de hoogte van het groepsrisico.Net als in de referentiesituatie bedraagt het groepsrisico van de A12 in het minimale en maximale alternatief tussen 0,1 en 0,5 keer de oriëntatiewaarde en is daarmee neutraal (0) beoordeeld (‘Kwantitatieve risicoanalyse Rijksweg A12’ - Antea Group, november, 2024). Het groepsrisico wordt niet negatief beoordeeld vanwege nieuwe risicobronnen (met een relevant groepsrisico), maar vanwege de aanwezigheid van meer personen in het invloedsgebied. Het is vervolgens aan de gemeenteraad te bepalen in hoeverre dit extra risico toelaatbaar wordt geacht. Aandachtsgebieden In de toekomstige situatie zal het aantal woningen en andere functies in Entree toenemen. In beide alternatieven (minimaal en maximaal) zal er binnen de aandachtsgebieden van de Rijksweg A12 en het LPGtankstation sprake zijn van een toename in woningen en andere functies. Hoewel het nog onduidelijk is hoe de programmering definitief wordt ingevuld, kan wel van deze toename uitgegaan worden. Dit leidt ertoe dat de toekomstige situatie zal verslechteren ten opzichte van de huidige situatie. Op basis van deze uitgangspunten wordt het minimumalternatief beoordeeld met negatief (-) en het maximumalternatief als zeer negatief (- -).

Zelfredzaamheid en bereikbaarheid bij calamiteiten Door het beoogde programma zal de bebouwingsdichtheid en het aantal personen in het gebied toenemen, wat de verkeersdrukte kan verhogen en de bereikbaarheid voor hulpverleningsdiensten kan belemmeren. Echter, uit verkeersonderzoek in het kader van het MER Entree blijkt dat de doorstroming bijna gelijk blijft ten opzichte van de referentiesituatie. De bereikbaarheid van de Afrikaweg 49

verbetert in de alternatieven, wat cruciaal is voor snelle en effectieve hulpverlening. In de referentiesituatie was de Afrikaweg moeilijk bereikbaar door ondoordringbaar struweel en een hoogteverschil. De Veiligheidsregio Haaglanden benadrukt het belang van een omgeving die een snelle hulpverlening mogelijk maakt. De alternatieven verbeteren de bereikbaarheid voor verschillende verkeersdeelnemers, wat leidt tot een neutrale score (0), zonder onderscheid tussen de alternatieven. Bij calamiteiten is naast bereikbaarheid ook de mogelijkheid voor mensen om te vluchten van belang. De Veiligheidsregio Haaglanden heeft het belang van voldoende ontvluchtingscapaciteit benadrukt. Door verschillende ontsluitingsroutes en verbeterde bereikbaarheid van de Afrikaweg in de alternatieven, worden extra vluchtroutes toegevoegd. In tegenstelling tot de referentiesituatie, waar vluchten via het centrum moest, worden er directe verbindingen tussen oost en west mogelijk. Ook voor mindervaliden zijn er meer vluchtmogelijkheden. De Afrikaweg blijft hooggelegen, wat vluchten bij hoog water mogelijk maakt en zorgt voor blijvende ontsluiting voor hulpdiensten bij overstromingen. Gebouwen met vloeren op het niveau van de Boerhaavelaan of het Bredewater zullen minimaal twee verdiepingen hebben, zodat evacuatie naar hogere verdiepingen mogelijk is.

Dit alles leidt tot een licht positieve effectbeoordeling voor vluchtmogelijkheden (+), met geen onderscheid tussen de alternatieven. Een nieuw aandachtspunt is de aanwezigheid van moderne energiedragers zoals elektrische auto’s, waarvoor de Veiligheidsregio heeft gewezen op de risico’s in de openbare ruimte en parkeergarages. Het is aan te raden om deze risico’s expliciet in het ontwerp van toekomstige bebouwing en openbare ruimte mee te nemen. Mitigatie en compensatie Bij de uitwerking van het ontwerp zijn verschillende mogelijkheden om de veiligheid te optimaliseren. De meest effectieve maatregel voor omgevingsveiligheid is het afstand houden van risicobronnen in de omgeving van het plangebied. Voor het plangebied betekent dit het beperken van hoge concentraties bebouwing (en daarmee personen) direct langs de A12. Het beperken van hoge concentraties bebouwing langs de Afrikaweg heeft ook een positief effect, maar dit is minder significant gezien het beperkte vervoer van gevaarlijke stoffen over deze weg. De effectiviteit van maatregelen tegen het gevaar van een gifwolk hangt af van de toxiciteit van de stof en de blootstellingsduur. Blootstelling aan giftige stoffen kan optreden bij een vrijgekomen gifwolk, bijvoorbeeld door een incident met een tankwagen.

