Bijlage 1 - Bestemmingsplan toelichting
Tekst van het document
26
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan 70LUX, Luxemburglaan 2-10 in het verbeteren van de waterkwaliteit. Er wordt gestreefd naar een waterkwaliteit, die minimaal voldoet aan de landelijk geldende normen en ook een aantrekkelijk leefgebied vormt voor plant en dier. Hiervoor is het van belang dat geen uitlogende, milieubelastende materialen, zoals zink, koper en lood, worden toegepast in oppervlakken welke direct of via het schoonwaterriool afwateren naar het oppervlaktewater. Relatie tot het plangebied Voorliggend plan heeft een beperkte toename van het bebouwd oppervlak tot gevolg. Deze gronden zijn in de huidige situatie reeds verhard, maar onbebouwd. In de nieuwe situatie is hierdoor per saldo geen sprake van toename van verharding. In paragraaf 4.10 Water wordt nader ingegaan op het aspect water.
3.4.10 Programma Duurzaam en Groen Zoetermeer 2016-2020 Het programma Duurzaam en Groen Zoetermeer richt zich in het kader van de klimaatverandering op het versnellen van energietransitie in de bebouwde omgeving, omdat de gemeente hier het meeste invloed op heeft. Zoetermeer wil aardgas zo veel mogelijk vervangen door duurzame energie en op die manier tot de gewenste CO2 reductie komen. De twee speerpunten uit het programma zijn: 1. Een CO2 neutrale stad in 2040; a. Nul op de Meter concept toepassen waar het kan; b. Tussentijdse duurzaamheidsmaatregelen treffen; c. Aanvullend energie opwekken en energie-infrastructuur verbeteren. 2. Een natuurlijk & groen Zoetermeer; a. Bevorderen initiatieven (monitoring) behoud en verhoging biodiversiteit; b. Verbeteren kwaliteiten grote groengebieden rondom Zoetermeer; c. Verbeteren groenbeleving door betere recreatieve verbindingen. Klimaatadaptief bouwen Bovendien heeft de gemeente Zoetermeer in 2021 het Convenant Klimaatadaptief bouwen Zuid-Holland ondertekend. Nieuwbouwlocaties in Zuid-Holland worden zoveel mogelijk klimaatadaptief gebouwd, zodat ze bestand zijn tegen weersextremen als gevolg van klimaatverandering. Deze ambitie is vastgelegd in het Convenant (Overeenkomst) Klimaatadaptief Bouwen.
Dit is ondertekend door onder meer bouwbedrijven, gemeenten, de provincie, waterschappen, maatschappelijke organisaties, financiers en projectontwikkelaars. Gemeente Zoetermeer heeft eveneens vastgesteld dat, op basis hiervan, binnen de gemeente natuurinclusief gebouwd dient te worden. Relatie tot het plangebied In 70LUX worden de woningen gasloos en energiezuinig uitgevoerd waardoor aangesloten wordt bij het programma Duurzaam en Groen Zoetermeer. De daken worden zo veel als mogelijk ingezet voor de verduurzaming van de woontoren, door deze als groendak uit te voeren en te voorzien van zonnepanelen. 70LUX zal duurzaam verwarmd en gekoeld worden door de realisatie van een WKO systeem; een Warmte Koude Opslag.
3.4.11 Speelruimtenota 2016-2026 De Speelruimtenota 2016-2026 'Ruimte geven!' is opgesteld om voldoende speelruimte in relatie tot de leeftijdsopbouw en stedenbouwkundige opzet van de wijken te kunnen garanderen. Uit de inventarisatie blijkt dat er in het centrum in de huidige situatie voldoende speelplekken aanwezig zijn in vergelijking met het basisvoorzieningen-niveau. Er is wel sprake van te kleine en weinig uitdagende speelplekken. Relatie tot het plangebied Het project ligt in het stadscentrum en gaat niet ten koste van bestaande speelplekken. In de directe omgeving van het plangebied zijn voldoende speelplekken aanwezig.
Toelichting (vastgesteld)
27
bestemmingsplan 70LUX, Luxemburglaan 2-10
3.4.12 Welstandsnota (2012) In april 2012 is de nieuwe Welstandsnota Zoetermeer van kracht geworden. In de Welstandsnota staan de criteria waarop de Stadsbouwmeester zijn advies over bouwplannen baseert. Er worden drie beleidsniveaus onderscheiden, die aan een gebied kunnen worden toegekend, te weten; intensief, regulier en een luw welstandsbeleid. Deze drie niveaus geven de kwalitatieve ambities en de mate van vrijheid aan in het omgaan met de bestaande structuur en het bebouwingsbeeld, stedenbouwkundig en architectonisch. Ze zijn vertaald in algemene criteria, die naar gelang het niveau hoger is, uitgebreider worden. Relatie tot het plangebied Voor het plangebied geldt het intensief welstandsbeleid. In welstandsintensieve gebieden is behoud of zelfs herstel van de structuur en het bebouwingsbeeld uitgangspunt. Er worden hogere eisen gesteld aan het ontwerp en de relatie met de omgeving. Er dient te worden voortgebouwd op de oorspronkelijke context; dit kan traditioneel of vernieuwend, met gebruikmaking van nieuwe interpretaties. Binnen welstandsintensieve gebieden voldoet een gebouw aan redelijke eisen van welstand wanneer: 1. het volume, maat, schaal en verschijningsvorm afgestemd is op zijn omgeving en zich naadloos voegt in het bestaande stadsbeeld; 2. het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en openbare ruimte; 3.
het zich duidelijk herkenbaar richt op zijn omgeving en daar niet vanaf keert; 4. het in overeenstemming is met de stedenbouwkundige en architectonische typologie van het gebied; 5. het belangrijke doorzichten en zichtlijnen op cultuurhistorisch waardevolle structuren en gebouwen respecteert. 6. het evenwichtig en beheerst is vormgegeven in goede maatverhoudingen en compositie van de onderdelen, daarin begrepen het kleur- en materiaalgebruik, de constructie en het daklandschap; 7. het afgestemd is op de vorm, de kleur en het materiaalgebruik van de omliggende gebouwen; 8. het consistent is in de gekozen bouwstijl. 9. het bij restauratie respect betoont aan de authenticiteit en hoofdstructuur van het bestaande gebouw, daarin begrepen het bewaren of herstellen van de samenhang in het gevelbeeld. Daarnaast zijn aanvullende specifieke welstandscriteria van toepassing voor het hoofdwegenstelsel. De Europaweg is hier onderdeel van. Er gelden daarom de volgende aanvullende specifieke (gebieds)criteria: a. de karakteristieken van het onderdeel van het hoofdwegenstelsel en de gewenste ontwikkelingen; b. de betekenis van stadsentrees, knopen en stadsranden, in juiste onderlinge verhouding; c. het belang van een stedelijk front en de daarbij horende ensemblewerking, in goed evenwicht met de individuele plaats en kwaliteit van een gebouw als onderdeel van een compositie; d.
de onderlinge verhouding tussen weg en bebouwing, begroeiing of openheid van de omgeving; e. een ordelijke terreinaanleg, met goede vormgeving (vooral van parkeeroplossingen en zichtbare opslag); f. zichtlocaties waarop een al te nadrukkelijke confrontatie met bedrijven schadelijk kan werken op het gewenste rustige stadsbeeld; g. de gemoderniseerde RandstadRail en de vormgevingsconsequenties voor het bouwen in de omgeving van de haltes. Het beoogde bouwplan zal aan bovenstaande criteria worden getoetst. De uitvoering van de Welstandsnota zal doorgang vinden in het traject van de omgevingsvergunning. Een zorgvuldige inpassing in het kader van welstand is hiermee voldoende gewaarborgd.
