CConstaterende datZevenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Raadsvergaderingen 2018-2022 3 juni 2021, gemeente Zevenaar36.234 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Lees verder over warmte.

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

1 0

2.6 Draagvlak

De zoekgebieden in de RES 1.0 komen voort uit lokale trajecten waarin verschillende gemeenten de afgelopen jaren hun inwoners hebben betrokken. Voor een aantal gemeenten geldt dat het lokale proces om te komen tot beleid voor wind en zon en de daarbij horende projectparticipatie nog loopt en besluitvorming nog moet plaatsvinden. Inwoners dachten mee over het duurzaamheidsbeleid van de gemeente in het algemeen of specifiek over het beleid rond wind- en zonprojecten. De gemeenten nodigden hen uit hun ideeën te delen over de randvoorwaarden, locaties en de wijze waarop projecten in het landschap in te passen zijn. Dit gebeurde onder andere via bijeenkomsten en burgerpanels. Gemeenten geven aan dat het betrekken van inwoners bij specifiek de RES weinig animo en interactie oplevert. In de RES Regio Arnhem Nijmegen werken we van­ uit het principe ‘lokaal voorop’. Gemeenten staan het meest dicht bij hun inwoners en zijn daarom verantwoordelijk voor participatie met inwoners. De RES-werkorganisatie ondersteunt de gemeenten met communicatiemiddelen, kennis, inspiratie en advies. Zoals aangegeven in de paragraaf ‘Elektriciteit’ krijgt inwonerparticipatie een grotere rol nu de plannen concreter gaan worden. Gemeenten gaan met inwoners in gesprek over de genoemde ruimtelijke afspraken.

De RES-werkorganisatie zal de gemeenten hierbij actiever ondersteunen dan in de eerste fase, en zal waar nodig, als het regionale of bovenlokale R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

vraagstukken betreft, zelf inwoners betrekken bij de vraagstukken rond de RES. De gemeenten van Regio Arnhem Nijmegen streven naar minimaal 50% lokaal eigendom van de energieproductie. Dat betekent dat inwoners, bijvoorbeeld door aandelen te kopen in een windof zonnepark, mede-eigenaar kunnen worden en zeggenschap hebben over het project. Dat zorgt er onder andere voor dat de inkomsten niet wegvloeien naar een (buitenlandse) ontwikkelaar, maar terecht komen waar ze horen: bij de omwonenden. Ruim een derde van de gemeenten heeft dit streven al opgenomen in beleid. Een aantal gemeenten is hier nog mee bezig. Hierbij zal ook nauw worden samengewerkt met de plaatselijke energie coöperaties.

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

Jongeren uit Regio Arnhem Nijmegen hebben een speciale plek binnen het traject van de RES. Duurzame energievoorziening en de impact op het landschap is een thema dat nu speelt, maar het heeft alles te maken met de toekomst. Het is belangrijk goed te luisteren naar degenen die straks te maken hebben met de gevolgen van het klimaatprobleem. Een recente enquête wijst uit dat jongeren zeer positief zijn over de energietransitie. De gemeenten zullen zich in de aanloop naar de RES 2.0 extra inzetten om jongeren te betrekken. In het afgelopen jaar heeft een vertegenwoordiger van Jong RES zich aangesloten bij de participatietafel.

Lees verder over draagvlak. N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

1 1

2.7 Afspraken voor de toekomst

We zien het RES-traject als permanent ‘werk in uitvoering’. Deze RES 1.0 is een plan dat steeds openstaat voor nieuwe gesprekspartners, spelers op de markt, nieuwe technologie, andere omstandigheden en voortschrijdend inzicht. Voor de totstandkoming van deze RES 1.0 is alle kennis van nu gebruikt en is de kunde en ervaring van de betrokken stakeholders meegenomen, om weloverwogen ‘afspraken voor de toekomst’ te maken. Het belang van het in stand­houden van de samenwerking in het RES-netwerk met betrokken partijen is helder. Om onze energiedoelen te halen hebben we niet alleen een flexibele energiestrategie nodig, maar ook een stevig samenwerkingsfundament. Daarmee kunnen we aan de slag in de gebiedsprocessen, en om de projecten die in die gebieden voorzien zijn te realiseren.

de weg daar naartoe geborgd. Ze vormen een aanvulling op de Startnotitie. De afspraken zijn nu nog geen onderdeel van het beleid van de gemeenten, waterschappen en provincie. In de periode tussen de RES 1.0 (2021) en de vaststelling van RES 2.0 (2023) zullen we de afspraken toepassen in de praktijk en waar nodig bijstellen of uitbreiden. Hieronder staan de totaal 28 afspraken die zijn gemaakt. Waar relevant, is steeds een verwijzing gemaakt naar de inhoudelijke hoofdstukken voor meer informatie over de context en achtergrond. Bij de vaststelling van de RES 1.0 leggen betrokken RES-partners aan de voorkant deze afspraken voor de toekomst vast.

2.7.1 Samenwerkingsafspraken 1 De RES is en blijft gebaseerd op lokale regie in een regionaal proces van samenwerking.

interbestuurlijk samen. Om in regie te blijven, houden betrokken partijen actief vinger aan de pols via het structurele ‘goede gesprek’ en monitoring van de ontwikkelingen binnen de regio middels het Ninox-systeem. Indien nodig worden tussentijds nieuwe (bestuurlijke) afspraken gemaakt.

3 We werken met elkaar aan succesvol RESOok vanuit de sporen Warmte, Bestuurlijke besluitvorming en Participatie zijn ‘afspraken voor de toekomst’ gemaakt. Daarmee wordt het RES 1.0 bod en R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

partnerschap waarbij we rekening houden met elkaars belangen én het gezamenlijke belang van een succesvolle energie- en warmtetransitie.

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

maken we bestuurlijke procesafspraken. Voor het geval overheden het niet met elkaar eens kunnen worden, grijpen we terug op de vastgelegde samenwerkingsafspraken uit de Startnotitie.

5 We spreken elkaar aan op ieders bijdrage aan de uitvoering van de RES, waarin gezocht wordt naar een weging tussen lasten en lusten die recht doet aan de kwaliteiten van de gehele regio.

2.7.2 Afspraken over solidariteit tussen gemeenten onderling 6 De afspraken over solidariteit tussen gemeenten onderling en de verdere uitwerking hiervan worden, samen met de uitvoering van RES 1.0, overgedragen aan de (nieuwe) regionale samenwerking binnen de Groene Metropoolregio. Deze afspraak staat ook in paragraaf 5.1.5 (Solidariteit onderling).

2 Binnen de regio werken we intensief, We hebben samen met experts op het gebied van landschap en energieopwekking afspraken gemaakt om te zorgen dat de focus voor toekomstige projecten binnen de huidige zoekgebieden ligt. En dat hierbij steeds ruimte is voor lokaal maatwerk. De afspraken geven ook richting aan het behouden van ruimtelijke kwaliteit bij het inpassen van windturbines en zonnevelden.

4 Ook bij navolgende fasen in de besluitvorming

A R N H E M

2.7.3 Afspraken doorwerking omgevings­ instrumentarium en MER 7 In het ontwikkeltraject RES 2.0 worden nadere afspraken gemaakt over borging van de RES. In een lokaal omgevingsplan of een regionale borging in de provinciale omgevingsverordening stellen we gezamenlijk een plan op om de MERaspecten nader in beeld te krijgen.

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

1 2

8 De vastgestelde RES 1.0 vormt voor alle bestuurlijke partijen een van de uitgangspunten voor de nader uit te werken omgevingsvisies, de warmtevisies /TVW en de wijk- en omgevingsplannen. De energietransitie is complex en we moeten tempo (blijven) maken. Daarom accepteren we dat, doordat projecten en initiatieven soms vóórlopen op deze plannen of anders dan beoogd verlopen, gemeenten in de praktijk onderling verschillen in aanpak en tempo. Lees verder Deze afspraken staan ook in paragraaf 5.1.5 (Door­ werking in omgevingsbeleid en vergunningen/MER).

2.7.4 Afspraken voor een optimaal warmtesysteem 9 Vanuit regionaal perspectief maakt het verschil welke bron wordt gebruikt op welke plek; we willen voorkomen dat een bron al door de ene gemeente is ingezet terwijl hij voor een andere gemeente van vitaal belang zou zijn geweest. In het belang van ons RES-partnerschap bepalen we gezamenlijk waar welke bovenlokale bron uiteindelijk wordt ingezet.

