CConstaterende datZevenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. 1254283 - TAM-omgevingsplan Hoogeweg Pannerden - toelichting en regels

Raadsvergaderingen 2022-2026 25 juni 2025, gemeente ZevenaarBij agendapunt: Z/24/481397 Gewijzigde vaststelling TAM-omgevingsplan 'Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden'19.026 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden Wijziging omgevingsplan - gemeente Zevenaar

COLOFON Gegevens over het plan: Plannaam: Identificatienummer: Status: Datum: Projectnummer Buro SRO:

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden NL.IMRO.0299.BP12HOOGEWEG-VA01 Vastgesteld 22 april 2025 01.60.01

Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever: Contactpersoon opdrachtgever:

Woonstichting Vryleve Dhr. E. Wanders

Gegevens Buro SRO: Projectleider Buro SRO: Bezoekadres vestiging Arnhem: Telefoon: E-mail: Internet:

Mevr. L. Brouwer Sweerts de Landasstraat 50, 6814 DG te Arnhem 026 – 35 23 125 arnhem@buro-sro.nl www.buro-sro.nl

2

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

Inhoudsopgave Vaststellingsbesluit

5

Motivering

5

Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 Hoofdstuk 5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 Hoofdstuk 6 6.1 6.2

Inleiding Aanleiding voor het initiatief Ligging plangebied TAM-IMRO Leeswijzer Planbeschrijving Aanleiding Huidige situatie Toekomstige situatie Beleid en regelgeving Rijksbeleid en rijksregels Provinciaal beleid en provinciale regels Regionaal beleid Gemeentelijk beleid Veilige en gezonde leefomgeving Weging van het waterbelang Activiteiten en milieuzonering Bodem Luchtkwaliteit Geur Geluid Omgevingsveiligheid Trilling Gewasbeschermingsmiddelen M.e.r.-beoordeling Conclusie veilige en gezonde leefomgeving Goede omgevingskwaliteit Zorgvuldig ruimtegebruik Archeologie, cultuurhistorie en landschap Ecologie Verkeer en parkeren Duurzaamheid en klimaatadaptatie Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid Participatie Kostenverhaal

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

9 9 9 10 10 11 11 12 13 16 16 17 19 20 23 23 25 26 27 28 29 31 33 33 34 35 36 36 36 37 39 40 41 41 41

3

Bijlagen bij de motivering

43

Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10

45 47 49 51 53 55 57 59 61 63

Schetsontwerp Digitale watertoets Berekening bergingscapaciteit Bodemonderzoek Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Archeologisch onderzoek Quickscan Natuur Voortoets stikstofdepositie Verslag omgevingsdialoog Nota van Zienswijzen en Wijzigingen

Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Hoofdstuk 2 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Hoofdstuk 3 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Hoofdstuk 4 Artikel 13

65 Inleidende regels Begripsbepalingen Toepassingsbereik Meet- en rekenbepalingen Aanvraagvereisten Algemeen gebruiks- en bouwverbod Regels voor functies en activiteiten Groen Tuin Verkeer Wonen Algemene regels Algemene bouwregels Anti-dubbeltelregel Overige regels Overgangsregels Overgangsrecht

67 67 70 71 72 72 73 73 73 74 75 79 79 79 79 81 81

Bijlagen bij de regels

83

Bijlage 1

85

4

Staat van Bedrijfsactiviteiten

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

Vaststellingsbesluit

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

5

6

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

7

8

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding voor het initiatief

Woonstichting Vryleve is voornemens om 42 woningen te realiseren op een onbebouwd perceel aan de Hoogeweg in Pannerden. In januari 2024 heeft het college besloten om in te stemmen met het principeverzoek om medewerking te verlenen aan het initiatief. Omdat deze ontwikkeling niet past in het omgevingsplan van de gemeente Zevenaar dat sinds de invoering van de Omgevingswet per 01-01-2024 van kracht is (voorheen: het bestemmingsplan), maar dit initiatief wel wenselijk is, wordt middels voorliggende wijziging van het omgevingsplan (middels TAM-IMRO) medewerking verleend aan de voorgenomen activiteit. In dit document wordt toegelicht waarom er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties conform de Omgevingswet. Behalve het mogelijk maken van de nieuwe woningen wordt dit initiatief aangegrepen om de functies van de woongronden aan de noordkant van het projectgebied planologisch in lijn te brengen met de feitelijke situatie.

1.2

Ligging plangebied

Het projectgebied is gelegen aan de Hoogeweg in het noordelijk deel van de kern Pannerden. Het perceel staat kadastraal bekend als [gemeente Zevenaar, sectie B, nummer 3317]. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

Globale ligging plangebied in omgeving (bron: OpenStreetMap)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

9

1.3

TAM-IMRO

Het TAM-IMRO omgevingsplan is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) die kan worden gebruikt in de periode dat onderdelen van het DSO nog niet (optimaal) werken of gebruikt kunnen worden omdat de plansoftware van de gemeente nog niet alle benodigde functies biedt of omdat er te weinig tijd is geweest om ermee te oefenen. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de techniek voor planvorming zoals gebruikt onder de Wet ruimtelijke ordening (inmiddels vervallen) tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening Ruimtelijkeplannen.nl. Een TAM-IMRO omgevingsplan wordt alleen gebruikt om een ontwikkeling mogelijk te maken als niet van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA, betreft een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan en niet vergunningsvrij voor bouwen is) gebruik gemaakt kan worden. In hoofdstuk 2 wordt hierop nader ingegaan. Juridisch gezien is een TAM-IMRO plan aan te merken als een wijziging van het omgevingsplan en moet daarom ook voldoen aan de eisen van de Omgevingswet. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan gaat juridisch één geheel vormen met het gemeentelijke omgevingsplan. Dit TAM-IMRO omgevingsplan wordt als een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan gevoegd.

1.4

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk is in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 is het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Tot slot gaat hoofdstuk 5 in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van overleg en zienswijzen zijn opgenomen.