28
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan 70LUX, Luxemburglaan 2-10
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
4.1
Archeologie en cultuurhistorie
4.1.1
Regelgeving en beleid
In 1992 werd in Valletta door de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen het 'Europees Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed', beter bekend onder de naam 'Verdrag van Malta', ondertekend. De wet tot goedkeuring van het verdrag is aangenomen door het Nederlands parlement en op 9 april 1998 in het Staatsblad gepubliceerd. Na enkele malen uitstel is het wetsvoorstel in april 2006 door de Tweede Kamer aangenomen en in december van dat jaar door de Eerste Kamer bekrachtigd. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is op 1 september 2007 in werking getreden. De nieuwe wet heeft zijn beslag gekregen via een wijziging van de Monumentenwet 1988, aanpassingen in de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en enkele andere wetten. De Monumentenwet 1988 is inmiddels opgegaan in de Erfgoedwet (9 december 2015). Met de huidige wetgeving is het accent komen te liggen op het streven naar het behoud en beheer van archeologische waarden in de bodem (in situ) en het beperken van (de noodzaak van) archeologische opgravingen. Uitgangspunt van het beleid is tevens het principe "de verstoorder betaalt".
Bij het voorbereiden van werkzaamheden die het bodemarchief kunnen verstoren (zoals de aanleg van een weg, een nieuwe woonwijk, een bedrijventerrein), dient onderzocht te worden of daardoor archeologische resten verstoord kunnen worden (dat kan bijvoorbeeld door booronderzoek of sleuvenonderzoek - beide na een gedegen bureauonderzoek). Als uit het onderzoek blijkt dat er archeologische waarden aanwezig zijn en deze niet ter plaatse behouden kunnen blijven, dan dient de initiatiefnemer van het werk de kosten die gepaard gaan met het opgraven en conserveren van de plaats te dragen. Met de huidige wetgeving zijn de kerntaken en bestuurlijke verantwoordelijkheden van gemeenten veranderd. Eén van de belangrijkste consequenties is, dat gemeenten een centrale rol is toegekend in de bescherming van archeologisch erfgoed. In de wet is bepaald, dat gemeenten door inzet van een planologisch instrumentarium het archeologisch belang dienen te waarborgen. Bescherming van het archeologisch erfgoed kan onder meer vorm krijgen door in bestemmingsplannen regels ter bescherming van bekende en te verwachten archeologische waarden op te nemen. Besluit ruimtelijke ordening Sinds 1 januari 2012 dient in bestemmingsplannen rekening te worden gehouden met cultuurhistorie. Dit is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg.
Cultuurhistorische Atlas Zuid-Holland De Cultuurhistorische Atlas van Zuid-Holland geeft een overzicht van de cultuurhistorische kenmerken en waarden in Zuid-Holland. De atlas bestaat uit kaarten voor de drie onderdelen van de cultuurhistorie: archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap. Ieder onderdeel bestaat uit twee kaarten die inzichtelijk maken wat in Zuid-Holland cultuurhistorisch van belang is en waarom: de kenmerkenkaart, waarop de kenmerkende nederzettingspatronen, landschapspatronen en de archeologische opbouw van het landschap zijn weergegeven; de waardekaart, waarop de waardevolle structuren van de kenmerkenkaart zijn gewaardeerd. Deze cultuurhistorische kenmerken en waarden vormen de input bij processen van culturele planologie. De projectlocatie is op de rand gesitueerd van de zone 'redelijke tot hoge trefkans op archeologische sporen' en de zone 'geen tot lage trefkans op archeologische sporen'.
Toelichting (vastgesteld)
29
bestemmingsplan 70LUX, Luxemburglaan 2-10
Figuur 4.1 (fragment van) Cultuurhistorische Atlas Zuid-Holland. Rode ster: planlocatie. Bron: zuid-holland.nl. 4.1.2
Onderzoek
In het kader van het vigerend bestemmingsplan 'Stadscentrum/ Dorpsstraat' is in februari 2012 door archeologisch adviesbureau IDDS Archeologie een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Op grond van dit onderzoek is in het Stadshart geen aanvullend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Ook is in het bestemmingsplan geen dubbelbestemming in het kader van het aspect archeologie opgenomen. In 2015 heeft een nadere beschouwing van de archeologie van Zoetermeer plaatsgevonden (J. van Horssen, 2015: De archeologie van Zoetermeer. Een bureauonderzoek naar de prehistorie en de veertien archeologische monumenten in de gemeente Zoetermeer, DAR124). Dit heeft geleid tot een nieuwe, vastgestelde, archeologische beleidskaart. Het plangebied Luxemburglaan 2 ligt niet in een gebied waar archeologische waarden worden verwacht, zie figuur 4.2. Er is geen beschermingsregime nodig om de archeologische waarden te beschermen. In het vigerende bestemmingsplan hebben de gronden daarom geen dubbelbestemming voor archeologische waarden. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat, als gevolg van de beoogde ontwikkeling, geen archeologische waarden in het geding zijn.
30
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan 70LUX, Luxemburglaan 2-10
Figuur 4.2 (fragment van) archeologische beleidskaart Zoetermeer. Rode ster: planlocatie. Bron: zoetermeer.nl. De algemene meldingsplicht bij het aantreffen van oudheden is altijd van toepassing. Op basis van paragraaf 5.4 van de Erfgoedwet moet iedereen die, anders dan bij het doen van archeologisch onderzoek, iets vindt waarvan hij/zij weet of kan vermoeden dat het een (roerend of onroerend) monument betreft, dit melden bij de minister van OCW (en in deze, bij de gemeente Zoetermeer). Indien het bevoegd gezag van mening is dat dit noodzakelijk is, moet er tijd en ruimte geboden worden de resten te onderzoeken, documenteren en eventueel veiligstellen. Het niet melden van het aantreffen van oudheden is een overtreding van de Erfgoedwet. In het plangebied zijn eveneens geen gemeentelijke en rijksmonumenten aanwezig. 4.1.3
Conclusie
Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan.