10 Binnen de relevante warmteclusters waar dit verdelingsvraagstuk aan de orde is, richten we een structureel overleg in om daarover in gesprek te zijn en te blijven.

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

11 Gemeenten zetten daarbij verschillende instru­menten in die binnen de kaders van de Warmtewet, de Omgevingswet en andere beleidsruimten passen om de bovenlokale warmte afspraken te borgen.

12 Als regio doen we een gezamenlijke oproep aan het Rijk om partijen in stelling te brengen om de benodigde regie te voeren op de warmtetransitie. Dat kan door te zorgen voor beter aansluitende wet- en regelgeving voor het uitrollen van warmtenetten, hogere en structurele financiële ondersteuning voor alternatieve warmtevarianten (waaronder warmtenetten) via subsidies of Rijksbijdragen en een structurele Rijksbijdrage voor het ambtenarenapparaat om de warmtetransitie ook daadwerkelijk in goede banen te leiden, te begeleiden en uit te voeren. De afspraken voor een optimaal warmtesysteem staan ook in paragraaf 4.2.7.

2.7.5 Ruimtelijke afspraken Invulling geven aan de RES is balanceren tussen enerzijds behouden van de gemeentelijke autonomie versus optimaal afstemmen en samen optrekken op regio niveau. Voor dat laatste hebben we gezamenlijk onderstaande afspraken gemaakt om de kracht van het landschap op regionaal niveau te behouden. Gemeenten zullen komende jaren doorgaan met het verder brengen van projecten die op dit moment nog

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

verkeren in de ideefase, dan wel werken aan het opstarten van nieuwe initiatieven. Soms ook buiten de zoekgebieden of de ‘verkenningsgebieden extra windturbines’. Belangrijk uitgangspunt hierbij is dat er altijd eerst overleg plaatsvindt aan de regionale tafel. Dit is het bestuurlijk overleg van de opgaveCirculaire Regio onder de Groene Metropoolregio. De exacte werkwijze wordt bij de start van de RES 2.0 verder uitgewerkt, waarbij twee uitgangspunten essentieel zijn: 1. ‘Lokale autonomie waar dat kan en benutten van de kracht van de regio waar dat moet’; 2. Zo min mogelijk frustratie van lopende processen. Dit houdt bijvoorbeeld in dat de regie blijft bij de partijen die initiatieven inbrengen. Maar ook dat het proces zo ingericht wordt dat een voortvarende aanpak geborgd blijft. Op deze manier is er altijd ruimte voor lokale initiatieven en maatwerk en blijft de kracht van de gezamenlijke afspraken overeind. Het doel is om het onderlinge gesprek en het samen vinden van ruimte voor initiatieven laagdrempelig te houden. De ruimtelijke afspraken zijn alleen van toepassing op grootschalige initiatieven, niet op kleinschalige initiatieven. Met kleinschalige initiatieven bedoelen we: • •

Kleine individuele windturbines die kleiner zijn dan of gelijk aan 26 meter ashoogte; Kleine zon-initiatieven die een vermogen hebben die kleiner is dan of gelijk aan 2 megawatt (en daarmee op het lokale spanningsniveau past).

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

1 3

De ruimtelijke afspraken zijn:

13 Inspanningsverplichting Voor het bod RES 1.0 spreken we een inspanningsverplichting af ten aanzien van de opbrengst van grootschalige windturbines, zonnevelden en grootschalig zon op dak die we in de RES 2.0 nader uitwerken op lokaal niveau. Deze verplichting betekent dat alle RES-partners zich gezamenlijk inspannen om het bod RES 1.0 te realiseren, dus niet alleen de gemeenten waarbinnen zoekgebieden vallen. Het betekent ook dat de gemeenten actief de verkenning starten – zo ver dat nog niet is gebeurd – en op zoek gaan naar mogelijkheden om zon- en windprojecten te ontwikkelen.

14 Ontwikkelingen buiten het bod Voor de periode tot besluitvorming van de RES 2.0 zijn er zonder overleg aan de regionale tafel enkel grootschalige ontwikkelingen van zonnevelden en windturbines of combinaties zon-wind mogelijk: • Binnen de regionale zoekgebieden; • Binnen de huidige projecten pijplijn die hoort bij de RES 1.0 vanaf sub-fase ‘Beleidscheck’ tot en met ‘Realisatie’; • Binnen de ‘verkenningsgebieden extra windturbines’.

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

15 Groepering windturbines Om visuele ruimtelijke versnippering (‘confetti’) door windturbines te voorkomen is groepering van windturbines nodig. Hiermee houden we andere gebieden vrij van windturbines en borgen we regionale ruimtelijke samenhang. Op basis van een ontworpen totaalcluster is gefaseerde uitvoering wel mogelijk. Voor het plaatsen van windturbines is daarom de afspraak dat grote windturbines: • Niet solitair maar gegroepeerd worden geplaatst; • De groepering in een lijnopstelling of in een clusteropstelling wordt uitgevoerd; • De onderlinge afstand van deze opstelling zodanig is dat beeldinterferentie zoveel mogelijk wordt voorkomen (= ontwerponderzoek bij uitwerking zoekgebieden en toets bij projecten buiten de zoekgebieden); • De inpassing van windlocaties in samenhang met de ontwikkeling in aangrenzende andere RES’en wordt beoordeeld.

17 Voorkeursvolgorde zon Grootschalige zonnevelden moeten mede worden beoordeeld op: • De mate van aantasting van karakteristieke kenmerken van het landschap; • De samenhang met andere functies in het gebied, (zoals landbouw, biodiversiteit, cultuurhistorie); • De landschappelijke samenhang; • Dubbel ruimtegebruik.

16 Koppeling ruimtelijke kwaliteit Combineer ontwikkeling van windturbines en zonnevelden altijd met de ruimtelijke kwaliteit en samenhang van het totale gebied. Houd rekening met het gebruik van de ruimte door lokale partijen, stakeholders en inwoners. We streven naar een integrale aanpak op drie niveaus: • Koppeling met regionale opgaven; • Koppeling met andere opgaven in de gebiedsprocessen, waarin de afweging wordt meegenomen van te maken investeringen in gebiedscompensaties en gebiedsversterkingen; • Benutten van koppelkansen bij de lokale inpassing.

18 Combineer wind/zon Combineer windturbines zoveel mogelijk met zonnevelden en vice versa. Dit zorgt voor lagere maatschappelijke kosten voor de elektriciteitsinfrastructuur. We streven naar een regionale en waar mogelijk lokale verhouding wind/zon van 50/50. Daarbij kijken we binnen de zoekgebieden en gebiedsprocessen naar lokale en optimale haalbaarheid en de optelling per onderstation.

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

Hiervoor zetten we op regionale schaal in op een voorkeursvolgorde voor zonnevelden waarin zon op dak worden opgenomen. De regionale zoekgebieden van de RES 1.0 maken onderdeel uit van deze voorkeursvolgorde. Deze voorkeursvolgorde werken we in het traject naar RES 2.0 verder uit. Het betekent niet dat eerst alleen de daken benut worden. Er is inzet op alle vlakken tegelijkertijd nodig. Maar de afweging van de gronden die we daarvoor inzetten is cruciaal.

De Ruimtelijke afspraken staan ook in paragraaf 4.1.2.

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

1 4

2.7.6 Participatieafspraken 19 Bij de RES 1.0 is helder wie waarvoor en wan­ neer aan zet is voor de participatie over de energietransitie in Regio Arnhem Nijmegen. We zorgen voor een transparant speelveld. Stakeholders en inwoners weten zo wanneer en binnen welke kaders ze mee kunnen praten.

20 We borgen met de participatiestrategie dat de energietransitie in Regio Arnhem Nijmegen zoveel mogelijk ten goede komt aan de inwoners van de regio. We streven naar minimaal 50% eigendom en zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. We houden ook zoveel mogelijk rekening met gezondheidsaspecten, wegen milieu-effecten zorgvuldig af en zorgen dat natuurwaarden zoveel mogelijk behouden blijven.

21 We delen en faciliteren informatie in relatie tot de energietransitie zo zorgvuldig mogelijk met stakeholders, ambtenaren, volks­vertegen­ woordigers en inwoners, zoals over de effecten op de gezondheid van geluid van windturbines, financiële voordelen voor inwoners, en behoud van biodiversiteit.

