1049327 Bijlage 1. RAAP-RAPPORT 4892 - Archeologie in de gemeente Zevenaar. Actualisatie van de archeologische waarden en verwachtingskaart
Tekst van het document
RAAP-RAPPORT 4892
Archeologie in de gemeente Zevenaar. Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingenkaart
Archeologisch onderzoek
Colofon Opdrachtgever: Gemeente Zevenaar Titel: Archeologie in de gemeente Zevenaar. Actualisatie van de archeologische waardenen verwachtingenkaart; archeologisch onderzoek Versie: 01-06-2021 Auteur: N.W. Willemse, L.J. Keunen & M. Scholte Lubberink Projectcode: ZLOK3 Bestandsnaam: RAAPrap_4892_ZLOK3_20210601
ISSN: 0925-6229
RAAP Leeuwenveldseweg 5b
Telefoon: 0294-491 500
1382 LV Weesp
E-mail: raap@raap.nl
Postbus 5069
Website: www.raap.nl
1380 GB Weesp
© RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2021 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.
2
Samenvatting In opdracht van de gemeente Zevenaar heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in 2020 een actualisatie doorgevoerd van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart van de fusiegemeenten Zevenaar en Rijnwaarden. De actualisatie betreft het samenvoegen en bijwerken van de bestaande archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaarten uit 2009 (Zevenaar) en 2012 (Rijnwaarden) alsmede het bijwerken van de achterliggende databestanden met nieuwe/aanvullende archeologische, historische en landschappelijke gegevens en inzichten. Het datamodel voor de verwachtingslaag van de kaart is aangepast aan een regionaal karteringsmodel dat in samenspraak met de regioarcheoloog voor de regio Arnhem is opgesteld. Daarmee is bereikt dat de kaartgrenzen tussen de regiogemeenten Westervoort, Duiven en Zevenaar op elkaar aansluiten. Verder heeft de actualisatie vanuit een bredere cultuurhistorische en ruimtelijke analyse plaatsgevonden ten opzichte van de inventarisaties uit 2009 en 2012. Gebouwde objecten op 19eeeuwse topografische kaarten zijn geïnventariseerd, begrensd en gewaardeerd in de context van archeologie. Bouwhistorische overblijfselen worden in Nederland in toenemende mate onderkend als potentieel waardevol cultuurhistorisch erfgoed.
Verder is ook een inventarisatie uitgevoerd naar het (mogelijk) voorkomen van resten uit de Tweede Wereldoorlog, zoals resten van loopgraven, stellingen, schuttersputten en versperringen. Archeologische resten uit de Tweede Wereldoorlog kunnen onder de Monumentenwet 1988 vallen. Deze oorlogssporen zijn – anders dan oudere archeologische vindplaatsen – vaak nog zichtbaar in het landschap en door velen wordt hier een grote maatschappelijke betekenis aan toegekend. Alle locaties waarvan vastgesteld is dat er (mogelijk) waardevolle cultuurhistorische resten boven- of ondergronds aanwezig zijn of in potentie bewaard zijn gebleven, zijn vertaald naar een archeologische beleidskaart. Op deze kaart zijn de archeologische waarden en verwachtingen beleidsmatig vertaald zodat ze in het ruimtelijk beleid van de gemeente Zevenaar kunnen worden opgenomen en als basis kunnen dienen bij de gemeentelijke vergunningverlening.
3
Inhoud Samenvatting ...................................................................................................................................... 3 Inhoud................................................................................................................................................. 4 1 Inleiding ........................................................................................................................................... 5 1.1 Kader en doelstelling ........................................................................................................................... 5 1.2 Onderzoeksopzet, leeswijzer en richtlijnen ............................................................................................ 6 1.3 Dankwoord .......................................................................................................................................... 8
2 Methoden en bronnen ....................................................................................................................... 9 2.1 Analyse van de archeologisch-landschappelijke context ......................................................................... 9 2.2 Bronnen en methoden .......................................................................................................................... 9 2.3 Structuur digitale kaartbestanden (GIS) .............................................................................................. 18
3 Aanvullingen op kaartbijlage 1 ........................................................................................................ 19 3.1 Zonering verwachte waarden .............................................................................................................. 19 3.2 Aanpassingen aan de AMK-Gelderland ............................................................................................... 20 3.3 Terreinen met een monumentale waarde ............................................................................................. 22 3.4 Thematische laag historische nederzettingslocaties ............................................................................. 24
4 Themakaart oorlog en defensie ....................................................................................................... 27 4.1 Kader ................................................................................................................................................ 27 4.2 Landschap vanuit militair perspectief .................................................................................................. 27 4.3 Chronologische beschrijving ............................................................................................................... 28 4.3 Toelichting bij de archeologische verwachtingszones ........................................................................... 34 4.4 Aanbevelingen ................................................................................................................................... 36
5 Archeologische beleidskaart ........................................................................................................... 38 5.1 Status, doel en inhoud ....................................................................................................................... 38 5.2 Bestuurlijke samenvatting en conclusies ............................................................................................. 38 5.3 Legenda-eenheden op de beleidskaart ................................................................................................ 39 5.4 Beleidsuitgangspunten gemeente Zevenaar ........................................................................................ 42
Literatuur .......................................................................................................................................... 54 Gebruikte afkortingen ........................................................................................................................ 57 Verklarende woordenlijst ................................................................................................................... 58 Overzicht van figuren, tabellen, bijlagen en appendices ..................................................................... 60
4
1 Inleiding 1.1 Kader en doelstelling Archeologie, cultuurlandschap en gebouwde monumenten spelen een steeds grotere rol bij ruimtelijke ontwikkelingen. Opgraven of inpassen van archeologische vindplaatsen, het historisch cultuurlandschap als creatieve input voor ontwerp, bescherming en herbestemming van bouwkundig erfgoed: het zijn allemaal manieren waarop bewust aandacht wordt besteed aan de boven- en ondergrondse historische kwaliteiten van een gebied. Het zichtbaar en beleefbaar maken van cultuurhistorie kan een gebied een eigen identiteit geven. Daardoor wordt niet alleen de intrinsieke waarde voor de lokale bevolking verhoogd, maar ontstaan ook economische kansen. Een voorbeeld daarvan is een historische dorpskern, maar het geldt ook voor landelijke gebieden waar bijvoorbeeld fietsrecreanten op afkomen. Een zorgvuldige omgang met cultuurhistorie en benutting van historische kwaliteiten kan dus economisch lonend zijn, zo is uit onderzoek gebleken. 1 De oude gemeente Zevenaar heeft in 2009 een archeologische verwachtingskaart laten vervaardigen. 2 De gemeente Rijnwaarden deed dat in 2012. 3 Beiden zijn opgesteld vanwege de toenemende rol voor gemeentelijke overheden bij de omgang met het archeologisch erfgoed.
In de bijbehorende rapportages is uitgebreid ingegaan op beleidsaspecten, het fysisch-geografisch landschap, de archeologische vindplaatsen en bewoningsgeschiedenis en op de samengestelde verwachtingskaart zelf. Omdat (zeker de laatste jaren) het aantal archeologische onderzoeken landelijk enorm is gestegen, is het zaak om de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaarten periodiek te laten actualiseren. Los van de actualiteit van de gegevens en de methodische insteek bestonden er tussen de archeologische bronkaarten van de twee fusiegemeenten ook een paar inhoudelijke verschillen. De bestaande inventarisatiegegevens van de voormalige gemeenten Rijnwaarden en Zevenaar kenden bijvoorbeeld een iets andere benadering van het begrip ‘historische erven’, de belangrijkste groep aan historische locaties met archeologische relevantie. In opdracht van de gemeente Zevenaar heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in 2020 daarom een harmonisatie en actualisatie doorgevoerd van de gemeentelijke archeologiekaarten van de beide fusiegemeenten. Het gaat hierbij om het samenvoegen en bijwerken van de bestaande kaartgrenzen alsmede het bijwerken van de achterliggende databestanden met nieuwe/aanvullende archeologische en landschappelijke (geomorfologische) gegevens en inzichten, en het aanpassen van de beleidskaart.
