CConstaterende datZevenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. 1254283 - TAM-omgevingsplan Hoogeweg Pannerden - toelichting en regels

Raadsvergaderingen 2022-2026 25 juni 2025, gemeente ZevenaarBij agendapunt: Z/24/481397 Gewijzigde vaststelling TAM-omgevingsplan 'Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden'19.026 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

30

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

waarde bedraagt 59 dB. De grenswaarde van 70 dB wordt niet overschreden. Omdat de standaardwaarde van 53 dB op geluidgevoelige gebouwen wordt overschreden dient te worden nagegaan of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het verlagen van de waarde van het geluid door het treffen van maatregelen aan de bron stuit op financiële en civieltechnische bezwaren. Door het treffen van maatregelen aan het wegdek wordt de standaardwaarde van 53 dB bovendien niet bereikt. Afscherming van alle woonlagen van de woningen is op deze locatie niet haalbaar door aantasting van de ruimtelijke kwaliteit. De zuidgevel en de westgevel van de geluidbelaste woningen zijn geluidluw, aan deze zijden kunnen verblijfsruimten aan de geluidluwe zijde en geluidluwe buitenruimte worden gecreëerd. Daarmee kan, voor wat betreft het aspect geluid, sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locatie. De hoogste waarde van het gezamenlijke geluid bedraagt 59 dB op de gevels. De benodigde karakteristieke geluidwering GA;k bedraagt dan 26 dB. Voor de geluidbelaste gevels van de ontwikkeling zijn aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig.

4.7

Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'.

Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden er dus altijd aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

31

Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Uitgangspunt is dat personen buiten een aandachtsgebied in een gebouw (dat voldoet aan de eisen uit het BBL) voldoende zijn beschermd tegen de mogelijke effecten van een grootschalig ongeval met gevaarlijke stoffen bij de risicobron. Planspecifiek Via de website atlasleefomgeving.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en/of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de omgevingsveiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website. Het plangebied is hier globaal aangegeven met de rode cirkel.

Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl)

Op de risicokaart is te zien dat het plangebied op circa 600 m ten oosten van de rivier de Rijn is gelegen. Dit betreft een transportroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water. De PR-contour van deze transportroute is gelegen op de oever van de rivier. Daarnaast is voor deze transportroute een aandachtsgebied opgenomen. Het plangebied ligt buiten beide zones, waardoor de Rijn geen belemmeringen oplevert in het kader van omgevingsveiligheid voor het plan. Daarnaast bevindt zich op circa 1 km ten zuidoosten van het plangebied een hogedrukaardgasleiding (buisleiding voor het vervoer van gevaarlijke stoffen). Het initiatief ligt niet binnen het voor deze buisleiding opgenomen aandachtsgebied. De buisleiding levert daarmee eveneens geen belemmeringen op voor het plan. Gelet op de ruime afstand van het plangebied tot andere risicobronnen kunnen andere belemmeringen in het kader van externe veiligheid ten slotte ook uitgesloten worden.

32

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

4.8

Trilling

Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Trilling wordt gezien als een milieubelastende activiteit. In het omgevingsplan neemt de gemeente regels op voor trillingen door milieubelastende activiteiten. Vastgelegd wordt welke trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Hiervoor gelden de instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Planspecifiek In de ruime omgeving van het plangebied zijn geen activiteiten aanwezig die trillingen kunnen veroorzaken zoals grote wegen, spoorlijnen en/of industriële machines.

4.9

Gewasbeschermingsmiddelen

Bij het telen van bollen-, boom- en fruit in de open lucht kan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen van belang zijn. Dit vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten. Er gelden, behoudens het niet mogen belasten van oppervlaktewater (Afdeling 3.5 van het Activiteitenbesluit), in Nederland geen wettelijke bepalingen over een minimaal aan te houden afstanden tussen de teeltgronden en voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen en bedrijven. In de praktijk wordt daarom een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een genoemde teelten en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide indicatieve vuistregel. Kleinere afstanden zijn mogelijk mits dit gemotiveerd kan worden. Deze praktijk wordt onderschreven door uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De volgende aandachtspunten zijn van belang: 1. 2. 3. 4. 5.

wat wordt planologisch mogelijk gemaakt en wat zijn de geldende bestemming(en); wat is het huidige gebruik van de gronden / welke teelten vinden plaats; welke gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en welke spuitmethode wordt gebruikt; wat zijn de effecten van drift reducerende middelen (vaak hagen en bomenrijen); wat is de overheersende windrichting.

