CConstaterende datZoetermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Bestemmingsplan toelichting

Raadsvergadering 12 september 2022, gemeente ZoetermeerBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Cadenza 225.697 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Cadenza 2 versie vastgesteld

46/67

gelden geen richtafstanden maar categorieën. De woningen dienen bouwkundige afgescheiden te zijn van de overige aanwezige functies, waardoor er geen negatieve invloed is op het woon- en leefklimaat van de omliggende woningen. Het plan voorziet zelf in een gemengde bestemming met functiemenging. De woningen worden bouwkundig afgescheiden van de overige functies, waardoor geconcludeerd kan worden dat dit aspect geen belemmering vormt voor het plan. Wel dient rekening te worden gehouden met een nutsvoorziening van Stedin die ten zuidwesten van het plan, op circa 15 m afstand van de woontoren, is gelegen. Dit betreft een transformatorstation bestaande uit één ommuurde transformator met een schijnbaar vermogen van 18 MVA. Het transformatorstation valt vanwege zijn vermogen onder SBI-2008 code 35, nummer C2 (10-100 MVA). Een dergelijke transformator behoort tot milieucategorie 3.1, met de bijbehorende richtafstanden van 30 mt voor het aspect gevaar en 50 meter voor het aspect geluid. Veiligheid Door Witteveen+Bos is in het onderzoek van 9 juli 2021 met referentie 125852/21-010.835 (zie Bijlage 4) het aspect veiligheid m.b.t. de transformator nader beschouwd. In dit onderzoek wordt aangegeven dat afwijken van de richtafstand kan door bijvoorbeeld nader te kijken naar de precieze omvang van de activiteit en de aanwezige voorzieningen.

De richtafstand voor gevaar is namelijk gebaseerd op een gemiddelde activiteit van dat type. Ook gaat de VNG-publicatie er vanuit dat nader gekeken kan worden naar de afstanden, omdat in de praktijk nagenoeg altijd (m.u.v. kerncentrales en schietbanen) getoetst dient te worden aan het Bevi en daarmee risicoberekeningen voorhanden zijn. In deze situatie is dit echter niet mogelijk, omdat het transformatorstation niet getoetst kan worden aan het Bevi. Aangezien de richtafstand echter afgeleid is van de gemiddelde activiteit van dat type, kun je concluderen dat de richtafstand zich specifiek verhoudt tot een schijnbaar opgesteld vermogen van 55 MVA (gemiddelde van 10-100) MVA. Het schijnbaar opgestelde vermogen en huidig gerealiseerd vermogen benadert meer de lagere categorie (SBI-2008 code 35, nummer C1; <10 MVA). Daarbij hoort een richtafstand van 10 meter. De richtafstand van dit transformatorstation zal in deze motivatie daarom in de ordegrootte 10-30 meter liggen, waarbij de geplande afstand van circa 15 meter passend lijkt. Daarnaast is het maatgevende incidentscenario bij transformatorstations een plasbrand. De handreiking ‘Verantwoorde brandweer advisering externe veiligheid’1 stelt dat de zelfredzaamheid bij plasbranden hoog is door de lange ontwikkelingsduur, waardoor de kans op dodelijke slachtoffers gereduceerd wordt.

Vanuit de geschetste toekomstige situatie verwacht Witteveen+Bos ook dat er voldoende ruimte en bereikbaarheid is voor hulpdiensten om een voorspoedige incidentbestrijding te realiseren. Uitgangspunt is dat in deze stedelijke omgeving voldoende bluswater voorhanden is. Hieruit lijkt er geen noodzaak voor het treffen van aanvullende maatregelen of voorzieningen. Geluid Door Witteveen+Bos is in het onderzoek van 9 februari 2021 met referentie 124294/21-002.143 (zie Bijlage 5 ) het aspect geluid m.b.t. de transformator nader beschouwd. In berekeningen is rekening gehouden met de toekomstige uitbreiding van de transformator. Hiervoor is een toeslag van 6 dB(A) gehanteerd. Daarnaast is een straffactor van 5 dB(A) ten gevolge van tonaal karakter van het geluid afkomstig van het transformatorstation toegepast in de avond- en nachtperiode. Dit omdat het omgevingsgeluidniveau in de avond en nacht lager ligt en daarmee het tonale component van de transformator beter en verder hoorbaar is. Uit de resultaten blijkt dat niet kan worden voldaan aan de normering van het Activiteitenbesluit. De overschrijding bedraagt maximaal 12 dB(A) in de nachtperiode. Ook in de avondperiode vinden er relevante overschrijdingen plaats van maximaal 7 dB(A). Om deze overschrijdingen op te lossen kan gedacht worden aan het nemen van geluidreducerende maatregelen.

Stedin, de eigenaar van het transformatorstation geeft aan dat zij openstaan voor mogelijke geluidreducerende maatregelen aan het transformatorstation. Op basis van onderzoeken van de verschillende disciplines is men gekomen tot een voorlopig

Cadenza 2 versie vastgesteld

47/67

ontwerp (Bijlage 6 Voorlopig ontwerp aanpassingen bestaand trafogebouw, referentie 127821/21-014.916, datum 5 oktober 2021) voor de aanpassingen van het transformatorstation. Hierbij is besloten om de transformatorcel passief te koelen. De uiteindelijke maatregel betreft een schuin dak, met de opening aan de westzijde van de transformatorcel. Zodoende is de geluiduitstraling van de transformator van de nieuwbouwlocatie af gericht. De kosten van deze aanpassing komen geheel voor rekening van de gemeente Zoetermeer. De hoogte ten opzichte van de bestaande muur bedraagt 2,6 m. De dakconstructie bestaat uit een stalen dak met 30 mm isolatie met dakbedekking; als materiaaltype gaan wij uit van type DS1 uit de HMRI. De zijkanten van het dak zijn afgesloten met sandwichpanelen met enkele cm isolatie (overeenkomstig GC7 uit de HMRI). Aan de onderzijde van de transformatorcel worden twee luchtinlaatroosters geplaatst. Afbeelding 5.4 presenteert een schematisering van de voorziene maatregel. Deze maatregel voldoet ook aan de benodigde ventilatie.

Figuur 5.4 Schematisering van de gekozen maatregel

De maatregelen zijn doorgevoerd in het akoestisch rekenmodel, zie bijlage II. Uit de resultaten blijkt dat na het toepassen van de maatregel bij de nieuwbouwlocatie wordt voldaan aan de normen van het Activiteitenbesluit. De geluidbelasting op de gevel van het bestaande appartementencomplex aan de zuidzijde van de transformatorcel bedraagt 39 dB(A) in zowel de dag-, avond- als nachtperiode inclusief straftoeslag en voldoet daarmee eveneens (nog steeds) aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. 5.5.4

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor onderhavig plan.

