Bijlage 4. 1281842 - Toelichting bestemmingsplan BusinessPark 7Poort fase II
Tekst van het document
De structuurvisie bevat ook hoofdlijnen van nieuwe ontwikkelingen in bepaalde gebieden. BusinessPark 7Poort fase II is op hoofdlijnen aangegeven in de Structuurvisie 2030. De planbegrenzing van BusinessPark 7Poort fase II komt voor het overgrootste gedeelte overeen met de voorspelde planbegrenzing in de Structuurvisie 2030. De ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt met voorliggend bestemmingsplan doet op geen enkele wijze afbreuk aan de structuurvisie van de gemeente Zevenaar. 3.4.2
Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Zevenaar (2011)
De gemeente Zevenaar wil zorgen voor een veilige leefomgeving voor haar burgers. Op deze manier draagt de gemeente verantwoordelijkheid als het gaat om externe veiligheid. Om die verantwoordelijkheid goed in te vullen en deze goed binnen de gemeente te implementeren, is de ''Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Zevenaar 2011'' in november 2011 vastgesteld. In deze visie is daarmee het externe veiligheidsbeleid van de gemeente opgenomen. Het doel van deze beleidsvisie externe veiligheid is om een toetsingskader te leveren dat duidelijk maakt hoe met externe veiligheidsrisico's zowel in de huidige als in de toekomstige situatie omgegaan moet worden. Het toetsingskader moet voorkomen dat afwegingen en besluiten op ad hoc basis worden genomen. Ook moet het kader consistentie brengen door duidelijke uitgangspunten en reële ambities uit te zetten. De gemeente Zevenaar neemt bij besluiten in het kader van vergunningverlening en ruimtelijke ordening de in dit document uitgewerkte ambities en doelstellingen mee, naast de wettelijke regels. De uitgangspunten uit deze beleidsvisie worden verder gebruikt bij alle overige gemeentelijke activiteiten en ontwikkelingen waarbinnen externe veiligheid een rol vervult zoals handhaving, ruimtelijk beleid, rampenbestrijding etc. De gemeente streeft naar een beheersbare externe veiligheidssituatie waarbij: 1.
Externe veiligheidsrisico's binnen de gemeente helder in kaart zijn gebracht en bestuurders en ambtenaren zich bewust zijn van de aanwezige risico's; 2. Een zorgvuldige afweging plaatsvindt tussen nut en noodzaak van nieuwe ontwikkelingen en de gevolgen daarvan op de externe veiligheid; 3. Door middel van uitvoering van beleid en handhaving wordt gezorgd voor beheersbaarheid en bestrijdbaarheid van bestaande en toekomstige externe veiligheidsrisico's; 4. Communicatie met de burger plaatsvindt over de aanwezige risico's en de te volgen gedragsrichtlijn in geval van een calamiteit.
24
bestemmingsplan BusinessPark 7Poort Fase I (vastgesteld)
De beleidsvisie beperkt zich hierbij tot: activiteiten met gevaarlijke stoffen; die risico's veroorzaken voor de maatschappij; en onder de invloedssfeer van de gemeente vallen De beleidsvisie is niet gericht op de veiligheid binnen bedrijven die met gevaarlijke stoffen werken. De Arbo-veiligheid wordt geregeld in andere wetgeving en heeft daarbij ook andere toezichthouders. Tot slot richt de beleidsvisie zich ook niet tot overige risico's ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten of andere activiteiten die risico's veroorzaken. Relatie met voorliggend plan De voorgenomen ontwikkeling van 7Poort fase II die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, past binnen de beleidsvisie over externe veiligheid van de gemeente Zevenaar. Paragraaf 4.7 gaat verder in op de externe veiligheidsrisico's voor het bedrijventerrein en welke maatregelen hiervoor genomen kunnen worden. 3.4.3
Milieubeleidsplan gemeente Zevenaar 2013
Het milieubeleidsplan is door de gemeenteraad van Zevenaar vastgesteld op 26 juni 2013. Het plan geeft aan op welke wijze milieu(kwaliteit) kan bijdragen aan de visie op de toekomst van Zevenaar. In de Structuurvisie gemeente Zevenaar 2030 is het kader voor de ontwikkeling van de gemeente Zevenaar 2030 geschetst. De Structuurvisie dient als vertrekpunt voor het uitwerken van het milieubeleid. Een leefbaar en duurzaam Zevenaar lopen daarmee als rode draad door de thema's van het milieubeleidsplan. Vanuit milieu wordt daar dan ook invulling aangegeven door de nadruk te leggen op de thema's kringlopen, ecologie en milieuhygiëne. Deze drie thema's vormen hiermee de basis voor het milieubeleid. Voor elk van de drie milieuthema's zijn milieuaspecten geformuleerd waarbij voor elk milieuaspect één of meerdere beleidsdoelen zijn gesteld voor de korte en/of langere termijn.
In het milieubeleidsplan zijn een aantal speerpunten geformuleerd die aangeven waar de prioriteit ligt voor de gemeente Zevenaar: Cradle to Cradle bij inkoop, toepassing en verwerking van producten; Kansen bieden aan schone technologieën en duurzame innovaties; Zevenaar als fietsgemeente; Kansrijke natuurdoelen stellen voor structuren, gebieden en plekken; Zichtbaarheid en toegankelijkheid van natuur vergroten; Natuurbeleving als toegevoegde waarde (sociaal, identiteit, cultuur, economie, esthetiek en educatie) voor wonen, werken en recreëren; Basisniveau milieuhygiëne voor alle gebieden en functies; Bouwen binnen milieuzones met passende concepten; Aanpassingen en realisatie van infrastructuur met behoud van milieu(hygiënische) kwaliteit. Relatie met voorliggend plan Met de ontwikkeling van 7Poort fase II wordt ook ingezet op een goede milieukwaliteit. Verschillende plekken in het plangebied zijn geselecteerd voor groene ruimtes die onder meer moeten uitnodigen tot beweging en verblijf. Daarbij is het voorstel om verschillende gronden in het gebied te gebruiken voor ecologische versterking ter bevordering van de lokale biodiversiteit. Ook vormt het behoud van natuur- en landschapswaarden een belangrijk onderdeel van de inrichting van het bedrijventerrein. De uitbreiding van het 7Poort ondersteunt daarmee het milieubeleid van de gemeente Zevenaar.
De voorgenomen ontwikkeling van 7Poort fase II die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, past dus binnen het Milieubeleidsplan gemeente Zevenaar 2013.
25
bestemmingsplan BusinessPark 7Poort Fase I (vastgesteld)
3.4.4
Gemeentelijke Geluidbeleid 2008
Het gemeentelijke geluidbeleid 2008 is vastgesteld op 1 juli 2009 door de gemeenteraad van de gemeente Zevenaar. Geluidhinder is lokaal van aard en zorgt er daarmee voor dat het opstellen van een geluidbeleid een primaire verantwoordelijkheid van de gemeente is. Met het gemeentelijke Geluidbeleid geeft de gemeente Zevenaar daarom aan op welke manier zij met geluid omgaat. Met dit plan wordt een vervolg gegeven aan de voornemens uit het gemeentelijke milieubeleidsplan om de geluidssituatie binnen de gemeente te inventariseren, geluidskaarten op te stellen en een gemeentebreed geluidbeleid uit te werken. De gemeente Zevenaar streeft niet overal dezelfde geluidniveaus na. De ambities met betrekking tot geluid zijn afhankelijk van de lokale situatie. Het functionele gebruik van een gebied speelt een belangrijke rol bij het toekennen van de geluidskwaliteiten en -ambities voor een gebied. Niveaus voor geluidsbelasting die passen bij verstedelijkt gebied of een gebied bestaande uit een mengvorm van wonen en werken, kunnen en mogen afwijken van de niveaus voor het landelijk gebied of die voor natuurgebieden. Het doel van het gemeentelijke geluidbeleid vormt daarmee het behouden van de goede kwaliteiten en het benutten van kansen om voor de gebieden de geluidskwaliteit te verbeteren.
