Bijlage 1 - Dwarstocht 2019 - toelichting
Tekst van het document
4.4
Beschrijving behoefte
Uit de actuele provinciale woningbehoefteprognose (WBR 2019) blijkt dat de woningbehoefte in de Haaglanden groot is. In de periode 2019 ‐ 2030 zijn in Haaglanden meer dan 65.000 woningen nodig, waarvan ongeveer 3.300 in Zoetermeer.
Rho adviseurs voor leefruimte
051804B.20171842
34
Figuur 4.3: Uitsnede provinciale woningbehoefteprognose (WBR 2019) Kwalitatieve behoefte In de woningmarktverkenning regio's Zuid‐Holland 2016 is voor de regio Haaglanden een grote behoefte aan buiten centrum en groenstedelijk wonen geconstateerd.
Figuur 4.4: Mutaties woningbehoefte naar woonmilieu en type 2017‐2030. De provincie heeft de uitkomsten van dit onderzoek in twijfel getrokken en ziet een nog grotere behoefte aan binnenstedelijke woonmilieu en dan vooral in betaalbare koopwoningen en (middeldure) huurwoningen. Het project Dwarstocht maakt onderdeel uit van het regionale woningbouwprogramma. Inmiddels is het regionale woningbouwprogramma voor 2018 in mei 2019 aanvaard door de provincie. Daarmee is de ontwikkeling regionaal afgestemd en is de behoefte voor de Ladder voor duurzame verstedelijking onderbouwd. Op 13 februari 2017 stemde de gemeenteraad in met de Woningbouwagenda Zoetermeer. Met dit instemmen gaf de raad het college de vervolgopdracht om als concrete uitwerking van de woningbouwagenda een woningbouwprogrammering op te stellen. De voorgestane toevoeging van 10.000 tot 16.000 woningen kan ruimtelijk gezien landen binnen de verschillende clusters en solitaire locaties. Daarnaast zijn zes onderscheidende type woonmilieus beschreven die van toepassing zijn op de verschillende clusters, te weten, binnenstad, stadswijken, woonwijken, niches, campus wonen en park wonen. Het voorliggende plan kan worden gezien als het woontype park wonen. Uitgangspunt is een divers woningbouwprogramma waarbij wordt gezocht naar variatie in grootte en maximale potentie voor kopers om zelf invulling te geven aan de plek.
Het voorgestelde programma omvat 165 koopwoningen en 40 huurappartementen voor de sociale doelgroep. Binnen het koopprogramma is plaats voor (beleggers‐) huurwoningen.
Rho adviseurs voor leefruimte
051804B.20171842
35
Het plan voorziet in de stedenbouwkundige uitwerking van het beoogde concept in een bijzonder, kwalitatief en architectonisch hoogwaardige woonbuurt. Dit concept speelt in op een specifiek in het woningbouwprogramma voorgestaan segment en een specifieke doelgroep, te weten: duurdere grondgebonden woningen voor doorstromende gezinshuishoudens. Het project beoogt de doorstroming te bevorderen door in te spelen op gezinshuishoudens die een kwaliteitsstap willen maken (doorstromende gezinshuishoudens). Het project voegt ook echt een nieuw woonmilieu aan de stad toe (park wonen); een milieu dat vooralsnog weinig aanwezig is in Zoetermeer. Tevens kan de locatie met een sociaal programmaonderdeel (bestaande uit kleinere startersappartementen) ook een bijdrage leveren aan de sociale doelen uit het woningbouwprogramma. In totaal past 20 procent sociaal binnen het planconcept. Conclusie Uit de bovenstaande toetsing blijkt dat met de ontwikkeling sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. De binnenstedelijke transformatie van een bedrijfsfunctie naar een bijzonder en aanvullend woonmilieu in verschillende koop‐ en huurklassen in Zoetermeer voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking. Daarnaast past het binnen het provinciale en regionale beleid waarin wordt aangegeven dat er grote behoefte is aan woningen in het voorgestelde segment.
Rho adviseurs voor leefruimte
051804B.20171842
36
Rho adviseurs voor leefruimte
051804B.20171842
37
Hoofdstuk 5
Milieu en leefkwaliteit
In de onderstaande milieuparagrafen is het plangebied getoetst voor een bestemmingswijziging naar een milieu gevoeligere bestemming, namelijk wonen.
5.1
Bodemkwaliteit
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek en conclusie Voor het plangebied heeft in 2018 een verkennend (asbest)bodemonderzoek en verhardingsonderzoek plaatsgevonden, zie bijlage 1.
Op basis van de uitgevoerde onderzoeken wordt geconcludeerd dat: Verkennend milieukundig (asbest)bodemonderzoek er voldoende inzicht is verkregen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem; de bovengrond (0,00 ‐ 0,50 m‐mv) ter plaatse van boring 073 matig verontreinigd is met minerale olie. Deze verontreiniging is met onderhavig onderzoek niet afgeperkt. Aanbevolen wordt om nader onderzoek conform de NTA5755 uit te voeren om te bepalen of er sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging; de bovengrond (0,00 ‐ 0,50 m‐mv) op het overige deel van de locatie maximaal licht verontreinigd is met de onderzochte parameters; de ondergrond (circa 0,50 ‐ 1,50 m‐mv niet verontreinigd is met de onderzochte parameters; de grond getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit indicatief variërend aan klasse ‘Altijd toepasbaar’ of ‘Wonen’ of ‘Industrie’ of Niet toepasbaar > Industrie’ voldoet volgens de toetsing; het grondwater maximaal licht verontreinigd is met de onderzochte parameters; op het maaiveld ter plaatse van proefgat 201 asbesthoudend plaatmateriaal is aangetroffen; uit asbestonderzoek ter plaatse van drie extra proefgaten blijkt dat in de grond analytisch geen asbest is aangetoond en dat het criterium voor nader asbestonderzoek niet wordt overschreden.