Cadenza 2 versie vastgesteld

48/67

5.6

Externe Veiligheid

5.6.1

Regelgeving en beleid

Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt, transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en ondergrondse buisleidingen. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Aan het PR is een wettelijke grenswaarde verbonden die niet mag worden overschreden.

Het PR wordt 'vertaald' als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een verantwoordingsplicht, kan afwijken. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen en risico-ontvangers zijn aangegeven. Op de risicokaart staan gegevens die met risico te maken hebben, zoals risico veroorzakende bedrijven (inrichtingen) die gevaarlijke stoffen gebruiken, produceren of opslaan en ook het vervoer/transport van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Gevaarlijke stoffen zijn in dit geval stoffen die een schadelijke invloed hebben op de gezondheid en het milieu. 5.6.2

Inrichtingen

In het plangebied bevinden zich geen inrichtingen of contouren van inrichtingen waarop het Bevi van toepassing is. Het plan voorziet niet in de realisatie van een risicovolle inrichting.

Cadenza 2 versie vastgesteld

49/67

5.6.3

Transport gevaarlijke stoffen

Alle rijkswegen en de meeste provinciale wegen zijn aangewezen als route voor gevaarlijke stoffen. Gemeenten mogen voor de zogenaamde routeplichtige stoffen gemeentelijke wegen binnen hun grenzen aanwijzen waarover deze gevaarlijke stoffen mogen worden vervoerd. De gemeente Zoetermeer heeft een dergelijke route gevaarlijke stoffen niet vastgesteld wat tot gevolg heeft dat het vervoer van gevaarlijke stoffen in principe altijd via de snelste weg moet plaatsvinden. Aangenomen kan worden dat er over de Europaweg transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Dit transport zal dusdanig laag zijn, omdat in de nabijheid van het plangebied geen inrichtingen gelegen zijn waar gevaarlijke stoffen naar getransporteerd worden. Vanuit dit oogpunt bezien is het risico risico verwaarloosbaar klein. Bovendien is het plan gebied gelegen op meer dan 200 meter afstand (circa 230), de afstand waarbinnen eventueel ruimtelijke beperkingen gelden, gelegen van de Europaweg. In de nabijheid van het plangebied zijn eveneens geen LPG-tankstations gesitueerd. 5.6.4

Buisleidingen

In het plangebied bevinden zich geen buisleidingen of contouren van buisleidingen waarop het Besluit externe veiligheid buisleidingen van toepassing is. 5.6.5

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het plan. 5.7

Ecologie

5.7.1

Beleid en normstelling

Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieen, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan de provincie ervoor kiezen om een gebied aan te wijzen als bijzonder nationaal natuurgebied- of landschap of als Nationaal Natuurnetwerk (NNN). Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Nationaal Natuurnetwerk De term EHS werd in 1990 geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan (NBP) van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

In 2013 veranderde de naam van Ecologische Hofdstructuur naar Nationaal Natuurnetwerk (NNN). NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in of in de nabijheid van het NNN gelegen is, verlangt de provincie een "nee-tenzij-toets".

Cadenza 2 versie vastgesteld

50/67

5.7.2

Natuurwaardenonderzoek

Door Bureau Stadsnatuur is een verkennend natuurwaardenonderzoek (quick scan) uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Deze rapportage is als Bijlage 7 toegevoegd. Flora In het plangebied zijn op grond van de aanwezige habitats geen plantensoorten te verwachten die een strikte bescherming genieten onder Wnb artikel 3.5 of 3.10 (zie Stichting Floron 2011). Er zijn geen potenties voor plantensoorten die de Gemeente Zoetermeer beschouwt als 'Veldgidssoort' waarvan lokale instandhouding wenselijk is (zie Vos & Szegedi 2011). Weekdieren In het plangebied zijn op grond van de aanwezige habitats geen weekdieren te verwachten die een strikte bescherming genieten onder Wnb artikel 3.1 of 3.10. Insecten In het plangebied zijn op grond van de aanwezige habitats geen populaties van insectensoorten te verwachten die een strikte bescherming genieten onder Wnb artikel 3.5 of 3.10. Vissen In het plangebied zijn geen watergangen aanwezig; het voorkomen van vissen is derhalve uitgesloten. Amfibieën In Zoetermeer komt de Rugstreeppad Epidalea calamita (Wnb 3.5) voor. Een kleine, maar afnemende populatie bevindt zich in de wijk Oosterheem op kilometers afstand en gescheiden van het plangebied door stedelijk gebied. In het plangebied en de nabijheid ervan zijn geen geschikte habitats aanwezig. Derhalve is vestiging van de Rugstreeppad bij veranderend terreininrichting niet aannemelijk.

De bosschages op het spoortalud vormen een mogelijke landhabitat voor amfibieën. Alle overige mogelijk/ incidenteel in het plangebied voorkomende soorten amfibieën (vijf soorten, cf. Creemers & Van Delft 2009) zijn vrijgesteld van de verbodsbepalingen in de Wnb. Voor deze soorten geldt echter wel de zorgplicht. Reptielen In het plangebied komen geen inheemse soorten reptielen voor en deze zijn hier op grond van aanwezige habitats en natuurlijke arealen van soorten niet te verwachten. Vogels In het plangebied zijn broedende vogels te verwachten in struwelen en bomen. Op overige plaatsen is vestiging uitgesloten als gevolg van de intensieve betreding en gebrek aan schuilmogelijkheden. Aan de westkant van het plangebied is een oud nest van Zwarte kraai aangetroffen. In struweel op het spoortalud is een oud nest van Houtduif aangetroffen. Daarnaast was hier een zingend mannetje Winterkoning aanwezig. Van deze soort, alsmede van enkele andere soorten zangvogels, mag worden aangenomen dat deze kunnen nestelen in de genoemde struwelen. Vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest worden niet verwacht; het nest van Zwarte kraai zit in een redelijk geïsoleerde boom, op afstand van meer solide groenstructuren en is omringd door bebouwing. Gebruik van het nest door incidenteel in de bebouwde kom van Zoetermeer broedende paren van Buizerd en Boomvalk is daarom onwaarschijnlijk.