Een belangrijk subdoel daarbij is het realiseren van een per gebied passende geluidskwaliteit zoals die is vastgesteld in het plan. De algemene kwalificatie voor de geluidambities op de bedrijventerreinen is “zeer onrustig”. In tegenstelling tot de centrum- en de woongebieden bevinden zich op bedrijventerreinen nauwelijks geluidsgevoelige objecten. De woningen op deze terreinen zijn dan ook vaak bedrijfswoningen. Door de drukke wegen en het zware verkeer kan er sprake zijn van hoge geluidniveaus. Ten aanzien van bestaande bedrijven of het toestaan van nieuwe bedrijven geldt voor de geluidsambitie dat met behulp van vergunningverlening er voor gezorgd wordt dat de geluidbelasting veroorzaakt door bedrijven onder de ambitiewaarde van het betreffen gebied blijft (voor zover dat redelijkerwijs door het bedrijf uitvoerbaar is). Vanuit het geluidsbeleid bestaat het uitgangspunt geen (nieuwe) (bedrijfs)woningen toe te staan. Relatie met voorliggend plan Binnen het voorliggend bestemmingsplan zijn bedrijfswoningen niet toegestaan. Derhalve heeft het gemeentelijke geluidbeleid geen gevolgen voor dit bestemmingsplan. In paragraaf 4.9 is getoetst of binnen de verwachtte milieuzoneringen gevoelige objecten zijn gelegen, dit bleek niet het geval.
Wanneer duidelijk is welke bedrijven zich vestigen op het bedrijventerrein dan dienen deze bedrijven bij de vergunningsaanvraag een akoestisch onderzoek aan te leveren om aan te tonen dat ze binnen de geluidswaarden blijven en voldoen aan het gemeentelijke beleid.
26
bestemmingsplan BusinessPark 7Poort Fase I (vastgesteld)
Hoofdstuk 4
4.1
Milieu- en waardenaspecten
Ladder voor duurzame verstedelijking
Wettelijk kader De 'Ladder voor duurzame verstedelijking' heeft als doel om zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren en overprogrammering op regionaal niveau te voorkomen. Vanaf 1 juli 2017 moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken worden getoetst aan de nieuwe Ladder uit artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De Ladder is onder meer van toepassing op plannen voor bedrijventerreinen, die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast zijn de volgende aspecten van belang: 1. 2. 3. 4. 5.
Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? Is de stedelijke ontwikkeling 'nieuw'? Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?
(Nieuwe) stedelijke ontwikkeling In de Bro wordt een stedelijke ontwikkeling omschreven als een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Algemeen wordt gesteld dat bij stedelijke ontwikkelingen in de vorm van een terrein 'in beginsel' geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als het ruimtebeslag minder dan 500 m2 bedraagt. De Laddertoets geldt alleen voor 'nieuwe' stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Voor de ontwikkeling van het 7Poort fase II kan worden gesteld dat dit een nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft en buiten bestaand stedelijk gebied is gelegen. Ruimtelijk verzorgingsgebied Wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving van de behoefte aan het bedrijventerrein dat mogelijk wordt gemaakt te bevatten.
De behoefte dient te worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van het bedrijventerrein. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Voor bedrijventerreinen is het ruimtelijke verzorgingsgebied veelal groter dan de gemeente, omdat bedrijven vaak een grotere actieradius hebben dan sec binnen de gemeentegrens. De Ladder verplicht niet in alle gevallen tot regionale afstemming. Op basis van de aard en de omvang van plan voor een bedrijventerrein moet bepaald worden of regionale afstemming nodig is. Het verzorgingsgebied voor 7Poort fase II is afgebakend op de Groene Metropoolregio Arnhem – Nijmegen met als meest directe verzorgingsgebied de gemeente Zevenaar, maar ook de regio de Liemers. Ruimtevraag De totale vraag voor de Groene Metropoolregio tot en met 2030 wordt geraamd op 216 ha. Hier kunnen
27
bestemmingsplan BusinessPark 7Poort Fase I (vastgesteld)
de volgende segmenten in worden onderscheiden: (XXL) Logistiek 92 ha, Klassiek-gemengd: 77 ha, (Maak)industrie 33 ha, Agrifood: 13 ha en Hoogwaardig: 1 ha. Het actuele harde aanbod heeft een omvang van 62 ha. Daarmee is er een theoretische ontwikkelruimte van 154 ha. De gemeenten in de Liemers hebben een historisch aandeel in de vraag naar bedrijventerreinen binnen de regio Arnhem-Nijmegen van bijna een derde. Dit komt voor De Liemers neer op een vraag van ca. 70 ha tot en met 2030. In de Liemers is daarmee nog een voorraad voor minder dan een jaar (historisch gemiddelde 10,9 ha). Er is dus een groot tekort aan bedrijventerreinen. De gemeente Zevenaar heeft een zeer grote actuele vraag naar bedrijfskavels. Begin 2023 is er een lijst met ongeveer 60 bedrijven, ontwikkelaars en tussenpersonen die interesse kenbaar hebben gemaakt in een kavel op 7Poort II. In totaal hebben deze bedrijven een ruimtevraag van 98 ha. De grootste vraag, ca. twee derde, komt voor rekening van de (XXL-)logistiek. In totaal zitten deze grote ruimtevragers voor bijna 65 ha in de markt. Daarbij moet worden opgemerkt dat een aantal van deze bedrijven door het hele land zoeken en hun vraag op verschillende plekken kenbaar maken. Er moet dus regionaal worden opgepast voor dubbeltellingen. De reguliere logistieke bedrijven hebben een gezamenlijke ruimtevraag van 13,8 ha.
De maakindustrie is goed voor een behoefte van bijna 5 ha. De vraag naar gemengde-klassieke bedrijventerreinen heeft een omvang van 14 ha en vanuit de Agrifood is er concrete vraag van 0,6 ha. Als nader wordt gekeken naar het aanbod, dan blijkt dit op veel plekken niet geschikt voor de concrete ruimtevraag. Er is sprake van kwalitatieve mismatch tussen vraag en aanbod. Het actuele aanbod op veel bedrijventerreinen bestaat uit restkavels waarbij bijvoorbeeld de vorm van de kavel of een te lage milieucategorie zorgt dat deze weinig courant zijn en niet passen bij een groot deel van de vraag uit de markt. 7Poort fase II voorziet zowel in een kwantitatieve en kwalitatieve ruimtevraag in de regio Arnhem-Nijmegen en De Liemers en de gemeente Zevenaar in het bijzonder. 7Poort fase II heeft binnen de Liemers een regionale functie voor de opvang van ruimtevraag van bedrijven die op zoek zijn naar de werkmilieus klassiek-gemengd, (maak)industrie en logistiek. Binnen de regio Arnhem-Nijmegen als geheel speelt 7Poort fase II een belangrijke rol als locatie voor het vestigingen van logistiek, maar ook als overloopgebied vanuit Arnhem. Geconcludeerd kan worden dat vraag en aanbod niet in evenwicht zijn. Om in de ruimtevraag van bedrijven te kunnen voorzien is de ontwikkeling van het 7Poort fase II aangetoond.
Conclusie Bedrijventerreinontwikkeling 7Poort fase II past binnen de vraag-aanbodverhoudingen in de bedrijfsruimtemarkt van de marktregio (ruimtelijk verzorgingsgebied). Het plan voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. De bedrijfsruimtemarkt binnen de marktregio functioneert goed. De beoogde ontwikkeling die circa 36,6 hectare (netto) nieuw bedrijventerrein mogelijk maakt, leidt naar verwachting niet tot onacceptabele leegstand in de bestaande voorraad. Mogelijkheden in bestaand stedelijk gebied zijn zeer sporadisch aanwezig. Deze omvang is in een binnenstedelijk gebied in de regio niet beschikbaar, daarbij is het minder aantrekkelijk om een bedrijf in binnenstedelijk gebied te realiseren vanwege de beperkingen die het oplegt aan zijn omgeving. Vaak zorgen woningen of andere kwetsbare objecten ervoor dat binnenstedelijk geen geschikt gebied gevonden wordt. Bovendien sluit de beoogde uitbreiding aan op het bestaande bedrijventerrein BusinessPark 7Poort. Deze locatie is bijna volledig uitgegeven en heeft zich al bewezen als passende locatie voor lokale tot regionale bedrijvigheid. Op basis van voorstaande zal de realisatie van de beoogde uitbreiding niet leiden tot overaanbod van bedrijventerreinen en/of tot onaanvaardbare leegstand van bedrijfsruimte in de marktregio (ruimtelijk verzorgingsgebied).