Het asbesthoudend plaatmateriaal betreft waarschijnlijk een toevalstreffer en is voor analyse met onderhavig onderzoek verwijderd van de onderzoekslocatie;
Rho adviseurs voor leefruimte
051804B.20171842
38
in het opgeboorde materiaal zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest is aangetoond; er, met uitzondering van de matige minerale‐olieverontreiniging ter plaatse van boring 073, op basis van de onderzoeksresultaten milieuhygiënisch gezien geen beperkingen zijn voor de voorgenomen herontwikkeling en het beoogde gebruik.
Verhardingsonderzoek er voldoende inzicht is verkregen in de opbouw en de hergebruiksmogelijkheden van de verhardingsconstructies; het asfalt ter plaatse van alle wegvakken niet teerhoudend is en herbruikbaar is als bouwstof; het aangetroffen funderingsmateriaal, dat bestaat uit menggranulaat en gebonden puin, aan de samenstellingswaarde voldoet en indicatief herbruikbaar is als bouwstof. In het funderingsmateriaal is zintuiglijk en analytisch geen asbest geconstateerd; de ondergrond van de verhardingen bestaat uit zand, plaatselijk gevolgd door klei; de zandlaag is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Geadviseerd wordt om de matige verontreiniging met minerale olie in de bovengrond (0,00 ‐ 0,50 m‐mv) ter plaatse van proefgat 073, in een nader bodemonderzoek conform de NTA‐5755 af te perken om te bepalen of er sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Bij toetsing aan de CROW Publicatie 132 ‘Werken in of met verontreinigde grond en verontreinigd (grond)water’ is ter plaatse van de proefgaten 01, 04, 08 15, 41, 45, 073, 112, 115, 201 en 202 (de grond die volgens het Besluit Bodemkwaliteit voldoet aan klasse ‘Industrie’ of ‘Niet toepasbaar’, waarbij de interventiewaarden niet worden overschreden), de basisklasse van toepassing.
Ter plaatse van de overige grond, die volgens het Besluit Bodemkwaliteit voldoet aan klasse ‘Wonen’ of ‘Altijd toepasbaar’ is, is geen veiligheidsklasse van toepassing. Aanvullend bodemonderzoek Op de locatie aan de Galvanistraat te Zoetermeer is door VanderHelm Milieubeheer B.V. voor de gemeente Zoetermeer een nader en aanvullend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 2. Aanleiding tot dit onderzoek is de voorgenomen herontwikkeling van het terrein alsmede de onderzoeksresultaten van het verkennend milieukundig (asbest)bodemonderzoek en verhardingsonderzoek uitgevoerd door VanderHelm Milieubeheer B.V. (kenmerk: 20180491, d.d. 25 juni 2018). De doelstellingen van het onderzoek zijn het vaststellen van de aard, mate en omvang van de aangetroffen mineraleolieverontreiniging en het in kaart brengen van de omvang van de indicatief ‘Niet toepasbaar’ beoordeelde bovengrond. Geconcludeerd wordt dat, op basis van eerder uitgevoerd en onderhavig bodemonderzoek sprake is van geen "geval van ernstige bodemverontreiniging" zoals beschreven in de Wet Bodembescherming. Ter onderbouwing van bovenstaand wordt tevens geconcludeerd dat de sterke verontreiniging met minerale olie is in voldoende mate is afgeperkt. De geschatte omvang van de sterke verontreiniging is circa 20 m3 en de matige verontreiniging heeft een geschatte omvang van circa 52 m3.
Het betreft geen "geval van ernstige bodemverontreiniging" zoals beschreven in de Wet Bodembescherming. Op basis van de analyseresultaten blijkt dat er drie locaties zijn waarbij de grond (met een variërende diepte van 0,0 ‐ 0,9 m‐mv) indicatief ‘Niet toepasbaar’ is. De geschatte omvang van de ‘niet toepasbare’ grond is bepaald: Spot 1 heeft een geschatte omvang van circa 120 m3; Spot 2 heeft een geschatte omvang van circa 1.130 m3; Spot 3 heeft een geschatte omvang van circa 1.830 m3. Om de locatie geschikt te maken voor het beoogde gebruik (wonen) wordt aanbevolen om de matig tot sterke verontreiniging met minerale olie te saneren. Dit wordt dan ook uitgevoerd.
Rho adviseurs voor leefruimte
051804B.20171842
39
5.2
Verkeer en parkeren
Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Het voorgestelde programma bestaat uit 165 koopwoningen en 40 huurappartementen voor de sociale doelgroep. Deze ontwikkeling zal leiden tot veranderingen op het gebied van verkeer en parkeren. Voor de ontwikkeling is daarom een mobiliteitstoets opgesteld waarin wordt ingegaan op de verkeerskundige gevolgen van deze ontwikkeling. De mobiliteitstoets is opgenomen in bijlage 3. Hieronder volgen de belangrijkste uitgangspunten. Onderzoek Parkeerbehoefte De parkeerbehoefte is bepaald aan de hand van het voorgenomen programma met 205 woningen. De parkeerbehoefte is bepaald aan de hand van de parkeernormen zoals de gemeente Zoetermeer deze heeft opgenomen in haar parkeerbeleid (Nota Parkeernormen en uitvoeringsregels 2012). Op 16 december 2019 heeft de gemeenteraad de Actualisatie Parkeerbeleid Zoetermeer 2019 en de Nota Parkeernormen en uitvoeringsregels Zoetermeer 2019 vastgesteld.