Een effectieve maatregel in geval van een toxisch scenario is het uitvoeren van bebouwing met een (centraal) afschakelbare ventilatievoorziening. Onder de Omgevingswet is het verplicht dat mechanische ventilatie bij een externe calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld. 50

ONTWIKKELVISIE ENTREE

Het is hierbij belangrijk dat bewoners en beheerders van het gebouw op de hoogte zijn van deze voorziening en weten hoe ze deze correct moeten gebruiken. Het is aan te raden om instructies (handelingsperspectief) bij een incident met gevaarlijke stoffen aan de gebouwen toe te voegen. De Veiligheidsregio Haaglanden heeft ook aangegeven dat het wenselijk is om te oefenen met dergelijke scenario’s, bijvoorbeeld binnen de bedrijfshulpverlening. Onder de Omgevingswet kunnen verschillende veiligheidsmaatregelen worden getroffen binnen aandachtsgebieden, waaronder het aanwijzen van voorschriftengebieden met aanvullende bouweisen via het omgevingsplan. Het treffen van deze maatregelen is een lokale afwegingsbevoegdheid en vereist een locatiespecifieke evaluatie. Voor zeer kwetsbare gebouwen, waar mensen aanwezig zijn die zichzelf niet tijdig in veiligheid kunnen brengen, gelden echter strikte maatregelen. Dit omvat extra eisen aan brandwerendheid en brandklasse, die van toepassing zijn op nieuwbouw. 6.2.5 Trillingen Op basis van de resultaten van dit onderzoek wordt geconcludeerd dat gebouwen met een onderwijs- of kantoorfunctie overal in het plangebied gerealiseerd kunnen worden, zonder aandacht te hoeven besteden aan trillingen van weg- of spoorverkeer.

In de meeste gebouwen kan, zonder nader onderzoek, bebouwing met een trillingsgevoelige functie (hier vooral wonen) worden gerealiseerd. Voor gebouwen met een woonfunctie binnen 14 meter van klinkerwegen, 25 meter van drempels/ plateaus of binnen 8 meter van geasfalteerde wegen geldt dat overschrijdingen van de streefwaarden voor trillingshinder niet kunnen worden uitgesloten. Hetzelfde geldt voor gebouwen in de zone direct tegen Randstadrail aan. Er is geen onderscheidend vermogen tussen de alternatieven. Op basis van de resultaten is onderstaande geadviseerd voor de verdere uitwerking van de plannen: 1. Bij de erfontsluitingswegen van de ontwikkelkavels: • Zorg voor een zo vlak mogelijke wegopbouw als de wegen op korte afstand van de bebouwing komen te liggen. Liever asfalt (of streetprint asfalt) dan klinkers, en geen drempels. Zorg bij klinkers voor een goede, stabiele ondergrond. • Zorg voor wat zwaarder geconstrueerde gebouwen op korte afstand van de erfontsluitingswegen. Denk aan gebouwen in tunnelbouw (i.h.w.g. beton) of kalkzandsteen en betonnen vloeren, of eventueel met een verzwaarde fundering (parkeerkelder, plaatfundering of palenfundering). Dit is met name nodig voor gebouwen met een bouwhoogte lager dan 25 meter, hogere gebouwen hebben vaak voldoende massa waardoor de trillingen naar verwachting niet hinderlijk zullen zijn. 2.

Voor de gebouwen op korte afstand van wegen met elementenverharding: • Zorg voor een zo stabiel mogelijke ondergrond, en vermijd putten in de rijlijnen. 3. Voor gebouwen met een woonfunctie binnen 14 meter van klinkerwegen, 25 meter van drempels/