Daarbij is optimaal gebruik gemaakt van de kennis die binnen de gemeenten al aanwezig was met betrekking tot cultuurhistorische informatie. Daarbovenop heeft de actualisatie vanuit een bredere cultuurhistorische en ruimtelijke analyse plaatsgevonden ten opzichte van de inventarisaties uit 2009 en 2012. Politiek-bestuurlijk en maatschappelijk is cultuurhistorie steeds meer in de belangstelling komen te staan en de landelijke en provinciale overheid hebben hier reeds beleidsmatige stappen in gezet, onder meer door de verplichting sinds 1 januari 2012 om in het ruimtelijk beleid rekening te houden met cultuurhistorische waarden. Deze beleidswijziging is ook doorgevoerd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 3.3) door wijzigingen in de omgang met zowel de ondergrondse als bovengrondse bouwhistorische resten. 4 Zo is er onderzoek gedaan naar historische nederzettingslocaties vanwege de
1 2 3 4
Bijvoorbeeld: Bade & Smid, 2008. Zie bijvoorbeeld ook http://www.platform31.nl/publicaties/kwaliteit-enleefbaarheid-in-krimpende-regio-s. RAAP-rapport 1274, 2009 BAAC-rapport V-11.0202, 2012 KNA-protocol 4002, p. 3. In Nederland betrof het vakgebied bouwhistorie doorgaans de bovengrondse delen (en betreedbare kelders) van bouwwerken, terwijl de ondergrondse delen door archeologen (en via 5
belangrijke leemte in de bestaande archeologische registraties ten aanzien van de locatie van nederzettingsresten uit de Middeleeuwen en de (vroege) Nieuwe tijd. Verder is ook een inventarisatie uitgevoerd naar het voorkomen van resten uit de Tweede Wereldoorlog, zoals resten van loopgraven, stellingen, schuttersputten en versperringen. Archeologische resten uit de Tweede Wereldoorlog kunnen onder de Monumentenwet 1988 vallen. Deze oorlogssporen zijn – anders dan oudere archeologische vindplaatsen – vaak nog zichtbaar in het landschap en door velen wordt hier een grote maatschappelijke betekenis aan toegekend.
1.2 Onderzoeksopzet, leeswijzer en richtlijnen De actualisatie van de kaarten heeft betrekking op het aardkundige, archeologische, historischbouwkundige en historisch-stedenbouw-kundige erfgoed op het grondgebied van de gemeente Zevenaar (figuur 1). Gestreefd is naar een naadloze inhoudelijke en ruimtelijke aansluiting van de archeologische waarden- en verwachtingskaart met de gemeente Duiven. De resultaten van de inventarisatie van historische nederzettingslocaties en het erfgoed van oorlog en defensie zijn geïntegreerd in vier nieuwe gemeentelijke archeologiekaarten (kaartbijlagen 1 t/m 4).
archeologische methoden) werden onderzocht. Er is uiteraard een raakvlak/overlap tussen archeologische resten en bouwhistorische resten en in KNA 3.3, LS04 wordt gevraagd om een inhoudelijke toets. Daarbij is het noodzakelijk om een goed beeld te hebben van locaties waar deze ondergrondse of inpandige bouwhistorische resten mogelijk nog aanwezig zijn. 6
Figuur 1. Ligging van de gemeente Zevenaar (rood omlijnd).
7
In hoofdstuk 2 worden de bronnen genoemd en de methoden behandeld. In hoofdstuk 3 volgt de inhoudelijke verantwoording. De geactualiseerde kaarten zijn bijgevoegd als kaartbijlage 1 (bodemkundige landschappenkaart, schaal 1:18.000), kaartbijlage 2 (archeologische waarden- en verwachtingskaart, schaal 1:10.000 in drie bladen), kaartbijlage 3 (themakaart Tweede Wereldoorlog, schaal 1:18.000) en kaartbijlage 4 (archeologische beleidskaart, schaal 1:18.000). De archeologische beleidskaart betreft de weergave van zowel de archeologische verwachtingszones als de locaties waarvan vastgesteld is dat er (mogelijk) waardevolle cultuurhistorische resten in de bodem bewaard zijn gebleven. Op deze kaart zijn de in hoofdstuk 3 onderbouwde archeologische vindplaatsen en verwachtingen op dusdanige wijze beleidsmatig ‘vertaald’ dat ze bij de herziening en actualisatie van de bestemmingsplannen en het overige ruimtelijke beleid van de gemeente Zevenaar kunnen worden opgenomen en als basis kunnen dienen bij de gemeentelijke vergunningverlening (archeologische onderzoeksverplichting). Het samenstellen van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart is uitgevoerd volgens de normen van de archeologische beroepsgroep (zie artikel 24 van het Besluit archeologische monumentenzorg). Het uitgevoerde onderzoek bestond uit een bureauonderzoek. Er is geen veldonderzoek uitgevoerd.
De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), beheerd door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB; www.sikb.nl), geldt in de praktijk als richtsnoer. De praktische uitvoering van het onderzoek voldoet aan de normen opgesteld in het Handboek ROB-specificaties van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek. 5
1.3 Dankwoord De totstandkoming van dit rapport was niet mogelijk geweest zonder de belangeloze inzet van een aantal gebiedskenners, die we hier dan ook hartelijk willen danken. Voor het aanleveren van gegevens met betrekking tot de relicten van oorlog en defensie gaat onze hartelijke dank uit naar Gerrie Willemsen en Jan Verhagen. Tijdens het project is verder op een prettige manier samengewerkt met Lillian Werdmuller, Ard Schenk en Andrea Schuil van de gemeente Zevenaar, met Joris Habraken, werkzaam als Regio-archeoloog voor de gemeenten Arnhem, Lingewaard, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rozendaal, Westervoort, Duiven en Zevenaar en met Jan Verhagen, van Jan Verhagen Archeologie.
5
ROB, 1998. Sinds 2007 Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 8
2 Methoden en bronnen 2.1 Analyse van de archeologisch-landschappelijke context De archeologische waarden- en verwachtingskaart voor de gemeente Zevenaar is niet alleen gebaseerd op een analyse van bekende archeologische vindplaatsen en terreinen, maar in nog hogere mate op de fysiek-landschappelijke en bodemkundige context van het gemeentelijk grondgebied (kaartbijlage 1). In de archeologische studie die van het gemeentelijk grondgebied is gemaakt, kunnen op grond van de ondiepe geologie, de terreinkenmerken en de bodemgesteldheid namelijk verschillende landschappen worden onderscheiden die ieder eigen ontwikkelingen en bewoningsmogelijkheden hebben gekend. Juist door analyse van deze bewoningsmogelijkheden en ontwikkelingen door de tijd heen kan een verwachtingsmodel worden opgesteld.