In het geactualiseerde parkeerbeleid zijn de laatste inzichten ten aanzien van het parkeren en de toetsing op parkeernormen meegenomen. Voor voorliggend initiatief is, op basis van de overgangsregeling voor lopende aanvragen in de nieuwe Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels Zoetermeer 2019, de Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels 2012 nog van toepassing. Overigens voldoet het voorliggende plan ook aan de parkeernormen die in 2019 zijn vastgesteld" De parkeernormen zijn opgenomen met een bandbreedte, waarin een minimale en maximale norm is opgenomen. Er wordt voldaan aan de bandbreedte die wordt gehanteerd voor parkeernormen. De parkeerbehoefte is berekend op 345 parkeerplaatsen, zie Mobiliteitstoets in bijlage 3. In het plangebied wordt de parkeerbehoefte opgevangen in verschillende parkeerkoffers. In totaal worden 345 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarmee de parkeerbalans sluitend is. Te allen tijde dient in de minimale parkeerbehoefte te worden voorzien in het plangebied. Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie is berekend aan de hand van CROW kencijfers (publicatie 317). Uitgaande van maximaal 205 woningen op circa 8 hectare betekent dit per hectare circa 25 woningen. Volgens het CROW (tabel 3 uit publicatie 317), moet dan worden aangesloten bij een woonmileutype 'groen‐stedelijk'.
Hiervoor geldt per woning een verkeersgeneratie van 5,8 motorvoertuigen per etmaal (mvt/etmaal) per woning, waarmee de totale verkeersgeneratie circa 1.200 mvt/weekdagetmaal bedraagt. Maatgevend voor de verkeersafwikkeling is de verkeersgeneratie van een gemiddelde werkdag, waarvoor de verkeersgeneratie wordt vermenigvuldigd met de standaardfactor 1,11. De verkeersgeneratie op een gemiddelde werkdag bedraagt hierdoor circa 1.400 mvt/etmaal. Deze verkeersgeneratie verdeelt zich over twee ontsluitingen en over verschillende richtingen. De hierbij optredende aantallen zijn niet zodanig dat de hoofdwegenstructuur dient te worden aangepast. Wel dient de kruising Aralmeer‐Oostweg te worden uitgebreid naar een volwaardig kruispunt.
Rho adviseurs voor leefruimte
051804B.20171842
40
Verkeersafwikkeling De verkeersafwikkeling vindt plaats ten zuiden op de Franklinstraat en ten noorden op de Aralmeer. Voor de verkeersverdeling op deze ontsluitingen en de verder verdeling op het onderliggende wegennet zijn globale inschattingen gemaakt op basis van het aantal ontsloten woningen en de oriëntatie van het verkeer. Het kruispunt van de Oostweg met de Aralmeer wordt fysiek gewijzigd en opengesteld voor gemotoriseerd verkeer in alle rijrichtingen. De VRI (verkeersregelinstallatie) van het kruispunt Oostweg ‐ Franklinstraat wordt op netwerkniveau geoptimaliseerd als gevolg van de nieuwe verkeersbewegingen van en naar het plan. Er zal hier dan ook sprake zijn van een in de toekomst volwaardige kruising met verkeer in alle richtingen. Ten westen van dit wegvak is een geregeld kruispunt gelegen en ten oosten van het wegvak een rotonde. Hierdoor zullen tussen deze kruispunten voldoende hiaten ontstaan om het verkeer van en naar het plangebied acceptabel te kunnen afwikkelen. De verkeersafwikkeling is daarmee gewaarborgd op de maatgevende kruispunten. Voor een meer gedetailleerde beschrijving wordt verwezen naar bijlage 3. Conclusie Het plangebied is goed te bereiken met de diverse modaliteiten. De parkeerbehoefte is berekend volgens de gemeentelijke parkeernormen en wordt opgevangen in de daarvoor bestemde parkeerkoffers die zijn gelegen aan de ringweg.
De ontwikkeling leidt tot een verkeerstoename ten opzichte van de huidige braakliggende grond. De maatgevende kruispunten in de omgeving worden daarbij fysiek, dan wel verkeersregeltechnisch aangepast om het verkeer zo goed mogelijk door te laten stromen op netwerkniveau. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling niet in de weg.
5.3
Geluid
Wet geluidhinder (Wgh) Woningen zijn geluidsgevoelige functies en dienen te worden getoetst aan de Wgh indien gelegen binnen de geluidzone van gezoneerde wegen (50 km/u of hoger). De locatie is gelegen binnen de geluidzone van diverse wegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie worden ook de niet gezoneerde wegen volgens de Wgh (30 km‐wegen) nabij het plangebied onderzocht. Daarbij wordt ook gekeken naar de effecten van de nieuw aan te leggen rondweg (30 km/h) op de naast gelegen woonwijk Waterzicht. Wet ruimtelijke ordening (Wro) In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidbelasting op de geplande woningen als gevolg van bestaande en bestemde bedrijfsactiviteiten berekend en getoetst. Concreet is rekening gehouden met de bedrijfsactiviteiten van FNG services en van een bestemde maar nog niet ingevulde bedrijfslocatie ten noorden van het plangebied. Omdat het nog niet duidelijk is welke invulling de nog niet ontwikkelde bedrijfslocatie zal krijgen zijn er diverse varianten doorgerekend waarbij gekeken is naar zowel uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten van het naastgelegen distributiecentrum als de vestiging van een nieuw bedrijf. De directe hinder is onderzocht en voor de indirecte hinder is de worst case situatie toegevoegd waarbij al het verkeer afgewikkeld wordt over de Aralmeer.
Hogere waarden beleid gemeente Zoetermeer Het hogere waarden beleid van de gemeente Zoetermeer geldt voor de geluidbelasting vanwege weg‐ en railverkeerslawaai. Het bestemmingsplan is niet gelegen in de geluidzone van een spoorweg. Indien de voorkeurswaarde vanwege wegverkeerslawaai van 48 dB wordt overschreden kan de gemeente onder voorwaarden een ontheffing verlenen en een hogere waarde vaststellen. Deze waarde mag vanwege binnenstedelijke wegen niet hoger liggen dan 63 dB. Om een hogere waarde te kunnen vaststellen heeft de gemeente Zoetermeer een aantal criteria opgesteld waaraan dient te worden voldaan in gevallen waarin de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden met meer dan 5 dB: het stedenbouwkundig ontwerp wordt zodanig vormgegeven dat daarbij zoveel mogelijk afscherming voor het achterliggende gebied ontstaat;
Rho adviseurs voor leefruimte
051804B.20171842
41
bij een aanvraag om bouwvergunning moet een bouwakoestisch onderzoek worden gevoegd en wordt getoetst of wordt voldaan aan de binnenwaarde zoals genoemd in het Bouwbesluit; bij appartementen en andere woningen dient minimaal 1 verblijfsruimte in de woning aan de geluidluwe zijde (maximaal 48 dB) te worden gesitueerd; aan de geluidluwe zijde wordt een volwaardige buitenruimte (tuin of balkon) gesitueerd (minimaal 6 m2).
