CConstaterende datZevenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

1049327 Bijlage 1. RAAP-RAPPORT 4892 - Archeologie in de gemeente Zevenaar. Actualisatie van de archeologische waarden en verwachtingskaart

Raadsvergaderingen 2022-2026 1 maart 2023, gemeente ZevenaarBij agendapunt: HAMERSTUK Z/21/398514 Vaststellen van geactualiseerde archeologische kaarten, inclusief de beleidskaart19.206 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Afhankelijk van de grondwaterspiegel staat er wel of geen water in, echter is het voor de werking geen vereiste. De bedoeling van de grachten is, mocht er een tank proberen over te steken, dat deze met de voor- of achterkant vast komt te zitten in de V-vorm van de gracht (zie figuur 11).

31

Figuur 11. Dit document toont de bedoelde werking van een antitankgracht (Oberkommando des Heeres, 1940). De grachten binnen de gemeente Zevenaar zijn breder maar de werking blijft gelijk.

32

Tussen de loopgraven zijn op strategische locaties ook stellingen opgeworpen voor ander geschut dan alleen machinegeweren (machinegeweerstellingen zijn dusdanig talrijk en moeilijk te zien dat deze niet in de inventarisatie zijn opgenomen). Stellingen voor zwaarder geschut zijn voor dit onderzoek overgenomen van de Defence Overprints. Het gaat hier om stellingen voor bijvoorbeeld, mortieren, luchtafweergeschut (Flak), artillerie of antitankgeschut. Dat deze stellingen aangelegd zijn betekent niet dat deze ook allemaal gelijktijdig bezet zijn geweest. Om te proberen de geallieerden te misleiden werd vaak van positie gewisseld, waarbij de gegraven stellingen open bleven liggen om op een ander moment weer gebruikt te worden. Het aantal stellingen is dus geen indicatie voor de troepensterkte. In andere delen van de stelling, bijvoorbeeld bij Arnhem en in Drenthe, zijn Koch bunkers gebouwd. Dit zijn prefab schuttersputten opgebouwd uit betonnen putringelementen. In de gemeente Zevenaar zijn deze bunkertjes niet aangetroffen, toch is het mogelijk dat ze er wel geweest zijn. De lichte constructie van het bouwwerk maakte het verwijderen eenvoudig.

Figuur 12. Een uitsnede van Defence Overprint 4102 (links) waarop de locatie van het radiostation aangegeven staat . Het symbool van een ‘W’ met een driehoekje eronder geeft een radar- of radioantenne aan, de kruisjes geven een prikkeldraad afzetting aan. Rechts diezelfde locatie op de luchtfoto’s. Er zijn enkele gebouwen met slagschaduw zichtbaar. Ten zuiden van de gebouwen, in het weiland, is een prikkeldraadafzetting zichtbaar.

Een bijzondere vondst is een radio/radarstelling aangegeven op Defence Overprint 4102 (zie figuur 12), aan de ’s Gravenwaardschedijk nabij Lobith. Het is namelijk niet bekend dat op deze locatie een dergelijke stelling gelegen heeft. Het lijkt hier te gaan om een zogenaamd Funkfeuer (Leichtes Funkfeuer). Dat is een klein radionavigatiestation bestaande uit een barak voor het personeel en een zendmast welke een signaal in alle richtingen uitzendt. Vliegtuigen kunnen met hun boordapparatuur dit signaal oppikken en de hoek bepalen waarvan het signaal vandaan komt. Op deze manier is het mogelijk voor de vliegtuigbemanning om, ook in de nacht of bij slecht weer, te navigeren zonder dat de grond zichtbaar is. De literatuur spreekt van een Funkfeuer (codenaam 23W, Verbeek & Neisingh, 2020: 406 ) in de omgeving van Zevenaar en aangezien er in de omgeving geen andere radiostellingen gevonden zijn, is het zeer aannemelijk dat het deze locatie betreft. Tegenwoordig rest niets meer van deze stelling.

33

4.2.3 Koude oorlog Tijdens de koude oorlog is de IJssel opnieuw gebruikt als versperring tegen indringende troepenmachten, ditmaal tegen de Russen. Langs de IJssel zijn op verschillende plaatsen kleine bunkers en stellingen aangelegd. Binnen de gemeente Zevenaar hebben geen constructiewerkzaamheden plaatsgevonden. Wel zouden er, in geval van oorlogsdreiging, grootschalige inundaties plaatsvinden binnen de gemeente.

4.3 Toelichting bij de archeologische verwachtingszones 4.3.1 Inleiding Ter inleiding enkele opmerkingen over de wijze waarop verwachtingszones voor oorlog en defensie zijn gedefinieerd. Bij het definiëren van verwachtingszones voor resten uit de Tweede Wereldoorlog in de gemeente Zevenaar zijn enkele uitgangspunten gehanteerd uit de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (www.ikme.nl). Navolgende uitgangspunten zijn ontleend aan de handreiking van de IKME. 23 Een archeologische vindplaats is een locatie waar daadwerkelijk archeologische resten zijn aangetroffen. Het militair erfgoed van de Tweede Wereldoorlog bevindt zich wat deze algemene regel betreft in een uitzonderlijke positie. Vanuit historische bronnen zijn veel ‘vindplaatsen’ uit de oorlog in een bepaalde mate bekend: foto’s, kaartmateriaal of andere bronnen wijzen op de aanwezigheid van een bepaald object of een structuur op een specifieke plaats tijdens de oorlogsjaren. Of op een dergelijke locatie (nog) sprake is van een bodemarchief is echter een vraag die door archeologisch (bureau)onderzoek beantwoord dient te worden. Een archeologische verwachting wordt in dit kader dan ook als volgt gedefinieerd: in een verwachtingszone kunnen zich mogelijk grondsporen en/of materiële resten bevinden uit de Tweede Wereldoorlog.

De verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten wordt op de archeologische beleidskaart inzichtelijk gemaakt door de toevoeging van een laag met een specifieke verwachting (kaartbijlage 4). Er is echter geen sprake van een klassieke verwachtingskaart waarop zones met een hoge, middelhoge en lage verwachting worden onderscheiden. De betrouwbaarheid van de geformuleerde archeologische verwachtingen is hierbij uiteraard afhankelijk van de mate van gedetailleerdheid van de beschikbare basisinformatie. Bij het aangeven van verwachtingszones op de kaart is geen rekening gehouden met verstoringen door latere bouwwerkzaamheden en infrastructurele werken. In sommige gevallen is het evident dat sporen uit de oorlog volledig zijn verdwenen, bijvoorbeeld in het geval van de stellingen die zijn aangelegd op het talud van Rijksweg 12 in aanleg. In het geval van naoorlogse woonwijken en bedrijventerrein is het goed mogelijk dat oorlogssporen bewaard zijn gebleven in groenstroken en andere onbebouwde terreinen. Zelfs van overbouwde structuren kunnen diepere grondsporen (deels) bewaard zijn gebleven. In het geval van planvorming dient de mate van verstoring per locatie te worden bepaald door middel van bureauonderzoek

4.3.2 Gespecificeerde verwachting: verdedigingswerken algemeen Voor alle gegraven stellingen uit de Tweede Wereldoorlog geldt een verwachting op achtergelaten of gedumpt materiaal. Als stellingen gebruikt zijn voor gevecht geldt een verwachting op achtergelaten strijdmiddelen, zoals wapens, munitie, uitrusting en voorraden. Daarnaast zijn gegraven stellingen na

23 Kok & Schute 2016. 34

de oorlog vaak gebruikt als dumpplek voor overbodig geworden oorlogsmateriaal, of puin en interieur uit verwoeste (civiele) bebouwing.

4.3.3 Gespecificeerde verwachting: loopgraven en mangaten Voor alle loopgraven en mangaten uit de Tweede Wereldoorlog geldt een verwachting op sporen tot ongeveer 2 meter onder het oorspronkelijk maaiveld. 24 In (destijds) natte terreinen is het mogelijk dat loopgraven bovengronds zijn aangelegd met opgehoogde rug- en borstwering. In dat geval is de verwachte diepte van de sporen kleiner of zijn sporen zelfs geheel afwezig. Omdat loopgraven soms gepaard gaan met aanliggende, maar op foto’s niet altijd zichtbare, mangaten, schuttersputten en munitienissen moet rekening worden gehouden met een verwachting op sporen tot 20 meter vanuit de rand van het object, waarbij de afwijking van de referentie nog moet worden opgeteld.