plateaus of binnen 8 meter van geasfalteerde wegen geldt dat overschrijdingen van de streefwaarden voor trillingshinder niet kunnen worden uitgesloten. Hetzelfde geldt voor gebouwen in de zone direct tegen Randstadrail aan. Voor deze locaties adviseren wij om: • Gebouwen zo zwaar mogelijk te construeren (geen lichte houtskelet- of staalbouw). • Bij lagere gebouwen (lager dan 25 meter) nader onderzoek te doen. Hier kan het nodig zijn om het ontwerp te optimaliseren zodat de trillingen lager worden. Mogelijkheden hiervoor zijn: i. het verzwaren van de fundering, ii. het toepassen van een stijvere bouwmethode zoals tunnelbouw of iii. het verzwaren van de vloeren door deze dikker te maken of een kortere vloeroverspanning toe te passen. Zware en dure trillingsmaatregelen zijn in het hele plangebied onnodig. 6.2.6 Windklimaat Effectbeoordeling Windhinder In de geplande bebouwingssituatie is binnen en rond het plangebied op veel plaatsen sprake van een goed windklimaat. Daarbij kan opgemerkt worden dat het windklimaat aan de noord- en oostzijde van het plangebied in de geplande bebouwingssituatie significant gunstiger is als in de huidige bebouwingssituatie. Hier mag nu overal een goed windklimaat verwacht worden, zelfs voor de activiteitenklasse slenteren.

Deze verbetering is het gevolg van de afschermde werking van de nieuwbouw bij wind uit de overheersende, zuidwestelijke richting. Door de belemmering van de windafvoer verbetert het windklimaat bij het Binnenwater licht, maar er blijft hier lokaal nog wel sprake van een matig windklimaat voor doorlopen. Evenals in de huidige bebouwingssituatie is het belangrijkste aandachtsgebied gelegen aan de zuidzijde van het plangebied. Bij de oostelijke beëindiging van de bebouwing langs de A12 ontstaat door omstroming van de bebouwing een nieuw gebied met een matig windklimaat voor doorlopen. Op het dek van de bebouwing aan de zuidwestzijde is het windklimaat in de opening tussen de gebouwen en aan de zijde van de Afrikaweg matig voor doorlopen. Hierbij is aan de zijde van de Afrikaweg lokaal net sprake van een beperkt risico op windgevaar. Het gebied met een slecht windklimaat voor doorlopen naast het gebouw aan de noordzijde van de Nelson Mandelabrug wordt iets groter, waarbij er nu een zeer klein gebiedje met een beperkt risico op windgevaar wordt verwacht. Het windklimaat is hier echter niet wezenlijk anders dan in de huidige bebouwingssituatie. De gebieden waar er hogere kansen op windhinder zijn zullen per saldo kleiner worden, zeker in de gebieden waar veel mensen te verwachten zijn. De verbetering is

daarbij met name te vinden in de directe omgeving van het plangebied. Doordat ook in de huidige bebouwingssituatie het windklimaat veelal goed is, is er sprake van een beperkt positief effect op het aspect windhinder. Windgevaar Aan de zijde van de Afrikaweg is lokaal net sprake van een beperkt risico op windgevaar. Aan de noordzijde van de Nelson Mandelabrug wordt nu een zeer klein gebiedje met een beperkt risico op windgevaar wordt verwacht. Het windklimaat is hier echter niet wezenlijk anders dan in de huidige bebouwingssituatie. Hierbij kan opgemerkt worden dat een beperkt risico op windgevaar in doorloopgebieden mag worden geaccepteerd. Evenals in de huidige bebouwingssituatie is er nergens sprake van een gevaarlijk windklimaat. Door de plannen ontstaan er lokaal een tweetal kleine gebieden waar er naar verwachting sprake is van een beperkt risico op windgevaar. Doordat de gebieden lokaal en beperkt zijn en er bij één van de gebieden door eenvoudige maatregelen het windgevaarvoorkomen kan worden, is er sprake van een beperkt negatief effect op het aspectwindgevaar Mitigatie en compensatie Ondanks het feit dat het windklimaat op de meeste plekken gunstig is, zijn er een aantal locaties waar een optimalisatie gewenst zou kunnen zijn. Het betreft hier met name de doorgangen aan de zuidzijde van het plangebied.