10

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Aanleiding

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief. Deze ontwikkeling is niet rechtstreeks mogelijk op grond van het omgevingsplan en in het omgevingsplan is geen binnenplanse mogelijkheid opgenomen om met een omgevingsvergunning af te wijken. Ook is een buitenplanse omgevingsplanactiviteit niet toereikend. Het betreft een plan op hoofdlijnen, wat mogelijk gefaseerd tot uitvoering komt. De gemeente Zevenaar wil daarom medewerking verlenen aan de ontwikkeling door een wijziging van het omgevingsplan. Aan een dergelijke wijziging kan alleen medewerking worden verleend als deze in ieder geval voldoet aan:  de doelen van de Omgevingswet (zie artikel 1.3 en 2.1, lid 1, Omgevingswet)  de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (zie artikel 4.2, Omgevingswet)  de instructieregels over het omgevingsplan uit hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)  de instructieregels over het omgevingsplan uit de omgevingsverordening van Provincie Gelderland  de instructies (instructiebesluiten) van Rijk en van Provincie Gelderland over het omgevingsplan De onderbouwing dat de beoogde ontwikkeling hieraan voldoet is opgenomen in voorliggend document.

Daar waar in dit document gesproken wordt over de wijziging van het omgevingsplan, wordt bedoeld de wijziging van het omgevingsplan met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel op basis van de IMRO-standaard.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

11

2.2

Huidige situatie

Het perceel is gelegen in de bebouwde kom van Pannerden en wordt globaal omsloten door de gronden van woningen en een bedrijf aan de Groenestraat (noord en west), de Hoogeweg (oost) en graslanden/agrarische gronden (zuid). In de directe omgeving van het projectgebied bevinden zich in de kern Pannerden voornamelijk woningen en verder richting het buitengebied bevinden zich naast woningen voornamelijk agrarische gronden. Het projectgebied betreft in de huidige situatie voornamelijk uit een onbebouwd grasland. Daarnaast maakt een gedeelte van de tuinen van de woningen aan de Groenestraat onderdeel uit van het projectgebied. De navolgende afbeelding toont een luchtfoto van de huidige situatie.

Luchtfoto van het projectgebied waarbij het projectgebied rood is omkaderd (bron: Pdok)

12

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

2.3

Toekomstige situatie

De initiatiefnemer is voornemens om in totaal 42 woningen in het plangebied te realiseren. Het programma bestaat uit verschillende woningtypen, verdeeld over meerdere 'blokken'. De onderstaande afbeelding toont een uitsnede van het schetsontwerp met daarin een impressie van de toekomstige situatie. Het volledige schetsontwerp is toegevoegd als bijlage 1.

Impressie toekomstige situatie

De woningen in blok 0 bevinden zich aan de westkant van het plangebied, waarna de bloknummers oplopen in oostelijke richting. De woningen in blok 0 betreffen 6 betaalbare koopwoningen. De overige woningen in voorliggend plan betreffen allen sociale huurwoningen. In blok 1 en 2 worden respectievelijk 6 en 7 grondgebonden woningen gerealiseerd. In blok 3 worden 5 grondgebonden gelijkvloerse woningen gerealiseerd. In blok 4 worden 5 levensloopbestendige woningen gerealiseerd met daarboven 5 bovenwoningen. In blok 5 worden 2 levensloopbestendige woningen met daarboven op de verdiepingen in totaal 6 appartementen. De onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal en het type woningen.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

13

De woningen worden via een toe te voegen inrit aan de noordoostkant van het projectgebied ontsloten via de Hoogeweg. Daarnaast wordt een calamiteitenuitweg via het parkeerterrein bij het appartementengebouw toegevoegd. In het plangebied worden in totaal 65 parkeerplaatsen in de openbare ruimte gerealiseerd. Zie voor een nadere onderbouwing van het parkeren paragraaf 5.4 Verkeer en parkeren. Ten behoeve van een goede bereikbaarheid van de woningen worden wegen en paden aangelegd. Tussen het plangebied en tuinen van de noordelijk gelegen woningen aan de Groenestraat wordt een groene buffer aangelegd. In het projectgebied worden tevens drie wadi's aangelegd ten behoeve van de waterberging. Hier wordt verder op ingegaan in paragraaf 4.1 Weging van het waterbelang. Woongronden Groenestraat 1, 1a, 1b en 3 Tevens maakt een gedeelte van de tuinen bij de woningen aan de Groenestraat 1, 1a, 1b en 3 onderdeel uit van het projectgebied. Deze gronden hebben in de vigerende planologische situatie (zie paragraaf 3.4.3) een agrarische bestemming, maar zijn in het verleden vergund om gebruikt te mogen worden voor woondoeleinden. Onderhavig initiatief voorziet in het planologisch vastleggen van deze rechten, zodat de planologische situatie aansluit bij de feitelijke situatie. Ruimtelijk treden geen veranderingen op als het gevolg van deze planologische wijziging.

14

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

2.3.1 Beeldkwaliteit Ten aanzien van de uitwerking van de bouwvolumes wordt aansluiting gezocht bij de kleinschalige dorpse setting met ruimte voor variatie binnen de bouwblokken. Voor de opgenomen rijbebouwing is de inzet er wel op gericht dat deze samenhang vertonen in de uitwerking en daarmee een rustig bebouwingsbeeld opleveren. Het volume aan de Hoogeweg is als op zichzelf staand volume te beschouwen waarbij een meer eigen vormgeving mogelijk is. De grondgebonden woningen in het middengebied hebben in de basis heldere hoofdvolumes met duidelijke kapvormen. Bouwvolumes tot twee bouwlagen afgedekt met al dan niet symmetrische zadeldaken vormen hierbij het uitgangspunt en bepalen het bebouwingsbeeld. In het geval van rijen van meer dan vier woningen dient met een duidelijke verbijzondering binnen het hoofdvolume een monotoon bebouwingsbeeld voorkomen te worden. Dit kan bijvoorbeeld door wisselingen in de kaprichting, toevoegen van topgevels of verspringingen in de voorgevel. In de architectonische uitwerking wordt ingezet op een net uitgewerkt architectuurbeeld met aandacht voor de individuele uitstraling van woningen en hoogwaardig materiaalgebruik. Zowel meer traditionele als eigentijdse architectuur is hierbij in de basis mogelijk, waarbij de woningen zich ondanks de verschillen wel goed moeten verhouden ten opzichte van omliggende bebouwing.

