Agendabundel
Tekst van het document
R E S
1 . 0
/
R E G I O N A L E
4.2.6 Nieuwe inzichten De warmtetransitie is nog volop in ontwikkeling. Zo wordt voortdurend onderzoek uitgevoerd naar beschikbare, aanvullende warmtebronnen, worden nieuwe warmtetechnieken getest en vindt beleidsontwikkeling plaats om de mogelijkheden van warmtebronnen te vergroten. Hieronder volgt een overzicht van recente inzichten die relevant zijn voor de warmtetransitie binnen onze regio.
> Haalbaarheidsonderzoek collectieve warmte systemen Gelderland Royal HaskoningDHV is voor de provincie Gelderland in 2020 een onderzoek gestart naar de haalbaarheid van collectieve duurzame warmtesystemen. De resultaten geven een eerste beeld van de financiële en technische haalbaarheid van een nieuwe warmtevoorziening (‘Quickscan’). Ondanks dat iedere warmteoplossing om maatwerk vraagt, kunnen de belangrijkste inzichten worden gebruikt door alle gemeenten binnen Gelderland die aan de slag gaan met collectieve warmteoplossingen. Tot februari 2021 zijn 41 scenario’s onderzocht in 18 gebieden in Gelderland (met in totaal 16 betrokken gemeenten). Op dit moment lopen nog onderzoeken in 9 andere gebieden. In de 18 onderzochte gebieden wordt voor in totaal 34.004 (88%) woningen en 4.490 (12%) andere gebouwen zoals scholen, ziekenhuizen en bedrijven een warmtesysteem op haalbaarheid getoetst. Belangrijke inzichten tot nog toe zijn:
E N E R G I E S T R A T E G I E
/
R E S
R E G I O
A R N H E M
1. Voor de aanleg van een collectief warmtenet in alle onderzochte gebieden, is bijna 650 strekkende kilometer leidingennetwerk nodig. 2. In slechts 7 scenario’s wordt na 30 jaar de investering terugverdiend. De winst loopt uiteen van € 0 voor een warmtenet voor een aquathermie-systeem, tot € 50.000.000 voor een warmtenet op restwarmte. 3. Het meest verliesgevende scenario binnen het onderzoek betreft een warmtenet op geothermie (aardwarmte).
Succes factoren
4. Voor een aantal scenario’s worden aanbevelingen gedaan voor vervolgonderzoek.
> 6 proeftuinen programma aardgasvrije wijken binnen de regio In 2018 zijn de eerste twee proeftuinen in onze regio van start gegaan (Arnhem, Nijmegen), en afgelopen najaar (2020) zijn hier nog eens vier proeftuinen aan toegevoegd binnen het Programma Aardgasvrije Wijken (Arnhem, Doesburg, Lingewaard en Nijmegen). Hiermee wordt de komende jaren intensief ervaring opgedaan met de wijkgerichte aanpak richting ‘aardgasvrij’, zowel qua inrichting als opschaling. De ervaringen die zijn opgedaan in deze proeftuinen, kunnen de komende tijd helpen om in onze regio goed aan de slag te gaan met de warmtetransitie.
N I J M E G E N
/
M A A R T
2 0 2 1
3 8
> Potentie aquathermie De potentie voor aquathermie komt steeds beter in beeld. Uit landelijk onderzoek blijkt dat het als warmtebron (en koudebron) een belangrijke bijdrage kan leveren aan de warmtetransitie. Afhankelijk van het aanbod (beschikbaarheid van water) en de vraag (nabij gelegen afzetmogelijkheden) zijn er grote verschillen over de regio. Dit vraagt om maatwerk. De komende tijd wordt daarom ook in Regio Arnhem Nijmegen besproken hoe we een beter beeld krijgen van de potentie van aquathermie.
Wij adviseren om aquathermie voorrang te geven boven warmte uit de bodem. Aquathermie is een veelbelovende technologie en kent niet de nadelen van bodemwarmte via Warmte-Koude-Opslag. Waterschap Vallei en Veluwe en Vitens willen graag hun kennis van het (grond)watersysteem delen en beschikbaar stellen en worden bij voorkeur betrokken om een brede afweging van warmtebronnen mogelijk te maken in de gemeentelijke warmtevisies en de volgende RES-plannen.”
> Potentie geothermie Recent onderzoek (studie WARM) laat zien dat geothermie ook veel potentie heeft als warmtebron en in een aanzienlijk deel van de totale warmtevraag kan voorzien in Regio Arnhem Nijmegen. Zie ‘studie WARM’ voor het volledige onderzoek. De ondergrond in deze regio is echter nog niet voldoende in beeld gebracht. De ondergrond wordt in beeld gebracht in het SCANprogramma: er vinden in het hele land boringen plaats om onderzoek te doen naar de potentie van aardwarmte. Zo ook in Regio Arnhem Nijmegen. De uitkomsten worden verwacht tegen het einde van eerste kwartaal in 2021.
>P otentie zonthermie De potentie van zonthermie voor onze regio is nog niet in beeld gebracht. Bij zonthermie zetten zonnecollectoren de zonne-energie om in warmte (in plaats van elektriciteit uit zonnepanelen). Uit onderzoek van Berenschot blijkt dat zonnewarmte de meeste energie per vierkante meter levert.
R E S
1 . 0
/
R E G I O N A L E
Boodschap van Waterschap Vallei en Veluwe en Vitens
Waterschap Vallei en Veluwe en Vitens
Omdat de gewonnen warmte in de bodem kan worden opgeslagen, is zonnewarmte ook flexibel inzetbaar en goed toe te passen in woningen en voor warmtenetten. Bijkomend voordeel is dat bij het gebruik van warmtenetten, zonthermie een uitkomst kan zijn om levering van warmte door geothermie of restwarmte aan te vullen, als die bronnen niet toereikend zijn. Ook kunnen zonnecollectoren een rol vervullen bij het energetisch in balans brengen van een WKOsysteem. Verder kan thermische energie bijdragen aan de verlaging van het aantal pieken in het elektriciteitsnet, omdat de elektriciteitsvraag voor warmteopwekking via een warmtepomp sterk vermindert. De combinatie van zonnewarmte met andere duurzame bronnen resulteert ook in een
E N E R G I E S T R A T E G I E
/
R E S
R E G I O
A R N H E M
grotere CO2-besparing dan wanneer je alternatieve duurzame bronnen inzet zonder de combinatie met zonthermie. De jaarlijkse kosten van een grootschalig zonthermiesysteem (afschrijvings-, financierings- en energiekosten) liggen lager dan die van andere duurzame systemen met een vergelijkbaar opwekvermogen. Binnen Regio Rivierenland is een haalbaarheidsonderzoek gestart naar de inzet van zonthermie ten behoeve van de warmtetransitie. Provincie Gelderland bekijkt in hoeverre alle Gelderse RESregio’s in dit onderzoek betrokken kunnen worden. De uitkomsten van dit onderzoek kunnen worden meegenomen in de RES 2.0.
N I J M E G E N
/
M A A R T
2 0 2 1
3 9
AFVALVERWERKER
RIOOL OPPERVLAKTEWATER DIEPE ONDERGROND
R E S
1 . 0
/
R E G I O N A L E
E N E R G I E S T R A T E G I E
/
R E S
R E G I O
A R N H E M
N I J M E G E N
/
M A A R T
2 0 2 1
4 0
4.2.7 Afspraken voor een optimaal warmtesysteem
9 Vanuit regionaal perspectief maakt het verschil
We weten dat de overstap naar een duurzame warmtevoorziening binnen onze regio technisch uitvoerbaar is, maar we weten ook dat deze transitie niet alleen vraagt om een technische oplossing. Ook de financiële en organisatorische haalbaarheid moeten ingevuld worden, waarbij kostenneutraliteit voor bewoners het uitgangspunt blijft. Vragen als: wat kost het, wie gaat het betalen, wie gaat het doen, van wie is het straks en willen we het wel moeten nog worden verwerkt. Duurzame verwarming zal niet gaan zonder ons verwarmingssysteem in de basis te veranderen. En dat kost tijd, capaciteit en middelen. Daarnaast vereist het onderlinge samenwerking tussen gemeenten én raakt het aan de samenwerking op (boven)regionaal niveau. Veel taken kunnen gemeenten zelfstandig en zonder onderlinge afstemming uitvoeren. Voor het optimaal en eerlijk verdelen van de schaarse warmtebronnen binnen onze regio is een zekere mate van afstemming en samenwerking noodzakelijk. Om als regio de komende jaren voldoende vooruitgang te blijven maken zetten we in op de volgende set afspraken:
welke bron wordt gebruikt op welke plek; we willen voorkomen dat een bron al door de ene gemeente is ingezet terwijl hij voor een andere gemeente van vitaal belang zou zijn geweest. In het belang van ons RES-partnerschap bepalen we gezamenlijk waar welke bovenlokale bron uiteindelijk wordt ingezet.