Als niet aan bovenstaande voorwaarden kan worden voldaan, dan bieden de “Afwijkingsregels hogere waarden beleid geluid” (de afwijkingsregels) in bepaalde gevallen de mogelijkheid om andere eisen te stellen aan de vereiste buitenruimte en geluidluwe zijde. Akoestisch onderzoek Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd volgens Standaard Rekenmethode II (SRM II) conform het Reken‐ en meetvoorschrift geluid 2012 en separaat gerapporteerd, zie bijlage 4. Naast dit onderzoek is er aanvullend een aantal varianten voor invulling van de vrije bedrijfslocatie doorgerekend en gerapporteerd, zie bijlage 5. In navolgende subparagrafen zijn de resultaten van de onderzoeken naar wegverkeerslawaai en industrielawaai beschreven. Deze resultaten zijn weergegeven inclusief aftrek ex art. 110g Wgh, behoudens anders beschreven. Wegverkeerslawaai Grondgebonden woningen Voor de grondgebonden woningen geldt dat op de eerstelijnsbebouwing gezien vanaf de Oostweg en vanaf de Franklinstraat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. De geluidsbelasting is berekend op maximaal 53 dB per bron. Dit is ruim lager dan de maximaal te ontheffen waarde van 63 dB.
Het toepassen van bron‐ en overdrachtsmaatregelen om de geluidbelasting te reduceren zijn niet doeltreffend of redelijkerwijs niet mogelijk vanwege overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, financiële of praktische aard. Wel wordt er een aarden wal van 2 meter gerealiseerd. Voor deze woningen moeten hogere waarden worden verleend. De maximale geluidbelasting als gevolg van de Aralmeer (30 km/u en valt daarmee buiten kaders Wgh) bedraagt 52 dB. Aanvullend is de geluidbelasting vanwege het verkeer op de nieuw aan te leggen 'rondweg' binnen het voorgenomen woongebied, op het naastgelegen woongebied ('Waterzicht') berekend. Daarbij is 150 mvt/etmaal op de weg op de oostelijke rand van het plangebied als uitgangspunt gehanteerd. De overige wegen zijn akoestisch niet relevant. Uit de berekeningen blijkt dat op een afstand van 5 m of meer van de weg de geluidbelasting onder de 40 dB blijft. Dit is ruim onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Daarmee worden (belangrijke) nadelige gevolgen van de woningbouwontwikkeling op het naastgelegen woongebied uitgesloten. Voor de overige wegen (Australiëweg, Olof Palmelaan, Slotermeer) wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden. Bij alle grondgebonden woningen is sprake van een geluidluwe zijde en een geluidluwe buitenruimte.
De maximaal berekende gecumuleerde geluidbelasting bedraagt 55 dB en valt daarmee ruim onder de maximaal te ontheffen waarde van 63 dB. De gecumuleerde geluidbelasting is derhalve aanvaardbaar. Om de (nieuwe) bewoners te beschermen tegen het geluid vanwege de omliggende wegen zal ook een geluidniveau in de woning van 33 dB gegarandeerd moeten worden, waarbij voldaan wordt aan de eisen die gesteld zijn in het Bouwbesluit. Mogelijk moeten er geluidwerende maatregelen aan de gevel getroffen worden om het geluidniveau van 33 dB te realiseren. De gevelgeluidwering van nieuwbouwwoningen moet daarbij minimaal 20 dB bedragen of het verschil tussen de verleende hogere waarde en 33 dB binnenwaarde. Geadviseerd wordt echter om de geluidwering van de gevel te
Rho adviseurs voor leefruimte
051804B.20171842
42
dimensioneren op de cumulatieve geluidbelasting exclusief aftrek volgens artikel 110 Wgh. Gestapelde woningen De maximale geluidsbelasting op de gestapelde woningen vanwege de Oostweg bedraagt 56 dB. Dit is lager dan de maximaal te ontheffen waarde van 63 dB. De maximale geluidsbelasting als gevolg van de Franklinstraat bedraagt 55 dB en blijft daarmee ook onder de maximaal te ontheffen waarde van 63 dB. Voor de overige wegen (Australiëweg, Olaf Palmelaan, Slotermeer, Aralmeer) wordt de voorkeurswaarde van 48 dB niet overschreden. Als gevolg van de Oostweg en de Franklinstraat wordt op meerdere gevels de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden. Het per appartement realiseren van een geluidluwe buitenruimte en het realiseren van een geluidgevoelige ruimte aan een geluidluwe zijde vereist aandacht bij de verdere architectonische uitwerking van het gebouw. De maximaal berekende gecumuleerde geluidbelasting bedraagt 57 dB en valt daarmee ruim onder de maximaal te ontheffen waarde van 63 dB. Het Hogere Waarden Beleid van de gemeente is van toepassing. Voor de appartementen is een massastudie gemaakt. In die studie is onderzocht hoe kan worden voldaan aan het hogere waarden beleid van de gemeente. Binnen de galerij‐ontsloten structuur van het gebouw zijn drie oplossingen mogelijk met een geluidluwe buitenruimte en een verblijfsruimte aan de geluidluwe zijde.