4.2
Bedrijven en milieuzonering
4.2.1
Regelgeving en beleid
Begrip milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Deze milieuzonering dient aldus twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; het bieden van voldoende ruimte en zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen. Een vergaande scheiding van functies kan echter ook leiden tot inefficiënt ruimtegebruik en een verlies aan ruimtelijke kwaliteit. Een gemengd gebied met een mix van wonen en werken, winkels en horeca
Toelichting (vastgesteld)
31
bestemmingsplan 70LUX, Luxemburglaan 2-10 stimuleert een levendig straatbeeld, een hogere sociale veiligheid en extra draagvlak voor voorzieningen. VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering is een handreiking voor milieuzonering in ruimtelijke plannen. Het boekje vormt een hulpmiddel voor gemeenten om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen voor een locatie concreet in te vullen. Het doel van de publicatie is om te komen tot maatwerk op lokaal niveau. Dit betekent dat gemaakte keuzes zorgvuldig moeten worden afgewogen en verantwoord. De in de publicatie opgenomen richtafstanden zijn echter niet bedoeld om de aanvaardbaarheid te toetsen van situaties waarbij bestaande bedrijven in de nabijheid van bestaande woningen liggen. Het is dus niet bedoeld om bestaande situaties te beoordelen. De in de publicatie opgenomen richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van buurtgerichte voorzieningen, zoals basisscholen komen er vrijwel geen andere functies voor, behalve aan huis verbonden beroep of bedrijf. Anders dan rustige woonwijken, zijn er ook gebieden met een matige tot sterke functiemenging.
Direct naast woningen, komen andere functies voor zoals winkels, horeca en of kleine bedrijven en voorzieningen. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Indien sprake is van een gemengd gebied kunnen deze richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. 4.2.2
Onderzoek
De planlocatie heeft in de huidige situatie een kantoorbestemming. In de directe omgeving liggen veelal andere kantoren en woningen. Het plangebied kan getypeerd worden als een gemengd gebied vanwege de ligging van woningen naast andere functies en de situering aan de Europaweg. De bestaande bestaande omliggende bedrijfsactiviteiten, zoals de naastgelegen kantoren, worden niet belemmerd door onderhavig plan. Het plangebied ligt buiten de milieucontour van kantoren in een gemengd gebied. Aan de overige zijden is openbaar gebied en zijn woningen en wegen gesitueerd. Het te realiseren plan ligt niet binnen of nabij de richtafstanden van andere omliggende bedrijven of instellingen. 4.2.3
Conclusie
Het aspect bedrijven en miliezonering vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan.
4.3
Bodemkwaliteit
4.3.1
Regelgeving en beleid
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan/project rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. 4.3.2
Onderzoek
In het kader van bodemkwaliteit is een Verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de projectlocatie door Hofstede c.s. Milieuadviseurs in 2020 (zie Bijlage 2). Dit onderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740. Gelet op de beschikbare voorinformatie werd de onderzoeksstrategie voor 'een kleinschalige, niet-lijnvormige onverdachte locatie' toegepast.
32
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan 70LUX, Luxemburglaan 2-10
De resultaten van het bodemonderzoek kunnen als volgt worden samengevat: de bodem bestaat tot op 3 meter beneden maaiveld uit (opgebracht) zand. Het niveau van het ondiepe grondwater lag tijdens het veldonderzoek op 1,5 tot 1,6 meter beneden het maaiveld; er zijn zintuiglijk geen afwijkingen aan de grond aangetroffen die zouden kunnen wijzen op bodemverontreiniging. Ook bij bemonstering van de peilbuis zijn zintuiglijk aan het opgepompte grondwater geen bijzonderheden waargenomen; in de grond zijn van de onderzochte stoffen in het algemeen geen verhoogde gehalten aangetroffen. In de ondergrond is enkel een licht verhoogd gehalte minerale olie gemeten; de gehalten PFOA en overige PFAS in de bovengrond liggen onder de landelijke achtergrondwaarden. Het gehalte PFOS ligt iets boven het landelijke achtergrondgehalte, maar voldoet aan de hergebruiksnorm; het grondwater is niet verontreinigd met de stoffen waarop het is onderzocht. Samengevat is in de bodem geen noemenswaardige verontreiniging vastgesteld. De bodemkwaliteit op de locatie is op een representatieve wijze vastgelegd. De aangetroffen lichte verontreiniging legt geen beperkingen op aan het huidige of toekomstige terreingebruik. 4.3.3
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan.
4.4
Duurzaamheid
4.4.1
Regelgeving en beleid
In het 'Programma Duurzaam en Groen Zoetermeer (2016-2020)' heeft de gemeente Zoetermeer een programma vastgesteld voor de periode tot 2020 met betrekking tot onder andere duurzaamheid. Voor de eerste pijler (een CO2 neutraal Zoetermeer) zijn de volgende acties in het programma opgenomen: Aanbevelingen backcastingstudie, waaronder de implementatie van het zogenaamde 'nul op de meter concept'. Zoetermeer in 2040 klimaatneutraal: Nul op de Meter concept toepassen waar het kan; Tussentijdse duurzaamheidsmaatregelen treffen; Aanvullend energie opwekken en energie-infrastructuur verbeteren. Naast dit programma zijn in het planuitwerkingskader (PUK) voor de Luxemburglaan 2-10 een aantal uitgangspunten geformuleerd voor het plangebied: De gestapelde woningen worden zo mogelijk energieneutraal voor de gebouw gebonden energie. Daken worden zo veel als mogelijk nuttig ingezet voor de verduurzaming van het gebouw: dat wil zeggen voor de plaatsing van zonnepanelen of de realisatie van groen, een tuin of combinaties daarvan bijvoorbeeld in de vorm van een smart roof. Natuurinclusief bouwen: De afname van verblijfsplaatsen voor vleermuizen en vogels in nieuwe huizen en kantoren in combinatie met een toenemend duurzaamheidsbesef heeft geresulteerd in natuurinclusief bouwen.
Dit houdt in dat bij de bouw van woningen, bedrijfspanden en andere objecten de natuur wordt geïntegreerd, bijvoorbeeld door het opnemen van gebouw gebonden voorzieningen (zoals nestkasten, speciale dakpannen of toepassing van stenen geschikt voor vogels en vleermuizen). 4.4.2
Onderzoek
De ontwikkeling van 70LUX is in lijn met het Programma Duurzaam en Groen Zoetermeer en de uitgangspunten in het planuitwerkingskader (PUK) dat specifiek voor het plangebied is vastgesteld. Voorliggend plan bestaat uit de woontoren 70LUX. Dit gebouw zal duurzaam verwarmd en gekoeld worden door de realisatie van een WKO systeem; een Warmte Koude Opslag. Daarnaast worden de daken zo veel als mogelijk ingezet voor de verduurzaming van de woontoren door de daken uit te voeren als groendak en er zonnepanelen op te plaatsen. Bij de bouw van 70LUX wordt de natuur geïntegreerd door nestkasten te plaatsen op de zuid- en
Toelichting (vastgesteld)
33
bestemmingsplan 70LUX, Luxemburglaan 2-10 oostgevel. Daarnaast worden aan de Berlijnstraat watervasthoudende plantenbakken geplaatst en is de gevel voorzien van begroeiing. Op het dek van de eerste verdieping worden vaste plantenbakken geplaatst met klimplanten, waardoor de galerij zal begroeien. Verder zijn de daken uitgevoerd als groendak en worden er zonnepanelen op geplaatst. Het groene dak op de zevende verdieping is tevens voorzien van een groene dakrand. 4.4.3
Conclusie
Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan.