Vleermuizen Rustplaatsen In het plangebied bevinden zich geen mogelijke rustplaatsen voor vleermuizen gelet op het ontbreken van daartoe geschikte bebouwing of bomen. Mogelijke rustplaatsen in de omgeving bevinden zich buiten de invloedsfeer van eventuele activiteiten in het plangebied. Foerageergebieden Het is niet uitgesloten dat vleermuizen het plangebied incidenteel gebruiken om te foerageren. De bosschage op het spoortalud kan in de zomermaanden een insectenrijke donkere plaats

Cadenza 2 versie vastgesteld

51/67

zijn die zich hiervoor leent. In de context van het stedelijk gebied van Zoetermeer zijn de Gewone dwergvleermuis en de Ruige dwergvleermuis de enige soorten die op een dergelijke locatie regelmatig te verwachten zijn (zie Mostert & Bakker 2010). Omdat er binnen het plangebied geen sprake is van open water en het een geringe oppervlakte betreft, is uitgesloten dat hier sprake is van essentieel foerageergebied. Dat wil zeggen dat verwijdering van de struwelen in kwestie niet zal leiden tot een effect op de gunstige staat van instandhouding van populaties van vleermuissoorten. Vliegroutes Gelet op het open karakter van het plangebied, waarin geen hoge boomkronen in laanverband voorkomen, is aantasting van een potent iele vliegroute op voorhand uitgesloten. De spoordijk, feitelijk vallend buiten het plangebied, blijft behouden, dus een mogelijke functie hiervan als geleidend element voor vleermuizen is niet in het geding wanneer het plangebied wordt bebouwd. Overige zoogdieren Overige strikt beschermde soorten zoogdieren zijn op grond van de aanwezige habitats niet te verwachten. Beschermde gebieden Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichstbijzijnde Natura 2000-gebied is "De Wilck" en is gelegen op circa 6,3 kilometer. Dit gebied is niet stikstofgevoelig.

Op circa 12 kilometer van het plangebied is het Natura 2000-gebied "Meijendel & Berkheide" gelegen. Op circa 17,5 kilometer van de projectlocatie ligt zowel het Natura 2000-gebied "Nieuwkoopse Plassen & De Haeck" als "Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein". Voor het Natura 2000-gebied "Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein geldt dat dit gebied niet stikstofgevoelig is. Met inachtneming van uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:1603 van Raad van State d.d. 29 mei 2019, is het Programma Aanpak Stikstofdepositie (PAS) onverbindend verklaard. In het verlengde hiervan heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op 16 september 2019 een herziene rekentool 'Aerius Calculator' beschikbaar gesteld. Deze is inmiddels weer vervangen door de Aerius Calculator 2021.

Figuur 5.4 Afstand tot Natura 2000-gebieden (uitsnede synbiosys.alterra.nl)

Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland en Groene

Cadenza 2 versie vastgesteld

52/67

Hoofdstructuur (GHS). Deze gebieden liggen op zeer grote afstand van het plangebied. De ontwikkelingen binnen het plangebied leiden dan ook niet tot negatieve effecten op deze gebieden. Door Mees Ruimte en Milieu is onderzoek verricht naar de stikstofdepositie op de nabijgelegen kwetsbare natuurgebieden met behulp van de laatste Aerius Calculator 2021. De resultaten worden hieronder weergegeven. De gehele rapportage is als bijlage toegevoegd, zie Bijlage 8. De NOx en NH3 emissies gedurende de gebruiksfase zijn in kaart gebracht met de AERIUS-calculator 2021. Aan de hand van de uitgangspunten zoals beschreven in paragraaf 4.1 Projectplan van onderhavig plan is de verkeersaantrekkende werking berekend voor de gebruiksfase. Er wordt uitgegaan van ingebruikname van het gebouw in 2025. Het gebouw wordt gasloos uitgevoerd dus er wordt geen emissie als gevolg van aardgasgebruik meegenomen in de berekening tijdens de gebruiksfase. De verkeersgeneratie bedraagt in totaal 536 motorvoertuigbewegingen per etmaal zoals berekend in paragraaf 4.3 Verkeer en vervoer van onderhavig plan. De AERIUS-calculator 2021 geeft als uitkomst van de berekening dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Het aspect stikstof vormt daarom geen belemmering bij de realisatie van het voorgenomen initiatief.

Het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is dan ook niet noodzakelijk. 5.7.3

Conclusie

Op basis van de condities aangetroffen tijdens de quick scan is geen aanvullende ontheffing van de Wnb noodzakelijk om tot ingebruikname van de bouwkavel over te gaan. Aanvullend onderzoek is bovendien niet nodig omdat de functionaliteit voor beschermde soorten voldoende inzichtelijk is. Daarnaast blijkt dat op grond van de AERIUS-calculator 2021 er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/j. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het aspect ecologie geen belemmering vormt voor het plan.

5.8

Windhinder

5.8.1

Regelgeving en beleid

In Nederland bestaat geen wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen windhinder of windgevaar niet hoeft te worden meegenomen in de afwegingen. De grondslag voor de beoordeling van het aspect windhinder staat in art. 3.1 Wro, de zorg voor een goede ruimtelijke ordening. Daarvoor is het in kaart brengen van mogelijke windhinder of windgevaar en deze betrekken in de beoordeling nodig. In de NEN 8100; 2006 nl 'Windhinder en gevaar in de gebouwde omgeving' is aangegeven wanneer er aanleiding is om een onderzoek te doen naar windhinder. Hierin wordt gewerkt met uurgemiddelde windsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans in percentage van uren per jaar. In een tabel is voor verschillende situaties en activiteiten (doorlopen, slenteren, langdurig zitten) een beoordeling van het windklimaat gegeven (slecht, matig, goed). In deze norm is een beslismodel weergeven wanneer een windonderzoek mogelijk nodig kan zijn: gebouwen hoger dan 30 meter, windonderzoek noodzakelijk; beschut gelegen gebouwen met een hoogte van 15 tot 30 meter, specialist beoordeelt in hoeverre windonderzoek nodig is; onbeschut gelegen gebouwen met een hoogte hoogte tot 30 meter specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is.

Cadenza 2 versie vastgesteld

53/67

Aangezien voorliggend bestemmingsplan gebouwen hoger dan 30 meter mogelijk maakt is windonderzoek noodzakelijk. 5.8.2

Windhinderonderzoek

In het kader van de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening is door bureau Peutz een windhinderonderzoek uitgevoerd. Een dergelijk onderzoek wordt conform het beslismodel in de norm NEN 8100 noodzakelijk geacht bij een bouwhoogte van meer dan 30 meter. Gelet op de geplande bouwhoogte van de woontoren, is het windklimaat en mogelijk windgevaar onderzocht. De rapportage met rapportnummer: OA 16345-5-RA-001 d.d. en datum 30 augustus 2021 is opgenomen in Bijlage 9 bij deze toelichting. Uit het onderzoek blijkt dat rond de geplande nieuwbouw overwegend sprake is van een goed windklimaat. Ten zuiden en noordwesten van het gebouw is het te verwachten windklimaat echter in een fors gebied matig. Ten zuiden van het plan zal dit niet leiden tot hinder, gezien het feit dat hier geen voetgangers of fietsers komen. Aan de noordwestzijde van het plan is lokaal een slecht windklimaat te verwachten voor doorlopen, waarbij zeer lokaal een beperkt risico op windgevaar aanwezig kan zijn. Aangezien de gevaarkans voor het criterium doorlopen niet wordt overschreden mag dit worden geaccepteerd.

