Bijlage 1 - Bestemmingsplan toelichting
Tekst van het document
Relatie tot het plangebied In paragraaf 4.3 Verkeer en vervoer van voorliggend plan wordt nader ingegaan op het aspect parkeren en wordt het vastgestelde parkeerbeleid nader beschouwd.
Cadenza 2 versie vastgesteld
24/67
2.4.12 Actieplan Fiets 2014 Zoetermeer kent een fijnmazig uitgebouwd fietsroutenetwerk. de gekozen stedenbouwkundige opzet van de stad zorgt voor een solitair, vrijliggend en barrièrevrij fietsnetwerk en daardoor een voor fietsers snelle, verkeersveilige en comfortabele bereikbaarheid van de voorzieningen, winkel- en werkgebieden, onderwijslocaties en woonwijken onderling. Desondanks bestaan er nog diverse hindernissen die de gemeente graag wegneemt. Met het Actieplan Fiets wil Zoetermeer de bewuste keuzemogelijkheden voor de verschillende vervoerswijzen vergroten door de laatste hindernissen weg te nemen en het fietsgebruik onder zowel bestaande als nieuwe inwoners en bezoekers verder stimuleren. Relatie tot het plangebied Rondom het plangebied zijn veel fietspaden gelegen, zoals op onderstaand figuur 2.6 wordt weergegeven. Direct grenzend aan het plangebied is een 'verbindend fietsnetwerk' aanwezig die in zowel een 'hoofdfietsnetwerk' als 'verbindend fietsnetwerk selectief toegankelijk' over gaat. Binnen het plangebied zijn geen ontbrekende schakels, dan wel gewenste fietsroutes gelegen.
Figuur 2.6 Uitsnede Actieplan Fiets 2014 (projectlocatie gemarkeerd als ster).
2.4.13 Waterplan Zoetermeer (2002) Het Waterplan Zoetermeer is opgesteld door de gemeente Zoetermeer tezamen met het voormalige waterschap Wilck en Wiericke (dat inmiddels deel uitmaakt van het Hoogheemraadschap van Rijnland) en het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. De doelstelling van het Waterplan Zoetermeer is het behouden en versterken van een duurzaam watersysteem. Kortom een watersysteem dat betrouwbaar, levend en boeiend is. Om ook in de toekomst een veilig en goed functionerend watersysteem in Zoetermeer te behouden, moet meer ruimte voor water worden gerealiseerd. In het Waterplan Zoetermeer is afgesproken dat bij herontwikkeling gestreefd wordt naar het realiseren van extra water in het gebied dat (her)ontwikkeld wordt. In het stedelijk gebied wordt daarnaast ingezet op het vertragen van piekafvoeren, onder meer door het toepassen van open verharding of het realiseren van vegetatiedaken. Een ander aandachtspunt uit het Waterplan is de waterkwaliteit. De kaderrichtlijn water (KRW) voorziet in het verbeteren van de waterkwaliteit. Er wordt gestreefd naar een waterkwaliteit, die minimaal voldoet aan de landelijk geldende normen en ook een aantrekkelijk leefgebied vormt voor plant en dier.
Hiervoor is het van belang dat geen uitlogende, milieubelastende materialen, zoals zink, koper en lood, worden toegepast in oppervlakken welke direct of via het schoonwaterriool afwateren naar het oppervlaktewater. Lange duikers hebben een negatief effect op de waterkwaliteit, omdat het water aan licht en lucht onttrokken wordt. Bovendien is het water in duikers niet zichtbaar. In het Waterplan
Cadenza 2 versie vastgesteld
25/67
wordt er dan ook naar gestreefd waterpartijen zoveel mogelijk via open water met elkaar te verbinden. Relatie tot het plangebied In paragraaf 5.4 Water wordt dit aspect nader beschouwd. 2.4.14 Programma Duurzaam Zoetermeer 2030 De klimaatveranderingen, de groei van Zoetermeer en de toenemende luchtvervuiling vragen om maatregelen. In het programma Duurzaam Zoetermeer (uitvoeringsprogramma 2012-2016) zijn maatregelen opgenomen om Zoetermeer te verduurzamen. De ambities zijn hoog: Zoetermeer wil tot de tien duurzaamste gemeenten van Nederland behoren. Zoetermeer zal een groene, schone en milieuvriendelijke stad moeten zijn, waarin we zuinig zijn op natuurlijke hulpbronnen en de beschikbare groene ruimte. Duurzaam Zoetermeer geeft hier op een praktische manier invulling aan, samen met lokale milieuorganisaties, het bedrijfsleven en de inwoners van Zoetermeer. De doelstellingen voor 2030 zijn: een gezond leefmilieu in Zoetermeer: in 2030 komt langs de hoofdwegen geen ernstige geluidhinder voor (< 65 dB(A)), zijn de woonwijken rustig (<55 dB(A)) en is de luchtkwaliteit 20% beter dan de huidige EU norm; Zoetermeer is in 2030 CO2-neutraal; een natuurlijk Zoetermeer: in 2030 is Zoetermeer nog steeds een gemeente met ruimte voor veel in het wild levende plant- en diersoorten.
Het beleid is erop gericht dat het aantal bijzondere soorten minimaal gelijk is gebleven aan dat van 2007; een innovatief Zoetermeer: stimuleren van innovaties die kunnen bijdragen aan een duurzame ontwikkeling. Relatie tot het plangebied Voor Stadswaarde is een gebouw pas echt duurzaam als het ook gezond is, vanuit de overtuiging dat de gebouwde omgeving kan bijdragen aan de levensstijl van haar gebruikers. Ze doen dat uiteraard door het toepassen van de laatste stand der techniek, maar ook door: (1) te zorgen voor voldoende frisse lucht, (2) gebruik te maken van haar ligging ten opzichte van de zon, (3) daglicht te laten doordringen tot in het gebouw en (4) het te maken van een natuur-inclusief ontwerp. Deze geïntegreerde aanpak is noodzakelijk: om uitputting van grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen te beperken; om voor gebruikers een duurzame en gezonde woonomgeving te maken, én om voor zowel Zoetermeer, gebruikers als investeerders duurzame waarde te realiseren: Stadswaarde. De woningen worden conform de BENG normering uitgewerkt. Om dit mogelijk te maken wordt een WKO met photovoltaïsche panelen geïnstalleerd. In het ontwerp wordt grote aandacht besteed aan de gebouwschil met hoge isolatiewaarden van glas en gevel. Het terugdringen van energiebehoefte betekent ook slim omgaan met verlichting.