2.2 Bronnen en methoden 2.2.1 Landschappelijke-bodemkundige gegevens De actualisatie van de bestaande kaart en het onderliggende verwachtingsmodel betreft het aanpassen van het bestaande verwachtingsmodel aan de hand van twee nieuwe gegevensbronnen: 1. De nieuwe paleogeografische kaart voor het rivierengebied; 6 2. De archeologische verwachtingskaart uiterwaarden rivierengebied. 7 Voor de nieuwe kartering zijn de begrenzingen en kaartclassificaties van de bestaande verwachtingskaart integraal overgenomen. Om de legenda-eenheden van de twee gefuseerde gemeenten inhoudelijk te koppelen is, op verzoek van de regioarcheoloog, een regionaal karteringsmodel voor de erfgoedkaarten doorgevoerd. Dit karteringsmodel betreft een hiërarchisch systeem van landschapsbeschrijving volgens het model ‘fysische-geografisch landschap-terreinsoort’ en sluit aan op de karteringseenheden zoals die door de Universiteit Utrecht voor het rivierengebied worden gehanteerd. Deze zijn ook gebruikt voor de archeologische verwachtingskaart voor de uiterwaarden (UIKAV). 8 Het primaire doel van de erfgoedkaarten is het begrenzen van archeologische verwachtingszones. De kaarteenheden hebben dan ook voornamelijk een archeolandschappelijke betekenis. Met behulp van dit vlakkenbestand zijn meerdere thematische kaarten (aardkundige eenheden, verwachtingen) gegenereerd op verschillende kaartschalen.
2.2.2 Archeologische vindplaatsen Algemeen Archeologische vindplaatsen zijn (punt)locaties waar (in het verleden) vondsten/waarnemingen zijn gedaan die van archeologisch belang zijn en die het mogelijk maken bepaalde uitspraken te doen over de archeologische betekenis van een locatie. Veelal betreft het een locatie waar antropogene
6 7
8
Cohen, K., E. Stouthamer, H.J. Pierik & A.Geurts, 2012. Rhine-Meuse Delta Studies. Digital Basemap for Delta Evolution and Palaeogeography. Departement Fysische Geografie, Universiteit Utrecht. Cohen, K.M., S. Arnoldussen, G. Erkens, Y.T. van Popta & L.J. Taal, 2014. Archeologische verwachtingskaart uiterwaarden rivierengebied. Deltares-rapport 1207078. Deltares i.s.m. Rijksuniversiteit Groningen & Universiteit Utrecht. Cohen e.a. 2014. 9
grondsporen en al dan niet in los verband voorkomende materiële resten, zoals aardewerk, vuursteenartefacten of organische artefacten voorkomen. De aard, ouderdom, verspreiding, gaafheid en conservering hiervan kunnen worden benut om de aan- of afwezigheid van vergelijkbare maar nog onbekende resten elders in het landschap (tot op zekere hoogte) te voorspellen. Veel archeologische waarnemingen uit het verleden staan geregistreerd in een landelijke database: ARCHIS3, de nationale archeologische databank van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Buiten deze registraties zijn echter nog veel meer waarnemingen bekend en al dan niet opgenomen in collecties van heemkundeverenigingen. Ook historische bronnen zijn een waardevolle bron van informatie. Op dit moment is het, gezien het huidige maatschappelijke gezichtspunt ten aanzien van de omgang met materieel erfgoed, vanzelfsprekend om ook deze bronnen te gebruiken bij het opstellen van een verwachting ten aanzien van archeologisch erfgoed. Vindplaatscatalogus Voor elke geïnventariseerde archeologische vindplaats is een catalogusnummer uitgedeeld. Het betreft dimensieloze puntlocaties waar archeologische vondsten zijn geregistreerd. Eén vindplaats kan meerdere perioden en/of vindplaatstypen omvatten en meerdere ARCHIS-waarnemingsnummers.
Deze staan in bijlage 1 onder hetzelfde catalogusnummer, maar in een andere regel (‘subnr’) opgenomen. In het nieuwe ARCHIS3 systeem staan de meeste vindplaatsen onder een zaakidentificatienummer vermeld. Met dit zaakidentificatienummer kunt u op de website https://archis.cultureelerfgoed.nl/#/login uitgebreide extra informatie over de vindplaats opzoeken. Niet alle vindplaatsen in de gemeente zijn echter geregistreerd in het ARCHIS-systeem. Deze hebben dan ook geen ARCHISwaarnemingsnummer of zaakidentificatienummer gekregen. De vindplaatsen zijn op kaartbijlage 1 opgenomen en van elkaar onderscheiden op begin- en einddatering (archeologische periode) en type complexgroep (zie tabel 1).
10
Attribuutnaam
Voorbeeldwaarde
CatNr
1
sub
a
ZaakIdNummer
2229503100
ARCHIS_wnr
1339
CAA_code
40EN-4
ARCHIS_vmnr
nvt
Overige_codes
nvt
RDX_coord
207850
RDY_coord
445850
Precisie
2 (10 meter)
Toponiem
Bevermeer
Plaats
Bevermeer
Gemeente
Zevenaar
Provincie
Gelderland
Bron
ARCHIS18okt05
Verwerving
archeologische opgraving
Categorie
Scheepvaart
Begindatering
Late Middeleeuwen A
Einddatering
Late Middeleeuwen B
omschrijving
Klein scheepswrak
Melder
Kloosterman, A, Angerlo
Datum_melding
19650719
Literatuur Tabel 1. Voorbeeld van de opgenomen gegevens in het bestand ZLOK3_vindplaatscatalogus.
ARCHIS-waarnemingen Belangrijkste uitgangspunt voor de archeologische inventarisatie zijn de in ARCHIS3 aangemelde onderzoeken en waarnemingen (https://zoeken.cultureelerfgoed.nl/). Elk in Nederland uit te voeren archeologisch onderzoek wordt in dit systeem onder een unieke numerieke code, het ARCHISzaakidentificatienummer (of CIS-code) aangemeld. Tot deze registratie horen ook geografische (toponiem, locatie, omvang) en andere administratieve gegevens (uitvoerder, opdrachtgever, aanleiding). Eventueel aangetroffen archeologische resten (individuele vondsten, complextypen, etc.) worden in ARCHIS3 eveneens geregistreerd onder hetzelfde zaakidentificatienummer. Binnen de gemeente Zevenaar staan vele honderden waarnemingen geregistreerd (bijlage 1). De bestaande lijsten zijn aangevuld met de ARCHIS-gegevens die na 2009/2012 in het systeem zijn opgenomen (bijlage 1: cat.nrs. 548-631). Zie tabel 1 voor de opgenomen gegevens. Overige archeologische waarnemingen Andere niet in ARCHIS geregistreerde vindplaatsgegevens zijn afkomstig van amateur-archeologen, waaronder de in het gebied actieve leden van oudheidkundige verenigingen (bijlage 1: cat.nrs. 442547). Verder is voor de inventarisatie een brede zoekzone van 200 meter buiten het gemeentegebied genomen. Deze locaties met geregistreerde archeologische resten buiten de gemeentegrens zijn eveneens in de catalogus opgenomen.
De reden is dat het oppervlak met archeologische resten vaak niet is vastgesteld en dat rekening moet worden gehouden met een ruime zone (bij nederzettingsresten > 100 m) rondom de opgegeven (centrum)coördinaat. 11
In tegenstelling tot de archeologische waarnemingslocaties, zijn de uit historische bronnen overgenomen nederzettingslocaties (§ 2.2.3) niet opgenomen in de vindplaatscatalogus. De reden is dat de aanvullende informatie veelal te beperkt is in relatie tot de enorme hoeveelheid locaties (ruim 1.000) voor opname in deze catalogus. Voor meer informatie over dit type vindplaats dient dan ook, naast de kaart, het originele GIS-bestand te worden geraadpleegd.