Op basis van de massastudie wordt geconcludeerd dat er, behalve voor de hoekappartementen aan de Oostweg/Franklinstraat, kan worden voldaan aan het hogere waarden beleid van de gemeente Zoetermeer. Voor de hoekappartementen kan met toepassing van de afwijkingsregels voldaan aan het beleid. Om de (nieuwe) bewoners te beschermen tegen het geluid vanwege de omliggende wegen zal ook voor de hoogbouw een geluidniveau in de woning van 33 dB gegarandeerd moeten worden, waarbij voldaan wordt aan de eisen die gesteld zijn in het Bouwbesluit. Mogelijk moeten er geluidwerende maatregelen aan de gevel getroffen worden om het geluidniveau van 33 dB te realiseren. De gevelgeluidwering van nieuwbouwwoningen moet daarbij minimaal 20 dB bedragen of het verschil tussen de verleende hogere waarde en 33 dB binnenwaarde. Geadviseerd wordt echter om de geluidwering van de gevel te dimensioneren op de cumulatieve geluidbelasting exclusief aftrek volgens artikel 110 Wgh. Conclusie Het toepassen van bron‐ en overdrachtsmaatregelen om de geluidbelasting te reduceren zijn niet doeltreffend of redelijkerwijs niet mogelijk. Voor de grondgebonden woningen geldt daarom dat voor de eerstelijnsbebouwing, vanwege de Oostweg en de Franklinstraat hogere waarden worden vastgesteld (zie bijlage 6). Voor de overige wettelijk te toetsen wegen geldt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden.
De Aralmeer (niet‐gezoneerde weg) is in het kader van een goede ruimtelijke ordening getoetst. De verkeersbewegingen leiden hier tot een geluidsbelasting van 52 dB op de nabijgelegen woningen. Deze berekende waarden zijn aanvaardbaar gelet op de waarde van 48 dB welke geldt als voorkeursgrenswaarde voor gezoneerde wegen. Uit de beoordeling blijkt verder dat de grondgebonden woningen elk minimaal één geluidluwe zijde en een geluidluwe buitenruimte hebben. Hiermee wordt voldaan aan het hogere waarden beleid van de gemeente Zoetermeer. Wel zal voor de betreffende woningen het binnenniveau van 33 dB moeten worden beoordeeld en gegarandeerd. Voor de gestapelde woningen wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden als gevolg van de Oostweg en de Franklinstraat. De appartementen op de hoek Oostweg – Franklinstraat hebben geen geluidluwe gevel waardoor niet kan worden voldaan aan het Hogere waarden beleid. Vanwege de binnenstedelijke nieuwbouw komt het plan in aanmerking voor toepassing van de Afwijkingsregels. Voor de betreffende woningen zal het binnenniveau van 33 dB moeten worden beoordeeld en gegarandeerd, waarbij uitgegaan wordt van de gecumuleerde geluidsbelasting van de wegen exclusief aftrek artikel 110g Wgh.
Rho adviseurs voor leefruimte
051804B.20171842
43
Industrielawaai In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidsbelasting op de geplande woningen als gevolg van bestaande en bestemde bedrijfsactiviteiten berekend en getoetst. Concreet is rekening gehouden met de bedrijfsactiviteiten van FNG services (verder FNG) en van een bestemde maar nog niet ingevulde bedrijfslocatie (optiestrook) ten noorden van het plangebied. Om een beter beeld te krijgen van de effecten van deze bedrijfsactiviteiten is de geluidsbelasting beoordeeld voor een viertal varianten die betrekking hebben op de invulling van deze bedrijvigheid. De resultaten van de vier varianten zijn hieronder toegelicht. Voor iedere variant zijn berekeningen gemaakt voor het beoordelen van de indirecte hinder (hinder vanwege verkeer van/naar bedrijfslocaties), directe hinder (hinder van activiteiten binnen de inrichtingsgrens) en het piekgeluid. De beoordeelde varianten zijn: variant 1: alleen activiteiten van FNG; variant 2: activiteiten FNG + uitbreiding van FNG op de optiestrook; variant 3: FNG + vestiging categorie 2 bedrijf op de optiestrook; variant 4: variant 2 + scherm waarbij voldaan wordt aan de toetswaarden. Ten behoeve van de gekozen methode voor de toetsing voor industrielawaai is het noodzakelijk te weten welke bouwblokken langs de Aralmeer gezien worden als eerste‐ en tweedelijns bebouwing.
In figuur 5.1 zijn de gehanteerde eerstelijns bouwblokken langs de Aralmeer gemarkeerd met een rode X. Woningen die achter deze bouwblokken staan maar geen bescherming genieten van afschermende bebouwing zijn zekerheidshalve als tweedelijns bebouwing beschouwd.
Figuur 5.1 Eerstelijns bouwblokken Een complete beschrijving en de resultaten zijn opgenomen in het onderzoek in bijlage 5.
Rho adviseurs voor leefruimte
051804B.20171842
44
Conclusie Samenvattend kan worden geconcludeerd dat voor alle varianten (met mogelijke geluidsreducerende maatregelen) aan de gestelde maximale geluidbelastingen kan worden voldaan. Echter kan niet overal aan de voorkeursgrenswaarden worden voldaan. In onderstaande tabel 5.1 is een overzicht gegeven van de berekeningsresultaten, waarbij is vermeld of voldaan wordt aan de toetswaarden volgens de brochure Bedrijven en milieuzonering van de VNG (de brochure). Voor iedere variant is een situatie opgenomen waar 50% van het vrachtverkeer zich afwikkelt langs het plangebied over de Aralmeer en een situatie waar 100% zich via deze weg afwikkelt (worst case). Tabel 5.1 Samenvattende beoordeling of wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde / maximale grenswaarde
Uit de tabel blijkt dat voor indirecte hinder sprake is van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 50 dB. Een hogere waarde van 65 dB is mogelijk voor het gebiedstype “gemengd gebied”. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de worstcase situatie zorgt voor een geluidbelasting van maximaal 52 dB. Dit is ruim onder de grens van 65 dB en tevens worstcase. Hiermee wordt ook voor indirecte hinder voor alle varianten voldaan. Uit de tabel blijkt ook dat met de optredende piekgeluiden voor variant 2, waarbij de optiestrook geheel in gebruik genomen wordt door FNG, zonder maatregelen niet voldaan kan worden aan de toetswaarden voor het piekgeluid. Indien deze situatie zich voordoet kan door middel van de plaatsing van een 3 meter hoog geluidscherm, langs de Aralmeer ter hoogte van de Galvanistraat en op de aarden wal van twee meter hoog langs de parkeerplaatsen van Dwarstocht, worden voldaan aan de toetswaarden.