Naar verwachting zullen er zich geen onaanvaardbare ruimtelijke effecten voordoen.
28
bestemmingsplan BusinessPark 7Poort Fase I (vastgesteld)
4.2
M.e.r.-beoordeling
Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer moet bij initiatieven voor (de aanleg of het wijzigen van) bepaalde activiteiten worden beoordeeld of er sprake is van milieueffecten. In gevallen dat een besluit of plan betrekking heeft op activiteiten die voorkomen in de bijlage onderdeel C of D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) moet bepaald worden welke procedure doorlopen moet worden om mogelijke milieueffecten te beoordelen, de m.e.r -procedure of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsprocedure. De voorgenomen ontwikkeling, 7Poort fase II, valt onder categorie D11.3 van onderdeel D van de bijlage in het Besluit m.e.r.: bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein groter dan 75 hectare. De ontwikkeling van 7Poort fase II is circa 36,6 hectare groot. Dit is dus onder deze grens en dat betekent dat er een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld moet worden. Er geld dus in beginsel geen m.e.r.- plicht. De m.e.r.-plicht voor plannen kan echter ook voortkomen uit het feit dat het ruimtelijk plan kaderstellend is voor toekomstige m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. Dit betekent dat als het ruimtelijk plan de komst van activiteiten mogelijk maakt die genoemd zijn in onderdelen C en D van het Besluit m.e.r., er een plan-MER moet worden opgesteld.
De voorgenomen ontwikkeling van 7Poort fase II kan kaderstellend zijn naar de omgeving toe als er bedrijven in het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt die m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten uitvoeren. Het uitgangspunt van de ontwikkeling van 7Poort fase II is dat er bedrijven tot en met maximaal milieucategorie 4.2 worden toegestaan. Daarbij worden bedrijven met m.e.r.- (beoordelings)plichtige activiteiten op het toekomstige bedrijventerrein 7Poort fase II in het bestemmingsplan expliciet uitgesloten. Hierdoor is er ook vanuit deze benadering geen plan-MER procedure meer nodig. Doordat het oppervlak van 7Poort fase II maximaal 36,6 hectare groot is, wordt de drempelwaarde van 75 hectare niet overschreden. Ook worden er geen m.e.r.- (beoordelings)plichtige activiteiten toegestaan op het bedrijventerrein. Het bestemmingsplan geldt als besluit als bedoeld in kolom 4 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Er moet gekoppeld aan het bestemmingsplan daarom een m.e.r.beoordelingsprocedure worden doorlopen. In het kader van de m.e.r.-beoordelingsprocedure is een aanmeldingsnotitie opgesteld (zie Bijlage 4). Inhoud m.e.r.-beoordeling Inhoudelijk geeft de m.e.r.- beoordeling informatie op basis waarvan het bevoegd gezag kan bepalen of er al dan niet sprake kan zijn van 'belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu' als gevolg van de voorgenomen activiteit.
Deze belangrijke nadelige gevolgen worden beoordeeld aan de hand van de selectiecriteria opgesomd in Bijlage III van de Europese Richtlijn m.e.r. voor projecten (2011/92/EU, in 2015 gewijzigd: 2014/52/EU). Deze criteria zijn: De kenmerken van de projecten; Locatie van de projecten (ligging en samenhang met andere activiteiten (cumulatie)); Soort en kenmerken van het potentiële effect Er kunnen twee uitkomsten van de m.e.r.-beoordeling zijn: 1. Indien belangrijke nadelige milieugevolgen niet kunnen worden uitgesloten, moet een m.e.r.-procedure doorlopen worden. 2. Indien belangrijke nadelige milieugevolgen niet optreden, wordt gemotiveerd aangegeven dat geen m.e.r.-procedure wordt doorlopen. Bij het oordeel of er aanleiding is om de m.e.r.-procedure te doorlopen, kan mede worden betrokken in welke mate er maatregelen kunnen worden getroffen om waarschijnlijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te vermijden of te voorkomen (mitigatie; 7.17 lid 4 Wet milieubeheer). Het college van Burgemeester en Wethouders (B&W) van de gemeente Zevenaar is het bevoegd gezag voor het m.e.r.-beoordelingsbesluit.
29
bestemmingsplan BusinessPark 7Poort Fase I (vastgesteld)
Beoordeling Om te beoordelen of er sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen is er door Arcadis Nederland BV een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld, zie Bijlage 4. In onderstaande tabel zijn de effecten van de aanleg en het gebruik van de voorgenomen ontwikkeling van 7Poort fase II samengevat.
30
bestemmingsplan BusinessPark 7Poort Fase I (vastgesteld)
31
bestemmingsplan BusinessPark 7Poort Fase I (vastgesteld)
32
bestemmingsplan BusinessPark 7Poort Fase I (vastgesteld)
Conclusie Op basis van de effectbeoordeling zoals beschreven in deze aanmeldingsnotitie en samengevat in bovenstaande tabel treden er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu op mits de beschreven onderzoeken worden uitgevoerd en/of mitigerende maatregelen worden getroffen, namelijk: Aanvullend soortgericht onderzoek Aanvullend archeologisch onderzoek Op een aantal specifieke locaties dient een nader bodemonderzoek plaats te vinden, voordat er grondroerende werkzaamheden gaan plaatsvinden. Voor het aspect externe veiligheid wordt aanbevolen om een aantal zaken mee te nemen in het DO (definitief ontwerp) van het gebied, namelijk: Om bij het ontwerpen op gebiedsniveau rekening te houden met de beschikbaarheid van bluswater. Om op gebouwniveau rekening te houden met de relevante scenario's door bouwkundige maatregelen te nemen conform onder andere de door het IPO opgestelde Catalogus bouwkundige maatregelen externe veiligheid van 1 januari 2010 (versie 5.3). Aanbevolen wordt om afsluitbare ventilatieopeningen van wegvak G12 en wegvak G13 af te richten en een hoge plaatsing te verkiezen boven een lage plaatsing. Een akoestisch onderzoek uit te laten voeren door de bedrijven die zich gaan vestigen op 7Poort II. Een nader onderzoek naar het grondwater door middel van peilbuizen, zodat de benodigde waterbergingscapaciteit nauwkeuriger ingeschat kan worden.
De waterberging moet verder uitgewerkt worden in het DO van het gebied en het waterhuishoudkundige plan. De duurzaamheidsambitie vraagt nog om onderzoek en nadere uitwerking. Dit geldt zeker voor het energievraagstuk, maar ook voor de wateropgave. Veel andere maatregelen kunnen meegenomen worden bij de uitwerking van de reguliere plannen, zoals het beeldkwaliteitsplan en het
33
bestemmingsplan BusinessPark 7Poort Fase I (vastgesteld)
inrichtingsontwerp. Vanuit de duurzaamheidsambitie moet de gemeente nog bepalen, wat daadwerkelijk als verplichting wordt opgenomen, bijvoorbeeld in contractafspraken, of als stimulans, bijvoorbeeld in een korting die de gemeente Zevenaar kan geven aan bedrijven die duurzaam willen ondernemen.