4.5
Externe veiligheid
4.5.1
Regelgeving en beleid
Onderdeel van de ruimtelijke opgave is dat er bijzondere aandacht wordt besteed aan onder meer de externe veiligheidsaspecten. Bij Externe Veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Hierbinnen worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is een maat voor het overlijdensrisico op een bepaalde plaats. Bij plaatsgebonden risico gaat het om de gemiddelde kans per jaar dat een gemiddelde persoon op een bepaalde geografische plaats in de omgeving van een transportroute overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen op deze transportroute, ervan uitgaande dat die persoon onbeschermd en permanent op deze plaats aanwezig is. Anders gezegd, het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het plaatsgebonden risico kan worden weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten: risicocontour).
Dergelijke contouren zijn van belang bij de beoordeling of een risicovolle activiteit of een risicogevoelige bestemming op een bepaalde plaats kan worden toegelaten. Voor plaatsgebonden risico is door de rijksoverheid voor nieuwe situaties een grenswaarde vastgesteld van 10-6/jaar. Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van één ongeval op de transportroute waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Dit risico laat zich niet in de vorm van een risicocontour op een kaart weergegeven, maar kan wel worden vertaald in een dichtheid van personen per hectare. Hoe meer personen per hectare in het schadegebied van een hier bedoeld ongeval aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de cumulatieve kansen per jaar op ten minste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico is in tegenstelling tot het plaatsgebonden risico een oriënterende waarde.
Besluit externe veiligheid transportzones In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) zijn de normen voor het plaatsgebonden risico en de doorwerking daarvan op het gebied van de ruimtelijke planvorming geregeld voor zover de risico's worden veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen. Daarnaast beoogt dit besluit te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) / Regeling basisnet Het basisnet beoogt een duurzaam evenwicht te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, hoofdspoorwegen en binnenwateren, de bebouwde omgeving langs die 34
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan 70LUX, Luxemburglaan 2-10 wegen, hoofdspoorwegen en binnenwateren en de veiligheid van omwonenden. Op basis van de Wvgs worden in de Regeling basisnet, de tot het basisnet behorende infrastructuur vastgelegd inclusief de daarbij behorende risicoplafonds. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) verplicht gemeenten risicovolle situaties van inrichtingen ten opzichte van kwetsbare bestemmingen binnen 3 jaar te saneren als het plaatsgebonden risico hoger is dan 10- 6 voor 2010. Voor wat betreft het groepsrisico is de verantwoordingsplicht wettelijk geregeld. Krachtens het Bevi moeten alle besluiten in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke Ordening integrale aspecten van externe veiligheid afwegen. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zijn risicoafstanden opgenomen voor ondergrondse buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Voor wat betreft het groepsrisico is de verantwoordingsplicht wettelijk geregeld. Het Bevb werkt door in besluitvorming op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet ruimtelijke ordening, zoals bestemmingsplannen. 4.5.2
Onderzoek
Ten behoeve van de beoordeling van het aspect externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd. Onderstaande figuur bevat hier een uitsnede van.
Figuur 4.3 Uitsnede risicokaart. Rode aanwijzer: planlocatie. Bron: nederland.risicokaart.nl, augustus 2019. Hieruit kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting; Het plangebied ligt niet binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een transportroute van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor of water; Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor transport van gevaarlijke stoffen. Binnen het plangebied is geen weg gelegen die voor vervoer van gevaarlijke stoffen gebruikt kan worden. Ook de Europaweg is op de risicokaart niet aangeduid als transportroute van gevaarlijke stoffen. Echter kan gesteld worden dat alle rijkswegen en de meeste provinciale wegen aangewezen zijn als route voor gevaarlijke stoffen. Gemeenten mogen voor de zogenaamde routeplichtige stoffen gemeentelijke wegen binnen hun grenzen aanwijzen waarover deze gevaarlijke stoffen mogen worden vervoerd. De gemeente
Toelichting (vastgesteld)
35
bestemmingsplan 70LUX, Luxemburglaan 2-10 Zoetermeer heeft een dergelijke route gevaarlijke stoffen niet vastgesteld wat tot gevolg heeft dat het vervoer van gevaarlijke stoffen in principe altijd via de snelste weg moet plaatsvinden. Aangenomen kan worden dat er over de Europaweg transport plaats mag vinden van gevaarlijke stoffen, echter zal bij vervoer van gevaarlijke stoffen de meest efficiënte route (snelste weg) genomen worden om onnodig tijdverlies en rijkilometers te voorkomen. Gezien de ligging van onder andere de LPG tankstations in Zoetermeer ligt de planlocatie niet langs de meest efficiënte route. Gesteld kan worden dat het transport van gevaarlijke stoffen over de Europaweg dusdanig laag is dat vanuit het oogpunt van externe veiligheid het risico verwaarloosbaar klein is. 4.5.3
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan.
4.6
Natuur
4.6.1
Beleid en regelgeving
Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming is per 1 januari 2017 in werking getreden en voegt drie "oude" natuurwetten samen: de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De Wet natuurbescherming kent naast de algemene zorgplicht (artikel 1.11) nog drie hoofdstukken die van belang zijn voor ruimtelijke ingrepen. Dit betreft hoofdstuk 2 (gebiedsbescherming), hoofdstuk 3 (soortbescherming) en hoofdstuk 4 (houtopstanden). Hoofdstuk 2 van de Wet richt zich op de gebieden die zijn aangewezen op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Natura 2000-gebieden. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de soortenbescherming. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan de provincie ervoor kiezen om een gebied aan te wijzen als bijzonder nationaal natuurgebied- of landschap of als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten is vastgelegd in de bijlage bij de Wet natuurbescherming.
Dat houdt in dat, bij planvorming uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Natuurnetwerk Nederland De term EHS werd in 1990 geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan (NBP) van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. In 2013 veranderde de naam van Ecologische Hoofdstructuur naar Natuurnetwerk Nederland (NNN). NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dan planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het plangebied in of in de nabijheid van het NNN gelegen is, verlangt de provincie een 'nee-tenzij-toets'. (het vervallen van de) Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) Natura 2000-gebieden worden beschermd op basis van de Habitatrichtlijn (HR). Deze gebieden zijn aangewezen als Natura-2000 gebied omdat er bijzondere habitattypen en/of bijzondere plant- en diersoorten aanwezig zijn. Laatstgenoemde kunnen van stikstofgevoelige habitattypen afhankelijk zijn. Vanaf 1 juli 2015 is gewerkt met de PAS: de Programmatische Aanpak Stikstof. De PAS is het beleid waarmee Nederland het hoofd bood aan de problematiek rond stikstof en natuur.
