Bijlage 2. 1210381 Bijlagen bij exploitatieplan BusinessPark 7Poort fase II
Tekst van het document
•
Kolken poortgewijs aan beide zijden van de weg plaatsen.
•
Op aansluitingen van wegen onmiddellijk voor en na de bocht kolken plaatsen (bij volledige kruising dus acht kolken).
•
Bij verkeersdrempels en inritten extra aandacht voor de afwatering (± 2.00 m vanaf de drempel een kolk) en extra aandacht voor vlakke overgang inrit / weg.
•
Elke kolk heeft een aparte kolkaansluiting. Verzamelleidingen zijn niet acceptabel.
•
De aansluitingen van huis- en kolkaansluitingen mogen elkaar niet kruisen.
•
De volgende combinaties mogen worden aangesloten op één standpijp met behulp van een flexibel stroom T-stuk: 1. Twee tegenover elkaar liggende kolken; 2. Twee tegenover elkaar liggende huisaansluitingen DWA; 3. Twee tegenover elkaar liggende huisaansluitingen HWA; 4. Een HWA huisaansluiting met een tegenovergelegen kolkaansluiting.
•
Kolken bij aanbrengen verdichten door rondom inwateren.
•
De huisaansluitingen zijn van PVC (sterkteklasse SN8) met een diameter van 125mm of 160mm.
•
Aansluitleidingen liggen tussen de 95 en 75 cm onder bovenkant maaiveld.
•
Kleuren: DWA/GWA= grijs; HWA = roodbruin; IT = groen; SW = blauw;
•
Verbinding tussen buis en hulpstukken door middel van rubber manchet.
•
Eendelige trottoirkolken van beton/gietijzercombinatie met bandhoogte van 100 mm, TBS type TRK 4717 of gelijkwaardig, met flexibele zijaansluiting.
•
Kolken aangesloten op een infiltratieriool dienen voorzien te zijn van een bladvang, grotere zandvang en deksel met waaiermotief.
•
Verkeersklasse B125.
•
Eendelige straatkolken van beton/gietijzercombinatie, TBS type STR 9737 of gelijkwaardig met flexibele zijaansluiting.
•
Kolken aangesloten op een infiltratieriool dienen voorzien te zijn van een bladvang, grotere zandvang en deksel met waaiermotief.
•
Verkeersklasse B125.
•
Horizontale bochten uitvoeren in 2x45°. Bochten van 90° zijn niet acceptabel.
•
Aansluiting van kolken op hoofdriool uitvoeren middels geprefabriceerde inlaat.
•
Bij bestaand riool of als geprefabriceerd niet mogelijk is: inlaat uitvoeren met een PVC knevelinlaat met zettingsconstructie 125/160mm: o Bij een tweezijdige aansluiting een flexibel stroom T-stuk PVC 125/160mm 90°met 3x mof toepassen; o Bij een eenzijdige aansluiting een flexibele zettingsbocht 88° met 2x mof PVC 125/160mm toepassen.
versie 1.0 d.d.18-1-2022
17
4.5 Onderdeel Algemene eisen & randvoorwaarden
4.6 Onderdeel Algemene eisen & randvoorwaarden
4.7 Onderdeel Algemene eisen & randvoorwaarden
Afkoppelen Eisen en uitgangspunten •
Afkoppelen is maatwerk en dient altijd besproken te worden met de gemeente Zevenaar.
Drainage Eisen en uitgangspunten •
Drainage alleen toepassen na goedkeuring gemeente. Dit is geen standaard voorziening en derhalve maatwerk.
Duikers en uitstroomvoorziening Eisen en uitgangspunten •
Alle duikers en uitstroomvoorzieningen dienen te voldoen aan de eisen gesteld door het waterschap. Het ontwerp voor uitvoering ter goedkeuring voorleggen aan de gemeente.
•
Alle kunstwerken in overleg met de gemeente ontwerpen. Het ontwerp dient voor uitvoering nog gecontroleerd en goedgekeurd te zijn.
4.8
Mechanische riolering
Onderdeel
Eisen en uitgangspunten
Algemene eisen & randvoorwaarden
Leidingen
• •
De initiator dient contact op te nemen in de ontwerpfase met RO en Rioolbeheer om te toetsen of de inbreidingsgebieden passen in het huidige rioolontwerp (met inachtneming aansluitverordening en hemelwaterverordening). Tevens gelden de eisen gesteld in het PVE hoofdgemalen en drukgemalen van de Gemeente Zevenaar. Dit document kan bij de gemeente worden opgevraagd.
•
Persriolering, IBA’s en gemalen alleen toepassen en na instemming rioolbeheerder als vrij vervalriool niet mogelijk is.
•
De volledig automatisch functionerende pompputinstallatie zodanig ontwerpen zodat een probleemloze werking gewaarborgd is.
•
Verstopping vrije dompelpompen toepassen voor het verpompen van verontreinigde en/of vezel bevattende vloeistoffen. Geen vuilvangrooster toepassen.
•
Persleidingen dienen onmiddellijk na het leggen te worden gecontroleerd op waterdichtheid door middel van inwendige waterdruk. Voor persleidingen dient dit conform de RAW te worden uitgevoerd met een afpersdruk van 1,5 maal de bedrijfsdruk.
•
Materiaal: HDPE
Geluid
•
Het geluidsniveau van de pompinstallatie met gesloten luiken mag maximaal 55 dB(A) bedragen bij de pompput op 1,50m boven maaiveld.
Geur
•
Het gemaal voorzien van geurfilters waarbij stankoverlast met gesloten luiken niet waarneembaar is bij de put.
Pompconfiguratie
•
Het DWA afpompen middels één pomp waarbij tweede pomp als reserve fungeert. Deze pompen zijn automatisch om-en-om geschakeld.
•
De pompen hebben een PLC besturing en een drukopnemer.
•
Is van gewapend beton met een kunststof coating die bestand is tegen de chemische en mechanische belasting van het afvalwater.
•
Is voorzien van voldoende uitsparingen ten behoeve van aansluitingen en installaties.
Ontvangstput
HIOR Zevenaar
versie 1.0 d.d.18-1-2022
18
Onderdeel
Besturingskast
Bediening
HIOR Zevenaar
Eisen en uitgangspunten •
Is voorzien van een kelder die is afgestemd op de optimale inzet van de pompcapaciteit.
•
Is voorzien van een balkeerklep.
•
De toegangsluiken zijn van aluminium en voorzien van een RVS veiligheidsrooster.
•
De dompelpompen dienen aangesloten te worden met een keerklep en verticale leiding welke van gietijzer, HDPE of RVS 316 moet zijn.
•
Alle bevestigingsmiddelen dienen corrosiebestendig (RVS 316 of gelijkwaardig) te zijn.
•
Alle sloten dienen universeel te zijn zoals gebruikelijk in Zevenaar.
•
Rondom de put moet minimaal 0,5 m verharding aangebracht te worden.
•
Het gemaal moet vanaf de openbare weg via een verharding toegankelijk zijn voor een ontwerpvoertuig vrachtauto (rioolreinigingsvoertuig).
•
De verharding en de putafdekking moeten gedimensioneerd worden op verkeersklasse 45.
•
De put dient voorzien te zijn van een handkracht aangedreven hijsbok voor het ophijsen van pompen en aanverwante machines. De pompen moeten via een railsysteem begeleid worden bij het ophalen en neerlaten.
•
De besturingskast dient van RVS 316 vervaardigd te zijn en van voldoende grootte te zijn waarbij ook ruimte is voor het opbergen van een spindelafsluiter sleutel.
•
De deuren dient scharnierend opgehangen te zijn.
•
In de kast moet een kaarthouder aanwezig te zijn.
•
De kast dient in de kleur RAL 6005 mosgroen gepoedercoat te worden en voorzien te worden van een anti graffiti behandeling.
•
De pompinstallatie dient bediend te worden d.m.v. een bedieningsorgaan in een separate bedieningskast welke geplaatst is op de pompput.
•
De automatische besturing van de pompinstallatie gebeurt door een PLC in combinatie met een niveaumeter (een vlotter) in de pompput.
•
Bediening algemeen: o Door middel van een hoofdschakelaar dient de pompinstallatie ingeschakeld te worden. o De aardlekautomaat dient van voldoende capaciteit te zijn. o Alle schakel materialen dienen van gerenommeerde merken te zijn en voorzien van maximale veiligheidsmaatregelen. o De kastverlichting dient ingeschakeld te kunnen worden door een aparte schakelaar en gesitueerd te zijn boven in de besturingskast. o De kastverwarming dient automatisch in- en uitgeschakeld te worden door een ingebouwde thermostaat of door een hygrostaat. o Een hoogwatervlotter die buiten de PLC om de pompen aanstuurt.
versie 1.0 d.d.18-1-2022
19
5
Verhardingen
Onderdeel
Uitgangspunten beleid
Algemene eisen & randvoorwaarden
•
Alle afwijkingen t.o.v. onderstaand overleggen met de gemeente.
•
Bij de keuze van de verhardingsconstructies dient uitgegaan te worden van de verkeersbelasting waarbij de verkeersintensiteit van het aantal (vracht)wagens dat per etmaal de zwaarst belaste rijstrook belast maatgevend is.