4.3
Archeologie
In opdracht van de gemeente Zevenaar heeft Arcadis Nederland BV in augustus 2023 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied 7Poort fase II (zie Bijlage 5). 4.3.1
Gemeentelijke archeologische verwachtingskaart
Gemeente Zevenaar heeft haar beleid archeologie in het ‘Handboek archeologisch onderzoek in de regio Arnhem: kaders voor onderzoek en beoordeling van rapporten’ (2023) vastgelegd. Dit handboek is tot stand gekomen in opdracht van de gemeenten Arnhem, Duiven, Lingewaard, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rozendaal, Westervoort en Zevenaar en is opgesteld door de afdeling Erfgoed en Archeologie van de gemeente Arnhem. De archeologische verwachtings- en beleidskaart dient verplicht te worden geraadpleegd in dit onderzoek. Op deze kaart – die in 2022 is geüpdatet – is opgenomen dat het plangebied een middelhoge (geel) tot hoge (oranje) archeologische verwachting heeft (zie onderstaande figuur). Daarnaast is op deze kaart in het noorden van het plangebied een zone opgenomen met een hoge archeologische waarde (TAW-terrein).
Figuur 6: Plan- en onderzoeksgebied op de archeologische verwachtings- en beleidskaart.
In bestemmingsplan 'Buitengebied Zevenaar Noord' (vastgesteld 10-06-2020) de dubbelbestemmingen 'Waarde – Archeologie hoge verwachting' (artikel 34) en 'Waarde – archeologie middelmatige verwachting' (artikel 35) opgenomen. De bijbehorende vrijstellingsgrenzen zijn opgenomen in onderstaande tabel. De waarden zoals opgenomen in het bestemmingsplan komen niet overeen met de waarden op de archeologische verwachtings- en beleidskaart. Zo is de TAW-zone in het
34
bestemmingsplan BusinessPark 7Poort Fase I (vastgesteld)
bestemmingsplan gelijkgesteld aan de hoge archeologische verwachting (oranje) en die betreft in het bestemmingsplan alleen de bebouwingszone. De archeologische verwachtings- en beleidskaart is echter van recentere aard en zal als leidinggevend worden beschouwd. Tabel 1: De op het plangebied van toepassing zijnde beleidseenheden (gemeente Zevenaar).
4.3.2
Geomorfologie en Bodemkundige opbouw
Het plangebied behoort tot het Utrechts Gelders rivierengebied en het Oostelijke zandgebied. Uit de geologische kaarten blijkt dat de ondergrond is opgebouwd uit rivierafzettingen behorend tot de Formatie van kreftenheye met lokaal de Laag van Wijchen, de Formatie van Echteld (Holocene klei) en de Formatie van Boxtel (pleistocene windafzettingen). De eerste twee komen over het hele plangebied voor, terwijl de Formatie van Boxtel alleen in het noorden en oosten aanwezig lijkt te zijn. Het gebied heeft onder invloed van de rivieren gestaan door de geomorfologische classificaties rivierkomvlakte en de vlakte van ten dele verspoelde dekzanden of löss. Ook ligt er in het plangebied aan de noordkant een dekzandrug. Op deze dekzandrug heeft zich een hoge bruine enkeerdgrond gevormd. De rest van het plangebied bestaat uit poldervaaggronden. Binnen het plangebied is een wisselende grondwatertrap. Uit de DINO-loketboringen komt het beeld van een pleistocene riviervlakte met zand afzettingen en daarop een holoceen kleidek.
35
bestemmingsplan BusinessPark 7Poort Fase I (vastgesteld)
Figuur 7: Het plangebied op de Geomorfologische kaart van Nederland
4.3.3
Archeologische gegevens
Binnen de grenzen van het plangebied is aan de noordkant van het plangebied archeologisch onderzoek gedaan. Hiervan zijn de gegevens niet bekend. Binnen het plangebied is één spoor aangetroffen dat in relatie is gebracht met een verdwenen moated site, namelijk kasteel Hees. Verder zijn er binnen dit plangebied geen andere vindplaatsen bekend. In de directe omgeving liggen wel twee AMK-terreinen die bewoningssporen uit het Neolithicum betreffen. De AMK-terreinen liggen grotendeels op een podzolgrond, die niet voorkomt binnen het plangebied. Bewoning wordt voornamelijk verwacht op hogere delen van het landschap, zoals de dekzandruggen in en rondom het plangebied. Het overige zandgebied kan in latere periodes in gebruik zijn geweest als hooi- of weiland. 4.3.4
Historischegegevens
Het plangebied kenmerkt zich vanaf de eerste helft van de negentiende eeuw als landelijk gebied met ongestructureerd verkavelingspatroon. Aan de noordzijde van het plangebied is bebouwing aanwezig en een omgracht terrein ter plaatse van het voormalige kasteel Hees en op een hoger gelegen deel van het landschap, namelijk een dekzandrug. De exacte locatie van deze havezate is niet bekend. Mogelijk ligt de huidige boerderij nog op dezelfde locatie maar het omgrachte terrein ten zuiden van de boerderij kan ook de juiste locatie zijn. Centraal door het plangebied van noord naar zuid loopt een laan richting Babberich, die doorsneden wordt door de Leigraaf. Op het verdwijnen van de omgrachting na verandert er tot de tweede helft van de twintigste eeuw weinig. Hierna verdwijnt de laan, verschijnen een plas en een boerderij en wordt de A12 aangelegd. Vanaf de jaren 70 wordt een groot deel van het plangebied gebruikt als fruit- of boomgaard, waarna dit in het begin van de twintigste eeuw weer wordt omgezet naar akker- en weiland.
36
bestemmingsplan BusinessPark 7Poort Fase I (vastgesteld)
4.3.5
Gespecificeerd verwachtingsmodel
Het grootste gedeelte van het noordelijk plangebied bestaat uit deels verspoelde dekzand (Formatie van Boxtel) wat aangeeft dat het gebied tijdens de laatste IJstijd is ontstaan en dat vaak een indicatie is voor steentijd archeologie. Het overige deel van het noordelijk en zuidelijk deel van het plangebied bevindt zich op de Formatie van Kreftenheye, met lokaal de Laag van Wijchen. Dit zijn pleistocene rivierafzettingen waar nog mogelijk resten van steentijd bewoning gevonden kunnen worden. Op de Formaties van Boxtel en Kreftenheye (Laag van Wijchen) is een Holoceen kleipakket (Formatie van Echteld) afgezet waarin zich poldervaaggronden hebben ontwikkeld. Deze bodems duiden op een deels dynamisch, deels rustig riviergebied waarin klei heeft kunnen afzetten. Deze gronden hebben vaak een wat lagere tot middelhoge verwachting op archeologische resten. 4.3.6
Conclusie
Op basis van bovenstaande verwachting dient de dubbelbestemming waarde archeologie gehandhaafd te blijven. Als het wenselijk is om bij de bestemmingsplanwijziging de dubbelbestemming waarde archeologie 3 en 4 van het terrein af te halen, dient aanvullend archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek te worden uitgevoerd in het hele plangebied. Het aanvullend archeologisch vervolgonderzoek zal worden uitgevoerd. Zolang dit onderzoek niet is uitgevoerd blijven de dubbelbestemmingen met betrekking tot archeologische waarden in het plangebied gehandhaafd in het bestemmingsplan voor BusinessPark 7Poort fase II. Hiermee worden de archeologische waarden beschermd en geborgd. De voorgenomen ontwikkeling kan daarmee vanuit het aspect archeologie doorgang vinden.
4.4
Natuur
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met natuurwetgeving. Voor een nieuw bestemmingsplan is het noodzakelijk het plan te toetsen aan de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) en het beschermingskader van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). In de provincie Gelderland heet het NNN het Natuurnetwerk Gelderland (hierna NNG). Het NNG is opgenomen in de Omgevingsverordening Gelderland. De Wnb is opgedeeld in de gebiedsbescherming en soortenbescherming. Hieronder valt tevens de bescherming van houtopstanden. In augustus/september 2023 (geüpdate in maart 2024) is een quickscan natuurwetgeving uitgevoerd voor het plangebied. In deze quickscan natuurwetgeving zijn de eventuele negatieve effecten op beschermde soorten en gebieden en benodigde vervolgstappen in het kader van de Wnb in beeld gebracht (zie Bijlage 7). 4.4.1
Gebiedsbescherming
In de nabijheid van de planlocatie liggen diverse Natura 2000-gebieden, zoals Rijntakken, Veluwe, Landgoederen Brummen, De Bruuk en Sint Jansberg. Ook liggen enkele Duitse Natura 2000-gebieden in de nabijheid. De realisatie en de exploitatie van het bedrijventerrein kan mogelijk zorgen voor significante negatieve effecten op de in deze gebieden aanwezige beschermde natuur.