4.3.4 Gespecificeerde verwachting: stellingen Voor stellingen voor luchtafweer- of veldgeschut en voor grotere ondersteuningswapens zoals mortieren geldt een verwachting van minder dan 2 meter onder het oorspronkelijke maaiveld. De diepte van aanleg van stellingen voor geschut en mortieren varieert van volledig bovengronds (tot zelfs op torens), tot 1,60 meter –Mv. Verder geldt voor stellingen een verwachting op sporen tot zeker 25 meter vanuit de rand van het object, waarbij de afwijking van de referentie nog moet worden opgeteld. Soms kan deze afstand groter zijn want munitienissen voor geschut werden aangelegd tot tientallen meters achter de opstelplaats van het stuk. 25

4.3.5 Gespecificeerde verwachting: tankgrachten Tankgrachten zijn overwegend aangelegd tot op een diepte van ongeveer 3 meter onder het oorspronkelijke maaiveld. Aan weerszijden van tankgrachten kunnen versperringen zijn aangebracht in de vorm van prikkeldraadversperringen. Voor draadversperringen en mijnenvelden geldt nauwelijks tot geen archeologische verwachting, omdat deze zeer ondiep zijn aangelegd en na de oorlog vrijwel altijd volledig zijn opgeruimd. Resten van draadversperringen kunnen aanwezig zijn aan het maaiveld, maar zijn vaak niet met zekerheid tot het verwachte spoor te herleiden. Veel vaker zijn resten van draadversperringen na de oorlog gedumpt in stellingen (zie onder). Mijnenvelden zijn soms herkenbaar door de vondst van springputten, of achtergelaten resten van ontstekers.

4.3.6 Luchtoorlog Vliegtuigcrashes Van de crashlocaties in de gemeente Zevenaar is de locatie globaal als zone aangegeven op de kaart. Een aantal zones zijn aangegeven door Gerrie Willemsen. Gespecificeerde verwachting: vliegtuigcrashes Het bergen van vliegtuigwrakken is voorbehouden aan Defensie. Ook op crashlocaties waar de wrakken al tijdens de oorlog of daarna zijn geborgen, kunnen echter nog kleinere wrakdelen aanwezig zijn. Zo blijkt uit archeologisch onderzoek na de berging van het wrak van een Duitse bommenwerper van het type Junkers 88 in 2010 bij Utrecht dat de spreiding van kleine wrakdeeltjes rondom een crashlocatie nog relevante informatie kan opleveren. 26

24 KMA 1933; Oberkommando des Heeres 1944. 25 Oberkommando des Heeres 1944. 26 Van der Kamp & Hendriksen, 2010 35

Ligging FLAK-stelllingen In Zevenaar zijn verschillende locaties geïnventariseerd die een relatie hebben met het thema luchtoorlog. De belangrijkste waarnemingen betreffen de stellingen voor luchtafweergeschut, ook wel Flak genoemd, naar de Duitse afkorting voor ‘Flugabwehrkanone’. Een opstelplaats voor Flak betrof aan het einde van de oorlog een zowel technisch als organiek uitgebreid ensemble van materieel en personeel, afhankelijk van het type stelling. Er waren lichte, middelzware en zware batterijen Flak, een aanduiding die samenhangt met het kaliber van het geschut en de gebruikte richtmiddelen. Een zware batterij had meestal vier tot zes stukken geschut en werd in samenhang met lichte Flak opgesteld, waarbij de laatste bescherming boden aan de zware stukken. Zware Flak-kanonnen schoten namelijk niet direct op vliegtuigen, maar vuurden via een vuurleidingssysteem op sectoren in de lucht om zo een ondoordringbaar gordijn van granaatscherven te scheppen op de route van de naderende vliegtuigen. Lichte Flak-kanonnen daarentegen schoten wel direct op visueel waarneembare toestellen en konden zo de zware stukken beschermen tegen aanvallen van vijandelijke jagers of jachtbommenwerpers. Een zware Flak-batterij was voorzien van richtmiddelen, vuurleiding (Kommandogerät), zoeklichten, aggregaten, communicatieverbindingen, munitieopslag en onderkomens voor personeel.

Dit alles bevond zich in directe omgeving en vaak in speciaal daarvoor gegraven stellingen. Aan het einde van de oorlog bestonden de onderkomens voor personeel meestal uit gevorderde panden. Omdat de meeste Flak in het oosten van Nederland het doel had overvliegende bommenwerpers richting Duitsland te verhinderen, werden de meeste zware Flak-batterijen na de slag om Arnhem ontmanteld en teruggetrokken op Duits grondgebied. Gespecificeerde verwachting: luchtafweerstellingen Voor luchtafweerstellingen geldt een verwachting van minder dan 2 meter onder het oorspronkelijke maaiveld. De diepte van aanleg van stellingen voor geschut en mortieren varieert van volledig bovengronds (tot zelfs op torens), tot 1,60 meter –Mv. Verder geldt voor stellingen een verwachting op sporen tot zeker 25 meter vanuit de rand van het object, waarbij de afwijking van de referentie nog moet worden opgeteld. Soms kan deze afstand groter zijn want munitienissen voor geschut werden aangelegd tot tientallen meters achter de opstelplaats van het stuk. 27

4.4 Aanbevelingen Gezien de hoeveelheid verdedigingslinies door de tijd heen van verschillende krijgsmachten, is het gebied rondom de IJssel altijd van strategisch belang is geweest. Niet alleen als voorhoede van de Randstad, maar ook als voorhoede van het Duitse binnenland. De achtergebleven sporen en structuren zijn hier stille getuigen van. Deze inventarisatie maakt het mogelijk een stuk van deze strategische regio in detail te bekijken, en vanuit het detail weer uit te zoomen naar het grotere geheel. Wat meer onderzoek vereist zijn de crashlocaties van gevechtsvliegtuigen. Het is namelijk niet altijd duidelijk of wrakken (en mogelijke lichamen) al geborgen of nog aanwezig zijn. Lokale experts kunnen hierbij een belangrijke rol spelen.

4.4.1 Afstemming explosievenopsporing en archeologie Uit OCE-vooronderzoek in het tracé voor de doortrekking van de A15-A12 blijkt dat er verschillende locaties zijn met een verhoogd risico op de aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven. Gezien op

27 Oberkommando des Heeres 1944. 36

deze locaties ook andere cultuurhistorisch waardevolle resten uit de oorlogsjaren kunnen worden verwacht, is nadere afstemming van essentieel belang (zie voor een overzicht over de relatie tussen archeologie en explosievenopsporing de publicatie van de SIKB, 2014). De opsporing van conventionele explosieven, zogenaamd OCE-onderzoek, wordt overwegend nietdiscriminerend uitgevoerd naar metaaldelen vanaf een bepaalde grootte, los van de vraag of dit wel of niet archeologisch relevant materiaal betreft. Deze metaaldelen worden vervolgens handmatig of machinaal benaderd en verwijderd. Hierdoor kunnen archeologische sporen - onbedoeld en onbewust zonder vorm van documentatie worden verstoord en archeologisch relevante objecten ongezien worden verwijderd. Archeologische sporen, zoals bijvoorbeeld loopgraven kunnen immers objecten bevatten, die een archeologische relevantie hebben zoals gebruiksvoorwerpen of kenmerkende delen van bewapening. Als deze objecten van voldoende afmeting zijn om gedetecteerd te worden zal OCEonderzoek ze opsporen, verwijderen, en ook het grondspoor van de loopgraaf verstoren.

Om te voorkomen dat archeologische resten bij uitvoering van een OCE-onderzoek ongeregistreerd worden vergraven en verwijderd, verdient het aanbeveling dergelijk OCE-onderzoek archeologisch te laten begeleiden en hierover vroeg in de aanbesteding met de betreffende OCE-onderaannemer afspraken te maken. Indien de situatie het toelaat verdient het de voorkeur om het archeologisch onderzoek te laten plaats vinden onder OCE-begeleiding. 28

28 zie SIKB Handreiking Samenloop Archeologie en Explosievenopsporing, www.sikb.nl 37

5 Archeologische beleidskaart 5.1 Status, doel en inhoud De archeologische beleidskaart (kaartbijlage 4) is een beleidsmatige uitwerking van de geactualiseerde archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart (kaartbijlage 2) en de themakaart Oorlog en Defensie (kaartbijlage 3). De archeologische beleidskaart dient als afwegingsinstrument (onderlegger) bij processen in de ruimtelijke ordening. De beleidskaart kan juridisch-planologisch worden verankerd bij het opstellen van (nieuwe) bestemmingsplankaarten en beheersverordeningen conform de Wro.