Eventuele mogelijkheden voor aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt aan de hoofdvolumes en worden in samenhang mee-ontworpen. Voor de woningen vormt een sprekende gevelsteen of steenstrips met gelijkwaardige uitstraling de basis. Hierbij is het brede spectrum van aardtinten uitgangspunt, desgewenst aangevuld met wit gekleurde geveldelen als contrastvlakken binnen de gevels. Een lichtere tint heeft vanuit temperatuurbeheersing de voorkeur. In de detaillering van de gevels is ondergeschikte toepassing van andere materialen zoals hout in principe het uitgangspunt. Alle gangbare, toekomstbestendige materialen met hoogwaardige uitstraling voor kozijnen, ramen en deuren zijn in principe mogelijk. Voor de daken wordt uitgegaan van antracietzwarte matte dakpannen. Bij voorkeur gebakken, maar in uitstraling en duurzaamheid gelijkwaardige betonproducten zijn bespreekbaar. Voor de platte dakdelen ligt de voorkeur bij groene daken.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

15

Hoofdstuk 3

Beleid en regelgeving

In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan beleid en regelgeving. Er wordt ingegaan op geldend beleid en regelgeving op Rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk niveau. Vervolgens wordt het beoogde initiatief daaraan getoetst.

3.1

Rijksbeleid en rijksregels

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Per januari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. De NOVI is vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt deze omgevingsvisie ook als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet. Gebiedsgericht De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang.

Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. 3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden en heeft geen directe uitwerking op de fysieke leefomgeving. Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in een Omgevingsplan of bij het vergunnen van een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit moeten de verschillende instructieregels en geformuleerde omgevingswaarden in acht genomen worden. Het gaat hierbij over de instructieregels met het oog op: 1. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; 2. Het behoud van werelderfgoed en cultureel erfgoed; 3. Natuurbescherming. Daarnaast gaat het om de volgende omgevingswaarden 4. Veiligheid primaire waterkeringen; 5. Veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk; 6. Kwaliteit van de buitenlucht;

16

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

7. 8.

Waterkwaliteit; Kwaliteit van de zwemlocatie.

Artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. 3.1.3 Toetsing van het initiatief aan het rijksbeleid Het plangebied ligt niet in één van de aangewezen beschermde gebieden uit de NOVI of het Bkl. Het initiatief heeft daarmee op voorhand geen effect op één of meerdere aspecten met een nationaal ruimtelijk belang. Het initiatief voorziet in het toevoegen van 42 woningen en is daarmee aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking wordt om die reden doorlopen: Behoefte Onderhavig initiatief is getoetst aan het regionale (3.3) en gemeentelijke woonbeleid (3.4.2). Uit de motivering bij de genoemde paragrafen blijkt dat naar de toe te voegen woningen voldoende behoefte is. Dit geldt in zowel kwalitatieve als kwantitatieve zin.

Daarmee is dit onderdeel van de ladder succesvol doorlopen. Locatie Het plangebied is gelegen in / aan de rand van de bebouwde kom van Pannerden. Direct ten noorden en ten oosten van het plangebied bevinden zich reeds woningen. Gelet op de ligging ten opzichte van bestaande bebouwing kan de locatie beschouwd worden als een inbreidingslocatie. Andere locaties binnen de kern Pannerden zijn niet direct voorhanden om te voorzien in de behoefte en het aantal woningen. Daarmee is de locatie geschikt voor de voorgenomen ontwikkeling en is de ladder voor duurzame verstedelijking succesvol doorlopen. De toetsing aan de eventueel van toepassing zijnde omgevingswaarden vindt plaats in hoofdstuk 4.

3.2

Provinciaal beleid en provinciale regels

3.2.1 Provinciale omgevingsvisie Omgevingsvisie Gaaf Gelderland In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. De visie integreert een vijftal beleidsterreinen: ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld welke de afgelopen jaren op onderdelen is geactualiseerd. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen. De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. Deze ambities worden hieronder kort samengevat:

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

17

Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten;  Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid;  Een voortvarend en innovatief circulair beleid;  Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit;  Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag;  Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat;  Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Naast deze zeven ambities blijft het beleid uit de Omgevingsvisie uit 2014 gelden. Het gaat om de aanwijzing van functies van regionale oppervlaktewateren, van gebieden waar milieukwaliteit bijzondere bescherming behoeft, van Natura 2000-gebieden en van bijzondere natuurgebieden. 3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van instructieregels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen uit het Bkl.

Klimaatadaptatie De provinciale omgevingsverordening die op 1 februari 2022 van kracht is geworden bevat de instructieregel klimaatadaptie (2.65b). Voor zover een plan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van deze instructieregel de toelichting een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. In paragraaf 5.5 is invulling gegeven aan de wijze waarop in dit plan is omgegaan met het voorkomen en/of beperken van de risico's van klimaatverandering. 3.2.3 Toetsing van het initiatief aan het provinciale beleid Navolgend wordt het initiatief getoetst aan de relevante thema's uit het provinciale beleid: Landschap Het plangebied is gelegen binnen het landschap 'Gelderse streek Liemers'. Op grond van de verordening (art. 5.40) dient bij een nieuwe ontwikkeling rekening te worden gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen. De Liemers betreft ene Oude landstreek tussen Rijn, Pannerdens kanaal, IJssel en Oude IJssel. Het is een overwegend open landschap met rivieren, uiterwaarden of rivierweiden, rivierduinen, kleinschalige oeverwallen en open komgronden.