Met sterke nadruk op beperking van lichtverontreiniging naar de omgeving en met bewuste aansturing op basis van het moment van de dag, wordt het dagritme beter ervaren. Naast het beperken van de energievraag door de schil, wordt tevens energie teruggewonnen. Door maatregelen als warmteterugwinning uit ventilatiesystemen. Er zijn veel verschillende inzichten in de wijze waarop circulariteit kan worden aangevlogen. Stadswaarde probeert circulariteit zo concreet mogelijk te maken en hanteert de volgende drie pijlers in haar besluitvorming: 1. Minder materiaalgebruik in alle fasen. ( Voor de gevel van de hoogbouw wordt gezocht naar een light weight gevelbeplating, gemaakt van duurzaam materiaal. De lichtere gevelconstructie zorgt ervoor dat er minder beton nodig is om het gebouw te dragen.). 2. Zoveel mogelijk gebruik van onuitputtelijke bronnen. (De gevel van de onderbouw zal een
Cadenza 2 versie vastgesteld
26/67
meer traditioneel karakter krijgen en zal bestaan uit metselwerk en drie dubbel glas.) 3. Zo efficiënt mogelijk gebruik van eindige bronnen.(Het is niet nodig om gebruik te maken van (fossiele) delfstoffen als er alternatieven voorhanden zijn. Het toepassen van een WKO-installatie draagt daar uiteraard al stevig aan bij. Ook in de materialisering wordt bij iedere beslissing de afweging gemaakt of alle mogelijkheden zijn benut om fossiele grondstoffen te vermijden.) Tot slot is in paragraaf 2.2.4 Convenant klimaatadaptief bouwen in Zuid-Holland reeds aangetoond dat het plan veel maatregelen neemt om de biodiversiteit binnen het plangebied te vergroten. Het plan sluit hiermee aan bij de ambities van gemeente Zoetermeer op het gebied van duurzaamheid. 2.4.15 Beleidskader Ruimte geven! De Speelruimtenota 2016-2026 'Ruimte geven!' is opgesteld om voldoende speelruimte in relatie tot de leeftijdsopbouw en stedenbouwkundige opzet van de wijken te kunnen garanderen. Uit de inventarisatie blijkt dat er in het centrum in de huidige situatie voldoende speelplekken aanwezig zijn in vergelijking met het basisvoorzieningen-niveau. Er is wel sprake van te kleine en weinig uitdagende speelplekken. Relatie tot het plangebied Het project ligt in het stadscentrum en gaat niet ten koste van bestaande speelplekken. In de omgeving van het plangebied zijn voldoende speelplekken aanwezig.
2.4.16 Welstandsnota In april 2012 is de nieuwe Welstandsnota Zoetermeer van kracht geworden. In de Welstandsnota staan de criteria waarop de Stadsbouwmeester zijn advies over bouwplannen baseert. Er worden drie beleidsniveaus onderscheiden, die aan een gebied kunnen worden toegekend, te weten; intensief, regulier en een luw welstandsbeleid. Deze drie niveaus geven de kwalitatieve ambities en de mate van vrijheid aan in het omgaan met de bestaande structuur en het bebouwingsbeeld, stedenbouwkundig en architectonisch. Ze zijn vertaald in algemene criteria, die naar gelang het niveau hoger is, uitgebreider worden. Relatie tot het plangebied Het plangebied grenst direct aan het centrumgebied waar een intensief welstandsbeleid van kracht is. Voor het plangebied zelf geldt het regulier welstsandsbeleid, zoals op onderstaand figuur 2.7 wordt weergegeven.
Cadenza 2 versie vastgesteld
27/67
Figuur 2.7 Uitsnede Welstandsnota Zoetermeer.
Binnen het reguliere welstandsbeleid geldt dat een bouwwerk of verbouwing voldoet aan redelijke eisen van welstand wanneer: 1. het volume, maat, schaal en verschijningsvorm past in zijn omgeving en daarmee in harmonie is (verwantschap) of zorgvuldig contrasteert; 2. het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de openbare ruimte; 3. het zich duidelijk herkenbaar richt op zijn omgeving en zich daar niet vanaf keert; 4. het is afgestemd op stedenbouwkundige en architectonische typologie van het gebied; 5. het evenwicht en beheerst is vormgegeven in goede maatverhoudingen en compositie van de onderdelen, daarin begrepen het materiaalgebruik, de constructie en het daklandschap; 6. het rekening houdt met de vorm, de kleur en het materiaalgebruik van de omliggende gebouwen; 7. het consistent is in de gekozen bouwstijl. Welstandsintensief beleid geldt voor: het winkelgebied (het Stadshart). Het gebied is in cultuurhistorisch opzicht waardevol als zeer vroeg voorbeeld van dubbel grondgebruik en vanwege het goed uitgewerkte concept van een moderne ‘historische’ binnenstad. Belangrijke nieuwe ontwikkelingen zijn de komst van meer hoogbouw en cultuur én het verbeteren van het verband met de Dorpsstraat. Er gelden aanvullende specifieke (gebieds)criteria.
Het zich rekenschap geven van: de betekenis voor het grotere geheel van de stad; het verband met direct omringende gebieden; de duidelijke herkenbaarheid van stadsranden; de sky line van de stad, als het gaat om toevoeging van hoogbouw; de kwetsbaarheid van de openbare ruimte, met name ook de ‘onderwereld’. Voor de Dorpskern en het Stadscentrum zijn in de Welstandsnota ook gebiedsbeschrijvingen opgenomen met aanvullende specifieke (gebieds)criteria ten aanzien van het ontwerp en de
Cadenza 2 versie vastgesteld
28/67
relatie tot de omgeving. De aanvullende speciefieke (gebiedscriteria) zijn te weten: 1. 2. 3. 4. 5.
de betekenis voor het grotere geheel van de stad; het verband met direct omringende gebieden; de duidelijke herkenbaarheid van stadsranden; de sky line van de stad, als het gaat om toevoeging van hoogbouw; de kwetsbaarheid van de openbare ruimte, met name ook de ‘onderwereld’.
Het beoogde bouwplan zal aan bovenstaande criteria getoetst worden en vindt zijn weg in het traject van de omgevingsvergunning. 2.5
Conclusie beleid
Het voorgenomen plan is getoets aan het geldende Rijks-, provinciale-, regionale- en gemeentelijk beleid. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het plan niet in strijd is met het geldende beleid. Het plangebied is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied en er zijn geen nationale belangen van invloed. Het plan voorziet in woningbouw en derhalve wordt een bijdrage geleverd aan de bestaande vraag naar woningen en wordt bijgedragen aan de schaalsprong.
Cadenza 2 versie vastgesteld
29/67
Hoofdstuk 3 3.1
Bestaande situatie
Ontstaansgeschiedenis
Zoetermeer is ontstaan rondom de Dorpsstraat. Uit opgravingen blijkt dat er al in de 13de eeuw mensen aan de Dorpsstraat woonden. Sinds die tijd ontwikkelde de Dorpsstraat zich tot een belangrijk verkeersknooppunt. De straat maakte namelijk onderdeel uit van de doorgaande weg tussen Den Haag en Gouda en kruiste de vaarroute tussen Leiden en Delft. De knooppuntfunctie is van grote economische betekenis geweest voor de Dorpsstraat. Verschillende handels- en nijverheidsbedrijfjes vestigden zich aan de Dorpsstraat. In de jaren '50 van de vorige eeuw, nog voordat Zoetermeer de status van groeikern kreeg, is de eerste uitbreidingswijk van Zoetermeer gebouwd: het Dorp. De Dorpsstraat vormde in die jaren het voorzieningencentrum van het Dorp. In de jaren '70 begon de planvorming voor de bouw van een nieuw stadscentrum. Er werd gekozen voor een structuur van een historische binnenstad. Smalle straten met beschutte plekken met een mix van winkels, woningen, bedrijven en recreatieve voorzieningen. Een bijzonder element in het plan was een maaiveld op palen voor het langzaam verkeer en winkelend publiek. Het autoverkeer, het parkeren en de Zoetermeerse stadslijn kregen een plek onder het verhoogde maaiveld en aan de randen van het centrum.