5.2 Bestuurlijke samenvatting en conclusies 5.2.1 Algemeen Een zorgvuldige omgang met archeologische erfgoed betekent dat archeologische waarden bijdragen aan de inrichting (en daarmee aan de kwaliteit) van de leefomgeving. Dat er iets bijzonders in de grond zit, kan op verschillende manieren in de architectuur, beplanting of ruimtelijke structuur terugkomen. Hier is een belangrijke taak weggelegd voor ontwerpers. Stedenbouwkundigen en landschapsarchitecten kunnen zich laten inspireren door archeologische waarden. De gemeente kan dat aansturen en stimuleren. Een zorgvuldige omgang met het archeologische erfgoed betekent niet dat er niets kan.

5.2.2 Totstandkoming De archeologische beleidskaart is tot stand gekomen in samenwerking met RAAP Archeologisch Adviesbureau. De inhoud van de archeologische beleidskaart en deze rapportage is besproken met dhr. drs. J. Habraken, regioarcheoloog voor de Regio Arnhem en mw. L. Werdmuller, beleidsmedewerker Erfgoed van de gemeente Zevenaar.

5.2.3 Uitgangspunten beleidskaart De gemeenteraad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersverordening bij de bestemming van gronden altijd rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten (archeologische waarden). Deze bestemmingsplanverplichting brengt met zich mee dat de gemeente het kader moet stellen voor de archeologische monumentenzorg. In 2020 is in opdracht van de gemeente Zevenaar een geactualiseerde archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart vervaardigd. De bij dit rapport opgenomen archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaarten (kaartbijlage 2) en de themakaart Erfgoed van Oorlog & Defensie is (kaartbijlage 3), in opdracht van de gemeente Zevenaar, voor de toepassing op beleidsmatig, gemeentelijk niveau ‘vertaald’ naar een beleidskaart (kaartbijlage 4). Op de archeologische beleidskaart staat kort aangegeven wat het gewenste beleid is ten aanzien van de onderzoeksverplichting. De onderliggende gegevens, i.c. kaartbijlagen 2 en 3 en de daarbij horende gegevens(bestanden), zijn van een zodanig gedetailleerd schaalniveau dat de kaart direct van toepassing is voor gebruik op perceelsniveau (100-1.000 m²).

5.2.4 Nieuwe grenswaarden voor archeologisch vooronderzoek Initiatiefnemers van projecten die kleiner zijn dan 100 m² kunnen op basis van landelijke regelgeving niet worden belast met archeologische onderzoeksplicht. Afwijking van de ondergrens van 100 m² is 38

zowel in opwaartse als in neerwaartse zin mogelijk. In onderstaand overzicht wordt het oude met het voorgestelde nieuwe beleid vergeleken

Zevenaar

Rijnwaarden

Nieuwe geactualiseerde kaart

Vastgestelde waarde/zeer hoog

30 m 2

0-50 m 2

30 m 2

Verwachtingszone hoog

200 m 2

100 m 2

200 m 2

Verwachtingszone middelhoog

500 m 2

500 m 2

1000 m 2

Verwachtingszone laag

2500 m 2

5000 m 2

10.000 m 2

Uit dit overzicht blijkt dat de plicht tot het doen van onderzoek richt zich meer op de bekende waarden. Die zijn nu groter in aantal vanwege de aanvullende bronnen die zijn gebruikt, zoals erfgoed uit de Tweede Wereldoorlog en gegevens uit historische bronnen. Voor de hoge verwachtingswaarden is de ondergrens ongeveer hetzelfde gebleven. Voor gebieden met een middelhoge en lage archeologische verwachting is de ondergrens zeer verruimd.

5.3 Legenda-eenheden op de beleidskaart Op de archeologische beleidskaart is geen onderscheid gemaakt in archeologische perioden en wordt de archeologische verwachting aangeduid met de termen hoog, middelhoog, laag, waterbodems en specifieke verwachting. Op de archeologische beleidskaart staat kort aangegeven wat het gewenste beleid is, hetgeen in dit hoofdstuk beknopt verder is uitgewerkt. Op de archeologische beleidskaart zijn de volgende eenheden te onderscheiden.

5.3.1 Terreinen met gewaardeerde archeologische resten Van terreinen met fysiek-inhoudelijk gewaardeerde archeologische resten weet men (globaal) wat er aanwezig is en wat daarvan de waarde is. Binnen deze categorie scharen we de terreinen met de voorgenomen rijksbescherming (Herwen-De Bijland) en de terreinen met de voorgenomen gemeentelijke bescherming (Burcht Sevenaer). Deze zijn op de beleidskaart opgenomen als Waardearcheologie 1.

5.3.2 Terreinen met archeologische resten Op basis van archeologische kennis en fysieke kenmerken van het landschap zijn verschillende verwachtingsgebieden onderscheiden waarbinnen sprake is van verschillen in de verwachte dichtheid waarin archeologische resten voorkomen. Deze gebieden zijn relevant in het buitengebied en in delen van de bebouwde kom. De archeologische resten in deze gebieden zijn niet gewaardeerd, dat wil zeggen: er heeft geen formeel waardestellend onderzoek plaatsgevonden. Wel is de verwachte dichtheid aan (en de ligging, omvang en conservering van) archeologische resten dusdanig groot (zeer hoge verwachting) dat het risico op informatieverlies een zeer beheerste omgang met deze terreinen noodzakelijk maakt. 29 De terreinen met niet-gewaardeerde archeologische resten zijn bijvoorbeeld de terreinen van archeologische waarde (TAW, de voormalige AMK terreinen), de historische dorpskern, oude woongrond, reeds bekende vindplaatsen en overige terreinen van archeologisch belang. Deze zijn allemaal ondergebracht in de categorie ‘Waarde-archeologie 2’.

29 De Groot e.a. 2011. 39

5.3.3 Archeologische verwachtingsgebieden De verwachtingsgebieden waarbinnen alleen een generieke verwachte dichtheid aan archeologische resten geldt (uitgesplitst in de categorieën hoog, midden, laag) worden op de beleidskaart aangeduid als Archeologische verwachtingsgebieden. De volgende vijf categorieën archeologische verwachtingsgebieden worden onderscheiden:  Waarde-archeologie 3: Gebieden met een hoge verwachte dichtheid aan archeologische resten;  Waarde-archeologie 4: Gebieden met een middelhoge verwachte dichtheid aan archeologische resten;  Waarde-archeologie 5: Gebieden met een lage verwachte dichtheid aan archeologische resten;  Waarde-archeologie 6: waterbodems met een archeologische verwachting;  Specifiek verwachtingsgebied voor erfgoed van Oorlog & Defensie

5.3.4 Vrijgegeven terreinen Terreinen waar in het verleden waardestellend archeologisch (voor)onderzoek heeft plaatsgevonden waarbij is vastgesteld dat, naar oordeel van het bevoegd gezag, er géén behoudenswaardige archeologische resten in de bodem voorkomen, zijn vrijgesteld van de verdere onderzoeksplicht inzake archeologie. Dergelijke terreinen staan op de beleidskaart (kaartbijlage 3) vermeldt als ´vrijgegeven terreinen´. Binnen deze categorie komen ook diepere winningsputten (diepe afgravingen), diepere bodemverstoringen (bijvoorbeeld als gevolg van civieltechnische ingrepen) en diep uitgegraven waterpartijen voor. Dit zijn terreinen waar bodemingrepen dusdanig diep zijn geweest dat vrijwel alle archeologische niveaus zijn verdwenen dan wel sterk aangetast zijn geraakt. Alle ‘vrijgegeven terreinen’ zijn door de gemeente, op advies van de regioarcheoloog dhr. Drs. J. Habraken, aangewezen.