4.2.8 Proces naar de RES 2.0 Met de RES 1.0 wordt een eerste basis gelegd voor de komende jaren, die we richting RES 2.0 gaan versterken en door ontwikkelen. Vanuit de RES blijven we daarom de komende tijd in gesprek met de gemeenten om te kijken hoe de TVW’s zich ontwikkelen en hoe deze zich verhouden tot de Regionale Warmte(infra)Structuur.
10 Binnen de relevante warmteclusters waar dit verdelingsvraagstuk aan de orde is, richten we een xstructureel overleg in om daarover in gesprek te zijn en te blijven.
11 Gemeenten zetten daarbij verschillende instrumenten in die binnen de kaders van de Warmtewet, de Omgevingswet en andere beleidsruimten passen om de bovenlokale warmte afspraken te borgen.
12 Als regio doen we een gezamenlijke oproep aan het Rijk om partijen in stelling te brengen om de benodigde regie te voeren op de warmte transitie. Dat kan door te zorgen voor beter aansluitende wet- en regelgeving voor het uitrollen van warmtenetten, hogere en structurele financiële ondersteuning voor alternatieve warmtevarianten (waaronder warmtenetten) via subsidies of Rijksbijdragen en een structurele Rijksbijdrage voor het ambtenarenapparaat om de warmtetransitie ook daadwerkelijk in goede banen te leiden, te begeleiden en uit te voeren.
In de RES 2.0 gaan we verder in op de match tussen vraag en aanbod: welke warmtebronnen zijn nu nog onbenut (of niet optimaal benut) en welke bronnen moeten opschalen om de warmtetransitie uit te kunnen voeren? Wat is ervoor nodig om een onbenutte bron te gebruiken, en hoe zou de opschaling van reeds bestaande warmtebronnen eruitzien? Wie pakt welke rol op binnen de uitvoering daarvan. Daarbij maken we gebruik van nieuwe inzichten uit lopend onderzoek en beschikbare nieuwe instrumenten zoals de Warmtewet 2.0. Ook zullen we in de RES 2.0 de brug moeten slaan tussen warmte en elektriciteit. De inzet van bepaalde warmtebronnen, hoe duurzaam en overvloedig ook, zal leiden tot een stijging van de elektriciteitsvraag. Al het gasverbruik in onze regio dat níet wordt vervangen door duurzame warmte, zal namelijk een beroep doen op de all-electric optie voor aardgas. Dat brengt een flinke stijging van de elektriciteitsvraag en bijbehorende infrastructuur met zich mee. Ook bij warmtenet-oplossingen zal er een beperkte, maar zeker een groeiende vraag zijn naar elektriciteit.
De volledige lijst met afspraken staat in hoofdstuk ‘Ons bod’.
R E S
1 . 0
/
R E G I O N A L E
E N E R G I E S T R A T E G I E
/
R E S
R E G I O
A R N H E M
N I J M E G E N
/
M A A R T
2 0 2 1
4 1
4.3 Netwerk
Netimpact analyse
Om de impact van de RES 1.0 op het elektriciteitsnetwerk te bepalen is een doorrekening gemaakt van het elektriciteitsnetwerk; een netimpactanalyse. Hiervoor zijn de door de regio aangeleverde cijfers voor grootschalige opwek van zon en wind gebruikt, en cijfers van Liander over bijvoorbeeld mobiliteit en de vraag vanuit gebouwen. Op basis van deze analyse is inzichtelijk geworden dat de kosten voor de netuitbreiding worden geschat op € 37 miljoen. Voor een deel gaat het dan om reeds geplande investeringen, maar er zijn ook nieuwe investeringen die een gevolg zijn van de RES-plannen.
4.3.1 Hoe werkt de netimpactanalyse? Toelichting netimpact analyse
Als invoer voor de netimpactanalyse is gebruik gemaakt van gegevens over projecten en zoekgebieden die door de regio in nauwe afstemming met de gemeenten zijn verzameld. Op basis van de omvang van de aansluitingen zijn de projecten op de juiste manier gekoppeld aan het net. Zodoende wordt inzichtelijk welke onderstations en kleinere regelen schakelstations verzwaard en/of nieuw gebouwd moeten worden.
4.3.2 Uitkomsten en inzichten uit de netimpactanalyse De netimpactanalyse geeft als gezegd aan dat er de komende jaren een investering van € 37 miljoen nodig is om alle plannen te kunnen aansluiten. Deze investeringen gaan uit van de huidige capaciteit van R E S
1 . 0
/
R E G I O N A L E
het elektriciteitsnet. Los van de RES is Liander al bezig met investeringen voor verbetering en uitbreiding in het elektriciteitsnet. Vanuit de RES komen daar de noodzakelijke investeringen bij op. Naast kosten, zijn in de netimpact analyse ook de ruimtelijke gevolgen van de netuitbreiding beschreven.
kijken, is er meer tijd voor het zoeken van geschikte locaties voor kabels en elektriciteitsstations, het doorlopen van planprocedures en het inplannen van schaarse technici om al het werk te realiseren. Verder vooruitkijken, vergroot de kans dat we de regionale ambities samen op tijd realiseren.
4.3.4 Oplossingen zonder investeringen 4.3.3 Ruimte en tijd voor uitbreiding van het netwerk Energieopwekking is een nieuwe ruimtevrager. Ook is door de toenemende energie-opwek meer ruimte nodig voor de distributie ervan. Het gaat dan om nieuwe stations en ondergrondse kabels. Deze ontwikkelingen doen een beroep op de schaarse ruimte van Nederland, ruimte die ook voor andere belangrijke doeleinden kan worden ingezet. In totaal zijn er op 5 stations uitbreidingen nodig en zijn er 3 nieuwe onderstations nodig. De investeringen en de benodigde ruimte zijn in de netimpactanalyse beschreven. Het inpassen van de nieuwe stations en stationsuitbreidingen vraagt om een zorgvuldige ruimtelijke inpassing. Hierbij moet zowel gekeken worden naar het directe ruimtegebruik, maar ook naar de ondergrondse verbindingsmogelijkheden van en naar het station.
Naast investeringen, zijn er ook slimme oplossingen mogelijk die niet vragen om een investering. Deze ‘slimme oplossingen’ zijn toepasbaar op 4 stations. Bij de meeste oplossingen is overeenstemming nodig tussen netbeheerder en de klant. De belangrijkste oplossing is het loslaten van de reservecapaciteit op het net. Deze reservecapaciteit kan onder bepaalde omstandigheden worden vrijgegeven, zodat meer duurzaam opgewekte elektriciteit kan worden aangesloten op het bestaande net. Het principe is vergelijkbaar met de spitsstrook op snelwegen: deze wordt afgesloten bij calamiteiten. Bij storing of onderhoud zal het vervoer van duurzame elektriciteit tijdelijk worden stopgezet.