37
bestemmingsplan BusinessPark 7Poort Fase I (vastgesteld)
Figuur 8: Het plangebied ten opzichte van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken
In algemene zin kan als gevolg van werkzaamheden/herontwikkeling – tijdens zowel de aanlegfase als de permanente fase (gebruiksfase) – direct en indirect (door externe werking) sprake zijn van een al dan niet negatief effect op (de instandhoudingsdoelstellingen van) een Natura 2000-gebied. Effecten kunnen van ruimtelijke (oppervlakteverlies, versnippering), fysische (bijv. verdroging, vernatting), mechanische (bijv. verstoring door betreding, trillingen, geluid en licht) en/of chemische (bijv. stikstofdepositie, verontreiniging) aard zijn. Omdat het projectgebied niet in een Natura 2000-gebied ligt en er geen diepe grondwateronttrekkingen/grote ontgravingen plaatsvinden, zijn negatieve ruimtelijke en fysische effecten als gevolg van de geplande ingreep uitgesloten. Tussen het projectgebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied liggen de dorpskern van Babberich, meerdere provinciale wegen en agrarische landschappen. In de huidige situatie zijn tussen het projectgebied en de Natura 2000-gebieden meerdere verstoringsbronnen aanwezig, zoals verkeer, landbouw en visuele verstoringen. De werkzaamheden in het projectgebied hebben gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden en de aanwezigheid van andere verstoringsbronnen geen effect. Effecten door verstoring zijn daarmee uitgesloten.
Mogelijk is als gevolg van de voorziene ingreep sprake van een toename van de depositie van stikstof op Natura 2000-gebieden. Om deze mogelijke effecten in beeld te krijgen, is een voortoets stikstof uitgevoerd (zie Bijlage 6). Uit de voortoets blijkt dat mogelijke significante negatieve effecten op voorhand kunnen worden uitgesloten, voor zover het niet gaat om mogelijke verzuring en vermesting als gevolg van stikstofdeposities. Tevens is onderzocht of stikstofdeposities mogelijk zouden kunnen leiden tot negatieve effecten. Uit de uitgevoerde stikstofberekeningen blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdeposities; negatieve effecten kunnen dan ook uitgesloten worden. Conclusie De geplande werkzaamheden leiden tot licht-, geluids- en trillingseffecten, maar een effect op omliggende Natura 2000-gebieden is door de afstand en de aanwezigheid van andere verstoringbronnen uitgesloten. Ook blijkt uit de voortoets stikstof dat er geen significante negatieve effecten kunnen
38
bestemmingsplan BusinessPark 7Poort Fase I (vastgesteld)
plaatsvinden op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van een toename in stikstofdeposities. Er zijn geen vervolgstappen nodig vanuit de Wet natuurbescherming.
4.4.2
Soortbescherming
Op basis van het bureauonderzoek en het veldbezoek is de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten bepaald, de bevindingen zijn nader toegelicht per soortgroep in onderstaande tabel. Tabel 2: Voorkomen en functie leefgebied van beschermde soorten binnen het plangebied per relevante soortgroep
Soortgroep Flora
Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest Broedvogels met jaarrond beschermd nest
Grondgebonden zoogdieren
Vleermuizen
Reptielen Amfibieën
Vissen
Overige soorten
Conclusie Binnen het projectgebied zijn groeiplaatsen van beschermde flora onwaarschijnlijk, maar de soorten kunnen in de zaden mengsels aanwezig zijn (en zijn dan niet beschermd). Binnen het projectgebied zijn nestlocaties en foerageergebied van broedvogels zonder jaarrond beschermd nest aanwezig. Binnen het projectgebied zijn mogelijk jaarrond beschermd nesten niet op voorhand uit te sluiten. In de bosschages zijn mogelijk nestplaatsen aanwezig voor boombewonende vogels zoals buizerd, havik of boomvalk. Daarnaast vormt de bebouwing mogelijk een nestlocatie voor gebouwbewonende soorten als huismus, gierzwaluw, steenuil of kerkuil. Het projectgebied is mogelijk wel geschikt als foerageergebied voor verschillende roofvogels of uilen. In de omgeving is alternatief aanwezig. In het projectgebied is aanwezigheid van de eekhoorn uitgesloten. Aanwezigheid van kleine marterachtigen, steenmarter, boommarter, das en algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren is niet op voorhand uit te sluiten. In de bomen in de bosschages van het plangebied kunnen holtes zitten die als verblijfplaats dienen voor boombewonende vleermuizen. Gebouwbewonende vleermuizen kunnen een verblijfplaats hebben in de gebouwen in het gehele plangebied. Daarnaast zijn voor vleermuizen mogelijke vliegroutes aanwezig en is het gehele projectgebied geschikt als foerageergebied.
Aanwezigheid van reptielen in het projectgebied is op voorhand uitgesloten. Binnen het projectgebied zijn mogelijke voortplantingsplaatsen aanwezig voor kamsalamander, poelkikker en algemeen voorkomende amfibieën aanwezig. Voorkomen van rugstreeppad is uitgesloten. Binnen het projectgebied is mogelijk winterhabitat aanwezig in de vorm van droge houtwallen. Het voorkomen van de grote modderkruiper is niet uit te sluiten binnen het projectgebied. Overige beschermde soorten zijn wel uitgesloten. Mogelijk heeft grote vos een leefgebied in het plangebied. Leefgebied voor de sierlijke witsnuitlibel is wel op voorhand uitgesloten.
De volgende effecten kunnen optreden per soortgroep als gevolg van de werkzaamheden. Dit is weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 3: Effecten per soortgroep als gevolg van werkzaamheden
Soortgroep
Soort
Mogelijke effecten
39
bestemmingsplan BusinessPark 7Poort Fase I (vastgesteld)
Vogels zonder jaarrond beschermde nesten
Vogels met jaarrond beschermde nesten
Roofvogels met een jaarrond beschermd nest, huismus, gierzwaluw, steenuil en kerkuil
Grondgebonden zoogdieren Kleine marterachtigen, das, boommarter en steenmarter:
Algemeen voorkomende soorten
Vleermuizen
Boombewonende vleermuizen en gebouwbewonende vleermuizen:
Bij het uitvoeren van werkzaamheden in het broedseizoen worden mogelijk broedende vogels verstoord en nestplaatsen, eieren of legsel van broedvogels zonder jaarrond beschermd nest vernield of beschadigd. In de twee bosschages en bij de verschillende boerenerven zijn mogelijk jaarrondbeschermd nesten aanwezig. Door de werkzaamheden kunnen deze nesten worden beschadigd en kunnen aanwezige dieren worden gedood/verwond of kunnen worden verstoord. Het gehele projectgebied is geschikt als foerageergebied voor roofvogels, huismussen, gierzwaluwen en uilen. In de directe omgeving is voldoende alternatief foerageergebied voor de soorten beschikbaar. De werkzaamheden in de houtwallen, schuren en bosschages leiden mogelijk tot verwonden en doden en aantasten van verblijfplaatsen van kleine marterachtigen, steenmarters of das. Daarnaast kan door de werkzaamheden foerageergebied van de soorten verdwijnen. De werkzaamheden leiden mogelijk tot verwonden en doden van algemeen voorkomende soorten en aantasten van verblijfplaatsen. Verblijfplaatsen voor vleermuizen zijn binnen het projectgebied mogelijk aanwezig in gaten van bomen of bebouwing. Effecten als doden/verwonden zijn hierdoor niet op voorhand uit te sluiten. In het projectgebied zijn meerdere houtwallen en bomenlanen aanwezig.