2.2.3 Historische nederzettingslocaties De basis voor de laag met potentieel archeologisch interessante locaties wordt gevormd door het kadastraal minuutplan uit 1832, dat in gevectoriseerde vorm beschikbaar was. 9 Daarin zijn bepaalde vormen van grondgebruik aangevinkt als archeologisch relevant: batterijen (vestingwerken), bleekvelden die als erf in gebruik waren, boomgaarden en tuinen (bij erven), begraafplaatsen en kerkhoven, erven met verschillende soorten bebouwing (huizen, schuren, wind- en rosmolens, kerken, pastorieën, scholen, smidshuizen, andere gebouwen), grachten en sommig ander water, huizen, loodsen, schaapskooien, lijnbanen, pan- en steenovens en –plaatsen en enkele andere soorten terrein als ze een eenheid afrondden, zoals de omgeving van landhuizen. Voor het gedeelte dat vóór 1949 onder Duitsland hoorde hebben we de Uraufnahme (ca 1850) gecontroleerd op voorkomende bebouwing. Aanvullend daarop hebben we de ambtsatlas van de Liemers (1733-1734 10), de verpondingskaarten (1809-1811 11) en de Hottingerkaart doorgenomen. In het eerste geval was de kaart zó gedetailleerd, dat we per erf een aantekening hebben gemaakt of het erf in 1733-1734 reeds bestond. In een aantal gevallen constateerden we ook, dat een erf dat in 1733-1734 wel bestond, in 1832 reeds verdwenen was.
De verpondingskaarten zijn gedetailleerd, maar omdat ze vooral betrekking hadden op landerijen en niet op bebouwing, is waarschijnlijk vooral in het gebied oostelijk van Zevenaar niet alle bebouwing ingetekend. Een ‘nee’ in de database kan vooral daar dus ook een vals-negatieve uitkomst zijn. Bovendien ontbreken kaarten voor bepaalde deelgebieden, zoals Angerlo en Lobith. De Hottingerkaart is door zijn iets grovere schaal vooral gebruikt om ontbrekende erven aan de laag toe te voegen en een indicatie te krijgen van de ligging van andere interessante fenomenen, zoals sluizen. Uit de oude archeologische waarden- en verwachtingskaarten van Rijnwaarden hebben we de dijk(kruin)en overgenomen. Deze zijn aangevuld door de dijken van de vroegere gemeente Zevenaar in te tekenen, deels op basis van de huidige hoogtekaart (Actueel Hoogtebestand Nederland) waar het verloop nagenoeg gelijk was aan de huidige situatie (ten zuiden van Zevenaar) en op basis van een overname uit de kadastrale minuutplans waar het dijktracé relatief veranderd is en het huidige verloop dus niet meer het historische representeert (langs de IJssel). Uit de cultuurhistorische waardenkaart van Zevenaar en Rijnwaarden hebben we de pollen/terpen overgenomen en enkele andere, bij ons ontbrekende elementen, aangevuld.
Het standaard-werk ‘Kastelen in Gelderland’ is gebruikt om nagenoeg alle kasteelterreinen te identificeren, en op basis van historisch kaartmateriaal in te tekenen. Zowel bij deze kasteelterreinen als bij de bepaling van de grenzen van dorpskernen en de stadskern van Zevenaar is het kadastraal
9 HisGIS Gelderland / Fryske Akademy. 10 0214 ORA Zevenaar en de Lymers, meerdere inventarisnummers 11 Grondstein (0873 Collectie Verpondingskaarten 18 & 19), Bahr en Lathum (0873 Collectie Verpondingskaarten 28), Aart (0873 Collectie Verpondingskaarten 85), Grote en Kleine Gelderse Weerd (0873 Collectie Verpondingskaarten 86), Herwen (0873 Collectie Verpondingskaarten 87), Pannerden (0873 Collectie Verpondingskaarten 88), Oud-Sevenaar (0873 Collectie Verpondingskaarten 225) 12
minuutplan gebruikt. Waar geen sprake is van duidelijke kernvorming, hebben we geen kerngrenzen aangegeven, maar ons beperkt tot de basislaag met de erf-, tuin- en boomgaardcontouren.
2.2.4 Sporen van oorlog en defensie De sporen van oorlog en defensie waarvan resten bovengronds of ondergronds nog aanwezig kunnen zijn, zijn ingetekend in punt, lijn en polygoon shapefiles. Informatie betreffende datering, aard en bronvermelding van de ingetekende objecten zijn in de metadata ingevuld. Eerder uitgevoerd onderzoek door BAAC voor voormalig gemeente Rijnwaarden is in deze inventarisatie opgenomen en verwerkt. Voor het intekenen van de Nederlandse verdedigingswerken, aangelegd tijdens het interbellum, zijn kaarten gebruikt uit het archief van het NIMH (Nederlands Instituut voor Militaire Historie). Hierop is de militaire situatie van voor en tijdens de meidagen ingetekend. De locaties zijn vervolgens gecontroleerd aan de hand van luchtfoto’s. Een overzicht van de dekking van de gebruikte luchtfoto’s is te vinden in figuur 3. Leidend bij het digitaliseren van sporen uit de tweede wereldoorlog zijn de Defence Overprints, verkregen via Libraries and Archives Canada. Op transparante vellen, over een topografische kaart gelegd, werden alle objecten ingetekend welke gevonden werden op de luchtfoto’s. Het voordeel van deze Defence Overprints is dat ze, omdat men de originele (haarscherpe) luchtfoto’s ter beschikking had, gedetailleerd zijn qua interpretatie. Huidig beschikbare luchtfoto’s zijn scans van de originele foto’s waardoor er sprake is van resolutieverlies.
Het is vrijwel onmogelijk om met de huidige gescande luchtfoto’s een analyse op hetzelfde niveau uit te voeren. Het nadeel is dat de Defence Overprints niet altijd nauwkeurig ingetekend zijn, daarom worden deze sporen gecontroleerd aan de hand van de luchtfoto’s . Deze twee bronnen leveren in combinatie een compleet overzicht. De luchtfoto’s voor de exacte locaties, de Defence Overprints voor de interpretatie.
13
Figuur 2. Kaart Defence Overprint 4002 Zevenaar, Eastern Holland.
De crashlocaties van vliegtuigen uit de tweede wereldoorlog zijn opgenomen in het Verliesregister (online in te zien op https://www.verliesregister.studiegroepluchtoorlog.nl/). Helaas gaat het veelal om globale ruimtelijke omschrijvingen, waardoor precieze plaatsing niet mogelijk is. Er is voor gekozen een ruime cirkel om de vermoede locatie te tekenen, in overeenkomst met de onzekerheid van de locatie (kleine cirkel, vrij nauwkeurig, grote cirkel, onnauwkeurig). Aan de features is niet alleen het vliegtuigtype en datum toegekend, maar ook het crashnummer van het verliesregister om toekomstig onderzoek te vereenvoudigen. Een aanvulling is geleverd door dhr. Gerrie Willemsen. Detailniveau van de inventarisatie Bij deze inventarisatie lag de focus op de hoofdkenmerken van de verdedigingswerken en andere sporen uit de laatste fase van de oorlog. Grotere structuren als (verbindings)loopgraven, tankgrachten, 14
bomtrechters en de grotere stellingen voor luchtafweer (Flak) en ander geschut zijn op luchtfoto’s goed zichtbaar en overgenomen in het GIS. Kleinere opstellingen, vooral in de nabijheid van bebouwing, maar ook afzonderlijke mangaten zijn niet altijd zichtbaar op de gebruikte luchtfoto’s en ook niet volledig geïnventariseerd. De determinatie van afzonderlijke objecten is vaak alleen globaal te maken. Er is dan bijvoorbeeld wel duidelijk dat op een locatie stellingen zijn aangelegd, maar niet waarvoor die stellingen bedoeld waren. Ook is niet altijd onderscheid te maken tussen gevechtsloopgraven en bijvoorbeeld schuilloopgraven bedoeld voor burgerbevolking. In dat soort gevallen is in de inventarisatie alleen een algemene aanduiding ‘stelling’ of ‘loopgraaf’ aangegeven. Waarnemingen zijn ingedeeld in de systematiek voor sporen van de oorlog ontwikkeld door RAAP. Waarnemingen zijn per object gedigitaliseerd in het GIS. In enkele gevallen waar een aantal objecten een duidelijk ensemble vormt, is dit met een vlak aangegeven dat geldt als de verwachtingszone voor sporen op de betreffende locatie. Dit is vooral aan de orde bij stellingen voor (luchtdoel)artillerie, omdat deze vrijwel altijd in batterijen met meerdere opstelplaatsen zijn ingericht en daardoor vaak duidelijk als ensemble herkenbaar zijn.