In de PAS zijn alle Natura 2000-gebieden opgenomen waarbinnen ten minste één stikstofgevoelig habitattype voorkomt dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. Met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het Programma Aanpak Stikstof komen te vervallen (ECLI:NL:RVS:2019:1603). De uitspraak heeft een aantal belangrijke 36
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan 70LUX, Luxemburglaan 2-10 gevolgen voor toekomstige en bestaande ontwikkelingen. Zo zijn de eerder geldende drempelwaarden komen te vervallen. Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Deze toename van stikstofdepositie kan het gevolg zijn van de aanlegfase (bouwwerkzaamheden) en de gebruiksfase (het gebruiken van het plan). 4.6.2
Onderzoek
In het kader van natuurbescherming dient de aan- of afwezigheid van beschermde soorten vastgesteld te worden en de invloed op beschermde natuur bepaald te worden. Hiertoe is een Quickscan flora en fauna, een Aanvullend vleermuisonderzoek en een Controleberekening stikstofdepositie voor het plangebied uitgevoerd. Soortenbescherming Uit de quickscan flora en fauna (zie bijlage 3) blijkt dat, vanwege de toegankelijkheid van de spouwmuur via de open stootvoegen en de daklijsten, het kantoorpand kan fungeren als verblijfplaats voor vleermuizen. De bomen in de directe omgeving en het platte dak bieden een geschikt broedbiotoop voor algemene vogels. Overige beschermde soorten worden niet verwacht voor te komen in het projectgebied door het ontbreken van geschikt habitat. Gebiedsbescherming In de quikscan (zie bijlage 3) is ook aandacht besteed aan beschermde gebieden. Nadelige effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op het NNN en Natura 2000-gebieden worden niet verwacht. Het NNN en Natura 2000-gebieden liggen buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden in het projectgebied. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Op circa 6,2 kilometer van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied 'De Wilck' en op circa 11,7 kilometer ligt het Natura 2000-gebied 'Meijendel & Berkheide'.
Het gebied 'De Wilck' is in de PAS niet aangewezen als stikstofgevoelig, 'Meijendel & Berkheide' daarentegen wel. De afstand van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is relatief groot (11,7 km) waardoor voor dit plan een eenvoudige controleberekening volstaat. Vervolgonderzoek vleermuizen Er is aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen uitgevoerd (zie bijlage 4). Op basis van dit onderzoek kan worden uitgesloten dat vleermuizen in de winterperiode gebruik maken van de bebouwing in het projectgebied als verblijfplaats. Ook is tijdens het onderzoek naar paarverblijfplaatsen, geen verblijfplaats waargenomen in het projectgebied. Verder is geconstateerd dat het gebouw geen functies herbergt voor de tweekleurige vleermuis. In de zomer- en kraamperiode zijn eveneens geen verblijfplaatsen waargenomen in de bebouwing van het projectgebied. Daarnaast is vastgesteld dat de bebouwing geen onderdeel uitmaakt van een vaste vliegroute van vleermuizen. Het water ten zuidoosten van het projectgebied is een essentieel foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis. Het projectgebied bevat geen elementen die benut worden door beschermde soorten. In de omliggende bebouwing zijn meerdere paarverblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis en een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis waargenomen.
Het ten zuidoosten gelegen water en aangrenzend groen worden met name in de paarperiode intensief benut door de ruige dwergvleermuis en de gewone dwergvleermuis als foerageergebied en baltslocatie. Het is daarom noodzakelijk om in de periode april november dit water en groen niet aan te lichten of op een andere wijze te verstoren of aantasten. Controleberekening stikstofdepositie Op basis van vergelijkbare projecten is een inschatting gemaakt van de mogelijke emissie van stikstof en de depositie daarvan op omliggende Natura 2000-gebieden (zie Bijlage 5 ). Daarbij is er worst-case van uitgegaan dat de ontwikkeling 70LUX binnen 1 jaar gerealiseerd wordt. Op basis van de geschatte gegevens is zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake van overschrijding van de drempelwaarde van 0,00 mol/ha/jaar. Binnen beide fasen is een overschatting gemaakt in de uitstoot stikstof in kilogrammen. Aangezien de drempelwaarde niet overschreden wordt, is het niet nodig intern te salderen en tevens niet noodzakelijk een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming aan
Toelichting (vastgesteld)
37
bestemmingsplan 70LUX, Luxemburglaan 2-10 te vragen. 4.6.3
Conclusie
Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de vaststelling van onderhavig plan.
4.7
Geluid
4.7.1
Regelgeving en beleid
Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) een belangrijk juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh biedt onder andere geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. De Wgh is daarom sterk gelinkt aan de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Wegverk eerslawaai De Wgh biedt geluidsgevoelige bestemmingen bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de Wgh is beperkt tot een aandachtsgebied (een geluidszone) langs wegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wgh van toepassing. Een andere beperking is dat de Wgh niet geldt voor 30-km wegen en voor woonerven. Industrielawaai De Wgh verplicht om industrieterreinen waarop lawaaiveroorzakende bedrijven zijn of kunnen worden gevestigd te zoneren. Bij de zonering worden primair de grenzen vastgelegd van het gebied waarbinnen de lawaaimakende bedrijven gevestigd mogen zijn. Het gebied binnen de zonegrens vormt het aandachtsgebied.
De binnen het aandachtsgebied geldende wettelijke voorkeursgrenswaarde, dan wel de binnen de zone vastgestelde hogere waarden zijn bepalend voor de toelaatbaarheid van geluidproducerende activiteiten. Buiten de geluidszone mag de geluidsbelasting als gevolg van de bedrijven op het gezoneerde industrieterrein niet meer dan 50 dB(A) bedragen. Spoorweglawaai De Wgh biedt geluidsgevoelige bestemmingen bescherming tegen geluidhinder van spoorweglawaai bij de aanleg/wijziging van spoorwegen of bij de bouw van woningen in de buurt van spoorwegen. Normstelling De normstelling onderscheidt voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. De voorkeursgrenswaarde wordt voor alle (nieuwe) situaties nagestreefd. Realisatie hiervan is echter niet altijd mogelijk. De wet biedt de mogelijkheid om ontheffing te verkrijgen van de voorkeursgrenswaarde tot de maximale ontheffingswaarde. Gemeentelijk geluidbeleid De gemeente Zoetermeer heeft in 2009 geluidbeleid vastgesteld en geactualiseerd in 2017. Wanneer de wettelijke voorkeursgrenswaarde niet haalbaar is, wordt de hogere waarde procedure doorlopen. Het doel van de procedure is om het aantal woningen dat een hoge geluidbelasting ondervindt zoveel mogelijk te beperken. Een hogere geluidbelasting wordt daarmee alleen onder voorwaarden toegestaan.