5.4
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
ter plaatse van de woningen een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.
Om in de ruimtelijke onderbouwing de belangenafweging tussen bedrijvigheid en woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt gebruikgemaakt van de VNG‐publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie‐indeling heeft plaatsgevonden. De afstanden zijn volgens de VNG‐brochure algemene richtafstanden en geen harde afstandseisen. Gemotiveerd afwijken van deze afstanden is mogelijk, zo volgt uit jurisprudentie.
Rho adviseurs voor leefruimte
051804B.20171842
45
Onderzoek Volgens de voornoemde VNG‐publicatie is de definitie van het omgevingstype gemengd gebied als volgt: 'Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven'. Ten zuiden van het plangebied is bedrijventerrein Oosterhage gelegen. Hier is bedrijvigheid tot en met categorie 3.2 toegestaan. Onder andere een fastfood restaurant, een logistiek bedrijf en een dierenasiel zijn hier gevestigd. Bedrijventerrein Zoeterhage, waar eveneens bedrijvigheid tot en met categorie 3.2 is toegestaan, ligt ten westen van het plangebied. Naast diverse kleinere bedrijven is een grote drankenproducent (Avandis) aanwezig op dat terrein. Verder is ten noorden van het plangebied het distributiecentrum van de FNG‐groep gelegen. Ook is het plangebied gelegen aan hoofdinfrastructuur. Zowel de Oostweg ten westen als de Franklinstraat ten zuiden van het plangebied zijn belangrijke doorgaande wegen. Aangezien rondom het plangebied bedrijven, kantoren, horeca en andersoortige bedrijvigheid gevestigd zijn en het plangebied grenst aan hoofdinfrastructuur, behoort de eerstelijnsbebebouwing van het plangebied tot het omgevingstype 'gemengd gebied'. Na de eerstelijnsbebouwing, dieper het plangebied in, kan gesproken worden van het omgevingstype 'rustige woonwijk'.
Op basis van de plankaart wordt geconcludeerd dat de bebouwing dieper in het plangebied voldoet aan de richtafstanden voor een rustig woongebied. De inpasbaarheid van de woningen (eerstelijnsbebouwing) aan de rand van het plangebied is beoordeeld op basis van de richtafstanden voor een gemengd gebied en de maximale planologische mogelijkheden conform de volgende omliggende bestemmingsplannen Bedrijventerrein Oosterhage / Businesspark Oosterheem; Kwadrant / VanTuyll sportpark/ Brinkhage/ Lansinghage; Noordelijke bedrijventerreinen. In figuur 5.2 zijn de relevante bedrijven inclusief de bijbehorende planologisch maximale milieucategorie weergegeven.
Rho adviseurs voor leefruimte
051804B.20171842
46
Figuur 5.2: Uitsnede plangebied met vigerend bestemmingsplan en omliggende plannen met bijbehorende milieucategorie. Voor bedrijfsactiviteiten behorend tot milieucategorie 3.2, 3.1 en 2 geldt in een gemengd gebied een richtafstand van respectievelijk 50 meter, 30 meter en 10 meter van het bedrijfsperceel tot aan de gevel van woningen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is daarnaast de geluidsbelasting op de geplande woningen als gevolg van bestaande en bestemde bedrijfsactiviteiten berekend en getoetst. Concreet is rekening gehouden met de bedrijfsactiviteiten van FNG services en van een bestemde maar nog niet ingevulde bedrijfslocatie ten noorden van het plangebied aangezien deze locaties het meest relevant zijn in het kader van geluidhinder. De uitkomsten van dit akoestische onderzoek staan beschreven in paragraaf 5.3. Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan de geldende richtafstanden. Daarmee is bezien vanuit dit aspect sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat. Het aspect bedrijven en milieuzonering levert dan ook geen belemmering op voor de beoogde ontwikkeling.
Rho adviseurs voor leefruimte
051804B.20171842
47
5.5
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 5.2 weergegeven. Tabel 5:2:
Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Het bestemmingsplan maakt de realisatie van 205 woningen mogelijk. Dit aantal valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit.
Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL‐monitoringstool 2018 (http://www.nsl‐monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Oostweg. Uit de NSL‐monitoringstool blijkt dat in 2020 (mogelijke jaar van planrealisatie) de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze wegen ruimschoots onder de grenswaarden liggen. zie figuur 5.3. Hierdoor is ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat.
Rho adviseurs voor leefruimte
051804B.20171842
48
Figuur 5.3: Toetspunten en bijbehorende concentraties Conclusie Ter plaatse van het plangebied wordt voldaan aan de normen voor luchtkwaliteit. Het aspect staat daarom de planrealisatie niet in de weg.
5.6
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Onderzoek De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een kwetsbaar object, om deze reden dient het aspect externe veiligheid behandeld te worden. De externe veiligheidsrisico's zullen hierna nader inzichtelijk gemaakt worden. In de nabije omgeving van het plangebied bevinden zich geen risicovolle inrichtingen of buisleidingen. Wel is er sprake van de aanwezigheid van transport van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A12 nabij het plangebied. De transportroute bevindt zich op circa 1,6 km afstand van het plangebied.