Verder werd besloten dat de Dorpsstraat geen onderdeel zou uitmaken van het nieuwe stadscentrum, maar als voorzieningencentrum voor de wijk Dorp zou blijven fungeren. Het vergroten van de Dobbe was onderdeel van dit besluit. Vanaf begin jaren' 80 vorderde de bouw van het nieuwe stadscentrum gestaag. Naast het winkelgebied met erboven gelegen woningen en kantoren werd aan de oostzijde een nieuwe woonbuurt gebouwd; de Griekse buurt. In de jaren '90 volgde de bouw van het stadstheater, de bioscoop, de realisatie van verschillende woontorens en een winkelgalerij langs de Warande. Al deze centrumontwikkelingen kregen de naam 'Stadshart Zoetermeer'. In de tweede helft van de jaren '90 kwam min of meer los van het Stadshart nog een nieuwe centrumontwikkeling tot stand: het Woonhart aan de Europaweg. Het Woonhart bestaat uit een concentratie van grootschalige detailhandelszaken gericht op het thema 'wonen' met daarboven een aantal appartemententorens. 3.2
Ruimtelijke en functionele analyse plangebied
Het plangebied is gelegen aan de rand van het Stadscentrum van de gemeente Zoetermeer. Het Stadscentrum vormt een compacte driehoekige ruimte in het centrum van Zoetermeer, dat werd ingevuld na de bouw van de eerste zes wijken. Het bestaat uit een centraal winkelgebied, aangeduid met de niet-officiële term Stadshart, een woonbuurt, een kantorenstrook en een centrum voor grootschalige detailhandel (het Woonhart). Het is een omgeving met een daarbij behorende stedelijke uitstraling. Het stadshart fungeert als gemakscentrum, waar alles te koop is en waar men snel en gemakkelijk de (dagelijkse) aankopen kan doen. Tevens zijn meerdere horecavoorzieningen aanwezig. Het stadscentrum heeft een sterke oost-west gerichte structuur. De Promenade vormt hierin de centrale ontwikkelingsas. Aan de primaire winkelstraat zijn dan ook de meeste en belangrijkste winkels gevestigd. Voor het optimaal functioneren van een langgerekte winkelstructuur zijn aan beide uiteinden krachtige publiekstrekkers noodzakelijk. Dit zorgt voor een evenwichtige voetgangersstroom. Aan de westzijde functioneert het (bus)station en Spazio (shoppingcenter) als trekker. Het plangebied is gelegen aan de oostzijde en het markante gebouw zal dienen als trekker in dit gebied.
Cadenza 2 versie vastgesteld
30/67
3.3
Cultuurhistorie en archeologie
Op basis van de Beleidskaart van Zoetermeer blijkt dat het plangebied niet staat aangemerkt als archeologisch beschermd. Tevens kent het plangebied op basis van het vigerende bestemmingsplan geen dubbelbestemming 'Waarde - archeologie'. Het aspect archeologie vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde woningbouwontwikkeling ter plaatse van het plangebied.
Figuur 3.1 Uitsnede Beleidskaart archeologie Zoetermeer (plangebied als ster gemarkeerd).
Het plangebied is in de huidige situatie onbebouwd en braakliggend. Er zijn ter plaatse geen gemeentelijke-, provinciale dan wel Rijksmonumenten aanwezig. Het aspect cultuurhistorie vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling waar voorliggend plan in voorziet. In het geval van een vondst waarvan redelijkerwijs wordt vermoed dat het een archeologische vondst betreft, dan wordt dit op grond van artikel 5.10 Erfgoedwet zo spoedig mogelijk gemeld (Algemene meldingsplicht).
Cadenza 2 versie vastgesteld
31/67
Hoofdstuk 4 4.1
Beschrijving plan
Projectplan
De raad van de gemeente Zoetermeer heeft de uitgangspunten voor de locatie 'Cadenza 2'', gelegen aan de Italiëlaan tussen 'Cadenza I' en 'Casa Italia', op 5 maart 2018 vastgesteld. Het plan voorziet in de realisatie van een woontoren met een hoogte van 70 meter, met een mogelijkheid om plus of min 10% daarvan af te wijken. De hoogte bedraagt dus minimaal 63 en maximaal 77 meter. Voor de woontoren is een zoekgebied opgenomen. De voetprint van de toren mag maximaal 660 m2 bedragen. Voor het overige deel van het plangebied geldt een maximale bouwhoogte van 19,5 meter. In dit deel zijn woningen en parkeergelegenheid toegestaan. In de plint van het gebouw zijn daarnaast ook maatschappelijke en commerciële functies toegestaan, met uitzondering van detailhandel en horeca. Voor het ontwerpbestemmingsplan is rekening gehouden met een redelijke invulling van de planologische maximale invulling. Hiermee kunnen de maximale ruimtelijke effecten t.a.v. bijvoorbeeld parkeren en verkeersgeneratie inzichtelijk worden gemaakt en kan worden aangetoond dat het plan ruimtelijk inpasbaar is. Het voorlopige indicatieve programma waar in dit bestemmingsplan mee gerekend wordt, is: 61 jongeren woningen < 50 m2; 27 koopappartementen van 100 m2; 142 huurappartementen van gemiddeld 70 m2; Maatschappelijke en/of commerciële ruimte:circa 297 m2,inclusief ondergeschikte horeca. 4.2
Ruimtelijke inpassing
Stedenbouwkundige inpassing Het plangebied is gelegen aan de rand van het Stadshart, een omgeving met een stedelijke uitstraling. Als uitgangspunt geldt dat de bebouwing, programmatische invulling en inrichting van de openbare ruimte van het plangebied aan dient te sluiten bij de stedelijke centrumsfeer. Deze wordt gekenmerkt door een intensieve binnenstedelijke bebouwing. Het Stadshart omvat een mix aan stedelijke functies, waaronder wonen, winkels, horeca, kantoren, het Stadhuis en diverse bus- en randstadrailhaltes. Er is één doorgaande route, die in oost-westrichting door het Stadshart loopt. Het winkelgebied wordt aan de westelijke zijde begrensd door Centrum-West en aan de oostelijke zijde door Cadenza I. De gebouwen staan aaneengesloten langs smalle straten. Een groot deel van de woningen in het Stadscentrum betreft appartementen met een hoogstedelijk karakter. Aan de oostzijde van het plangebied is het bestaande vastgoed reeds getransformeerd tot woongebouw met jongerenappartementen. 4.3
Verkeer en vervoer
4.3.1
Autoverkeer
In Zoetermeer worden de wegen volgens het principe van Duurzaam Veilig vormgegeven. Dit is vastgelegd in de Nota Duurzaam Veilig 1e fase uit 1998 en het Actieplan Verkeersveiligheid 2013. Het betekent dat wegen worden verdeeld in wegcategorieën. Aan deze wegcategorieën zijn snelheid, gebruik en inrichting gekoppeld. Doel is het verhogen van de herkenbaarheid en de verkeersveiligheid. De volgende wegcategorieën worden onderscheiden: Stroomwegen Stroomwegen zijn onderdeel van het hoofdwegennet van Zoetermeer. De wegen hebben als functie het snel afwikkelen van grote hoeveelheden doorgaand verkeer. Deze wegen verbinden wijken met elkaar en leiden het verkeer naar de A12 en de provinciale wegen. De maximum
Cadenza 2 versie vastgesteld
32/67
toegestane snelheid op stroomwegen bedraagt 70 km/uur. Daarnaast fungeert de Rijksweg A12 als stroomweg op het schaalniveau van het Rijk. Langzaam verkeer wordt niet via de stroomwegen afgewikkeld en kruist de stroomwegen uitsluitend ongelijkvloers of via verkeerslichten (verkeersregelinstallaties). Gebiedsontsluitingswegen Gebiedsontsluitingswegen hebben als functie het verdelen en verzamelen van verkeer en woningen en bedrijven bereikbaar te maken. Het langzaam verkeer moet zoveel mogelijk gebruik maken van vrijliggende fiets- en voetpaden. Er is geen parkeergelegenheid op of terzijde van de rijbaan. De maximum snelheid bedraagt 50 km/uur. Er wordt binnen de gemeente Zoetermeer onderscheid gemaakt tussen 'drukke gebiedsontsluitingswegen' en 'stille gebiedsontsluitingswegen', waarbij het onderscheid o.a. gemaakt wordt door de verkeersintensiteit (meer respectievelijk minder dan ongeveer 6.000 motorvoertuigen per etmaal). Erftoegangswegen Dit type wegen is onderdeel van een woon- of verblijfsgebied en heeft als belangrijkste functie het rechtstreeks ontsluiten van particuliere en openbare percelen. Op erftoegangswegen staat de verblijfsfunctie voorop en niet de verkeersfunctie. Er is geen sprake van een hoog percentage doorgaand verkeer. Fietsers rijden in principe over de rijbaan. Dit type wegen heeft een 30 km/h regime of is een woonerf.