Voor andere elementen, zoals gevechtsloopgraven, is een dergelijk ensemble niet aangegeven. We bevelen aan om in het geval van loopgraven altijd rekening te houden met een verwachting op nog niet ontdekte sporen tot op 50 meter afstand vanuit het hart van de loopgraaf of stelling, waarbij de verwachte afwijking van het georefereren nog niet is inbegrepen (zie onder).
Figuur 3. Overzicht van de dekking van de gebruikte luchtfoto’s, rood gearceerd. De zwarte stippellijn geeft de huidige gemeentegrens aan.
15
Gebruikte luchtfoto’s en andere bronnen De luchtfoto’s waarvan de kaders zijn weergegeven in figuur 3 zijn verkregen via WUR Geoportal . Tussen haakjes staat de datum waarop de foto genomen is:
140-1184_4067 (2-nov-1944) 4-1465_3009 (24-dec-1944) 4-1465_3021 (24-dec-1944) 4-1465_3025 (24-dec-1944) 4-1465_3097 (24-dec-1944) 4-1465_3099 (24-dec-1944) 4-1465_3101 (24-dec-1944) 4-1465_3103 (24-dec-1944) 4-1465_3109 (24-dec-1944) 4-1465_3111 (24-dec-1944) 4-1465_3112 (24-dec-1944) 4-1465_3117 (24-dec-1944) 4-1465_3119 (24-dec-1944) 4-1465_3121 (24-dec-1944) 4-1465_4009 (24-dec-1944) 4-1465_4010 (24-dec-1944) 4-1465_4026 (24-dec-1944) 4-1465_4027 (24-dec-1944) 4-1465_4031 (24-dec-1944) 4-1465_4096 (24-dec-1944) 4-1465_4097 (24-dec-1944) 4-1465_4106 (24-dec-1944) 4-1465_4110 (24-dec-1944) 4-1465_4118 (24-dec-1944) 4-1465_4119 (24-dec-1944) 4-1465_4121 (24-dec-1944) 106G-F10_3230 (24-dec-1944) 106G-F10_4218 (24-dec-1944) 106G-F12_4358 (25-dec-1944) 106G-F12_4391 (25-dec-1944) 4-1741_3037 (14-feb-1945) 4-1741_3070 (14-feb-1945) 4-1741_4037 (14-feb-1945) 4-1741_4109 (14-feb-1945) 4-1930_3003 (14-mrt-1945) 4-1930_4172 (14-mrt-1945) 4-1964_4144 (15-mrt-1945) 4-1965_3137 (15-mrt-1945) 4-1965_3184 (15-mrt-1945) 4-1965_4001 (15-mrt-1945) 4-1965_4184 (15-mrt-1945) 4-1966_3002 (15-mrt-1945) 4-1966_3092 (15-mrt-1945) 4-1966_3095 (15-mrt-1945) 4-1966_4096 (15-mrt-1945)
Defence overprints zijn verkregen via Libraries and Archives Canada. Het gaat om de kaartbladen
Kaartblad 3902 Doesburg (19-mrt-1945) Kaartblad 4002 Zevenaar (19-mrt-1945) Kaartblad 4102 Millingen (19-mrt-1945)
De volgende websites zijn geraadpleegd: https://www.tracesofwar.nl/ Via www.archieven.nl: 16
-
Archief 409: Gevechtsverslagen en -rapporten mei 1940 ( NIMH / Nederlands Instituut voor Militaire Historie ).
-
Archief 575: Bureau Inlichtingen/ Duitse verdedigingswerken BRV (Bureau Registratie Verdedigingswerken)
Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) Verliesregister, https://www.verliesregister.studiegroepluchtoorlog.nl/ Afwijkingen bij luchtfotoanalyse Een luchtfoto wordt in een GIS ge-georefereerd op basis van herkenbare punten in de actuele topografie die overeenkomen met identieke punten op de luchtfoto. Dit proces heeft altijd een zekere afwijking ten opzichte van de werkelijkheid, omdat:
luchtfoto’s niet vlak zijn door de bolling van de lens, waardoor een vertekening optreedt; soms weinig goede herkenningspunten aanwezig zijn, vooral in gebieden waar de inrichting van het landschap sterk is veranderd;
een referentie niet nauwkeuriger kan zijn dan de resolutie van de foto en op afstand van de referentiepunten steeds meer gaat afwijken.
Daarom moet met betrekking tot de plaatsing van objecten in de meeste gevallen rekening gehouden worden met een afwijking van 10 tot 15 meter van hart tot hart ten opzichte van de werkelijke locatie en in enkele gevallen groter. Dit is aangegeven in de gistabel met de waarnemingen in de kolom ‘opmerkingen’.
2.2.5 Terreinen van archeologische waarde Hoofddoel van archeologisch vooronderzoek in het kader van de archeologische monumentenzorg (AMZ) is om voorafgaand aan vergunningverlening de archeologische waarde van het terrein dat zal worden verstoord in voldoende mate vast te stellen. Daartoe wordt gekeken naar de kwaliteit, de zeldzaamheid en de contextwaarde van (eventueel) aanwezige archeologische resten. Dit wordt ‘waardestelling’ genoemd. Van een aantal terreinen is deze vorm van waardestelling in het verleden reeds door het Rijk (i.c. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) bepaald. De meeste van deze terreinen werden ondergebracht op de provinciale archeologische monumentenkaart (AMK). De gegevens in de kaartbijlagen 1 t/m 4 zijn ontleend aan de laatst aangepaste versie van de AMK, voor het laatste gepubliceerd in juli 2014 door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De AMK wordt niet meer geactualiseerd. In dit rapport en op de kaarten worden de AMK-terreinen vermeld als ‘terreinen van archeologische waarde’ of TAW.
2.2.6 Rijksmonumenten Rijksmonumenten zijn terreinen, gebouwen of andere objecten die om hun nationale cultuurhistorische waarde door de rijksoverheid zijn aangewezen als beschermd monument. Ze zijn onder het rijksmonumentennummer te vinden in het monumentenregister (https://monumentenregister.cultureelerfgoed.nl/). Alle rijksmonumenten binnen de gemeente Zevenaar betreft gebouwde monumenten. Er zijn geen archeologische rijksmonumenten in de gemeente aanwezig. Wel van monumentale status maar nog niet formeel aangewezen zijn de resten van het Kleefs hertogelijk burchtcomplex Sevenaer en het UNESCO-monument Herwen - de Bijland, Zie paragraaf 5.4.5.
17
2.2.7 Bodemverstoringsgegevens Bodemverstoringen zijn op twee verschillende manieren in kaart gebracht. Slechts ten dele kon gebruik gemaakt worden van de gegevens van de beschikbare bodemkaarten (diep uitgegraven, gekeerde grond, geëgaliseerd en opgehoogd, Stiboka-rapport 343). Verder zijn eerder geïnventariseerde bodemverstoringsgegevens een-op-een overgenomen van de oude archeologiekaarten uit 2009 (RAAPZLOK2) en 2012 (BAAC V11.0202). Voor de actualisatie van bodemverstoringsgegevens is aanvullend gebruik gemaakt van de hoogtebeelden uit het Actueel Hoogtebestand Nederland waarop ontgrondingen zichtbaar zijn. Behalve deze gegevens is alleen door een meer gedetailleerd bureauonderzoek en/of verkennend booronderzoek de mate van verstoring tot op perceelsniveau te specificeren. De inventarisatie van bodemverstoringen heeft zich daarmee beperkt tot de bekende en meest ingrijpende vormen (afgegraven, vergraven en gekeerde bodems).