Met name bij boomgaarden en boomkwekerijen hebben gewasbeschermingsmiddelen invloed op het woonen leefklimaat. Bij overige gewassen is het risico op aantasting van het woon- en leefklimaat beperkt. Planspecifiek Ten zuiden van het plangebied is bomenteelt aanwezig. Hier kunnen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. De toekomstige woningen worden op minimaal 50 m van deze bomenteelt gesitueerd. Hiermee wordt voldaan aan de vuistregel voor de afstand tot teeltgronden. Het aspect spuitzonering levert daarmee geen belemmeringen op ten aanzien van het initiatief.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

33

4.10

M.e.r.-beoordeling

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Beoordeling of een M.e.r. procedure of beoordeling plaats moet vinden volgt uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit. 1. De eerste stap is te kijken of het project voldoet aan de omschrijving van een project in kolom 1. 2. Vervolgens moet gekeken worden of in kolom 4 'de omgevingsvergunning' of 'het omgevingsplan' staat. Het omgevingsplan is relevant als in het plan vergunningplichtige activiteiten worden aangewezen. 3. Als bovenstaande stappen van toepassing zijn op het project, moet bepaald worden of voor het project een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt. Dit gebeurt door te kijken naar de kolommen 2 en 3. a. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom? Dan geldt voor het project een 'project-mer-plicht'. b.

Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 3? Dan geldt voor het project een 'project-mer-beoordelingsplicht'. Planspecifiek Voorliggende ontwikkeling kan gezien worden als een 'stedelijk ontwikkelingsproject' (J.11 uit bijlage V Ob), waardoor beoordeeld moet worden of er sprake zal zijn van aanzienlijke milieueffecten. Bij deze beoordeling is rekening gehouden met de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn (de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect). Kenmerken van het project Het initiatief betreft een woningbouwproject voor 42 woningen. Er worden geen fossiele hulpstoffen gewonnen op de locatie en daarnaast is er enkel sprake van huishoudelijk afval. Verontreiniging en hinder zijn, gelet op de aard van de ontwikkeling, niet te verwachten. In deze motivering is toegelicht dat er geen sprake is van grote risico's op een ramp of voor de menselijke gezondheid. Locatie van het project Het plangebied is gelegen aan de Hoogeweg binnen de bebouwde kom van Pannerden. Het plangebied ligt niet in of in de nabijheid van Natura 2000-gebied, NNN of andere gebieden die in het kader van de m.e.r.-beoordeling extra aandacht behoeven. Kenmerken van het potentiële effect Met het initiatief treden geen overtredingen op in het kader van de flora en faunawetgeving.

Het voornemen leidt niet tot een onevenredige toename van verkeer en omliggende woningen, leidt niet in betekenende mate tot luchtvervuiling en geluidsoverlast en bedrijven worden in milieutechnische zin niet extra belemmerd. In deze onderbouwing worden de diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van nadelige effecten voor het milieu. Het plan is niet gelegen in kwetsbaar of waardevol gebied en het heeft geen nadelige milieugevolgen voor de omgeving. Voor dit plan is het dan ook niet noodzakelijk een milieueffectrapportage op te stellen.

34

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

4.11

Conclusie veilige en gezonde leefomgeving

De Omgevingswet benoemt een gezonde en veilige leefomgeving nadrukkelijker in haar doelen. Omdat het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en veiligheid tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit, (water)veiligheid en bodem. Eén omgevingswaarde of –norm voor gezondheid en veiligheid bestaat niet. Dit is een optelsom en weging van de verschillende deelaspecten. Uit voorgaande paragrafen blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Ten aanzien van de aspecten geluid, geur, trilling, luchtkwaliteit, omgevingsveiligheid en bodem worden geen normen overschreden of bijna overschreden. Dat laatste is van belang omdat bij gezondheid en veiligheid juist de cumulatieve beoordeling van deze sectorale aspecten van belang is. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat met de ontwikkeling een veilige en gezonde leefomgeving kan worden gewaarborgd en dat daarmee sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

35

Hoofdstuk 5

Goede omgevingskwaliteit

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze een goede omgevingskwaliteit wordt gewaarborgd en verder ontwikkeld door de voorgenomen ontwikkeling.

5.1

Zorgvuldig ruimtegebruik

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte wordt afgewogen. Planspecifiek Voorliggend initiatief voorziet in het toeoegen van 42 woningen. Uit jurisprudentie blijkt dat van een stedelijke ontwikkeling sprake is als woningbouwprojecten voorzien in 12 nieuwe woningen of meer. Hierom is in paragraaf 3.1.3 de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen, waarin is gemotiveerd dat er voldoende behoefte is naar de ontwikkeling op deze locatie.

5.2

Archeologie, cultuurhistorie en landschap

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld via de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt straks op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). Deze aspecten vallen nu nog onder het Overgangsrecht in de Erfgoedwet. Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl).

Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

36

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is veelal opgenomen op de archeologische beleidskaart en/of de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Planspecifiek Cultuurhistorie Voor de gemeente Zevenaar en de voormalige gemeente Rijnwaarden is het rapport 'Gemeenten Zevenaar en Rijnwaarden - Cultuurhistorische Waardenkaart' opgesteld. Het plangebied is gelegen binnen de zone 'Bebouwde kom R5 Pannerden'. De bij dit gebied horende karakteristiek bestaat uit:  herkenbaar dorpshart met plein, kerken, school en groen;  sterk uitgebreid in het tweede kwart van de twintigste eeuw, deels door aanpassing historische patronen en structuren;  1 gemeentelijk monument. De beschreven karakteristieken zijn ter plaatse van het plangebied niet specifiek zichtbaar. Als gevolg van de ontwikkeling wordt geen afbreuk gedaan aan de karakteristieken. Het initiatief heeft daarnaast geen invloed op rijks- of gemeentelijke monumenten.