40

Onderzoeksketen archeologisch vooronderzoek Archeologisch vooronderzoek verloopt doorgaans in fasen (figuur 13). Eerst wordt gekeken naar het beleid van de vergunningverlener(s) om te bepalen of archeologisch vooronderzoek noodzakelijk is (voor een vergunning) of niet. Als vooronderzoek noodzakelijk is bestaat de eerste stap meestal uit een bureaustudie (stap 1: bronnenonderzoek). Tijdens dat onderzoek worden archeologische gegevens, historische bronnen en aardkundige gegevens (bodem, geologie) bestudeerd om te bepalen of er archeologische resten in de bodem verborgen liggen of kúnnen liggen. Op basis van deze gegevens kan vervolgens een antwoord worden gegeven op de vraag of een gebied kansrijk is voor ‘archeologie’ of niet. In kansrijke gebieden volgt daarna het veldwerk. Dit veldonderzoek kan globaal van aard zijn (stap 2: ‘verkennen’) en heeft dan meestal tot doel om kennisleemten over het gebied weg te nemen, bijvoorbeeld over bodemverstoringen of de bodemopbouw. De vervolgstap, indien daartoe aanleiding bestaat, is het op een systematische manier opsporen (archeologen spreken van: karteren) van archeologische resten (stap 3: karteren). Meestal bestaat dit ‘karteringsonderzoek’ uit steekproefsgewijs onderzoek van de bodem op vondsten of sporen, meestal door het zetten van boringen, het graven van proefputten of het systematisch belopen van braakliggende grond.

Er bestaan ook andere technieken, zoals remote-sensing toepassingen (luchtfoto, hoogtemetingen) en geofysisch onderzoek (grondradar, magnetometingen). Het zoeken naar archeologische resten in het water volgt weer een andere weg, bijvoorbeeld door het inzetten van sonar. Wanneer er archeologische resten zijn gevonden is het streven om ze in de bodem te behouden, bijvoorbeeld door planaanpassing. Als dat niet kan wordt allereerst bepaald wat de kwaliteiten van die resten zijn (stap 4: waarderen). Hoe archeologen die kunnen waarderen ligt grotendeels vast in normen en procedures. Het besluit over wat er daarna met waardevolle resten moet gebeuren is aan de bevoegde gezagen, het Rijk, de provincie of gemeente (stap 5: selectiebesluit). De onderzoeksketen bureauonderzoek, verkenning, opsporing en waardering is overigens geen ‘verplicht nummer’. Het archeologisch vooronderzoek kan, afhankelijk van de beschikbare informatie, in verschillende fasen beginnen en eindigen.

41

Figuur 13. Onderzoeksketen archeologische monumentenzorg.

5.4 Beleidsuitgangspunten gemeente Zevenaar 5.4.1 Wettelijke verplichting De wet- en regelgeving rond archeologie en ruimtelijke ordening in ons land is sterk in beweging. Sinds 1 september 2007 is het wettelijk kader voor archeologie, de Monumentenwet, via een wijzigingswet herzien. Daarnaast is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) per 1 juli 2008 ingegaan. Gemeenten dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan of beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1 en 3.38 Wro altijd rekening te houden met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Deze bestemmingsplanverplichting brengt met zich mee dat gemeenten het kader moeten stellen voor de archeologische monumentenzorg. Zij hebben dus een kerntaak in de uitvoering van de 42

archeologische monumentenzorg en moeten bij ruimtelijke besluitvorming het archeologische belang afwegen tegen de andere belangen. Per januari 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening zodanig gewijzigd, dat naast archeologie ook de overige cultuurhistorische waarden (historische bouwkunst, cultuurlandschap, historische ecologie, aardkundige waarden) in het bestemmingsplan aandacht krijgen. In de toelichting dient te worden gemotiveerd hoe met al die waarden is omgegaan.

5.4.2 Juridisch-planologische verankering Om aan deze wettelijke taak te voldoen wordt voor de terreinen met archeologische resten (Waardearcheologie 1 en 2) en de archeologische verwachtingsgebieden (Waarde-archeologie 3, 4, 5, 6 en specifiek) aanbevolen deze op te nemen in het gemeentelijk bestemmingsplan (aanduiding op de verbeelding en vermelden in de toelichting). Van de zones binnen Waarde-archeologie 1 en 2 is vastgesteld dat er archeologische resten aanwezig zijn; in het geval van zones binnen Waardearcheologie 3, 4, 5,6 of specifiek is dit niet vastgesteld maar kan worden aangenomen dat er in meer of mindere mate archeologische resten verscholen gaan.

5.4.3 Omgang met generieke verwachtingen Binnen de archeologische verwachtingsgebieden (Waarde-archeologie 3 t/m 6 en specifiek) kunnen alsnog grote gebieden voorkomen waarin archeologische resten grotendeels of zelfs geheel ontbreken, zelfs indien er sprake is van een hoge verwachte dichtheid aan archeologische resten. Om op een goede manier met deze onzekerheid om te gaan zijn twee afwegingen van belang. De eerste afweging betreft de kans dat er bij een bodemingreep van een bepaalde omvang daadwerkelijk sprake zal zijn van verstoring van waardevolle archeologische resten. Hierbij geldt het eenvoudige principe hoe kleiner de ingreep, hoe geringer de kans op verstoring. De tweede afweging betreft de mogelijkheden die de huidige archeologische onderzoeksmethoden bieden om de aanwezigheid van deze waardevolle resten, en daarmee de verstoring daarvan, werkelijk aan te tonen. In gebieden met een globale archeologische verwachting, waarvoor slechts op hoofdlijnen aangegeven kan worden welke archeologische resten aanwezig kunnen zijn, is het doorgaans niet mogelijk om een onderzoeksmethode te kiezen die naadloos aansluit bij het karakter van de aanwezige archeologische resten.

Wanneer de archeologische verwachting niet voldoende gespecificeerd kan worden om onderzoeksmethode en -intensiteit op maat te kunnen bepalen, zal gekozen moeten worden voor een methode met een acceptabele opsporingskans voor een breed scala aan vindplaatstypen. Om archeologische resten te kunnen opsporen wordt daarom gebruik gemaakt van relatief goedkope standaardonderzoeksmethoden (bureau- en/of booronderzoek, proefsleuven) die gericht zijn op het steekproefsgewijs verzamelen van (globale) informatie met betrekking tot de aan- of afwezigheid van archeologische resten en hun landschappelijke context. Bij dergelijke onderzoeken is het een voorwaarde dat het aantal waarnemingen voldoende groot is en een dusdanige spreiding kent dat het mogelijk is om (via ruimtelijke analyse) tot een interpretatie van de onderzoeksresultaten en tot een waardestelling van de aangetroffen archeologische resten te komen.

5.4.4 Grenzen aan de onderzoeksplicht Initiatiefnemers van projecten die kleiner zijn dan 100 m² kunnen op basis van landelijke regelgeving niet worden belast met archeologische onderzoeksplicht. Afwijking van de ondergrens van 100 m² is zowel in opwaartse als in neerwaartse zin mogelijk. Op gezag van de regionaal archeoloog, drs. J. Habraken, is in samenspraak met de gemeente besloten de hieronder in het tekstkader aangegeven oppervlakte- en dieptematen per categorie te hanteren. Deze oppervlakte- en dieptematen komen grotendeels overeen met wat in de regio-Arnhem tot op heden gebruikelijk is, maar zijn iets aangepast op basis van ervaringsgegevens. 43

Uitgangspunten archeologiebeleid (incl. Onderzoeksverplichting) per categorie Terreinen met gewaardeerde archeologische resten  Waarde-Archeologie 1: behouden en beschermen in huidige staat; bij planvorming is besluitname door het bevoegd gezag wettelijk verplicht (bevoegd gezag is de gemeente); Er zijn in de gemeente twee terreinen die in aanmerking komen voor de Waarde-Archeologie 1: - Herwen-de Bijland krijgt naar verwachting de status van werelderfgoed en archeologisch Rijksmonument; - De wens is om de Burcht Sevenaer aan te wijzen als gemeentelijk archeologisch monument. Terreinen met archeologische resten  Waarde-Archeologie 2: terreinen van archeologische waarde (TAW-terreinen), historische dorpskernen, oude woongronden en overige terreinen van archeologisch belang. Bij bodemingrepen dieper dan 40 cm beneden maaiveld en groter dan 30 vierkante meter vroegtijdig waardestellend archeologisch vooronderzoek conform KNA;