De houtwal in gebied blijft behouden, maar mogelijk worden door werkzaamheden overvliegende individuen wel verstoord. Bij het uitvoeren van alle werkzaamheden na zonsondergang en voor zonsopkomst, is mogelijk sprake van verstoring van foeragerende vleermuizen. Bij kappen van bomen in deze rechtlijnige elementen gaan mogelijk vliegroutes van vleermuizen verloren. Voor de duur van de werkzaamheden is het werkgebied tijdelijk minder geschikt als foerageergebied. In de omgeving van het projectgebied zijn voldoende alternatieven aanwezig waardoor van een negatief effect geen sprake is.
40
bestemmingsplan BusinessPark 7Poort Fase I (vastgesteld)
Amfibieën
Poelkikker en kamsalamander:
In de tuin van Hazenpad 3 ligt een mogelijke voortplantingsplaats van poelkikker en kamsalamander. De werkzaamheden leiden mogelijk tot verwonden en doden van poelkikkers en kamsalamanders.
Algemeen voorkomende amfibieën:
De werkzaamheden leiden mogelijk tot verwonden en doden van algemeen voorkomende soorten en aantasten van leefgebied. De sloten in het gebied zijn mogelijk geschikt als leefgebied voor de grote modderkuiper. Bij werkzaamheden in de watergangen worden mogelijke individuen gedood/verwond en kunnen eieren van de soort worden beschadigd. De bomen rondom de visvijver blijven tijdens de werkzaamheden behouden. Wel worden op andere plekken in het projectgebied wilgen gekapt waardoor mogelijke voortplantingsplaatsen van de grote vos verdwijnen.
Vissen
Grote modderkruiper
Overige soorten
Grote vos
Zorgplicht De Wnb kent een algemene zorgplicht. Dit betekent dat zorgvuldig met aanwezige planten en dieren moet worden omgegaan. Daarom moeten de volgende maatregelen genomen worden: Werk één richting op zodat aanwezige dieren kunnen vluchten. Hou het werkgebied zo klein mogelijk. Verwijder eerst vegetatie in een gebied voordat er gegraven wordt. Indien dieren aanwezig blijken, staak de werkzaamheden totdat deze het plangebied verlaten hebben. Op basis van de QuickScan kan de aanwezigheid van een aantal beschermde soorten en/of soortgroepen niet worden uitgesloten. Omdat bij uitvoering van de werkzaamheden sprake kan zijn van overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb, dient nader onderzoek te worden uitgevoerd voordat beoordeeld kan worden of negatieve effecten uitgesloten kunnen worden en welke maatregelen noodzakelijk zijn. Het gaat hierbij om de soort(groepen) vogels zonder en met jaarrond beschermd nest, marters (kleine marterachtigen, das, boom- en steenmarter), kamsalamander, vleermuizen poelkikker, grote modderkruiper, grote vos en algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en- amfibieën. Effecten op vogels zonder jaarrond beschermd nest zijn te voorkomen door het nemen van mitigerende maatregelen. Het is daarnaast noodzakelijk om in het kader van de zorgplicht voldoende maatregelen te nemen om effecten te voorkomen.
Voor genoemde soort(groep)en dient soortgericht onderzoek te worden uitgevoerd om negatieve effecten uit te kunnen sluiten en of vast te stellen of verdere vervolgstappen aan de orde zijn. Indien uit het soortgericht onderzoek blijkt dat beschermde soorten en functies voorkomen, dienen aanvullende mitigerende maatregelen te worden opgesteld. Deelconclusie soortbescherming Als gevolg van de werkzaamheden treden er mogelijk effecten op diverse beschermde soorten vogels zonder en met jaarrond beschermd nest, marters (kleine marterachtigen, das, boom- en steenmarter), kamsalamander, vleermuizen, poelkikker, grote modderkruiper, grote vos en algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en- amfibieën. De voorgenomen werkzaamheden leiden bij aanwezigheid tot overtredingen van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Indien uit het soortgericht
41
bestemmingsplan BusinessPark 7Poort Fase I (vastgesteld)
onderzoek naar voren komt dat bepaalde soorten aanwezig zijn en dat er een effect van de werkzaamheden is op de soorten, is het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. 4.4.3
Gelders Natuurnetwerk
Het plangebied ligt niet in Gelders Natuurnetwerk (GNN)-gebied of in Groene Ontwikkelzones (GO). In de provincie Gelderland is geen sprake van externe werking voor GNN. Op basis van de ligging van het plangebied ten opzichte van GNN en GO zijn effecten op het GNN en GO op voorhand uit te sluiten. Vervolgstappen in relatie tot GNN en/of GO zijn daarom niet aan de orde. 4.4.4
Conclusie
Door de afstand tot Natura 2000-gebieden en de aanwezigheid van andere verstoringbronnen zijn lokale negatieve effecten (licht-, geluids- en trillingseffecten) op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden uitgesloten. Ook blijkt uit de voortoets stikstof dat er geen significante negatieve effecten kunnen plaatsvinden op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van een toename in stikstofdeposities. Er zijn geen vervolgstappen nodig vanuit de Wet natuurbescherming. Als gevolg van de werkzaamheden treden er mogelijk wel effecten op diverse beschermde soorten vogels zonder en met jaarrond beschermd nest, marters (kleine marterachtigen, das, boom- en steenmarter), kamsalamander, poelkikker, grote modderkruiper, grote vos en algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en- amfibieën. Nader onderzoek naar deze soorten is noodzakelijk. Er wordt een aanvullend soortenonderzoek uitgevoerd. Om de ecologische waarden te beschermen, wordt er zolang het onderzoek nog niet is uitgevoerd een voorwaardelijke verplichting (artikel 14.5) opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan. Door een voorwaardelijke verplichting op te nemen zijn deze ecologische waarden geborgd in dit bestemmingsplan. Als het gaat om de Gelders Natuurnetwerk of in Groene Ontwikkelszones, zijn de lokale negatieve effecten door de afstand uitgesloten.
4.5
Bodem
Bij de werkzaamheden is grondverzet nodig. In verband met de voorgenomen werkzaamheden is in september 2023 een historisch vooronderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 9). Het doel van het vooronderzoek bodem is om inzicht te krijgen in de te verwachten bodemkwaliteit ter plaatse van het onderzoeksgebied. 4.5.1
Huidige en historische situatie en gebruik
Het gebied is gelegen in de gemeente Zevenaar ten zuiden van de A12 en ten zuidoosten van de bebouwde kom van Zevenaar. Het gebied is in gebruik als landbouwgebied. In het gebied zijn twee landbouwbedrijven en één oude boerderij gelegen. Op de terreinen is gebruikgemaakt van onder andere tegels, klinkers en beton als terreinverharding. Het gebied is zowel in gebruik als weiland voor het vee, maar ook als akkerland. Daarnaast bevinden zich een plas/vijver en meerdere sloten in het gebied. Het onderzoeksgebied was in het verleden ook als landbouwgrond in gebruik. Ter plekke van de boerderij aan hazenpad 31 (de meest noordelijke boerderij) lagen rond 1850 al een aantal gebouwen. De huidige gebouwen op het perceel zijn sinds 1920 in gebruik. De plas/vijver ten westen van deze boerderij is rond 1953 gevestigd. Op historische kaarten is te zien dat tot 2003 een boomkwekerij aan het aangrenzende land heeft gelegen. Het is mogelijk dat voor deze kwekerij chemische bestrijdingsmiddelen zijn gebruikt en daarbij in de bodem terecht zijn gekomen. Rond 1958 is de boerderij ter plekke van Hazenpad 1 voor het eerst zichtbaar op historische kaarten. Volgens Atlasleefomgeving zijn begin jaren 80 van de vorige eeuw de meeste schuren aangelegd, die nu nog aanwezig zijn. Het woonhuis is in 1990 opgeleverd. Tussen eind jaren 70 en begin jaren 90 zijn enkele sloten in het gebied gedempt.
Hierna is er weinig veranderd in het onderzoeksgebied.