VEELGESTELDE VRAGEN: >
Voor de netuitbreidingen is tijd nodig. Het is belangrijk om te beseffen dat uitbreiding van het energienet doorgaans langer duurt dan de realisatie van een wind- of zonnepark. Door de uitbreidingen van het energienet te koppelen aan ruimtelijke ontwikkelingen, kunnen we zorgen dat gewenste regionale ontwikkelingen tijdig worden aangesloten op de energie-infrastructuur. Door verder vooruit te
E N E R G I E S T R A T E G I E
/
R E S
R E G I O
A R N H E M
> >
Is er wel ruimte op ons elektriciteits netwerk voor al die duurzame elektriciteit? Waarom is een scheve verhouding tussen wind en zon een probleem? Wat zijn de voordelen van wind en zon, samen op één locatie?
N I J M E G E N
/
M A A R T
2 0 2 1
4 2
Een andere mogelijkheid is om op nieuwe stations niet het maximale vermogen aan te sluiten, maar slechts een deel. Hierdoor blijft er ruimte op het net over voor nieuwe initiatieven. Er is ook winst te halen uit slimme timing. Zo zijn er elektriciteitsstations die nog capaciteit vrij hebben, of kunnen die op relatief korte termijn (2023/2024) uitgebreid worden. Door samen eerst op deze gebieden te focussen, geven we onszelf tijd voor het realiseren van uitbreidingen in andere gebieden die meer tijd kosten.
4.3.5 Opslag en conversie Met het toenemen van het aandeel duurzame opgewekte elektriciteit neemt ook het belang van opslag en conversie toe. Bij conversie gaat het om het omzetten van elektriciteit naar warmte of waterstof en andersom. Door opslag en conversie toe te passen, neemt de belasting van het netwerk af. Zowel door de netbeheerders als door marktpartijen wordt momenteel onderzoek verricht naar de toepasbaarheid van waterstof en batterijopslag. In Regio Arnhem Nijmegen zijn Innofase in Duiven, het terrein van de voormalige Gelderse Energiecentrale (Nijmegen) en bedrijventerrein Bijsterhuizen (Wijchen) belangrijke voorbeelden. De ontwikkeling van opslag van elektriciteit mag nooit los gezien worden van de overige onderdelen van het elektriciteitssysteem. Het is bijvoorbeeld slim om conversie dichtbij de locatie van opwekking uit te voeren en tegelijkertijd te bedenken waar die energie na opslag gebruikt gaat worden. Waterstof kan bijvoorbeeld getankt worden bij XXL-locaties of ingezet worden in de industrie. Overschotten van de opbrengst van windturbines kunnen bijvoorbeeld grote warmtepompen aandrijven die warmte opslaan waarmee op R E S
1 . 0
/
R E G I O N A L E
een later moment via een collectieve warmtevoorziening woningen worden verwarmd. Die overschotten passen op dat moment niet op het netwerk en zijn dus erg goedkoop. Er zijn diverse vormen van dag-, weeken seizoensopslag in ontwikkeling om dit mogelijk te maken. De kennis die nu in ontwikkeling is, zal in de vervolg RES’en een plek te krijgen.
4.3.6 Aansluiten vraag en aanbod Om de belasting op het netwerk te verkleinen, is het van belang om vraag en aanbod op elkaar aan te laten sluiten. Dit is zowel op lokaal als op regionaal niveau van belang. Bij lokale optimalisatie kan er gedacht worden aan het combineren van opwek met vraag. Op regionaal niveau is het vooral van belang om aan te sluiten op de bestaande energie-infrastructuur,
E N E R G I E S T R A T E G I E
/
R E S
R E G I O
A R N H E M
deze is vooral georiënteerd op de energievraag vanuit de gebouwde omgeving. Het is vanuit netefficiëntie wenselijk om de duurzame opwek in de buurt van de verdeelstations te plaatsen, dus in de gebouwde omgeving. In de praktijk is het zaak om de locatie van de opwek af te stemmen met de netbeheerder. Windparken en zonnevelden worden aangesloten op de beste plek in het netwerk. Dat is niet altijd direct in de omgeving van het project. De vermogens van windturbines en grote zonneparken passen bijvoorbeeld niet bij de energievraag van een kleinere kern. Hierdoor kan het voorkomen dat de opwek in een kleinere kern niet in eigen dorp of stad aangesloten wordt. Dit klinkt onwenselijk voor de duurzaamheidsambities in de eigen leefomgeving. Vanuit netperspectief is het echter noodzakelijk. N I J M E G E N
/
M A A R T
2 0 2 1
4 3
4.3.7 Verhouding wind/zon In het verlengde van het aansluiten van vraag en aanbod is het ook van belang om de verhouding wind/ zon te optimaliseren. Een gezonde verhouding tussen zon en wind is van belang omdat zon en wind zelden gelijktijdig pieken. Indien zon en wind slim aangesloten worden kunnen zij met aanzienlijk minder investeringen en dus lagere maatschappelijke kosten, meer duurzame opwek genereren. Als zon en wind gecombineerd worden op eenzelfde aansluiting (cable pooling) dan is de efficiënte inrichting van het netwerk impliciet geregeld. De inpassing van zon op dak is nu gebaseerd op het potentieel van de daken, de bouwkundige geschiktheid en de inpassingsmogelijkheden op het net zijn nog niet onderzocht. Op basis van de netberekeningen werkt Liander aan praktische handreikingen voor het verbeteren van de afstemming tussen dakpotentieel en netinpassing.
R E S
1 . 0
/
R E G I O N A L E
Energiehub NEXTgarden
Energiehub InnoFase
Het warmtenet binnen het glastuinbouw gebied NEXTgarden bij Lingewaard wordt uitgebreid naar omliggende bedrijventerreinen en woningen. Duurzame warmtebronnen die hiervoor worden toegepast zijn Biogas van Groen Gas Gelderland (ongeveer 8 miljoen m3), een snoeihoutcentrale van tuinders (oplevering in voorjaar 2021) en grootschalige zonthermie (besluitvorming verwacht in 2021). Ook wordt ter plaatse gewerkt aan de ontwikkeling van Hoge Temparatuur Opslag als onderdeel van het Energy Storage Lab dat TNO in heel Nederland uitrolt.
Bedrijventerrein InnoFase rondom de AVR in Duiven is één van de drie genoemde kansrijke innovatieve energiehubs. InnoFase is onlangs uitgeroepen tot het duurzaamste bedrijventerrein van Nederland. De bedrijven op InnoFase richten zich op hergebruik van grondstoffen en energie en hebben de ambitie om dit uit te bouwen. Vanuit de overheid en met medewerking van het bedrijfsleven is daarom het initiatief genomen om gezamenlijk onderzoek te doen naar koppelkansen voor waterstof, biogas, warmte en duurzame elektriciteit in de gehele keten van productie, conversie, opslag en afzet.