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

22 Om gemeenten te ondersteunen voeren we (bovenlokale) duo-gesprekken over het verder uitwerken van gebiedsgerichte participatie en lokaal eigendom. Hierin denken we ook samen na over hoe de participatie voor jongeren ingericht kan worden.

26 Jongeren worden op lokaal en regionaal niveau betrokken bij het meedenken en uitvoeren van plannen.

27 We gaan de rol van de ‘participatietafel’ nog scherper invullen. Die kan dan nog meer in de rol groeien zoals in de doelstelling is omschreven.

23 We organiseren bijeenkomsten voor ambtenaren en volksvertegenwoordigers om kennis te blijven delen. We delen goede voorbeelden in onze regio.

28 Op weg naar de RES 2.0 streven we ernaar om het betrekken van raadsleden ook op regionaal niveau te organiseren.

24 We zorgen ervoor dat iedereen in de regio (financieel en/of maatschappelijk) voordeel kan halen uit de plannen. Dat doen we bijvoorbeeld door gemeenten te helpen met het opzetten van maatschappelijke tenders.

De participatie-afspraken staan ook in paragraaf 5.2.8.

25 Voor het einde van 2021 hebben alle gemeenten een Transitievisie Warmte opgesteld. We onder­ zoeken de participatieaanpakken in deze visies en adviseren bestuurders over participatie in het warmtespoor.

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

1 5

3. INTEGRALE AANPAK

3. INTEGRALE AANPAK 3.1 De leefomgeving verbindt ons

De RES gaat primair over grootschalige elektriciteits­ opwekking en regionale warmteverdeling. Die hebben altijd gevolgen voor de leefomgeving. Windturbines en zonnevelden zijn grote installaties die een plek moeten krijgen in ruimte waar mensen aan het werk zijn, waar recreanten genieten van de omgeving, inwoners een boswandeling maken en van hun nachtrust willen genieten. Bij het opstellen van deze RES hebben we als vertrekpunt dat we trots zijn op de omgeving waar we in onze regio in werken, wonen, recreëren. Daarom is de ambitie rond duurzame energieopwekking afgesproken op regionaal niveau. Deze heeft als doel om te zorgen voor een goede mix van alle belangen en ook de leefbaarheid van de leefomgeving voor onze inwoners te borgen. Deze integrale benadering staat aan de basis van deze RES.

Bij de start van het proces is aan alle stakeholders, ambtenaren en bestuurders dezelfde ‘integrale bril’ aangeboden om naar de energietransitie te kijken. Met deze bril op durven we buiten onze eigen sectoren en belangen te kijken. We kijken naar kansen die de RES biedt om klimaatadaptief te worden, de natuur en biodiversiteit te

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

versterken, cultuurhistorie te bewaren, recreatie te faciliteren, ruimte te geven voor verstedelijking, bij te dragen aan opgaven voor mobiliteit enzovoorts. Daarbij zien we in dat het een afweging is tussen verschillende belangen. Dat vraagt om maatwerk en keuzes ten aanzien van het veranderende landschap. Deze integrale bril of blik is toepasbaar op drie verschillende schaalniveaus: 1. Op regionale schaal, waar het gaat over de afweging om de zoekgebieden te bepalen, te midden van alle andere regionale opgaven; 2. Op gebiedsniveau, waar integrale ontwikkeling een plek krijgt in de gebiedsprocessen die zullen volgen na RES 1.0, soms aangedreven door energietransitie, soms door andere opgaven; 3. Op locatieniveau, waar het gaat om lokale inpassing en koppelkansen met de directe omgeving. De integrale bril is nieuw voor de RES, net als voor de nieuwe werkwijze die is ingezet in de Groene Metropoolregio waar de RES onderdeel van is.

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

3.2 Samenwerking op verschillende schaalniveaus

Meekoppelen: frambozen groei­ en goed onder zonnepanelen

De RES, maar ook andere opgaven zoals aanleg van het Natuurnetwerk Nederland en het spooren snelwegennetwerk of de woningbouwopgave leggen claims op de ruimte. Die moeten op elkaar worden afgestemd en daar zullen keuzes uit voortvloeien. Dit kunnen wij als regio niet alleen.

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

1 7

Bij het zoeken naar geschikte locaties voor zonnevelden vragen we te zoeken naar een combinatie van dubbel ruimtegebruik. Bijvoorbeeld dichtbij natuurgebieden, waar agrarische gronden door diverse beperkingen minder rendabel zijn. Met landschappelijk goed ingepaste zonnevelden creeër je er een buffer voor natuur, wateropvang en energie-opwekking.

Daarom is in het ontwikkeltraject van RES 1.0 gewerkt aan samenwerking rond de andere grote opgaven die er zijn, zowel binnen de regio als daarbuiten. Binnen de regio is een start gemaakt in de samen­ werking met de Verstedelijkingsstrategie en de mobiliteitsagenda van de Groene Metropoolregio. Ook zijn we vanuit de RES betrokken geweest bij de totstandkoming van de agenda van de Groene Metropoolregio. De RES is ingebed in de opgave ‘De Circulaire Regio’. Buiten de regio was er samenwerking met de buur-RES’en. Dit liep deels via de GEA-experttafel waarbij afstemming was over het gevolgde proces en de planning, over overkoepelende zaken zoals de verkenning op de participatievereisten en de wijze van inbedding van de RES in het omgevingsinstrumentarium. Het ging ook

Visie op RES 1.0 NMG

Natuur en Milieu Gelderland

over inhoudelijke zaken zoals het onderzoek ‘Wind op en rond Veluwe’ en over de ontwikkeling van zoeklocaties op de grensgebieden van de RES-regio’s. Ook was er afstemming met provincie en waterschappen (integreren van de RES in de regio-opgaven van het waterschap).

Op nationaal niveau was er samenwerking met rijkspartijen zoals het Nationaal Programma RES (NPRES) en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), met het Rijksvastgoedbedrijf, en met Defensie, Prorail en Rijkswaterstaat in het kader van het OER-programma (Opwek Energie op Rijksgronden). De A15 energiecorridor wordt in samenwerking met RES-regio Rivierenland gezien als kansrijk en is opgenomen in het OER programma. Tevens werd er in het RES 1.0-traject gestart met een eerste kennismaking met de Euregio/Duitsland om mogelijke samenwerkingsvlakken te verkennen. Nederland en Duitsland (de regio Noordrijn-Westfalen) gaan heel verschillend met de energietransitie om. De meeste raakvlakken liggen op het vlak van innovatie. Er komt een vervolggesprek aan met de gemeenten Kranenburg, Kleve en Emmerich om de eventuele samenwerking verder te verkennen. Uiteraard worden de aan de grens liggende gemeenten Zevenaar en Berg en Dal hierin betrokken.

Bij de ARN Afvalverwerkingscentrale, Weurt

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

1 8

Meer Meekoppelkansen

3.3 Integraliteit in ons proces

De afgelopen twee jaar liep een proces met inwoners, stakeholders, ambtenaren en bestuurders binnen de regio. Dat bestond uit drie fasen: 1. van de Startnotitie tot het voorlopig concept bod 2. van het voorlopig concept bod tot het concept bod 3. van het concept bod tot de RES 1.0.

Voorlopig concept bod

Onderstaande afbeeldingen geven weer wat de belangrijkste activiteiten en nieuwe inzichten uit dit proces waren. Ook laten ze de besluitmomenten zien. Vaak waren dat bestuurlijke- en stakeholderinter­ mezzo’s, na een nieuwe totaaldoorrekening van het bod. Een gedetailleerde beschrijving van de ontwerpstappen uit de eerste fase van de RES staat in het voor­lopig concept bod.

3.3.1 Uitgangspunten Startnotitie Het eerste belangrijke ijkmoment is de unanieme vaststelling van de Startnotitie in de periode december 2019/januari 2020. Deze notitie legde de volgende uitgangspunten voor de RES vast: • We streven naar 55% CO2-reductie in 2030 en 95% CO2-reductie in 2050 (als afgesproken in de Routekaart Energietransitie van Regio Arnhem Nijmegen, het GEA en in het Klimaatakkoord); • We gaan voor een maximale inzet van duurzame bronnen voor elektriciteit en warmte; • We stellen een RES op die past bij de regio, namelijk Van, voor en door de regio. Dat betekent dat de RES zich op het regionaal niveau richt. Hoe het opwekken van elektriciteit en

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

• •

de warmte­verdeling er op lokaal niveau uit komt te zien, is aan de lokale overheden; We proberen een koppeling te maken tussen de RES en andere maatschappelijke opgaven; In de RES nemen we nog geen besluiten over de exacte locaties waar de opwek gaat plaatsvinden en hoe de warmteverdeling er in detail uit gaat zien. Wel laat de RES zien (1) welke gebieden in de regio geschikt zijn voor de opwek van duurzame elektriciteit, (2) welke opbrengst te verwachten is, (3) hoe het aanbod en de vraag naar warmte over de regio verdeeld zijn, en (4) welke opslag en energie-infrastructuur er nodig is.