42
bestemmingsplan BusinessPark 7Poort Fase I (vastgesteld)
Figuur 9: Historische topografische data 1950
4.5.2
Verwachting ten aanzien van de bodemkwaliteit
Zowel op als nabij de locatie (<25 meter) zijn geen gegevens bekend over in het verleden uitgevoerde bodemonderzoeken. Hier kunnen dus geen conclusies uit getrokken worden. Asbest Er kan gesteld worden dat één van de gebouwtjes te Hazenpad 31 een dak heeft dat verdacht is op asbest. Daarnaast zijn meerdere schuren van Hazenpad 1 ook verdacht op de aanwezigheid van asbesthoudende dakplaten. Indien regenwater van het dak afstroomt en op de bodem terecht komt, zou het asbest in de bodem terecht kunnen komen. Eventuele druppelzones zijn dus ook verdacht op asbest. Daarnaast is het mogelijk dat bij het dempen van de sloten in de jaren 70 en 80 op de onderzoekslocatie gebruik is gemaakt van puin met daarin asbest. De gedempte sloten worden dan ook als asbest verdacht gezien. Andere stortlocaties van puin zijn ook verdacht van asbest. Bij half verharde paden op het landbouwterrein kan mogelijk ook asbest verdacht materiaal gebruikt zijn. Hetzelfde geldt voor de fundering van bijvoorbeeld asfalt of betonplaten en de dammetjes. PFAS Op basis van de bodemfunctieklasse kaart voor PFAS (kenmerk 117471, d.d. 03-09-2020) van de milieuregio Arnhem is de onderzoekslocatie ingedeeld in functieklasse Landbouw/Natuur. Binnen of nabij de onderzoekslocatie tot minimaal een kilometer afstand zijn geen potentiële PFAS-bronnen bekend.
Op basis van deze informatie is de onderzoekslocatie niet verdacht op het voorkomen van PFAS. Bodemkwaliteitskaart De milieuregio Arnhem beschikt over een bodemkwaliteitskaart (kenmerk: 113838, d.d. 12-05-2019). De onderzoekslocatie is ingedeeld in bodemfunctieklasse landbouw en in deelgebied “buitengebied klei” voor de bovengrond en deelgebied “overig buitengebied zand” voor de ondergrond. Zowel de ontgravingsklasse en toepassingsklasse is AW2000 voor de boven- en ondergrond en is dus geclassificeerd als “schoon”. Waterbodemkwaliteit is niet opgenomen in de bodemkwaliteitskaart Binnen de gemeente Zevenaar gelden aangepaste regels voor toepassing van arseen houdende grond, aangezien in de gemeente Zevenaar de Arseenwaarde van nature verhoogd is. Aangezien arseen niet meer in het standaard stoffenpakket zit en arseen wel binnen de regio voorkomt, is het verplicht de bodem of de grond op arseen te onderzoeken indien er aanleiding is voor verkennend onderzoek op een bepaalde locatie.
43
bestemmingsplan BusinessPark 7Poort Fase I (vastgesteld)
Bodemopbouw en geohydrologie De globale bodemopbouw, samengesteld op basis van de bovengenoemde gegevens, is weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 4: Schematisering bodemopbouw
Het grondwater op de locatie bevindt zich naar verwachting op circa 1,30 m–mv. In het gebied is sprake van kwel. De regionale grondwaterstromingsrichting is noordwestelijk gericht. De stroming van het oppervlakkige grondwater wordt beïnvloed door de aanwezigheid van sloten en drainage. De locatie ligt niet in een grondwater- of bodem beschermingsgebied.
4.5.3
Conclusies vooronderzoek
Er zijn in het verleden geen bodemonderzoeken uitgevoerd. Het gebied is altijd in gebruik geweest als landbouwgrond. Op basis van de bodemkwaliteitskaart is zowel de ontgravings- als toepassingsklasse van boven- en ondergrond AW2000. Ook is de locatie niet verdacht op het voorkomen van PFAS. Ter plaatse van een voormalig bomenkwekerij (tot 2003) zijn mogelijk bestrijdingsmiddelen in de bodem terechtgekomen. Deze locatie dient nader te worden onderzocht. Op de locatie zijn meerdere deellocaties asbestverdacht bevonden. Dit betreft de percelen met bebouwing, op basis van de asbestdakenkaart. Verder zijn ook enkele slootdempingen, dammetjes en half-verharde paden asbestverdacht. Aanbevolen wordt om op deze locaties een verkennend asbestonderzoek uit te voeren met als hypothese “verdacht”. Dit dient nader onderzocht te worden voordat de werkzaamheden plaats gaan vinden.
4.6
Water
Het doel van de Watertoets is in een vroeg stadium waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar te maken en evenwichtig mee te nemen bij ruimtelijke plannen. Er wordt met name ingegaan op de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding en de beschrijving van de maatregelen die worden getroffen. Waterbeheerders worden in een vroeg stadium betrokken bij de planvorming om zo een duurzame omgang met hemel-, grond- en oppervlaktewater te waarborgen en "water" mee te laten wegen in het planproces. In de watertoets (zie Bijlage 10) wordt gekeken naar de volgende aspecten: hemelwater; oppervlaktewater; grondwater en vuilwater en droogweerafvoer waarvan het resultaat wordt vastgelegd in deze watertoets.
44
bestemmingsplan BusinessPark 7Poort Fase I (vastgesteld)
4.6.1
Wet- en regelgeving
Europese kaderrichtlijn water Op 22 december 2000 is de Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. De KRW is een Europese richtlijn, die bedoeld is om de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater op goed niveau te krijgen en te houden. Het Rijk is verantwoordelijk voor het nationale beleidskader en de strategische doelen en maatregelen voor het waterbeheer in Nederland. De Minister van Infrastructuur en Milieu is eindverantwoordelijk voor de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Het Rijk is opsteller van het Nationaal Waterprogramma 2022-2027, wat het Nationaal Waterplan heeft vervangen. In het Bestuursakkoord Water (BAW, 2011) en een aanvulling hierop (2018) zijn het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven maatregelen voor een doelmatig waterbeheer overeengekomen. Nationaal bestuursakkoordwater Op basis van het rapport van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw en het kabinetsstandpunt 'Anders omgaan met water' hebben het Rijk, de provincies, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Unie van Waterschappen het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) ondertekent. Het NBW is doorgevoerd in de provinciale en regionale beleidsplannen. Relevante aspecten uit het NBW zijn: Toepassen van de watertoets als procesinstrument op alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten.
Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen. Toepassen van de trits schoonhouden - zuiveren - schoon maken, met als eerste insteek het voorkomen van vermenging van schoon hemelwater van dakvlakken en afvalwater en het gebruik van bijvoorbeeld een bodempassage voor hemelwater van druk bereden straatvlakken. Wateropgave (de benodigde bergingscapaciteit voor het opvangen van pieken in neerslag) bepalen aan de hand van de NBW-normen regionale wateroverlast. Voor stedelijk gebied geldt een norm van T=100 (neerslaggebeurtenis die statistisch berekend eens in de 100 jaar voorkomt). Provinciaal beleid De provincie Gelderland beschikt over een Regionaal Waterprogramma (2021-2027). Water speelt een grote en veelzijdige rol in Gelderland. Water om te drinken, over te varen en in te zwemmen. Water voor landbouw, natuur en landschap. Maar water kan ook zorgen voor overstromingen. En door klimaatverandering neemt de kans op droogte toe en stijgt de kans op hevige neerslag. Daarom werkt de provincie we samen met onze partners aan een watersysteem van de toekomst. In het Regionaal waterprogramma 2021-2027 beschrijven we hoe we dit willen doen. Het Regionaal waterprogramma beschrijft hoe de provincie de komende jaren aan de slag gaan met water.