De projectlocatie ligt tegen de bebouwde kom van Pannerden, omgeven door reeds bestaande bebouwing. Ter plaatse van het plangebied zijn geen kernkwaliteiten specifiek aanwezig. De ontwikkeling vindt daarmee plaats op een locatie waar geen afbreuk aan het bestaande landschap gedaan wordt. Bestaande structuren en elementen blijven met het plan behouden. Wonen Het initiatief voorziet in het toevoegen van nieuwe woningen en dient daarom te passen binnen de regionale woonagenda op grond van art. 5.64 uit de verordening. In paragraaf 3.3.3 is hieraan getoetst. Uit de motivering blijkt dat het initiatief binnen de regionale woonambities past. Conclusie De activiteit past binnen het beleid en regels van de provincie Gelderland.

18

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

3.3

Regionaal beleid

3.3.1 Woondeal 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen Het beleid van de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen is gericht op het fysieke domein. De organisatie onderscheidt vijf verschillende opgaven, waaronder ook de opgave 'Groene groeiregio'. De regio kent een grote (verstedelijkings-)opgave en een tekort aan woningen. Het doel van deze opgave is het terugbrengen van dit woningentekort. Ook staat het bieden van voldoende (betaalbare) woningen op de agenda. Balans tussen stedelijke ontwikkeling en leefbaarheid dient behouden te blijven. De GMR hanteert twee speerpunten voor deze opgave: 1. Wonen in balans: versnellen van de woningbouw; 2. Leefomgeving: verbinden van de ruimtelijke opgaven. Op 8 maart 2023 is de Woondeal regio Arnhem-Nijmegen geactualiseerd. Met de geactualiseerde Woondeal onderkennen partijen de grote woonopgave in de regio. De woondeal is een pakket met afspraken tussen gemeenten, provincie, rijk, corporaties en marktpartijen, waarmee samengewerkt wordt aan meer woningen en meer betaalbare woningen. Doel van deze woondeal is om tot een gezamenlijke inzet van instrumentarium en middelen te komen om opgaven op de woningmarkt op te pakken. De woondeal bevat een zestal kernafspraken, waar onder woningbouwopgave en versnelling en betaalbaarheid. De Woondeal 2.0 borduurt daarmee voort op de eerste Woondeal uit 2020.

In de woondeal zet conform de provinciaal bestuurlijke afspraken in op de bouw van minimaal 33.000 woningen tot en met 2030. En richting 2040 zo'n 55.000 woningen. Dit betekent een ophoging van de woningproductie van 3.300 naar zo'n 3.700 woningen per jaar; onder andere door inzet op flexwoningen en ruimte voor alternatieve woonvormen. Daarnaast wordt ingezet op het beter benutten van de bestaande voorraad als (onderbelichte) kans voor het verminderen van de woningnood en het optimaal benutten van de gebouwde omgeving bij de groei van het aantal kleinere huishoudens, als kans voor het vergroten van leefkwaliteit in bestaande wijken, én voor het realiseren van de ambities van de verstedelijkingsstrategie 'meer landschap meer stad'. 3.3.2 Liemerse Woonagenda 2020-2025 In 2020 is de subregionale woonagenda geactualiseerd. De uitgangspunten uit de Liemerse Woonagenda zijn nog steeds relevant, al is er op een aantal punten een accentverschuiving. Zo wordt nu vooral gekeken naar de kwaliteiten van het plan en naar de toegevoegde waarden van het plan op lokale en/of (sub)regionale behoefte en is afgestapt van harde afspraken over het aantal te bouwen woningen. Bovendien is de afgelopen jaren gewerkt aan een beter inzicht in vraag en aanbod in de Liemers.

Op basis van het regionale woningmarktonderzoek 2019 Arnhem- Nijmegen zijn de belangrijkste opgaven:  Voorkomen dat het woningtekort verder oploopt inde Liemers  Ruimte voor nieuwe woningbouwlocaties  Behoefte aan betaalbaar wonen. Door de accentverschuiving zijn de uitgangspunten herijkt en zijn er zes punten geformuleerd in plaats van zeven. Parallel aan de Liemerse Woonagenda wordt in de Regio Arnhem Nijmegen ook samengewerkt aan de Woondeal. Die zal op een aantal punten helpen bij het uitvoeren van de opgaven en uitgangspunten die in de Liemerse Woonagenda zijn geformuleerd. De toevoeging van woningen (en uitbreiding van de woningvoorraad) is noodzakelijk om de woningvraag als gevolg van de toename van het aantal huishoudens te kunnen faciliteren. Ten opzichte van 2017 ligt het accent nu sterk op de oplopende woningtekorten en de betaalbaarheid van woningen voor middeninkomensgroepen. Volgens het woningbehoefteonderzoek zou tot 2025 bijna de helft van het woningbouwprogramma moeten bestaan uit betaalbare koopwoningen. Daarnaast geeft het onderzoek aan dat er vanuit de middeninkomens ook behoefte is aan vrije sector huurwoningen in de middenhuur.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