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

Open de visualisatie van het proces

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

2 0

3.3.2 De reis naar het (voorlopig) concept bod In de periode naar het (voorlopig) concept bod was het huidige lokaal beleid leidend. Dat leverde een beeld op van alle mogelijkheden voor grootschalige opwek in de regio. Op 1 juli 2020 is het concept bod bij PBL en NPRES ingediend voor de kwalitatieve toetsing, op 1 oktober 2020 voor de kwantitatieve toetsing. De besturen van de betrokken overheidspartijen waren positief over het concept bod en stelden het unaniem vast. Ook PBL en NPRES waren overwegend positief. Als pluspunten werden genoemd: 1. De hoogte van het bod (1,68 TWh) dat goed past bij de omvang van de regio; 2. Het ruime aantal betrokken stakeholders en de participatietafel die meeschreef; 3. De betrokkenheid van Liander in zowel werkorganisatie als op bestuurlijk niveau. Een zorgpunt was er ook: de scheve verhouding wind/zon. Wanneer er vooral voor zonnevelden wordt gekozen en weinig voor windturbines leidt dat tot hogere kosten aan het netwerk.

Open de visualisatie van het proces

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

2 1

3.3.3 De reis naar RES 1.0 Het zorgpunt uit het concept bod over de scheve verhouding wind/zon werd in het najaar en de winter van 2020 door gemeenten opgepakt. Lokaal werden de kansen onderzocht om de verhouding meer richting de gewenste 50/50 procent te brengen. Ook bekeken zij welke projecten, die in het concept bod nog benoemd waren als project in de ideefase, in RES 1.0 als concreet initiatief konden worden benoemd. Op die manier werd het bod realistischer. In het najaar van 2020 is ook gestart met ambtelijke duo-gesprekken voor afstemming tussen de gemeenten en de RESwerkorganisatie. Dit vond plaats op basis van een database met relevante gegevens (Ninox). In december is alle informatie opgehaald bij de gemeenten en is de informatie over kansrijke projecten doorgerekend door Liander. Daaruit bleek dat het bod lager was geworden dan in het concept bod (+/- 1,30 TWh). Tevens bleek dat er hogere maatschappelijke kosten per TWh mee gemoeid waren en de wind/zon verhouding 3%-97% was geworden. Daarbij kwam het perspectief vanuit de provincie dat zij graag gezamenlijk in de regio ruimtelijke afspraken wilden opstellen. Die zijn nodig om de zoeklocaties uit de RES meer richtinggevend te laten zijn voor de uitvoering van de RES, en om provinciale inpassingsplannen (PIP) in de toekomst te voorkomen.

Deelnemers aan het Bestuurlijk intermezzo op 15 december 2020 concludeerden om opnieuw naar de feitelijke fysieke kansen voor windenergie te kijken. Afgesproken werd dat de kansen dit keer ook buiten het huidige gemeentelijk beleid gezocht gingen worden. Tot nog toe was het gemeentelijk beleid leidend geweest voor de locaties van de zoekgebieden. Een verkenning werd gestart in cluster-ateliers en er zijn ruimtelijke afspraken opgesteld. De clusteraanpak houdt in dat we tijdelijk inzoomden op twee R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

bovengemeentelijke clusters. Daardoor kon goed rekening worden gehouden met de landschappelijke verschillen in de regio. De clusters waren: • •

Cluster 1: Wijchen, Druten, Beuningen, Heumen. Cluster 2: Duiven, Westervoort, Zevenaar, Rheden en Doesburg.

Deze clusters zijn gekozen doordat alle relevante aspecten van de ruimtelijke afweging hierin aan­wezig waren. Het doel was om de bevindingen uit de clusters voor de hele regio toe te passen. Binnen deze clusters was het doel om de regio met een aan­gescherpte ruimtelijke analyse te helpen, zodat zij samen tot afspraken konden komen om de regionale zoekgebieden te realiseren. Daarbij werd gestreefd naar een optimale ruimtelijke kwaliteit en optimale maatschappelijke kosten. In deze maatschappelijke kosten zit ook de wind-zonverhouding verwerkt. Het resultaat van deze verkenning is terug te zien in de opgestelde zoeklocaties en ruimtelijke afspraken in deze RES 1.0.

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

Open de visualisatie van het proces

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

2 2

3.4 Toekomstperspectief samenwerking en integraal werken

De RES 1.0 en de uitvoering daarvan in de RES 2.0 moeten worden geborgd in de regionale samenwerking. De 18 gemeenten in Regio Arnhem Nijmegen (waarvan er 16 in de RES samenwerken) zijn per 1 januari 2021 een nieuwe samenwerking gestart in de Groene Metropoolregio. De regio heeft vijf opgaven geformuleerd om in regionaal verband op de langere termijn aan te werken. Eén van deze opgaven is De Circulaire Regio; de RES maakt hier deel van uit. RES 1.0 en de uitvoering daarvan richting RES 2.0 zijn daarmee geborgd in de regionale afspraken en komen in dit samenwerkingsverband verder tot uitvoering.

Groene Metropoolregio

Naast het inbedden in de Groene Metropool is het belangrijk dat de aansluiting op de aanpalende processen en samenwerkingen met landelijke partners doorlopen. Denk aan partners als NPRES,

De RES legt een ruimtelijke claim. Daarom is het relevant verbinding te leggen met speerpunten die ook een ruimtelijke claim kennen, zoals de verstedelijkingsopgave. Deze verbinding, zoals gezamenlijke gebiedsverkenningen, is inmiddels gelegd en biedt een basis om op voort te bouwen naar de RES 2.0, ongeacht in welke regio-opgave een speerpunt is belegd. Ook wordt binnen de Groene Metropoolregio de komende maanden gewerkt aan het optimaliseren van de organisatie van deze verbinding. Een goede borging garandeert continuïteit. Dat is van belang voor de uitvoering van de RES en het realiseren van een duurzame regio. Voor de organisatorische aansluiting op de Groene Metropoolregio staat in de periode maart-juli 2021 de overdracht van de RES-werkorganisatie naar de organisatie van de Groene Metropoolregio op de agenda. R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

E N E R G I E S T R A T E G I E

Defensie, ProRail en Rijkswaterstaat. Dit geldt ook voor de samenwerking met de buur-RES-regio’s en de RES-regio’s rond de Veluwe, en met het Duitse Nordrhein-Westfalen.

Windmolens en AVR Afvalverwerkingscentrale, Duiven

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

2 3

4. ELEKTRICITEIT, WARMTE & NETWERK

55% CO2-reductie

35 TWh nationaal ≈ 0,6 tot 1,5 TWh in Regio Arnhem Nijmegen

4. ELEKTRICITEIT, WARMTE & NETWERK

Het Klimaatakkoord heeft als ambitie om in Nederland 35 TWh duurzaam op te wekken. Er zijn verschillende manieren om te kijken welk deel hiervan in onze regio opgewekt zou moeten worden. Het is bijvoorbeeld te berekenen op basis van het aantal inwoners, de oppervlakte, de energievraag of de CO2-uitstoot. Vandaar dat er een bandbreedte is: 0,6 tot 1,5 TWh. Met dit bod zetten we een eerste stap op weg naar de 3,5 TWh die nodig is voor de Gelderse doelstelling van 55% CO2-reductie in 2030.

4.1 Elektriciteit 4.1.1 Hoe zit het bod in elkaar?

1,62 TWh

De afbeelding hiernaast toont de samenstelling van het bod, in totaal 1,62 TWh. We zetten stevig in op grootschalig zon op dak (0,49 TWh). Dat is ons fundament. Maar omdat we met alleen zon op dak onze ambitie niet kunnen halen, is meer nodig. Het tweede blok betreft de regionale zoekgebieden met daarin projecten die al in ontwikkeling zijn en extra ambitie (0,93 TWh). Het derde deel bestaat uit projecten buiten de regionale zoekgebieden (0,20 TWh), dit zijn vooral projecten die al zijn opgestart voor aanvang van de RES. 0,12 TWh van de 1,62 TWh is al gerealiseerd.

