CConstaterende datZevenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. 1292992 - TAM-omgevingsplan Mercurion 34 Zevenaar - Motivering

Commissie Ruimte 20 mei 2026, gemeente ZevenaarBij agendapunt: Z/25/504052 TAM-omgevingsplan ‘Hoofdstuk 22f Mercurion 34 Zevenaar’23.934 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Hieruit blijkt dat de 'normale procedure' doorlopen moet worden, waarbij er overleg met waterschap Rijn en IJssel gevoerd dient te worden. In Bijlage 11 is de samenvatting van het wateradvies opgenomen. 5.5.2

Conclusie

Het project is niet in strijd met de waterschapsverordening.

34

Hoofdstuk 6 6.1

Goede omgevingskwaliteit

Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking (vaak kortweg aangeduid als Ladder) is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.129g Bkl) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Als een initiatief (onder meer) bestaat uit de ontwikkeling/uitbreiding van een bedrijventerrein, zeehaventerrein, woningbouwlocatie, een detailhandelsvoorziening, van kantoren of een andere stedelijke ontwikkeling dan moet de behoefte aan de ontwikkeling aangetoond worden. Dit om te komen tot zorgvuldig ruimtegebruik en leegstand tegen te gaan. Daarbij moet ingegaan worden op: De behoefte aan het voornemen. Als een stedelijke ontwikkeling buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk gebied groen aan de rand van de bebouwing van het stedelijk gebied voorzien is: de mogelijkheden om binnen dat gebied in die behoefte te voorzien. Bij de vestiging van een dienst zoals bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet moet aangetoond worden dat de vestiging van de dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 6.1.1

Beoordeling

In artikel 5.129g van het Bkl staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Voorliggend initiatief wordt aangemerkt als een woningbouwlocatie. De Laddertoets wordt alleen uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. Relevant voor onderhavig plan is de jurisprudentie waarin bepaald is dat een plan onder stedelijke ontwikkeling valt indien er sprake is van 'Overige stedelijke voorzieningen'. De 'Overige stedelijke voorzieningen' worden gedefinieerd als accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure. Gezien er een (zorg-)wooncomplex met 56 zorgappartementen en 18 reguliere huurappartementen worden ontwikkeld, is er sprake van een 'Overige stedelijke voorziening'. Om deze redenen is er een toets gemaakt voor de ladder van duurzame verstedelijking. Deze is toegevoegd als Bijlage 4. Geconcludeerd kan worden dat met het plan binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien in zowel de kwantitatieve als kwalitatieve behoefte binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de (her)ontwikkellocatie.

De ontwikkeling voldoet daarmee aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. 6.1.2

Conclusie

Het aspect ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

6.2

Stedenbouw

Vanuit stedenbouw wordt gekeken of nieuwe gebouwen goed in de omgeving passen (ligging, functioneel en hoofdvormen).

35

6.2.1

Beoordeling

Er is door Buro Ontwerp & Omgeving een stedenbouwkundige analyse gemaakt, deze is bijgevoegd als Bijlage 3 bij deze motivering. Daarnaast zijn de belangrijkste uitgangspunten van de stedenbouwkundige analyse nader toegelicht in paragraaf 4.2. Het behoud van ruimte voor toekomstige functies is niet van toepassing met voorliggend initiatief. Verder wordt er geen infrastructuur getroffen in het projectgebied en liggen er geen buisleidingen die van nationaal belang zijn. Toename bouwoppervlak en -massa t.o.v. vigerende bestemmingsplan De toename aan bouwmassa ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan is het gevolg van een gewenste verstedelijkingsaccentuering binnen het kantorenpark Mercurion. Vanuit het gemeentelijk beleid (Structuurvisie 2030, Woonvisie 2015–2025 en Liemerse Woonagenda 2020–2025) is nadrukkelijk ingezet op inbreiding met hogere dichtheden binnen bestaand stedelijk gebied. Daarmee wordt zorgvuldig ruimtegebruik bevorderd en wordt de druk op uitleglocaties voorkomen. De locatie aan de Mercurion leent zich bij uitstek voor een meer stedelijke massaopbouw: Het perceel maakt deel uit van een stedelijk bouwblok met grote volumes en platte daken (kantoren en maatschappelijke voorzieningen), waarin een hoogteaccent stedenbouwkundig passend is. De opbouw in lagen zorgt voor een trapsgewijze overgang naar de omgeving.

Richting de Hunneveldweg en de aangrenzende woonwijk wordt de hoogte afgebouwd en blijft de bestaande groenstructuur met bomenrij van circa 12 m behouden, waardoor de feitelijke visuele impact beperkt is. De 4 m onbebouwde zone functioneert als groene voorzone en visuele buffer, waarmee aansluiting wordt gezocht bij de rooilijnen en groene inrichting van het kantorenpark. Deze maat is niet willekeurig, maar volgt de bestaande stedenbouwkundige rooilijnsystematiek binnen Mercurion en waarborgt voldoende ruimte voor openbaar groen, entrees en verblijfskwaliteit. De oriëntatie en articulatie van de massa (accent aan de oostzijde richting de openbare ruimte, lagere volumes aan de westzijde) versterken de leesbaarheid van het bouwblok en creëren een stedelijk herkenningspunt aan de entree van het gebied. Het hoge bouwdeel is bovendien een bewuste stedenbouwkundige keuze, voortgekomen uit overleg met het college van B&W (juli 2023), waarin is gevraagd om op deze locatie te kijken naar mogelijkheden voor optopping, passend bij de representatieve uitstraling van Mercurion. Samengevat is de bouwmassa een evenwichtige vertaling van de randvoorwaarden: zorgvuldig ruimtegebruik binnen bestaand stedelijk gebied, visuele inpassing door groenstructuren en hoogte-opbouw, aansluiting bij de schaal van omliggende bebouwing, en een bewust stedenbouwkundig accent ter afronding van het bouwblok.

stedenbouwkundige

De beoogde opzet biedt zodoende een goede balans tussen intensivering, ruimtelijke kwaliteit en belevingswaarde, en vormt een verantwoorde toename van de massa binnen de context van Mercurion. Nadere toetsing aan het aspect stedenbouw is om die reden niet van toepassing. 6.2.2

Conclusie

Het aspect stedenbouw vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

36

6.3

Welstand

Bij nieuwbouw of verbouw beoordeelt de gemeente met een welstandstoets of het bouwwerk past in de omgeving. Dit doet de gemeente op basis van de aanvraag voor een omgevingsvergunning. Vanuit welstand wordt voor nieuwe gebouwen gekeken naar de gedetailleerde onderdelen (dakkappellen e.d.), gevelindelingen, kleuren en materiaalgebruik. De regels voor een welstandstoets zijn opgenomen in artikel 22.7 en 22.29 van de bruidsschat. Daarmee maken deze regels deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Daarnaast geldt specifiek voor de welstandsnota overgangsrecht. Dit staat in artikel 4.114, lid 1 van de Invoeringswet Omgevingswet. Nadat de Omgevingswet in werking is getreden, is de welstandsnota een beleidsregel, als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Dit artikel regelt dat als regels over het uiterlijk van bouwwerken uitleg behoeven, de gemeenteraad beleidsregels vaststelt. Dit betekent niet dat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet de beleidsregels over de plaatsing van het bouwwerk in de welstandsnota vervallen. Ook deze onderdelen van de welstandsnota worden meegenomen bij de behandeling van de bouwaanvraag (artikel 22.29 van de bruidsschat). Naast de welstandsnota kan ook een beeldkwaliteitsplan worden opgesteld. Dit toetsingskader is vormvrij en kan betrekking hebben op een specifiek gebied.