Verkeersstructuur
•
De ontwerpen voor de wegenstructuur, de wegprofielen, de parkeervoorzieningen en de snelheidsremmende voorzieningen dienen in nauw overleg met de gemeente in de ontwerpfase van het bestemmingsplan tot stand te komen.
•
In verband met het ophalen van huisvuil, het bezorgen van goederen, voor hulpdiensten en verhuizingen dient de bereikbaarheid van woningen te worden aangetoond met rijcurves van de betreffende normvoertuigen ASVV2012.
•
Hoofdstructuurwegen: o Gebiedsontsluitingswegen: bij dit type wegen staat de verkeersfunctie centraal. Dit zijn wijkontsluitingswegen (maximaal 60 vrachtwagens per etmaal per richting). Deze wegen bestaan uit asfaltbeton. o Normvoertuig gebiedsontsluitingswegen t.b.v. van bereikbaarheid woningen: Trekker met oplegger (ASVV 2012).
•
Wegen in verblijfsgebieden: o Erftoegangswegen 1: bij deze wegen staat de verblijfsfunctie voorop en staat de verkeersfunctie op het tweede plan. Hiertoe worden gerekend woonstraten en wijkstraten met gering vrachtverkeer (maximaal 20 vrachtwagens per etmaal per richting). Standaard wordt in de gemeente voor deze wegen een asfaltbetonverharding toegepast. o Erftoegangswegen 2: bij deze wegen staat de verblijfsfunctie centraal. Hiertoe worden gerekend woonerven, toegangswegen en ontsluitingswegen met nauwelijks of geen vrachtverkeer (maximaal 2 vrachtwagens per etmaal per richting). Standaard wordt in de gemeente een gebakken elementenverharding toegepast. o Normvoertuig erftoegangswegen t.b.v. van bereikbaarheid woningen: Brandweer (ASVV 2012).
•
Gebiedsontsluitingswegen: in overleg met gemeente.
•
Erftoegangswegen: minimaal 5.30m breed bij twee-richtingen, bij eenrichtingsverkeer (twee-richtingen. fietsers) rijbaanbreedte conform ASVV. Bus routes dienen minimaal 6,30m breed uitgevoerd te worden.
•
Bochtstralen rijbaan minimaal R=6.00. Bus routes hebben een minimale bochtstraal van R=8.00m.
•
Het ontwerp en de nadere uitwerking in het bestek van bijzondere constructies zoals natuursteenbestratingen, sierbestratingen, keermuren, bruggen, viaducten, vijverpartijen, beschoeiingen en geluidswerende constructies dienen in nauwe samenwerking met de afdeling Beheer tot stand te komen en in de nodige detailtekeningen te worden uitgewerkt door de initiator.
Wegtypes
Wegbreedtes/ bochtstralen
Overige constructies
5.1 5.1.1
Rijbaan Rijbaan - Asfalt
Onderdeel Eisen & randvoorwaarden
Eisen en uitgangspunten •
• HIOR Zevenaar
Bij reconstructies en onderhoud aan asfaltverhardingen altijd vooronderzoek uitvoeren d.m.v.: o deflectiemeting; o asfaltkernen ter bepaling van teervrij/teerhoudend asfalt. Bij afwijken van de onderstaande standaarddiktes voor de asfaltverharding dient een dimensioneringsberekening voor de afwijkende constructie te worden aangeleverd. versie 1.0 d.d.18-1-2022
20
•
Gebiedsontsluitingswegen
•
Erftoegangswegen 1
•
De opbouw van de verharding volgens onderstaande tabel ontwerpen.
•
De puinverharding aanbrengen met een overbreedte van 0.30m ten opzichte van kant verharding.
•
Het zandbed aanbrengen met een overbreedte van 0.30m ten opzichte van het puinbed.
•
Wegen aanleggen in dakprofiel, afschot minimaal 2 %.
•
Fundering van menggranulaat doet dienst als bouwweg. De fundering dient te worden voorzien van een asfalt tussenlaag van 60mm. Deze tussenlaag dient tijdens de woonrijp fase weer verwijderd te worden.
Markering
•
Reflecterend thermoplastisch markeringsmateriaal laagdikte 3 mm.
Aansluiting
•
De aansluiting van asfalt op asfalt uitvoeren met een (dubbele) trapfrees (tussenlaag en deklaag) over de volle breedte van de weg, breedte van de freeslaag is 0.50m per trap. De naden dienen te worden afgewerkt met een hoogwaardige bitumen voegstrip (Tok-band, leverancier Imbema).
Toepassing Opbouw
Wegtype Woonstraten (erftoegangsweg 1)
Wijkontsluitingsweg
Bedrijventerreinen
Kruispunt met opstelstroken Rotondes Kruisingsvlakken
5.1.2
Laagdikte
Constructie laag
Materiaal
30 mm
deklaag
SMA-NL B D4
40 mm
tussenlaag
AC 16 bind TL-B
--- mm 60 mm 300 mm >350 mm
evt uitvullaag onderlaag puinfundering cunet
AC 22 base OL-B menggranulaat 0/31,5 zand in zandbed
35 mm
deklaag
SMA-NL 11A
50 mm
tussenlaag
AC 16 bind TL-B
80 mm 350 mm >350 mm 35 mm 50 mm --- mm 80 mm
onderlaag puinfundering cunet deklaag tussenlaag evt uitvullaag onderlaag
AC 22 base OL-B menggranulaat 0/31,5 zand in zandbed SMA-NL 11B D4 AC 16 bind TL-B
350 mm >350 mm 35 mm
fundering cunet deklaag
menggranulaat 0/31,5 zand in zandbed ZOAB gevuld met cementslurrie
35 mm
deklaag
SMA-NL B D2
35 mm
deklaag
SMA-NL B D2
AC 32 base OL-B
Rijbaan - Elementen
Onderdeel Materiaal
HIOR Zevenaar
Eisen en uitgangspunten •
Standaard worden binnen Gemeente Zevenaar straatbakstenen toegepast.
•
Gebakken straatstenen (straatklinkers): o platkeiformaat; Kwaliteitsklasse A, sortering 4-12. o dikformaatstenen; Kwaliteitsklasse A, sortering 4-12.
versie 1.0 d.d.18-1-2022
21
Onderdeel
Eisen en uitgangspunten o
Verband Opbouw
•
De rijbaan uitvoeren in keperverband.
•
Gebruik maken van fabrieksmatig gezaagde keperstenen bij straatbakstenen.
•
De onderbouw van de verharding bestaat uit: o uitgangspunt is gebakken elementenverharding o 70mm straatzand (WD06 van Infranology). o 250mm menggranulaat 0/31.5. o 400mm zand in zandbed (minimaal).
•
Wegen aanleggen tonrond, ook bij een hangend profiel (op 1 oor) , afschot minimaal 2,5 % maximaal 3,0 %.
•
De puinfundatie aanbrengen met een overbreedte van 0.25m ten opzichte van achterkant band.
•
Het zandbed aanbrengen met een overbreedte van 0.25m ten opzichte van het fundatie.
•
Fundering van menggranulaat doet dienst als bouwweg. De fundering dient te worden voorzien van een asfalt tussenlaag van 60mm. Deze tussenlaag dient tijdens de woonrijp fase weer verwijderd te worden. Invegen met WD06 van Infranology.
•
5.2 Onderdeel Toepassing Afmetingen
Materiaal
Verband
HIOR Zevenaar
waalformaatstenen; Kwaliteitsklasse A, sortering 4-12.
Parkeren Eisen en uitgangspunten •
Binnen en buiten de bebouwde kom.
•
Haaks- en langsparkeren.
•
Haaksparkeren minimaal 2.50x5.00m, langs groenstroken dient het parkeervak 2.80m breed uitgevoerd te worden. Rijbaan breedte bij haaksparkeren minimaal 6.00m.
•
Langsparkeren minimaal 2.00*6.00m, op kopse kant parkeervak afschuining van 135° aanbrengen. Deze afschuining valt buiten de minimale breedte van het langsparkeervak. Bij langsparkeren langs groenstroken, nokkentegels toepassen.
•
Markering van witte stenen. Deze inpassen in het verband.
•
Standaard worden binnen de gemeente straatbakstenen toegepast. Hier mag alleen van afgeweken als de gemeente hier goedkeuring voor geeft.
•
Gebakken straatstenen (straatklinkers): o platkeiformaat gemiddelde afmetingen 200 x 98 x70 mm; Kwaliteitsklasse A, sortering 4-12. o dikformaatstenen gemiddelde afmetingen 200 x 65 x 85 mm; Kwaliteitsklasse A, sortering 4-12. o waalformaatstenen met gemiddelde afmetingen 200 x 48 x 85 mm; Kwaliteitsklasse A, sortering 4-12.
•
Betonstenen, voorzien van een natuurlijke kleurechte toplaag van gemiddeld 10 mm. De toplaag dient te zijn gewassen waarbij het zichtvlak voor ca. 70% uit natuurlijk materiaal van een grove (2- 5mm.) gradatie bestaat. De natuurlijke toplaag wordt deels ondersteund hoogwaardige pigmentering. o betonstraatstenen: keiformaat 211 x 105 x 80 mm. o dikformaatstenen: 211 x 70 x 80 mm. o waalformaatstenen 200 x 50 x 80 mm.
•
Nokkenopsluittegels 300x300x45/80mm. In 0.10m3/m1 cementspecie aanbrengen op fundering.
•
De parkeervakken in elleboogverband aanbrengen.