De voorwaarden voor het toekennen van een hogere waarde gelden in de situatie waarbij de voorkeursgrenswaarde met meer dan 5 dB (bij wegverkeer 53 dB en bij railverkeer 60 dB) wordt overschreden. In de nota uit 2009 is opgenomen dat de volgende aanvullende voorwaarden van toepassing zijn bij een hogere geluidbelasting: het stedenbouwkuding ontwerp wordt zodanig vormgegeven dat daarbij zoveel mogelijk afscherming voor het achterliggende gebied ontstaat; bij een aanvraag om bouwvergunning moet een bouwakoestisch onderzoek worden gevoegd en wordt getoetst of wordt voldaan aan de binnenwaarde zoals genoemd in het Bouwbesluit; bij appartementen en andere woningen dient minimaal 1 verblijfsruimte in de woning aan de
38
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan 70LUX, Luxemburglaan 2-10 geluidluwe zijde (maximaal 48 dB) te worden gesitueerd; aan de geluidluwe zijde wordt een volwaardige buitenruimte (tuin of balkon gesitueerd (minimaal 6 m²). Het beleid van 2009 is niet altijd houdbaar gebleken bij nieuwbouw op krappe binnenstedelijke locaties. Om de binnenstedelijke nieuwbouw meer flexibliteit te bieden is het aanvullende beleid (juni 2017) opgesteld: de mogelijkheid om de eis van een eigen buitenruimte te laten vervangen door een gemeenschappelijke buitenruimte als er redelijkerwijs geen eigen buitenruimte voor elke woning mogelijk is; een balkon aan de geluidbelaste zijde met gesloten balkonschermen toe te staan in situaties waar een balkon aan de geluidluwe zijde niet mogelijk is; geen geluidluwe zijde te eisen in uitzonderingssituaties zoals bij hoekwoningen binnen een appartementengebouw dat is gelegen aan twee geluidbelaste wegen waardoor het niet mogelijk is om een geluidluwe zijde te realiseren. 4.7.2
Onderzoek
Om het plan te toetsen aan de Wet geluidhinder en het gemeentelijk geluidsbeleid en te beoordelen of een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt gerealiseerd is een Akoestisch onderzoek uitgevoerd door Alcedo in 2021 (zie Bijlage 6). Uit het onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde volgens de Wet geluidhinder. De met een ontheffing maximaal toegestane geluidsbelasting wordt echter niet overschreden. Ook wordt voldaan aan het geluidsbeleid van 2009 in combinatie met de afwijkingsregels van 2017. Daarvoor is voorzien in het toepassen van gesloten balustrades langs de balkons en geluidsabsorptie tegen de balkonplafonds alsmede in een gezamenlijke geluidsluwe buitenruimte. Met deze maatregelen wordt voldaan aan de criteria volgens het geluidbeleid, wordt een aanvaardbaar woonen leefklimaat gewaarborgd en is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Alle woningen hebben een individuele of een gezamenlijke buitenruimte. Ondanks het toepassen van de gesloten balustrades blijft er bij 21 hoekwoningen sprake van een situatie zonder een volledige geluidsluwe zijde. Van deze woningen hebben er 15 ter hoogte van het balkon wel een geluidsluw geveldeel. In de volgende figuur is de ligging van deze woningen aangegeven.
Figuur 4.4 woningen zonder geluidsluw geveldeel (bron: Akoestisch onderzoek door Alcedo, 2021)
Toelichting (vastgesteld)
39
bestemmingsplan 70LUX, Luxemburglaan 2-10
In bijlage 5 van het onderzoek dat door Alcedo is uitgevoerd is een overzicht van de vast te stellen hogere grenswaarden opgenomen. Het college van B&W heeft een ontwerpbesluit Hogere waarden geluid vastgesteld. Dit ontwerpbesluit heef tezamen met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegen. Er is een zienswijze ingediend waarin aan het ontwerpebesluit hogere waarden geluid wordt gerefereerd. Appellant is niet ontvankelijk verklaard aangezien hij geen direct belanghebbende is bij het besluit Hogere waarden geluid. Het besluit Hogere waarden geluid is op 26 september 2021 vastgesteld. Zie Bijlage 7. In de plint van 70LUX zijn enkele voorzieningen (niet-woonfuncties) beoogd. Het gaat hier om dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen en/of kantoor. Wat betreft bedrijfsactiviteiten, worden enkel activiteiten tot en met categorie A toegestaan, welke aanpandig aan woningen worden toegestaan. Dienstverlening dan wel horeca wordt enkel in ondersteunende vorm toegestaan (gedacht kan worden aan een coffee corner voor kantoorgebruikers). Hoewel de exacte invulling van dit deel van het programma nog niet definitief bekend is, is vestiging van functies met een relevante geluidsuitstraling daardoor niet aannemelijk. 4.7.3
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan. Op 26 september 2021 heeft het college van B&W het besluit Hogere waarden geluid vastgesteld.
4.8
Luchtkwaliteit
4.8.1
Regelgeving en beleid
Luchtkwaliteitseisen De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer, ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. Deze wijziging van de Wet milieubeheer is op 15 november 2007 in werking getreden. De wijziging houdt in dat de in Nederland toegepaste koppeling tussen ruimtelijke ordening en luchtkwaliteit voor een deel wordt ontkoppeld. Dit maakt het mogelijk om niet voor elk ruimtelijk plan te hoeven toetsen aan de normen. Hierbij is met name het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) van belang. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Sinds de verlening van derogatie door de Europese Unie en de inwerkingtreding van het NSL per 1 augustus 2009 is de definitie van NIBM een bijdrage van niet meer dan 3% aan de jaargemiddelde concentratie fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m3 van zowel PM10 als NO2. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk gemaakt kan worden dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit is de kern van de Wet luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel alle ruimtelijke ontwikkelingen die 'in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als een bundeling van alle maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. Op basis van bovenstaande volgt dat bestuursorganen een ruimtelijk plan kunnen vaststellen als: wordt voldaan aan de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden, of een plan (per saldo) niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit, of een plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt, of een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit als gevolg van een ontwikkeling wordt gecompenseerd met een verbetering door een als gevolg van dat plan optredend effect of een met 40
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan 70LUX, Luxemburglaan 2-10 het besluit samenhangende maatregel (saldering zoals bedoeld in art. 5.16 lid 1 onder b Wet milieubeheer), of de ontwikkeling is opgenomen in het NSL. 4.8.2
Onderzoek
Toetsing beoogde ontwikkeling aan het NIBM Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling niet in betekenende mate uitgewerkt in concrete voorbeelden. Voor woningbouw geldt dat de realisatie van 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen niet in betekenende mate bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van 134 woningen mogelijk. Voor de volledigheid is de NIBM-tool ingevuld, uitgaande van een worst-case bijdrage van 347 extra verkeersbewegingen (zoals toegelicht in paragraaf 4.9 Verkeer en parkeren) en een minimaal aandeel vrachtverkeer, aangezien het programma voornamelijk uit woningbouw bestaat. Zie hiertoe figuur 4.5.
Figuur 4.5 NIBM-tool Hiermee draagt het plan niet in betekenende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied en directe omgeving. Goed woon- en leefklimaat Met behulp van www.nsl-monitoring.nl is op 3 juni 2020 vastgesteld wat de achtergrondconcentraties fijnstof en stikstofdioxide zijn ter plaatse van het project gebied. Dit om te bepalen of het realiseren van de beoogde woonfunctie op deze specifieke plek in het kader van een goed leefklimaat te motiveren is, gelet op de verkeersaantrekkende werking die uitgaat van het project. Het dichtstbijzijnde rekenpunt is punt 125008. Uit de resultaten van de monitoringstool blijkt dat de totale concentraties voor NO2, PM10 en PM2,5 onder de grenswaarden van 40 µg/m3 voor NO2 en PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5 liggen. Zie hiertoe figuur 4.6.
Figuur 4.6 totale concentraties in 2020 en 2030 (bron: www.nsl-monitoring.nl) Zelfs wanneer de maximale bijdrage door extra verkeer hierbij wordt opgeteld, zullen de concentraties ruimschoots onder de grenswaarden blijven.