Landschap Daarnaast is in paragraaf 3.2.3 gemotiveerd dat het initiatief geen negatieve gevolgen heeft ten aanzien van het landschap. Archeologie In het omgevingsplan heeft het plangebied de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 4' en 'Waarde - Archeologische verwachting 5'. Om te beoordelen wat de effecten van het initiatief ten aanzien van mogelijk aanwezige archeologische resten zijn, is een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 6. Uit het onderzoek blijkt dat, om vast te stellen of ter plaatse van het projectgebied sprake is van een archeologische vindplaats, vervolgonderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek wordt geadviseerd. Dit onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van de vergunningsaanvraag voor het bouwen. Met onderhavig initiatief blijven de bestaande archeologische dubbelbestemmingen van kracht op het plangebied. Daarmee zijn eventueel aanwezige archeologische resten in de toekomstige situatie nog altijd beschermd en is voldoende geborgd dat het initiatief niet tot negatieve effecten in het kader van archeologie leidt.

5.3

Ecologie

De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Uitgezonderd van de toets ten aanzien van stikstof. Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

37

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. 2. 3.

Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.

Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:  er soorten aanwezig zijn; en  welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Planspecifiek Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is een quickscan natuur uitgevoerd, zie bijlage 7 . De belangrijkste conclusies zijn in het vervolg van voorliggende paragraaf opgenomen.

Soortenbescherming Uit het onderzoek blijkt dat de beoogde ruimtelijke ingreep niet leidt tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming en houtopstanden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren, kolonisatie door rugstreeppadden en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te

38

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

voorkomen, welke zijn beschreven in de quickscan. Tevens dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende Natura 2000. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft het gebied 'Rijntakken' op circa 300 m ten westen van het plangebied. Voor effecten als trillingen, geluid en optische verstoring geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Om de effecten met betrekking tot stikstofdepositie te toetsen, is een voortoets stikstofdepositie uitgevoerd. De rapportage hiervan is toegevoegd als bijlage 8. Uit de voortoets blijkt dat ten opzichte van de referentiesituatie in zowel de gebruiksfase als de aanlegfase geen sprake is van een bijdrage van stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/j. Er is dus geen sprake is van mogelijke negatieve gevolgen op beschermde Natura 2000-gebieden. Belemmeringen in het kader van gebiedsbescherming kunnen worden uitgesloten.

5.4

Verkeer en parkeren

De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. Daarnaast blijven de bekende richtlijnen vanuit het CROW bestaan. De toename aan functies zorgen voor verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's (en evt. ook fietsen en/of scooters). Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. Planspecifiek Verkeersgeneratie en ontsluiting Als gevolg van de ontwikkeling neemt de hoeveelheid verkeer van en naar het plangebied toe. Het initiatief voorziet in het toevoegen van 42 woningen, waarvoor kan worden uitgegaan van circa 6,4 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal op grond van de CROW-cijfers. Dit betreft in totaal een toename van circa 269 verkeersbewegingen per dag. Het plangebied wordt ontsloten door de Hoogeweg. Deze weg en de omliggende wegen hebben voldoende capaciteit om de toename aan verkeersbewegingen op te vangen en af te wikkelen.

Parkeren Als gevolg van de ontwikkeling neemt de vraag naar parkeervoorzieningen in het plangebied toe. Om de parkeerbehoefte te berekenen is rekening gehouden met het in de gemeente Zevenaar geldende beleid ten aanzien van parkeerplaatsen. Daaruit volgt de parkeerberekening in de onderstaande tabel. In de openbare ruimte worden in totaal 65 parkeerplaatsen gerealiseerd. Uit de tabel is af te leiden dat daarmee aan de parkeernormenn wordt voldaan. Het initiatief voorziet daarmee in de parkeerbehoefte.

Conclusie Vanuit het aspect verkeer en parkeren is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

39

5.5

Duurzaamheid en klimaatadaptatie

Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten. De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Planspecifiek Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied als gevolg van klimaatverandering. Wateroverlast Ter plaatse van het plangebied bestaat, als gevolg van klimaatverandering, de mogelijkheid tot een toename van plasvorming in het geval van langdurige regenval.