1,5 TWh

BUITEN REGIONALE ZOEKGEBIEDEN (0,20 TWh)

BINNEN REGIONALE ZOEKGEBIEDEN (0,93 TWh)

TOT AAL BOD 1,62 TWh

59% WIND + 39% ZON + 2 % W AT E R K R A C H T

38% WIND + 62% ZON

0,6 TWh

Uitsplitsing bod in fasen en bron

100% ZON

ZON OP DAK (0,49 TWh)

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

0,12 TWh

A R N H E M

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

2 5

WAT IS EEN ZOEKGEBIED? REGIONALE ZOEKGEBIEDEN

In de RES wordt veel gesproken over zoekgebieden voor zon en wind. Een zoekgebied is een bepaald gebied waar windturbines of zonnevelden zouden kunnen komen. Dit wil dus niet zeggen dat zomaar overal in het zoekgebied turbines of zonnevelden geplaatst gaan worden. Of er een project komt op een bepaalde plek, hangt er onder andere van af of er een initiatief is, of de wetgeving het toelaat, wat het draagvlak is en of er een goede aansluiting op het elektriciteitsnetwerk te maken is.

Interactieve kaart zoekgebieden en projecten

GEREALISEERDE EN VERGUNDE WINDEN ZONPROJECTEN

Voor alle zoekgebieden (op de kaart hierboven) is een ambitie opgenomen. De bestaande initiatieven en projecten in de gebieden vullen deze ambitie al deels in. Wat overblijft is de resterende opgave. In de kaart rechtsonder zijn de gerealiseerde en vergunde projecten opgenomen. Ga - via het icoon met het handje - naar de online omgeving om in te zoomen. De regionale zoekgebieden komen natuurlijk niet vol te liggen met windturbines en/of zonnevelden. Bij elk gebied is een

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

aanname gedaan van het deel wat we denken te kunnen benutten. Op hoeveel hectare zonneveld en windturbines komt de 1,62 TWh neer? Uitgaande van windturbines van 5,6MW en panelen van 480 Wattpiek, en ermee rekening houdend dat een deel van de projecten wordt uitgevoerd met windturbines en panelen met lagere vermogens, komt het bod neer op 38 windturbines en 1065 hectare zonnepanelen.

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

2 6

VERHOUDING WIND/ZON IN MW (VERMOGEN)

Grootschalig zon op dak

Waarom leggen we niet eerst alle daken vol?

Dashboard zon op dak

Het aandeel grootschalig zon op dak bedraagt 0,49 TWh in het bod. Dit zijn alle zonnedaken groter dan 15 kWp. De basis van dit getal is er een vernieuwde provinciale analyse vanuit Zonatlas met daarin de laatste beschikbare data. De nieuwe studie laat zien dat er in theorie aanzienlijk meer mogelijk lijkt dan gedacht. Tegelijkertijd blijken er in de praktijk veel obstakels te zijn om deze potentie te benutten. Denk aan te zwakke dakconstructies, te hoge meerkosten vanwege het verzwaren van de aansluiting op het elektriciteitsnet, verdeeld eigendom van gebouwen en teruglopende subsidieregelingen. Daarom gaan we ervan uit dat in 2030 25% van de nieuwe theoretische potentie benut is. Op dit moment is circa 7% van dit aandeel al gerealiseerd of in voorbereiding (bron RVO).

VERHOUDING WIND/ZON IN MW (VERMOGEN) IN CONCEPT BOD

VERHOUDING WIND/ZON IN MW (VERMOGEN) IN RES 1.0

11%

3% WIND

WINDTURBINES

89%

ZONNEVELDEN EN ZON OP DAK

97% ZON

Via het dashboard ‘zon op dak’ is de theoretische potentie van RES-niveau tot op buurtniveau beschikbaar. In het dashboard kun je ook zien wat er mogelijk is tot 15 kWp, hoewel deze kleinschalige zonnedaken niet meetellen in de RES.

VEELGESTELDE VRAGEN Dashboard zon op dak

Initiatieven en projecten

Verhouding wind/zon

In totaal zijn er 88 initiatieven en projecten die meetellen in de RES. Dit aantal is gebaseerd op de stand van zaken van januari 2021. Daarna is de doorrekening gestart en zijn wijzigingen in het bronbestand niet meer verwerkt. Een nieuwe update volgt in de RES 2.0.

De verhouding tussen de opbrengst uit wind en zon was in het concept bod erg uit balans. Het huidige bod laat een goede ontwikkeling zien, maar het is nog niet de gewenste 50%-50% verhouding. Zie paragraaf ‘Netwerk’ voor meer informatie.

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

E N E R G I E S T R A T E G I E

>

> >

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

Hoeveel elektriciteit wekt één wind­ turbine op? En wat is de opbrengst van een hectare zonneveld? Kunnen er nu overal windturbines komen in de zoekgebieden? Waarom leggen we niet eerst de daken vol met zonnepanelen?

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

2 7

In de RES van Regio Arnhem Nijmegen wordt ingezet op clustering van windturbines en het voorkomen van versnippering. Vanuit Staatsbosbeheer ondersteunen wij die insteek. Daarvoor is bovenregionale afstemming en regie nodig.”

VERKENNINGSGEBIEDEN WIND IN RES 2.0

Marjolein Kloek, Staatsbosbeheer

Extra verkenningsgebieden windturbines Om de wind/zon-verhouding te verbeteren is een globale verkenning uitgevoerd naar kansrijke gebieden voor extra windturbines. Deze gebieden staan op de kaart rechtsboven weergegeven. Deze zijn geen onderdeel van het bod in deze RES 1.0 en worden nader onderzocht in het traject naar de RES 2.0. Ze zijn op dit moment nog onvoldoende uitgewerkt en nog niet lokaal met het bestuur, de gemeenteraad en de omgeving besproken. Deze gebieden

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

hebben een technische potentie van 21 windturbines van 5,6 MW die gezamenlijk 0,40 TWh opleveren. De wind/zon-verhouding kan daarmee stijgen naar 18% wind en 82% zon uitgedrukt in vermogen (was 3% wind, 97% zon in concept bod). Voor deze gebieden geldt dat een combinatie met zonnevelden nader verkend kan worden. Dit kan ook leiden tot de conclusie dat alleen zonnevelden worden toegepast in deze gebieden.

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

2 8

4.1.2 Ruimtelijke afspraken

In de afgelopen maanden is een set richtinggevende ruimtelijke afspraken ontwikkeld. Daarmee kunnen we voorkomen dat windmolens en zonnevelden als confetti verspreid worden over het mooie, kostbare landschap in onze regio. De afspraken zijn ook bedoeld voor het behoud van natuur en het beperken van de overlast voor inwoners. Ten slotte helpen de afspraken om duidelijkheid te geven aan initiatief­ nemers van nieuwe zon- en windprojecten. De af­spraken zijn de uitkomst van een zorgvuldig traject met ambtenaren, bestuurders en een geselecteerde groep stakeholders. Deze lijst met zes ruimtelijke afspraken is onderdeel van de RES 1.0. Ze worden verder uitgewerkt in de periode tot de vaststelling van de RES 2.0 in 2023. Ze worden in die periode ook onderdeel van beleid van alle overheden gemaakt. Er is een verdere ruimtelijke onderbouwing nodig van de gebieden buiten de huidige zoekgebieden, de zoekgebieden en ‘verkenningsgebieden extra wind’ voor alle Gelderse RES-regio’s om deze afspraken uiteindelijk juridisch houvast te geven. Dit houvast is nodig om te voorkomen dat de provincie op gronden van goede ruimtelijke ordening vanuit de Elektriciteitswet gedwongen wordt om via een Provinciaal Inpassingsplan (PiP) windturbines alsnog mogelijk te maken buiten de huidige zoekgebieden en de ‘verkenningsgebieden extra wind’.