Het windklimaat op het dek aan de oostzijde van het zuidwestelijke bouwblok plangebied (matig voor doorlopen in de geplande situatie) kan verbeterd worden door het plaatsen van een scherm aan de rand van het dek. Dit zou ook het beperkte risico op windgevaar dat hier verwacht wordt effectief mitigeren. Door de aan de westkant van het Poortgebouw windremmende maatregelen te nemenkan mogelijk ook hier het beperkt risico worden voorkomen. Bij de oostelijke beëindiging van de bebouwing langs de A12 ontstaat door omstroming van de bebouwing een nieuw gebied met een matig windklimaat voor doorlopen. Als er belangrijke looproutes door dit gebied komen te lopen wordt geadviseerd deze zo mogelijk buiten het gebied met een matig windklimaat te houden of deze te voorzien van een afscherming in de vorm van bijvoorbeeld groenblijvende begroeiing. Binnen het plangebied zou lokaal een verdere verbetering van het windklimaat mogelijk zijn door het plaatsen van begroeiing, maar dat zou alleen nodig zijn op plekken waar er windgevoelige functies (entrees, winkels) gerealiseerd worden op plekken waar het windklimaat matig is voor slenteren. Bij het toepassen van begroeiing dient er wel rekening mee gehouden te worden dat deze pas een afschermende werking heeft op het moment dat de begroeiing groot genoeg is.

Bij aanplant van jong groen kan het dus enkele jaren duren voordat er een significant effect op het windklimaat merkbaar is.

51

De bovengenoemde maatregelen hebben geen invloed op de beoordeling van het windklimaat (dat al positief was). Door het nemen van maatregelen ter voorkoming van het beperkt risico op windgevaar, kan de beoordeling op dat aspect worden verbeterd naar neutraal. 6.2.7 Bezonning Effectbeoordeling Bezonning omgeving Voor een overzicht van de bezonningsduur en afname is op verschillende toetsingsdata (21 juni, 21 augustus en 21 oktober) de bezonningsduur op de gevels gevisualiseerd op een schaal van 0 tot 8 uur en de afname van de bezonningsduur op een schaal van 0 tot 6 uur (zie bijlagen van het onderzoek naar bezonning, Bijlage 10 het MER, in te zien op de website Entree Zoetermeer). Ten westen van het plangebied geen woningen zijn die tengevolge van de geplande nieuwbouw niet meer voldoen aan de lichte TNO-norm. Ook zijner geen woningen ten westen van het plangebied die niet voldeden en verder achteruitgaan. Wel is er lokaal een significante afname van de mogelijke bezonningsduur (ca. 2.5 uur). Op deze gevels blijft echter nog steeds ca. 3 uur zon of meer mogelijk. Bij de galerijflats ten oosten van het plangebied (Dumandstraat en Stadhoudersring) zijner een aantal geveldelen die ten gevolge van de geplande bebouwing onder de tweemogelijke bezonningsuren komen, of waar in de referentiesituatie al sprake is van minder dan twee uur zon en er sprake is van een verdere achteruitgang.

De afname van de mogelijke bezonningsduur is hier lokaal ca. een uur en een kwartier. De andere zijde van deze gebouwen ontvangen ook zon, waardoor de woning als geheel wel boven de twee uur zon uitkomt. Bij een deel van de woningen betreft het mogelijk wel de zijde waar de woonkamer zit die getroffen wordt door de schaduw van de nieuwbouw. Als de TNO-norm strikt wordt toegepast voor de bezonning van de woonkamer, zouden deze woningen niet meer voldoen aan de lichte TNO- norm. Bij een beoordeling van de woning als geheel (zoals bijvoorbeeld gedaan wordt door de gemeente in het centrumgebied) voldoen de woningen nog wel aan de norm. Binnen het plangebied zijn er een aantal bestaande panden waar de bezonning op een deel van de gevels niet meer voldoet aan de lichte TNO-norm ten gevolge van de nieuwbouw. Het betreft hierbij de volgende panden (voor afbeelding wordt verwezen naar het MER, in te zien op de website Entree Zoetermeer): • een gedeelte van de gevels van De Baron (Bredewater 16-19, nu reeds in gebruik als woningen); • en gedeelte van de gevels van Boerhavelaan 1-5 (nu nog geen woningbouw); • een gedeelte van de woningen aan het Kinderen van Versteegplein; • het Golden Tulip Zoetermeer Den Haag.