Toelichting (vastgesteld)
41
bestemmingsplan 70LUX, Luxemburglaan 2-10
4.8.3
Conclusie
De beoogde ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Bovendien is sprake van een goed woon- en leefklimaat, gelet op de totale achtergrondconcentraties en de verkeersaantrekkende werking van het project. Luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.9
Verkeer en parkeren
4.9.1
Regelgeving en beleid
Planuitwerkingskader (PUK) Luxemburglaan 2-10 Het planuitwerkingskader (PUK) is een door de raad vast te stellen document waarin de voorwaarden zijn opgenomen waaraan het plan dient te voldoen om de gemeentelijke publiekrechtelijke medewerking te verkrijgen. Ten behoeve van het haalbaarheidsonderzoek voor het initiatief 70LUX aan de Luxemburglaan 2-10 zijn randvoorwaarden opgesteld. De randvoorwaarden staan verwoord in het PUK en hebben als doel om in de verdere planontwikkeling als toetsingskader te fungeren. Hiermee wordt vorm en inhoud aan de planontwikkeling gegeven. Op basis van het PUK is het plan verder uitgewerkt. Ontsluiting Op de Luxemburglaan heeft men te maken met diverse verkeerstromen, namelijk vanuit het stadscentrum (de Luxemburglaan uit) richting Leiden, Den Haag en de andere wijken. De Luxemburglaan ter hoogte van de ontwikkeling is erg druk, met auto's die voor de verkeerslichten op de Europaweg staan te wachten, met name op drukke dagen zoals de zaterdag. Ook ligt er een druk voetpad waarover veel mensen lopen, het is immers de looproute (ook voor blinden en slechtzienden) tussen het Stadshart, het Woonhart en de bushalte op de Europaweg. Een nieuwe ontsluiting voor deze ontwikkeling kan in principe niet aangesloten worden op de Luxemburglaan. Dit zal de verkeersafwikkeling op de Luxemburglaan te veel verstoren.
Een toekomstige in-/ uitgang van de parkeergarage moet aan de andere kant van het wooncomplex op de Berlijnstraat worden aangesloten. Dat is een rustige straat en deze is goed bereikbaar. Parkeren Gemeente Zoetermeer heeft voor het parkeeraspect in 2019 beleid vastgesteld zoals toegelicht in paragraaf 3.4.8. Een bestuursorgaan dient te handelen overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Zie ook art 4:84 Algemene wet bestuursrecht. Fietspark eren Naast parkeernormen voor auto's is in de Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels 2019 (zie 3.4.8) eveneens een parkeernorm vastgesteld voor fietsparkeren. Daarnaast is in het PUK vastgelegd dat iedere woning in het initiatief 70LUX dient te beschikken over een (fietsen)berging. Dit kan zowel individueel bij de woning als collectief op een goed bereikbare plek in het gebouw worden opgelost. 4.9.2
Onderzoek
Verkeersaantrekkende werking Woningen kennen een verkeersaantrekkende werking. Dit betekent dat een ontwikkeling kan leiden tot een toename van verkeersintensiteiten in de directe omgeving. Voor het berekenen van de verkeersaantrekkende werking kan gebruik worden gemaakt van de kengetallen van het CROW (publicatie 381). Voor onderhavige situatie is uitgegaan van een zeer sterk stedelijk gebied, met de ligging in het centrum. In het gebouw zullen naar verwachting zowel huur- als koopwoningen worden gerealiseerd en vermoedelijk ook enkele commerciële voorzieningen in de plint. In de berekening is het momenteel beoogde programma met een 'worst case' benadering toegepast. Zo wordt bijvoorbeeld gerekend met middeldure en dure woningen, terwijl de realisatie van enkel middeldure 42
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan 70LUX, Luxemburglaan 2-10 woningen ook denkbaar is, afhankelijk van de verdere uitwerking van het programma (dure woningen kennen een hogere verkeersgeneratie dan middeldure woningen). Aan de hand van de volgende functies en verkeersaantrekkende werking (conform gemiddelde CROW kencijfers), kan de verkeersgeneratie berekend worden: 34 middeldure huurwoningen met een verkeersaantrekkende werking van 1,2 mvt/etm per woning; 62 dure huurwoningen met een verkeersaantrekkende werking van 3,3 mvt/etm per woning; 38 dure koopwoningen met een verkeersaantrekkende werking van 4,9 mvt/etm per woning; 257 m2 bvo commerciële dienstverlening met een verkeersaantrekkende werking van 5,4 mvt/etm per 100 m2 bvo. Voor het plan geldt daarmee een verkeersaantrekkende werking van gemiddeld 446 motorvoertuigbewegingen (mvt) per etmaal (etm). De huidige planologische functie kantoor kent echter ook al een verkeersaantrekkende werking. Voor kantoor (zonder baliefunctie) geldt een maximale verkeersgeneratie van 3,8 mvt/etm per 100 m2 bvo in een zeer sterk stedelijk gebied, gelegen in het centrum. Uitgaande van 2.600 m2 bvo kantoor, komt dit neer op circa 99 mvt/etm. Daarmee zal sprake zijn van een netto toename van circa 347 verkeersbewegingen in een worst case scenario van het beoogde programma (446 - 99 = 347).
De omliggende wegen beschikken over voldoende capaciteit om de verkeersaantrekkende werking van het plan af te wikkelen. Ontsluiting De in-/ uitgang van de parkeergarage van de ontwikkeling 70LUX is gesitueerd aan de Berlijnstraat (4.350 -NAP). Autoverkeer kan 70LUX uitsluitend via de Berlijnstraat bereiken. De Berlijnstraat is rustig en goed bereikbaar en zorgt derhalve voor een goede ontsluiting van 70LUX voor autoverkeer. De inrichting van het openbaar gebied ter plaatse van de Berlijnstraat wordt gewijzigd, hierbij blijft de rijroute met lus behouden. Op het maaiveldniveau van de Europaweg (1.450 -NAP) en de Luxemburglaan (2.900 -NAP) is de ontwikkeling 70LUX enkel ontsloten voor langzaam verkeer. De entrees van de commerciële ruimten zijn gesitueerd aan de Europaweg en Luxemburglaan. Aan de Europaweg is tevens een in-/ uitrit van de fietsenstalling gesitueerd. De hoofdentree van de woningen voor voetgangers is gelegen op de hoek van de Luxemburglaan met de Europaweg. De entrees van de woningen zijn gesitueerd aan de Berlijnstraat-zijde. Op het maaiveld van de Berlijnstraat is eveneens een in-/ uitgang gesitueerd naar de fietsenstalling. Hiermee is het plan goed ontsloten en in overeenstemming met de voorwaarde uit het PUK.