19

3.3.3 Toetsing van het initiatief aan het regionale beleid Voorliggend initiatief betreft het realiseren van 42 nieuwe woningen in de kern Pannerden. Hiervan betreffen 6 woningen betaalbare koopwoningen en 36 woningen sociale huurwoningen. Dit leidt tot een vergroting van het aanbod van dit type woningen in de regio. Het plan levert hiermee een bijdrage aan de kwantitatieve en kwalitatieve woonbehoefte in de regio, zoals gesteld in de Woondeal 2.0 en de Liemerse Woonagenda. Het initiatief is daarmee passend binnen het regionale beleid.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie Gelders Eiland 2030 Het plangebied maakte tot begin 2018 deel uit van de voormalige gemeente Rijnwaarden. Voor deze gronden is de destijds vastgestelde 'Omgevingsvisie Gelders Eiland 2030' van toepassing. Deze visie is op 25 april 2017 vastgesteld. De Omgevingsvisie is een integrale visie, die na uitgebreide participatie is vormgegeven. De visie geeft geen eindbeeld, maar omschrijft de kernwaarden en kansen voor het gebied. Initiatieven moeten passen binnen deze kernwaarden of deze versterken. Hierbij passen minder regels en meer maatwerk. Binnen de Omgevingsvisie gelden vier hoofdthema's met toelichting en doelen. Deze zijn op hoofdpunten beschreven, zodat flexibiliteit ontstaat en ruimte blijft bestaan om onverwachte ontwikkelingen ruimte te bieden. Planspecifiek Eén van de doelen voor de ambitie 'Een mooi Gelders Eiland' betreft het bouwen van woningen hoofdzakelijk in de dorpen. De gemeente legt een sterk accent op betaalbare woningen voor kleine huishoudens in de huursector en op woningen voor ouderen. De corporatie is hierbij een belangrijke partner. Het toevoegen van sociale huurwoningen nabij het hart van Pannerden is daarmee passend binnen deze ambitie. De toe te voegen woningen bevinden zich op loop- en fietsafstand van de dagelijkse voorzieningen en dragen daarmee tevens bij aan de wensen op het gebied van leefbaarheid.

Het initiatief past daarmee binnen de Omgevingsvisie Gelders Eiland. 3.4.2 Woonvisie gemeente Zevenaar 2015-2025 In de Woonvisie Zevenaar is de koers van de gemeente tot 2025 bepaald. Naast het visiedeel is er een uitvoeringsprogramma waarin is vastgelegd hoe de gemeente dit vorm gaat geven in de komende vier jaar. Het uitvoeringsprogramma wordt iedere 4 jaar bekeken en indien nodig bijgesteld. De gemeente blijft zich inzetten om een jonge populatie en hogere inkomensgroepen aan zich te binden. Dat is goed voor de lokale economie en noodzakelijk om voldoende draagvlak te behouden voor de voorzieningen. Deze voorzieningen zijn belangrijk voor een prettige woonomgeving en om de leefbaarheid op peil te houden. In de nota wonen is aangegeven dat de gemeente heeft gekozen voor “Groeien in een veranderd perspectief”. Daarbij legt zij de focus op drie belangrijke opgaven:  Het aantrekkelijk houden van de bestaande woningvoorraad;  Het verbeteren van de positie van doelgroepen met een kwetsbare positie;  Bewaken dat de woningbouw aansluit bij de behoefte: om de potentiële groei maximaal op te vangen én tegelijkertijd het voorkomen van overaanbod. Bij de invulling van deze drie opgaven komt ook het beleid en ambitie rondom duurzaamheid, wonen en zorg, leefbaarheid en het ruimtelijk beleid aan bod.

Zevenaar blijft de centrumgemeente in de Liemers en biedt met het woningbouwprogramma ruimte om te groeien. Naast voldoende woningaanbod is een transparante

20

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

woningmarkt, een goede bereikbaarheid, een aantrekkelijk voorzieningenaanbod en voldoende werkgelegenheid cruciaal om deze ambitie waar te kunnen maken. Planspecifiek Met voorliggend plan worden 42 nieuwe woningen gerealiseerd in de kern Pannerden, waaronder betaalbare koopwoningen en sociale huurwoningen. Het plan levert een bijdrage aan de kwantitatieve en kwalitatieve woonbehoefte voor dit type woningen in Pannerden en in de gemeente Zevenaar. Ook voldoen de woningen aan actuele normen op het gebied van duurzaamheid en wordt er rekening gehouden met thema's op het gebied van klimaatadaptief bouwen en mogelijkheden voor laadinfrastructuur. Hiermee wordt tevens een kwalitatieve bijdrage geleverd aan het woonaanbod in de gemeente Zevenaar. Het initiatief is daarmee passend binnen de Woonvisie. 3.4.3 Omgevingsplan Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan (archeologieverordening (artikel 38, Monumentenwet 1988), geurverordening (artikel 6, Wet geurhinder en veehouderij), verordening afvoer regen- en grondwater (artikel 10.32a, Wet milieubeheer), hogere waarde besluiten (artikel 110a, Wet geluidhinder), vastgestelde veiligheidscontouren (artikel 14, Besluit externe veiligheid inrichtingen) en de bruidsschat.

Hierna wordt per aspect de ontwikkeling getoetst op strijdigheden. Om te bepalen of het initiatief past binnen het omgevingsplan, wordt getoetst aan het voorheen geldende bestemmingsplan 'Pannerden' (vastgesteld op 2 oktober 2012) dat één op één is overgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Agrarisch'. Deze gronden zijn bestemd ten behoeve van de uitoefening van een agrarisch bedrijf en het bestaand aantal bedrijfswoningen. Daarnaast gelden, ten behoeve van de bescherming en het behoud van eventueel aanwezige archeologische resten, de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 4' en 'Waarde - Archeologische verwachting 5'. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de vigerende planologische situatie.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

21

Uitsnede vigerende planologische situatie (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Overige (paraplu)plannen Verder gelden ter plaatse van het plangebied:  'Paraplubestemmingsplan Wonen', vastgesteld op 18 december 2019;  'Paraplubestemmingsplan parkeren', vastgesteld op 30 januari 2019. Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan In de vigerende planologische situatie zijn geen bouw- of gebruiksmogelijkheden opgenomen voor het realiseren van 42 reguliere woningen. De gewenste ontwikkeling wordt daarom mogelijk gemaakt middels onderhavige wijziging omgevingsplan (TAM-IMRO). 3.4.4 Toetsing van het initiatief in relatie tot omgevingsplan De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente. De activiteit is echter in strijd met de regels van het omgevingsplan. Daarom wordt het omgevingsplan gewijzigd waarvoor onderhavige motivering is opgesteld.