Ten behoeve van voorkoming van wateroverlast worden wadi's toegevoegd, waarmee regenwater op eigen terrein kan worden geborgen en geïnfiltreerd. Dit is nader toegelicht in paragraaf 4.1. Hittestress De geplande nieuwbouw is goed geïsoleerd conform de huidige normen. Daarmee voldoen de woningen aan de toegenomen koelbehoefte die kan ontstaan als een gevolg van hittestress. Daarbij zal het plangebied rondom de woningen zo groen mogelijk worden ingericht en met zo min mogelijk verharding, ter voorkoming van hittestress. Droogte Met het toevoegen van een wadi kan regenwater in de toekomstige situatie worden vastgehouden, waarmee droogte in het plangebied wordt voorkomen. Daarnaast zijn gronden met een woonfunctie minder gevoelig voor droogte. Overstroming Het plangebied is gelegen in de omgeving van de Rijn. In het geval van een overstroming bestaan in het plangebied mogelijkheden tot schuilen. Daarnaast wordt het plangebied ontsloten door de Hoogeweg, waarmee het plangebied goed bereikbaar is voor hulpdiensten.

40

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

Hoofdstuk 6 6.1

Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid

Participatie

Inspraak Voor het initiatief heeft de initiatiefnemer de direct belanghebbenden in de omgeving op de hoogte gebracht van het planvoornemen. Een verslag van het participatietraject is toegevoegd als bijlage 9. Overleg Onderhavig initiatief wordt in het kader van het wettelijk overleg voorgelegd aan de belanghebbende instanties. Zienswijzen In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd de zienswijzen op het ontwerpbesluit en de gemeentelijke reactie hierop opgenomen.

6.2

Kostenverhaal

Het is verboden bouwactiviteiten te verrichten zolang de kostenverhaalbijdrage niet is betaald. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente wordt een anterieure privaatrechtelijke overeenkomst over kostenverhaal gesloten. Het privaatrechtelijk kostenverhaal is geregeld in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

41

42

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

Bijlagen bij de motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

43

44

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

Bijlage 1

Schetsontwerp

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

45

46

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

Bijlage 2

Digitale watertoets

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

47

48

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

Bijlage 3

Berekening bergingscapaciteit

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

49

50

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

Bijlage 4

Bodemonderzoek

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

51

52

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

Bijlage 5

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

53

54

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

Bijlage 6

Archeologisch onderzoek

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

55

56

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

Bijlage 7

Quickscan Natuur

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

57

58

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

Bijlage 8

Voortoets stikstofdepositie

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

59

60

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

Bijlage 9

Verslag omgevingsdialoog

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

61

62

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

Bijlage 10

Nota van Zienswijzen en Wijzigingen

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

63

64

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

Regels Preambule Dit plan beoogt de realisatie van een woonwijk met 42 woningen mogelijk te maken op de locatie Hoogeweg ongenummerd te Pannerden. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Zevenaar. De in deze wijziging van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als afdelingen van hoofdstuk 22a van het omgevingsplan van de gemeente Zevenaar. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22a' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22a' gelezen worden.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

65

66

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels Begripsbepalingen

1.1 toepassing omgevingsplan artikel 1.1 van het Omgevingsbesluit, artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn van overeenkomstige toepassing op dit omgevingsplan, tenzij hierna daarvan is afgeweken. 1.2 plan het omgevingsplan van de gemeente Zevenaar. 1.3 TAM-omgevingsplan het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden met identificatienummer NL.IMRO.0299.BP12HOOGEWEG- VA01 van de gemeente Zevenaar. 1.4 aanbouw een al of niet voor bewoning bestemd gebouw, dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.5 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.6 aaneengebouwd hoofdgebouw blokken van meer dan twee niet-gestapelde hoofdgebouwen waarvan de hoofdgebouwen aan elkaar zijn gebouwd. 1.7 archeologische waarde de aan een gebied toegekende waarde in verband met het voorkomen van archeologische relicten. 1.8 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.9 bebouwingspercentage het oppervlak dat met bouwwerken mag worden bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de functie, dan wel bouwvlak of maatvoeringsvlak, of binnen een in de regels nader aan te duiden gedeelte van die functie; dit percentage heeft geen betrekking op volledig ondergronds gelegen bebouwing. 1.10 beroep of kleinschalige bedrijfsactiviteit aan huis de uitoefening van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen kan worden uitgeoefend, waaronder in ieder geval niet wordt begrepen de uitoefening van detailhandel of consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten en prostitutie. De woning behoudt in overwegende mate de woonfunctie en de ruimtelijke uitstraling blijft hiermee in overeenstemming.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

67

1.11 bestaand a. bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan legaal aanwezig of in uitvoering is en afwijkt van het TAM-omgevingsplan, tenzij in de regels anders is bepaald; b. bij gebruik: het gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan legaal bestaat, tenzij in de regels anders is bepaald. 1.12 bijbehorend bouwwerk functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. 1.13 bijgebouw een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw en dat niet voor bewoning is bestemd. 1.14 bouwgrens de grens van een bouwvlak. 1.15 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan. 1.16 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.17 functie een functie geeft aan voor welk doel of welke doeleinden de als zodanig op de kaart aangegeven gronden mogen worden gebruikt. 1.18 functievlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie.