Auto- en fietsparkeren Op basis van de Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels Zoetermeer 2019 is de parkeerbehoefte van de ontwikkeling 70 LUX inzichtelijk gemaakt. Voorliggend plan maakt de realisatie van 134 woningen mogelijk. Daarnaast zijn in de plint commerciële ruimten voorzien. De parkeervoorziening in het beoogde plan bestaat uit een stallingsgarage met 97 autoparkeerplaatsen, gemeenschappelijke fietsenbergingen en 8 individuele bergingen. De autoparkeergarage voldoet aan de Nota Parkeernomen en Uitvoeringsregels Zoetermeer 2019. De autoparkeerbehoefte van bezoekers kan plaatsvinden in de openbare ruimte en de nabijgelegen parkeergarages. In de directe omgeving (binnen een loopafstand van 600 meter) van 70LUX zijn twee grote openbare parkeergarages gelegen. In deze openbare parkeergarages is voldoende parkeergelegenheid beschikbaar voor de bezoekers van 70LUX. De berekening van de (auto)parkeerbehoefte is toegelicht in een memo (zie Bijlage 8). Het ontwerp voor fietsparkeerplaatsen vindt buiten het kader van dit bestemmingsplan plaats en komt derhalve niet aan bod in de bijgevoegde berekening. Naast de inpandige fietsparkeerplaatsen, worden extra parkeerplaatsen voor fietsen gerealiseerd op het
Toelichting (vastgesteld)
43
bestemmingsplan 70LUX, Luxemburglaan 2-10 maaiveld. Bij de aanvraag van omgevingsvergunning onderdeel bouwen, vindt de toetsing aan het geldende (fiets)parkeerbeleid plaats. Het realiseren van voldoende fietsparkeergelegenheid is derhalve gewaarborgd middels deze toetsing. Hierbij geldt dat zal worden voldaan aan de bestaande wet- en regelgeving (zoals bouwbesluit), dan wel gemotiveerd hiervan worden afgeweken conform, in overleg met gemeente Zoetermeer. Ook de Beleidsregel gemeenschappelijke fiets- en scooterberging bij woongebouwen van de gemeente Zoetermeer dient in acht genomen te worden.
Laden en lossen Uitgaande van het PUK dient naast de auto- en fietsparkeergelegenheid rekening te worden gehouden met een laad- en losplaats voor bezorgdiensten van foodorders en internetbestellingen. In het parkeerbeleid zijn eveneens normen hiervoor opgenomen. In het beoogde plan is aan de Luxemburglaan een ruime voorziening opgenomen voor laden en lossen. 4.9.3
Conclusie
Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit plan. Bij de aanvraag van omgevingsvergunningen zal de toetsing aan het geldende parkeerbeleid plaatsvinden. Daarbij dient te worden voldaan aan de gestelde normen zoals vastgelegd in het PUK, uitgaande van de Versnellingsagenda woningbouw 2018 en/of de (overgangsregeling zoals opgenomen in de) Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels 2019. Ten aanzien van autoparkeren is reeds aangetoond dat aan de behoefte wordt voldaan. Indien noodzakelijk, zal in overleg met de gemeente bepaald moeten worden in hoeverre gemotiveerd kan worden afgeweken van het geldende beleid ten aanzien van fietsparkeren.
4.10
Water
4.10.1 Regelgeving en beleid Het Hoogheemraadschap van Rijnland is de waterkwaliteits- en waterkwantiteitsbeheerder in het plangebied en primair verantwoordelijk voor de waterhuishouding in het plangebied. Onder de verantwoordelijkheden vallen onder andere beveiliging tegen hoog water, peilbeheer en aan- en afvoer van water. Daarnaast wordt geadviseerd hoe om te gaan met hemelwater. In het algemeen zoekt het waterschap naar duurzame oplossingen. Uitgangspunt is dat het water zoveel mogelijk binnen een plangebied wordt vastgehouden en dat relatief schoon water ook relatief schoon blijft. Een toename van het verharde oppervlak in risicogebieden moet worden gecompenseerd met extra waterberging. Daarbij geldt dat het regenwater, dat op verharde oppervlaktes valt en schoon genoeg is (zoals van gevels en daken), zoveel mogelijk wordt vastgehouden of wordt geborgen. In verband met de waterkwaliteit dient het te realiseren woongebouw geen uitloogbare materialen toe te passen die in contact kunnen komen met het hemelwater. Tevens dient een gescheiden rioolstelsel te worden aangelegd. Het schone hemelwater van verharde oppervlakken kan op deze wijze via het hemelwaterriool worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. 4.10.2 Onderzoek Voorliggend plan heeft geen toename van het bebouwd oppervlak tot gevolg. Het verhard oppervlak bedraagt in de bestaande situatie in totaal 976 m².
In deze oppervlakte is verharding als de inrit en parkeerplaatsen meegerekend. De kadastrale percelen hebben een oppervlakte van 976 m². In de huidige situatie is hierdoor de locatie voor 100 % verhard. In de nieuwe situatie wordt het plangebied uitgebreid, waardoor sprake van 119 % verharding in vergelijking met de bestaande situatie. Echter, de te verwerven gronden zijn in de bestaande situatie reeds verhard. De oppervlakte van het perceel ten behoeve van nieuwbouw bedraagt 1.170 m². Uit deze gegevens kan worden geconcludeerd dat per saldo geen sprake is van toename van verhard oppervlak. De gronden zijn in de bestaande situatie reeds bebouwd of op een andere wijze verhard (bijv. parkeerterrein), zie figuur 4.7 en 4.8. Een eventuele maatregel in het kader van watercompensatie is derhalve niet aan de orde.
44
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan 70LUX, Luxemburglaan 2-10
Figuur 4.7 Bestaande verharding te verwerven gronden (1)
Figuur 4.8 Bestaande verharding te verwerven gronden (2) Binnen het plangebied zijn geen beschermingszones van waterkeringen en/of watergangen aanwezig. De afvoer van regen- en vuilwater zal conform de daarvoor geldende eisen worden ontworpen. Uitlogende bouwmaterialen worden niet toegepast op plekken die in aanraking kunnen komen met hemelwater. Geconcludeerd kan worden dat het plan geen negatieve effecten op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse heeft. De beoogde groene daken dragen bij aan het waterbergend vermogen van de locatie. 4.10.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
Toelichting (vastgesteld)
45
bestemmingsplan 70LUX, Luxemburglaan 2-10
4.11
Windhinder
4.11.1 Regelgeving en beleid In de NEN 8100: 2006 nl 'Windhinder en gevaar in de gebouwde omgeving' is aangegeven wanneer er aanleiding is om een onderzoek te doen naar windhinder. Bij een bouwhoogte van meer dan 30 meter dient aandacht te worden besteed aan windhinder. Daarnaast is in paragraaf 3.4.6 Hoogbouwvisie (2004) aan bod gekomen dat de gemeente Zoetermeer aangeeft dat bebouwing van 30 meter of hoger 'dient te voldoen aan de gestelde normen ten aanzien van verblijfsklimaat in de omgeving'. Ter voorkoming van onevenredige windhinder en/of windgevaar is het windklimaat van de beoogde ontwikkeling onderzocht. 4.11.2 Onderzoek Peutz heeft een windklimaatonderzoek uitgevoerd voor de ontwikkeling van 70 LUX (zie Bijlage 9). De resultaten zijn beoordeeld volgens de criteria zoals gesteld in NEN 8100: 2006 nl 'Windhinder en gevaar in de gebouwde omgeving'. In het Windhinderonderzoek is door middel van Computational Fluid Dynamics (CFD) een onderzoek verricht naar het windklimaat van 70LUX. Bij de beoordeling van het windklimaat is onderscheid gemaakt tussen de categorieën doorlopen en slenteren. In de normering zijn geen voorschriften opgenomen voor fietsverkeer. Uit de resultaten blijkt dat het windklimaat rond het plan voor doorlopen goed tot matig is. Een slecht windklimaat voor doorlopen wordt nergens verwacht.