Het beeldkwaliteitsplan beschrijft de gewenste beeldkwaliteit van de bebouwing en de buitenruimte en bevat toetsbare criteria. Het is een verbindend element tussen landschap, architectuur en stedenbouw. Het plan geeft aanbevelingen en richtlijnen voor de vormgeving van bebouwing en de inrichting van de ruimte. Indien het beeldkwaliteitsplan gebruikt gaat worden voor de formele toetsing van de uiteindelijke bouw- en inrichtingsplannen, dient naar het beeldkwaliteitsplan te worden verwezen in de planregels. Daarnaast zal de welstandsnota (beleidsregel) moeten worden aangevuld als het ook als toetsingskader voor de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit moet dienen. Het beeldkwaliteitsplan kan dan het kader vormen voor die aanvulling. 6.3.1

Beoordeling

De gemeente Zevenaar heeft een welstandsnota vastgesteld onder de naam Nota Ruimtelijke Kwaliteit Gemeente Zevenaar 2012. Op de navolgende afbeelding is weergegeven waar het projectgebied ligt op de Welstandskaart. Het projectgebied is in deze afbeelding aangeduid met een rode belijning.

37

Welstandskaart Nota Ruimtelijke Kwaliteit Gemeente Zevenaar 2012

Zoals is af te lezen uit de kaart is het projectgebied gelegen in welstandsniveau 'Regulier'. Hieronder vallen gebieden, die vanuit het perspectief van de gehele gemeente geen zware toetsing nodig hebben, maar waar wel aanleiding is om alert te blijven op de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. In deze gebieden dient de basiskwaliteit gehandhaafd te worden, voor zover deze niet grenzen aan belangrijke wegen of openbare ruimtes. Volgens de Nota zijn de volgende beoordelingsaspecten van toepassing voor welstandsniveau 'Regulier': Relatie met omgeving (ligging); Bouwmassa; Materialen en kleuren; Relatie met de omgeving: In de omgeving van het plangebied liggen grote, massieve bouwblokken met een strakke uitstraling, wat kenmerkend is voor een kantorenpark. De functies van deze gebouwen zijn in lijn met deze uitstraling en bestaan uit maatschappelijke voorzieningen en bedrijfsruimtes. De bouwblokken variëren in hoogte van één tot drie verdiepingen en zijn op een logische manier naar de straat georiënteerd. De achterkanten van de gebouwen zijn naar elkaar gericht. Een nieuw appartementencomplex, naar buiten georiënteerd, zou het stedenbouwkundige bouwblok kunnen afronden. Bij de positionering van het gebouw is het wenselijk om enige afstand tot de 'straatzijde' of 'voorzijde' (noordelijke en oostelijke perceelsgrens) te hebben. Dit is ook te zien bij de bestaande bebouwing.

Het is wenselijk om minimaal 4 meter uit de perceelsgrens te blijven. Binnen deze zone zijn op hoogte wel balkons mogelijk. Daarnaast kan de rooilijn van naastgelegen gebouw worden aangehouden. Bouwmassa Er is door Buro Ontwerp & Omgeving in de stedenbouwkundige analyse een massa studie uitgevoerd. Hieronder staan de belangrijkste punten beschreven. Voor de massa studie zelf wordt verwezen naar

38

Bijlage 3. In zuidelijke richting bevinden zich de bestaande woningen. Tussen het nieuwe appartementencomplex en de bestaande woningen bevindt zich de bomenlaan aan de Hunneveldweg, met bomen van ca. 12m hoog. De bomenlaan zorgt ervoor dat een gebouw van 6 lagen niet zichtbaar is vanaf de woningen. In noordelijke richting bevindt zich het kantoorgebouw aan de Mercurion 32. Het zicht op het groen aan de Hunneveldweg wordt met het nieuwe complex verbroken. Gezien de functie heeft het aantal lagen van het appartementcomplex minder invloed dan de woningen aan de zuidzijde. Echter is het wel gewenst om tussen het nieuwe appartementencomplex en het kantoor een groene buffer te maken van meer dan alleen de bestaande haag. Bij voorkeur een door middel van een bomenrij van ca. 10m hoog. In westelijke richting bevindt zich op enige afstand (ca. 35m) de tandartspraktijk aan de Reisenakker 2 en het kantoorgebouw aan de Reisenakker 4. Om een geleidelijke overgang te maken richting het hoogte accent van het nieuwe appartementencomplex is het wenselijk dag de westzijde of 'achterzijde' lager is. Door deze zijde maximaal 4 lagen te maken sluit het beter aan op de omliggende bebouwing. In oostelijke richting bevindt zich de basisschool met schoolplein aan de Mercurion nr. 36. Het nieuwe appartementen complex komt op minimaal 32m van het schoolgebouw.

Om het gebouw minder massief te laten lijken kan aan deze zijde een architectonische verbijzondering worden gemaakt. Materialen en kleuren Er is door Buro Ontwerp & Omgeving een inrichtingsplan gemaakt waarin de materialisatie is toegelicht. Hiervoor wordt verwezen naar Bijlage 2. De materialen en kleuren die worden gebruikt voor de bebouwing zijn nader te bepalen. De materialen die worden gebruikt zullen duurzame materialen zijn die passen bij de omgeving en de inpassing van groen. De kleuren die zullen worden gebruikt zullen aansluiten op de overige bebouwing van panden aan de Mercurion. 6.3.2

Conclusie

Volgend op de wijziging van het omgevingsplan volgt de vergunningsprocedure, waarbij het plan verder is uitgewerkt. In die fase wordt het plan getoetst aan de welstandsnota, en dient het uiteraard te voldoen aan dit beoordelingskader.