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

We streven naar regionale samenhang met ruimtelijke kwaliteit waarbij zoveel mogelijk gekoppeld wordt aan gebiedsopgaven. Dit vraagt om regionale regie omdat het schaalniveau van een gemeente daarvoor te klein is. Invulling geven aan de RES is balanceren tussen enerzijds behouden van de gemeentelijke autonomie versus optimaal afstemmen en samen optrekken op regio niveau. Voor dat laatste hebben we gezamenlijk onderstaande afspraken gemaakt om de kracht van het landschap op regionaal niveau te behouden. Gemeenten zullen komende jaren doorgaan met het verder brengen van projecten die op dit moment nog verkeren in de ideefase, dan wel werken aan het opstarten van nieuwe initiatieven. Soms ook buiten de zoekgebieden of de ‘verkenningsgebieden extra windturbines’. Belangrijk uitgangspunt hierbij is dat er altijd eerst overleg plaatsvindt aan de regionale tafel. Dit is het bestuurlijk overleg van de Circulaire Regio onder de Groene Metropoolregio. De exacte werkwijze wordt bij de start van de RES 2.0 verder uitgewerkt, waarbij twee uitgangspunten essentieel zijn: 1. ‘Lokale autonomie waar dat kan en benutten van de kracht van de regio waar dat moet’; 2. Zo min mogelijk frustratie van lopende processen. Dit houdt bijvoorbeeld in dat de regie blijft bij de partijen die initiatieven inbrengen. Maar ook dat het proces zo ingericht wordt dat een voortvarende aanpak geborgd blijft.

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

Op deze manier is er altijd ruimte voor lokale initiatieven en maatwerk en blijft de kracht van de gezamenlijke afspraken overeind. Het doel is om het onderlinge gesprek en het samen vinden van ruimte voor initiatieven laagdrempelig te houden. De ruimtelijke afspraken zijn alleen van toepassing op grootschalige initiatieven, niet op kleinschalige initiatieven. Met kleinschalige initiatieven bedoelen we: • •

Kleine individuele windturbines die kleiner zijn dan of gelijk aan 26 meter ashoogte; Kleine zon-initiatieven die een vermogen hebben die kleiner is dan of gelijk aan 2 megawatt (en daarmee op het lokale spanningsniveau past).

De ruimtelijke afspraken zijn:

13 Inspanningsverplichting Voor het bod RES 1.0 spreken we een inspanningsverplichting af ten aanzien van de opbrengst van grootschalige windturbines, zonnevelden en grootschalig zon op dak die we in de RES 2.0 nader uitwerken op lokaal niveau. Deze verplichting betekent dat alle RES-partners zich gezamenlijk inspannen om het bod RES 1.0 te realiseren, dus niet alleen de gemeenten waarbinnen zoekgebieden vallen. Het betekent ook dat de gemeenten actief de verkenning starten – zo ver dat nog niet is gebeurd – en op zoek gaan naar mogelijkheden om zon- en windprojecten te ontwikkelen.

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

2 9

14 Ontwikkelingen buiten het bod Voor de periode tot besluitvorming van de RES 2.0 zijn er zonder overleg aan de regionale tafel enkel grootschalige ontwikkelingen van zonnevelden en windturbines of combinaties zon-wind mogelijk: • •

•

Binnen de regionale zoekgebieden; Binnen de huidige projecten pijplijn die hoort bij de RES 1.0 vanaf sub-fase ‘Beleidscheck’ tot en met ‘Realisatie’; Binnen de ‘verkenningsgebieden extra windturbines’.

Ontzie de laatste natuurgebieden en waardevolle landschappen. In het overgrote deel van Nederland stelt de biodiversiteit technisch gesproken weinig voor. Er zijn dus voldoende alternatieven voorhanden om grootschalige energieopwekking niet ten koste te laten gaan van waardevolle natuur en/of landschap.” Jaap Dirkmaat, Vereniging Nederlands Cultuurlandschap

15 Groepering windturbines

16 Koppeling ruimtelijke kwaliteit

Om visuele ruimtelijke versnippering (‘confetti’) door windturbines te voorkomen is groepering van windturbines nodig. Hiermee houden we andere gebieden vrij van windturbines en borgen we regionale ruimtelijke samenhang. Op basis van een ontworpen totaalcluster is gefaseerde uitvoering wel mogelijk. Voor het plaatsen van windturbines is daarom de afspraak dat grote windturbines:

Combineer ontwikkeling van windturbines en zonnevelden altijd met de ruimtelijke kwaliteit en samenhang van het totale gebied. Houd rekening met het gebruik van de ruimte door lokale partijen, stakeholders en inwoners. We streven naar een integrale aanpak op drie niveaus: • Koppeling met regionale opgaven; • Koppeling met andere opgaven in de gebiedsprocessen, waarin de afweging wordt mee­genomen van te maken investeringen in gebiedscompensaties en gebiedsversterkingen; • Benutten van koppelkansen bij de lokale inpassing.

• • •

•

Niet solitair maar gegroepeerd worden geplaatst; De groepering in een lijnopstelling of in een clusteropstelling wordt uitgevoerd; De onderlinge afstand van deze opstelling zodanig is dat beeldinterferentie zoveel mogelijk wordt voorkomen (= ontwerponderzoek bij uitwerking zoekgebieden en toets bij projecten buiten de zoekgebieden); De inpassing van windlocaties in samenhang met de ontwikkeling in aangrenzende andere RES’en wordt beoordeeld.

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

Visie op RES 1.0 VNC

17 Voorkeursvolgorde zon Grootschalige zonnevelden moeten mede worden beoordeeld op: • De mate van aantasting van karakteristieke kenmerken van het landschap; • De samenhang met andere functies in het gebied, (zoals landbouw, biodiversiteit, cultuurhistorie); • De landschappelijke samenhang; • Dubbel ruimtegebruik.

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

Hiervoor zetten we op regionale schaal in op een voorkeursvolgorde voor zonnevelden waarin zon op dak worden opgenomen. De regionale zoekgebieden van de RES 1.0 maken onderdeel uit van deze voorkeursvolgorde. Deze voorkeursvolgorde werken we in het traject naar RES 2.0 verder uit. Het betekent niet dat eerst alleen de daken benut worden. Er is inzet op alle vlakken tegelijkertijd nodig. Maar de afweging van de gronden die we daarvoor inzetten is cruciaal.

18 Combineer wind/zon Combineer windturbines zoveel mogelijk met zonnevelden en vice versa. Dit zorgt voor lagere maatschappelijke kosten voor de elektriciteitsinfrastructuur. We streven naar een regionale en waar mogelijk lokale verhouding wind/zon van 50/50. Daarbij kijken we binnen de zoekgebieden en gebiedsprocessen naar lokale en optimale haalbaarheid en de optelling per onderstation. De volledige lijst met afspraken staat in hoofdstuk ‘Ons bod’.

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

3 0

VERBRUIK IN RES-REGIO ARNHEM NIJMEGEN VERBRUIK IN RES REGIO ARNHEM NIJMEGEN Een terawattuur (TWh), hoeveel is dat eigenlijk?

In 2016 verbruikte de regio 17,8 TWh aan energie (gas, elektriciteit, warmte en brandstof voor vervoer). De globale verwachting is dat het verbruik tot en met 2030 kan dalen tot 13,5 TWh en in 2050 tot 8,3 TWh. Dit vraagt echter om een zeer forse inzet op alle terreinen van de energietransitie.

1 TWh = 1.000.000.000 kWh Wattuur (Wh) is een eenheid waarin we elektrische energie uitdrukken. Watt is het vermogen en wattuur de hoeveelheid vermogen in een uur. Dus: als een windturbine met een vermogen van 5,6 megawatt (MW) een uur heeft gedraaid, dan heeft hij 5,6 megawattuur (MWh) opgewekt.

ca. 7 0 0 . 0 0 0 inwoners

ca. 3 4 0 . 0 0 0 huishoudens jaarlijks verbruik per huishouden:

2 . 8 3 2 k W h (Nib u d, 2 0 2 0 )

jaarlijks verbruik regio: 17,8 TWh

O P B R EN G S T W I N DT UR BI N ES VERGELIJKING OPBRENGST UIT WIND EN ZON

243 m

1 windturbine van 5,6 MW wekt evenveel elektriciteit op als een zonneveld van 18 ha

18 ha

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

Een hoge windturbine met een vermogen van 5,6 MW levert jaarlijks stroom aan 6.700 huishoudens.

Een lagere windturbine met een vermogen van 3 MW levert jaarlijks stroom aan 3.600 huishoudens.