Voor het plaatsen van gebouwentrees dient gestreefd te worden naar een hinderkans van lager dan 5%, hetgeen overeenkomend met een beoordeling goed voor het criterium slenteren.Wanneer de gebouwentree is gepland op een positie met een hogere hinderkans, wordt er geadviseerd om lokale wind afschermende maatregelen te treffen, zoals het plaatsen van schermen of het verdiepen van de entree in de gevel. 5.8.3

Conclusie

Gelet op de uitkomsten van het onderzoek, vormt windhinder geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Er wordt voldaan aan het criterium voor windgevoelige functies. 5.9

Bezonning

5.9.1

Regelgeving en beleid

Binnen Nederland worden er geen formele eisen gesteld aan de bezonning van woningen of andere bouwwerken. Gemeenten zijn dus vrij om hun eigen eisen te stellen aan de bezonning. In het document Hoogbouw Effect Rapportage Binnenstad, vastgesteld door het college van B&W op 14 juli 2020, en deel uitmakend van de door de raad op 21 september 2020 vastgestelde Visie Binnenstad 2040, zijn onder meer bezonningsnormen opgenomen. De toetsing dient volgens het voorstel als volgt te worden uitgevoerd: Toetsingsperiode vanaf 19 februari tot 21 oktober. Minimale zonshoogte 10°. Minimale potentiële bezonningsduur van 2 uur per dag. Geen verdere verslechtering in situaties met minder dan 2 mogelijke zonuren. Meetpunt op 1 meter hoogte in het midden van de gevel van de onderste woonlaag, in geval van woning op verdieping 0,75m boven vloerpeil. Maximale afname bezonningsduur als gevolg van nieuwbouw is 50%. Bezonningsduur ter plaatse van voor- en achtergevel mogen bij elkaar worden opgeteld. Bij dakopbouw: maximale afname bezonningsduur 50% Voorts is de norm van toepassing op openbare en semi-openbare ruimten met een recreatieve functie en op buitenruimten bij scholen en kindercentra. Er is hier in de berekening van de bezonningsduur sprake van voldoende bezonning als meer dan 50%

Cadenza 2 versie vastgesteld

54/67

van de oppervlakte in de zon ligt. Daarnaast vraagt de gemeente de bezonning op enkele maatgevende dagen in het jaar in beeld te brengen. Het betreft 19 februari (vergelijkbaar 21 oktober) alsmede op 21 juni, de langste dag met de hoogste zonnestand. Op deze dagen wordt van zonsopgang tot zonondergang per uur de situatie in beeld gebracht. 5.9.2

Bezonningsstudie

Bureau Peutz heeft een bezonningstudie uitgevoerd (zie Bijlage 10) met referentie: EdB/LA/ /OA 16345-6-NO-001, d.d. 30 augustus 2021, waarbij de schaduwsituatie van de nieuwe situatie in beeld is gebracht. De mogelijke bezonningsduur op de gevels van de rondom het plan gelegen woningen is bepaald voor de data 19 februari (gelijk aan 21 oktober) en 21 juni. De bezonningsnorm houdt onder meer in dat bestaande woningen minimaal 2 uur direct zonlicht per dag moeten krijgen, vanaf half februari tot half oktober, én dat bestaande woningen die nu al niet voldoen aan de norm er niet verder op achteruit mogen gaan. Uit het onderzoek blijkt dat niet alle omliggende woningen aan deze normen voldoen.

- 6 Bestaande woningen (meetpunt 15) in Cadenza 1 voldoen als gevolg van de geplande woontoren niet geheel aan het criterium uit de Hoogbouw Effect Rapportage (HER) van minimaal 2 uur direct zonlicht per dag. Hier gaat de bezonningsduur op 19 februari van 3.40 uur naar 1.35 uur, (een afname van ruim 2 uur). Vanaf ca. 7 maart tot 5 oktober (in totaal 7 maanden) voldoen de woningen wel aan de norm. De laatste weken van oktober is de situatie weer identiek aan de situatie in februari. De wintermaanden worden niet beschouwd.

-Daarnaast voldoen 8 bestaande woningen (in verzorgingshuis Leliënborgh) aan de Berlijnstraat (meetpunt 6 en 7) nu al niet aan de bezonningsnorm. Als gevolg van de bouw van Cadenza 2 gaat de bezonningsduur hier op 19 februari van ca. 1.20 uur/1.05 uur, naar ca. 0.45 uur, (een afname van 20 tot 35 minuten). Vanaf ca. 7 maart tot 5 oktober voldoen ook hier de woningen wel aan de norm.

Ontwikkelaar Stadswaarde verzoekt gebruik te maken van de afwijkingsbevoegdheid uit de HER. In de HER is opgenomen dat het college mag afwijken van de normen indien het stedelijk belang voldoende is aangetoond.

Er is eerst bezien of het bouwplan van Stadswaarde nog aangepast kan worden, door het verschuiven van de toren binnen de grenzen van het ontwerpbestemmingsplan. Het verminderen van het aantal bouwlagen tot een bouwhoogte van 63 meter heeft geen effect omdat de woningen in de Berlijnstraat er dan nog steeds op achteruit gaan. Daarnaast is in de verkoopprocedure vastgelegd dat de toren minimaal 70 meter hoog moet zijn. Het bestemmingsplan biedt een beperkte mogelijkheid om de toren nog te verschuiven. Een verschuiving van ca 10 à 15 meter in oostelijke richting zou betekenen dat de 6 woningen in Cadenza 1 in februari wel kunnen voldoen aan de norm. Maar ook hier heeft het echter geen effect op de woningen aan de Berlijnstraat. Een verschuiving van de toren heeft voorts vergaande consequenties voor de indeling en plattegronden van het bouwplan. Het VO-bouwplan dient namelijk in zijn geheel opnieuw te worden ontworpen. Dit betekent extra onvoorziene plankosten van ca. 200.000 euro. Tevens zal dit een vertraging voor het bouwtraject met zich brengen hetgeen grote financiële consequenties met zich brengt vanwege de stijgende bouwkosten. En waarschijnlijk zal het niet lukken om de parkeeropgave geheel intern op te lossen omdat onder de toren constructie-technisch in dit geval geen parkeergarage kan worden gerealiseerd.