De interne wegen binnen het plangebied zullen bestaan uit erftoegangswegen met een 30 km/h regime. Relatie tot het plangebied Het plangebied is gelegen aan de Italiëlaan welke via de Denemarkenlaan aansluiting geeft op de Europaweg. Op deze wegen is een maximale snelheid toegestaan van 50 km/uur. In de uitgangspunten is vastgelegd dat de ontsluiting voor auto's niet direct vanaf de Italiëlaan mag plaats vinden en evenmin aan de zijde van de parkeergarage van Cadenza I. De ontsluiting dient naast Casa Italia plaats te vinden op de hier reeds aanwezige toegangsweg. Het plangebied wordt aangemerkt als 'zeer sterk stedelijk gebied' als onderdeel van het Centrum van Zoetermeer. Op basis van de beschreven uitgangspunten in paragraaf 4.1 (voorlopige indicatieve programma) en de CROW-publicatie 317 is de verkeersgeneratie berekend. De verkeersgeneratie bedraagt in totaal 536 motorvoertuigbewegingen per etmaal (mvt/etmaal). Het totale aantal is als volgt onderverdeeld: Voor de 61 jongerenwoningen en 142 appartementen van gemiddeld 70 m2 is aangesloten bij het type 'huur, etage, midden/goedkoop', (norm 1,6 per eenheid). De verkeersgeneratie bedraagt 325 mvt/etmaal. De verkeersgeneratie van de 27 koopappartementen van 100 m2 bedraagt 143 mvt/etmaal. Hierbij is uitgegaan van dure koop (norm 5,3 per eenheid). Voor de maatschappelijk c.q.
commerciële ruimte in de plint van circa 300 m2 is aangesloten bij het type kinderdagverblijf met een bijbehorende verkeersgeneratie van 22,7 per 100 m2 bvo binnen. De verkeersgeneratie bedraagt zodoende 68 mvt/etmaal. Een verkeersgeneratie van 536 mvt/etmaal is nog goed af te wikkelen via het aanwezige wegennet. Aanvullende infrastructurele ingrepen zijn dan ook niet nodig als gevolg van de planontwikkeling. 4.3.2
Fietsverkeer
Zoetermeer beschikt over een fietsnetwerk dat bestaat uit een hoofdnetwerk, een verbindend netwerk en overige onderliggende voedende fietsroutes. Deze functionele indeling is doelmatig, omdat hierdoor een bepaalde hiërarchie tussen verschillende fietsroutes wordt aangeduid. Ook de daarmee samenhangende kwaliteitscriteria zijn anders. Om het fietsen aantrekkelijk te maken, moeten beide fietsnetwerken aan een aantal kwaliteitseisen voldoen. Op basis van het Actieplan fiets 2014-2030 blijkt dat in Zoetermeer goede condities aanwezig zijn voor verdere verhoging van het fietsgebruik. Het doel van Zoetermeer (en het Stadsgewest
Cadenza 2 versie vastgesteld
33/67
Haaglanden) is om het aantal fietsverplaatsingen in 2030 te laten stijgen met 50% ten opzichte van 2012. Dit kan eveneens leiden tot een toename van het aandeel fiets in de vervoerwijzekeuze (modal split) van enkele procenten. Om deze ambitie te realiseren wordt ingezet op gerichte acties en maatregelen om het fietsgebruik onder de verschillende doelgroepen te verhogen. In paragraaf 2.4.12 Actieplan Fiets 2014 is het bestaande fietsnetwerk rondom het plangebied reeds beschreven. 4.3.3
Openbaar vervoer
Railgebonden openbaar vervoer De dragers van het openbaar vervoer in Zoetermeer zijn de spoorlijn Den Haag - Gouda en de RandstadRaillijnen 3 en 4. Daarnaast rijden binnen de gemeente Zoetermeer bussen. RandstadRail is een netwerk van sneltramverbindingen in de regio Haaglanden/Rotterdam. Op de halte Leidschenveen kan overgestapt worden op de lijn naar Rotterdam. In een straal van 200 meter van het plangebied zijn meerdere bushaltes gelegen. Aan de westzijde van het Stadshart bevindt zich bus- en randstadrailhalte Centrum West. Binnen circa 500 meter loopafstand ligt de randstadrailhalte Zoetermeer. Tevens is het treinstation Zoetermeer eenvoudig per fiets te bereiken. 4.3.4
Parkeren
Op 16 december 2019 heeft de gemeenteraad de Actualisatie Parkeerbeleid Zoetermeer 2019 en de Nota Parkeernormen en uitvoeringsregels Zoetermeer 2019 vastgesteld. In het geactualiseerde parkeerbeleid zijn de laatste inzichten ten aanzien van het parkeren en de toetsing op parkeernormen meegenomen. Voor alle functies zijn duidelijke vaste minimale parkeernormen per zone opgenomen. Hiervan kan niet naar beneden afgeweken worden. Voor zeer kleine woonvormen, jongerenwoningen, studentenwoningen, zorgwoningen en sociale/goedkope huurwoningen zijn specifieke parkeernormen opgenomen. Hiermee is het parkeerbeleid doelgroepgericht. Verder verschilt de parkeernorm bij nieuwe ontwikkelingen afhankelijk van de locatie in de stad waar deze ontwikkeling wordt voorzien. Het parkeerbeleid is gebiedsgericht. Rekening is gehouden met een hoog, gemiddeld of laag autobezit, gebiedskenmerken zoals OV-bereikbaarheid, aanbod aan voorzieningen alsmede de ambities voor het gebied in de toekomst vanuit gewenst ruimtegebruik, duurzaamheid en leefbaarheid. De op basis van het parkeerbeleid uit 2019 te hanteren acceptabele loopafstanden voor de verschillende functies binnen de zones zorgen voor een ruimer zoekgebied, waardoor meer openbare ruimte beschikbaar blijft voor groen, speelplekken, fietsers en voetgangers. Daarbij wordt ook rekening gehouden met aanwezige vervoersalternatieven zoals OV en fiets.
Het geactualiseerde parkeerbeleid maakt verder de inzet van deelmobiliteit mogelijk bij nieuwe projecten en legt ook fietsparkeernormen vast. Hiermee wordt de inzet van deelauto's en deelfietsen en het gebruik van eigen fietsen in Zoetermeer gestimuleerd. De exacte parkeernorm hangt daarbij telkens af van de oppervlakte van de woning of het type woning zodat afhankelijk van de invulling van de ontwikkeling maatwerk tot stand komt en de uiteindelijke gemiddelde parkeernorm per project kan verschillen. Uitgangspunt is “sturen” waar dat moet en “vraagvolgend” waar dat kan. In zone A wordt dan ook “sturend” parkeerbeleid gevoerd waarbij de parkeernorm lager is dan in Zone B en Zone C. In zone B en zone C is de norm meer “vraagvolgend”. Zone A, een centrumgebied met een lage autoafhankelijkheid welke zich kenmerkt door; hoogwaardige OV-knooppunten in de directe nabijheid met RandstadRailhalte of treinstation op loopafstand en busdiensten die verbinding geven met minimaal 1 treinstation de aanwezigheid van goede fietsinfrastructuur en centrale grootschalige fietsstallingen
Cadenza 2 versie vastgesteld
34/67
een ruim aanbod aan (dagelijkse)voorzieningen en zorgvoorzieningen. een gemiddeld autobezit van < 0,90 auto per huishouden in de afgelopen 5 jaar. Zone B, een gebied in de schil van het centrumgebied, met een gemiddelde autoafhankelijkheid welke zich kenmerkt door: een goede OV-bereikbaarheid met een RandstadRailhalte en/of busdiensten die verbinding geven met minimaal 1 hoogwaardig OV-knooppunt in het centrumgebied de aanwezigheid van goede fietsinfrastructuur een voldoende aanbod aan (dagelijkse) voorzieningen een gemiddeld autobezit van 1,00 auto per huishouden in de afgelopen 5 jaar. Zone C, een gebied met een hoge autoafhankelijkheid dat zich kenmerkt door: relatief weinig openbaar vervoer aanbod in de directe nabijheid de aanwezigheid van goede fietsinfrastructuur maar met grotere fietsafstanden naar centrumgebied een relatief laag aanbod aan (dagelijkse) voorzieningen. een gemiddeld autobezit van > 1,10 auto per huishouden in de afgelopen 5 jaar. Het plangebied is gelegen binnen parkeernormzone A (het Stadshart en het Entreegebied).