52

ONTWIKKELVISIE ENTREE

Hierbij is met name bij verschillende zuidgevels de afname van de mogelijke bezonningsduur lokaal groot (ca. 6 uur).Gezien het feit dat in het merendeel van het plangebied de bezonning positief blijft maar er lokaal wel een significante invloed is en er een aantal woningen zijn die niet meer voldoen aan de lichte TNO norm, is er gemiddeld genomen sprake van een lichte achteruitgang van de bezonning (-). Bezonning plan Uit de resultaten blijkt dat het merendeel van de zuidwest- en oostgevels voldoet aan de lichte TNO-norm. De noordgevels voldoen per definitie niet aan de norm. Dit is geenprobleem als één zijdig georiënteerde, noordgerichte woningen worden voorkomen. Ook voldoen een gedeelte van de gevels van de binnenhoven niet. Dit is inherent aan het bouwen in de vorm van een carré. Er kan gesteld worden dat op het merendeel van de gevels van de nieuwbouw sprake is van een voldoende bezonning. Mitigatie en compensatie Het verbeteren van de bezonning van de omgeving is mogelijk door het verkleinen van de geplande bouwvolumes. Om alle bestaande woningen te laten voldoen, zou dat echter opeen aantal plaatsen zeer grote consequenties hebben voor de geplande bouwvolumes. Voor de geplande woningen kunnen de resultaten van het onderzoek gebruikt worden voor de planning van de locatie van woningen binnen het plan of de locatie van woonkamers binnen de woning.

Als compenserende maatregel is het mogelijk om de bewoners toegang te gevel tot centrale ruimtes met een goede bezonning. Er is geen onderscheidend vermogen tussen de alternatieven doordat de alternatieven worden gerealiseerd binnen dezelfde volumes. 6.2.8 Gezondheidsbevordering In deze paragaaf worden sociale veiligheid, gezondheid/ gezonde openbare ruimte, hinder tijdens de aanleg en lichthinder beoordeeld. Sociale veiligheid Met Entree wordt door flexibele ruimtelijke oplossingen, een slimme programmering en een hoogwaardige openbare ruimte ingespeeld op de condities om op vele manieren de sociale samenhang te stimuleren. Door rondom het stedelijk blok zoveel mogelijk functies en voordeuren op straatniveau te ontwikkelen wordt de levendigheid in het gebied vergroot, maar ook de sociale controle en daarmee de veiligheid. Het netwerk van de openbare ruimte wordt gebruikt voor ontmoeting, ruimte voor maatschappelijke voorzieningen en levendigheid van het gebied. De toevoeging van plekken om elkaar te ontmoeten en samen te zijn, bevordert daarnaast de sociale cohesie van het gebied. De binnentuinen en de informele verbindingen dragen hier in belangrijke mate aan bij. Diverse toegangen rondom maken het echter ook mogelijk om ook als bezoeker te gast de binnentuinen te bezoeken. De binnentuinen zijn afsluitbaar voor in de avond en nacht.

Hiermee wordt een sociaal onveilig gevoel voorkomen.

De initiatieven zullen zorgen voor reuring in het gebied, passend bij de kernwaarden van Entree. Door de toevoeging van woningen wordt ook de sociale veiligheid rond de bestaande tunnels verbeterd en er worden gelijkvloerse oversteken toegevoegd. Om de hierboven beschreven redenen is het criterium ‘sociale veiligheid’ als zeer positief beoordeeld voor beide alternatieven. De alternatieven zijn niet onderscheidend op deze criteria omdat de bebouwde footprint en het openbaar gebied en inrichting daarvan, hetzelfde zijn. Gezondheid/ gezonde openbare ruimte De openbare ruimte in Entree zal aanzienlijke veranderingen ondergaan om de nieuwe plannen te accom- moderen. De ruimtelijke opzet transformeert de huidige situatie door de Afrikaweg om te vormen tot een stadsstraat, wat de barrières doorbreekt en verbindingen creëert tussen verschillende delen van Entree en omliggende wijken. Een belangrijke voorwaarde om de gewenste levendigheid en diversiteit te bereiken is een hoge dichtheid van bebouwing, met veel interactie tussen bewoners, bezoekers en passanten. Een goede balans tussen stedelijkheid en groene, beschutte buitenruimtes voor ontmoeting maken Entree voor toekomstige bewoners een aangename en onderscheidende plek in de regio.