ZON N EV EL D E N Een voorbeeld: zonneveld Lage Woerd in Beuningen heeft 22.000 panelen met een totaal vermogen van 6 MW en levert jaarlijks stroom aan 1.950 huishoudens.

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

3 1

4.1.3 Gebiedsopgaven

4.1.4 Wet- en regelgeving Kaarten (juridische) restricties zon en wind

Kaarten gebiedsopgaven

Het hoofdstuk ‘Integrale aanpak’ beschrijft dat de windturbines en zonnevelden een onderdeel zijn en ruimte claimen binnen de brede leefomgeving. Nederland is een drukbezet land en daarom moeten we verschillende opgaven goed afwegen. In hetzelfde hoofdstuk staat beschreven dat de andere gebiedsopgaven in de regio expliciet zijn meegenomen vanaf de allereerste ontwerpstappen. Door vanuit de identiteit en opgaven van de regio te zoeken naar kansen voor windturbines en zonnevelden krijgen we een goede balans. Sommige opgaven staan loodrecht tegenover elkaar en andere opgaven kunnen elkaar juist versterken. De volgende regionale opgaven zijn meegenomen in het ontwerpproces van de RES en uitgebreider beschreven in de online omgeving. •

Landschappen en identiteit

•

Natuur- en ecologienetwerk

•

Cultuurhistorische identiteit

•

Klimaatadaptatie

•

Stedelijke ontwikkeling en mobiliteit

•

Landbouw

•

Recreatie

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

Er mogen niet zomaar overal zonnevelden en windturbines komen. Er is wet- en regelgeving die de kwaliteit van de leefomgeving beschermt. Harde restricties geven een blokkade, bij zachte restricties is er meer mogelijk, bijvoorbeeld door extra maatregelen te nemen of na extra onderzoek. Over het algemeen zijn restricties voor windturbines dwingender dan die voor zonnevelden. Denk aan geluidsnormen voor windturbines voor de gebouwde omgeving, regelgeving in natuurgebieden, of hoogtebeperkingen door de activiteiten van Defensie. Het lijkt onwaarschijnlijk dat voor 2030 harde restricties worden aangepast, aangezien dit veel tijd kost. Voor 2030 is meer mogelijk binnen de zachte restricties. Uiteraard zijn de gebieden zonder restricties het meest aantrekkelijk, maar bijna overal geldt wel een vorm van restrictie. Als we de huidige beleidsregels strikt hanteren, is er nauwelijks tot geen plaats voor windturbines. Voor de klimaatopgave is het nodig om de belangen opnieuw af te wegen. Die afweging kan het beste vanuit een integrale visie worden gedaan, zodat er aandacht is voor alle verschillende doelstellingen die een impact hebben op het landschap. Op dit moment wordt het beleid nog sterk sectoraal gemaakt en dat komt de integrale klimaatdoelstellingen niet ten goede.

Interactieve GIS kaart met daarin voor zowel wind als zon de harde en zachte restricties en voor wind de restrictievrije gebieden als clickable kaartlagen. Kaarten in de online omgeving tonen de harde en zachte restricties voor windturbines en zonnevelden.

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

Opwek uit wind is effectiever, sluit beter aan op het vraagpatroon en kost geen landbouwruimte. Samen met de overheden wil LTO Noord zich maximaal inspannen om de uitrol van zon op dak, erf en restgronden te benutten, in combinatie met opwek uit wind.” LTO Noord, regio Oost

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

3 2

Visie op de RES 1.0 van LTO Noord

4.1.5 Gemeentelijk beleid

Kaart gemeentelijk beleid

Veel gemeenten werken actief aan de energietransitie. De realisatie van windturbines en zonnevelden is onderdeel van hun duurzaamheidsprogramma’s en routekaarten. De meeste gemeenten in Regio Arnhem Nijmegen hebben momenteel lokaal beleid voor windturbines en zonnevelden. Het regionaal overzicht geeft een heel divers beeld.

op voor de RES 2.0: hoe verhouden 16 (op elkaar afgestemde) versies van lokaal beleid zich tot een duidelijke regionale regie? Is een samenhangend regionaal beleid met lokaal maatwerk niet effectiever? Dit vraagstuk gaat mee naar RES 2.0.

Sommige gemeenten wijzen voorkeursgebieden aan, anderen wijzen uitsluitingsgebieden aan en weer anderen beide. Soms wordt hierbij benoemd hoeveel windturbines en/of zonnevelden worden toegestaan, en werken gemeenten met aanbestedingen om dit per tijdsperiode in te vullen. Sommige gemeenten laten op dit moment geen windenergie toe. Ook stellen gemeenten diverse voorwaarden rondom economische, ruimtelijke, technische of omgevingsgerichte aspecten. Bijvoorbeeld de voorwaarde dat een deel van het project door of in nauwe samenwerking met inwoners en maatschappelijke organisaties moet zijn ontwikkeld, of de voorwaarde dat er altijd sprake moet zijn van natuurversterking of landschapsherstel. Een deel van de gemeenten heeft de randvoorwaarde van (deels) lokaal eigendom opgenomen in beleid, anderen zijn daarmee bezig. Het gemeentelijk beleid in de RES is een moment­ opname. Het verandert met regelmaat, wat logisch is in dit soort processen. De ruimtelijke afspraken van de RES 1.0 werpen een belangrijk vraagstuk

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

3 3

Vijf alternatieven voor aardgas 4.2 Warmte

4.2.1 De overstap naar duurzame warmte Nederland gaat de komende jaren 7 miljoen woningen en 1,5 miljoen gebouwen aardgasvrij maken. Het streven is om in 2030 de eerste 1,5 miljoen aardgasvrije woningen en gebouwen gereed te hebben. Ook voor onze regio is deze warmtetransitie een grote opgave, waarbij voor iedere woonwijk of kleinere kern bekeken wordt wat het meest geschikte alternatief voor aardgas is, en op welke termijn deze overstap haalbaar en betaalbaar is. Het onderdeel binnen de RES dat over het warmte­ vraagstuk gaat heet de RSW; Regionale Structuur Warmte. Hiermee wordt de regionale vraag, het aanbod en de infrastructuur in kaart gebracht. Ook een aanzet voor een mogelijke toedeling van warmtebronnen maakt hier onderdeel van uit. De RSW moet gezien worden als een eerste verkenning, een vertrekpunt, op basis waarvan de komende jaren verder overleg en aanvullend onderzoek zal worden uitgevoerd. Regio Arnhem Nijmegen heeft voldoende potentie voor de ontwikkeling van een regionale warmteinfrastructuur. Die zal nodig zijn om een deel van de woningen en andere gebouwen aan te sluiten op een zogenaamd warmtenet.

Dit is een collectieve warmteoplossing, waarbij in plaats van aardgas warmte wordt geleverd, afkomstig van warmtebronnen zoals papierfabrieken of andere industriële bedrijven, afvalverbranders, of van warmte uit de omgeving (denk aan warmte uit de bodem of uit oppervlaktewater). R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

Warmtenet met middentot hogetemperatuurbron

Individuele elektrische warmtepomp

Warmtenet met lagetemperatuurbron

Toekomstige oplossing

Groengas

WELKE ALTERNATIEVEN VOOR AARDGAS ZIJN ER? In 2050 willen we heel Nederland van het aardgas af hebben. Wat daarvoor in de plaats komt, is nog onzeker. Er wordt volop geëxperimenteerd met verschillende ‘nieuwe’ warmtebronnen zoals aard­ warmte, warmte uit oppervlaktewater (aquathermie) en restwarmte. Ook wordt er gezocht naar duurzame manieren om zonnewarmte langer op te slaan.

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

3 4

STATUS TRANSITIEVISIE WARMTE 4.2.3 Lokaal regie bij gemeente De regie op de lokale warmtetransitie ligt bij de gemeenten. Ze hebben daartoe verschillende instrumenten binnen de kaders van de Warmtewet en de Omgevingswet, en andere beleidsruimte om de afspraken over warmte te borgen. In de digitale omgeving is een uitgebreidere toelichting opgenomen over de verschillende instrumenten. Het is van belang om te begrijpen in welke mate

warmtebron. Hieruit valt op de maken dat ook gemeenten die nog geen TVW hebben vastgesteld, al wel nadenken over hun bronnenstrategie. Komende tijd zullen we de voortgang op de uitwerking van TVW’s blijven volgen. In de RES 2.0 wordt scherp in beeld gebracht hoe deze TVW’s zich verhouden tot de geschetste kansrijke regionale (infra)structuur warmte (RSW). De in het concept bod opgenomen warmtekansenkaart zal op basis van deze nieuwe inzichten in de RES 2.0 worden geactualiseerd.