2.3 Structuur digitale kaartbestanden (GIS) Een van de eindproducten van de actualisatie zijn de aan een geografisch informatiesysteem (GIS) gekoppelde kaartbeelden. Het betreft digitale database-tabellen waarin per punt-, lijn- of vlakelement verschillende soorten van informatie zijn opgeslagen. De GIS-tabellen voor de archeologische beleidskaart (kaartbijlage 4) zijn aangeleverd als losse bijlage en bevatten de exacte gegevens over de geografische ligging van de verschillende beleidszones. De standaardprojectie is het Rijksdriehoekstelsel (non-earth meters). De GIS-bestanden zijn als bijlage 4 bij dit rapport aan de gemeente geleverd.
18
3 Aanvullingen op kaartbijlage 1 3.1 Zonering verwachte waarden De herziene verwachtingslaag in de kaart verschilt slechts op enkele punten van de kaarten uit 2009/2012. Op basis van de nieuwe brongegevens, met name de nieuwe uiterwaardenkaart, zijn enkele polygonen toegevoegd, geherinterpreteerd of aangepast. De meest opvallende wijziging is echter het doorvoeren van de profieltypen in de verwachtingslaag. De aangepaste verwachtingswaarden doen nu een uitspraak over zowel de verwachte dichtheid aan archeologische resten (zeer hoog, hoog, middelmatig of laag) als de verwachte conservering. Voor alle geïnventariseerde gegevens geldt verder dat de beschrijvende velden in de verschillende gisbestanden zijn aangepast en ten behoeve van de digitale toepassing voorzien zijn van zowel waarde- als adviesvelden (zie tabel 2).
Attribuut
Voorbeeldwaarde
GEOM10
kronkelwaard
GEOM10_CO
Fs2
VW_OMSCH
laag voor archeologische resten. Mogelijk archeologische resten die in verband staan met bewoning op nabijgelegen, hogere gronden.
Bronbest
BAAC V11.0202
GEOM25
Kronkelwaard
VWTYPE
9
CHBnaam
Oude Rijn-Pannerden
LANDSCHP
Binnendijks rivierenlandschap
Tabel 2. Beschrijvende velden in de GIS-laag ‘Zevenaar_vw’.
Aan het kaartbeeld zijn daarnaast -op basis van de historische kaartinventarisatie - bouwblokken, en stads- of dorpskernen toegevoegd. Deze zijn niet opgenomen in de vindplaatscatalogus. Wel is voor deze gebieden een nieuwe verwachtingseenheid, die van de zeer hoge archeologische verwachting, aan de verwachtingslaag toegevoegd. Reden is de sterke correlatie tussen deze landschapszones en het voorkomen van archeologische resten. 12 Deze terreinen zijn in de geactualiseerde kaart integraal opgenomen in een samengevoegde en vlakdekkende archeologische verwachtingslaag. Als laatste is er een verwachtingslaag voor waterpartijen toegevoegd (figuur 4).
12 Groot, T. de, A. Koekelkoren, M. Lobbes & B.I. Smit, 2011. Deel III Effecten van vrijstellingen voor archeologisch erfgoed. In: R.C.G.M. Lauwerier, T. de Groot, B.J.H. van Os & L. Theunissen (red.), Vragen over Malta. Onderzoek naar de effectiviteit van de onderzoeksketen, sluipende degradatie en de effecten van vrijstellingen. Rapportage archeologische monumentenzorg 196. Rijksdient voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort. 19
Figuur 4. Overzicht van de verwachtingszones in de gemeenten Zevenaar en Duiven. Paarsrood: zeer hoge verwachte dichtheid aan archeologische resten (zeer hoge verwachting); oranjerood: hoge verwachting; geel: middelhoge verwachting; groen: lage verwachting; grijsblauw: waterpartijen met een archeologische verwachting.
3.2 Aanpassingen aan de AMK-Gelderland De waardestelling van de AMK-terreinen in het verleden is niet gelijk aan de formele waardestelling zoals die tegenwoordig in de AMZ-cyclus doormiddel van (gravend) veldonderzoek wordt vastgesteld. Bij veel TAW- terreinen is geen sprake van toetsend veldonderzoek geweest. De meeste locaties in het Zevenaarse, Duivense en Groessense Broek zijn bijvoorbeeld als AMK-terrein opgevoerd aan de hand van een veldinspectie door een team van de toenmalige ROB in 1997. Binnen niet alle terreinen zijn archeologische waarnemingen bekend. Voor de TAW-terreinen in het Zevenaarse, Duivense en 20
Groessense Broek zijn daarom in het kader van deze actualisatie door Jan Verhagen op basis van een Quick Scan de belangrijkste beschikbare gegevens achterhaald. 13 Deze zijn in de onderstaande tabel 3 weergegeven. De AMK-terreinen die na de aanwijzing zijn onderzocht, hebben geen vondsten opgeleverd die wijzen op een archeologische vindplaats, met uitzondering van de locaties 12683 en 12760, die een relatie lijken te hebben met een (middeleeuwse) historische locatie in de directe nabijheid. De veronderstelde terpen zullen in de meeste gevallen dus jonge ophogingen zijn, uit de 18e tot 20e eeuw. Deze kunnen als vergelijkbare boerderijlocaties worden behandeld waarvan niet vaststaat dat ze ouder zijn dan 1830, en de archeologische verwachtingswaarde meekrijgen die hoort bij het onderliggende landschap op de betreffende locaties. AMK-nr
Huis op
Dateerbare vondsten
Ambtsatlas
(Archis)
Opmerking
Liemers 1735 12683
Nee
late ME-B
Terrein hoort mogelijk bij AMK-12755 (Malland)
12684
Nee
(geen)
In Archis ten onrechte als opgraving aangegeven
12685
Nee
(geen)
In Archis ten onrechte als opgraving aangegeven
12686
Nee
12687
Ja
(onbekend)
Geen gegevens in Archis "Der Königl. hoff Sweeckhorst" (belangrijke historische locatie);
12688
Nee
Geen (Hamaland)
12689
Nee
(geen)
12690
Ja
Geen gegevens in Archis Geen gegevens in Archis; valt op kaart 1735 onder de Zweekhorst.
12755
n.v.t. Angerlo
(onbekend)
Geen gegevens in Archis, historische locatie Malland
12756
Nee 1832
(onbekend)
Geen gegevens in Archis
(Angerlo) 12757
Nee 1832
geen (RAAP)
(Angerlo) 12758
Nee
Archis: blijkb. negatief resultaat, maar niet als zodanig vermeld
geen: 1 fragm
Boringen door Archeodienst
gesmolten glas 12759
Nee
12760
Nee
modern (Synthegra) 1 witbakkend LME
Terrein hoort mogelijk bij AMK nr. 12687
A/B (boring MUG)
(Zweekhorst)
13 Jan Verhagen, document dd. 30-09-2020 21
12761
Nee
Geen gegevens in Archis
12762
Nee
12763
Nee
Geen gegevens in Archis
12764
Nee
Geen gegevens in Archis
12765
Nee
(onbekend)
Geen gegevens in Archis
12766
Nee
(onbekend)
Geen gegevens in Archis
geen (Hamaland)
Tabel 3. Resultaten quick scan.