Cadenza 2 versie vastgesteld

55/67

Kortom, er kan geen bouwplan worden ontworpen dat voldoet aan de kaders van de verkoopprocedure én aan de Zoetermeerse bezonningsnorm.

Vervolgens is bezien hoe groot de afwijking van het bezonningscriterium is. Er kan in principe worden afgeweken van het beleid, mits goed gemotiveerd. Om te kunnen afwijken dient het belang van de woningbouwambitie te worden afgezet tegen het belang van omwonenden. Als we het bezonningsseizoen beschouwen dan loopt dat van 19 februari tot 21 oktober. Dat is een periode van 8 maanden. De resterende wintermaanden worden niet in beschouwing genomen. Uit het bezonningsonderzoek kan geconcludeerd worden dat gedurende die 8 maanden (32 weken) ca 2 ½ week in februari en ca 2 ½ week in oktober niet voldaan kan worden aan de norm. Gesteld kan worden dat dit een beperkte afname is, verspreid over het jaar. De kans op direct zonlicht is in die weken statistisch gezien ook erg laag (in februari/oktober is dat gemiddeld ca. 3 van de 10 uur theoretisch mogelijke bezonningsduur per dag). Het overgrote deel van het jaar, van begin maart tot eind september wordt voldaan aan de norm.

Gezien de grote behoefte aan nieuwe woningen in Zoetermeer en het gebrek aan uitbreidingsruimte, is het logisch om potentiële woningbouwlocaties in het Stadscentrum van Zoetermeer optimaal te benutten door de hoogte op te zoeken. Dit is in lijn met de Visie Binnenstad. Er kunnen hier ca 230 woningen gerealiseerd worden, met commerciële functies in de plint en een interne parkeergarage. Dit project draagt bij aan de gemeentelijke ambitie om tegemoet te komen aan de grote vraag naar woningen. Zoals hiervoor geschetst is de afwijking van de Zoetermeerse bezonningsnorm uit de HER relatief beperkt zowel qua duur van de afwijking als qua aantal woningen. Gezien het stedelijke belang van de nieuwbouw en de beperkte afwijking van de HER heeft het college van B&W op 8 februari 2022 besloten in te stemmen met het verzoek om afwijking van de Zoetermeerse bezonningsnorm.

5.9.3

Conclusie

Bezonning vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan Cadenza 2.

5.10

Bodemenergie

5.10.1 Beleid Nieuwbouwprojecten zullen niet meer worden aangesloten op het gasnet. De gemeente gaat geen medewerking verlenen aan een verzoek om een gebiedsaanwijzing zoals bedoeld in de ‘ministeriële regeling gebiedsaanwijzing gasaansluitplicht’ Een van de meest voor de hand liggende alternatieve energievoorzieningen zijn warmtepompen die gebruik maken van bodemenergie ter plaatse. In de binnenstad zijn al enkele bodemenergiesystemen en er zijn ook meerdere systemen in voorbereiding. Mogelijk worden op termijn ook delen van de bestaande binnenstad aangesloten op een bodemenergiesysteem als de woningen van het aardgas worden gehaald. Onderzoek heeft aangetoond dat de capaciteit van de bodem op langere termijn niet voldoende is als er niet regulerend wordt opgetreden. Naar verwachting eind november 2021 wordt de binnenstad aangewezen als interferentiegebied op grond van de Verordening interferentiegebieden Zoetermeer door de gemeenteraad.

Cadenza 2 versie vastgesteld

56/67

Het college heeft eveneens beleidsregels opgesteld, afgeleid uit het bodemenergieplan Binnenstad, die in werking treden zodra de Verordening interferentiegebieden in werking is getreden. De warmte en koude bronnen dienen in de stroken die aangegeven zijn in het bodemenergieplan te worden gerealiseerd. Bij voorkeur op eigen grond of van de buren. De gemeente ziet liever niet bronnen in de openbare ruimte, maar indien toch noodzakelijk dan is de Verordening Algemene Voorschriften Ondergrondse Infra van toepassing. 5.10.2 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect (bodem)energie geen belemmering vormt voor onderhavig plan. 5.11

Kabels en leidingen

5.11.1 Algemeen Voor sommige kabels en leidingen is het belangrijk deze op te nemen in het bestemmingsplan. Het gaat dan niet om de algemene nutsleidingen, maar om de leidingen waarbij bijvoorbeeld een veiligheidszone geldt of leidingen die een risico zijn als ze bij werkzaamheden geraakt worden. Bepaalde leidingen moeten vanuit regelgeving of rijksbeleid in een bestemmingsplan worden opgenomen. Dit is het geval bij bovengrondse hoogspanningslijnen en buisleidingen. Bij andere leidingen bepaald bevoegd gezag of dit wenselijk is, dit is bijvoorbeeld steeds vaker het geval bij ondergrondse hoogspanningsverbindingen. Dergelijke leidingen kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van de omgeving. De (planologische relevante) leidingen dienen als zodanig te worden bestemd en daarbij dient de afstand die moet worden vrijgehouden van bebouwing ter bescherming van de leiding, te worden aangeduid. Dit betreft de zogeheten beschermingszone. Naast planologisch relevante leidingen kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die planologisch niet relevant zijn, maar waar met de beheerder van de kabels en leidingen afstemming dient plaats te vinden over het beschermen dan wel verleggen van in en nabij een ontwikkellocatie gelegen kabels en leidingen. Buisleidingen Voor buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van belang.