1.19 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.20 gebouwerf bebouwd of onbebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, waarbij het omgevingsplan die inrichting niet verbiedt. 1.21 gestapeld gebouwde hoofdgebouwen woningen die zich bevinden in een gebouw dat bestaat uit twee of meer boven - of nagenoeg boven - elkaar gesitueerde woningen.

68

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

1.22 hoofdgebouw gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is. 1.23 horeca het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of spijzen, voor gebruik elders of ter plaatse en/of nachtverblijf; onder horeca wordt mede verstaan een afhaalwinkel/-centrum. 1.24 huishouden persoon of groep personen die alleen of samen in een woonruimte wonen, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan. 1.25 kamerverhuur de verhuur van onzelfstandige woonruimte. 1.26 maatvoeringsgrens de grens van een maatvoeringsvlak. 1.27 maatvoeringsvlak een op de kaart als zodanig aangegeven vlak waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels voor bepaalde bouwwerken eenzelfde maatvoering geldt. 1.28 overkapping een bouwwerk, al dan niet aangebouwd aan een gebouw of een ander bouwwerk, bestaande uit een slechts van boven afgesloten of afgedekte ruimte van lichte constructie met maximaal één wand. 1.29 rug aan rug gebouwd hoofdgebouw een hoofdgebouw waarbij de achtergevel gedeeld wordt met een ander hoofdgebouw.

1.30 twee-aaneen gebouwd hoofdgebouw een blok van twee aaneengebouwde hoofdgebouwen. 1.31 uitbouw een al of niet voor bewoning bestemd gebouw, dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.32 voorerfgebied gebouwerf voor de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het gebouwerf voor het hoofdgebouw te komen, met uitzondering van het zijerfgebied. Indien op een perceel meer gebouwen aanwezig zijn die noodzakelijk zijn voor het verrichten van de op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel toegestane activiteiten of als het hoofdgebouw geen woning is, maar op het perceel wel een of meer op de grond staande woningen aanwezig zijn, is voor het leggen van deze lijn het hoofdgebouw, de woning of een van de andere hiervoor bedoelde gebouwen, bepalend waarvan de voorkant het dichtst is gelegen bij openbaar toegankelijk gebied.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

69

1.33 voorgevel de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig dient te worden aangemerkt. 1.34 voorgevelrooilijn de lijn die, op peil, door het buitenwerkse vlak van de voorgevel loopt, welke lijn in geval van een bouwgrens waarnaar de voorgevel is gekeerd, wordt verondersteld te liggen ter plaatse van die bouwgrens. 1.35 vrijstaand hoofdgebouw een hoofdgebouw dat aan geen enkele kant bouwkundig verbonden is aan een andere hoofdgebouw. 1.36 weg weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet (alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten). Onder weg wordt niet verstaan achterpaden bij woningen, waaronder brandgangen. 1.37 wonen het gehuisvest zijn in een woning/wooneenheid. 1.38 woning een complex van intern met elkaar in verbinding staande ruimten in een (gedeelte van een) gebouw, uitsluitend bedoeld voor de permanente huisvesting van een afzonderlijk (gemeenschappelijk) huishouden. 1.39 wooneenheid een woning. 1.40 zijerfgebied Het naar het openbaar gebied toe gelegen gebouwerf tussen de voorgevelrooilijn en de achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw.

Artikel 2 a.

b. c.

70

Toepassingsbereik

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid, met uitzondering van regels voor archeologie; De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van het plan zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0299.BP12HOOGEWEG-VA01.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

Artikel 3

Meet- en rekenbepalingen

In aanvulling op artikel 22.24 van het plan, gelden de volgende meet- en rekenbepalingen: 3.1 afstand tot de bouwperceelgrens kortste afstand van een bepaald punt van het bouwwerk tot de grens van het bouwperceel; 3.2 afstand tot de zijdelingse bouwperceelsgrens tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is; 3.3 bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen, mits de overschrijding van de bebouwings- en/of bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt; 3.4 dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 3.5 goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Bij toepassing van het meten van de goothoogte van een bouwwerk worden dakkapellen buiten beschouwing gelaten, behoudens dakkapellen en dakopbouwen waarvan de gezamenlijke breedte meer bedraagt dan 50% van de breedte van het betreffende dakvlak.

De goothoogte wordt dan gemeten vanaf het peil tot aan de goot van de dakkapel; 3.6 inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 3.7 oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk 3.8 oppervlakte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde tussen de buitenzijden van het bouwwerk, geen gebouw zijnde, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk, geen gebouw zijnde; 3.9 ondergeschikte bouwdelen bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, droogstanden, ingangspartij, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- en functiegrenzen niet meer dan 1 m bedraagt; airco's met een diepte groter dan 50 centimeter en warmtepompen worden hier niet onder verstaan;

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

71

3.10 peil a. voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang; b. indien in het water wordt gebouwd: het gemiddelde waterpeil; c. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld.

Artikel 4

Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het plan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit TAM-omgevingsplan.