6.4

Mobiliteit en parkeren

In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). Wel is een veilige en gezonde fysieke leefomgeving één van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (artikel 1.3 Ow). De gemeente Zevenaar neemt hierdoor ook verkeersveiligheid mee in haar afwegingen. Zo zal verkeersveiligheid, een goede afhandeling van verkeersstromen en het voorkomen van (voorzienbare) parkeerhinder voor de gemeente een rol spelen bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (artikel 2.4 en 4.2 Ow) in het omgevingsplan. De inrichting en inpassing van infrastructuur in de omgeving heeft invloed op de veiligheid. Zo is voor een veilige indeling van een weg een bepaald ruimtebeslag noodzakelijk. Maar ook bebouwing of een bouwwerk naast de weg kan effect hebben op de verkeersveiligheid. Verkeersveiligheid is dan ook een onderdeel van de afweging om ruimte te verdelen en gebieden aan te wijzen voor een bepaalde functie. Van belang is dat bij een nieuwe ontwikkeling wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en een goede verkeersafwikkeling.

Bij de afweging tot het toedelen van functies aan locaties wordt tevens de verkeersaantrekkende werking van de betreffende activiteit betrokken. De gemeentelijke uitgangspunten voor parkeren zijn vastgelegd in het omgevingsplan in het onderdeel

39

'Paraplubestemmingsplan parkeren gemeente Zevenaar'. 6.4.1

Gemeentelijk beleid

Paraplubestemmingsplan parkeren gemeente Zevenaar De juridische borging van het gemeentelijke parkeerbeleid dient te gebeuren via het bestemmingsplan. Hiervoor is het voorliggende bestemmingsplan Paraplubestemmingsplan parkeren gemeente Zevenaar opgesteld. Dit is een partiële herziening en geldt aanvullend op de vigerende bestemmingsplannen. Voor de te hanteren parkeernormen wordt aangesloten bij de parkeerkencijfers van Nationaal kenniscentrum voor infrastructuur, verkeer en openbare ruimte (CROW: Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, 2024). Deze publicatie biedt een handreiking voor bijvoorbeeld het bepalen van het aantal verkeersbewegingen die een bepaalde functie genereert maar ook voor de parkeernorm (parkeerkencijfers) die bij de functie hoort. De parkeernorm neemt daarbij af naarmate het project dichter bij het centrum ligt van zeer stedelijk gebied en is het hoogst als het project in het buitengebied ligt van een niet stedelijk gebied. 6.4.2

Beoordeling

Verkeersbewegingen In de zorgappartementen komen twee doelgroepen te wonen. De eerste doelgroep bestaat uit cliënten met een verstandelijke beperking. De meeste cliënten hebben geen rijbewijs. Reizen is doorgaans per fiets, scooter of openbaar vervoer. Een enkele cliënt heeft een auto of een 45 km vervoermiddel. De tweede doelgroep bestaat uit cliënten met een psychische kwetsbaarheid. De meeste cliënten zijn niet in het bezit van een auto. Doorgaans maken zij gebruik van de fiets, scooter/brommer of openbaar vervoer. Dit betekent dat er ook geen verkeersbewegingen ontstaan door deze doelgroep. Echter zijn in het kader van de zorgvuldigheid de zorgappartementen meegenomen als 'aanleunwoning/serviceflat'. Dit betreft een worst-case benadering. Hiermee wordt het bezoek en de zorgmedewerkers meegenomen in de berekening. Voor een aanleunwoning/serviceflat geldt een gemiddeld aantal verkeersbewegingen van 2,45 per etmaal per woning. In totaal is er dus sprake van (56 x 2,45 =) 137,2 verkeersbewegingen per etmaal vanuit de zorgappartementen. Daarnaast worden er nog 18 reguliere huurwoningen met het initiatief gerealiseerd. Deze doelgroep zorgt tevens voor een toename in het aantal verkeersbewegingen. Om het aantal verkeersbewegingen te bepalen is gekeken naar de CROW parkeercijfers 2024.

Voor voorliggend initiatief is uitgegaan van het woningtype: 'Huur, appartement, sociale huur, <75m2 bvo'. Het projectgebied wordt aangewezen als 'Matig stedelijk' met de ligging 'Rest bebouwde kom'. De gemiddelde verkeersgeneratie bedraagt 2,7 per woning per etmaal. De totale verkeersgeneratie vanuit de reguliere huurwoningen bedraagt (18 x 2,7 =) 48,6 verkeersbewegingen per etmaal. De totale verkeersgeneratie komt worst-case uit op (137,2 + 48,6 =) 185,8 verkeersbewegingen per etmaal. De 185,8 verkeersbewegingen per etmaal kunnen gemakkelijk opgevangen worden via de ontsluitingsweg van de Mercurion. Hiermee is het aantal verkeersbewegingen voldoende verantwoord. Daarnaast zal de daadwerkelijke hoeveelheid verkeersbewegingen lager liggen dan het theoretische aantal. Parkeren Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het initiatief voorziet. De locatie ligt conform het paraplubestemmingsplan van de gemeente Zevenaar in deelgebied 'Parkeernormen Buitengebied'. Bij de berekening van het benodigde aantal parkeerplaatsen is uitgegaan van het volgend aantal functies:

40

56 zorgappartementen; 18 huurappartementen in midden/goedkoop segment. Voor zorgappartementen geldt dat deze gelijk worden gesteld aan een 'verpleeg- en verzorgingstehuis'. Voor deze functie geldt een parkeernorm van 0,6 per wooneenheid. Voor de appartementen geldt en parkeernorm van 1,1 per woning. In totaal ontstaat er een parkeerbehoefte van (0,6 x 56 + 1,4 x 18 = 58,8) afgerond 59 parkeerplaatsen. Op eigen terrein worden 23 parkeerplaatsen gerealiseerd. Er ontstaat hiermee een tekort van 36 parkeerplaatsen. Gezien dit theoretische tekort aan parkeerplaatsen, is een parkeeronderzoek uitgevoerd. Parkeeronderzoek Er is door Bureau de Groot Volker een notitie parkeerbalans uitgevoerd. Deze notitie is toegevoegd als Bijlage 5. De notitie heeft als doel om de parkeerdruk en de daaruit volgende restcapaciteit van de parkeerplaatsen in de omgeving van de Mercurion 34 in beeld te brengen, om vervolgens te concluderen of de parkeerbehoefte kan worden opgevangen in de omgeving. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies verwoord. Om de situatie met betrekking tot het parkeren inzichtelijk te maken, is dus een parkeerbalansberekening opgesteld. Voor de berekening van de parkeerbalans wordt eerst de parkeervraag per functie bepaald. Met de berekende parkeervraag kan worden bepaald of eventueel dubbelgebruik van parkeerplaatsen mogelijk is.