•
Gebruik maken van fabrieksmatig gezaagde halve stenen bij straatbakstenen en geprefabriceerde halve stenen bij betonstraatstenen.
versie 1.0 d.d.18-1-2022
22
Onderdeel Opbouw
5.3
Eisen en uitgangspunten •
De onderbouw van de verharding bestaat uit: o uitgangspunt is gebakken elementenverharding o 70mm straatzand (WD06 van Infranology) o 250mm menggranulaat 0/31.5 o 400mm zand in zandbed.
•
Parkeerstroken en parkeerterreinen dienen minimaal 2,5 % afschot te hebben.
•
De puinfundering aanbrengen met een overbreedte van 0.25m ten opzichte van achterkant band.
•
Het zandbed aanbrengen met een overbreedte van 0.25m ten opzichte van de fundatie.
•
Fundering van menggranulaat doet dienst als bouwweg. De fundering dient te worden voorzien van een asfalt tussenlaag van 60mm. Deze tussenlaag dient tijdens de woonrijp fase weer verwijderd te worden.
•
Invegen met WD06 van Infranology).
Fietspaden
De afweging van het type verharding en kleur ligt bij de wegbeheerder van de gemeente Zevenaar. Het uitgangspunt is dat op de hoofdwegen en buiten de bebouwde kom betonnen fietspaden worden toegepast.
5.3.1
Fietspaden - Asfalt
Onderdeel
Eisen en uitgangspunten
Eisen & randvoorwaarden
•
Rijwielpaden moeten zodanig geconstrueerd zijn dat zij met een lichte vrachtwagen te berijden zijn. De breedte moet in overleg met de gemeente worden bepaald.
Toepassing
•
Vrij liggende fietspaden binnen en buiten de bebouwde kom.
•
Fietssuggestiestroken als onderdeel van de hoofdweg.
•
De opbouw van de verharding: o 30 mm rode deklaag AC 8 surf DL-A bestaande uit zwarte bitumen en 3% rood pigment. o 30 mm tussenlaag AC 16 bind TL-A o 60 mm onderlaag AC 16 Base OL-B o 300mm menggranulaat 0/31,5. o minimaal 300mm zand in zandbed.
•
Fietspaden dienen minimaal 2,5 % afschot te hebben.
•
Het zandbed aanbrengen met een overbreedte van 0.20m.
•
De puinverharding aanbrengen met een overbreedte van 0.20m.
•
Fietssuggestiestroken asfaltmengsels volgens de opbouw van de hoofdweg, zie 5.2.1 Asfalt. De rode deklaag voorzien van minimaal 3% rood pigment
•
Reflecterend thermoplastisch markeringsmateriaal laagdikte 3 mm.
Opbouw
Markering
HIOR Zevenaar
versie 1.0 d.d.18-1-2022
23
5.3.2
Fietspaden - Beton
Onderdeel
Eisen en uitgangspunten
Eisen & randvoorwaarden
•
Rijwielpaden moeten zodanig geconstrueerd zijn dat zij met een lichte vrachtwagen te berijden zijn. De breedte moet in overleg met de gemeente worden bepaald.
Toepassing
•
Vrij liggende fietspaden binnen en buiten de bebouwde kom.
Opbouw
•
•
De opbouw van de verharding: o 160mm betonverharding o 200mm menggranulaat 0/31,5. o 250mm zand in zandbed. Fietspaden dienen minimaal 2,5 % afschot te hebben.
•
De puinfundering aanbrengen met een overbreedte van 0.25m ten opzichte van achterkant band.
•
Het zandbed aanbrengen met een overbreedte van 0.25m ten opzichte van de fundatie.
•
Textuur 1 tot 3mm.
•
Dwarsvoegen (krimpvoegen) 3mm breed; diep 1/3 van de betondikte; h.o.h. 3,5m.
•
Dwarsvoegen (uitzetvoegen) 5/10mm breed; diep 1/1 van de betondikte; h.o.h. 100m; vullen met koud-asfalt.
Materiaal
•
Duurzame beton van Putman (o.g.). Samenstelling 353-BBK-21.1 o Grondstoffen: conform NEN-EN 206 en NEN 8005. o Maximaal 20% V/V van het grof toeslagmateriaal mag door menggranulaat zijn vervangen. Het toeslagmateriaal mag tot 100% door betongranulaat zijn vervangen. o Slakken mogen niet als toeslagmateriaal worden toegepast. o Staal- en/of kunststofvezels mogen worden toegepast. o Bindmiddelgehalte: Minimaal 100 kg/m3 (zie onderstaande toelichting). o Water-bindmiddelfactor: Maximaal 1,00. o Het luchtgehalte mag na verdichten maximaal 4% V/V bedragen, door middel van luchtbelvormer ingebrachte lucht niet in aanmerking nemende. o Toelichting: o De 100 kg bindmiddel moet bestaan uit: (a) 100 kg cement volgens EN 197-1 of; (b) X kg cement plus minimaal 100-X kg vulstof indien voor die combinatie cement en vulstof een attest, op basis van BRL 1802 is afgegeven en de producent over een gebruikersovereenkomst voor dit attest beschikt of; (c) X kg cement plus Y kg poederkoolvliegas, voor welke combinatie geen attest op basis van BRL 1802 is afgegeven of de producent hiervoor geen gebruikersovereenkomst heeft. In deze gevallen mag (een deel van) de poederkoolvliegas met gebruikmaking van de k-waarde als bindmiddel worden beschouwd.
Markering
•
Reflecterend thermoplastisch markeringsmateriaal laagdikte 3 mm.
5.3.3
Fietspaden - Elementen
Onderdeel Eisen & randvoorwaarden HIOR Zevenaar
Eisen en uitgangspunten •
Rijwielpaden moeten zodanig geconstrueerd zijn dat zij met een lichte vrachtwagen te berijden zijn. De breedte moet in overleg met de gemeente worden bepaald.
versie 1.0 d.d.18-1-2022
24
Onderdeel
Eisen en uitgangspunten
Toepassing
•
Binnen en buiten de bebouwde kom.
Materiaal
•
Betonstenen, voorzien van een natuurlijke kleurechte toplaag van gemiddeld 10 mm. De toplaag dient te zijn gewassen waarbij het zichtvlak voor ca. 70% uit natuurlijk materiaal van een grove (2- 5mm.) gradatie bestaat. De natuurlijke toplaag wordt deels ondersteund hoogwaardige pigmentering.
•
Dubbelklinkers formaat 200x200x80mm, kleur rood (door-en-door).
•
As markering: 1-3 markering bestaande uit dubbelkinkers 200 x 200 x 80 wit (door-en-door)
•
De opbouw van de verharding: o 70mm straatzand (WD06 van Infranology) o 250mm menggranulaat 0/31,5. o 250mm zand in zandbed.
•
Fietspaden dienen minimaal 2,5 % afschot te hebben.
•
De puinfundering aanbrengen met een overbreedte van 0.25m ten opzichte van achterkant band.
•
Het zandbed aanbrengen met een overbreedte van 0.25m ten opzichte van de fundatie.
•
Invegen met WD06 van Infranology.
•
De fietspaden dienen in halfsteensverband gelegd te worden.
•
Gebruik maken van geprefabriceerde halve stenen bij betonstraatstenen (keiformaat klinkers).
Opbouw
Verband
5.4
Trottoirs en inritten
Onderdeel
Eisen en uitgangspunten
Eisen & randvoorwaarden
•
Ontwerpen op volle tegelmaat.
•
Vrij liggende voetpaden (o.a. voetpaden in groenvoorzieningen) die bereden kunnen worden door lichte vrachtwagens, hulpdiensten en gladheidbestrijding dienen dezelfde opbouwconstructie te hebben als rijwielpaden en hiervoor geldt hetzelfde ten aanzien van de breedte.
Toepassing
•
Binnen en buiten de kom.
•
Aanliggend en vrijliggend.
•
De onderbouw van de verharding bestaat uit: o 250mm zand in zandbed.
•
Trottoirs en inritten dienen 2,5 % afschot te hebben.
•
Het zandbed aanbrengen met een overbreedte van 0.25m ten opzichte van achterkant band.
•
Invegen met brekerzand.
Materiaal
•
Trottoirs en inritten beide in dubbelklinkerstegels 200x200x80mm.
Verband
•
De trottoirs in halfsteensverband, in bochten lintlagen toepassen.
•
De inritten in lintlagen leggen.
Opbouw
HIOR Zevenaar
versie 1.0 d.d.18-1-2022
25
5.5 Onderdeel Toepassing en materiaal
5.6 Onderdeel Toepassing en materiaal
Opbouw
Beton per strekkende meter band
HIOR Zevenaar
Gootconstructies Eisen en uitgangspunten •
Gootlagen langs asfaltverhardingen van goottegels 300 x 150 mm, dikte 60 mm, te stellen op de fundering in betonspecie (minimaal 10cm dik).
•
Watervoerende laag langs bestratingen van betonstraatstenen of straatklinkers in keiformaat. Twee streklagen als goot toepassen op de fundering in betonspecie (minimaal 10cm dik).
•
Molgoten langs bestratingen van klinkerkeien, dikformaten of waalformaten dienen minimaal 500 mm breed te zijn, te stellen op de fundering in betonspecie (minimaal 10cm dik). Er dient een streklaag tussen de kolk en de bestrating van de rijbaan te worden aangebracht.