Archeologische verwachtingsgebieden  Waarde-Archeologie 3: inventariserend archeologisch onderzoek is verplicht als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 200 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 40 cm -Mv;  Waarde-Archeologie 4: inventariserend archeologisch onderzoek is verplicht als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 1000 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 40 cm -Mv;  Waarde-Archeologie 5: inventariserend archeologisch onderzoek is verplicht als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 10.000 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 50 cm –Mv.  Waarde-archeologie 6: (waterbodems) inventariserend archeologisch onderzoek is verplicht als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 10.000 m². Vrijgegeven terreinen  Geen regels

44

5.4.5 Terreinen met gewaardeerde archeologische resten Het op de verbeelding van het bestemmingsplan plaatsen van bekende en onbekende archeologische waarden is een belangrijke stap om het belang van archeologie in de ruimtelijke ordening aan te geven. Van terreinen met gewaardeerde archeologische resten weet men (globaal) wat er aanwezig is, wat daarvan de waarde is (inhoudelijk en fysiek) en vaak is sprake van een duidelijke, vaak kadastrale, begrenzing. Binnen deze categorie scharen we twee terreinen als Waarde-archeologie 1 en waarvan de fysieke resten vooral voorkomen in de bodem (bodemarchiefwaarden). Burchtcomplex Sevenaer (Waarde-archeologie 1) Het Kleefs hertogelijk burchtcomplex Sevenaer is in de 13e eeuw gesticht langs de oever van de voormalige Aa bij de plek waar al sprake was van een hof. De burcht was tevens aanleiding voor de latere stichting van de stad Zevenaar. De hoofdburcht wordt fysiek gekenmerkt door twee bouwfasen, waarbij de tweede fase een dikte van de weermuur van bijna vijf meter had. Voorts was er een voorburcht en een meervoudige omgrachting. In de 15e eeuw zijn hoofdburcht en voorburcht omgeven door een burchtwal, waarvan een gedeelte nog bestaat en dat rijksmonument is. Het toekomstig archeologisch monument in het centrum van Zevenaar omvat een deel van de ondergrondse resten van het burchtcomplex.

De te beschermen resten worden gevormd door hoofdburcht en voorburcht met de aangrenzende grachten en de voormalige doorgangen door de burchtwal aan de Romei. Op de in de KNA ( = Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie) genoemde 7 criteria voor de waardering van archeologische vindplaatsen scoort de burcht 'Sevenaer' op 1 criterium zeer hoog, op 5 criteria hoog en op 1 criterium voldoende tot hoog. Op basis hiervan is de vindplaats behoudens- en beschermingswaardig. 30 Het Burchtcomplex (zie figuur 6) valt binnen de reikwijdte van de Erfgoedverordening Zevenaar 2018. 31 Het is verboden een beschermd gemeentelijk monument en een beschermd gemeentelijk archeologisch monument te beschadigen, te vernielen of af te breken of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvoor noodzakelijk is (Artikel 13). En een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg en de archeologie zich daartegen niet verzet (Artikel 15).

Unesco werelderfgoedsite Herwen – De Bijland (Waarde-archeologie 1) De in het kader van de Unesco-nominatie van de Nedergermaanse limes geselecteerde site Herwen – De Bijland (site 19) omvat in situ resten van een Romeins militaire vindplaats, verspoelde resten van een vindplaats met Romeinse steenbouw en militaria, het castellum Carvium, en een gebied waarin volgens recente inzichten de Dam van Drusus moet hebben gelegen. Hier is een gebied aangewezen als kernzone (aangewezen als archeologisch Rijksmonument) met resten van een tijdelijk Romeins kampement (aangewezen als toekomstig archeologisch rijksmonument) en een ruim gebied daaromheen als bufferzone, die ook aansluit op de bufferzone bij Keeken in Duitsland (figuur 7). 32 De bufferzone bestaat eigenlijk uit twee gedeelten. Het grootste deel is verspoeld en daar is alleen de kans op verspoelde resten, vooral uit de Romeinse tijd, van belang. Aanleg van kelders e.d. kan vrij zijn, feitelijk gaat het alleen over ontgrondingen. Een beperkt deel van de bufferzone, ten westen van Herwen, ligt op bewaard prehistorisch landschap.

30 Zie verder de redengevende beschrijving Zevenaar, Burchtcomplex (Verhagen 2018, dd. 19-04-2018) 31 http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/XHTMLoutput/Actueel/Zevenaar/CVDR613431.html 32 Site 19, Nominatie dossier 45

Artikel 11 van de Monumentenwet 1988 stelt dat voor alle werkzaamheden die het monument verstoren of wijzigen een vergunning nodig is. Artikel 11 luidt: 1.

Het is verboden een beschermd monument te beschadigen of te vernielen;

2.

Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning: - een beschermd archeologisch monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; - een beschermd archeologisch monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

Een strikte interpretatie van artikel 11 zou er toe leiden dat het gebruik van het beschermde terrein vergaand wordt beperkt. Veel (minimaal) grond-verstorende activiteiten zouden aan een vergunningvereiste worden gebonden. Oppervlakkige bodemingrepen leiden echter niet altijd tot een verstoring van het beschermde bodemarchief. In voorkomende gevallen kan een vrijstelling van vergunningplicht worden verleend voor grondwerkzaamheden tot een bepaalde diepte onder het maaiveld. Dit is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 2 juli 2014, zaaknummer 201306923/1/A2. Het opnemen van een vrijstellingsdiepte wordt opgevat als een nadere omschrijving van de omvang van de bescherming die met het aanwijzingsbesluit wordt beoogd. Voor het aan te wijzen archeologisch Rijksmonument is het in afwijking van artikel 11 van de Monumentenwet toegestaan om zonder vergunning de volgende grondwerkzaamheden uit te voeren: I

sonderingen en grondboringen tot een maximale diameter van 10 cm;

II

bodemverstorende ingrepen tot een diepte van 70 cm onder het maaiveld.

Vergunningplichtig Onderstaande ingrepen zijn op grond van artikel 11 van de Monumentenwet 1988 altijd vergunningplichtig: 1.

bodemverstorende ingrepen die verder gaan dan de vrijstelling onder II;

2.

overige ingrepen, ook als deze de bodem niet of minder diep verstoren:  

het ophogen, verlagen of egaliseren van het terrein; bouw-, sloop- of graafwerkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning of ontgrondingenvergunning vereist is;

het aanbrengen van verhardingen in de openbare ruimte;

het wijzigen van het grondwaterpeil;

het aanplanten en verwijderen van (diepwortelende) bomen en struiken.

Er kunnen binnen de bufferzone vier zones worden onderscheiden (kaartbijlage 4): 33 - Zone B1: hierin is een hoge verwachting op in situ Romeinse resten; - Zone B2: hierin is van een hoge tot middelhoge verwachting op verspoelde Romeinse resten; - Zone B3 (water): idem;

33 De motivering voor de zonering en de beleidsuitgangspunten zijn opgesteld conform het document “Gewenste input gemeenten voor nominatiedossier”, onderdeel 5B door Jan Verhagen Archeologie, 17 april 2019. 46

- Zone B4: verspoelde steenbouwresten van het castellum

Zone B1 Onderzoeksplicht geldt voor bodemingrepen die een oppervlakte beslaan van 100 m 2 of meer en dieper reiken dan 100 cm diepte. Begrenzing: de zone wordt aan de zuidwestzijde begrensd door de Oude Waal, aan de zuidoostzijde en de oostzijde door resp. restgeul D en restgeul C (Verhagen et al. 2017). Aan de noordzijde ligt de begrenzing op ca. 250 meter van de kleine Romeinse vindplaats 3 uit het onderzoek d.m.v. proefsleuven van 2017 (Van Renswoude en Van Kampen 2018). Overweging: er is in deze zone een reële kans op aanwezigheid van archeologische sporen en structuren (in situ) uit de Romeinse tijd 34 en op Romeinse beschoeiingen (in situ) en resten van gebruiksvoorwerpen in voormalige geulen. Onderbouwing: de begrenzingen van deze zone zijn bepaald aan de hand van de volgende gegevens. Ten zuidwesten, zuidoosten en oosten van deze zone is door de erosie van riviergeulen (resp. Oude Waal, restgeul D en restgeul C) het landschap uit de Romeinse tijd (en prehistorie) niet meer intact aanwezig. 35 Binnen zone B1 is het Romeinse landschap nog wel bewaard in de bodem. Aan de noordzijde wordt op grotere afstand van de kernzone (zie kaartje) de kans op de aanwezigheid van archeologische sporen en structuren die een relatie hebben met het militaire karakter van de kernzone en de vermoedelijke castellumresten in de Bijland steeds kleiner.