3.3 Terreinen met een monumentale waarde 3.3.1 Burchtcomplex Sevenaer
Het terrein wat als gemeentelijk archeologisch monument aangewezen zal worden betreft het gebied met de ondergrondse resten van het Kleefs hertogelijk burchtcomplex Sevenaer (figuur 5). Deze resten omvatten de restanten van de hoofdburcht, voorburcht, meervoudige omgrachting en burchtwal. De eerste fase van het complex is aangelegd in de 13e eeuw op de plek waar in de 11e / 12e eeuw al een hof was. Daarna kende het verschillende aanpassingen en bereikte in de loop van de 15e eeuw haar eindstadium. In het laatste kwart van de 17e eeuw is het complex gesloopt, zijn de grachten gedempt en is de wal afgegraven, behalve een gedeelte aan het Masiusplein, dat thans nog bestaat en (gebouwd) rijksmonument is. Bijzonder is dat de hoofdburcht omstreeks 1400 is verwoest en daarna herbouwd met een weermuur van bijna 5 meter dikte. De burcht was tevens aanleiding voor de latere stichting van de stad Zevenaar.
Figuur 5. Plattegrond van het stadje Zevenaar met grachtenstelsel, het burchtcomplex (links) en het omgrachte Huis Sevenaer (rechts), situatie 17e eeuw. De doorgetrokken lijnen geven de historische straten weer. De grijze stroken vormen de huidige stadsplattegrond. In lichtblauw is de loop van de crevassegeul de Aa weergegeven. Het straatje Romei is groen gearceerd. 22
Het deel van het burchtcomplex dat wordt aangewezen als gemeentelijk monument is het gebied dat binnen de twee blauwe contouren van figuur 6 valt. 14 De grootste delen van de middelste en de buitenste gracht en van de geslechte burchtwal vallen er buiten. Dit heeft te maken met het feit dat het om lijnvormige structuren gaat. Door de aard van deze structuren is over een grotere lengte eenzelfde soort archeologische informatie aanwezig. Daarom is hier een beperkter vorm van bescherming toereikend. Hierin wordt voorzien in de geldende dubbelbestemming, waarbij archeologisch onderzoek aan voorgenomen bodemverstoringen kan worden gekoppeld.
Figuur 6. Begrenzing van het gebied van het gemeentelijk archeologisch monument (donkerblauwe contour).
14 Redengevende beschrijving Burcht Sevenaer (Verhagen 19-04-2018). 23
3.3.2 UNESCO-monument Herwen-De Bijland De in het kader van de Unesco-nominatie van de Nedergermaanse limes geselecteerde site Herwen – De Bijland (site 19) omvat in situ resten van een Romeins militaire vindplaats, verspoelde resten van een vindplaats met Romeinse steenbouw en militaria, het castellum Carvium, en een gebied waarin volgens recente inzichten de Dam van Drusus moet hebben gelegen. Hier is een gebied aangewezen als kernzone met resten van een tijdelijk Romeins kampement (aangewezen als toekomstig archeologisch rijksmonument) en een ruim gebied daaromheen als bufferzone, die ook aansluit op de bufferzone bij Keeken in Duitsland (figuur 7). Er kunnen binnen de bufferzone drie zones worden onderscheiden: Zone B1 (midden rood): hierin is een hoge verwachting op in situ Romeinse resten; Zone B2 (lichtrood, landzone): hierin is van een hoge tot middelhoge verwachting op verspoelde Romeinse resten; Zone B3 (blauw, water): Deze zone bestaat uit de wateroppervlakken van de Bijland, de Oude Waal en het Bijlandsch Kanaal binnen de bufferzone.
Figuur 7. Beleidszones Unesco-werelderfgoed Herwen-De Bijland.
3.4 Thematische laag historische nederzettingslocaties Op basis van RAAP-rapport 2986 zijn meerdere schansen, kampementen en linies uit de tachtigjarige oorlog rondom Spijk en Lobith ingetekend. Enkele hoornwerken en indicatieve redoute- en schansterreinen zijn bovendien uit de oude verwachtingskaart van Zevenaar gedestilleerd. De betrouwbaarheid van die overgenomen elementen hebben we getracht te bepalen; in een deel van de gevallen konden we de oorspronkelijke bronnen raadplegen, of althans afbeeldingen daarvan. Een belangrijke kaart was nog die van de offensieve stelling van Maurits rond 1599 bij Oud-Zevenaar, waarvan het origineel in het Nationaal Archief ligt. Op basis van deze kaart alsmede een inventarisatie van plekken m.b.t. strijd in het verleden van Van Hemmen e.a. hebben we een aantal ‘zoekgebieden’voor redoutes en andere militaire aardwerken 24
gedefinieerd; duidelijk is wel, dat het archeologisch aspect van de Tachtigjarige Oorlog nog niet volledig in de nieuwe verwachtingskaart is opgenomen en een nadere detailleringsslag nog noodzakelijk is. 15 Belangrijk is dat we alleen die liniedijken hebben ingetekend, die aanvullend zijn op de bestaande dijken. Bestaande dijken die ook als liniedijken functioneerden, hebben we niet ‘dubbel’ ingetekend. Aangevuld is ook nog een batterij van de vesting Doesburg bij Bevermeer. Het landweertracé op de zuidgrens van Angerlo is ingetekend op basis van de studie van Brokamp uit 2007. De landweren zijn aangevuld op basis van de cultuurhistorische waardenkaart. 16 Verder zijn op basis van een studie door Jan Verhagen in Old Senders Ni'js enkele van de door hem genoemde Mauritswerken opgenomen. 17 De ligging van de schanswerken is exact, op basis van de sporen die op luchtfoto's voorkomen. Mogelijk heeft bij de Nootenboom een sterrenschans gelegen die daar op de kaart van 1599 staat, maar waarvan tot nu toe nog geen sporen zijn gevonden. De resten van het retranchement A ten noorden van de waterplas inclusief de twee noordelijke bastions zijn verloren gegaan bij de ontgronding die hier in de jaren '80 / '90 heeft plaatsgevonden. De kartering is aangevuld op basis van historisch kaartmateriaal voor wat betreft de aspecten (uitwaterings)sluizen en bruggen.
Uiteraard worden de bruggen impliciet ook meegenomen in de contouren van buitenplaatsen en/of kasteelterreinen, waar zij daar grachten oversteken. Deze zijn niet altijd gekarteerd. Naast de ambtskaarten en de verpondingskaarten zoals boven beschreven hebben we ook een representatieve selectie van andere manuscriptkaarten geraadpleegd. Het gaat bijvoorbeeld om de vele kaarten die in de 18e eeuw zijn gemaakt rond Herwen over de Rijndynamiek daar. Relevante zaken hebben we hieruit overgenomen 18: 0012 Gelderse Rekenkamer 667, 878; 0016 Bataafs Frans Archief 6369; 0096 Collectie Maatboeken 30; 0124 Hof van Gelre en Zutphen 4932, 5052, 5278, 5429; 0371 Huis Aerdt 600-660; 0424 Huis Poelwijk 58, 62; 0509 Kaartenverzameling 188, 325, 1181, 1182, 1184, 1186, 1187, 1189, 1190, 1191, 1192, 1193, 1194, 1195, 1197, 1198, 1199, 1200, 1201, 1204, 1206, 1207; 0894 Huis Ruurlo 1360; 0895 Huis Bingerden 200, 230, 232, 233, 363; 3027 Familie van Nispen 2237. Dit zijn zeker niet alle beschikbare kaarten. We menen echter met de gekozen selectie een goed beeld te hebben gekregen van de potentieel archeologisch interessante locaties. Bij vervolgonderzoek kan er verder worden ingezoomd op individuele plekken.