E N E R G I E S T R A T E G I E
/
R E S
R E G I O
A R N H E M
N I J M E G E N
/
M A A R T
2 0 2 1
4 4
R E S
1 . 0
/
R E G I O N A L E
E N E R G I E S T R A T E G I E
/
R E S
R E G I O
A R N H E M
N I J M E G E N
/
M A A R T
2 0 2 1
4 5
4.4 Toekomstperspectief elektriciteit, warmte en netwerk
Met de ontwikkeling van regionale zoekgebieden voor windturbines en zonnevelden en het benoemen van (boven)regionale warmteclusters spreekt uit deze RES 1.0 een duidelijke richting. Het vervolg is dat deze gebieden verder uitgewerkt gaan worden. We gaan zoeken naar exacte locaties voor windturbines en zonnevelden en maken afspraken over de benutting van de warmteclusters en de verdeling van die warmte. We zien twee belangrijke ontwikkelrichtingen voor het traject naar de RES 2.0:
4.4.2 Het gebied In het hoofdstuk ‘Integrale aanpak’ staat onze visie om de energietransitie zoveel mogelijk te koppelen aan andere opgaven in de regio. Binnen de RES 1.0 zijn diverse andere opgaven beschreven en waar mogelijk opgenomen. In de RES 2.0 start de grote uitdaging om de sectorale benadering om te buigen naar een gebiedsbenadering. Daarbij staat de ontwikkeling en versterking van een gebied centraal waarbinnen ruimte wordt gezocht voor windturbines, zonnevelden en regionale warmteoplossingen. De identiteit en mogelijkheden van het gebied zijn daarbij het uitgangspunt en niet de opgave van de energietransitie. We adviseren alle overheden in de regio om de RES 2.0 het startpunt te laten worden van deze integrale gebiedsprocessen. Betrek de inwoners en lokale stakeholders actief vanaf het eerste uur en stel aan de
voorkant samen spelregels op waar alle betrokkenen zich in kunnen vinden. Op die manier ontstaat er kwalitatief en kwantitatief profijt voor de woon- en leefomgeving. Als hulpmiddel bij het opstarten van gebiedsproces sen komen er vanuit de RES ‘gebiedspaspoorten’ beschikbaar waarin per zoekgebied alle RES-informatie is opgenomen. Deze paspoorten zijn bedoeld als levende documenten waarin nieuwe inzichten continu verwerkt worden. De bedoeling is om dit onder te brengen bij de Groene Metropoolregio en niet te beperken tot de RES alleen. In de paspoorten wordt de koppeling met andere opgaven benoemd maar ook andere relevante aspecten van de ontwikkeling. De eerste opzet van deze gebiedspaspoorten wordt in de periode maart tot en met juli 2021 opgesteld en zal niet direct compleet zijn.
4.4.1 Het energiesysteem De ontwikkeling van zoekgebieden elektriciteit en warmteclusters richting concrete projecten zal gebeuren door vanuit het bredere energiesysteem te kijken. Een goede match van de uitvoeringsplanning van de duurzame projecten en die van Liander is daarbij essentieel. We zien nu al dat de onbalans op het elektriciteitsnetwerk en op een deel van het toekomstige warmtenetwerk, een grote uitdaging wordt. Opslag met behulp van diverse energiedragers (zoals accu’s, geothermie of waterstof) is nodig om deze onbalans op te lossen. Dit gaat alleen slagen als we de opslag volledig integreren met de vraag vanuit de verschillende sectoren. Daarom is het van belang om bij de uitwerking van de zoekgebieden en clusters nu al na te denken over toekomstige oplossingen van opslag, zodat de systemen niet als losse delen worden ontwikkeld terwijl ze elkaar hard nodig gaan hebben.
R E S
1 . 0
/
R E G I O N A L E
E N E R G I E S T R A T E G I E
/
R E S
R E G I O
A R N H E M
N I J M E G E N
/
M A A R T
2 0 2 1
4 6
5. DRAAGVLAK
5. DRAAGVLAK
Iedereen in Regio Arnhem Nijmegen krijgt met de RES te maken. Daarom Oplegnotitie
is het belangrijk dat alle partijen betrokken worden. Bestuurders, volks vertegenwoordigers en ambtenaren, maar zeker ook maatschappelijke en
Reactienota
natuurorganisaties, het bedrijfsleven, agrariërs en landeigenaren, energie coöperaties, inwoners en specifiek jongeren. Het uitgangspunt uit de RES-Startnotitie ‘Van, voor en door de regio’ is op de volgende wijze doorvertaald in het proces.
5.1 Bestuurlijk draagvlak 5.1.1 Vastgesteld concept bod en wensen & bedenkingen
Voorlopig concept bod
Voor de RES 1.0 verschenen eerst het voorlopig concept bod (juni 2020) en het concept bod (september 2020). In het najaar van 2020 hebben de gemeenten, waterschappen en de provincie de het concept bod met bijbehorende reactienota unaniem vastgesteld. De reactienota kwam als volgt tot stand. Voorafgaand aan het concept bod is op 5 juni 2020 het voorlopig concept bod aangeboden aan de diverse deelnemende
R E S
1 . 0
/
R E G I O N A L E
partijen binnen Regio Arnhem Nijmegen. De reacties zijn samengevat in een oplegnotitie. Deze oplegnotitie maakt onderdeel uit van het concept bod dat op 1 oktober 2020 is ingediend bij NPRES. In het proces naar het opstellen van de RES 1.0 is door de werkorganisatie – in overleg met betrokkenen – een reactienota opgesteld, daarin wordt antwoord gegeven op alle in de oplegnotitie geuite wensen en bedenkingen. De reactienota maakt onderdeel uit van deze RES 1.0 die wordt vastgesteld door de volksvertegenwoordigers.
5.1.2 Interactief samenspel Deze RES is van zestien gemeenten, drie waterschappen en de provincie Gelderland. In de werkorganisatie zijn medewerkers vanuit de betrokken partners gedetacheerd. Zij hebben als taak het proces te organiseren. De Regiegroep (een afvaardiging van de gemeenten, provincie, waterschappen en Liander) is opdrachtgever van de RES en legt besluiten voor aan alle betrokken bestuurders in het Portefeuillehouders overleg Duurzaamheid (PFO-D). De leden van het PFO-D keuren documenten goed om voor te leggen aan de volksvertegenwoordigers (de colleges, de gemeenteraden, Gedeputeerde Staten en de algemene besturen van de waterschappen) voor besluitvorming. Naast de samenwerkende overheidspartijen is een grote, diverse groep van 500 stakeholders intensief betrokken bij het opstellen van RES 1.0 via een intensief participatie- en communicatietraject.
E N E R G I E S T R A T E G I E
/
R E S
R E G I O
A R N H E M
5.1.3 Gezamenlijk regionaal proces Het opstellen van de RES is een gezamenlijk regionaal proces dat alle betrokken partijen met elkaar aangaan. In het najaar van 2019 is de Startnotitie RES Regio Arnhem Nijmegen door alle gemeenteraden, Provinciale Staten en de algemene besturen van de waterschappen vastgesteld. In deze startnotitie zijn de uitgangspunten en afspraken vastgelegd voor het gezamenlijke proces. Tevens zijn hierin afspraken gemaakt over de opgave, het proces, de op te leveren resultaten, de uitgangspunten en ‘spelregels’ die we hanteren en de planning en besluitvorming. In de paragraaf ‘Integraliteit in ons proces’, is goed te zien welke stappen zijn gezet op het gebied van bestuurlijke besluitvorming, vanaf de Startnotitie tot een bestuurlijk gedragen RES 1.0. Daarnaast hebben tijdens dit proces individuele maatwerkgesprekken op ambtelijk- en bestuurlijk niveau plaatsgevonden met alle gemeenten, waterschappen en de provincie. Bij het opstellen van de RES 1.0 hanteren we als uitgangspunt consensus. Mocht volledige consensus (unanimiteit) onverhoopt niet lukken, dan vraagt de regio de provincie – in lijn met de beginselen van het ‘Huis van Thorbecke’ – om het voortouw te nemen via het goede gesprek de partners in de regio alsnog te bewegen om samen tot een RES en een daarbij behorend definitief bod te komen.
Dit betekent dat de provincie haar rol richting haar partners zal pakken.
N I J M E G E N
/
M A A R T
2 0 2 1
4 8
5.1.4 Bestuurlijk proces vaststelling RES 1.0 De RES 1.0 is begin maart 2021 via het PFO Duurzaamheid aangeboden aan de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten, Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland en het dagelijks bestuur van de waterschappen met het verzoek deze ter besluitvorming voor te leggen aan de volksvertegenwoordigers. De volksvertegenwoordigers nemen uiterlijk 15 juni 2021 een besluit over de RES 1.0. Alle reacties hierop zullen worden verzameld en worden meegezonden bij het indienen van de RES 1.0 bij NPRES. Deze reacties worden verwerkt in het proces naar de RES 2.0.