•
Molgoten langs parkeervakken: indien een parkeerstrook langs de weg geprojecteerd is, dient de molgoot 500 mm breed te zijn en te worden aangebracht op de fundering in betonspecie (minimaal 10cm dik).
•
Molgoten moet hol gestraat worden. Getrapte goten zijn niet toegestaan.
Kantopsluitingen Eisen en uitgangspunten •
Langs gebiedsontsluitingswegen: trottoirbanden 180/200 x 250 mm in beton.
•
Langs erftoegangswegen 1 of parkeervakken: trottoirbanden 130/150 x 250mm in beton.
•
Langs erftoegangswegen 2 of parkeervakken: geleidebanden 7/20x25 of opsluitbanden 120 x 250 in beton.
•
Langs fietspaden (elementen): gazonbanden of opsluitbanden 120 x 250 in beton.
•
Langs fietspaden (vrijliggend in asfalt): geen (beton fietspad).
•
Langs trottoirs vrijliggend: opsluitbanden 100 x 200 in beton.
•
Langs graskanten: opsluitbanden 100 x 200 in beton.
•
Langs trottoirs aanliggend: opsluitbanden 100 x 200 langs erfgrenzen zonder beton, langs groenstroken in beton
•
Samenstelling betonspecie: stampbeton van Putman, voorzien van betongranulaat.
•
De trottoirbanden/geleidebanden: o Stellen op fundering met betonspecie (laagdikte beton 10 cm). o Aan achterzijde band een steunrug van betonspecie aanbrengen. o Kantopsluitingen model C1.
•
Opsluitbanden langs klinkerwegen, parkeerstroken, fietspaden of groenstroken: o Stellen op een fundering van 10 cm betonspecie o Aan de achterzijde een steunrug van betonspecie aanbrengen. o Kantopsluitingen model C1.
•
Gazonbanden tussen fietspaden en voetpaden mogen maximaal 5 cm zicht hebben.
•
Opsluitband 60 x 200mm → 0,04m3/m
•
Opsluitband 100 x 200 mm → 0,04m3/m
•
Opsluitband 120 x 250 mm → 0,05m3/m
•
Trottoirband 130/150 x 250mm → 0,06m3/m
•
Trottoirband 180/200 x 250mm → 0,06m3/m
versie 1.0 d.d.18-1-2022
26
Onderdeel
5.7
Eisen en uitgangspunten Trottoirband 115/225 x 250mm → 0,06m3/m
•
Geleideband 70/200 x 250mm → 0.06m3/m
Inritelementen
Onderdeel
Eisen en uitgangspunten
Toepassing en materiaal
Opbouw
5.8
•
•
Bij inritten dient het trottoir visueel door te lopen.
• •
Inritten naar woonerven, verblijfsgebieden en zijwegen: minimaal inritbanden 600 x 500 x 200 mm. Indien banden 13/15 zijn toegepast, dan inritbanden 650 x 500 x 200 mm toepassen. Inritten bij trottoirs < 1.50m breed, trottoir uitvoeren met inritverloopbanden.
•
Oversteekplaatsen in bochten realiseren met gezaagde bochtbanden welke naar maaiveld verlopen.
•
Bijlage 1: inritten.
•
Inritbanden stellen in beton: o Stellen op een fundering van 10 cm betonspecie o Aan de achterzijde een steunrug van betonspecie aanbrengen. o Inritbanden 600 x 500 x 200 → 0.11 m3/m
•
Inritten naar woonerven, verblijfsgebieden en zijwegen: o Ter breedte van de inrit dubbelklinkers 80 mm toepassen, gefundeerd op 150 mm menggranulaat 0/31.5 mm en op 50 mm brekerzand gestraat. o Bij inritten voor zware bedrijfswagens en vrachtauto's in plaats van trottoirtegels dubbelklinkers dik 80mm toepassen, gefundeerd op 200mm menggranulaat 0/45
Mindervalide oversteekplaatsen
Onderdeel
Eisen en uitgangspunten •
Toepassing
•
Mindervalide oversteekplaatsen worden toegepast op kruisingsvlakken zodat men veilig de weg kan oversteken. Klik aankantopsluitingen en gootlagen mag bij minder valide oversteekplaatsen maximaal 5mm bedragen. Bij het ontwerp van de wegen dient met de gemeente te worden overlegd waar de oversteekplaatsen worden aangelegd.
•
Daar waar nodig dienen tegels voor visueel gehandicapten (klanktegels) te worden aangebracht.
Mindervalide oversteekplaatsen Materiaal
•
Gelijk aan paragraaf 5.7 “inritelementen”.
•
Tegels voor visueel gehandicapten (klanktegels)
Opbouw
•
Gelijk aan omliggende verharding.
5.9
Half-verhardingen en grasbetonstenen
Onderdeel
Eisen en uitgangspunten
Materiaal
Half-verhardingen: •
HIOR Zevenaar
Half-verharding bij voorkeur Achterhoeks Padvast. Op goedkeuring van afdeling beheer van de gemeente kan hiervan afgeweken worden; versie 1.0 d.d.18-1-2022
27
Onderdeel
Eisen en uitgangspunten •
Bij toepassing van Achterhoeks Padvast een laag Padvast aanbrengen van 0.12m sortering 0/14 en een toplaag van 0.03m padvast sortering 0/6.
•
Bij toepassing van Achterhoeks Padvast geen fundatie materiaal van meng-/betongranulaat aanbrengen. Dikte cunet o.b.v. voorschriften leverancier, bestaande uit zand in zandbed. Bermbeton:
HIOR Zevenaar
•
dikte 180mm aanbrengen op bestaande ondergrond;
•
Duurzame beton van Putman (o.g.). Samenstelling 353-BBK-21.1 o Grondstoffen: conform NEN-EN 206 en NEN 8005. o Maximaal 20% V/V van het grof toeslagmateriaal mag door menggranulaat zijn vervangen. Het toeslagmateriaal mag tot 100% door betongranulaat zijn vervangen. o Slakken mogen niet als toeslagmateriaal worden toegepast. o Staal- en/of kunststofvezels mogen worden toegepast. o Bindmiddelgehalte: Minimaal 100 kg/m3 (zie onderstaande toelichting). o Water-bindmiddelfactor: Maximaal 1,00. o Het luchtgehalte mag na verdichten maximaal 4% V/V bedragen, door middel van luchtbelvormer ingebrachte lucht niet in aanmerking nemende. o Toelichting: o De 100 kg bindmiddel moet bestaan uit: (d) 100 kg cement volgens EN 197-1 of; (e) X kg cement plus minimaal 100-X kg vulstof indien voor die combinatie cement en vulstof een attest, op basis van BRL 1802 is afgegeven en de producent over een gebruikersovereenkomst voor dit attest beschikt of; (f) X kg cement plus Y kg poederkoolvliegas, voor welke combinatie geen attest op basis van BRL 1802 is afgegeven of de producent hiervoor geen gebruikersovereenkomst heeft. In deze gevallen mag (een deel van) de poederkoolvliegas met gebruikmaking van de k-waarde als bindmiddel worden beschouwd.
versie 1.0 d.d.18-1-2022
28
6
Groen 6.1
Algemeen
Onderdeel
Eisen en uitgangspunten
Bepalingen
Ontwerpeisen groenvoorzieningen
6.2 6.2.1
•
Het ontwerp moet voldoen aan het Groenstructuurplan en het Beeldkwaliteitsplan van de gemeente.
•
Ontwerp ter goedkeuring voorleggen aan de gemeente.
•
Het ontwerp voor de groenstructuur en de ecologische uitgangspunten dienen al in de ontwerpfase van het bestemmingsplan in nauw overleg met de gemeente tot stand te komen.
•
Voor het ontwerpen van de groenvoorzieningen dient al in een vroegtijdig stadium overleg te worden gepleegd met de gemeente in verband met de grondsamenstelling, bemestingsadvies, sortiment etc.
•
De plannen voor de aanleg van de groenvoorzieningen dienen te worden vervaardigd door een specialistisch bureau dat de nodige ervaring heeft op dit gebied.
•
Bij nieuwbouw rekening houden met de aanleg van 75 m2 openbaar groen per woning.
•
In het ontwerp de volgende uitgangspunten hanteren: o Waardevol bestaand groen/ bomen waar mogelijk opnemen in het ontwerp o De hoeveelheid beplanting dient minimaal 25 % van het totale plantsoenoppervlak te beslaan; o Het bomenplan dient te worden afgestemd op het verlichtingsplan, het bebordingsplan, de kabel- en leidingstroken en de riolering; o Taluds langs verhardingen moeten in principe worden vermeden in verband met uitspoeling. In deze gevallen grondkerende constructies toepassen in overleg met de beleidsmedewerker groenvoorzieningen van de gemeente; o Bij het ontwerp rekening houden met sociale veiligheidsaspecten en de verkeersveiligheid (o.a. uitzicht); o Speelgelegenheden en parkmeubilair dienen in afgestemd te worden met de gemeente Zevenaar.
•
Rekening houden met een heldere scheiding tussen openbaar gebied en particulier gebied. Eventueel in de vorm van een band of afrastering.
•
Vanuit ecologisch belang dient te worden gestreefd naar aansluiting bij de natuurlijke ondergrond, het respecteren van bestaande natuurwaarden en ecologische functies.