Verblijfsplekken zullen op korte afstand van woningen worden gecreëerd, en er zal een robuust groen-blauw raamwerk ontstaan dat de bestaande groenstructuren verbindt. Dit omvat de Groene Kraag, die een parkzone vormt en langzaamverkeersroutes verbindt met omliggende wijken. Het water in Entree zal bijdragen aan de ecologische waarde en de identiteit van Zoetermeer versterken. Wadistructuren en verlaagde groenstructuren zullen ook worden geïntegreerd om een positieve impact op het ecosysteem te waarborgen. Beide alternatieven voor de ontwikkeling van Entree zijn op het gebied van gezondheid en gezonde openbare ruimte zeer positief beoordeeld, omdat ze dezelfde footprint en openbaar gebied behouden. Hinder tijdens de aanleg Gedurende een lange periode zullen in verschillende fasen grote aanpassingen in het plangebied plaatsvinden. Sloop en nieuwbouw kan tot bouwhinder leiden. Met name het transport van materialen zal naar verwachting een aanzienlijk akoestisch effect op de omgeving hebben, waarbij de akoestische hinder ook verder reikt dan enkel het plangebied zelf. Ter plaatse van het plangebied kan er extra bouwlawaai ontstaan door heiwerkzaamheden, graafwerkzaamheden en allerhande ander werkmaterieel en/of apparaten die bij de bouw van o.a. woningen wordt gebruikt.

De aard en duur van de hinder kan per locatie verschillen, echter zal door de aannemer(s) getracht moeten worden de hinder voor de woonomgeving minimaal te houden, bijvoorbeeld door inzet van stil materieel of afscherming door middel van bijvoorbeeld opgestapelde containers. De mate dat hinder ondervonden wordt, is verder erg afhankelijk van situering, locatie en duur. Om deze reden is het criterium ‘mate van hinder tijdens de bouwwerkzaamheden als negatief beoordeeld voor beide alternatieven.

In het kader van deze indicator zijn de volgende mitigerende maatregelen voorstelbaar: • Goede routering aan- en afvoer van grond, bouwmaterialen langs routes met zo min mogelijk geluidsgevoelige bestemmingen. • Goede inrichting en beheer van laad- en losvoorzieningen. • Veilige tijdelijke verkeersmaatregelen. • De regulering van toegankelijkheid van de bouwterreinen. • De regulering van de tijdstippen van aan- en afvoer en bouwwerkzaamheden Het nemen van deze maatregelen zou ertoe kunnen leiden dat er minder overlast optreedt tijdens de aanleg van Entree. Tegelijkertijd is het volledig wegnemen van hinder tijdens de aanleg niet realistisch. Daarom blijft de effectbeoordeling gelijk. Wat niet wegneemt dat bij de aanleg wel zoveel als mogelijk maatregelen getroffen moeten worden om hinder zoveel mogelijk te beperken. Lichthinder In Entree zorgen vooral de plinten voor interactie met de openbare ruimte. Dit geldt voor beide zijden van de Afrikaweg, langs de Centrumstraat en aan het Stationsplein. Commerciële functies zoals detailhandel en horeca vormen ‘brandpunten’ bij de kruising AfrikawegCentrumstraat en nabij het station. Ook de openbare ruimte zelf dient voldoende verlicht te zijn vanuit de oogpunten sociale veiligheid en zichtbaarheid (veilige oversteken). Ten opzichte van de huidige situatie zal sprake zijn van meer licht.

Om deze reden is het criterium ‘mate van lichthinder’ als negatief beoordeeld (-) voor beide alternatieven. Hinder van licht kan vaak worden voorkomen door een juiste plaatsing en adequate afscherming van armaturen. Bij het ontwerpen van de gebouwen en de openbare ruimte zal daar aandacht aan moeten worden besteed. Hierbij kan in het kader gedacht worden aan • Voorkom uitstraling van licht naar boven, alleen gebruik van aan bovenzijde dichte armaturen; • Voorkom het aanlichten van panden; • Voorkom uitstraling van verlichting van gebouwen; • Voorkom het naar binnen schijnen in woningen van straatverlichting; • Gebruik functioneel licht alleen daar waar noodzakelijk; Parken zijn donker, behalve doorgaande routes voor fiets en voetganger; • Moderne (straat)verlichting is vaak led, verbruikt daardoor minder energie en is, als daarvoor gekozen wordt, dimbaar; • Kies voor warme ledverlichting 2700 kelvin of lager en laat deze niet onnodig branden. Blauw licht is schadelijk voor de aanmaak van Melatonine. Ongeacht de mate van aandacht voor verlichting in het ontwerp blijft sprake van een toename van licht, en daarmee mogelijk hinder, ten opzichte van de huidige situatie. De effectbeoordeling blijft dan ook gelijk.