Een vergelijking tussen parkeervraag en parkeeraanbod biedt inzicht in het totaal aantal beschikbare parkeerplaatsen. In het jaar 2024 heeft Bureau de Groot Volker in de omgeving van de Mercurion 34 in Zevenaar parkeeronderzoeken uitgevoerd, welke is bijgevoegd als Bijlage 6. Op basis van de resultaten van dit onderzoek is de restcapaciteit van de parkeerplaatsen in de openbare ruimte vastgesteld. Op basis van de parkeervraag ten gevolge van het bouwplan en het beschikbare aanbod aan parkeerplaatsen is de parkeerbalans per dagdeel berekend. Uit de berekening blijkt dat op de meeste dagdelen een overschot aan parkeerplaatsen aanwezig is. Op de werkdagmiddag is de parkeervraag en het parkeeraanbod precies in balans. Op dit moment komt de parkeerbalans uit op 0 parkeerplaatsen. Naast de theoretische kencijfers is voor de zorgfuncties ook gekeken naar de verwachte parkeervraag in de praktijk. In de praktijk kan op sommige momenten nog wel een hogere parkeervraag voorkomen. Op basis van ervaring van de toekomstige gebruikers kan de parkeervraag op een werkdagmiddag nog met maximaal 6 parkeerplaatsen toenemen. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat de restcapaciteit in de openbare ruimte is berekend op basis van het maatgevende (drukste) meetmoment van in totaal 28 afzonderlijke meetmomenten.

Bij het bepalen van deze restcapaciteit is daarnaast ook gerekend met een maximale bezetting van 85% voor de openbare parkeerplaatsen. In de omgeving van de ontwikkeling is nog ruimte aanwezig voor de realisatie van extra openbare parkeerplaatsen. Sectie 5 uit het parkeeronderzoek (op de Mercurion) bestaat uit haal- en brengstroken voor de nabijgelegen basisschool. Tussen de parkeerplaatsen zijn verhoogde trottoirs aanwezig om passagiers te laten in- en uitstappen. In de praktijk worden deze parkeerplaatsen niet meer voor dit doel gebruikt. Uit de resultaten van het parkeeronderzoek blijkt dat deze parkeerplaatsen op de meetmomenten overdag vrijwel geheel bezet zijn (op werkdagen). Hierdoor zijn ze tijdens het halen en brengen van leerlingen niet voor dit doel beschikbaar. Door de aanwezige ruimte beter te benutten kunnen op deze locatie meer groen en meer parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Met het opnieuw inrichten van de helft van sectie 5 kunnen 6 extra parkeerplaatsen worden gerealiseerd. In totaal is hier ruimte voor maximaal 12 parkeerplaatsen. De aanleg van de parkeerplaatsen is voor rekening van de initiatiefnemer en hier zijn in de anterieure overeenkomst afspraken over gemaakt.

41

Parkeerplaatsen sectie 5, Mercurion (links) en de mogelijke oplossing voor extra parkeerplaatsen en groen (rechts)

Te concluderen valt uit het parkeeronderzoek dat met de herinrichting van de naastgelegen parkeerplaatsen er voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn om te voldoen aan de parkeerbehoefte die ontstaat door onderhavige ontwikkeling. 6.4.3

Conclusie

Het aspect mobiliteit en parkeren vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

6.5

Openbare ruimte

Bij nieuwe ontwikkelingen is aandacht voor het behouden en versterken van de (kwaliteit) van de (inrichting van de) openbare ruimte alsmede de mogelijke effecten op de openbare ruimte een belangrijk issue. Het robuust en klimaatbestendig inrichten wordt nadrukkelijk in de afweging betrokken. In paragraaf 5.1.8 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn regels opgenomen over het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. De instructieregel voor toegankelijkheid van de openbare buitenruimte heeft tot doel om het gebruik gemakkelijker te maken voor personen met een functiebeperking. Bij nieuwe ontwikkelingen moet de gemeente met dit belang rekening houden. Ook moet de gemeente die afweging maken bij bijvoorbeeld het stellen van regels over de bruikbaarheid van de openbare weg, zoals winkeluitstallingen en het plaatsen van hekken en fietsen. 6.5.1

Beoordeling

Voorliggend project voorziet in de realisatie van een (zorg-)wooncomplex. Hierbij wordt alleen terrein van het (zorg-)wooncomplex ingericht. Voor de materialisatie van de rijbaan en het voetpad wordt er gekozen voor klinkerverharding. Het wordt gerealiseerd in een beton of gebakken klinkerverharding in halfsteensverband. Voor het voetpad buiten het perceel worden betontegels gebruikt. Dit sluit aan op de bestaande voetpaden van de openbare ruimte. Voor de parkeerplaatsen wordt gebruik gemaakt van grasbetonsteen. De haaksparkeervakken worden gerealiseerd in waterdoorlatende betonverharding. Dit draagt bij aan de opvang en infiltratie van regenwater en versterkt het groene karakter van het gebied. Daarbij zal er met het project diverse bomen en beplanting worden aangelegd. Dit draagt bij aan het groene karakter van het gebied en het klimaatbestendig inrichten. Daarbij wordt er een beukenhaag aangelegd om het gebied af te scheiden. Naast groen zijn er nog enkele overige inrichtingselementen

42

zoals bankjes die worden gerealiseerd. Op verschillende plekken worden ontmoet- en zitgelegenheden gecreëerd met bankjes of picknicktafel. De banken en de picknicktafel hebben een natuurlijke uitstraling. 6.5.2

Conclusie

Het aspect openbare ruimte vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project, omdat er geen (nieuwe) openbare ruimte wordt ingericht.

6.6

Cultureel erfgoed

Bij erfgoed zijn twee beleidsbenaderingen van belang die maken dat archeologie en cultuurhistorie als belangrijke versterkers en aanjagers kunnen fungeren van de plaatselijke identiteit. Erfgoedbeleid richt zich allereerst op het inzichtelijk maken van cultuurhistorische waarden en het gericht beschermen en in stand houden daarvan (behoud in situ). Daarnaast biedt erfgoed echter ook inspiratie en aanknopingspunten voor ontwikkelingen in de toekomst. Uitgangspunt daarbij is hoe erfgoed een ruimtelijke inrichting kan versterken. Om deze reden is bepaald dat gemeenten in hun omgevingsplan rekening moeten houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Volgens de definitie in de Omgevingswet behoren tot dat erfgoed: 1. Monumenten (zijnde beschermde of voorbeschermde Rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en karakteristieke panden), 2. Archeologische monumenten (zijnde bekende en te verwachten archeologische waarden), 3. Stads- en Dorpsgezichten en/of Cultuurlandschappen, en 4. Ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies. Uit Europees beleid volgt dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden.