Binnen het toepassingsbereik van het Bevb vallen: buisleidingen voor aardgas met een uitwendige diameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer. buisleidingen voor brandbare stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer. buisleidingen voor vergiftige stoffen. buisleidingen voor specifieke stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer. Voor de realisatie van een buisleiding of een kwetsbaar object dient voldaan te worden aan de grenswaarde voor het PR, terwijl het GR verantwoord moet worden. Bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoogspanningsverbindingen Bij transport van stroom door een hoogspanningsverbinding ontstaat een magneetveld. De sterkte ervan hangt vooral af van de hoeveelheid stroom die wordt vervoerd en van de afstand tot de verbinding. Over de mogelijk nadelige gevolgen van deze velden voor de gezondheid bestaat onduidelijkheid. Onduidelijk zijn vooral de langetermijneffecten van blootstelling aan de veldsterkte die optreedt in woningen die zich in de buurt van het hoogspanningsnet bevinden. Sinds 2005 adviseert de Nederlandse rijksoverheid een voorzorgsprincipe voor bovengrondse

Cadenza 2 versie vastgesteld

57/67

hoogspanningslijnen. Bij de planning van nieuwe woningen, scholen en kinderopvangplaatsen is het advies zoveel mogelijk te voorkomen dat kinderen langdurig blootgesteld worden aan magneetvelden die gemiddeld over een jaar sterker zijn dan 0,4 microtesla. De aanleiding hiervoor is dat epidemiologisch onderzoek laat zien dat kinderen in de leeftijd tot 15 jaar, die bij bovengrondse hoogspanningslijnen wonen, mogelijk een verhoogde kans hebben leukemie. Deze mogelijk verhoogde kans zou zich voordoen bij langdurige blootstelling aan een veldsterkte van meer dan 0,4 microtesla. Of de velden leukemie veroorzaken en hoe dan, is onbekend. Voor leukemie bij kinderen tot 15 jaar geldt dat er wel een statistisch verband op wordt gevonden met de afstand tot een hoogspanningslijn en, daarvan afgeleid, met de hoogte van het magneetveld. Er is echter geen verklaring voor die samenhang. De oorzaak kan het magneetveld zijn, iets anders dat met afstand tot een hoogspanningslijn samenhangt of toeval. De GGD heeft het Rijksadvies verbreed naar alle situaties waar het veld de jaargemiddelde waarde van 0,4 microtesla overschrijdt. Verder oordeelde de bestuursrechter in 2017 dat de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan het beleidsadvies over bovengrondse hoogspanningslijnen, in beginsel ook voor ondergrondse hoogspanningskabels van toepassing zijn.

Zowel de Commissie mer als de Gezondheidsraad hebben dit advies overgenomen, waardoor het voorzorgsprincipe voor bovengrondse hoogspanningslijnen ook van toepassen is op ondergrondse kabels, transformatorhuisjes, wijkverdeelstations en andere bronnen van langdurige blootstelling aan magneetvelden uit het elektriciteitsnetwerk. 5.11.2 Leidingenonderzoek Conform de HoogspanningsNet Netkaart is ter plaatse van de Italiëlaan een ondergrondse 25-10 kV hoogspanningsleiding gelegen.

Figuur 5.5 HoogspanningsNet Netkaart (uitsnede https://webkaart.hoogspanningsnet.com/index2.php#6/51.998/5.164)

Witteveen+Bos heeft zowel onderzoek gedaan naar de invloed van de hoogspanningskabel op het nieuwe milieueiland (Bijlage 11 Onderzoek EM-beïnvloeding) als naar de invloed van de hoogspanningskabel op het nieuwe woongebouw (Bijlage 12 Onderzoek magneetveldzone 25 kV hoogspanningskabel). Milieueiland Om te bepalen of er ontoelaatbare beïnvloeding bestaat tussen de hoogspanningskabels en

Cadenza 2 versie vastgesteld

58/67

het milieueiland wordt, conform NEN 3654, gekeken naar drie verschillende soorten beïnvloeding. Het gaat om capacitieve, weerstands- en inductieve beïnvloeding. Capacitieve beïnvloeding Het hoogspanningssysteem is ondergronds opgesteld waardoor de afvalcontainers niet tussen het hoogspanningssysteem en de aarde staan en er dus geen sprake is van capacitieve spanningsdeling. Er vindt daarom geen ontoelaatbare capacitieve beïnvloeding plaats. Weerstandsbeïnvloeding Op basis van het stappenplan van de NEN 3654 en de manier van aarden van de hoogspanningskabel kan worden geconcludeerd dat er geen ontoelaatbare weerstandsbeïnvloeding plaatsvindt. Inductieve beïnvloeding Op basis van de criteria voor inductieve beïnvloeding, conform NEN 3654, kan worden geconcludeerd dat de hoogspanningskabel geen van de afvalcontainers ontoelaatbaar beïnvloedt. Conclusie Daar alle soorten beïnvloeding voor verschillende situaties geen ontoelaatbare beïnvloeding veroorzaken, zijn mitigerende maatregelen voor het milieueiland niet noodzakelijk. Woongebouw Het doel van het onderzoek van Witteveen+Bos is om de specifieke magneetveldzone voor de hoogspanningsverbinding nabij Cadenza II (doelgebied) in kaart te brengen. De specifieke magneetveldzone wordt berekend met behulp van het WB-FIELD1 conform de vigerende handreiking van het RIVM (versie 4.1).

Hiermee wordt de sterkte van het magnetisch veld rondom een ondergrondse kabel vertaald naar een zone waarbinnen het jaargemiddelde hoger is dan 0,4 microtesla. Aan de hand van de resultaten wordt inzichtelijk gemaakt in hoeverre het doelgebied zich in deze specifieke magneetveldzone van de nabij gelegen hoogspanningsverbinding bevindt. Voor de 25 kV hoogspanningskabel ZTM10 (TZ020) – ZTM15 (TT070) nabij het te realiseren appartementencomplex Cadenza II bedraagt de specifieke magneetveldzone (jaargemiddelde van 0,4 microtesla) aan beide zijden van de hoogspanningsverbinding 5 meter. Door buiten deze zone te blijven worden te hoge sterktes van magneetvelden voorkomen. 5.11.3 Conclusie Kabels en leidingen vormen geen belemmering voor het vaststellen van voorliggend bestemmingsplan. 5.12

Strategische milieu-beoordeling

5.12.1 Wet- en regelgeving De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. De voorgenomen ontwikkeling kan gezien worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (figuur 5.6).

Cadenza 2 versie vastgesteld

59/67

figuur 5.6: relevant onderdeel D. Activiteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarvan de procedure als bedoeld in de artikelen 7.16 t/m 7.20 van de wet van toepassing is.

De beoogde ontwikkeling valt niet binnen de richtwaarden van het Besluit m.e.r. ten aanzien van projecten waarbij milieusignificantie een rol speelt (kolom 2). De aard en omvang van het beoogde initiatief is zeer beperkt t.o.v. de richtwaarden van het Besluit m.e.r. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, dient een toets uitgevoerd te worden of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 5.12.2 Vorm-vrije m.e.r. De vorm van een vorm-vrije m.e.r. is niet bepaald, maar de inhoud waar een m.e.r.-beoordeling aan dientte voldoen is wel bepaald (Bijlage III van de Europese richtlijn 2011/92/EU). In de vormvrije m.e.r. dient de volgende inhoud zijn vermeld: 1. Kenmerken van de projecten. 2. Plaats van de projecten. 3. Kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het project Het plangebied is gelegen aan de Italiëlaan te Zoetermeer. Het gebied maakt onderdeel uit van de binnenstad en ligt aan de rand van het Stadshart. De gronden ter plaatse waren bestemd als 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Het plan omvat de ontwikkeling van een woontoren van maximaal 77 meter met een maximale foorprint van 660 m2. Het programma voorziet in de toevoeging van maximaal 230 appartementen.