22

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

Hoofdstuk 4

Veilige en gezonde leefomgeving

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze aangetoond wordt dat met de voorgenomen ontwikkeling een veilige en gezonde leefomgeving ontstaat en behouden blijft voor nu en in de toekomst.

4.1

Weging van het waterbelang

Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen, betrokken.

De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de omgevingswaarden ten aanzien van water zijn als volgt onderverdeeld:  Rijk: omgevingswaarden voor (1) waterkwaliteit, (2) zwemwaterkwaliteit, (3) veiligheid van primaire waterkeringen en (4) de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het rijk (2.15 Ow);  Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van (1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen die niet bij het rijk in beheer zijn en (2) de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop (niet bij het rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (2.13 Ow);  Gemeente: gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de eerdere, verplichte watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. In elk geval worden de wateraspecten beschreven en wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor het project moeten worden getroffen.

Over het initiatief wordt advies gevraagd aan de betrokken waterbeheerder. Beleid waterschap Rijn en IJssel Voor dit plan is het beleid van Waterschap Rijn en IJssel mede van belang. Waterschap Rijn en IJssel beschrijft in het Waterbeheerplan 2022-2027 het beleid voor alle taakgebieden van het waterschap. Het plan geeft aan welke doelen het waterschap nastreeft en met welke aanpak het waterschap deze doelen wil bereiken. Als gevolg van het veranderende klimaat heeft het waterschap de uitgangspunten voor de weging van het waterbelang geactualiseerd. De uitgangspunten in de uitgangspuntennotitie 'Water in ruimtelijke plannen' vormen het vertrekpunt voor het overleg tussen waterschap en initiatiefnemer en/of gemeente over de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en hun effect op het watersysteem, de waterketen en waterveiligheid. Hoofdpunten van verandering van de uitgangspunten zijn: de eisen ten aanzien van het tegengaan van wateroverlast; in de 'Uitgangspunten voor waterneutraal bouwen' worden de klimaatstatistieken van het KNMI als basis genomen voor de berekening van de bergingsopgave; uitbreiding van het beleid om meer water vast te houden tegen droogte en hitte. Met betrekking tot waterneutraal bouwen hanteert het waterschap Rijn en IJssel de volgende beslisboom:

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

23

De basisopgave kan omgerekend worden naar het benodigde volume voor waterberging. Voor dit volume dienen in het plangebied waterbergingsvoorzieningen met vertraagde afvoer naar het oppervlaktewater te worden gerealiseerd. Het benodigd waterbergingsvolume neemt evenredig toe met de toename van het verhard oppervlak. Hierbij wordt voor stedelijk gebied een maatgevende bui van 80 mm gehanteerd en voor landelijk gebied een maatgevende bui van 55 mm per uur. Hemelwaterverordening gemeente Zevenaar 2023 In de hemelwaterverordening van de gemeente Zevenaar worden regels gesteld over het bergen van afvloeiend hemelwater of grondwater op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater en over het beëindigen van het lozen van afvloeiend hemelwater en grondwater in een voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater. In de verordening zijn met het oog op het beperken van wateroverlast regels opgenomen over een verplichte waterbergingscapaciteit bij nieuwbouw. Voor de hemelwaterberging gelden bij nieuwbouw o.a. de volgende eisen: 1. Bij een toename van het bebouwd oppervlak tot maximaal 2.000 m² heeft de hemelwaterberging ten minste een capaciteit van 60 liter per m² bebouwd oppervlak. 2. Bij een toename van het bebouwd oppervlak vanaf 2.000 m² komt de bergingseis terug in de watertoets. 3.

De hemelwaterberging wordt zo ontworpen dat deze binnen 24 uur weer volledig beschikbaar is. Planspecifiek Watertoets Voor onderhavig plan is de digitale watertoets uitgevoerd. Deze is bijgevoegd in bijlage 2. Uit de watertoets komt naar voren dat binnen het plangebied geen (beschermingszones van) beschermde waterkeringen/watergangen gelegen zijn. Het doorlopen van een normale procedure is daarmee voor het plan voldoende. Hemelwater Uitgangspunt van het initiatief is dat hemelwater op eigen terrein wordt geborgen. Hiertoe worden in het plangebied wadi's toegevoegd. Ten behoeve van de bergingscapaciteit is een berekening uitgevoerd, welke is opgenomen in bijlage 3. Hieruit volgt dat, op basis van de toekomstige hoeveelheid verharding in het plangebied, een bergingscapaciteit van 249,4 m3 benodigd is. In het plangebied worden 3 wadi's aangelegd. Deze wadi's voorzien in een bergingscapaciteit van 359, 6 m3, waarmee ruimschoots aan de benodigde

24

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

capaciteit voldaan wordt. Op basis van het te verwachten oppervlak aan verharding kan worden geconcludeerd dat op het terrein meer dan voldoende ruimte aanwezig is om in de benodigde waterberging te voorzien. Afvalwater Voor de afvoer van het afvalwater worden aansluitingen gemaakt op de bestaande riolering in de omgeving van het plangebied. Hemelwater wordt gescheiden van het afvalwater. Conclusie Het aspect water levert geen belemmeringen op voor onderhavig initiatief.

4.2

Activiteiten en milieuzonering

Bedrijven (die activiteiten uitvoeren/ ondernemen) kunnen niet zomaar naast een gevoelige functie, zoals een woning, gerealiseerd worden. Ook andersom moet er zorgvuldig gemotiveerd worden dat een nieuwe woning bij bestaande bedrijven gerealiseerd kan worden. Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Ook zorgt dit ervoor dat (bestaande) bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. De publicatie “Bedrijven Milieuzonering” van de VNG is, zeker ook gezien jurisprudentie, een goed houvast hierbij. De in deze publicatie genoemde richtafstanden gelden voor gemiddelde situaties. Er kunnen omstandigheden zijn waarom er toch van een andere afstanden uitgegaan kan of moet worden. Op weg naar de inwerkingtreding van de Omgevingswet is door de VNG een nieuwe publicatie uitgegeven: Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2023. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieunormen. In de nieuwe systematiek wordt de toelating van activiteiten niet meer gekoppeld aan een bij de regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten met milieucategorieën.