De essentie van deze wetgeving is zowel gericht op bescherming en behoud van waardevol erfgoed, als op het benutten van kansen van erfgoed als inspiratiebron voor nieuwe ontwikkelingen. Daarnaast verplicht de implementatie van Europees beleid (Verdrag van Granada) in de Omgevingswet gemeenten er voortaan toe dat ook een aantasting van de omgeving van de op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten wordt voorkomen, voor zover die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130) zijn alle instructieregels opgenomen die zich richten op het behoud van (voorbeschermde) Rijksmonumenten, monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd (gemeentelijke monumenten, karakteristieke panden) en archeologische monumenten. Daarnaast moeten de regels zich richten op het voorkomen van de aantasting van beschermde stads- en dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen en tevens alle omgevingen van (voorbeschermde) Rijksmonumenten en monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd. Een vergelijkbare instructieregel bestaat al voor specifiek historische molens, op grond van de Omgevingsverordening van de provincie.

Die schrijft voor dat er op gronden binnen de omgeving met een straal van 400 meter gerekend vanaf het middelpunt van de molen geen nieuwe bebouwing of beplanting mogelijk mag worden gemaakt als daardoor de windvang van een molen wordt beperkt. Daarnaast zijn in afdeling Rijksmonumentenactiviteit.

8.80 van

het

Bkl

regels

gesteld

voor de

beoordeling

van

De essentie van wetgeving en beleid ten aanzien van cultureel erfgoed is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Bkl zijn een aantal beginselen geformuleerd wat aanzien van de bescherming betreft. Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) Rijksmonumenten, beschermde stads- en

43

dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van Rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. 6.6.1

Beoordeling

Voorliggend plan voorziet in de realisatie van een (zorg-)wooncomplex met parkeervoorzieningen. Het projectgebied ligt binnen het bestemmingsplan 'Archeologie' dat is vastgesteld op 4 juli 2010 door de gemeente Zevenaar. Hierbinnen heeft het projectgebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' en de gebiedsaanduiding 'Specifieke vorm van waarde - lage archeologische verwachting'. Dit houdt in dat voor bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,5 m een omgevingsvergunning dient te worden aangevraagd. Voorliggend initiatief voorziet niet in bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,5 m. Daarom is nadere toetsing aan het aspect archeologie niet noodzakelijk. De locatie ligt niet in een beschermd stads- of dorpsgezicht. De aanwezige gebouwen zijn geen gemeentelijk of rijksmonument, gezien er geen bebouwing aanwezig is. Hieruit is te concluderen dat er geen nadere toetsing nodig is voor het aspect cultuurhistorie. 6.6.2

Conclusie

Het aspect cultureel erfgoed vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

6.7

Groen, bomen en landschap

Dit thema is gericht op het behoud, respecteren en zo mogelijk versterken van groen en landschappelijke waarden en landschapselementen in het plangebied dan wel de effecten van het initiatief op groen en landschap. Ten aanzien van het groen ligt er ook een duidelijke relatie met de gemeentelijke doelstellingen ten aanzien van de klimaatadaptatie (waaronder het tegengaan, verminderen van hittestress) en gezondheid. 6.7.1

Beoordeling

Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van een (zorg-)wooncomplex met parkeervoorzieningen. Met voorliggend initiatief wordt er binnen stedelijk gebied nieuw groen aangelegd waardoor er een positief effect zal plaatsvinden op het groen en landschap. Ook worden er groene daken en zonnepanelen gerealiseerd waardoor het initiatief aansluit op gemeentelijke doelstellingen ten aanzien van de klimaatadaptatie. Tevens wordt ingezet op een klimaatrobuuste inrichting, die hittestress kan verminderen en daarmee de gezondheid beschermt tijdens warme perioden. Verdere toelichting over de invulling van het projectgebied is te lezen in het inrichtingsplan in Bijlage 2. 6.7.2

Conclusie

Het aspect groen en landschap vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

6.8

Natuur

De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. Ter bescherming van de natuur zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de eerdere Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

44

De Omgevingswet is gericht op: het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. Een plan of project kan in strijd zijn met de Omgevingswet wanneer een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een omgevingsvergunning noodzakelijk zijn. Omgevingsvergunningen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd. Zorgplicht De Omgevingswet bevat een algemene zorgplicht (artikel 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet).

Het is verboden om een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving (dreigen te) ontstaan. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is ten aanzien van natuur een aantal specifieke zorgplichten opgenomen. Deze specifieke zorgplichten hebben voorrang op de algemene zorgplicht. Deze specifieke zorgplichten gelden voor: Activiteiten met gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied (artikel 11.6 Bal); Flora- en fauna-activiteiten (artikel 11.27 Bal); Activiteiten met betrekking tot houtopstanden (artikel 11.116 Bal). Deze zorgplichten gelden voor iedereen die de activiteit uitvoert. 6.8.1

Gebiedsbescherming

Er is door Buro Ontwerp & Omgeving in oktober 2024 een quickscan flora en fauna uitgevoerd waarin het aspect gebiedsbescherming wordt behandeld. Deze is toegevoegd als Bijlage 7. Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een Omgevingsvergunning in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van

45

sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is Rijntakken. De uiterwaarden van de IJssel vormen hiervan een deelgebied. Dit gebied ligt op ongeveer 3,0 kilometer afstand van het projectgebied. Een ander Natura 2000-gebied op minder dan 10 km afstand is de Veluwe (ca. 8,3 km). Op de navolgende kaart is de ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden weergegeven.

Ligging plangebied (pijl) ten opzichte van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden (groen gearceerde vlakken).

Gezien het type werkzaamheden en de ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden zijn er geen negatieve effecten als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door trilling, geluid en mechanische effecten. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is namelijk meer dan 1 km. Door het gebruik van werktuigen en een toename van voertuigbewegingen kunnen er wel gevolgen zijn door stikstofdepositie vanuit de lucht. Omdat Natura 2000-gebieden Rijntakken en Veluwe op minder dan 10 km afstand van het plangebied liggen vindt er mogelijk stikstofdepositie plaats op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van deze Natura 2000-gebieden. Om de eventuele effecten van stikstofdepositie inzichtelijk te maken wordt aangeraden om een AERIUS-berekening (voortoets stikstof) uit te laten voeren voor zowel de realisatiefase als gebruiksfase. Negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden kunnen worden uitgesloten als uit de AERIUS-berekening blijkt dat er geen toename van stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jr plaatsvindt. Zie paragraaf 6.8.1 voor een verdere toelichting op de AERIUS-berekening. Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone Het plangebied ligt op ca. 1,5 km afstand van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en op ca.

1,8 km afstand van de Groene Ontwikkelingszone (GO). Gezien de ligging buiten deze gebieden worden de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van het GNN en de GO bij de werkzaamheden niet aangetast.