Het plangebied is gelegen op een afstand van meer dan 200 meter van de rijksweg A12,
Rho adviseurs voor leefruimte
051804B.20171842
49
het uitvoeren van een QRA is daarom niet noodzakelijk. Naast het transport van brandbare gassen en brandbare vloeistoffen vindt over de rijksweg A12 ook transport van toxische vloeistoffen plaats. Het invloedsgebied van deze stoffen bedraagt 880 meter en is daarmee niet gelegen over het te beschouwen perceel. Gezien de ligging van de bedrijven waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen is het aannemelijk dat LF2‐stoffen via de Oostweg van de A2 naar de Wattstraat worden getransporteerd. Over de Oostweg vinden geen GF‐3 transporten plaats. Hierdoor is een berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk. LF2‐stoffen hebben een invloedsgebied van 45 meter. Een klein deel van het plangebied ligt in het invloedsgebied van de Oostweg waardoor een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is. Beperkte verantwoording van het groepsrisico Conform artikel 7 en 8 Bevt dient onafhankelijk van de hoogte van het groepsrisico aandacht worden besteed aan de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid van een calamiteit indien het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied. In het kader van het wettelijk vooroverleg zal voor de verantwoording aanvullend advies gevraagd worden aan de veiligheidsregio. Dit advies zal worden verwerkt in deze paragraaf.
Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. Het plangebied is goed bereikbaar voor hulpdiensten vanaf verschillende windrichtingen. Via het gedegen wegennetwerk kan ook van de bron af gevlucht worden. Gevlucht kan worden via de Oostweg en de Franklinstraat. Zelfredzaamheid Uitsluitend het uiterst zuidwestelijke deel van het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de Oostweg. Dit betekent dat er weinig personen binnen het invloedsgebied aanwezig zullen zijn. De aanwezige personen binnen het plangebied zijn hoofdzakelijk zelfredzaam. Het zijn volwassenen die in het gebied wonen. De ontwikkeling voorziet niet in functies die specifiek bedoeld zijn voor verminderd zelfredzame personen. Aanwezige kinderen, ouderen en gehandicapten worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden. Conclusie Een deel van het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de Oostweg.
Aangezien er over de Oostweg geen transporten van GF3 plaatsvinden, kan op grond van de Handleiding Risicoberekeningen Bevt (HART) worden geconcludeerd dat de weg geen plaatsgebonden risicocontour 10‐6 per jaar heeft en dat het groepsrisico zowel in de huidige als in de toekomstige situatie kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Hierdoor is een berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk. Voor het transport gevaarlijke stoffen is een beknopte verantwoording van het groepsrisico toegevoegd waarbij in is gegaan op de bereikbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Rho adviseurs voor leefruimte
051804B.20171842
50
5.7
Kabels en leidingen
Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink‐ en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Onderzoek en conclusie Aan de zuid‐ en oostzijde van het plangebied, langs de waterpartij en woonwijk Oosterheem ligt een regionale watertransportleiding van Duneau. Voor deze waterleiding geldt een zone van 10 meter. Ook bevindt zich in de zuidoostelijke punt van het plangebied een rioolleiding. Verder bevinden zich binnen het plangebied en in de directe omgeving geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Indien sprake is van graafwerkzaamheden dient wel rekening te worden gehouden met eventueel niet‐planologisch relevante kabels en leidingen. Het aspect kabels en leidingen staat vaststelling van dit bestemmingsplan niet in de weg.
5.8
Water
Waterbeheer en watertoets Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits‐ en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit uitwerkingsplan is overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling en verwerkt in deze paragraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan Provinciale Structuurvisie Verordening Ruimte Hoogheemraadschapsbeleid Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het waterbeheerplan 2016‐2021 'Met mensen en water', de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, peilbesluiten en de leggers. Het waterbeheerplan bevat de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater‐ en
Rho adviseurs voor leefruimte
051804B.20171842
51
grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard. Met het nieuwe Waterbeheerplan staat het HHSK voor een doelmatig en duurzaam waterbeheer, in directe verbinding met de omgeving. Per 1 januari 2016 is de geactualiseerde Keur in werking getreden. De Keur geeft met verboden aan welke activiteiten in de buurt van water en waterkeringen niet zijn toegestaan. Daarnaast geeft de Keur met geboden aan welke onderhoudsverplichtingen eigenaren en gebruikers van wateren en waterkeringen hebben. Huidige situatie Algemeen Het plangebied is gelegen op de locatie Dwarstocht in Zoetermeer en bestaat in de huidige situatie uit een grasland en wat bomen. Het plangebied is in de huidige situatie grotendeels onverhard. Bodem en grondwater Volgens de Bodemkaart van Nederland (www.bodemdata.nl) bestaat de bodem ter plaatse van het plangebied uit lichte klei met homogeen profiel. Er is sprake van grondwatertrap Vb. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand tussen de 0,5 en 0,8 m beneden maaiveld ligt en dat de gemiddelde laagste grondwaterstand meer dan 1,2 m beneden maaiveld. De maaiveldhoogte ter plaatse bedraagt ca. NAP ‐4,0 m. Waterkwantiteit Het watersysteem rondom het plangebied bestaat uit verschillende watergangen en een aantal kleine waterpartijen. Deze zijn onderling op elkaar aangesloten via ondergrondse verbindingen.
Er zijn geen watergangen binnen het plangebied gelegen. Het plangebied is niet gelegen binnen een beschermingszone van een primaire of secundaire watergang. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt niet in de kern‐ of beschermingszone van een waterkering. Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is niet aangesloten op het gemeentelijk rioleringsstelsel. Toekomstige situatie Algemeen Het bestemmingsplan maakt de realisatie van 205 woningen mogelijk. Het plan wordt verder gekenmerkt door grote stukken openbaar groen en parkeren aan de randen. Waterkwantiteit Het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard stelt als eis dat 5% van de toename in verharding gecompenseerd dient te worden mits deze toename meer dan 500 m2 bedraagt. Gezien de huidige situatie van het plangebied (grotendeels onverhard) zal de ontwikkeling leiden een toename in verharding. Er dient daarom watercompensatie plaats te vinden. Na realisatie van de beoogde ontwikkelingen neemt het verharde oppervlak toe met 17.173 m2, zie figuur 5.4 voor de berekening. De toename van het verharde oppervlak betreft meer dan 500 m2. Opgemerkt wordt dat ter compensatie van het toegenomen verharde oppervlak, minimaal 1.717 m2 aan oppervlaktewater wordt gerealiseerd. De watercompensatie wordt voorzien in twee waterpartijen binnen het plangebied.