Daarnaast wordt voorzien in een maatschappelijk c.q. commerciële (sport, leisure, dienstverlening, kantoor en ambachtelijke bedrijven) plint, waarbinnen zelstandige horeca en detailhandel is uitgesloten Het plan ligt hiermee ruim onder de grens van 2.000 woningen en 200.000 m2 bedrijfsvloeroppervlakte. Het plan is daarmee niet MER-plichtig. Plaats van het project Het plangebied is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied. De locatie ligt niet in een gevoelig gebied, zoals een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied is niet gelegen binnen een gebied met archeologische verwachtingswaarde en tevens maakt het geen onderdeel uit van een beschermd stads- of dorpsgebied. Ter plaatse zijn bovendien geen Rijks-, provinciale-, of gemeentelijke monumenten aanwezig. De plaats van het plangebied rechtvaardigt geen MER. Kenmerken van het potentiële effect De voorgenomen ontwikkeling heeft geen belangrijke uitstraling van milieueffecten naar de omgeving. De te verwachten effecten hangen onder meer samen met de verkeersaantrekkende werking van het plan. Het aantal motorvoertuigbewegingen pet etmaal als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling zal toenemen.

Doordat de huidige luchtkwaliteit en achtergrondconcentraties ruim onder de geldende grenswaarden zijn gelegen en de bijdrage van het verkeer er niet toe leidt dat de grenswaarden overschreden worden, heeft de voorgenomen woningbouwontwikkeling geen significante gevolgen voor de milieukwaliteit. Aangezien de projectlocatie gelegen in de nabijheid van onder andere de Randstadrail kunnen akoestische maatregelen of een hogere waarde nodig zijn. Aangezien de extra verharding van

Cadenza 2 versie vastgesteld

60/67

het plangebied wordt gecompenseerd middels de bergingsrekeningcourant en retentiedaken deel uitmaken van de plannen, zijn er nagenoeg geen effecten op de waterhuishouding. Op basis van het ecologisch stikstofdepositie-onderzoek vormen soorten- en gebiedsbescherming geen belemmering voor het beoogde plan. In de toelichting op het bestemmingsplan wordt bij de toetsing aan milieu- en omgevingsaspecten nader ingegaan op de effecten van de woningbouwontwikkeling op het milieu en de omgeving. Er zijn geen kenmerken die een MER rechtvaardigen. 5.12.3 Conclusie Gelet op de aard en omvang van de woningbouwontwikkeling, de plaats en de kenmerken van de potentiële effecten kan op voorhand worden geconcludeerd dat er geen significante negatieve milieueffecten te verwachten zijn die een MER rechtvaardigen.

Cadenza 2 versie vastgesteld

61/67

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische vormgeving

Inleidende regels

Het bestemmingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels bepalen de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de gronden. De bestemming is zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het plan is opgesteld op basis van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Het bestemmingsplan is primair bedoeld om de beoogde ontwikkelingen juridisch-planologisch mogelijk te maken. Het bestemmingsplan betreft dan ook een ontwikkelingsplan. De ruimtelijke en functionele kaders zijn voldoende duidelijk, waardoor gekozen is voor directe bouwtitels. 6.1.1

Begrippen

In artikel 1 worden de begrippen die in de regels worden gebruikt omschreven. Sommige begrippen zijn voor meerdere uitleg vatbaar, daarom is het nodig om ze planologisch-juridisch af te bakenen en te preciseren, ten opzichte van het algemeen spraakgebruik. Zonder definitie zou een begrip tot verwarring kunnen leiden. 6.1.2

Wijze van meten

In artikel 2 wordt weergegeven hoe de in de regels opgenomen maten van een bouwwerk moeten worden gemeten. 6.2

Bestemmingsregels

6.2.1

Gemengd

Binnen de bestemming 'Gemengd' is een menging aan functies mogelijk gemaakt. De functies zijn gemaximaliseerd om de invloed op de omgeving te kunnen verantwoorden. Gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd. Voor de bebouwing is een maximale hoogte opgenomen waarbinnen de in de Nota van Uitgangspunten voorziene toren vorm kan krijgen zonder deze bij voorbaat tot in detail vast te leggen. Op deze manier kan zo flexibel mogelijk worden omgegaan met bouwinitiatieven. In het bestemmingsplan wordt uitgegaan van maximaal 230 woningen, op de verdiepingen. Op de begane grond, in de plint aan de zijde van de Italiëlaan, zijn dienstverlenings-, kantoor-, sport-, leisure- en/of maatschappelijke functies toegestaan. Aan de achterzijde is de parkeergelegenheid toegestaan. Tevens zijn woon-werkunits toegestaan in de plint aan de zijde van de Italiëlaan, tot 50 % van de oppervlakte van dat deel van de begane grond waar zich de commerciële functies mogen bevinden. Dus met uitzondering van het gedeelte dat door de parkeergarage wordt ingenomen.

6.3

Algemene regels

6.3.1

Antidubbeltelregel

De antidubbeltelregel is een verplichte regel die voortkomt uit het Besluit ruimtelijke ordening.

Cadenza 2 versie vastgesteld

62/67

6.3.2

Algemene afwijkingsregels

Dit artikel bevat de algemeen gebruikelijke afwijkingsmogelijkheden. Deze afwijkingsmogelijkheden gelden voor het hele plangebied.

6.4

Overige regels

In dit artikel zijn de algemene bouw- en gebruiksregels opgenomen over parkeernormen overeenkomstig de gemeentelijke parkeernota, zoals deze geldt op het moment van indienen van een aanvraag omgevingsvergunning.