Figuur 4.3 Uitsnede Parkeernota 2019.
De parkeernormen zoals vastgelegd in de Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels 2019 worden op onderstaand figuur 3.3 weergegeven.
Cadenza 2 versie vastgesteld
35/67
Figuur 4.4 Uitsnede Parkeernota en Uitvoeringsregels 2019 (autoparkeernormen functie 'wonen').
Figuur 4.5 Uitsnede Parkeernota en Uitvoeringsregels 2019 (fietsparkeernormen functie 'wonen').
Tevens zijn in de Nota 2019 normen vastgelegd ten aanzien van fietsparkeren. Als uitgangspunt geldt dat het plan ten minste in de realisatie van 60 jongerenwoningen voorziet. Onder jongerenwoning wordt in de Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels 2019 het volgende verstaan: "Een volwaardige woning die bewoond wordt door een persoon in de leeftijd van 18 tot maximaal 26 jaar. De initiatiefnemer dient bij de aanvraag omgevingsvergunning aantoonbaar en controleerbaar te maken dat deze leeftijdsgrens in de verhuur van de woning wordt toegepast." Middels artikel 6.1 van onderhavig bestemmingsplan is geborgd dat het bevoegd gezag slechts een omgevingsvergunning kan verlenen indien voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd wordt en getoetst is aan de Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels 2019.
Cadenza 2 versie vastgesteld
36/67
Hoofdstuk 5 5.1
Milieu en leefkwaliteit
Geluidhinder
De Wet geluidhinder, en het hierop gebaseerde Besluit geluidhinder, bevatten normen en regels ter voorkoming of beperking van geluidhinder ten gevolge van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai, industrielawaai afkomstig van een gezoneerd industrieterrein. Aangegeven wordt welke objecten bescherming genieten tegen geluid. Naast woningen gaat het onder meer om scholen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, psychiatrische ziekenhuizen. Woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonschepen worden aangemerkt als geluidsgevoelige terrein. 5.1.1
Akoestisch onderzoek
Verplicht akoestisch onderzoek Bij de realisatie van woningen en overige geluidgevoelige objecten dient een akoestisch onderzoek te worden verricht waarin wordt aangetoond dat aan de geluidnormen krachtens de Wet geluidhinder wordt voldaan. Onderscheid wordt gemaakt tussen bestaande en nieuwe situaties. Voor nieuwe situaties gelden er strengere normen dan voor bestaande. Omdat de geluidsbelasting afneemt bij een toenemende afstand heeft de wetgever geluidszones gedefinieerd, een soort aandachtsgebieden, waarbinnen akoestisch onderzoek dient te worden verricht. Zonering Wegen, spoorwegen en zoneringsplichtige industrieterreinen kennen geluidszones. De geluidszone is het afgebakende gebied waarbinnen normen en grenswaarden van de Wet geluidhinder en de daarbij behorende uitvoeringsbesluiten van toepassing zijn. De omvang van de geluidszones voor wegverkeer zijn afhankelijk van het aantal rijstroken en zijn vastgelegd in de Wet geluidhinder. Bij railverkeer zijn de zonebreedtes eveneens landelijk bepaald. Deze zijn vastgelegd in het Besluit geluidhinder. Voor een zoneringsplichtig industrieterrein wordt de geluidszone voor ieder afzonderlijk industrieterrein vastgesteld. Deze geluidszone wordt vastgesteld door middel van Zonebesluit en vastgelegd op een zonekaart of door middel van een bestemmingsplan, waarbij de zone wordt vastgelegd op de bestemmingsplankaart.
Niet ieder industrieterrein is zoneplichtig. Zoneringsplichtig zijn alleen dié industrieterreinen waarop bepaalde soorten bedrijven die veel lawaai veroorzaken aanwezig zijn of zich kunnen vestigen. In onderdeel D, Bijlage 1 Besluit omgevingsrecht zijn de "grote lawaaimakers" volgens de Wet geluidhinder aangewezen. De geluidszonering van vliegvelden is gebaseerd op het werkelijke gebruik van die vliegvelden. De zonering is vastgelegd in zonekaarten per vliegveld. Het Zoetermeers grondgebied ligt niet binnen een geluidszone van een vliegveld. Normstelling De normstelling onderscheidt voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. De voorkeursgrenswaarde wordt voor alle (nieuwe) situaties nagestreefd. Realisatie hiervan is echter niet altijd mogelijk. De wet biedt de mogelijkheid om ontheffing te verkrijgen van de voorkeursgrenswaarde tot de maximale ontheffingswaarde. Hogere waarde procedure Als uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting de voorkeursgrenswaarde overschrijdt, moet worden onderzocht of er mogelijke maatregelen zijn te treffen om het geluidsniveau terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde. Hierbij moet eerst worden gekeken naar mogelijke maatregelen bij de bron (bijvoorbeeld geluidsreducerend wegdek), dan in de overdracht (bijvoorbeeld geluidsschermen) en dan pas bij het 'ontvangend' object (bijvoorbeeld. extra gevelisolatie).
Voor het verkrijgen van een ontheffing voor een hogere waarde dient een hogere waarde procedure te worden gevoerd. Geluidbeleid gemeente Zoetermeer
Cadenza 2 versie vastgesteld
37/67
De gemeente Zoetermeer hanteert een eigen geluidbeleid bij het vaststellen van hogere waarden. Dit beleid is omschreven in het 'Beleid hogere waarden, beleid voor bouwen bij een hogere geluidbelasting' van 29 september 2009. In dit geluidbeleid wordt naast de wettelijk vastgestelde hoofdcriteria eveneens een viertal aanvullende voorwaarden omschreven op grond waarvan de hogere waarden kunnen worden verleend. Aan deze voorwaarden hoeft alleen te worden voldaan indien de voorkeursgrenswaarde met meer dan 5 dB wordt overschreden. Deze voorwaarden zijn: bij een aanvraag om bouwvergunning moet een bouwakoestisch onderzoek worden bijgevoegd en wordt getoetst of wordt voldaan aan de binnenwaarde zoals genoemd in het Bouwbesluit; bij appartementen en andere woningen dient minimaal 1 verblijfsruimte in de woning aan de geluidluwe zijde (maximaal 48 dB) te worden gerealiseerd; aan de geluidluwe zijde wordt een volwaardige buitenruimte (tuin of balkon) gesitueerd (minimaal 6 m2); het stedenbouwkundige ontwerp wordt zodanig vormgegeven dat daarbij zoveel mogelijk afscherming voor het achterliggende gebied ontstaat. Op 6 juni 2017 heeft de gemeente een aanvulling vastgesteld op het voornoemde ontheffingenbeleid, zoals omschreven in 'Afwijkingsregels hogere waardenbeleid geluid'.