Rho adviseurs voor leefruimte
051804B.20171842
52
Figuur 5.44: Berekening watercompensatie (bron: Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan) Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet‐uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw‐ als de gebruiksfase. Het oppervlaktewater binnen het plangebied wordt aangesloten op omliggende oppervlaktewateren, zodat er geen geïsoleerd water ontstaat. Verder worden natuurvriendelijke oevers aangelegd met een rijke variatie aan oeverbeplanting, zodat het gebied ook een meerwaarde biedt voor het ontwikkelen van gezonde ecosystemen. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid en waterkeringen. In de groenstrook tussen Dwarstocht en Waterzicht is op verzoek van het waterschap rekening gehouden met een schouwpad. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend Hoogheemraadschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.
Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in‐) filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Het hemelwater wordt aangesloten op een hemelwaterriolering die uitkomt op een waterpartij. Gezien de grondgesteldheid in Zoetermeer worden drainages in de riool‐cunetten, weg‐cunetten en onder de bouwblokken toegepast en verder afgevoerd via een HWA‐rioolstelsel. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het Hoogheemraadschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en
Rho adviseurs voor leefruimte
051804B.20171842
53
waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het Hoogheemraadschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan‐ of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een vergunning op basis van de Keur noodzakelijk. Conclusie Bij het tot stand komen van het uitwerkingsplan is overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling en verwerkt in deze paragraaf. De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
5.9
Ecologie
Toetsingskader Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie ten aanzien van de Natuur Netwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura‐2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura‐2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een ruimtelijk plan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000‐gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000‐netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Rho adviseurs voor leefruimte
051804B.20171842
54
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Groenbeleid gemeente Zoetermeer De gemeente Zoetermeer spant zich in voor het behoud en waar mogelijk vergroten van het leefgebied voor zeldzame soorten, het verbeteren van nat leefgebied voor soorten in en om het water, het continueren van het extensieve, gifvrije beheer en het creëren van ecologische verbindingszones tussen gelijke of aan elkaar verwante leefgebieden. De gemeente wil dat een grote verscheidenheid aan planten en diersoorten ook in de toekomst in de stad aanwezig is en dat de bewoners deze blijft waarderen. Tegelijk met de Visie Biodiversiteit is een Groenkaart ontwikkeld en heeft de gemeenteraad de nota “Bomenbeleid” vastgesteld. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.
Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.
Bij de voorbereiding van de ruimtelijke onderbouwing moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid‐Holland In de provincie Zuid‐Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine
Rho adviseurs voor leefruimte
051804B.20171842
55
watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen in beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebied betreft De Wilck en is gelegen op ca. 6 km afstand. Dit gebied is niet stikstofgevoelig. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000‐gebied betreft Meijendel en Berkheide en is gelegen op 13,5 km van het plangebied. Het plangebied is daarnaast niet gelegen in NNN‐gebied of weidevogelgebied. Vanwege de afstand tot natuurgebieden zal de ontwikkeling niet leiden tot negatieve effecten als areaalverlies, versnippering, effecten op de waterhuishouding of verstoring. Daarnaast zijn stikstofberekeningen uitgevoerd voor zowel de gebruiksfase (bijlage 7) als de aanlegfase (bijlage 8). De berekeningen zijn toegelicht in een memo (bijlage 9) Zowel voor de gebruiksfase als voor de aanlegfase wordt geen depositiebijdrage binnen Natura 2000‐gebieden berekend. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot significante negatieve effecten. Er is geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming vereist. Soortenbescherming De huidige ecologische waarden worden vastgesteld aan de hand van een quickscan.
Adviesbureau Stadsnatuur heeft een quickscan flora‐ en fauna uitgevoerd welke is toegevoegd in bijlage 10. Op basis van deze quickscan wordt geconcludeerd dat: Werkzaamheden in het plangebied effect kunnen hebben op broedvogels binnen het plangebied, werkzaamheden dienen aldus buiten het broedseizoen plaats te vinden. Het plangebied biedt geen potenties als essentieel foerageergebied en bezit daarnaast geen potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen. Algemene zoogdieren en amfibieën kunnen wel potentieel aanwezig zijn binnen het plangebied, echter voor dergelijke soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen. De bepalingen uit de zorgplicht blijven echter van toepassing. Het plangebied bezit een zeer kleine potentie als onderdeel van het leefgebied van de rugstreeppad. Door op voorhand mitigatiemaatregelen te nemen wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. De aanwezige biotopen bieden geen potenties voor de aanwezigheid van beschermde flora. Aanwezigheid van beschermde soorten uit overige soortgroepen wordt op basis van de aanwezige biotoop op voorhand uitgesloten. Aangeraden wordt om de voorbereidende werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels uit te voeren. Dit seizoen loopt van grofweg 1 maart tot 1 juli. Dit is met name van toepassing bij werkzaamheden waarbij de ruderale vegetatie en de houtige beplanting wordt aangetast.
Daarnaast wordt aangeraden om het terrein aan de zijde van de Galvanistraat te voorzien van een paddenscherm om eventuele vestiging van de rugstreeppad te voorkomen. Op 5 maart 2018 is door de Omgevingsdienst Haaglanden een ontheffing verleend voor het opzettelijk vangen en verstoren van de rugstreeppad, het opzettelijk vernielen of rapen/afvangen van eieren van de rugstreeppad, het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de rugstreeppad, het onder zich hebben en anders dan voor verkoop te vervoeren en het uitzetten van de rugstreeppad. Deze ontheffing is geldig tot en met 31 december 2022. Conclusie Door de werkzaamheden uit te voeren conform de richtlijnen uit de gedragscode van gemeente Zoetermeer wordt redelijkerwijs vermijdbare schade aan planten en dieren op voorhand voorkomen. Daarmee wordt tevens voldaan aan de zorgplicht uit de Wet natuurbescherming. Indien rekening wordt gehouden met het bovenstaande leidt de voorgenomen ontwikkeling niet tot significante effecten op
Rho adviseurs voor leefruimte
051804B.20171842
56
beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.