5.1.5 Toekomstperspectief bestuurlijk draagvlak Nieuwe bestuurlijke samenwerking: Groene Metropool Regio De regio werkt aan een nieuwe versterkte samenwerking. 1 januari 2021 is een Gemeenschappelijke Regeling voor de nieuwe Groene Metropoolregio van kracht gegaan. Daarin werken 18 gemeenten samen; het draagvlak is groot. De visie van de regio en bijbehorende regionale investeringsagenda worden in 2021 uitgewerkt. De RES maakt daar onderdeel van uit, namelijk in de opgave Circulaire Regio. Samen met de provincie en The Economic Board wordt toegewerkt naar een bestuursakkoord waarin de afspraken en ambities worden vastgelegd. Op 7 april 2021 wordt hierover een besluit genomen. De gemeenteraden kiezen ieder voor zich aan welke opgave van de Groene Metropool zij deelnemen. Mochten gemeenteraden niet voor de opgave Circulaire Regio kiezen, dan zullen er additief afspraken gemaakt
R E S
1 . 0
/
R E G I O N A L E
moeten worden over regionale besluitvorming ten aanzien van de RES gemaakt aangezien de RES een Rijksopdracht is voor alle gemeenten. Solidariteit onderling De realisatie van de opgave is binnen de regio niet gelijkwaardig over de gemeenten verdeeld. Niet alle gemeenten hebben evenveel mogelijkheden voor grootschalige opwek. In het geval van een niet evenredige lastenverdeling als gevolg van de duurzame energieproductie in het kader van de RES, zoeken we naar mogelijkheden om de lusten en de lasten onderling te compenseren. In het traject naar de RES 1.0 is gestart met een eerste verkenningsronde langs gemeenten. De regiogemeenten zijn het erover eens dat er afspraken gemaakt moeten worden over de lusten- en lastenverdeling in de RES. Dit moet echter zorgvuldig gebeuren. De afgelopen maanden was daar niet voldoende tijd en ruimte voor. In het traject naar de RES 2.0 zet de regio het gesprek hierover voort. Daarbij kiest de regio een positieve insteek: hoe kunnen gemeenten elkaar helpen bij deze complexe opgave? Bijvoorbeeld door het beschikbaar stellen van capaciteit en/of kennis door de gemeenten Arnhem en Nijmegen voor gemeenten die qua capaciteit en/of expertise in de knel komen met de uitvoering van de RES. Ook is een (regionaal) omgevingsfonds een mogelijkheid.
De ongelijke verdeling van realisatie van plannen zal de komende jaren in de regio ook vanuit andere disciplines komen. De uitvoering van de verstedelijkingsstrategie zal straks, bijvoorbeeld ruimteclaims
E N E R G I E S T R A T E G I E
/
R E S
R E G I O
A R N H E M
brengen die van invloed zijn op het landschap en de natuur. Daarmee ontstaat een compleet integraal plaa tje van ruimteclaims en kan een meer complete afweging gemaakt worden welke gemeente op welke wijze het best geholpen kan worden. Wij vragen de Groene Metropoolregio om vanuit deze integrale benadering te werken om tot samenwerkingsafspraken te komen. Deze nadere uitwerking behelst naast de inhoudelijke verkenning tevens het maken van de afweging voor de wijze van besluitvorming via de GR van de Groene Metropool danwel via alle gemeenteraden afzonderlijk. Voorgaande leidt tot de volgende afspraak voor de toekomst:
6 De afspraken over solidariteit tussen gemeenten onderling en de verdere uitwerking hiervan worden, samen met de uitvoering van RES 1.0, overgedragen aan de (nieuwe) regionale samenwerking binnen de Groene Metropoolregio. De volledige lijst met afspraken staat in hoofdstuk ‘Ons bod’. Op nationaal niveau vindt er ook een verkenning plaats naar de verdeling van lusten en lasten. Deze kan goede voorbeelden en creatieve oplossingen opleveren die de regio kunnen helpen. Doorwerking RES in omgevingsbeleid en vergunningen De Handreiking RES en de Routeplanner RES gaan ervan uit dat de RES op enig moment wordt geborgd in het Omgevingswet-instrumentarium. Regio’s zijn
N I J M E G E N
/
M A A R T
2 0 2 1
4 9
Handreiking RES
RES en Omgevingswet
vrij om zelf keuzes te maken over de wijze van borging. Het proces en de besluitvorming van de RES is de eerste stap van de beleidsvoorbereiding. Dat moet daarom in ieder geval passen in de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Welke keuze maken we vanuit Regio Arnhem Nijmegen over de borging van keuze locaties en concrete projecten vanuit de RES 1.0 naar een RES 2.0? Deze keuze is bepalend voor de voorbereiding, de inhoudelijke vereisten (bijvoorbeeld op het gebied van participatie en inspraak) en het proces van totstandkoming van RES 2.0. Uiteindelijke doel
atelier stakeholderintermezzo
PFO duurzaamheid
is vergunningverlening voor de energieprojecten uiterlijk op 1 januari 2025 om realisatie voor 2030 mogelijk te maken. Daarom zal over deze keuze in de periode van RES 1.0 naar RES 2.0 door de deelnemende overheden een besluit genomen moeten worden. MER Een breed gedeeld uitgangspunt is dat de RES 1.0 een strategisch document is en formeel geen omgevingsrechtelijk besluit, zoals een regionale structuurvisie of een regionaal omgevingsprogramma dat wel zijn. De MER-verplichting is er bij de RES wettelijk gezien dus ook niet. Daarom heeft onderzoeksbureau Berenschot onderzocht of het noodzakelijk is om een strategie te bepalen over de inzet van MER voor RES 1.0 en RES 2.0. Berenschot heeft voor vier Gelderse RES-regio’s een voortoets uitgevoerd op de voorliggende concept-RES’en.
bestuurlijk intermezzo
•
Beleidsbeperkingen en landschap vormen een belangrijke basis onder het analyse- en ontwerpproces van het concept bod; Het concept bod heeft beperkt aandacht voor milieueffecten; Transparantie en navolgbaarheid is een belangrijk aandachtspunt en behoeft verbetering.
Aanbevelingen voor het vervolgproces:
klimaatberaad
Bepaal welke gebiedsafbakening het best werkt en hoe met regio-overstijgende effecten om te gaan.
In de RES 2.0 worden nadere afspraken gemaakt over borging in lokale omgevingsplannen of regionale omgevingsverordeningen en volgt daaruit de in te zetten strategie voor de m.e.r. Bovenstaande leidt tot de volgende afspraken voor de toekomst:
7 In het ontwikkeltraject RES 2.0 worden nadere afspraken gemaakt over borging van de RES. In een lokaal omgevingsplan of een regionale borging in de provinciale omgevingsverordening stellen we gezamenlijk een plan op om de MERaspecten nader in beeld te krijgen.
8 De vastgestelde RES 1.0 vormt voor alle •
•
regiegroep
•
• •
Bepaal een strategie over inzet MER-instrumentarium; Organiseer een transparant proces;
bestuurlijke partijen een van de uitgangspunten voor de nader uit te werken omgevingsvisies, de warmtevisies /TVW en de wijk- en omgevingsplannen. De energietransitie is complex en we moeten tempo (blijven) maken. Daarom accepteren we dat, doordat projecten en initiatieven soms vóórlopen op deze plannen of anders dan beoogd verlopen, gemeenten in de praktijk onderling verschillen in aanpak en tempo. De volledige lijst met afspraken staat in hoofdstuk ‘Ons bod’.
Stakeholders, bestuurders en ambtenaren kijken ombeurten naar de RES-opgaven.
R E S
1 . 0
/
R E G I O N A L E
E N E R G I E S T R A T E G I E
/
R E S
R E G I O
A R N H E M
N I J M E G E N
/
M A A R T
2 0 2 1
5 0
R E S
1 . 0
/
R E G I O N A L E
E N E R G I E S T R A T E G I E
/
R E S
R E G I O
A R N H E M
N I J M E G E N
/
M A A R T
2 0 2 1
5 1
5.2 Maatschappelijk draagvlak
5.2.2
5.2.1 Het participatieveld voor RES 1.0 en verder Deze paragraaf maakt helder wie voor wat, wanneer aan zet is op het gebied van de participatie over de energietransitie voor Regio Arnhem Nijmegen. Het maakt het speelveld inzichtelijk: wanneer en binnen welke kaders praten stakeholders en inwoners mee? Een helder speelveld zorgt voor vertrouwen in een zinvolle bijdrage aan het participatietraject. In samenwerking met de participatietafel, welke in de volgende paragraaf toegelicht wordt, is aan de hand van een omgevingsanalyse het speelveld voor participatie in de RES 1.0 in kaart gebracht. Dit speelveld geeft aan welke partijen betrokken zijn, in welke ‘Ring van invloed’ zij nu zitten en wat de ideale ring is voor een succesvol participatietraject. Zie afbeelding op pagina 53.