Verder naar het noorden toe was het gebied ook minder geschikt voor bewoning. 36 De vrijstellingsnorm van 100 m 2 op het aspect oppervlakte betekent dat de kans dat er delen van een vindplaats ongezien verloren gaan, erg klein is. Onderzoek in een grote gemeente heeft uitgewezen dat van de plangebieden waarvoor een omgevingsvergunning werd aangevraagd, slechts ongeveer 10% een planoppervlak van minder dan 100 m 2 heeft, terwijl het oppervlak dat ongezien verloren gaat bij die grens minder dan 0,2% van het totale oppervlak van de aanvragen betreft. 37 Ter illustratie: de gemiddelde oppervlakte van de plangebieden is ca. 5.000 m 2 . De vrijstellingsnorm van 100 cm op het aspect diepte betekent dat het niveau met eventuele Romeinse sporen geen risico loopt. Bij de in 2017 en 2018 uitgevoerde proefsleuven-onderzoeken is gebleken dat het Romeinse niveau zich op dieptes van 110 tot 160 cm onder maaiveld bevindt (van Renswoude en Van kampen 2017; idem 2018). De grens van 1 meter betekent dat eventuele Romeinse vindplaatsen voldoende beschermd zijn, zonder dat dit tot onnodige belemmeringen zou leiden voor noodzakelijke bodemingrepen tot 1 meter diepte. Zone B2 Vrijstellingsnorm: onderzoeksplicht in de vorm van een archeologische begeleiding geldt voor bodemingrepen die een oppervlakte beslaan van 2.500 m 2 of meer en dieper reiken dan 100 cm diepte.

Begrenzing: de zone wordt aan de noordwestzijde begrensd door de Oude Waal, aan de zuidwestzijde door het fabriekscomplex van de Steenfabriek Tolkamer BV, aan de zuidzijde door het Bijlandsch Kanaal en de staatsgrens (waarachter in Duitsland een aansluitende bufferzone is van de vindplaats

34 Van Renswoude en Van Kampen 2018 35 Verhagen et al. 2017, bevestigd door Van Renswoude en Van Kampen 2018 36 Van Renswoude en Van Kampen 2018 37 Verhagen & Defilet 2009 47

Keeken), aan de oostzijde door de Polderdijk (grens van het gebied van de Oude Rijnstrangen) en aan de noordzijde door de oranje zone. Overweging: er is in deze zone een reële kans op aanwezigheid van verspoelde vondsten die kunnen worden gerelateerd aan de Romeinse militaire vindplaats en haar annexen of aan de Dam van Drusus en fossiele rivierlopen, die kunnen worden gedocumenteerd en inzicht kunnen geven in de (post)depositionele processen waaraan de Romeinse resten waren blootgesteld. Onderbouwing: de begrenzingen van deze zone worden bepaald door de volgende gegevens. Een bijzonder (en uniek) aspect van de Romeinse vindplaats Herwen en de vermoedelijke castellumresten in de Bijland is dat deze hebben gediend ter bescherming van de Dam van Drusus. Uit de landschappelijke analyse wordt geconcludeerd dat deze dam ten oosten en zuidoosten van de waterplas de Bijland moet hebben gelegen (Verhagen et al. 2017). Deze zone is na de Romeinse tijd echter geheel geërodeerd door de riviertakken van de Rijn en de Waal. 38 Dit betekent dat resten van de dam in de diepte terecht zijn gekomen. Ditzelfde geldt ook voor de resten van het (waarschijnlijke) castellum. 39 De zone waarin tijdens de zand- en grindwinning in de Bijland (1927-1963) grote bouwresten zijn aangetroffen en de zone waarin veel gebruiksvoorwerpen zijn opgebaggerd, liggen in het noordelijk deel van de Bijland.

40 De zware bouwresten zullen niet ver van de oorspronkelijke plek op een diepte van 9 tot 13 meter onder de waterspiegel zijn beland. Lichtere objecten zullen verder van de oorspronkelijke plek zijn gevoerd, vooral in noordwestelijke tot zuidwestelijke richting. 41 Het verzamelen van vondsten bij diepere werkzaamheden biedt waardevolle mogelijkheden om meer te weten te komen over de geschiedenis van castellum en dam. Het planmatig bergen van vondsten zal moeten worden ingebouwd in de techniek van relatief diepe bodemingrepen. Een ondergrens van 2.500 m 2 voorkomt dan dat er sprake zou zijn van een ongunstige efficiëntie. Diepe ingrepen vinden volgens de huidige praktijk over het algemeen plaats bij grootschalige zand- en grindwinning. Zo is in het gebied binnen zone B2 ten westen van de waterplas de Bijlands door de provincie Gelderland recent een ontgrondingsvergunning afgegeven, met als voorwaarde dat er archeologische begeleiding plaatsvindt op basis van een door de provincie goed te keuren PvE. De vrijstellingsnorm van 100 cm op het aspect diepte in zone B2 komt voort uit het feit dat in het gebied een afdekkend kleipakket van gemiddeld 1,5 meter dik aanwezig is, maar dat door de aanwezigheid van ruggen / heibanen de dikte varieert van 1 tot ca. 3 m. 42 Dit zijn jonge afzettingen van na de Romeinse tijd.

43 In het daaronder liggende rivierzand zullen zich verspoelde Romeinse vondsten bevinden. De zwaarste objecten liggen tot 13 meter onder de waterspiegel, maar naarmate objecten lichter zijn, kunnen ze zich hoger in het zand bevinden. Of er zich veel objecten in de top van het rivierzand bevinden, zal door ervaring duidelijk moeten worden. Onderzoek in deze zone zal over het algemeen plaatsvinden als een speciale vorm van archeologische begeleiding. Dit vereist maatwerk, vast te leggen in een PvE, waarbij in een vroeg stadium wordt overlegd met het bevoegd gezag c.q. de regioarcheoloog, opdat het doen van waarnemingen en bergen van vondsten zo goed mogelijk wordt geïntegreerd in het civiel-technische proces.

38 Cohen et al. 2009; Cohen et al. 2012 39 Verhagen 2017 40 Vollgraff 1938; Verhagen 2017 41 Verhagen 2017 42 Pons 1952 43 Buesink et al. 2011 48

Zone B3 Vrijstellingsnorm: onderzoeksplicht in de vorm van een archeologische begeleiding geldt voor bodemingrepen die een oppervlakte beslaan van 2.500 m 2 of meer (niet bij kleine baggerwerkzaamheden). Begrenzing: deze zone bestaat uit de wateroppervlakken van de Bijland, de Oude Waal en het Bijlandsch Kanaal binnen de bufferzone. Overweging: er is in deze zone een reële kans op aanwezigheid van verspoelde vondsten die kunnen worden gerelateerd aan de Romeinse militaire vindplaats en haar annexen of aan de Dam van Drusus en fossiele rivierlopen, die kunnen worden gedocumenteerd en inzicht kunnen geven in de (post)depositionele processen waaraan de Romeinse resten waren blootgesteld. Onderbouwing: voor onderbouwing wordt verwezen naar de onderbouwing bij zone B2. Aandachtspunten voor doorvertaling in bestemmingsplan(nen) en de archeologische beleidskaart Voor wat betreft de vrijstellingsgrens op de aspecten oppervlak en diepte is het vertrekpunt de systematiek van de archeologische beleidskaarten van de voormalige gemeente Rijnwaarden 44 en de oude gemeente Zevenaar 45, die op 1 januari 2018 met elkaar zijn gefuseerd tot de nieuwe gemeente Zevenaar. In het gebied van de Unesco-nominatie is de archeologische beleidskaart van Rijnwaarden relevant. Deze kent o.a.

de volgende categorieën met bijbehorende vrijstellingsnormen:  *Zone met een hoge verwachting op archeologische resten: 100 m 2 / 30 cm;  *Zone met een hoge verwachting op archeologische resten vanaf 1,5 meter beneden maaiveld: 100m 2 / 150 cm (dit betreft een komgebied met daaronder vindplaatsen uit steentijd / bronstijd);  *Zone met hoge verwachting op bekende archeologische resten en/of historische elementen: 0 m 2 / 30 cm. De reeds vrijgegeven gebieden, voor wat betreft het eventueel aanwezig zijn van in situ resten uit jongere perioden, zullen opnieuw moeten worden opgenomen, maar nu vanwege de kans op dieper gelegen Romeinse resten. Zone B4 Vrijstellingsnorm: onderzoeksplicht in de vorm van een archeologische begeleiding geldt voor bodemingrepen ion de waterbodem die een oppervlakte beslaan van 100 m 2 of meer (niet bij kleine baggerwerkzaamheden). Begrenzing: het gebied beslaat een zone van 350 bij 200 meter tussen de hoekcoördinaten 203.350/431.750 (NW) en 203.700/431.500 (ZO). Overweging: Het onderscheid met zone B1 is dat zone B1 betrekking heeft op in situ resten, terwijl zone B4 betrekking heeft op verspoelde resten met een hoge informatieve waarde.