46

Ligging plangebied (pijl) t.o.v. het Gelders Natuurnetwerk (donkergroen) en de Groene Ontwikkelingszone (lichtgroen).

Beoordeling De locatie ligt niet in een bijzonder nationaal natuurgebied. 6.8.2

Houtopstanden

Artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat regels rondom een bebouwingscontour houtkap: in een omgevingsplan wordt voor de toepassing van artikel 11.111, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving een bebouwingscontour houtkap aangewezen aansluitend aan stedelijk gebied. Beoordeling De groenvoorzieningen in het plangebied vallen onder de definitie houtopstanden, zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Omgevingswet. De rijksregels over het vellen van houtopstanden zijn daarom van toepassing. Bij het vellen van bomen en/of struiken dient een kapmelding te worden gedaan bij provincie Gelderland. Bovendien geldt er een herbeplantingsplicht. 6.8.3

Soortenbescherming

Quickscan flora & fauna Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: 1. er soorten aanwezig zijn; en 2. welke soorten dat zijn.

47

3. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Naast de wettelijke bepalingen komt het thema natuur ook terug in het gemeentelijk beleid. Beoordeling Er is door Buro Ontwerp & Omgeving in oktober 2024 een quickscan flora en fauna uitgevoerd waarin het aspect soortenbescherming wordt behandeld. Deze is toegevoegd als Bijlage 7. Van een aantal soorten is de aanwezigheid in het plangebied niet uit te sluiten. Hieronder wordt per soort ingegaan op de bescherming en de mogelijke effecten die zij kunnen ondervinden door de werkzaamheden. Alle onderstaande soorten zouden nader onderzocht kunnen worden. Bunzing, hermelijn en wezel De ruigte in het plangebied is geschikt om dienst te doen als rust- of verblijfplaats voor de bunzing, hermelijn en wezel. Deze kleine marters zijn soorten van nationaal belang en zijn in de provincie Gelderland niet vrijgesteld. Het is daarom verboden om de soorten opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.54 lid 1a, Bal) en hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen (artikel 11.54 lid 1b, Bal). De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of voortplantingsplaats van de soorten. De aanwezigheid van de bunzing, hermelijn en wezel wordt nader onderzocht.

Steenmarter De ruigte in het plangebied biedt genoeg dekking voor de steenmarter. Hierdoor kunnen negatieve effecten op een rust- of voortplantingsplaats van de steenmarter niet worden uitgesloten. De steenmarter is een soort van nationaal belang en is in de provincie Gelderland niet vrijgesteld. Het is daarom verboden om de soort opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.54 lid 1a, Bal) en hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen (artikel 11.54 lid 1b, Bal). De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of voortplantingsplaats van de soort. De aanwezigheid van de steenmarter wordt nader onderzocht. Grote vos In het plangebied zijn meerdere boswilgen aanwezig, welke dienst doen als waardplant voor de grote vos. Hierdoor kan het plangebied dienen als rust- of voortplantingsplaats van de soort. De grote vos is een soort van nationaal belang. Het is daarom verboden om de soort opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.54 lid 1a, Bal) en om de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen (artikel 11.54 lid 1b, Bal). De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of voortplantingsplaats van de soort. De aanwezigheid van de grote vos wordt nader onderzocht.

Grote weerschijnvlinder In het plangebied zijn meerdere boswilgen aanwezig, welke dienst doen als waardplant voor de grote weerschijnvlinder. Hierdoor kan het plangebied dienen als rust- of voortplantingsplaats van de soort. De grote weerschijnvlinder is een soort van nationaal belang. Het is daarom verboden om de soort opzettelijk te doden of vanen (artikel 11.54 lid 1a, Bal) en om de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen (artikel 11.54 lid 1b, Bal). De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of voortplantingsplaats van de soort. De aanwezigheid van de grote weerschijnvlinder wordt nader onderzocht.

48

Nader ecologisch onderzoek Er is door Buro Ontwerp & Omgeving een nader ecologisch onderzoek uitgevoerd. Deze is toegevoegd als Bijlage 8. Het nader ecologisch onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de resultaten van de quickscan flora en fauna die door Buro Ontwerp & Omgeving op 7 november 2024 in het projectgebied is uitgevoerd. Hieruit kwam naar voren dat de locatie geschikt is als rust-, nest- of voortplantingsplaats voor de bunzing, hermelijn, wezel, steenmarter, grote vos en grote weerschijnvlinder. Beoordeling Uit het nader ecologisch onderzoek is gebleken dat er geen rust- of verblijfplaatsen van de bunzing, hermelijn, wezel, steenmarter, grote vos en grote weerschijnvlinder zijn aangetroffen tijdens het nader onderzoek in het projectgebied. Met betrekking tot soortbescherming kan worden geconcludeerd dat er geen omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig is om de ontwikkeling mogelijk te maken. Hierna volgen nog enkele adviezen uit het nader ecologisch onderzoek. Vogelbroedseizoen en algemene diersoorten Het kan zijn dat er tijdens de werkzaamheden algemene broedvogels en andere diersoorten in en rond het projectgebied voorkomen. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden moet de specifieke zorgplicht in acht worden genomen (artikel 11.27, Bal). Handelingen die nadelige effecten hebben moeten zoveel mogelijk worden voorkomen.

Indien dit niet mogelijk is moeten passende preventieve maatregelen worden genomen om nadelige effecten te beperken of ongedaan te maken. Bovendien moet zowel tijdens als na het verrichten van de activiteit worden nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben. Het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen. Passende herstelmaatregelen moeten worden getroffen als het staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is. Tevens dienen de werkzaamheden (ruim) buiten het indicatieve vogelbroedseizoen te starten, omwille de aanwezigheid van algemene broedvogelsoorten (15 maart - 15 juli). Verlichting Maak in de actieve periode van vleermuizen 's avonds en 's nachts geen of zo min mogelijk gebruik van bouwverlichting. Uitstraling naar houtopstanden en water moet worden voorkomen. Indien verlichting in de permanente situatie noodzakelijk is wordt aangeraden om gebruik te maken van vleermuisvriendelijke, amberkleurige verlichting. Zodoende kan eventuele verstoring tot een minimum worden beperkt. Er mag geen gebruik worden gemaakt van blauw en ultraviolet licht. Waar verlichting noodzakelijk is, dienen de lichtstralen gebundeld te zijn en op de grond te worden gericht. 6.8.4