•
Inwoners gaan van ‘meeweten’ naar ‘meedenken’. Dit betekent dat ze richting RES 2.0 betrokken gaan worden met passende participatievormen zoals een burgerpanel, burgerberaad en op maat gemaakte gebiedsgerichte participatieprocessen. Verschillende partijen binnen de groep van 500 maatschappelijke organisaties en bedrijven hebben aangegeven actiever mee te willen werken aan het participatieproces binnen de RES. Ze verschuiven dus van adviseren naar meewerken. De Participatietafel is hiervoor de plek.
R E S
1 . 0
/
R E G I O N A L E
Meer over de partici patietafel
5.2.3 Lokale participatie met inwoners
Binnen dit speelveld is een aantal verschuivingen nodig ten opzichte van de manier waarop partijen tot nu toe betrokken waren. Dit wordt ook aangegeven door de pijlen in de illustratie: •
Participatietafel
Het betrekken van inwoners en maatschappelijke organisaties is complex. Daarom is een ‘Participatietafel’ opgezet. Deelnemers aan deze tafel zijn afkomstig van onder andere energiecoöperaties, initiatiefnemers, gemeenten en inwoner- natuur en landbouworganisaties. Ook Jong RES neemt deel. De participatietafel denkt mee en adviseert over participatie in de brede zin van het woord en deelt kennis en inzichten over belangen en motieven. De participatietafel zal zich ontwikkelen en blijft adviseren zolang nodig.
•
Jongeren gaan van meedenken naar meewerken. Jong RES is inmiddels als partner van de participatietafel aangeschoven. Via Jong RES wordt de stem, mening en houding van jongeren ingebracht, want deze is anders dan die van de brede groep inwoners van de regio. Jong RES denkt en werkt nu mee vanaf de eerste rij en praat mee in de regionale bijeenkomsten.
E N E R G I E S T R A T E G I E
/
R E S
R E G I O
A R N H E M
Participatie bij concrete gebieden en locaties vraagt om lokaal maatwerk. Elke gemeente pakt participatie op vanuit het eigen beleid en ‘spelregels’. De zoekgebieden in de RES 1.0 komen grotendeels voort uit een lokaal traject waar inwoners bij betrokken zijn geweest. In de meeste gemeenten waren inwoners ook betrokken bij de totstandkoming van het lokale beleid voor zon en wind. Gemeenten hebben hiervoor in de afgelopen jaren onder andere bijeenkomsten en burgerpanels georganiseerd om de mening van inwoners te horen. Dit is in lijn met het advies van de participatietafel naar aanleiding van het concept bod: borg participatie in lokaal beleid en biedt de mogelijkheid tot maatwerk.
N I J M E G E N
/
M A A R T
2 0 2 1
5 2
Voor beelden
RINGEN VAN INVLOED
R E S
1 . 0
/
R E G I O N A L E
E N E R G I E S T R A T E G I E
/
R E S
R E G I O
A R N H E M
N I J M E G E N
/
M A A R T
2 0 2 1
5 3
5.2.4 Regionale participatie met stakeholders en gemeenten
MAATSCHAPPELIJK DRAAGVLAK, SPEELVELD REGIONAAL/LOKAAL
Bij de ontwikkeling en het ruimtelijke ontwerptraject om tot de zoekgebieden voor zon en windprojecten te komen, heeft participatie een belangrijke rol gespeeld. Zoals beschreven zijn alle harde- en zachte restricties goed meegenomen en waren experts op gebied van ruimtelijke kwaliteit nauw betrokken. Tijdens de regionale ontwerpateliers sloten vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties, energiecoöperaties, bedrijven en gemeenten aan om als regio samen de inhoud van RES 1.0 vorm te geven. Stakeholderintermezzo’s zorgden voor geïnformeerde, aangehaakte partijen (inmiddels meer dan 500) en inspiratie om mee verder te gaan. De participatietafel vervulde haar rol door vanuit verschillende hoeken visies over participatie te delen. Ten slotte is ook dit document ter review voorgelegd aan verschillende partijen. Hun feedback is in de tekst verwerkt en in de digitale omgeving vindt u een aantal bespiegelingen van deze partijen op de RES 1.0. Op deze wijze blijft het stuk van, voor en door de regio! In het schema rechts staat een overzicht van de participatieactiviteiten op lokaal en regionaal niveau. Vanaf de Startnotitie voor RES tot aan het 1 juli 2021, het moment waarop de RES 1.0 bij het Rijk wordt ingediend.
5.2.5 Financiële participatie en minimaal 50% lokaal eigendom Toelichting participatie vormen
Gedurende het traject is er onderscheid gemaakt tussen procesparticipatie (het betrekken van inwoners en andere belanghebbenden bij het maken van plannen en creëren van urgentie voor de R E S
1 . 0
/
R E G I O N A L E
energietransitie) en projectparticipatie (het betrekken van inwoners en andere belanghebbenden bij energieprojecten). In het laatste geval spelen financiële participatie en het teruggeven van waarde aan de directe omgeving een belangrijke rol. In het klimaatakkoord is afgesproken dat voor windturbines en zonnevelden gestreefd wordt naar 50% medeeigenaarschap van inwoners. Dat onderstrepen we in Regio Arnhem Nijmegen.
E N E R G I E S T R A T E G I E
/
R E S
R E G I O
A R N H E M
VEELGESTELDE VRAGEN: > > >
Wie maken de RES? Wanneer kan ik nog meepraten? Wat heb ik aan die windmolens en zonnevelden? Krijg ik er ook iets voor terug?
N I J M E G E N
/
M A A R T
2 0 2 1
5 4
Visie op de RES 1.0 van de energiecoöperaties
In alle 16 gemeenten in de RES Regio Arnhem Nijmegen zijn energiecoöperaties actief. Hierin komen enthousiaste bewoners bijeen om samen zon- en/of windprojecten te ontwikkelen en realiseren. Voor zo’n 0,252 TWh opbrengst per jaar zijn er al projecten gerealiseerd of zitten die in de pijplijn. Voor 0,174 TWh zijn er ideeën in voorbereiding. Dit is bij elkaar een kwart van de 1,62 TWh ambitie van de RES.” Energiecoöperaties RES Regio Arnhem Nijmegen
Mede-eigenaarschap is een van de mogelijke uitkomsten van een zorgvuldig participatieproces met de omgeving. Financiële participatie, een omgevingsfonds en een omwonendenregeling zijn andere mogelijke vormen. In de participatiewaaier van de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE) www.nvde.nl staan deze vormen verder toegelicht. Energiecoöperaties spelen een belangrijke rol in het realiseren van lokaal eigendom. In Regio Arnhem Nijmegen zijn coöperaties inmiddels goed voor de invulling van een kwart van de regionale energieambitie. Zij hebben hiermee uitgebreide ervaring die waardevol is voor de RES, nu en in de toekomst. Om dit lokaal eigendom mogelijk te maken is het nodig dat gemeenten zorgvuldig omgaan met het maken van afspraken met initiatiefnemers van zonnevelden en windparken. Hiervoor zijn meerdere instrumenten beschikbaar, waaronder het instrument ‘maatschappelijke tender’. Deze wordt op verschillende plekken al ingezet in de regio. Energie Samen werkt vanuit het GEA (ondersteund door NPRES en provincie) aan richtlijnen voor gemeenten voor het uitzetten van
R E S
1 . 0
/
R E G I O N A L E
zo’n tender. Deze manier van aanbesteden zorgt ervoor dat inwoners voldoende mee kunnen profiteren van de winst die gemaakt wordt. In de RES 1.0 spreken we af dat we investeren in gebiedscompensaties en gebiedsversterking (ruimtelijke afspraak 16). Samen met de Participatiecoalitie en energiecoöperaties helpt de RES-werkorganisatie gemeenten om dit, voor zover dit nog niet gebeurd is, goed in hun beleid vast te leggen en uit te voeren.