53

6.2.9 Recreatieve betekenis Entree zal gaan ontwikkelen tot een levendige stadswijk, die zich kenmerkt door diversiteit, een levendige stadsstraat, aantrekkelijk groen en een aantrekkelijke openbare ruimte. De ambities zijn hoog in Entree. In de planontwikkeling van Entree is een hoogwaardige groenstructuur voorzien, met een hoge kwaliteit en diversiteit. Groen wordt niet alleen kijkgroen, maar ook groen om te beleven. Het groen wordt aantrek- kelijk en ecologisch hoogwaardig.

6.2.11 Water Waterkwantiteit oppervlaktewater westzijde In een deel van het plangebied zijn na de ontwikkeling onvoldoende maatregelen aanwezig om water te bergen en af te voeren. In het aspect Klimaatadaptatie komt naar voren dat de westzijde van het plangebied zeer gevoelig is voor wateroverlast als gevolg van water op straat en water tegen panden. Dit risico blijft dan ook aanwezig. Op basis van de bovenstaande informatie wordt een negatief effect verwacht voor beide alternatieven.

De alternatieven zijn niet onderscheidend op deze criteria omdat de bebouwde footprint en het openbaar gebied en inrichting daarvan, hetzelfde zijn.

Als de plannen worden uitgewerkt in overeenstemming met het beleid en de eisen van het hoogheemraadschap en de gemeente, en er maatregelen worden getroffen om zowel de waterkwantiteit als de waterkwaliteit van het oppervlaktewater aan de westzijde te verbeteren, dan verandert de effectbeoordeling voor deze aspecten van negatief naar positief. Dit houdt in dat aanvullende maatregelen om waterkwan- titeit en waterkwaliteit in het gebied genomen worden.

Om de hierboven beschreven redenen is het criterium ‘Recreatieve betekenis’ als positief beoordeeld voor beide alternatieven. 6.2.10 Bodem en ondergrond De effecten zijn beoordeeld op bodemopbouw, bodemkwaliteit en ondergronds gebruik. Bodemopbouw De gronden die binnen het plangebied voorkomen zijn algemeen voorkomend en hebben geen bijzondere status. De aan te leggen infrastructuur ligt veelal in de bovenste meter opgebrachte en geroerde grond. Daarnaast is door het realiseren van de huidige funderingen voor gebouwen en cunetten voor de parkeerterreinen en wegen de bodem reeds veelvuldig geroerd. Grote negatieve effecten worden daarom door de planontwikkeling niet verwacht. Beide alternatieven hebben daardoor een neutraal effect. Bodemkwaliteit De voorgenomen ontwikkelingen van woningen, lichte bedrijvigheid, voorzieningen en kantoren zijn geen bodembedreigende activiteiten. Deze functies mogen alleen worden gebouwd op daartoe geschikte gronden. In het gebied zijn nog diverse gebieden aanwezig waar nog geen bodemkwaliteitsgegevens bekend zijn. Daarnaast rust op enkele gebieden nog een saneringsopgave bij wijziging van gebruik naar meer kwetsbare functies dan de huidige functies. Hierdoor worden door de geplande ontwikkeling nog (on)bekende verontreinigingen in beeld gebracht en wordt de benodigde saneringsnoodzaak vastgesteld.

Dit betekent voor beide alternatieven dat de eventuele bekende en nog onbekende (niet toelaatbare) bodemverontreinigingen bij transformatie worden gesaneerd, wat positief is voor de bodemkwaliteit. Ondergronds gebruik Vanwege de ruim bemeten infrastructuur is voldoende ruimte, nu en in de toekomst, aanwezig voor ondergrondse infrastructuur. Mede doordat zuinig omgesprongen wordt met ondergrondse ruimte. Waar mogelijk wordt ondergrondse infra zoveel mogelijk gebundeld. Doordat de kabel en leidingeigenaren in een vroeg stadium worden meegenomen in de planvorming, is verdere detailafstemming mogelijk. Dit leidt tot een sterk positief effect. 54