Artikel 5

Algemeen gebruiks- en bouwverbod

Niet genoemde gebruiks- en bouwactiviteiten en gebruiks- en bouwactiviteiten die in strijd zijn met dit plan zijn niet toegestaan.

72

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

Hoofdstuk 2 Artikel 6

Regels voor functies en activiteiten Groen

6.1 Functieomschrijving In het voor 'Groen' aangewezen gebied zijn de volgende activiteiten toegestaan: het aanleggen, in gebruik nemen en in stand houden van: a. groenvoorzieningen; b. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; c. speelvoorzieningen; d. nutsvoorzieningen; e. verhardingen in de vorm van fiets- en voetpaden, parkeervoorzieningen en ontsluitingswegen; f. kunstwerken, waaronder bruggen; en g. daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 6.2 Bouwregels 6.2.1 Algemeen De gronden mogen niet worden bebouwd, met uitzondering van gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, kunstwerken, speelvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 6.2.2 Gebouwen In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het plan mogen gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen worden gebouwd als: a. de oppervlakte van gebouwen niet meer bedraagt dan 30 m2; b. de bouwhoogte van gebouwen niet meer bedraagt dan 3 meter. 6.2.3 Bouwwerken geen gebouwen zijnde In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het plan mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd als: a. de oppervlakte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, niet meer bedraagt dan 30 m 2; b. de hoogte van speelvoorzieningen niet meer bedraagt dan 6 meter; c. de hoogte van palen, masten en verkeerstekens niet meer bedraagt dan 6 meter; d. de hoogte van kunstobjecten niet meer bedraagt dan 6 meter; e.

de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 3 meter.

Artikel 7

Tuin

7.1 Functieomschrijving Een locatie die is aangewezen als 'Tuin' heeft de volgende functies: a. tuinen en erven; met bijbehorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde en werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden. 7.2 Bouwregels 7.2.1 Erkers bij hoofdgebouwen Uitsluitend uitbouwen in de vorm van erkers bij de hoofdgebouwen van de op de aangrenzende gronden gelegen woningen mogen worden gebouwd, mits: a. de horizontale diepte maximaal 1,25 m bedraagt;

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

73

b. c. d. e.

de diepte van de overblijvende, niet met gebouwen bebouwde gronden minimaal 2 m bedraagt; de breedte maximaal 60% van de breedte van de gevel waaraan de erker is gebouwd, bedraagt; de oppervlakte van een erker maximaal 6 m2 bedraagt; de goothoogte maximaal de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw bedraagt.

7.2.2 Overkappingen In aanvulling op het bepaalde in artikel 7.2.1 mogen bij de hoofdgebouwen van de op de aangrenzende gronden gelegen woningen overkappingen worden gebouwd met dien verstande dat: a. overkappingen zijn toegestaan tot 1,25 vóór de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw van de op de aangrenzende gronden gelegen woning; b. de goothoogte bedraagt maximaal 3 m en de bouwhoogte bedraagt maximaal 5 m. 7.2.3 Maximale oppervlakte De oppervlakten van erkers en overkappingen zoals opgenomen in de artikelen 7.2.1 en 7.2.2 tellen mee voor de oppervlakten en het bebouwingspercentage zoals opgenomen in artikel 9.2.3 onder e. 7.2.4 Bouwwerken geen gebouwen zijnde De bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde, niet zijnde overkappingen, bedraagt maximaal: a. 4 meter voor pergola's en tuinmeubilair; b. 1 meter voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Artikel 8

Verkeer

8.1 Functieomschrijving In het voor 'Verkeer' aangewezen gebied is toegestaan het aanleggen, in gebruik nemen en in stand houden van: a. wegen en straten en paden; b. een ontsluiting van het terrein, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting'; c. wandel- en fietspaden; d. groenvoorzieningen; e. nutsvoorzieningen; f. parkeervoorzieningen; g. speelvoorzieningen; h. water(berging) en waterhuishoudkundige voorzieningen; en i. daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met inbegrip van ondergrondse containers. 8.2 Bouwregels 8.2.1 Algemeen De gronden mogen niet worden bebouwd, met uitzondering van gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 8.2.2 Gebouwen In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het plan mogen gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen worden gebouwd als: a. de oppervlakte van gebouwen niet meer bedraagt dan 30 m2; b. de bouwhoogte van gebouwen niet meer bedraagt dan 3 meter.

74

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

8.2.3 Bouwwerken geen gebouwen zijnde In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het plan mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd als: a. de oppervlakte van bouwwerk, geen gebouw zijnde, niet meer bedraagt dan 30 m 2; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 3 meter.