•
In het ontwerp rekening houden met de natuurlijke inpassing van de regenwaterinfiltratie en - afvoer en het beperken van het niet doorlaatbare verhard oppervlak.
• •
Voorkomen moet worden dat er te kleine en te veel versnipperde plantvakken ontstaan. Het ontwerp moet efficiënt en doelmatig beheer van het groen mogelijk maken. Voorkomen moet worden dat kleine groenstroken direct grenzen aan particuliere percelen omdat deze groenstroken kwetsbaar zijn voor illegaal gebruik. Ontwerp openbare ruimte zodanig dat doorsteken ("olifantenpaden") in groenvoorzieningen worden voorkomen.
•
Algemeen geldt dat kwaliteit en duurzaamheid uitgangspunt zijn boven kwantiteit.
Bomen Bomen in groen
Onderdeel Eisen & randvoorwaarden in aanvulling op 6.1 HIOR Zevenaar
Eisen en uitgangspunten •
De te handhaven bomen moeten duidelijk op de ontwerptekeningen staan.
•
Per boom moeten de beschermende maatregelen en methoden aangeven (e.e.a. conform Handboek bomen van het Norminstituut);
•
Schade aan bomen is geheel voor rekening van de initiator; versie 1.0 d.d.18-1-2022
29
Onderdeel VOORBEREIDING bestaande bomen
Eisen en uitgangspunten •
Schade wordt op kosten initiator getaxeerd door een erkend boomtaxateur;
•
Om de bomen tijdens de uitvoering van het werk te beschermen moeten er beschermende maatregelen en methoden worden opgenomen in het bestek;
•
Als schade aan de bomen wordt verwacht, foto’s nemen van de bestaande situatie en deponeren bij een notaris. De kosten zijn voor rekening van de initiator.
•
Bestaande bomen: o In de ontwerpfase dient een Boom Effect Analyse (BEA) uitgevoerd te worden. o In het ontwerpstadium dient een kwaliteitsbeoordeling met waardebepaling plaats te vinden van de aanwezige bomen. Deze beoordeling wordt uitgevoerd door een bevoegd taxateur of een ETT er. o Bestaande bomen moeten zoveel mogelijk in het plan worden meegenomen. Kappen mag alleen indien goed gemotiveerd, in een door B&W vastgesteld projectplan. In het ontwerpstadium dient bekend te zijn wat de definitieve ophoging van het terrein zal zijn i.v.m. de gevolgen voor de te handhaven bomen en beplanting. Bij te handhaven bomen mag de maximale ophoging binnen de kroonprojectie niet meer bedragen dan 0,05 m. Indien meer ophoging is gewenst, is hiervoor toestemming nodig van de groenbeheerder.
•
Eisen & randvoorwaarden in aanvulling op 6.1 VOORBEREIDING
•
Voorkomen dat pekelwater in boomspiegels kan lopen.
•
Plaats beschermende voorzieningen bij bomen op parkeerplaatsen.
•
In het ontwerpstadium dient bekend te zijn wat de definitieve ophoging van het terrein zal zijn i.v.m. de gevolgen voor de te handhaven bomen en beplanting.
•
In overleg met de gemeente dient de plaats, de soort en het aantal bomen te worden bepaald;
•
De soortkeus dient te zijn afgestemd op de aanwezige grondsoort en de aanwezige bovengrondse en ondergrondse ruimte;
•
Er moet voldoende afstand gehouden worden tot gebouwen, lichtmasten, parkeerplaatsen, inritten, verkeersborden e.d.;
•
De maat van de toe te passen bomen dient minimaal 14/16 te bedragen;
•
Besmettelijke ziekten als iepziekte, bacterievuur, watermerkziekte, roest, kanker, meeldauw, Massaria, essentaksterfte en kastanjebloedingsziekte kunnen grote schade aanrichten. Het gebruik van resistente cultivars is verplicht voor alle groentypen.
•
Bij nieuwe ontwerpen groenstroken niet laten samenvallen met kabel –en leidingenstroken.
•
Pas geen oppervlakkig wortelende bomen toe in verharding in verband met het opdrukken van de bestrating.
•
Bij nieuwe bomen twee hoge boompalen toepassen (acacia- of kastanjehout), lengte 2.70m, diameter 0.09m.
•
In het boomgat tevens een gietrand aanbrengen.
•
De afstand tussen bomen en lichtmasten dient minimaal vier meter te zijn.
•
Voorkomen dat pekelwater in boomspiegels kan lopen.
•
Plaats beschermende voorzieningen bij bomen op parkeerplaatsen. Plaats bomen zodanig dat ze niet beschadigen bij inparkeren.
•
Zorg dat de boom in volgroeide toestand (kroonprojectie) niet boven ondergrondse containers en container opstelplaatsen uitkomt in verband met het legen van containers.
•
Plaats bomen waar mogelijk in een groenvak en niet in verharding.
•
Zorg dat bewoners zo min mogelijk schaduwoverlast krijgen.
•
Bomen toepassen van een grootteklasse die geschikt is voor de locatie; tweede en derde grootte in woonwijken. Op hoofdassen of in vrije ruimte mogen bomen groter zijn.
•
Plaats bomen van de derde grootte bij voorkeur niet langs straten en/of fietspaden. Als dit toch gebeurt, dan minimaal op een halve meter maal de kroondiameter afstand (in volgroeide toestand) van de straatgoot in verband met het voorkomen van snoei bij dit kleine formaat boom.
•
Bij speelplekken geen bomen met giftige bessen, vruchten of stekels toepassen.
•
Vermijd bomen die ernstige overlast veroorzaken in verblijfsgebieden en parkeer- en speelplaatsen, zoals vruchtdragende of luisgevoelige bomen.
•
Graafwerk rond wortels vindt plaats in overleg met de toezichthouder groen;
•
Bij werkzaamheden bij bestaande bomen dienen boombeschermingsmaatregelen getroffen worden conform de bomenposter “Werken rond bomen”; te vinden op www.bomenposter.nl.
nieuwe bomen
Eisen & randvoorwaarden in aanvulling op 6.1
HIOR Zevenaar
versie 1.0 d.d.18-1-2022
30
Onderdeel
Eisen en uitgangspunten •
Indien een bouwhekwerk niet mogelijk is zijn de volgende maatregelen noodzakelijk: o Alle werkzaamheden onder de kroon worden verboden; o De stam moet beschermd worden met een ommanteling bestaande uit beplanking en drainagebuizen; o Zwaar en hoog materieel moet zo ver van de boom vandaan blijven dat bodemverdichting en schade aan de wortels en stam worden voorkomen.
•
Als niet kan worden vermeden dat over wortels wordt gereden, moet er een druk verdelende laag worden aangebracht. Dit in nadere afstemming met de gemeente.
•
Regels bij graafwerkzaamheden: o Voor ontgravingsmaatregelen moet een bodem- en bewortelingsonderzoek worden uitgevoerd; o Graafwerk bij bomen midden het seizoen proberen te voorkomen; o Bij ontgravingswerkzaamheden bij de wortels geen zwaar materiaal gebruiken; o Indien een wortel verwijderd moet worden, dan moet deze met de hand haaks op de wortel worden afgeknipt of afgezaagd; o Kabels en leidingen dienen zo ver mogelijk bij de boom vandaan te worden gelegd; o Bij ondergrondverkeer dient een mantelbuis te worden gebruikt; o Als een bouwpunt naast een wortelprojectie langere tijd open blijft liggen, dient één of enkele jaren van tevoren een wortelscherm te worden aangebracht; o Als er sprake is van ophoging van de groeiplaats, dan dient een ventilatiesysteem te worden aangebracht.
•
Regels bij veranderingen in de vochtvoorziening: o Plotselinge verlaging van de grondwaterstand kan leiden tot groeistoornissen, verwelking en totale verdroging van de boom; o Grondwaterstandverlaging kan alleen in de wintermaanden zonder problemen plaatsvinden; o In het groeiseizoen moet bij langere grondwaterstandverlaging kunstmatig water worden gegeven; o Verhoging van de grondwaterstanden moet zeer geleidelijk gebeuren met slechts enkele centimeters per jaar. Voorkomen van schade aan bomen bij het dempen van een sloot: o Van tevoren dient te worden nagegaan welke invloed het dempen heeft op de grondwaterstand; Schadebepaling: o Taxatierapport van boomtaxateur; Indien sprake is van schade dient deze vastgesteld te worden via taxatie, die uitgevoerd is aan de hand van de huidige richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen (NVBTB). De richtlijnen zijn verkrijgbaar bij de genoemde vereniging.