Het castellum is waarschijnlijk al in de vroege middeleeuwen verspoeld geraakt maar in deze zone zijn nog veel bouwfragmenten van de bovenbouw van Romeinse gebouwen aanwezig, zoals een getand bouwblok dat waarschijnlijk van een tempel afkomstig is. De site is ontsnapt aan de massale uitbraakcampagnes van Romeinse gebouwresten die plaatsvonden in de 17e en 18e eeuw ten behoeve van de

44 Buesink et al. 2011 45 Willemse & Verhagen 2006 49

cementproductie uit tufsteen, waardoor bijvoorbeeld in Nijmegen de funderingen van de castra tot op de onderlaag zijn weggebroken.

5.4.6 Terreinen met niet-gewaardeerde archeologische resten Het gaat hierbij in principe om niet-gewaardeerde archeologische vindplaatsen waarin de aanwezigheid, de aard, datering en de omvang van de archeologische resten (tot op zekere hoogte) bekend zijn (Waarde-archeologie 2). Gemeenten dienen conform de Monumentenwet 1988 bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 38 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) altijd rekening te houden met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Aanbevolen wordt om deze terreinen in het bestemmingsplan op te nemen als archeologisch waardevol gebied, zowel op de verbeelding als in de regels en de toelichting. Ingrepen die kunnen leiden tot verstoring of vernietiging van de archeologische resten binnen deze gebieden dienen te worden voorkomen. In het geval dat ruimtelijke ingrepen die de aanwezige archeologische resten kunnen beschadigen onvermijdelijk zijn, dient, ongeacht de ruimtelijke omvang van de ingreep, archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, vigerende versie). De gemeente Zevenaar hanteert voor deze terreinen als uitgangspunt dat een archeologisch onderzoek verplicht is bij ingrepen dieper dan 40 cm, of dieper dan de bekende bodemverstoring zoals een rioolof kabelsleuf, en groter dan 30 vierkante meter.

De minimum onderzoekseis is een archeologisch bureauonderzoek waarin de ingreep op zijn schadelijkheid wordt beoordeeld en waarin wordt geadviseerd over de eventueel te nemen vervolgstappen in de vorm van veldonderzoek. De intensiteit van eventueel vervolgonderzoek is afhankelijk van de exacte ligging, aard en omvang van de ingreep en van de verwachte omvang van de schade aan archeologische resten. Onder de archeologische vindplaatsen kunnen zich zowel zeer waardevolle en puntgave terreinen met archeologische resten als geheel verstoorde terreinen bevinden. Het kan gaan om een enkel fragment laatmiddeleeuws aardewerk dat met bemesting op een akker is terechtgekomen, maar ook om een complete nederzettingsterrein (zoals delen van de historische dorpskernen). Bij gebrek aan een begrenzing van de vindplaats is in zones met een lage verwachte dichtheid aan archeologische resten een attentiezone van 50 meter rondom de centrumcoördinaat gehanteerd als zone waarbinnen een verhoogde kans bestaat op het aantreffen van archeologische resten.

De gemeente Zevenaar heeft er verder voor gekozen om aan de terreinen van archeologische waarde (TAW, opgenomen onder Waarde-archeologie 2) een attentiezone van 50 meter te geven, waarbij de begrenzing van het TAW-terrein op de beleidskaart met een onderbroken witte lijn is aangegeven Indien maatregelen (ingrepen) in deze zone onvermijdelijk zijn en fysieke aantasting van de vindplaats wordt verwacht, dient in een zo vroeg mogelijk stadium van de planvorming inventariserend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd, conform KNA (vigerende versie), zie ook figuur 13. Op deze wijze kan de aard, datering, omvang, etc. van de vindplaats worden bepaald. Hierbij is van belang dat inzicht ontstaat in de aard van de te verwachten archeologische resten en in de verwachte conservering van deze resten. Bij het laatste moet ook gedacht worden aan gegevens met betrekking tot de omvang en diepte van de bestaande (of voormalige) bebouwing (uit het bouwkundig archief). Aan de hand van de onderzoeksresultaten kan een selectiebesluit worden genomen die betrekking heeft op de waardestelling en de eventuele noodzaak voor vervolgonderzoek.

50

5.4.7 Archeologische verwachtingsgebieden Onder Waarde-archeologie 3 zijn alle landschappelijke eenheden met een hoge verwachte dichtheid aan archeologische resten samengebracht. Voor gebieden met dikke oeverafzettingen of gebieden die afgedekt zijn geraakt door overslaggronden geldt een verhoogde kans op de aanwezigheid van archeologische resten omdat hier de conserveringsomstandigheden beter zijn geweest (er is minder vergaan in de bodem). Een verplichting tot inventariserend archeologisch vooronderzoek geldt binnen deze zones voor ingrepen dieper dan 40 cm én met een cumulatieve oppervlakte groter dan 200 m². Onder Waarde-archeologie 4 zijn de gebieden met een middelmatige archeologische verwachting samengebracht. Hier wordt een lagere dichtheid aan archeologische vindplaatsen verwacht dan in gebieden met een hoge archeologische verwachting. Ook voor deze gebieden geldt dat er bij voorkeur geen werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd die tot fysieke aantasting leiden van archeologische resten. Het beleid is immers gericht op behoud van archeologische resten in de ondergrond. Een verplichting tot inventariserend archeologisch vooronderzoek geldt binnen deze zones voor ingrepen dieper dan 40 cm én met een cumulatieve oppervlakte groter dan 1000 m². Onder Waarde-archeologie 5 zijn de gebieden met een lage archeologische verwachting samengebracht.

Hier wordt een lagere dichtheid aan archeologische vindplaatsen verwacht dan in gebieden met een hoge en middelmatige archeologische verwachting. Vooral langs randen naar hogere delen in het landschap bestaat een verhoogde kans op archeologische resten. Een verplichting tot inventariserend archeologisch vooronderzoek geldt binnen deze zones voor ingrepen dieper dan 50 cm nén met een cumulatieve oppervlakte groter dan 10.000 m². Waarde-archeologie 6: verwachting voor waterpartijen incl.het rivierbed van IJssel en Rijn Voor het huidige rivierbed van Rijn/Bijlands Kanaal en de IJssel geldt een lage archeologische verwachting voor (vaak verspoelde) nederzettingsresten, maar bestaat een (relatief) hoge kans op het aantreffen van scheepsresten, oude kribwerken, resten van (rivier)verdedigingswerken, steen- en pannenbakkerijen, jachtattributen, aanlegplaatsen, werven en/of visattributen. 46 Vanwege deze bijzondere waarden langs de huidige rivieren is ook het rivierbed ingedeeld in een Waarde-archeologie 6. Een verplichting tot inventariserend archeologisch vooronderzoek geldt binnen de zone Waardearcheologie 6 voor ingrepen in het huidige rivierbed (inclusief de zone tussen de kribben tot aan de zomerkade) dieper dan 50 cm met een cumulatieve oppervlakte groter dan 10.000 m². Verder geldt voor deze situaties het KNA protocol waterbodems.