Artikel 9

Wonen

9.1 Functieomschrijving In het voor 'Wonen' aangewezen gebied zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan: a. wonen, al dan niet in combinatie met het uitoefenen van een beroep of kleinschalige bedrijfsactiviteit aan huis; b. parkeren op eigen terrein. 9.2 Bouwregels 9.2.1 Algemeen a. Het is niet toegestaan om een bodemgevoelig gebouw te bouwen als de kwaliteit van de bodem niet voldoet aan de grenswaarden zoals opgenomen in bijlage IIa bij het Besluit activiteiten leefomgeving. b. Bij toepassing van artikel 22.36 van het plan bedraagt de oppervlakte van een bodemgevoelig bijbehorend bouwwerk niet meer dan 50 m2. 9.2.2 Hoofdgebouwen In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het plan mogen hoofdgebouwen worden gebouwd als: a. het hoofdgebouw wordt gebouwd binnen het bouwvlak; b. de goothoogte van een hoofdgebouw niet meer bedraagt dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' aangegeven goothoogte; c. de bouwhoogte van een hoofdgebouw niet meer bedraagt dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte; d. het aantal hoofdgebouwen binnen een bouwvlak niet meer bedraagt dan het ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' aangegeven aantal; e. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' sprake is van aaneengebouwde hoofdgebouwen; f.

ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' sprake is van gestapelde hoofdgebouwen; g. de afstand binnen het bouwvlak tussen twee niet aaneengebouwde hoofdgebouwen tot aan de onderlinge zijdelingse perceelgrens niet minder bedraagt dan 3 meter, of niet minder dan de bestaande afstand indien die kleiner is dan 3 meter; h. de voorgelvel van het hoofdgebouw moet worden gesitueerd in de voorgevelrooilijn of op een afstand van niet meer dan 2 meter daarachter. 9.2.3 Bijbehorende bouwwerken in het voorerfgebied van een gebouwerf In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het plan zijn in het voorerfgebied van het hoofdgebouw geen bijbehorende bouwwerken toegestaan, met uitzondering van een erker, een ingangspartij en een droogstand als: i. de gezamenlijke diepte ten hoogste 30% bedraagt van de kortste afstand tussen de betreffende gevel en de perceelgrens evenwijdig aan die gevel, met een maximum van 1,5 meter; j. de afstand tot de zijdelingse perceelgrens van een erker en ingangspartij niet minder bedraagt dan 1 meter; k. de gezamenlijke breedte niet meer bedraagt dan 3/5 van de breedte van de betreffende gevel, waarbij een erker tot 1,5 meter breder dan de breedte van die gevel mag zijn; l. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3,25 meter.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

75

9.2.4 Bijbehorende bouwwerken in het zijerfgebied van een gebouwerf In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het plan mogen bijbehorende bouwwerken uitsluitend in het zijerfgebied van het oorspronkelijk hoofdgebouw worden gebouwd als: a. de bijbehorende bouwwerken worden gebouwd achter de voorgevel en/of het verlengde daarvan; b. de gezamenlijke oppervlakte niet meer bedraagt dan 10 m2; c. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3,25 meter. 9.2.5 Bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied van het gebouwerf In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het plan mogen bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied van het hoofdgebouw worden gebouwd als: a. de goothoogte niet meer bedraagt dan 3,25 meter; b. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 5 meter; c. de gezamenlijke oppervlakte (inclusief overkappingen) niet meer dan 50% bedraagt van de oppervlakte van het gebouwerf, uitgezonderd de gronden van het hoofdgebouw en het voorerfgebied; d. onverminderd het bepaalde onder c mag de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken (exclusief overkappingen) bij elke woning niet meer bedragen dan: 1. 60 m2 bij percelen met een oppervlakte tot 1.000 m 2; 2. 100 m2 bij percelen met een oppervlakte vanaf 1.000 m2.

9.2.6 Bouwwerken geen gebouwen zijnde In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het plan mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd als: a. de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd in, danwel achter, (het verlengde van) de voorgevel van de woning; b. de bouwhoogte van pergola's niet meer bedraagt dan 3 meter; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 2 meter. 9.2.7 Specifieke bouwregels Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gezamenlijk geluid (dB-59) is het gezamenlijke geluid zoals bedoeld in artikel 4.103 van het Besluit bouwwerken leefomgeving vastgesteld op de aangegeven waarde. 9.3 Aanwijzing vergunningplichtige activiteit 9.3.1 Bouwen buiten het bouwvlak Het is verboden om zonder omgevingsvergunning af te wijken van de ligging in het bouwvlak zoals bedoeld in sublid 9.2.2 onder a. 9.3.2 Afwijkende goot- en/of bouwhoogte Het is verboden om zonder omgevingsvergunning af te wijken van de maximale goot- en/of bouwhoogte zoals bedoeld in sublid 9.2.2 onder b of c. 9.4 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteit 9.4.1 Bouwen buiten het bouwvlak De omgevingsvergunning als bedoeld in sublid 9.3.1 wordt alleen verleend als: a. het een nieuwbouwwoning betreft; b. sprake is van een zeer complex kavel qua ligging en vorm; c.

de uitbreiding is gesitueerd aan een zijde die niet naar een ander woonperceel is gericht; d. vanuit de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit positief is geadviseerd en vanuit stedenbouwkundig oogpunt een acceptabel beeld ontstaat;

76

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

e. f.

de belangen van belendende kavels niet onevenredig wordt aangetast ten opzicht van de mogelijkheid die het omgevingsplan biedt; het totaal aan oppervlakte wat buiten het bouwvlak komt te liggen de maximale toegestane oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij woningen niet overschrijdt.