ONTWIKKELVISIE ENTREE

Waterkwantiteit oppervlaktewater oostzijde In het aspect Klimaatadaptatie komt naar voren dat de oostzijde van het plangebied ook gevoelig is voor wateroverlast als gevolg van water op straat en water tegen panden. Door het toepassen van waterber gingssystemen om hemelwater te bergen aan weerszijden van de Afrikaweg en op de ontwikkelkavels en het groen te voorzien van voldoende water en daarnaast ook hier het oppervlaktewater te dempen en de aanwezigheid van lange duikers die het watersysteem in het gebied verbinden, wordt verwacht dat de gevoeligheid voor wateroverlast afneemt. Op basis hiervan wordt een positief effect verwacht op zowel het minimale als maximale alternatief. Waterkwantiteit grondwater Ten opzichte van de huidige situatie neemt het groen oppervlak af. In principe neemt daardoor ook de natuurlijke infiltratie van neerslag in de bodem af, maar binnen het plangebied worden waterbergingssystemen toegepast waar hemelwater wordt vastgehouden. Een deel van de neerslag wordt hergebruikt en of kan infiltreren in de bodem. Grondwaterstanden in het gebied worden voornamelijk bepaald door het oppervlaktewaterstreefpeil en de interactie tussen neerslag en verdamping. Lokaal kunnen hierin wat verschillen ontstaan, want ter plaatse van bergings- en infiltratievoorzieningen kan de grondwaterstand lokaal wat hoger worden door de gerichte infiltratie.

Op plekken waar meer verharding wordt toegepast kan lokaal de grondwaterstand iets dalen door een afname van de grondwateraanvulling. Doordat het oppervlaktewaterpeil zeer bepalend in het geheel is, en ongewijzigd blijft, is de verwachting dat voor beide alternatieven geen onderscheid te maken valt en ook een marginale verandering (neutraal effect) optreedt ten opzichte van de huidige situatie. Als de plannen worden uitgewerkt in overeenstemming met het beleid en de eisen van het hoogheemraadschap en de gemeente, en er maatregelen worden getroffen om zowel de waterkwantiteit als de waterkwaliteit van

het oppervlaktewater aan de westzijde te verbeteren, dan verandert de effectbeoordeling voor deze aspecten van neutraal naar positief. Dit houdt in dat aanvullende maatregelen om waterkwantiteit en waterkwaliteit in het gebied genomen worden. Waterkwaliteit westzijde Aan de westzijde van het plangebied Entree wordt een klein oppervlak aan nieuw oppervlaktewater gegraven bij het stationsgebied. De beperkte ingrepen aan de oostkant hebben een gering effect op de vispasseerbaarheid in het gebied (aanwezigheid lange duikers) en de waterkwaliteit van het oppervlaktewater. Er wordt geen significante verslechtering of verbetering van de oppervlaktewaterkwaliteit verwacht aan de westzijde ten opzichte van de referentiesituatie. Voor zowel het minimale als het maximale alternatief zijn de effecten gelijk aan de referentiesituatie. Geconcludeerd wordt dat door de voorgenomen activiteit zowel voor het minimale als maximale alternatief een neutraal (0) effect wordt voorzien. Als de plannen worden uitgewerkt in overeenstemming met het beleid en de eisen van het hoogheemraadschap en de gemeente, en er maatregelen worden getroffen om zowel de waterkwantiteit als de waterkwaliteit van het oppervlaktewater aan de westzijde te verbeteren, dan verandert de effectbeoordeling voor deze aspecten van neutraal naar positief.

Dit houdt in dat aanvullende maatregelen om waterkwantiteit en waterkwaliteit in het gebied genomen worden. Waterkwaliteit oostzijde Door de aanleg van oppervlaktewater met een natuurvriendelijke inrichting langs een groot deel van de oostgrens van het plangebied wordt een verbetering van de oppervlaktewaterkwaliteit verwacht ten opzichte van de referentiesituatie. Voor zowel het minimale als het maximale alternatief zijn de effecten gelijk aan de referentiesituatie. Geconcludeerd wordt dat door de voorgenomen activiteit zowel voor het minimale als maximale alternatief een positief effect wordt voorzien. 6.2.12 Ruimtelijke kwaliteit Stedelijk landschap Ruimtelijke structuur De ruimtelijke structuur krijgt in beide alternatieven een enorme kwaliteitsimpuls, van barrière, leegte en naar binnen gekeerd gebied verandert Entree in een doorwaadbaar en verbindend gebied, een gebied bovendien dat naast doorgangsgebied ook bestemming is met woningen, werkgelegenheid en voorzie- ningen. Er is voor beide alternatieven sprake van een zeer positief effect. Ruimtelijke beeld De beleving en het ruimtelijke beeld verbeteren sterk door de ontwikkeling van Entree, waardoor het gebied een modern, aantrekkelijk en representatief stedelijk karakter krijgt, met een positief effect.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zoetermeer&id=ea34092e-5908-437d-a7f1-d09fd79d2db3