Waterschappen houden hier rekening mee in hun Waterbeheerprogramma. Het heeft ook gevolgen voor het toetsen van milieubelastende activiteiten (die mogelijk gevolgen hebben voor watersystemen) en wateractiviteiten, zoals beschreven in de Omgevingswet. Daar waar nodig zet de provincie hulpmiddelen in om zijn doelen te bereiken. Dit kan de provinciale Omgevingsverordening zijn, maar bijvoorbeeld ook samenwerkingsovereenkomsten onder andere met waterschappen. De uitgangspunten van het Regionaal Waterprogramma zijn: Voorkomen is beter dan genezen: Het bodem- en watersysteem is een belangrijke basis voor onze leefomgeving. En het speelt een belangrijke rol bij duurzaamheid en klimaatbestendigheid. De provincie werkt aan herstel en versterkt het systeem met nieuwe functies. Negatieve effecten: Soms hebben ontwikkelingen en activiteiten negatieve effecten op het bodemen watersysteem. Als initiatiefnemers vermoeden dat hun activiteit een negatief effect heeft, verwacht de provincie dat ze maatregelen nemen om dit te beperken en/of compenseren. Uitdagingen: Verschillende grote maatschappelijke opgaven waaraan de provincie werkt met zijn partners, vragen om een gebiedsgerichte aanpak. Zoals bijvoorbeeld het verminderen van stikstof en de uitstoot van CO2 of de aanpak van medicijnresten en nieuwe stoffen. Maar ook de stijgende
45
bestemmingsplan BusinessPark 7Poort Fase I (vastgesteld)
vraag naar grond- en drinkwater. Voor deze uitdagingen is een aanpak per gebied het effectiefst. Hierbij gebruikt de provincie zoveel mogelijk nieuwe technieken en samenwerking. Waterschap Rijn en IJssel Een toename in het verharde oppervlak resulteert in een versnelde afvoer van hemelwater. Door versnelde afvoer van hemelwater wordt het watersysteem zwaarder belast en het waterbezwaar op benedenstroomse gebieden afgewenteld. Ook is er geen aanvulling van het grondwater. Om versnelde afvoer tegen te gaan, hanteren we bij ruimtelijke plannen de trits vasthouden-bergen-afvoeren. Dit betekent dat hemelwater zoveel mogelijk wordt vastgehouden op de plek waar het valt. Hiervandaan kan het infiltreren in de bodem of vertraagd worden afgevoerd naar het watersysteem. In ruimtelijke plannen met een toename van verharding zijn infiltratie- of waterbergende voorzieningen nodig om het plan waterneutraal te maken. Onze uitgangspunten voor het ontwerp van infiltratie- en waterbergingsvoorzieningen zijn: In landelijk gebied is een regenbui T=10+10% maatgevend. De hoeveelheid neerslag die valt in deze bui moet in het plangebied worden geborgen, waarna dit kan infiltreren of vertraagd wordt afgevoerd. In bebouwd gebied is een regenbui T=100+10% maatgevend voor de dimensionering van de waterhuishoudkundige voorzieningen.
Hierbij mag het waterpeil vanuit het oppervlaktewater tot aan straatpeil stijgen, waarbij geen waterschade aan bouwwerken, hoofdinfrastructuur en spoorwegen mag ontstaan. We streven naar afkoppeling van bestaand verhard oppervlak van het rioolstelsel. Zo ontlasten we het rioolstelsel en de rioolwaterzuiveringen en verminderen we de kans op vervuilende overstorten van het gemengd riool. Wanneer het hemelwater na afkoppelen loost op een andere watergang dan waar voorheen de gemengde overstort lag, wordt deze watergang met meer water belast. Om waterneutraliteit te bereiken en wateroverlast te voorkomen, hanteren we als uitgangspunt, dat een bui, die ca. eens per 100 jaar voorkomt (bui T100), in het plangebied wordt geborgen en vertraagd wordt afgevoerd naar het grond- en/of oppervlaktewater. Hierbij houden we rekening met klimaatontwikkeling door de bui met 10% te vergroten (bui T100+10%). Wat overblijft van de T=100+10% bui van 111 mm in 48 uur na aftrek van afvoer via oppervlaktewater en berging dak/straat, is de basisopgave voor benodigde compensatie. Dit is 80 mm voor het gebied dat toegenomen is in verhard oppervlak. In onderstaande tabel (Tabel 1) is de bergingsopgave bij bui T=100+10 % samengevat.
Tabel 5: Bergingsopgave bebouwd gebied (Waterschap Rijn en IJssel).
De basisopgave kan omgerekend worden naar het benodigde volume voor waterberging. Voor dit volume dienen in het plangebied waterbergingsvoorzieningen met vertraagde afvoer naar het oppervlaktewater te worden gerealiseerd. De waterberging dient bij voorkeur bovengronds vormgegeven te worden als wadi of retentievijver, maar indien wenselijk kan ook gekozen worden voor infiltratiekratten, groene daken, etc. Het benodigd waterbergingsvolume neemt evenredig toe met de toename van het verhard oppervlak: Benodigde compensatie (mm) / 1000 × oppervlak toename verharding (m²) = benodigde compensatie (m³) Gemeentelijk beleid Het huidige rioleringsbeleid van gemeente Zevenaar is vastgelegd in het Watertakenplan De Liemers. Voor het omgaan met hemelwater wordt binnen De Liemers vastgehouden aan het principe van vasthouden – bergen – afvoeren, waarbij vasthouden de meest ideale situatie is en afvoeren de keus indien een andere mogelijkheid er niet is. Ook het zoveel mogelijk scheiden van schoon water als hemelwater en grondwater en vervuild water is het streven waar naartoe gewerkt wordt. Door de
46
bestemmingsplan BusinessPark 7Poort Fase I (vastgesteld)
klimaatverandering kan het voorkomen dat zich situaties van water-op-straat voordoen. Hier wordt op ingespeeld door bijvoorbeeld het afkoppelen en bergen van hemelwater. Hierdoor wordt de riolering ontlast, wat bijdraagt aan het beperken van wateroverlastsituaties. In het geval van bedrijfsgebouwen geldt dat de dakvlakken niet aangesloten mogen worden op de riolering. Hoe omgegaan wordt met het water afstromend van verharde terreinen rondom de terreinen wordt per situatie bekeken. Dit is afhankelijk van de vervuilingsgraad van het water. In het buitengebied wordt nieuwbouw aangesloten op mechanische riolering of IBA's. De lozing van hemelwater hierop is niet toegestaan. Er geldt een verplichting voor het aanbrengen van een waterberging bij nieuwbouw en bij toename van het bebouwd oppervlak. De hemelwaterberging moet ook in stand gehouden worden. Aan de waterberging zijn eisen gesteld. Er is gekozen voor een onderscheid tussen toename van het bebouwd oppervlak tot 2.000 m² en vanaf 2.000 m². Ten aanzien van de hemelwaterberging geldt dat hiervoor in het geval van een toename van het bebouwd oppervlak tot 2.000 m² een bergingseis geldt van minimaal 60 liter met m² bebouwd oppervlak. Boven de 2.000 m² komt de bergingseis terug in de watertoets. Belangrijk is dat de waterberging na vulling weer leegt binnen 24 uur, zodat de hemelwaterberging water kan blijven bergen.
In geval van calamiteiten kan het hemelwater dat niet kan worden geborgen in de hemelwaterberging middels een noodoverloop worden geloosd in een nader aan te wijzen openbare rioolvoorziening. Aan deze bepaling kunnen voorwaarden worden gesteld door de beheerder van het openbaar riool 4.6.1.1 Analyse en resultaten Grondwater Uit eerdere bodemonderzoeken is gebleken dat er in het gebied sprake is van kwel en dat de regionale grondwaterstromingsrichting noordwestelijk is gericht. Daarnaast wordt de stroming van het oppervlakkige grondwater beïnvloedt door de aanwezigheid van sloten en drainage. Ook is geconstateerd dat het plangebied niet is gelegen in een grondwater- of bodembeschermingsgebied. Deze conclusies worden ook bevestigd door de beschikbare data van Grondwatertools, DINOLoket en de Klimaateffectatlas. In het plangebied zelf bevinden zich geen grondwatermeetpunten volgens DINOLoket en Grondwatertools. Wel zijn er drie meetpunten binnen een straal van ca. 600 m van het plangebied, die beschikken over een meetreeks. Volgens de meetgegevens van deze drie meetpunten bevindt de GHG zich op ca. 0,50 tot 0,80 m onder maaiveld. Gezien er zich geen meetpunten in het plangebied bevinden, is het onduidelijk hoe goed de bestaande meetreeksen de grondwatersituatie in het plangebied weerspiegelen.