Uitvoeringsfase
• • •
6.2.2
Bomen in verharding
Onderdeel Algemene eisen & randvoorwaarden in aanvulling op 6.1
HIOR Zevenaar
Eisen en uitgangspunten •
Bij bomen die in trottoirs, op pleinen, parkeerterreinen of andersoortige elementverhardingen worden aangebracht dient rekening gehouden te worden met de volgende eisen: o Bij bomen in verharding bomengranulaat toepassen. Afhankelijk van grootte 15, 30 , 45 m3 per boom 3e 2e en 1e grootte. Urban Sand of bomengranulaat ter goedkeuring van gemeente. o Bomenzand na aanbrengen verdichten tot een indringingsweerstand van maximaal 20 kgf/cm2; o Beluchtingsdrain: bij iedere boom dient een ribbeldrain, lang 6 m en diameter 8 cm, van geperforeerde kunststof te worden aangebracht. De drain dient op 60 cm diepte rond de boom te worden aangebracht in de vorm van een vierkant met zijden van ca. 130 cm en een verticaal deel van 80 cm. Het uiteinde dient ca 20 cm bij de stam boven het maaiveld uit te steken en hier te zijn voorzien van een eindstop; o Bewateringsdrain: n.v.t. o Boomspiegels dienen minimaal 150x150 cm te bedragen.
versie 1.0 d.d.18-1-2022
31
Onderdeel
Eisen en uitgangspunten o o
6.3 Onderdeel Algemene eisen & randvoorwaarden
Gazon Eisen en uitgangspunten • •
6.4 Onderdeel Algemene eisen & randvoorwaarden
Kwaliteit en kwantiteit
Tijdelijke maatregelen bij aanleg Vaste planten en bloemperken
Het terrein voor de aanleg van gazon dient onder een vlak en strak profiel puinvrij te worden afgewerkt en te worden ingezaaid met een grasmengsel (samenstelling mengsel in overleg met de gemeente). Bij de situering van bomen, speeltoestellen e.d. dient rekening te worden gehouden met de een maaibreedte van 2.00 m. Dit ter voorkoming van bijmaaiwerk.
Vaste planten en bloemperken Eisen en uitgangspunten • • • • • • • • • • • • •
Ca. 80 % van de beplanting dient te bestaan uit soorten die op de sortimentslijst van de gemeente voorkomen. Deze lijst is op te vragen bij de gemeente.; In plantvakken bodembedekkende, onkruid verstikkende, beplanting met hierin opgenomen solitairen gebruiken; Langs voetpaden 'afplanters' gebruiken; Waar nodig op hoeken van beplantingen en waar "doorloop" kan ontstaan heesters met doornen of stekels toepassen; Er dient voldoende variatie en afstemming in vorm en kleur van bloem, blad en vruchten te zijn in alle jaargetijden; Er dienen voldoende drachtplanten voor vlinders en bijen te worden gebruikt; In de directe nabijheid van speelgelegenheden mogen geen heesters of planten met giftige bladeren, bloemen of vruchten geplant worden. Het plantmateriaal moet van eerste kwaliteit zijn; Het plantmateriaal moet soortecht zijn; Het plantmateriaal moet vrij zijn van ziekten en gebreken (NAK-B keuring); Het aantal planten per m2 en de toegepaste maten dienen ter acceptatie aan de afdeling Beheer te worden voorgelegd. Vaste planten zijn kruidachtige planten die meerdere malen per jaar bloeien. Om het plaatselijk platlopen van plantvakken te voorkomen dienen tijdelijke afrasteringen te worden aangebracht op plaatsen waar dat verwacht kan worden. Deze afrasteringen dienen te bestaan uit houten palen met staaldraad.
• •
Vaste planten mogen niet gescheurd of gesneden worden aangebracht.
•
De plantafstand is voor elke soort verschillend. De plantafstand en het plantformaat dienen zodanig te zijn dat het vak na het eerste groeiseizoen gesloten is.
•
Er mogen uitsluitend sterke soorten met een groot regeneratievermogen worden toegepast. De soort moet bestand zijn tegen gemeentelijk beheer. dat o.a. inhoudt dat zij in het voorjaar heel kort boven het maaiveld afgemaaid worden Vaste planten moeten winterhard zijn.
• •
HIOR Zevenaar
Boomroosters toepassen in overleg met de gemeente. Dit is alleen bespreekbaar in centra. Geen puin op bomenzand toepassen onder elementen verharding.
Ontwerpeisen: o De minimale oppervlakte bedraagt 5 m2. o De minimale breedte bedraagt 1 m.
versie 1.0 d.d.18-1-2022
32
6.5
Heesters
Onderdeel
Eisen en uitgangspunten
Algemene eisen & randvoorwaarden in aanvulling op 7.1
•
Bij het ontwerp dient gericht te worden op snel sluitende en gemakkelijk te onderhouden plantvakken, en overhang van groen langs paden en wegen dient voorkomen te worden.
•
De heesters moeten goede bodembedekkende eigenschappen hebben. Dus geen oppervlakkig wortelstelsel of aanleg tot wortelopslag.
•
Er moet rekening gehouden worden met voldoende variatie in bloei en kleur en beplantingsplan in zijn geheel moet een positieve bijdrage leveren aan het versterken van de biodiversiteit.
•
Toepassing soorten ter goedkeuring van gemeente.
•
Geen ziektegevoelige soorten toepassen.
•
Rond speelplekken en scholen geen giftige soorten of soorten met stekels of doornen toepassen.
•
Helling ondergrond maximaal 1:3.
•
•
Breedte / oppervlak plantvak: o grove heesters minimaal 4 m/ 40 m2. o fijne heesters: minimaal 1,5 m/ 4 m2. Het aantal kleine heestervakken dient tot een minimum beperkt te blijven.
Bodembedekkende (bloem)heesters
•
Bodembedekkende heesters worden toegepast op plaatsen waar hoge beplanting het zicht op bijvoorbeeld de rijweg zou ontnemen of als vulling van smalle beplantingsvakken.
•
Bodembedekkende heesters zijn bruikbaar als geleiding langs voetpaden of voor toepassing bij kruispunten.
Halfopgaande (bloem)heesters
•
Halfopgaande heesters worden toegepast als afscherming tussen voet- /fietspaden en rijwegen, en zijn ook geschikt voor toepassing bij kruispunten.
Opgaande (bloem)heesters
•
Hoge beplanting met een opgaande groeiwijze wordt vaak toegepast als solitair in lagere heesters maar kan ook voor gehele vakvulling worden gebruikt.
•
Opgaande heesters zijn niet bruikbaar op locaties waar overzicht noodzakelijk is zoals nabij kruispunten.
6.6 Onderdeel Algemene eisen & randvoorwaarden
HIOR Zevenaar
Bermen Eisen en uitgangspunten •
Standaard inzaaien bermmengsel Biodivers Margrietenmengsel B103. Een ander mengsel is ter goedkeuring van gemeente. Ook bij graafwerkzaamheden K&L margrietenmengsel B103 toepassen.
•
Bermen dienen 20mm onder de naastgelegen verharding/kantopsluiting te worden afgewerkt.
versie 1.0 d.d.18-1-2022
33
7
Openbare verlichting
Onderdeel Algemene eisen & randvoorwaarden
Eisen en uitgangspunten •
De gemeente streeft naar een kwalitatief optimale openbare verlichting waarbij de energie-efficiëntie onderdeel uitmaakt van de totale kwaliteitsbeoordeling van de openbare verlichting.
•
Ontwerpplan openbare verlichting dient te voldoen aan de Richtlijn voor Openbare Verlichting ROVL-2011
•
De toetsing van het ontwerpverlichtingsplan met bijbehorende berekening en (inclusief kabelberekening) op deze richtlijnen en eisen gebeurt door de verlichtingsdeskundige van de afdeling Beheer. De opdracht aan een aannemer door de initiator kan pas worden gegeven na schriftelijke goedkeuring van het verlichtingsplan door de gemeente.
•
Alle kosten, waaronder de kosten voor het ontwerp, de toetsing door de gemeente en de kosten voor het leveren en aanbrengen van de OV installatie en onderhoud gedurende periode tussen aanbrengen en overdracht zijn voor rekening van de exploitant, tenzij dit in de realiseringsovereenkomst anders is bepaald. Hieronder vallen ook de (aansluit)kosten die door netbeheerder rechtstreeks bij de gemeente in rekening gebracht worden. Deze worden 1 op 1 direct doorbelast naar de exploitant.
•
Alle kosten met betrekking tot de aanleg van het OV-installatie zijn voor initiatiefnemer, dit geldt vanaf de initiatiefase tot en met de daadwerkelijke overdracht conform onderstaande eisen en randvoorwaarden in het handboek technische inrichtingseisen 2021. Voor de duidelijkheid bestaan de kosten onder andere uit; o Ontwerptraject in samenspraak met gemeente Zevenaar; o Na definitieve goedkeuring van het ontwerp volgt het leveren en aanbrengen van de OV-installatie; o Het onderhouden van de OV-installatie tot aan overdracht; o Voor de ingebruikname brengt de netbeheerder (gemeente Zevenaar) kosten in rekening, deze kosten zullen worden doorbelast aan initiatiefnemer; o Kosten experts gemeente Zevenaar, deze kosten worden op basis van nacalculatie doorbelast aan initiatiefnemer;
• •
HIOR Zevenaar
Bij het ontwerpen en berekenen van het verlichtingsplan dienen de volgende uitgangspunten te worden gehanteerd: o De O.V.-installatie dient op een eigen net te worden aangesloten; o het verlichtingsniveau moet zijn aangepast aan de wegcategorie; o waar het plan aansluit aan bestaande projecten dient de verlichting hierop goed aan te sluiten, ter goedkeuring van de beheerder openbare verlichting gemeente Zevenaar afdeling BOR o rekening dient te worden gehouden met de aanwezigheid van bomen of te planten bomen; o Bij herschikking van bestaande lichtmasten dient men ervan uit te gaan dat bestaande lichtmasten niet te herplaatsen zijn, maar dienen te worden vervangen op de nieuwe locatie. o Voor zover met de Standaard 2020 of met de voorschriften niet in strijd, behoren hiertoe mede als waren zij er letterlijk in opgenomen: o - NEN 1010 laatste druk, Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties; o - NEN 3140:herziene versie 2018, Laagspanningsinstallaties - bepalingen voor o veilige werkzaamheden inspectie en onderhoud; o - NEN-EN 50110-1:2013, Bedrijfsvoering van elektrische installaties; o - UNOG 2015, Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren; o - CROW publicatie 96B "Veilig werken aan wegen"; o - CROW-publicatie 500 "Schade voorkomen aan kabels en leidingen". o NSVV Richtlijn voor openbare verlichting ROVL-2011
versie 1.0 d.d.18-1-2022
34
7.1
Verantwoordelijkheden en bevoegdheden m.b.t. NEN 3140
Onderdeel Algemene eisen & randvoorwaarden
•
Vanaf het moment van opdracht tot en met het moment van oplevering is de opdrachtnemer verantwoordelijk voor alle elektrotechnische handelingen op het werk, voortvloeiend uit dit bestek, als installatie verantwoordelijke (IV-er) volgens de NEN3140. Deze verantwoordelijkheid omvat tevens die van de werkverantwoordelijke (NEN3140) en wordt verder in dit handboek inrichting openbare ruimte operationeel Installatie verantwoordelijke (OIV-er) genoemd.