Voortoets stikstof

Door Buro Ontwerp & Omgeving is in april 2025 een voortoets stikstof uitgevoerd. Hierbij is worst-case uitgegaan van huurappartementen in het dure segment. Dit onderzoek is als Bijlage 9 bijgevoegd. Uit de rekenresultaten blijkt dat op verschillende stikstofgevoelige leefgebieden en habitattypen van Natura 2000-gebieden geen stikstofdepositie groter 0,00 mol N/ha/jr plaatsvindt in de realisatiefase. Op gebieden met een hersteldoel zijn tevens geen rekenresultaten groter dan 0,00 mol N/ha/jr gehaald. Vanuit het aspect stikstof zijn dus geen belemmeringen voor de uitvoering van het initiatief. 6.8.5

Conclusie

Het aspect natuur vormt in de basis geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

49

6.9

Nutsvoorzieningen, kabels en leidingen

Bij een ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met de ligging en aansluiting op de nutsvoorzieningen, kabels en leidingen. Hiertoe heeft de gemeente specifiek beleid opgesteld en gelden er (verordende) regels die in het omgevingsplan zijn opgenomen. Daarnaast gelden de eisen ten aanzien van het gasloos bouwen van nieuwe woningbouw. 6.9.1

Beoordeling

Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van een (zorg-)wooncomplex met parkeervoorzieningen. Het (zorg-)wooncomplex wordt deels zelfvoorzienend door de aanleg van zonnepanelen op de daken. Door het projectgebied lopen geen kabels en/of leidingen die eventueel verplaatst moeten worden. Het afval dat vrijkomt bij de functies van RIBW en Siza wordt aangemerkt als bedrijfsafval. In het ontwerp is hiermee rekening gehouden door in de buitenberging een vaste en afsluitbare ruimte te reserveren voor de inzameling en tijdelijke opslag hiervan. Het huishoudelijk afval afkomstig van de woningen wordt aangesloten op de gemeentelijke afvalvoorzieningen conform het geldend beleid. Dit zal in een later stadium nader worden uitgewerkt. Te concluderen valt dat er geen extra voorzieningen nodig zijn voor de realisatie van het initiatief. 6.9.2

Conclusie

Het aspect nuts-voorzieningen, kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

6.10 Milieuzonering Een goed woon- en leefklimaat is een belangrijk onderdeel van onze fysieke leefomgeving. Binnen het kader van de Omgevingswet speelt milieuzonering een belangrijke rol bij het waarborgen van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Milieuzonering heeft tot doel om hinder en risico’s van milieubelastende functies (zoals bedrijven, scholen of sportvoorzieningen) te beperken en tegelijkertijd voldoende ontwikkelruimte te bieden aan nieuwe functies, zoals wonen en zorg. Bij milieuzonering wordt gekeken naar de afstanden tussen hinder veroorzakende en hinder gevoelige functies, waarbij geluid, geur, stof en gevaar de belangrijkste aspecten vormen. De richtafstanden uit de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (editie 2022) vormen hierbij een belangrijk afwegingskader. Binnen bestaand stedelijk gebied kan, afhankelijk van de aard en omvang van functies, gemotiveerd worden afgeweken van deze richtafstanden indien een goed woon- en leefklimaat kan worden aangetoond. 6.10.1 Beoordeling Het projectgebied aan de Mercurion ligt binnen een stedelijke context met overwegend gemengde functies, bestaande uit kantoren, maatschappelijke voorzieningen en sportfuncties.

In de directe omgeving zijn de volgende functies aanwezig die in het kader van milieuzonering relevant zijn: Basisschool voor speciaal onderwijs (basisschool de Schilderspoort) (aan de oostzijde van het projectgebied. Deze voorziening betreft een maatschappelijke functie. De activiteiten van een basisschool bestaan voornamelijk uit dagfuncties (tussen 08:00 en 17:00 uur) met beperkte milieubelasting in de avond of nacht. De belangrijkste mogelijke hinder is geluid van spelende kinderen op het schoolplein. Gezien de beperkte duur en het dagkarakter van deze geluiden wordt dit niet als belemmerend beschouwd voor een goed woon- en leefklimaat. De afstand tussen het schoolplein en de nieuwbouw bedraagt circa 25 meter, waarmee voldoende scheiding aanwezig is. Tennis- en padelbanen (tennisvereniging T.C. Seven Aeren) (aan de noordoostelijke zijde van het

50

projectgebied). Deze sportvoorzieningen genereren periodiek geluid door stemgeluid en ballencontact. De activiteiten vinden voornamelijk plaats in de avonduren, soms onder kunstverlichting. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 40 meter. Gezien de tussenliggende bebouwing, groenstructuur en oriëntatie van de banen is geen sprake van structurele hinder. De sportvoorzieningen worden beschouwd als passende functies binnen stedelijk gemengd gebied, waarbij het woon- en leefklimaat voor het nieuwe (zorg-)wooncomplex als goed kan worden aangemerkt. Kantoorfuncties (aan de west- en noordzijde van het projectgebied). In de directe omgeving bevinden zich diverse kantoor- en bedrijfsmatige functies met een overwegend representatief karakter. Deze functies vallen binnen milieucategorie 1 of 2 en kennen daardoor een beperkte milieubelasting (voornamelijk verkeersbewegingen en beperkte installaties). De activiteiten vinden uitsluitend overdag plaats, waardoor geen sprake is van structurele hinder in de avond of nacht. Gezien de aard en omvang van de omliggende functies en de stedelijke context kan het gebied worden gekarakteriseerd als gemengd stedelijk gebied. Binnen een dergelijke omgeving worden kortere richtafstanden gehanteerd dan in rustige woongebieden. Alle omliggende functies voldoen ruimschoots aan deze verkorte richtafstanden.

6.10.2 Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

51

Hoofdstuk 7 7.1

Veilige en gezonde fysieke leefomgeving

Water

Water is een essentieel onderdeel van onze leefomgeving. Belangrijke opgaven zijn het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Zeker in samenhang met het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit. De Omgevingswet voegt wetten die betrekking hebben op waterkwaliteit, waterkwantiteit en waterveiligheid samen. Met deze waterbelangen moet rekening gehouden worden bij de besluitvorming over een omgevingsplanactiviteit. In artikel 5.37 van het Bkl is een instructieregel voor het meewegen van het waterbelang opgenomen. In de navolgende paragrafen wordt het beleid van het waterschap en de gemeente beschreven. Daarop volgt de toetsing aan het aspect water, het resultaat van de Digitale Watertoets en het overleg met het waterschap. Waterschapsverordening waterschap Rijn en IJssel De waterschapsverordening bevat de regels van het Waterschap Rijn en IJssel over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de watersystemen, de zuiveringtechnische werken en de wegen die in beheer zijn bij Waterschap Rijn en IJssel. De waterschapsverordening berust op artikel 2.5 van de Omgevingswet en vervangt de keur en de algemene regels. Bovendien bevat de waterschapsverordening regels over lozingen. Lozingen waren eerst op het niveau van de centrale overheid geregeld.

Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van Waterschap Rijn en IJssel staat beschreven wat de doelen zijn voor de komende zes jaar in de Achterhoek en Liemers en hoe het waterschap deze wil halen. Naast het uitvoeren van kerntaken zijn het aanpassen van de leefomgeving aan de gevolgen van klimaatverandering en waterveiligheid de grootste prioriteiten. Ook een schone leefomgeving en de circulaire economie en energietransitie staan hoog op de agenda. Voor het waterbeheerprogramma zijn de werkzaamheden van het waterschap weergegeven in vier thema's. Klimaatrobuust gebied De ambitie is om richting 2050 wendbaar invulling te geven aan het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem. Dit wordt gedaan in combinatie met aanpassingen in gebruik en inrichting van de omgeving, zodat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. Veilig gebied De bescherming tegen hoog water is een randvoorwaarde om veilig te kunnen wonen en werken in ons gebied. Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Dat wordt gedaan door dagelijks beheer van de keringen en door continu inzicht in de keringen.

Het beheer wordt op een duurzame wijze uitgevoerd en er wordt gewerkt aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. De ambitie is dat de keringen van het waterschap in 2050 voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar ingespeeld wordt op ontwikkelingen.

52

Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil bij het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil zij in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin de taken klimaatneutraal worden uitgevoerd. Gezonde leefomgeving Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Het waterschap streeft ernaar dat het water in de leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico's oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. 7.1.1

Beoordeling

Voor het aspect water is er door Buro Ontwerp & Omgeving in november 2025 een Quickscan water uitgevoerd. Deze is toegevoegd als Bijlage 10. Hieronder zullen de belangrijkste conclusies worden samengevat. De initiatiefnemer is voornemens om het plangebied aan de Mercurion te Zevenaar te ontwikkelen tot (zorg-)wooncomplex. Voor het ruimtelijke plan is een analyse van de waterhuishouding uitgevoerd. Uit de analyse blijkt het volgende: De bodem van onderhavig plangebied bestaat tot circa 1,2 m-mv á 2 m-mv uit sterk zandige klei, vanaf circa 1,2 m-mv bestaat de ondergrond uit matig grof, matig siltig zand; De klei is niet geschikt voor infiltratie van hemelwater, het onderliggende zandpakket is wel geschikt voor de infiltratie van hemelwater; Het maaiveld van het plangebied is gelegen op een hoogte van gemiddeld circa 10,1 m +NAP; De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) binnen het plangebied wordt ingeschat op circa 1 m-mv (circa 9,1 m +NAP); Op basis van het beleid van de gemeente Zevenaar en het Waterschap Rijn en IJssel dient er circa 167 m3 water geborgen te worden; In de toekomstige situatie dient rekening gehouden te worden met een DWA (droog-weerafvoer) piekbelasting van circa 1 m3/uur. Gezien de resultaten van onderhavige analyse worden er met de voorgenomen ontwikkelingen binnen het plangebied geen negatieve gevolgen verwacht voor de waterhuishouding ter plaatse.

Het aspect water vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. In overleg met de gemeente dient te worden bepaald worden waar het vuilwater kan worden aangesloten. De uiteindelijke wijze van berging dient afgestemd te worden met de gemeente en het waterschap. Het hemelwatersysteem dient in een latere fase verder gedimensioneerd en civieltechnisch uitgewerkt te worden. Gezien de verwachte wateroverlast bij klimaatbuien wordt geadviseerd om het plangebied op te hogen. Aanbevolen wordt om het vloerpeil minimaal 20 cm hoger te realiseren dan de aangrenzende parkeerplaatsen. Hiermee wordt voorkomen dat water de woning binnenstroomt als er bij heftige buien water op straat staat. Waterberging Het projectgebied aan de Mercurion fungeert in de huidige situatie deels als infiltratiezone. Bij de ontwikkeling van het (zorg-)wooncomplex neemt het verhard oppervlak toe, waardoor de natuurlijke

53

bergingscapaciteit afneemt. Om dit te compenseren wordt de volledige waterbergingsopgave op eigen terrein opgelost, zonder afwenteling op het openbaar gebied. Binnen het plan wordt voorzien in een combinatie van maatregelen die bijdragen aan een robuust en toekomstbestendig watersysteem: hemelwater wordt lokaal opgevangen, geborgen en geïnfiltreerd; toepassing van een groen daken groene daken op het appartementencomplex en de fietsenstalling/berging zorgt voor extra buffering en verdamping; toepassing van waterpasserende verharding bij parkeerplaatsen; aanleg van een wadi ten zuiden van het complex (ca. 66 m³ berging). De wadi wordt uitgevoerd met een gereguleerde leegloop via een drain, waarmee vertraagde afvoer naar het gescheiden rioolstelsel plaatsvindt, omdat infiltratie in de ondiepe kleilaag beperkt mogelijk is; bergingskratten worden vermeden, omdat deze op lange termijn onderhoudsgevoelig zijn. Met deze aanpak blijft de waterbalans in evenwicht en blijft de huidige waterbufferende functie behouden binnen het plangebied. Het is mogelijk om met alle maatregelen de noodzakelijke 167 m3 te bergen binnen het projectgebied. 7.1.2

Conclusie

Het aspect waterkwaliteit vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

7.2

Bodem

Bij ontwikkelingen is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het Aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. 7.2.1

Beoordeling

In opdracht van Gemeente Zevenaar is in oktober 2022 door De Klinker Milieu Adviesbureau een bodemonderzoek uitgevoerd conform de NEN 5740 op de locatie Mercurion te Zevenaar. Dit onderzoek is toegevoegd als Bijlage 12. De aanleiding tot het bodemonderzoek wordt gevormd door het voorgenomen gebruik als (zorg-)wooncomplex van het terrein. Doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de locatie en nagaan of er mogelijke gebruiksbeperkingen bestaan in relatie tot het beoogde gebruik. Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden: tijdens de veldwerkzaamheden zijn geen zintuiglijke afwijkingen in de bodem waargenomen; de bovengrond is licht verontreinigd met kobalt, nikkel en zink;

54

in de ondergrond van het gehele terrein zijn verhoogde concentraties nikkel aangetroffen; het grondwater is licht verontreinigd met barium; de hypothese dient verworpen te worden, echter de onderzoeksinspanning hoeft niet aangepast te worden. Het terrein is op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het voorgenomen gebruik. Ten behoeve van de verwerking van vrijkomende grond op een locatie buiten de onderzoekslocatie wordt verwezen naar de uitgangspunten van het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk). 7.2.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zevenaar&id=b80865f0-f60d-4599-b905-073045c70579