6.5

Overgangs- en slotregels

6.5.1

Overgangsrecht

Deze artikelen regelen de bebouwing en het gebruik van gronden en opstallen, die op tijdstip van inwerkingtreding van dit plan in strijd zijn met de met de bouwregels, gebruiksregels of beide. 6.5.2

Slotregel

In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Cadenza 2 versie vastgesteld

63/67

Hoofdstuk 7

Uitvoerbaarheid

7.1

Financiële uitvoerbaarheid

7.1.1

Grondexploitatie (artikel 6.12 Wro)

Op grond van het bepaalde in artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening is de gemeenteraad verplicht bij de vaststelling van een bestemmingsplan een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het onderhavige bestemmingsplan is een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voorzien. In afwijking van het bepaalde in artikel 6.12, lid 1 Wet ruimtelijke ordening bepaalt lid 2 van dit artikel dat de gemeenteraad kan besluiten bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen exploitatieplan vast te stellen indien: 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd (bijvoorbeeld via gronduitgifte, een anterieure overeenkomst over grondexploitatie); 2. het niet noodzakelijk is een tijdvak voor de exploitatie, dan wel een fasering in de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen vast te stellen; 3. het stellen van eisen voor de werken en werkzaamheden voor het bouwrijpmaken van het exploitatiegebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte in het exploitatiegebied, dan wel het stellen van regels omtrent het uitvoeren van die werkzaamheden, dan wel een uitwerking van de regels met betrekking tot de uitvoerbaarheid niet nodig is.

De gronden waarop in het onderhavige bestemmingsplan een bouwplan, als bedoeld in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, is voorgenomen, zijn in eigendom bij de gemeente. Het verhaal van kosten van grondexploitatie is hierdoor anderszins verzekerd via de gronduitgifte. Indien er een noodzaak bestaat om locatie-eisen of een fasering vast te stellen, dan zal dit eveneens worden gedaan via de gronduitgifte. 7.1.2

Economische uitvoerbaarheid

Op grond van het bepaalde in artikel 3.1.6 onder f. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in deze toelichting inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Deze uitvoerbaarheid heeft in het bijzonder betrekking op de financieel economische uitvoerbaarheid. De (financiële) uitvoering van het bestemmingsplan vindt volledig plaats via een gemeentelijke grondexploitatie. De grondexploitatie heeft een nadelig resultaat. De gemeenteraad heeft een verliesvoorziening getroffen ter hoogte van het nadelige saldo waarmee de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is geborgd.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Participatie Op 22 april 2021 is een online participatiebijeenkomst georganiseerd via Zoom waarbij het schetsontwerp woningbouwplan is gepresenteerd aan omwonenden, belanghebbenden en geïnteresseerden. Ongeveer 700 omwonenden werden per brief hiervoor uitgenodigd. Ook via het online participatieplatform van de gemeente, doemee.zoetermeer.nl, werden inwoners en andere geïnteresseerden uitgenodigd voor de bijeenkomst. Via het online platform Doe Mee kregen geïnteresseerden ook de mogelijkheid om voorafgaand aan de bijeenkomst hun vragen te stellen en/of opmerkingen mee te geven. De aanwezigen konden voor, tijdens en na de bijeenkomst via e-mail en Doe Mee tot en met 6

Cadenza 2 versie vastgesteld

64/67

mei 2021 reageren op het woningbouwplan. Er zijn voorafgaand aan de bijeenkomst via Doe Mee en per e-mail 16 reacties ontvangen. Ook zijn er tijdens de participatiebijeenkomst een aantal aanvullende vragen gesteld. Na de bijeenkomst zijn er geen vragen meer binnengekomen. Alle reacties zijn gebundeld en door de gemeente, in overleg met de ontwikkelaar, beoordeeld en beantwoord in het participatieverslag (Bijlage 13 Eindverslag participatie Cadenza II).

Bestuurlijk vooroverleg Het voorontwerp-bestemmingsplan is op grond van artikel 3.1.1 Bro opgestuurd naar verschillende overheden en instanties.

Ontwerpbestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan is ter inzage gelegd gedurende 6 weken, van 18 februari 2022 t/m 31 maart 2022. Gedurende de periode van terinzagelegging zijn er 3 zienswijzen ingediend. De zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in de Nota beantwoording zienswijzen. Deze is opgenomen als Bijlage 14 bij deze toelichting. De zienswijzen hebben niet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan.

Cadenza 2 versie vastgesteld

65/67

Hoofdstuk 8

Handhaving

Op 9 mei 2011 heeft de gemeenteraad de beleidsnota 'Niet alleen Handhaven', Handhavingsbeleid 2011-2014 vastgesteld. Dit beleid ziet onder meer op het handhaven van bestemmingsplannen. Een belangrijk uitgangspunt in dit beleid is de dubbele regelkring. Dit betekent dat er van wordt uitgegaan dat toezicht en handhaving niet alleen wettelijke taken zijn, maar vooral ook instrumenten om beleidsdoelen te realiseren. Voor de handhaving is een prioritering ingevoerd. Daarbij zijn weegfactoren benoemd op basis waarvan de onderwerpen die het belangrijkst worden gevonden, het zwaarst worden gewogen. Fysieke veiligheid geldt als belangrijkste weegfactor. Natuur en duurzaamheid is de minst zware weegfactor. Vervolgens zijn voor de handhaving per taakveld bouwen, milieu en openbare ruimte prioriteiten gesteld. De handhaving van bestemmingsplannen valt onder het taakveld bouwen. Bij elk taakveld is een rangschikking ontstaan van zeer grote risico's naar zaken die nauwelijks risico's in zich herbergen. De prioritering wordt vervolgens in jaarlijkse handhavingsuitvoeringsprogramma's vertaald naar aandachtsgebieden, bijvoorbeeld extra aandacht voor illegale dakopbouwen, dakkapellen of illegaal gebruik. Handhaving kan plaatsvinden via de publiekrechtelijke, privaatrechtelijke en strafrechtelijke weg.

Het college van Burgemeester en Wethouders is bevoegd om met bestuursrechtelijke sancties op te treden tegen overtredingen van regels van bestemmingsplannen. De bestuursrechtelijke sancties bestaan uit de bestuursdwang en het opleggen van last onder dwangsom. Door middel van het privaatrecht kan de gemeente op indirecte wijze het bestemmingsplan handhaven. Dat kan door gebruikmaking van haar bevoegdheden als eigenaar of van contractuele bevoegdheden. De strafrechtelijke vervolging is afhankelijk van het Openbaar Ministerie. Overtredingen op grond van bestemmingsplanregels vallen met ingang van 13 september 2004 onder de Wet op de economische delicten. Strafrechtelijk optreden is gewenst bij overtredingen waarvan de gevolgen niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden. De Wet op de economisch delicten biedt verder de mogelijkheid bij het opleggen van de straf rekening te houden met het economisch voordeel dat de overtreder heeft behaald. Ook biedt de wet de mogelijkheid de verplichting op te leggen om op eigen kosten de gevolgen van het delict goed te maken.

Cadenza 2 versie vastgesteld

66/67

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zoetermeer&id=6d8f6e02-69ae-4d11-9c27-a19fd28aa684