Voor nieuwbouwsituaties in (krappe) binnenstedelijke omgevingen zijn de volgende beleidsregels opgenomen (citaat): de mogelijkheid om de eis van een eigen buitenruimte te laten vervangen door een gemeenschappelijke buitenruimte als er redelijkerwijs geen eigen buitenruimte voor elke woning mogelijk is; een balkon aan de geluidbelaste zijde met gesloten balkonschermen toe te staan in situaties waar een balkon aan de geluidluwe zijde niet mogelijk is; geen geluidluwe zijde te eisen in uitzonderingssituaties zoals bij hoekwoningen binnen een appartementengebouw dat is gelegen aan twee geluidbelaste wegen waardoor het niet mogelijk is om een geluidluwe zijde te realiseren. Voor onderhavig plan is door Peutz akoestisch onderzoek verricht naar het wegverkeerslawaai. De resultaten worden hieronder weergegeven.De gehele rapportage is als bijlage toegevoegd (Bijlage 1 Akoestisch onderzoek). 5.1.2
Rail- en wegverkeerslawaai
Het deel van de RandstadRail dat langs de planlocaties gelegen is, is aangegeven op de zonekaart spoorwegen en dient derhalve apart als railverkeer beoordeeld te worden. De beoordeling van de RandstadRail wordt dus getoetst aan de maximale grenswaarden voor railverkeer uit de Wet geluidhinder. Langs spoorwegen die zijn opgenomen in de zonekaart spoorwegen liggen van rechtswege zones. De breedte van deze zones is afhankelijk van het geluidproductieplafond zoals is aangegeven in het geluidregister spoor. Voor spoorwegen die wel zijn opgenomen in de zonekaart spoorwegen maar niet in het geluidregister spoor is een zonebreedte opgegeven in de regeling zonekaart spoorwegen geluidhinder. Deze zone wordt gemeten vanaf de buitenste spoorstaaf. Voor de RandstadRail in de gemeente Zoetermeer geldt een zonebreedte van 100 meter. Langs wegen liggen van rechtswege zones. De breedte van deze zones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de wegclassificatie. Ten aanzien van de wegverkeersgegevens voor wegverkeer is uitgegaan van het door de gemeente Zoetermeer aangeleverde basis wegverkeersmodel. In het basis wegverkeersmodel zijn alle intensiteiten van de relevante wegen ingevoerd op basis van het door de gemeente Zoetermeer in 2019 aangeleverde shape-bestand met verkeersprognose voor peiljaar 2030.
Hiermee zijn voor de beschouwde wegen voor de wegvakken ter hoogte van het plangebied de volgende etmaalintensiteiten gehanteerd:
Cadenza 2 versie vastgesteld
38/67
Italiëlaan: 2.970 motorvoertuigen per etmaal; Denemarkenlaan: 5.060 motorvoertuigen per etmaal; Duitslandlaan: 6.950 motorvoertuigen per etmaal; Europaweg 25.600 motorvoertuigen per etmaal; Frankrijklaan: 2.760 motorvoertuigen per etmaal; Griekenlandlaan: 1.570 motorvoertuigen per etmaal; RandstadRail lijn 3: 36, 24 en 3 bakken per uur voor de dag-, avond- en nachtperiode. De hoogste berekende geluidbelasting per weg, inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh bedraagt: Australiëweg: 49 dB; Denemarkenlaan: 42 dB; Duitslandlaan: 37 dB; Europaweg: 49 dB; Frankrijklaan: 39 dB; Griekenlandlaan: 33 dB; Italiëlaan: 54 dB. Vanuit het gemeentelijk hogere waardenbeleid gelden extra voorwaarden voor woningbouw bij een geluidbelasting van meer dan 53 dB. Uitsluitend ten gevolge van de Italiëlaan wordt op delen van het plangebied een geluidbelasting van 54 dB berekend. Met name de laagbouw is hierbij het hoogst belast. De hoogste berekende geluidbelasting op het plangebied ten gevolge van de RandstadRail bedraagt 60 dB. Vanuit het gemeentelijk hogere waardenbeleid gelden extra voorwaarden voor woningbouw bij een geluidbelasting ten gevolge van een spoorweg van meer dan 60 dB. Voor alle gevels bedraagt de berekende geluidbelasting lager dan 60 dB en zijn aanvullende voorwaarden aldus niet van toepassing. 5.1.3
Conclusie
Uit het onderzoek (Peutz, Rapportnummer OA 16345-2-RA-003 d.d. 20 september 2021) blijkt dat de berekende geluidbelasting ten gevolge van de Duitslandlaan en Denemarkenlaan ter plaatse van het plangebied ten hoogste 48 dB bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Australiëweg bedraagt ten hoogste 49 dB, waarmee de voornoemde voorkeursgrenswaarde (voor drie appartementen) wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde uit de Wet geluidhinder van 63 dB wordt niet overschreden. De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Europaweg bedraagt ten hoogste 49 dB (voor 14 appartementen), waarmee de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Italiëlaan bedraagt ten hoogste 54 dB, waarmee de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Ten aanzien van het aspect wegverkeerslawaai is de planontwikkeling mogelijk na aanvraag van een hogere waarde voor de Australiëweg (49 dB), Europaweg (49 dB) en Italiëlaan (tot en met 54 dB). Het aantal aan te vragen hogere waarden bedraagt 82 van de in totaal 226 woningen.
Van dit aantal is voor 14 woningen sprake van een geluidbelasting ten gevolge van de Italiëlaan van meer dan 53 dB, namelijk ten hoogste 54 dB. Voor geplande woningen waar de geluidbelasting ten gevolge van de Italiëlaan meer dan 53 dB bedraagt dient voldaan te worden aan de aanvullende eisen uit het hogere waardenbeleid van de gemeente Zoetermeer. Dit betekent voornamelijk dat voorzien dient te worden in een geluidluwe zijde. In hoofdstuk 4 van het akoestisch onderzoek is grafisch weergegeven voor welke appartementen (6% van het totaal aantal appartementen) dit geldt. Aangezien het eenzijdig georiënteerde appartementen betreft kan in deze situatie niet
Cadenza 2 versie vastgesteld
39/67
voorzien worden in een geluidluwe zijde. Gezien het beperkte aantal appartementen dat dit betreft (slechts 6%) zou gebruik kunnen worden gemaakt van de zogenaamde uitzonderingsregel. Gemeente Zoetermeer gaat hierin echter niet mee, zodat aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn. In hoofdstuk 5 van het akoestisch onderzoek van Peutz is een nadere beoordeling hiervan gegeven, inclusief maatregelen teneinde voor de betreffende woningen in een geluidluwe buitenruimte te kunnen voorzien. De berekende geluidbelasting ten gevolge van de RandstadRail (railverkeerslawaai) bedraagt ten hoogste 60 dB. Hiermee wordt de voorkeurswaarde van 55 dB uit de Wet geluidhinder overschreden. De maximale ontheffingswaarde uit de Wet geluidhinder van 68 dB wordt niet overschreden. Ten aanzien van het aspect railverkeerslawaai is de planontwikkeling mogelijk na aanvraag van een hogere waarde voor de spoorweg tot 60 dB. Voor 55 woningen dient een hogere waarde te worden aangevraagd. De aanvullende eisen conform het hogere waardenbeleid gelden bij een geluidbelasting vanwege een spoorweg van meer dan 60 dB en zijn derhalve hier niet van toepassing. De gecumuleerde geluidbelasting wordt aan de zuidzijde van het plangebied bepaald door het railverkeer en aan de noordzijde van het plangebied door de Italiëlaan en bedraagt ten hoogste 60 dB.