5.2.6 Jongeren & de RES In de RES nemen we beslissingen die van grote invloed zijn op de toekomst van jongeren in onze regio. Zij zullen het meeste merken van de veranderingen in het landschap en de leefomgevingen en tevens van de toekomstige maatschappelijke kosten die voornamelijk op die generatie worden verhaald. Andersom: ook als wij nu geen beslissingen nemen ten behoeve van de energietransitie, heeft dat grote impact op de wereld waarin zij straks leven. Daarom zijn zij een belangrijke stakeholder. Hun stem is cruciaal bij het ontwerpen en aanscherpen van de plannen en de uitvoering in de komende jaren. Jongeren zijn aangehaakt bij de RES via Jong RES. Jong RES is vertegenwoordigd aan de participatietafel en is
E N E R G I E S T R A T E G I E
/
R E S
R E G I O
A R N H E M
aanwezig bij stakeholderintermezzo’s. Richting RES 2.0 zal de stem van Jong RES goed gehoord blijven worden. Tevens zal jongerenparticipatie een grotere rol gaan spelen op zowel lokaal als regionaal niveau. Eind 2020 werd in samenwerking tussen NPRES en Jong RES de jongeren enquête over de houding en belangen van jongeren in Nederland en de regio gepresenteerd. Hieruit bleek dat de stem van jongeren overtuigend een positieve houding hebben tegenover het opwekken van meer duurzame energie. 93% van de jongeren uit Regio Arnhem Nijmegen vindt het positief dat er steeds meer duurzame energie wordt gebruikt in Nederland. Bijna 70% van de jongvolwassenen is dan ook (heel erg) geïnteresseerd in duurzame energie en 58% voelt zichzelf (deels) verantwoordelijk om mee te denken over toekomstig energieverbruik. Ook over de technieken, windturbines en zonnevelden, zijn ze positief gestemd: het aanleggen van zonnevelden én windturbines in de eigen woonplaats vindt ruim 70% een (heel erg) goed idee. Dit steekt hoog uit boven de resultaten van de enquête onder de brede bevolking van de regio. Daar vond 40% het (helemaal) geen probleem om windturbines in de buurt te hebben.
N I J M E G E N
/
M A A R T
2 0 2 1
5 5
INWONERS (18+) OVER DUURZAME ENERGIE 3% 1%
3%
heel belangrijk belangrijk
9%
5%
} 84%
helemaal geen probleem 13%
neutraal 41%
10%
geen probleem
} 40%
helemaal geen probleem geen probleem
15%
9%
neutraal
niet zo belangrijk 30%
17%
} 52%
neutraal
een beetje een probleem
helemaal niet belangrijk geen mening
4%
een beetje een probleem
14%
een groot probleem
een groot probleem
geen mening
geen mening 37% 21%
43%
Conclusies onderzoek brede bevolking
27%
84% van de inwoners van Regio Arnhem Nijmegen vindt
het belangrijk om duurzamer gebruik te maken van energie.
40%
52%
van de inwoners van Regio Arnhem Nijmegen heeft geen probleem met windmolens bij hun in de buurt.
van de inwoners van Regio Arnhem Nijmegen vindt een zonnepark aan de rand van de eigen woonwijk geen probleem
JONGEREN (12-30 JAAR) OVER DUURZAME ENERGIE Mening over duurzame energiebronnen in eigen woonplaats
93% van de jongeren vindt het positief dat er steeds meer duurzame energie wordt gebruikt in Nederland. In heel Nederland geldt dit voor 89%.
Conclusies jongerenonderzoek 72%
73%
95%
In Regio Arnhem Nijmegen vindt 55% van de jongeren het (heel erg) goed als er windmolens worden bijgeplaatst in hun woonplaats.
9%
Dit geldt voor 49% van de tieners en 59% van de
16%
1 . 0
/
R E G I O N A L E
E N E R G I E S T R A T E G I E
neutraal (helemaal) niet goed
10%
jongvolwassenen in de regio. R E S
(heel erg) goed
16%
Zonnepanelen op daken
/
R E S
R E G I O
A R N H E M
Zonnepaneelvelden
N I J M E G E N
/
weet niet
Windmolens
M A A R T
2 0 2 1
5 6
5.2.7 Betrekken van raadsleden Raadsleden zijn via meerdere wegen bij de RES betrokken. Heel direct via hun aanwezigheid in de stakeholderintermezzo’s en natuurlijk hun doorslaggevende rol in de besluitvorming. Tevens is er, om raadsleden goed aangehaakt te houden, regelmatig contact met de griffierskringen Noord en Zuid. Zo kunnen de griffiers input leveren voor bijvoorbeeld plannen, het scherp houden van de raden, welke behoeftes zij hebben en welke onderwerpen van belang zijn voor stakeholderintermezzo’s. Ook worden raadsleden voorzien van informatie via toelichtingen van vertegenwoordigers van de werkorganisatie tijdens raadsvergaderingen, webinars en nieuwsbrieven.
5.2.8 Toekomstperspectief participatie en maatschappelijk draagvlak In de RES 1.0 is de verhouding tussen zonne-energie en windenergie verbeterd en zijn er voorstellen voor verkenningsgebieden extra windturbines bijgekomen. Daarnaast liggen er regionale richtinggevende afspraken voor het ruimtelijk inpassen van hernieuwbare energie. Met name ruimtelijke afspraak 16 is voor participatie van belang: “Combineer ontwikkeling van windturbines en zonnevelden altijd met de ruimtelijke kwaliteit en samenhang van het totale gebied. Houd rekening met het gebruik door lokale partijen, stakeholders en inwoners.” Dit betekent dat participatie met inwoners de komende tijd nog belangrijker wordt.
R E S
1 . 0
/
R E G I O N A L E
Er moet samen goed afgesproken worden welke ruimte inwoners hebben om te participeren. Hoe eerder afspraken worden gemaakt, hoe beter het is voor het maatschappelijk draagvlak. Vanaf nu verschuift de focus van de zoekgebieden naar de locaties en projecten. Het wordt steeds concreter. Bij zoekgebieden hadden we het nog over gebieden waar projecten kunnen komen, vanaf nu gaat het steeds vaker over specifieke locaties waar projecten ontwikkeld gaan worden. Het is nu zaak om naast de direct omwonenden in de omgeving ook de zwijgende middengroep zich te laten uitspreken. Hier staan opnieuw de gemeenten aan de lat maar nu dus ook vanuit een bovenlokaal of regionaal perspectief. Bij de start van de volgende fase zal het gesprek gevoerd worden met de gemeenten binnen de regio. Het doel is om scherp te krijgen welke rol er vanuit de RES gespeeld gaat worden in de participatietrajecten rondom de projecten. Afhankelijk van de rol en de specifieke situatie zal vervolgens bekeken worden welke middelen het best ingezet kunnen worden bij het concreet vormgeven van het participatietraject. Zo zou het kunnen gebeuren dat de Factor-C methodiek met de ringen van invloed ook op projectniveau gaat worden ingezet. Of dat gekozen wordt om Swipocratie of een ander middel in te zetten.
Tevens zal nagedacht worden hoe waardevolle ervaring van elders (in de regio) meegenomen kan worden, zodat het wiel niet steeds opnieuw hoeft te worden uitgevonden.
E N E R G I E S T R A T E G I E
/
R E S
R E G I O
A R N H E M
N I J M E G E N
/
M A A R T
2 0 2 1
5 7
We maken voor participatie de volgende afspraken voor de toekomst:
23 We organiseren bijeenkomsten voor ambtenaren en volksvertegenwoordigers om kennis te blijven delen. We delen goede voorbeelden in onze regio.