•
Voor de uitvoering van het werk wijst de opdrachtgever schriftelijk de operationeel installatie verantwoordelijke (OIV-er) aan en overhandigt de opdrachtnemer een door de OIV-er ondertekend afschrift van de aanwijzing binnen 7 dagen na aanvang van het werk aan de directie. Uit deze afschriften dient onomstotelijk vast te staan dat de aangewezen personen de schriftelijke aanwijzing hebben geaccepteerd.
•
Alle personen die elektrotechnische werkzaamheden uitvoeren in het kader van het bestek, dienen te allen tijde te kunnen aantonen, dat zij zijn aangewezen als werkverantwoordelijke (WV-er) en/of vakbekwaam persoon (VP-er). Een lijst met de persoonsgegevens van alle WV-ers en VP-ers, aangevuld met de hoogst door hen genoten opleiding op elektrotechnisch gebied, die zij met succes hebben afgerond, dient binnen 7 dagen na de datum van aanvang aan de directie te worden overhandigd. Bij elke wijziging in de lijst dient direct een bijgewerkte lijst aan de directie te worden overhandigd.
•
Voor alle elektrotechnische handelingen, leveranties en inbedrijfstelling ontheft de OIV-er van de opdrachtnemer, de IV-er van de opdrachtgever, voor alle aansprakelijkheid voortvloeiend uit het werk. De genoemde verantwoordelijkheid komt pas weer bij de IV-er van de opdrachtgever te liggen wanneer aan alle onderstaande handelingen is voldaan. Wanneer de gehele installatie of schriftelijk overeengekomen delen hiervan volledig zijn opgeleverd door de opdrachtnemer;
•
Alle op het werk, of de schriftelijk overeengekomen delen hiervan, betrekking hebbende revisietekeningen compleet zijn overgedragen volgens de eisen vermeld in deze bestekrevisietekeningen en zijn geaccepteerd door de IV-er van de opdrachtgever. Alle op het werk, of de schriftelijk overeengekomen delen hiervan, betrekking hebbende gebruiksaanwijzingen compleet zijn overgedragen volgens de eisen vermeld in handboek en zijn geaccepteerd door de IV-er van de opdrachtgever. Schriftelijke overdracht van verantwoordelijkheid van de OIV-er van de opdrachtnemer naar de IV-er van de opdrachtgever, zodra de IV-er van de opdrachtgever het document, voor akkoord heeft ondertekend. De opdrachtnemer blijft verantwoordelijk voor alle directe en indirecte gevolgen van alle uitgevoerde werkzaamheden binnen dit handboek, die voortvloeien uit een onvolkomenheid in de installaties, revisietekeningen en handleidingen, die volgens het gestelde in paragraaf 12, lid 2 van de U.A.V. 2012 zijn aangemerkt.
•
7.2
Masten - soort materiaal, afmetingen en onderlinge afstanden masten
Onderdeel Algemene eisen & randvoorwaarden
Bij de verschillende wegcategorieën en situaties dienen de volgende mastsoorten, masthoogten, mastafstanden en vrije ruimte tussen de lichtmast en een te planten c.q. aanwezige boom, uitgaande van een opsnoeihoogte van minimaal 2.50 m, te worden gehanteerd.
Wegcategorie
Materiaal mast
Hoogte mast
Hoofdstructuur
Staal gegalvaniseerd
8-10 m
Verkeersklasse 2
Staal gegalvaniseerd
4-6 m
Verkeersklasse 1
Staal gegalvaniseerd
4-6 m
Fietspad (vrijliggend)
Staal gegalvaniseerd
4m
Voetpad (vrijliggend)
Staal gegalvaniseerd
4m
HIOR Zevenaar
versie 1.0 d.d.18-1-2022
35
Onderdeel
Materiaal
Alle masten
•
Conische stalen thermisch verzinkte mast
Verjongde stalen thermisch verzinkte mast (lph 6m)
Verjongde stalen thermisch verzinkte mast (lph 8m)
HIOR Zevenaar
•
Grondstukbehandeling: Het ondergrondse deel van stalen lichtmasten inclusief 250 mm van het aansluitende bovengrondse deel dient aan de buitenzijde te worden voorzien van HMR over de gehele lengte van het grondstuk. Maaiveldbescherming type HMR aangebracht tot 25 cm boven maaiveld. Toe te passen HMR conform specificaties VDL mast Solutions BV. Deurafmeting: 400 x 100 mm - Deuropening: Voorzien van 4 nokken
•
Deur voorzien van: knevelaansluiting met driekante kop 11 mm
•
Montagerail: voorzien van 2 glijmoeren en aardbout
•
De lichtmasten dienen tot aan het maaiveld aan de binnenzijde te worden afgevuld met brekerzand.
•
De lichtmasten moeten, in overleg met afdeling Beheer, worden voorzien van een nummer
•
Bij thermisch verzinken moet het zinkwerk aangebracht worden volgens de norm NEN-EN-ISO1461.
•
Lichtpunthoogte: 4 m' boven maaiveld
•
Voetdiameter: 145 mm, wanddikte: 3 mm
•
Opzetdiameter: 60 mm
•
Grondstuklengte: 1000 mm
•
Onderkant deur vanaf maaiveld: 500 mm
•
Lichtpunthoogte: 6 m' boven maaiveld
•
Voetdiameter: 121 mm, wanddikte: 4 mm
•
Hoogte 1e verjonging vanaf maaiveld: 1400 mm
•
Diameter: 76 mm, wanddikte: 2,9 mm
•
Hoogte 2e verjonging vanaf maaiveld: 4200 mm
•
Diameter: 48 mm, wanddikte: 2,9 mm
•
Voorzien van enkele uithouder: 850 mm
•
Hoek uithouder in graden: 5
•
Opschuifdiameter: 48 mm
•
Grondstuklengte: 1200 mm
•
Onderkant deur vanaf maaiveld: 600 mm
•
Lichtpunthoogte: 8 m' boven maaiveld
•
Voetdiameter: 159 mm, wanddikte: 4 mm
•
Hoogte 1e verjonging vanaf maaiveld: 1500 mm
•
Diameter: 102 mm, wanddikte: 3,6 mm
•
Hoogte 2e verjonging vanaf maaiveld: 4200 mm
•
Diameter: 76 mm, wanddikte: 2,9 mm
•
Hoogte 3e verjonging vanaf maaiveld: 5900 mm
•
Diameter: 60 mm, wanddikte: 2,9 mm
•
Voorzien van enkele uithouder: 1500 mm
•
Hoek uithouder in graden: 5
•
Opschuifdiameter: 60 mm
•
Grondstuklengte: 1500 mm
•
Onderkant deur vanaf maaiveld: 600 mm versie 1.0 d.d.18-1-2022
36
Onderdeel
Materiaal
Verjongde stalen thermisch verzinkte mast (lph 10m)
7.3
•
Lichtpunthoogte: 10 m' boven maaiveld
•
Voetdiameter: 168 mm, wanddikte: 4,5 mm
•
Hoogte 1e verjonging vanaf maaiveld: 1700 mm
•
Diameter: 121 mm, wanddikte: 4 mm
•
Hoogte 2e verjonging vanaf maaiveld: 3900 mm
•
Diameter: 76 mm, wanddikte: 2,9 mm
•
Hoogte 3e verjonging vanaf maaiveld: 5900 mm
•
Diameter: 60 mm, wanddikte: 2,9 mm
•
Voorzien van enkele uithouder: 1500 mm
•
Hoek uithouder in graden: 5
•
Opschuifdiameter: 60 mm
•
Onderkant deur vanaf maaiveld: 600 mm
•
Grondstuklengte: 1500 mm
Armaturen – materiaalkeuze
De armaturen dienen ten minste van IP-klasse 65 en vandalismebestendig te zijn en te zijn voorzien van een hoog frequent elektronisch voorschakelapparaat. Toepassing van afwijkende uitvoeringen en modellen zijn alleen na acceptatie door de afdeling Beheer van de gemeente Zevenaar mogelijk. Onderdeel
Materiaal
Armaturen en lampen
•
TECEO van schreder, lichtkleur 3000 of 4000 kelvin dimregime 3a (lensoptiek en aantaL lumen afhankelijk van de lichtberekening)
•
FRIZA van schreder, lichtkleur 3000 kelvin dimregime 3a (lensoptiek en aantal lumen afhankelijk van de lichtberekening)
•
Mini Luma van signify, lichtkleur 3000 of 4000 kelvin dimregime 3a (lensoptiek en aantal lumen afhankelijk van de lichtberekening)
•
Macro Luma van signify, lichtkleur 3000 of 4000 kelvin dimregime 3a (lensoptiek en aantal lumen afhankelijk van de lichtberekening)
•
Luma van signify, lichtkleur 3000 of 4000 kelvin dimregime 3a (lensoptiek en aantal lumen afhankelijk van de lichtberekening)
7.4
Eisen aan uitvoering
Onderdeel
Uitgangspunten beleid
Grondwerk en ontgraving
Eisen en uitvoering kabelwerk HIOR Zevenaar
•
De bodem van de sleuf vlak maken en de puin en/of andere scherpe voorwerpen verwijderen.