Het akoestisch woon- en leefklimaat conform de RIVM-tabel (zie hoofdstuk 2) is voor bijna alle appartementen te classificeren als 'redelijk' tot 'slecht'. Middels een relatief standaard gevelopbouw kan echter eenvoudig een goed akoestisch binnenklimaat worden gerealiseerd. Voor een klein aantal appartementen is de gecumuleerde geluidbelasting lager en wordt de geluidbelasting geclassificeerd als 'goed'. Op verzoek van de ontwikkelaar Stadswaarde is een ontwerpbesluit Hogere waarden Geluid opgesteld met daarin opgenomen de nadere voorwaarden waar het bouwplan aan zal moeten voldoen. Het ontwerpbesluit heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen, tegelijkertijd met het ontwerpbestemmingsplan. Er zijn geen zienswijzen tegen het ontwerpbesluit Hogere waarden geluid ingediend. Het college heeft het Besluit Hogere waarden geluid vastgesteld. Het besluit is opgenomen in Bijlage 2. 5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Regelgeving en beleid
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of project locatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van actuele risico's.
Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. Door adviesbureau Van der Helm Milieubeheer is een verkennend milieukundig bodem- en
Cadenza 2 versie vastgesteld
40/67
verhardingsonderzoek uitgevoerd. De resultaten worden hieronder weergegeven. De gehele rapportage is als bijlage toegevoegd (Bijlage 3 Bodem onderzoek). 5.2.2
Situatie in het plangebied
De projectlocatie ter plaatse van de Italiëlaan te Zoetermeer is in de huidige situatie braakliggend met een oppervlakte van circa 2.900 m2. Het oostelijke gedeelte van de onderzoekslocatie is met asfalt verhard. Hiernaast is een gedeelte verhard met stelconplaten, dit gedeelte loopt door het zuidelijke deel van het terrein. Het midden van de onderzoeksterrein is vermoedelijk opgehoogd gezien dit deel plaatselijk 0,5 meter hoger ligt. 5.2.3
Conclusie
Op basis van de uitgevoerde onderzoeken zijn er geen directe belemmeringen tot de voorgenomen herinrichting en geschiktheid. Hieronder wordt, per onderzoek, nog een toelichting gegeven van de onderzoeksresultaten: Verkennend milieukundig bodemonderzoek: de boven- en ondergrond is licht verontreinigd en op basis van indicatieve toetsing aan het Besluit Bodemkwaliteit is de grond indicatief 'Altijd toepasbaar'; de zintuiglijk schone grond onder de halfverharding alsmede de zandlaag direct onder de rijbaan is licht verontreinigd met minerale olie. Deze grond is op basis van het Besluit Bodemkwaliteit indicatief als klasse 'Industrie' toepasbaar; het grondwater is maximaal licht verontreinigd met de onderzochte parameters; zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest is aangetoond; de boven- en ondergrond op basis van toetsing aan het Tijdelijk Handelingskader PFAS indicatief toepasbaar is als klasse Landbouw / Natuur; voor de gemeten concentraties in de bodem (grond en grondwater), zijn op basis van de indicatieve toetsing aan de CROW 400, geen aanvullende veiligheidsmaatregelen noodzakelijk. Verhardingsonderzoek het asfaltpakket is niet teerhoudend en herbruikbaar als bouwstof; het funderingsmateriaal dat bestaat uit gebonden menggranulaat voldoet aan de samenstellingswaarde en is herbruikbaar als bouwstof. Tevens is in het funderingsmateriaal geen asbest aangetoond.
Op basis van de CROW Publicatie 400 'Werken in of met verontreinigde bodem' zijn voor de voorgenomen werkzaamheden geen aanvullende veiligheidsmaatregelen met betrekking tot de grond noodzakelijk. 5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Regelgeving en beleid
De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer, ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. Deze wijziging van de Wet milieubeheer is op 15 november 2007 in werking getreden en vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. De wijziging houdt in dat de in Nederland toegepaste koppeling tussen ruimtelijke ordening en luchtkwaliteit voor een deel wordt ontkoppeld. Dit maakt het mogelijk om niet voor elk ruimtelijk plan te hoeven toetsen aan de normen. Hierbij is met name het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) van belang. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Sinds de verlening van derogatie door de Europese Unie en de inwerkingtreding van het NSL per 1 augustus 2009 is de definitie van NIBM een
Cadenza 2 versie vastgesteld
41/67
bijdrage van niet meer dan 3% aan de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m3 van zowel PM10 als NO2. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk gemaakt kan worden dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Om versnippering van ‘in betekenende mate’ projecten in meerdere NIBM-projecten te voorkomen is een anti-cumulatieartikel opgenomen. De bijdrage van NIBM-projecten aan de luchtverontreiniging wordt binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) gecompenseerd met algemene maatregelen. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit is de kern van de Wet luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel alle ruimtelijke ontwikkelingen die 'in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als een bundeling van alle maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit.
Deze maatregelen, zowel rijksmaatregelen als lokale, meer gebiedsgerichte, maatregelen, moeten leiden tot een verbetering van de luchtkwaliteit waardoor de 'in betekenende mate' ontwikkelingen alsnog doorgang kunnen vinden. Op basis van bovenstaande volgt dat bestuursorganen een ruimtelijk plan kunnen vaststellen als: wordt voldaan aan de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden, of een plan (per saldo) niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit, of een plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt, of een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit als gevolg van een ontwikkeling wordt gecompenseerd met een verbetering door een als gevolg van dat plan optredend effect of een met het besluit samenhangende maatregel (saldering zoals bedoeld in art. 5.16 lid 1 onder b Wet milieubeheer), of de ontwikkeling is opgenomen in het NSL.
5.3.2
Toetsing beoogde ontwikkeling aan het NIBM
Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling niet in betekenende waarde uitgewerkt in concrete voorbeelden. Voor woningbouw geldt dat de realisatie van 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen niet in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Zodoende kan voor het plan, dat voorziet in de realisatie van maximaal 200 woningen, geconcludeerd worden, dat het niet in betekende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied en directe omgeving. 5.3.3
Goed woon- en leefklimaat
Met behulp van www.nsl-monitoring.nl is vastgesteld wat de achtergrondconcentraties fijnstof en stikstofdioxide zijn ter plaatse van het plangebied. Dit om te bepalen of het realiseren van de beoogde woonfunctie op deze specifieke plek in het kader van een goed leefklimaat te motiveren is, gelet op de verkeersaantrekkende werking die uitgaat van het project. Het dichtstbijzijnde rekenpunt is punt 125002 gelegen aan de Duitslandlaan. Uit de resultaten van monitoringstool blijkt dat de achtergrondconcentraties voor NO2, PM10 en PM2,5 onder de grenswaarden van 40 µg/m3 voor NO2 en PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5 liggen. Zie hiertoe onderstaand figuur 5.4.
Cadenza 2 versie vastgesteld
42/67
Figuur 5.1: achtergrondconcentraties in 2020 en 2030 (bron: www.nsl-monitoring.nl)
5.3.4
Conclusie
De beoogde ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Bovendien is sprake van een goed woon- en leefklimaat, gelet op de achtergrondconcentraties en de verkeersaantrekkende werking van het project. Luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van het plangebied. 5.4
Water
5.4.1
Regelgeving en beleid
Het Hoogheemraadschap van Rijnland is de waterkwaliteits- en waterkwantiteitsbeheerder in het plangebied. Samen met gemeente Zoetermeer en het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpener-waard heeft Rijnland het Waterplan Zoetermeer opgesteld met als doelstelling het behouden en versterken van een duurzaam watersysteem. Onder de verantwoordelijkheden vallen onder andere beveiliging tegen hoog water, peilbeheer en aan- en afvoer van water. Daarnaast wordt geadviseerd hoe om te gaan met hemelwater. In het algemeen zoekt het waterschap naar duurzame oplossingen. Uitgangspunt is dat het water zoveel mogelijk binnen een plangebied wordt vastgehouden en dat relatief schoon water ook relatief schoon blijft. Een toename van het verharde oppervlak in risicogebieden moet worden gecompenseerd met extra waterberging. Daarbij geldt dat het regenwater, dat op verharde oppervlaktes valt en schoon genoeg is (zoals van gevels en daken), zoveel mogelijk wordt vastgehouden of wordt geborgen. In verband met de waterkwaliteit dient de te realiseren bebouwing geen uitloogbare materialen toe te passen die in contact kunnen komen met het hemelwater. Tevens dient een gescheiden rioolstelsel te worden aangelegd. Het schone hemelwater van verharde oppervlakken kan op deze wijze via het hemelwaterriool worden afgevoerd naar het oppervlaktewater.