47 Voor niet diep uitgegraven waterpartijen die niet tot het (huidige) rivierbed behoren is eenzelfde generieke onderzoeksplicht opgesteld (50 cm/1 ha) omdat er anders een kans bestaat dat bodemroerende activiteiten ook hier leiden tot het onbedoeld vernietigen van archeologische resten. Voor het archeologisch vooronderzoek van waterbodems bestaat een apart KNA protocol. 48 Specifiek verwachtingsgebied Linies uit de Tweede Wereldoorlog (anti-tankgrachten, loopgravenstelsels) zoals ingetekend op kaartbijlage 3 bij dit rapport zijn op de beleidskaart opgenomen met de aanduiding ‘specifiek verwachtingsgebied’. Voor alle gegraven stellingen uit de Tweede Wereldoorlog geldt een verwachting op achtergelaten of gedumpt materiaal. Als stellingen gebruikt zijn voor gevecht geldt een verwachtingen op achtergelaten strijdmiddelen, zoals wapens, munitie, uitrusting en voorraden.

46 Willemse 2016; zie verder ook KNA protocol Waterbodems 47 https://www.sikb.nl/archeologie/richtlijnen/brl-4000 48 Idem. 51

Daarnaast zijn gegraven stellingen na de oorlog vaak gebruikt als dumpplek voor overbodig geworden oorlogsmateriaal, of puin en interieur uit verwoeste (civiele) bebouwing. Bij planvorming binnen dit gebied kunnen nadere regels worden gesteld door de gemeente. Omgang met generieke verwachtingen Binnen de archeologische verwachtingsgebieden (Waarde-archeologie 3 tot en met 6) kunnen alsnog grote gebieden voorkomen waarin archeologische resten grotendeels of zelfs geheel ontbreken, zelfs indien er sprake is van een hoge verwachte dichtheid aan archeologische resten. Om op een goede manier met deze onzekerheid om te gaan gelden twee afwegingen. De eerste afweging betreft de kans dat er bij een bodemingreep van een bepaalde omvang daadwerkelijk sprake zal zijn van verstoring van waardevolle archeologische resten. Hierbij geldt het eenvoudige principe hoe kleiner de ingreep en hoe dieper de top van het niveau met archeologische resten, hoe geringer de kans op verstoring. 49 De tweede afweging betreft de mogelijkheden die de huidige archeologische onderzoeksmethoden bieden om de aanwezigheid van deze waardevolle resten, en daarmee de verstoring daarvan, werkelijk aan te tonen.

In gebieden met een globale archeologische verwachting, waarvoor slechts op hoofdlijnen aangegeven kan worden welke archeologische resten aanwezig kunnen zijn, is het doorgaans niet mogelijk om een onderzoeksmethode te kiezen die naadloos aansluit bij het karakter van de aanwezige archeologische resten. Wanneer de archeologische verwachting niet voldoende gespecificeerd kan worden om onderzoeksmethode en -intensiteit op maat te kunnen bepalen, zal gekozen moeten worden voor een methode met een acceptabele opsporingskans voor een breed scala aan vindplaatstypen. Om archeologische resten te kunnen opsporen wordt daarom gebruik gemaakt van relatief goedkope standaardonderzoeksmethoden (bureau- en/of booronderzoek, proefsleuven) die gericht zijn op het steekproefsgewijs verzamelen van (globale) informatie met betrekking tot de aan- of afwezigheid van archeologische resten en hun landschappelijke context. Bij dergelijke onderzoeken is het een voorwaarde dat het aantal waarnemingen voldoende groot is en een dusdanige spreiding kent dat het mogelijk is om (via ruimtelijke analyse) tot een interpretatie van de onderzoeksresultaten en tot een waardestelling van de aangetroffen archeologische resten te komen.

5.4.8 Waardestelling Bij vaststelling van archeologische resten zullen hiervan de fysieke en inhoudelijke kwaliteiten moeten worden bepaald aan de hand van een inventariserend veldonderzoek (waardering, zie figuur 13: stap 4). De resultaten van het inventariserend veldonderzoek zouden kunnen leiden tot inpassing van vastgestelde archeologische waarden in een inrichtingsplan van een ruimtelijke ontwikkeling of tot het aanhouden of niet verlenen van een vergunning. Indien behoud niet mogelijk is, kunnen de resultaten van een inventariserend veldonderzoek aanleiding geven tot een opgraving. Hierbij wordt informatie over archeologische resten opgetekend en gedocumenteerd, waarna de geplande maatregelen zonder verdere beperkingen kunnen worden uitgevoerd. De resultaten van een inventariserend veldonderzoek kunnen ook zodanig zijn dat verder onderzoek en/of behoud niet noodzakelijk wordt geacht. Een dergelijke keuze wordt in de vorm van een advies (selectieadvies) ter besluitvorming voorgelegd aan de gemeente als het bevoegde gezag.

49 Willemse 2020 52

5.4.9 Bodemverstoringen Voor het te voeren beleid is informatie over reeds bestaande bodemverstoringen van grote waarde. Bij bodemingrepen in gebieden die als vergraven of afgegraven zijn aangegeven, wordt geadviseerd om de verstoringsdiepte te achterhalen. Afhankelijk van de diepte en omvang van de bodemverstoring kan de aanwezigheid van archeologische resten wel of niet uitgesloten worden. Door middel van een controle van de bodemverstoringsgegevens kan door een medewerker van de gemeente worden vastgesteld of archeologisch onderzoek nog zinvol is. Met het oog op een zorgvuldige belangenafweging kan ook, voorafgaand aan bodemingrepen, in de vroegste fase van planvorming een archeologisch bureauonderzoek worden uitgevoerd, eventueel gevolgd door een veldinspectie met als doel de diepte van de bodemverstoring te bepalen. De meest ingrijpende vormen staan reeds op kaartbijlage 4 vermeld onder de categorie ‘vrijgegeven terreinen’. Alle ‘vrijgegeven terreinen’ zijn door de gemeente, op advies van de regioarcheoloog dhr. drs. J. Habraken, aangewezen.

5.4.10 Onderzoeksgebieden In gebieden waar archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden, dient de gemeente de onderzoeksresultaten eerst te beoordelen om het onderzoekstraject te bepalen. Er dient opgemerkt te worden dat niet alle onderzoeksmeldingen volledig zijn ingevoerd. Hierdoor valt een groot aantal meldingen in de groep waarvan de status van het onderzoek onbekend is. Alleen door nader onderzoek (het lezen van het bij het onderzoek horende rapport) kan binnen deze groep meer onderscheid gemaakt worden. Indien archeologisch vervolgonderzoek zinvol blijkt, geldt het beleid voor de onderliggende (AWG-/AWV-)zone. Terreinen waarvan (door de bevoegde overheid) is vastgesteld dat er geen behoudenswaardige archeologische resten (meer) voorkomen staan op kaartbijlage 4 vermeld onder de categorie ‘vrijgegeven terreinen’.

5.4.11 Vrijgegeven terreinen Terreinen waar in het verleden waardestellend archeologisch (voor)onderzoek heeft plaatsgevonden waarbij is vastgesteld dat, naar oordeel van het bevoegd gezag, er géén behoudenswaardige archeologische resten in de bodem voorkomen, zijn vrijgesteld van de verdere onderzoeksplicht inzake archeologie. Ook het ruimtebeslag (werkputten) van archeologische opgravingen worden tot deze categorie gerekend. Dergelijke terreinen staan op de beleidskaart (kaartbijlage 3) vermeldt als ´vrijgegeven terreinen´. Binnen deze categorie komen ook diepere winningsputten (diepe afgravingen), diepere bodemverstoringen (bijvoorbeeld als gevolg van civieltechnische ingrepen) en diep uitgegraven waterpartijen voor. Dit zijn terreinen waar bodemingrepen dusdanig diep zijn geweest dat vrijwel alle archeologische niveaus zijn verdwenen dan wel sterk aangetast zijn geraakt. Lobberdense Waard Voor de gehele Lobberdense Waard geld evenwel dat een archeologische begeleiding nodig is bij grootschalige ontgrondingen dieper dan 2 meter beneden (oorspronkelijk) maaiveld. Het gaat om het verzamelen van representatieve hoeveelheden verspoelde (Romeinse) vondsten en het verkrijgen van een spreidingsbeeld hiervan. Dit is van belang bij het onderzoek naar de Romeinse limes in Gelderland, omdat hierover nog veel onduidelijkheden zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zevenaar&id=80da1c3e-c2eb-4833-b279-c18e1a5c0e77