•
De sleuf dient aan het einde van iedere werkdag te worden aangevuld.
•
Indien de sleuf zich in klinker-of tegelbestrating bevindt, dient de bovenliggende bestrating te zijn aangebracht en afgetrild.
•
Nadat de mantelbuis op de bodem van de sleuf is gelegd, de sleuf eerst aanvullen met ten minste 0,20 meter uitkomend schoon zand. Deze laag niet machinaal verdichten.
•
Door de aannemer dient in de voedingskast een actueel en door de gemeente goedgekeurd installatieschema te worden aangebracht. Daarop dient duidelijk te zijn weergegeven waarvoor de afgaande groepen gebruikt zijn. versie 1.0 d.d.18-1-2022
37
Onderdeel
Aansluiten armaturen
Plaatsing
Stickers
Eisen aanbrengen van schakel- en verdeelinrichtingen
HIOR Zevenaar
Uitgangspunten beleid •
De toe te passen grondkabel dient van het type EO-YmzKZhas (halogeenvrij) te zijn (minimale eis kabel 4 x 2,5 mm²).
•
Mantelbuis moet minimaal 50 cm onder maaiveld te worden aangebracht.
•
Alle grondkabels dienen in een groene mantelbuis PE rond 50 mm PN 8 te worden aangebracht. Aan de mantelbuis moeten op een onderlinge afstand van 1 meter een op de buis met tekst zijn aangebracht Openbare Verlichting gemeente Zevenaar
•
Grondkabel dient te worden aangesloten volgens het principe in-uit tot aan het fagetkastje. Ondergrondse moffen zijn niet toegestaan.
• •
De bekabeling tussen armatuur en fagetkastje dient zo aangebracht te worden, dat het op de kabel aanwezige druipwater/condens nooit in aanraking kan komen met elektrische componenten. Gerekend vanaf het fagetkastje mag het aansluitsnoer maximaal 50 cm overlengte hebben onder het fagetkastje en moet voorzien van passende adereindhulsjes. Elke lichtmast moet voorzien zijn van een montagerail voorzien van: 2 glijmoeren en aardbout.
•
1 patroonhouder type Faget LS-94E zekering van: 6 ampère en stijgkabel 3 x 1,5 mm² edrateen.
•
Een metalen lichtmast moet geaard zijn. Vaak wordt de aarding gerealiseerd op de achterwand van de mast (glijrail) of op een apart aangebrachte aardingsvoorziening, links naast de deur, in het montagecompartiment. Deze voorziening moet volgens de NEN-normen (NEN-EN 40-2 en NEN 1010):
•
herkenbaar zijn als aardingsvoorziening,
•
duidelijk zichtbaar en makkelijk toegankelijk zijn,
•
uitgevoerd worden als een boutverbinding in minimaal M8 maatvoering
• •
Lichtmasten dienen altijd in de verharding geplaatst te worden. Bij voorkeur achter in het trottoir direct voor de opsluitband. Bij uitzondering in beplanting, gazon of binnen <5 meter van een boom, weg en parkeerstrook. Dit kan alleen met de uitdrukkelijke toestemming van de directievoerder openbare verlichting van de afdeling BOR Tijdens het takelen van de lichtmast mag het gewicht van de lichtmast niet gedragen worden door middel van slechts één hijshaak in één deuropening
•
Tijdens het plaatsen van de lichtmast mag de lichtmast niet beschadigd worden door een kraantop. De kraantop moet afdoende beschermd zijn om dit te voorkomen
•
Deuren worden bij voorkeur zo in de mast geplaatst, dat ze vanaf de weg bekeken aan de achterzijde van de lichtmast komen, dus aan de zijde die van de weg is afgekeerd
•
Zorg dat lichtmasten in een vloeiende lijn langs de weg komen te staan.
•
Ontstane gaten in bestrating rondom lichtmasten opvullen met 5 cm koud asfalt.
•
De gemeente Zevenaar stelt de stickers en de nummers beschikbaar die op de lichtmasten moet worden aangebracht.
•
De initiator dient alle stickers welke loskomen van de ondergrond te vervangen.
•
Het vervangen van stickers dient te geschieden binnen twee weken na melding van de gemeente Zevenaar.
•
De aannemer dient de stickers op 2,60 m van af maaiveld gemeten te bevestigen.
•
Stickers dienen netjes recht te worden aangebracht.
•
Stickers moeten zichtbaar zijn vanaf de weg.
•
Voedingskast moet voldoen aan de volgende eisen: o Geïsoleerd dak; o Zuiver horizontale opstelling; o Roestvast staal met een afwerklaag, kleur mosgroen RAL 6005, in een laagdikte van 70 micron; o Ruimten in de schakel- en verdeelinrichting voorzien van Melamine montageborden met een minimale hoogte van 880 mm; o Minimale grootte afhankelijk van de OV-installatie. In de OV kast moet voldoende vrije ruimte overblijven om er 2 groepen bij te kunnen plaatsen voor eventuele uitbreidingen in de toekomst. o Afzonderlijk afsluitbaar compartiment voor het niet energieleverend bedrijf is niet noodzakelijk; o Schakel- en verdeelinrichting voorzien van roestvaststalen (eventueel) koppelbare fundatie. o Elke deur voorzien van een windhaak. o Een spanjonetaansluiting voorzien van een driepuntvergrendeling bij kasten. o Aan de binnenzijde van de schakel- en verdeelinrichting moet een documentatiehouder zijn aangebracht ten behoeve van revisietekeningen.
versie 1.0 d.d.18-1-2022
38
Onderdeel
Uitgangspunten beleid •
•
HIOR Zevenaar
De schakel- en verdeelinrichting moet zijn voorzien van: o Een hydrostatisch geregelde elektrische verwarmingsunit van maximaal 30 Watt die ervoor zorgt dat de luchtvochtigheid niet boven 75% uitkomt. o Een binnenverlichting voorzien van een PL 9 Watt geschakelde lamp d.m.v. een deurcontact. o Een wandcontactdoos twee-polig met beschermingscontact en beveiligd met een alamat 10A/30 mA; o Een roestvrijstalen fundatie, compleet instelbare kabelhouders, geschikt voor bevestiging kabelbeugels; o De groepschakelaars dienen direct bereikbaar te zijn; o Bedienings- en controleorganen voorzien van tekstplaatjes met daarop de vermelding van de functie van het orgaan en een volgnummer codering volgens kasttekening (geel met zwarte letters); o Voor alle afgaande geschakelde eindgroepen dient één overbruggingsschakelaar te zijn, welke direct vanaf de deksel bedienbaar is. Laagspanningsverdeelkast met 2 velden: o Fase + nul. Verdeelinrichting onderbrengen in RVS behuizing. o Kast moet voorzien zijn van een aardingsvoorziening. o Groepen geschikt voor kabel (soort kabel komt uit de kabel en verlichtingsberekening). o Afgaande groepen (per fase) beveiligen middels conventioneel bekabelingbeveiligingssysteem. o Roestvaststalen kast, type O&K, RVN 22, voor buitenopstelling. o Bijbehorende roestvaststalen fundatie. Inclusief fundering afvullen tot maaiveld met vochtwerende korrels EBW.
o Kunststof IP 65 kastencombinatie, afmetingen hxb= 640 x 960 mm, bevattende: o 1 lastscheider 4p 63A; o 1 set overspanningsafleiders; o 3 installatieautomaten 1p B6A t.b.v. Protec voiding; o 1 voeding module PRO-TEC 5000 best of three t.b.v. voeding tijdklok en tij vertragende relais; o 1 aardlekautomaat 1p B16A-30 mA t.b.v. WCD’s en verlichting; o 4 relais t.b.v. aansturen eindgroepen; o Groepen 2/m 4 worden vertraagd ingeschakeld. Groep 2 vertraging 20 sec. groep 3 vertraging 40 sec en groep 4 vertraging 60 sec. o 12 installatieautomaten B10A o 12 relais t.b.v. eindgroepen Releco CHI14-UC24-240V o 1 omschakelaar H-0-A o Deksels transparant zonder hulp van gereedschap te openen. o Alle kasten voorzien van afschermplaten o De Installatie van de kast dient te voldoen aan de meest recente installatievoorschriften van PRO TEC 5000.