19 Bij de RES 1.0 is helder wie waarvoor en wanneer aan zet is voor de participatie over de energietransitie in Regio Arnhem Nijmegen. We zorgen voor een transparant speelveld. Stakeholders en inwoners weten zo wanneer en binnen welke kaders ze mee kunnen praten.
20. We borgen met de participatiestrategie dat de energietransitie in Regio Arnhem Nijmegen zoveel mogelijk ten goede komt aan de inwoners van de regio. We streven naar minimaal 50% eigendom en zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. We houden ook zoveel mogelijk rekening met gezondheidsaspecten, wegen milieu-effecten zorgvuldig af en zorgen dat natuurwaarden zoveel mogelijk behouden blijven.
21 We delen en faciliteren informatie in
24 We zorgen ervoor dat iedereen in de regio (financieel en/of maatschappelijk) voordeel kan halen uit de plannen. Dat doen we bijvoorbeeld door gemeenten te helpen met het opzetten van maatschappelijke tenders.
25 Voor het einde van 2021 hebben alle gemeenten
Het is goed dat de ambitie van 50% lokaal eigenaarschap in de RES 1.0 is opgenomen. We vragen aandacht voor een geschikt model met de mogelijkheid voor jongeren om hieraan mee te doen.
een Transitievisie Warmte opgesteld. We onder zoeken de participatieaanpakken in deze visies en adviseren bestuurders over participatie in het warmtespoor.
Visie op RES 1.0 van Jong RES
Jong RES
26 Jongeren worden op lokaal en regionaal niveau betrokken bij het meedenken en uitvoeren van plannen.
27 We gaan de rol van de ‘participatietafel’ nog
relatie tot de energietransitie zo zorgvuldig mogelijk met stakeholders, ambtenaren, volksvertegenwoordigers en inwoners, zoals over de effecten op de gezondheid van geluid van windturbines, financiële voordelen voor inwoners, en behoud van biodiversiteit.
scherper invullen. Die kan dan nog meer in de rol groeien zoals in de doelstelling is omschreven.
28 Op weg naar de RES 2.0 streven we ernaar om het betrekken van raadsleden ook op regionaal niveau te organiseren.
22 Om gemeenten te ondersteunen voeren we (bovenlokale) duo-gesprekken over het verder uitwerken van gebiedsgerichte participatie en lokaal eigendom. Hierin denken we ook samen na over hoe de participatie voor jongeren ingericht kan worden.
R E S
1 . 0
/
R E G I O N A L E
De volledige lijst met afspraken staat in hoofdstuk ‘Ons bod’.
E N E R G I E S T R A T E G I E
/
R E S
R E G I O
A R N H E M
N I J M E G E N
/
M A A R T
2 0 2 1
5 8
R E S
1 . 0
/
R E G I O N A L E
E N E R G I E S T R A T E G I E
/
R E S
R E G I O
A R N H E M
N I J M E G E N
/
M A A R T
2 0 2 1
5 9
6. UITGELEIDE
Met de RES 1.0 ligt er een duidelijke koers voor de energie transitie in Regio Arnhem Nijmegen, als het gaat om grootschalige opwek van elektriciteit uit zon en wind, het gebruik van regionale warmtebronnen en het bij behorende participatietraject. Deze RES werd gemaakt in een intensief traject met stakeholders en bestuurders. Dat geeft vertrouwen in de stappen die hierna gaan volgen. De plannen worden voortdurend aangescherpt en we worden steeds concreter. Dat is nodig, want al in 2030 willen we de CO2-uitstoot met 55% hebben teruggebracht. Zoals telkens aangegeven: de RES is een doorlopend proces. Bij elke nieuwe versie nemen we inzichten en feedback mee. Reacties zijn altijd welkom via res@regioan.nl
Reacties
In de online omgeving vindt u diverse reacties op de eerdere versie van de RES en op deze RES 1.0.
Arnhem Nijmegen
1 1019968 Bijlage 3 Reactienota (voorlopig conceptbod)
Reactienota bij RES 1.0: Wensen & bedenkingen + antwoorden
1
Reactienota behorende bij bod 1.0 RES Regio Arnhem Nijmegen dd. 3 maart 2021
Inhoudsopgave 1. Doel, aanleiding en proces.................................................................................................................................................................................. 4 1.1 Gezamenlijk regionaal proces ....................................................................................................................................................................... 4 1.2 Uitgangspunt consensus ............................................................................................................................................................................... 4 1.3 Aanleiding...................................................................................................................................................................................................... 4 1.4 Vervolg........................................................................................................................................................................................................... 4 1.5 Proces wensen en bedenkingen..................................................................................................................................................................... 5 2.
Reactie per thema.............................................................................................................................................................................................. 7 2.1 Elektriciteit .................................................................................................................................................................................................... 7 2.2 Warmte ........................................................................................................................................................................................................ 12 2.3 Participatie .................................................................................................................................................................................................. 15 2.4 Bestuurlijke besluitvorming ......................................................................................................................................................................... 18 2.5 Algemeen .................................................................................................................................................................................................... 21 3.
Ontvangen reacties .......................................................................................................................................................................................... 24 3.1 Gemeente Arnhem ....................................................................................................................................................................................... 24 3.2 Gemeente Berg en Dal .................................................................................................................................................................................. 24 3.3 Gemeente Beuningen ................................................................................................................................................................................... 25 3.4 Gemeente Doesburg ..................................................................................................................................................................................... 25 2
3.5 Gemeente Druten ........................................................................................................................................................................................ 26 3.6 Gemeente Duiven ........................................................................................................................................................................................ 26 3.7 Gemeente Heumen ....................................................................................................................................................................................... 27 3.8 Gemeente Lingewaard .................................................................................................................................................................................. 27 3.9 Gemeente Nijmegen ..................................................................................................................................................................................... 28 3.10 Gemeente Overbetuwe ...............................................................................................................................................................................
30 3.11 Gemeente Renkum ...................................................................................................................................................................................... 31 3.12 Gemeente Rheden ....................................................................................................................................................................................... 31 3.13 Gemeente Rozendaal ................................................................................................................................................................................... 32 3.14 Gemeente Westervoort ............................................................................................................................................................................... 32 3.15 Gemeente Wijchen ….................................................................. ................................................................................................................. 33 3.16 Gemeente Zevenaar .....................................................................................................................................................................................
34 3.17 Provincie Gelderland …................................................................................................................................................................................. 34
3
1. Doel, aanleiding en proces In maart 2020 is het conceptbod RES Regio Arnhem Nijmegen aangeboden aan de diverse deelnemende partijen binnen de RES Regio Arnhem Nijmegen. Dit concept bod is unaniem vastgesteld. Hierbij is afgesproken om de diverse reacties van onder meer de colleges, raden en stakeholders voor te leggen aan de leden van het PFO Duurzaamheid en onderdeel te laten zijn van het regionale bod in RES 1.0. De reacties zijn samengevat in de oplegnotitie van september 2020. Deze reactienota geeft de reactie weer van de Werkorganisatie Regio Arnhem Nijmegen op alle wensen en bedenkingen op het voorlopig concept bod RES Regio Arnhem Nijmegen, zoals in de oplegnotitie behorende bij het concept bod zijn gebundeld. 1.1 Gezamenlijk regionaal proces In de in 2019 vastgestelde startnotitie zijn de uitgangspunten en afspraken vastgelegd voor het gezamenlijke proces richting RES 1.0. Tevens zijn hierin afspraken gemaakt over de opgave, het proces, de op te leveren resultaten, de uitgangspunten en ‘spelregels’ die we hanteren, de planning en besluitvorming. In juni 2020 is ook het vervolg, het voorlopig concept bod, unaniem vastgesteld. Het RES 1.0 bod en deze reactienota samen vormen het bod waarover alle deelnemende overheden uiterlijk 15 juni 2021 een besluit nemen.