9.4.2 Afwijkende goot- en/of bouwhoogte De omgevingsvergunning als bedoeld in sublid 9.3.2 wordt alleen verleend als: a. het een nieuwbouwwoning betreft; b. het een hoofdgebouw betreft met twee bouwlagen en een kap, met een dakhelling van ten minste 45º; c. de goothoogte maximaal 6 meter bedraagt; d. de bouwhoogte maximaal 11 meter bedraagt; e. de afwijkende goot- en/of bouwhoogte aansluit bij de toegestane goot- en/of bouwhoogte van omliggende bebouwing; f. vanuit de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit én Stedenbouw positief is geadviseerd. 9.5 Specifieke functieregels 9.5.1 Uitoefenen van beroep of kleinschalige bedrijfsactiviteit De uitoefening van een beroep of kleinschalige bedrijfsactiviteit als bedoeld in lid 9.1 is toegestaan met dien verstande dat: a. uitsluitend een bedrijfsactiviteit van milieucategorie 1 is toegestaan zoals staat opgenomen in Bijlage 1 (Staat van bedrijfsactiviteiten), of een naar zijn aard en omvang daarmee gelijk te stellen activiteit; b. horeca, detailhandel of groothandel niet is toegestaan; c.

de gezamenlijke bruto vloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van een beroep of kleinschalige bedrijfsactiviteit binnen een woning en de bijbehorende bouwwerken, in voorkomend geval samen met de bruto vloeroppervlakte ten behoeve van een beroep niet meer bedraagt dan 30% van de totale bruto vloeroppervlakte van de betreffende woning en de bijbehorende bouwwerken maar in ieder geval niet meer dan 75 m²; d. geen buitenopslag van goederen ten behoeve van een beroep of kleinschalige bedrijfsactiviteit op de bij de betreffende woning behorende gronden plaatsvindt; e. in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk mag optreden, met dien verstande dat het parkeren ten behoeve van een beroep of kleinschalige bedrijfsactiviteit zoveel mogelijk op eigen terrein plaatsvindt; f. behoudens in- en uitladen, geen activiteiten in de openbare ruimte rond de betreffende woning mogen plaatsvinden; g. het beroep of de kleinschalige bedrijfsactiviteit moet worden uitgeoefend door een bewoner (ingeschreven in de Basisregistratie Personen) van de betreffende woning; h. per woning maximaal twee personen ieder een eigen beroep of kleinschalige bedrijfsactiviteit mogen uitoefenen; i. per beroep of kleinschalige bedrijfsactiviteit maximaal 1 personeelslid in dienst mag zijn naast de bewoner van de betreffende woning; j.

reclame-uitingen moeten voldoen aan hetgeen gesteld is in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet in samenhang met artikel 7.2.1 van de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Zevenaar 2024; en k. een bed & breakfast (B&B) indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: 1. De woonfunctie blijft als primaire functie behouden en herkenbaar. De activiteiten zijn kleischalig van omvang en passen bij de kwaliteit en de schaal van de hoofdfunctie. 2. Ten behoeve van de B&B mag 30% van de totale bruto-oppervlakte van de betreffende woningen en de daarbij behorende bouwwerken gebruikt worden, met een maximum van 75 m². Hierbij worden de ruimte die gemeenschappelijk worden gebruikt buiten beschouwen gelaten.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

77

3. 4. 5. 6.

7. 8. 9.

In verband met de brandveiligheid mag aan maximaal 4 personen bedrijfsmatig nachtverblijf worden aangeboden. Voor 5 of meer personen moet men een melding brandveilig gebruik indienen. De B&B-voorziening moet binnen de bestaande of toegestane woonbebouwing en de daarbij behorende aan-, uit-, en bijgebouwen gerealiseerd worden. De B&B activiteiten worden door de hoofdbewoner uitgeoefend; tijdens het nachtverblijf is de hoofdbewoner in de bijbehorende woning aanwezig. De activiteiten mogen geen ernstige c.q. onevenredige hinder voor het woonmilieu opleveren en geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de omgeving (waaronder de volgens het bestemmingsplan gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen. De voorziening mag door de bouwkundige opzet, indeling en maatvoering niet functioneren als een zelfstandige woningen. Een aparte kookgelegenheid is niet toegestaan. Een naamsaanduiding mag alleen in zeer bescheiden vorm op de gevel aanwezig zijn; voor de afmetingen wordt aansluiting gezocht bij de vastgestelde nota Ruimtelijke Kwaliteit. Het parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zevenaar&id=5955366b-9023-4def-9b10-cba0baa9a929