In de nabijheid van het plangebied zijn geen watergangen aanwezig. In de Legger van het Hoogheemraadschap zijn tevens geen gegevens vermeld over beschermde gebieden ter plaatse van het plangebied.
Cadenza 2 versie vastgesteld
43/67
Figuur 5.2. Uitsnede legger Hoogheemraadschap Rijnland
5.4.2
Watertoets
Op basis van de Keur van Rijnland geldt een vrijstellingsgrens voor ontwikkelingen met een toename van het verhard oppervlak tot 500 m2. In de huidige situatie is sprake van een grasveld. Het bestemmingsplan maakt hier een woontoren en de noodzakelijke herinrichting van het omliggende terrein nodig. Daarmee wordt meer dan 500 m2 van de locatie verhard, namelijk een totaal van 1.925 m2 (footprint woontoren en bestrating omliggend terrein). Aangezien de vrijstellingsgrens overschreden wordt, is mogelijk een watervergunning noodzakelijk op basis van artikel 3.2 van de Keur. Daarnaast zal moeten worden voorzien in extra waterberging, bij voorkeur elders binnen hetzelfde peilgebied. Voor de berekening van de benodigde watercompensatie wordt gerekend met de totale toename van het verhard oppervlak. De maatregelen worden daarmee berekend over een oppervlakte van 1.925 m2. 15% hiervan dient te worden gecompenseerd middels het realiseren van extra waterberging. De te realiseren extra waterberging komt daarmee op ca. 290 m2 (288,75 m2). Het voorzien in extra waterberging dient in beginsel op eigen terrein te gebeuren. Indien dit niet mogelijk blijkt, kan worden gezocht naar andere oplossingen in hetzelfde peilgebied. Een mogelijkheid kan zijn gebruik te maken van de Berging Rekening Courant van de gemeente Zoetermeer bij het Hoogheemraadschap van Rijnland.
Dit betekent dat, indien beschikbaar en met instemming van de gemeente, gebruik kan worden gemaakt van een surplus elders in het peilgebied. In voorliggende bestemmingsplan wordt gebruik gemaakt van de Berging Rekening Courant van de gemeente Zoetermeer bij het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het Hoogheemraadschap van Rijnland geeft aan dat gebleken is dat de beoogde activiteit voldoet aan; algemene regel 11; Versnelde afvoer bij toename verhard oppervlak algemene regel 19; Bouwen in kwelgevoelige gebieden algemene regel 20; Grondverzet Dit houdt in dat geen watervergunning noodzakelijk is. Wel dient voldaan te worden aan de voorschriften uit de van toepassing zijnde algemene regels.
Cadenza 2 versie vastgesteld
44/67
5.4.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor voorliggend plan. 5.5
Bedrijven en milieuzonering
5.5.1
Begrip milieuzonering
Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Deze milieuzonering dient aldus twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; het bieden van voldoende ruimte en zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen. Een vergaande scheiding van functies kan echter ook leiden tot inefficiënt ruimtegebruik en een verlies aan ruimtelijke kwaliteit. Een gemengd gebied met een mix van wonen en werken, winkels en horeca stimuleert een levendig straatbeeld, een hogere sociale veiligheid en extra draagvlak voor voorzieningen. 5.5.2
VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering
De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering is een handreiking voor milieuzonering in ruimtelijke plannen. Het boekje vormt een hulpmiddel voor gemeenten om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen voor een locatie concreet in te vullen. Het doel van de publicatie is om te komen tot maatwerk op lokaal niveau. Dit betekent dat gemaakte keuzes zorgvuldig moeten worden afgewogen en verantwoord. De in de publicatie opgenomen richtafstanden zijn echter niet bedoeld om de aanvaardbaarheid te toetsen van situaties waarbij bestaande bedrijven in de nabijheid van bestaande woningen liggen. Het is dus niet bedoeld om bestaande situaties te beoordelen. De in de publicatie opgenomen richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van buurtgerichte voorzieningen, zoals basisscholen komen er vrijwel geen andere functies voor, behalve aan huis verbonden beroep of bedrijf. Anders dan rustige woonwijken, zijn er ook gebieden met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen, komen andere functies voor zoals winkels, horeca en of kleine bedrijven en voorzieningen. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.
Indien sprake is van een gemengd gebied kunnen deze richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat.
Cadenza 2 versie vastgesteld
45/67
Figuur 5.3 Richtafstanden handreiking VNG
De richtafstanden ten opzichte van de omgevingstypen rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied gaan uit van het principe van functiescheiding. Door het hanteren van richtafstanden tussen een bedrijventerrein of bedrijfslocatie en een gebied met een variatie aan functies (zoals wonen, horeca en kleine bedrijvigheid), wordt de toelaatbaarheid van milieubelastende functies beoordeeld. Binnen gemengde gebieden kan echter ook sprake zijn van functiemenging. Dit betekent dat op gebouwniveau meerdere functies gecombineerd zijn, zoals wonen boven winkels. In de VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering" is voor gebieden met functiemenging een aparte lijst (bijlage 4 VNG-uitgave) opgenomen. Bij functiemengingsgebieden kan gedacht worden aan: stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden met dorpskernen; horecaconcentratiegebieden; woon-werkgebieden met kleinschalige, vooral ambachtelijke bedrijvigheid; gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies; lintbebouwing in buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. In bijlage 4 van de VNG-brochure is een voorbeeld-Staat-van-Bedrijfsactiviteiten voor gebieden met functiemenging opgenomen, die specifiek gericht is op de toelaatbaarheid van milieubelastende activiteiten binnen gebieden met functiemenging.
Deze voorbeeld-Staat-van-Bedrijfsactiviteiten bevat geen richtafstanden maar categorieën A, B en C die aangeven onder welke omstandigheden activiteiten inpasbaar zijn. Categorie A: toelaatbaar aanpandig aan woningen. Categorie B: toelaatbaar indien bouwkundig afgescheiden van woningen. Categorie C: toelaatbaar indien gesitueerd langs een hoofdweg. Voor de toelaatbaarheid van deze activiteiten gelden de volgende randvoorwaarden: 1. 2. 3. 4.
het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid; productie en/of laad en loswerkzaamheden vinden alleen in de dagperiode plaats; de activiteiten (inclusief opslag) geschieden hoofdzakelijk inpandig; activiteiten uit categorie C beschikken daarnaast over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur
5.5.3
Milieuzonering in het plan
Op basis van het vigerende bestemmingsplan "Stadscentrum / Dorpsstraat" wordt gesproken van een gebied met functiemenging. Hierbinnen gelden geen richtafstanden maar categorieën A, B en C die aangeven onder welke omstandigheden activiteiten inpasbaar zijn. Relatie tot het plangebied Het voormalig kantoorpand ten oosten van het plangebied, gelegen aan de Italiëlaan 33, is reeds getransformeerd tot complex met jongerenwoningen. Ten westen van het plangebied zijn de gronden bestemd als 'gemengd' op basis van het bestemmingsplan "Stadscentrum Oost / Cadenza" en is tevens sprake van functiemenging. Indien sprake is van functiemening