Dit maakt het ook niet mogelijk de ontwikkeling van nieuwe gevoeligere objecten te toetsen aan bestaande bedrijven. Om die reden wordt voor de beoordeling van de omliggende activiteiten/ functies nog aangesloten bij de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Planspecifiek De toe te voegen woningen betreffen nieuwe milieugevoelige objecten. In de onderstaande tabel zijn de omliggende functies en de bijbehorende richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' weergegeven. Functie (adres)

Milieucategorie

Minimale richtafstand

Detailhandel (Hoogeweg 21, Pannerden) Hovenier > 500 m2 (Groenestraat 62, Pannerden)

1

10 m (geluid)

Feitelijke afstand tot plangebied ca. 35 m

3.1

50 m (geluid)

ca. 340 m

Uit voorgaande tabel is op te maken de genoemde functies in de omgeving zich op voldoende afstand bevinden tot het plangebied en dat er aan de richtafstanden wordt voldaan.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

25

Groenestraat 7 Daarnaast is aan de Groenestraat 7, ten noordwesten van het plangebied, een klussenbedrijf aan huis gevestigd. De activiteiten die bij dit bedrijf aan huis plaatsvinden hebben enkel betrekking op de opslag van materiaal. Gelet op de aard en kleinschaligheid van deze activiteit heeft dit bedrijf geen negatief effect op de omgeving ten aanzien van milieuzonering. De omgevingsvergunning uit 2016 voorziet enkel in deze activiteit bij de woning en staat daarmee geen activiteiten toe die tot belemmeringen leiden. Formeel kan zich op deze locatie een nieuw agrarisch bedrijf door het behoud van de agrarische bestemming. Dit bedrijf zal bij vestiging rekening moeten houden met de reeds bestaande woningen in de omgeving. Aan de Groeneweg 5 bevindt zich reeds een woning op een kortere afstand tot deze locatie dan de beoogde woningen uit onderhavig plan. Daarmee kan een eventuele vestiging van een nieuw bedrijf op deze locatie feitelijk niet leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Dit geldt ook met betrekking tot spuitzonering (zie paragraaf 4.9). Conclusie Daarmee wordt geconcludeerd dat, zowel planologisch als feitelijk, ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast worden met de ontwikkeling geen bedrijven of functies belemmerd in hun bedrijfsvoering.

Het aspect milieuzonering levert daarmee geen belemmeringen op voor het initiatief.

4.3

Bodem

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn er voor het aspect bodemkwaliteit instructieregels opgenomen in het Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;  de bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;  evenwichtig functies toe te delen aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;  de resterende historische verontreinigingen en aantastingen duurzaam en doelmatig te beheren. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast (bodemkwaliteitskaart) en neemt dit op in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Planspecifiek Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd als bijlage 4.

De belangrijkste conclusie van het verkennend bodemonderzoek is dat enkele licht verhoogde gehalten verontreinigingen zijn aangetoond in de grond en het grondwater. De aangetoonde gehalten zijn zodanig licht verhoogd dat de in het Omgevingsplan vastgelegde toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden. Het uitvoeren van aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of het treffen van sanerende of andere beschermende maatregelen zijn daarom niet noodzakelijk. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt wordt de locatie geschikt geacht voor het huidige en toekomstige (woon)gebruik.

26

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

4.4

Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl en zijn de 'omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit' opgenomen in paragraaf 2.2.1.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een resultaatverplichting;  het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. Niet in betekenende mate (NIBM) Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig.

Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10).

De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 (aandachtsgebieden voor zowel stikstofdioxide als fijnstof) en lid 3 (aandachtsgebieden voor fijnstof) Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 (aanwijzing agglomeraties richtlijn luchtkwaliteit en richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht) Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld:  bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit  bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt;  bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. Planspecifiek Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de gegevens van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Door de concentraties ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De volgende

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

27

concentraties komen naar voren ter plaatse van de receptor 51468751_15578309 (ten zuiden van het plangebied)

Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2020 (µg/m3) Grenswaarde concentratie (µg/m3)

NO2 (stikstofdioxide) 13,6 µg/m3

PM10 (fijnstof) 16,2 µg/m3

PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof) 9,0 µg/m3

40 µg/m3

40 µg/m3

25 µg/m3

De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. Bijdrage van het initiatief Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief (toevoegen 42 woningen) van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, vergelijkbaar met het toevoegen van 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof kan daarom achterwege blijven. Tevens ligt het plangebied niet binnen de genoemde aandachtsgebieden (artikel 5.51 luchtkwaliteit in aandachtsgebieden) voor stikstofdioxide en/of fijnstof.

4.5

Geur

In de regelgeving is bepaald dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw (artikel 5.91 Bkl) aanvaardbaar moet zijn (artikel 5.92, tweede lid, Bkl). In artikel 5.91 van het Bkl is de definitie van een geurgevoelig gebouw opgenomen. Het gaat dan in ieder geval om woningen, onderwijsinstellingen, gebouwen met gezondheidszorgfuncties en kinderopvang met bedgebied (wat inhoudt dat er slaapgelegenheid is). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente moet onder de Omgevingswet rekening houden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten. De activiteiten dienen te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over:  Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS);  Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS);  Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a.

het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS);  Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS). Voor geur zijn er voor dierenverblijven voor landbouwhuisdieren specifieke instructieregels waar de gemeente zich aan moet houden. In deze instructieregels zijn voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor, twee typen normen opgenomen: standaardwaarden en grenswaarden. In een omgevingsplan kan de gemeente afwijken van deze standaardwaarden, zolang dit onder de gestelde grenswaarden blijft.