WARMTE - LOKALE REGIE 4.2.2 Wat doen we regionaal, en wat lokaal?

INSTRUMENTEN UIT WARMTEWET 2.0

In het Klimaatakkoord is afgesproken dat gemeenten aan de lat staan voor de uitvoering van de warmtetransitie, de regie ligt dus op lokaal niveau. Maar om de uitvoering op lokaal niveau goed te laten verlopen is het nodig om op regionale schaal afspraken te maken over het verdelingsvraagstuk van warmte, en dan specifiek binnen gebieden waar meerdere partijen belang hebben bij de inzet van dezelfde warmtebron.

Transitievisie Warmte + wijkuitvoeringsplannen

Op het niveau van de RES kijken we dus vooral naar díe gebieden in onze regio waar de ontwikkeling van grote warmtenetten kansrijk is, en nemen daarbij de warmtebronnen mee die op regionaal niveau inzetbaar zijn. Rond deze bovenlokale (of soms zelfs bovenregionale) warmtebronnen zal de komende jaren een structureel gesprek plaatsvinden met alle betrokken partijen, om af te stemmen op welke wijze deze bronnen zo efficiënt mogelijk kunnen worden ingezet om de warmtetransitie te doen slagen. R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

INSTRUMENTEN UIT OMGEVINGSWET

OVERIGE BELEIDSRUIMTE

Warmteprogramma

Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur (AVOI)

Toelichting instrumen­ ten

Privaatrechtelijke afspraken rond eigendom

Vaststellen warmtekavel Aanwijzen warmtebedrijf Uitwerken kavelplan

gemeenten kunnen sturen op de warmte afspraken. In onze regio hebben inmiddels drie gemeenten een TVW vastgesteld, de andere gemeenten zijn nog bezig met de uitwerking daarvan. Alle TVWs moeten eind 2021 door de gemeenteraden zijn vastgesteld. De transitievisies geven per gemeente een beter beeld van de lokale alternatieven voor aardgas. Ook blijkt, uit een eerste inventarisatie, dat een aantal gemeenten gebruik denkt te gaan maken van een bovenlokale

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

VEELGESTELDE VRAGEN > > >

Wat is een warmtenet? Is restwarmte uit de industrie wel een duurzame bron? Is er ook aandacht voor waterstof?

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

3 5

4.2.4 Vraag en aanbod van warmte in onze regio

REGIONALE EN BOVENREGIONALE WARMTECLUSTERS

De vraag, het aanbod en de al aanwezige en geplande warmte-infrastructuur zijn in beeld gebracht in de warmteatlas. Kortgezegd blijkt daaruit dat onze regio twee grote stedelijke gebieden heeft – rond de stadskernen van Arnhem en Nijmegen – met een relatief grote warmtevraag. In de kleinere kernen is de warmtevraag wel geconcentreerd, maar minder omvangrijk dan in stedelijk gebied. De dichtheid van de warmtevraag in het buitengebied is klein door de grote afstanden tussen bebouwing. Daarnaast blijkt dat er verschillende warmte­bronnen beschikbaar zijn binnen onze regio: omgevingswarmte, restwarmte en warmte uit biomassa. Voorbeelden van warmtebronnen uit de omgeving zijn ondiepe bodemenergiesystemen, (ondiepe) geothermie en thermische energie uit oppervlakte (TEO) en afvalwater (TEA)-bronnen. Restwarmte komt beschikbaar via industrie, datacentra, condensatiewarmte van bedrijven, rioolwaterzuiveringinstallaties (RWZI) en riool­gemalen. Het beschikbare aanbod van biomassa binnen onze regio is beperkt van omvang. Het betreft voornamelijk het aanbod van laagwaardige verbrandbare en vergistbare biomassa, waarbij alleen het jaarlijkse (groei)overschot in beeld is. Om de beschikbare warmte vanuit de warmtebron te distribueren is ook een warmte-infrastructuur nodig. Op dit moment liggen er grootschalige warmte­­netten in Nijmegen en Duiven-WestervoortArnhem.

Beide warmtenetten worden gevoed vanuit restwarmtebronnen (afvalverbrandingsinstallaties ARN en AVR). R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

Gelderland Warmte Atlas

Daarnaast is er een warmtenet vanaf tuinbouwgebied NEXTgarden, Lingewaard, met een warmtebron die vanaf het voorjaar van 2021 ook een snoeihout­centrale kent.

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

Deze al aanwezige warmte-infrastructuur biedt kansen voor uitbreiding en ontwikkeling van een Regionale Warmte (infra)Structuur binnen onze regio.

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

3 6

HOOFDCRITERIA MCA VOOR WARMTE

4.2.5 Structurele gesprek rond kansrijke regionale warmteclusters

Warmte­ kaart

De warmtevraag en het warmteaanbod binnen onze regio zijn gekoppeld via een multicriteria-analyse (MCA). Die geeft voor elk warmtevraagcluster aan wat de meest logische warmtebronnen lijken. Bij deze MCA zijn drie criteria gebruikt: is de warmtebron duurzaam, betrouwbaar en betaalbaar? In deze drie hoofdcriteria komen onder andere criteria als CO2-emissie, afstanden, temperatuur en dekkingsgraad terug. De uitkomsten van de MCA vormen de basis voor een eerste beeld hoe vraag en aanbod aan

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

elkaar gekoppeld kunnen worden, en dan met name voor het identificeren van de kansrijke warmte­ clusters waarvoor op RES-niveau het structurele gesprek met betrokken partijen zal worden gevoerd. Dit struc­turele gesprek heeft als doel om tijdig kansen en knelpunten te signaleren en te zoeken naar de meest efficiënte inzet van bovenlokale warmtebronnen tegen de laagst maatschappelijke kosten. Op basis van deze afweging zien we bij grote restwarmtebronnen in onze regio competitie

de regio. In die gevallen moet de regionale warmteinfrastructuur verder onderzocht worden. Dit geldt specifiek voor de nog niet maximaal benutte restwarmte van de afvalcentrales AVR (Duiven) en ARN (Weurt) en ook voor de grote naastliggende rioolwaterzuiveringsinstallaties. De vraag die binnen deze warmteclusters speelt is of deze alleen beschikbaar blijft voor gemeenten die nu al gebruik maken van dit warmtenet, of dat in de toekomst ook de kernen en wijken van Velp, Zevenaar, Didam, Wijchen, Heumen en Beuningen gebruik kunnen

ontstaan tussen verschillende warmtevragers uit

maken van deze warmtebronnen.

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

3 7

Ook is afstemming nodig tussen de verschillende RES-regio’s, bijvoorbeeld als het gaat om de verdeling van restwarmte van papierfabriek Parenco uit Renkum. Het gebruik van die warmte is kansrijk in het stedelijk gebied van EdeWageningen (Regio Foodvalley), maar ook Renkum zal in de toekomst gebruik willen maken van een deel van de restwarmte. Andersom geldt dat beschikbare warmte vanuit andere regio’s ook weer in onze regio kan worden benut: restwarmte van de RWZI Olburgen (mits niet gebruikt binnen Regio Achterhoek) is mogelijk in te zetten in de kern van Dieren of Doesburg en restwarmte van de papierfabriek in Eerbeek kan ook interessant zijn voor de kern van Dieren en Laag-Soeren. In het concept bod werd eerder gesproken over de inzet van warmte vanuit de bio-energiecentrale Cuijk naar Malden of Groesbeek, maar uit gesprekken met Regio Noordoost Brabant en gemeente Cuijck lijkt de kans daarop minimaal, gelet op te overbruggen afstand en voorzien gebruik van restwarmte binnen de eigen regio. Naast het structurele gesprek over de warmte­ verdeling binnen deze kansrijke regionale warmte­ clusters zal in de verdere uitwerking van de regionale warmte(infra)structuur komende jaren worden afgewogen of de koppeling tussen de netten van Arnhem en Nijmegen meerwaarde heeft, waarbij het regionale kassengebied NEXTgarden in Lingewaard mogelijk als energieknooppunt kan dienen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zevenaar&id=2922702e-1451-49f9-82a5-da7b75d4920c