28

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

Geurgevoelig gebouw Standaardwaarde Grenswaarde Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en 2,0 ouE/m3 8,0 ouE/m3 buiten een concentratiegebied Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en 3,0 ouE/m3 14,0 ouE/m3 binnen een concentratiegebied Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en 8,0 ouE/m3 20,0 ouE/m3 buiten een concentratiegebied Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en 14,0 ouE/m 35,0 ouE/m3 binnen een concentratiegebied Tabel Standaardwaarde en grenswaarde toelaatbare geur (ouE/m3 als 98-percentiel) door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en binnen en buiten de bebouwingscontour. Het onderscheid tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden valt terug te voeren op een verschil in de relatie tussen geurbelasting en geurhinder. Het RIVM geeft aan dat er geen gezondheidskundige grenswaarden zijn voor geurbelasting of geurhinder. Welk percentage door geur gehinderde omwonenden aanvaardbaar is, is een beleidsmatige keuze. Planspecifiek Voorliggend initiatief voorziet in het realiseren van woningen, welke aangemerkt kunnen worden als nieuwe geurgevoelige objecten. De dichtstbij gelegen veehouderij betreft een rundveehouderij aan de Aerdtsestraat 13 op circa 500 meter afstand ten zuidoosten van het plangebied.

De woningen bevinden zich daarmee op ruim voldoende afstand om geurhinder als gevolg van de activiteiten bij deze veehouderij uit te kunnen sluiten. In de omgeving van het plangebied zijn geen andere veehouderijen aanwezig die tot geurhinder kunnen leiden. Daarmee is een goed woon- en leefklimaat op het gebied van geur te waarborgen. Gelet op de afstand tot veehouderijen en de bestaande woningen die op kortere afstand liggen kan op voorhand eveneens worden uitgesloten dat het initiatief leidt tot belemmeringen in de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen.

4.6

Geluid

Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige functies. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen hoe om te gaan met geluid m.b.t. geluidgevoelige functies en stiltegebieden. Bij geluidgevoelige functies gaat het om gebouwen ten behoeve van functies zoals wonen, onderwijs of zorg. Voor andere gebouwen (functies) of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig functie die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid en staan in de volgende tabel. Geluidbronsoort Standaardwaarde, in dB. Grenswaarde, in dB. Rijks- en provinciale wegen. In Lden 50 60 Gemeente- en waterschapswegen. In Lden 53 70 Hoofd- en lokale spoorwegen. In Lden 55 65

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoogeweg Pannerden

29

Industrieterrein

Lden Lnight

50 40

55 45

Standaardwaarde en grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten geluidbron, Tabel 3.34 en .3.35 Bkl

Het bevoegd gezag moet voorzien in een aanvaardbaar geluid door een lokale (spoor)weg op een geluidgevoelig gebouw (artikel 5.78l, lid 2 Bkl). De kans op gezondheidsschade is klein als het geluid voldoet aan de standaardwaarde. Minder geluid dan de standaardwaarde of het geluid op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan, is aanvaardbaar (artikel 5.78m, lid 1 en lid 2 Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.78m tot en met 5.78q Bkl). Op grond van artikel 5.78, lid 3 Bkl bepaalt het omgevingsplan dat de waarden gelden:  op een aangewezen geluidgevoelig gebouw: 1. op de gevel, als het gaat om een aanwezig geluidgevoelig gebouw 2. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw  op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen en in geval van een binnenwaarde, in een geluidgevoelige ruimte Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze: 1. geen geluidbeperkende maatregelen kan treffen om aan de standaardwaarde te voldoen (artikel 5.78n, lid 1, onder a Bkl); 2.

de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk heeft beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (artikel 5.78n, lid 1b Bkl); 3. bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overweegt die financieel doelmatig zijn en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78n, lid 2 Bkl); 4. besluit tot geluidwerende maatregelen als het geluid in een geluidgevoelige ruimte hoger is dan de grenswaarde in geluidgevoelig ruimte (binnenwaarde) (artikel 3.52 Bkl). De karakteristieke geluidwering van deze ruimte is minstens 3 dB groter dan het verschil tussen het gezamenlijk geluid en de grenswaarde. Deze grenswaarde in geluidgevoelig ruimte is meestal 36 dB. In een beperkt aantal bestaande situaties is de grenswaarde 41 dB (artikel 3.52, lid 1, onder a sub 1 Bkl); 5. het gecumuleerd geluid beoordeelt (artikel 5.78p Bkl); 6. het gezamenlijk geluid bepaalt (artikel 5.78q Bkl). In lijn met het Bkl dient bij het realiseren van geluidgevoelige functies gekeken te worden naar het aandachtsgebied. Dit omvang van dit aandachtsgebied is afhankelijk van de verkeerdrukte, rijsnelheid, afstand van het project tot de weg en eventuele afschermende bebouwing.

Wegen met een verkeersintensiteit van in elk geval minder dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde hebben geen aandachtsgebied. Planspecifiek Voorliggend plan maakt geluidgevoelige bebouwing (woningen) mogelijk. Daarom is getoetst aan de regels uit het Bkl. Het plangebied is niet gelegen in de omgeving van spoorwegen of industrieterreinen. Het optreden van hinder als gevolg van spoorweg- of industrielawaai kan daarmee op voorhand worden uitgesloten. De projectlocatie is wel gelegen in het geluidaandachtsgebied van de Hoogeweg en de Doornenburgseweg, waardoor voor het initiatief een akoestisch onderzoek in het kader van wegverkeerslawaai is uitgevoerd. De rapportage is bijgevoegd in bijlage 5. Hierin wordt geconcludeerd dat de waarde van het geluid door wegverkeer op lokale wegen ligt in drie rekenpunten boven de standaardwaarde van 53 dB. De hoogste

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zevenaar&id=5955366b-9023-4def-9b10-cba0baa9a929