Zo kunnen nog meerdere detailkaarten met informatie op erfniveau van de omgeving Pannerden, Herwen en Aerdt, van Zevenaar, en van Bahr en Lathum uit de tweede helft van de 18e en vroege 19e eeuw, nader bestudeerd worden. 19 Eveneens zinvol is de serie vroege kadastrale minuutplans uit 1818, die mogelijk kleine maar significante
15 Van Hemmen, Tilstra & Mulder 2011 16 Brokamp 2007 17 Verhagen 2003 18 We hebben ons vooral gericht op huisplaatsen en zaken van militaire aard. De zeer dynamische structuur van vaak tijdelijke kades, bijvoorbeeld na dijkdoorbraken, hebben we niet integraal overgenomen. Ook verdwenen kolken zelf zijn niet gekarteerd. De basisstructuur van dijken staat al op basis van andere bronnen op kaart. Ook verdwenen erven die momenteel in bestaande Rijnlopen liggen (oude Tolkamer, erven bij Spijk), hebben we niet opgenomen – los daarvan dat de locatie niet altijd exact te bepalen is. 19 Zie onder meer 0095 Verzameling Tiendarchivalia 279 en 285 (Zevenaar), 0873 Collectie Verpondingskaarten 29 (Bahr en Lathum) en 0873 Collectie Verpondingskaarten 84. 25
verschillen met de situatie van 1832 laat zien. 20 Waar van elementen alleen een centraal punt of een hartlijn zijn ingetekend, zijn deze op basis van een beredeneerde afstand (op basis van omvang element of onzekerheid in locatie punt/lijn) gebufferd. Datzelfde geldt voor de zoekgebieden (liniedijken, redoutes).
20 0874 Kadaster, Prekadastrale Kaarten, inventarisnummers 1-4, 14, 105-108, 132-135, 158-161, 233-242 26
4 Themakaart oorlog en defensie M. Scholte Lubberink
4.1 Kader Voor de provincie Gelderland vormen resten uit de beide wereldoorlogen een wezenlijk onderdeel van het cultureel erfgoed. Geen provincie is in de periode 1940-1945 zo zwaar door het oorlogsgeweld getroffen als Gelderland, zowel tijdens de Duitse inval in mei 1940 als tijdens Operatie Market Garden en de bevrijding. Dit heeft op veel plaatsen sporen nagelaten in het landschap. Ook in de bodem zijn veel resten bewaard gebleven. Deze resten en sporen vragen om een zorgvuldige omgang, omdat het bodemarchief uit de oorlog conform de Monumentenwet ook daadwerkelijk kan worden aangemerkt als archeologie en de resten telkens weer een grote maatschappelijke betekenis blijken te hebben. In wat mindere mate geldt dit ook voor de fysieke resten die herinneren aan de periode 1914-1918 toen Nederland zich neutraal in het conflict opstelde, en de naoorlogse periode (Koude Oorlog) toen langs de toentertijd belangrijkste linies installaties, kunstwerken en andere voorzieningen werden getroffen om een eventuele conflictsituatie het hoofd te kunnen bieden. Archeologische resten uit de Tweede Wereldoorlog kunnen onder de Monumentenwet 1988 vallen. De binnen de archeologie voorgeschreven waarderingssystematiek om vast te stellen of sprake is van behoudenswaardige archeologische vindplaatsen, blijkt voor archeologische resten uit de oorlog grote beperkingen te hebben.
21 Dit is onder andere terug te voeren op het feit dat oorlogssporen – anders dan oudere archeologische vindplaatsen – vaak nog zichtbaar zijn in het landschap en dat de resten vaak een grote maatschappelijke betekenis hebben. De cultuurhistorische waarde van archeologische resten uit de oorlog staat daarmee zelden ter discussie. In toenemende mate wordt dit oorlogserfgoed ook ontsloten voor educatieve en recreatieve projecten. De themakaart Oorlog en Defensie (kaartbijlage 3) is het resultaat van de inventarisatie van de belangrijkste locatie met (mogelijke) sporen van oorlog en defensie waarvan resten bovengronds of ondergronds nog aanwezig kunnen zijn.
4.2 Landschap vanuit militair perspectief Van oudsher worden de mogelijkheden voor oorlogsvoering in sterke mate bepaald door landschappelijk kenmerken, zoals de hoogteligging, gesteldheid en toegankelijkheid van het terrein. Dat geldt zowel voor de verdedigende als voor de aanvallende partij. Voor de mogelijkheden en beperkingen die het landschap in de omgeving van Zevenaar bood bij oorlogsvoering en verdediging geeft de topografische kaart uit de oorlogsjaren een goed beeld. Hiervoor is geraadpleegd de Topografische Karte der Niederlande 1:50.000 Truppenkarte. 22 De topografie is voldoende gedetailleerd en toont het landschap voorafgaand aan de grootschalige naoorlogse ingrepen, zoals stadsuitbreidingen, aanleg van bedrijventerreinen en grote infrastructurele werken, zoals de aanleg van de A12 (figuur 8).
21 Kok & Vos 2013. 22 De Pater, Schoenmaker e.a., 2005. 27
Figuur 8. Uitsnede uit de Topografische Karte der Niederlande 1:50.000 Truppenkarte 1940/1941.
Het landschap op deze kaart is vlak en open, met weilanden, akkers en verspreid liggende boomgaarden. Beboste percelen bevinden zich vrijwel uitsluitend in de uiterwaarden. In het zuiden wordt de verkaveling en de loop van de wegen bepaald door een (deels verlande) oude rivierloop, de Oude Rijn en door een oudere, ten noorden daarvan gelegen, verlande meander. De gemeente werd doorsneden door meerdere wegen die de verschillende kernen met elkaar verbinden. Er was slechts één doorgaande hoofdweg: de straatweg van Babbericht via Zevenaar over Duiven en Westervoort naar Arnhem. Ten noorden en zuiden hiervan lag de spoorlijn, met een parallelweg erlangs. De enige andere oost-westverbinding in het gebied ten zuiden van de spoorlijn werd gevormd door de Heilweg/Molenstraat die bij Groessen aansloot op de Dorpsstraat/Achter Gaardsche weg. In het vlakke landschap vormden de rivierdijken de enige hoge structuren.
4.3 Chronologische beschrijving In deze paragraaf zullen de verschillende verdedigingslinies die gelegen zijn binnen de gemeente Zevenaar besproken worden, onderverdeeld per tijdsperiode.
4.2.1 Interbellum Eind jaren 30 werden vanuit Genie een aantal ontwerpen vrijgegeven van kazematten voor de verdediging van Nederland. Deze kazematten zijn vanaf 1939 ook in grote aantallen gebouwd in de IJssellinie, waarvan een deel door de gemeente Zevenaar loopt (de Oude IJssel, bij Giesbeek). In dit gedeelte zijn 3 typen kazematten te onderscheiden, namelijk de S3 kazemat, de G kazemat en de B kazemat. De S3 kazemat bestaat uit een trapeziumvormige betonnen ruimte met een muurdikte van 80 cm, waarin 3 schietgaten. De schietgaten zijn af te sluiten met een stalen luik. Binnen stond doorgaans een lichte mitrailleur opgesteld welke kon wisselen tussen de drie schietgaten. Het schootsveld betreft ongeveer 180°. Bijnamen voor dit type zijn ‘stekelvarken’ en ‘spinnekop’. Tijdens de meidagen bleek dit type kazemat zeer kwetsbaar voor beschieting met antitankgeschut, onder meer door de grote
28
schietgaten. Twee S3 kazematten zijn nog intact aanwezig binnen de gemeente (S44 en S45). (Beemt, 1988: 130) De G kazemat wordt gezien, in tegenstelling tot de S3, als een succesvol ontwerp. De zware mitrailleur stond opgesteld in een gietstalen koepel, welke volledig gasdicht afgesloten was. De koepel was ingebed in een betonnen fundering. Dit type werd geplaatst op locaties waar frontaal vuur moest worden uitgebracht en waarbij rechtstreekse treffers op het schietgat te verwachten waren. Door het lage profiel en kleine schietgat bleek het een moeilijk doelwit om uit te schakelen. (Beemt, 1988: 130) Tijdens de bezetting is het grootste deel van de G kazematten ten prooi gevallen aan de Duitse sloophamer. De koepels van de kazematten werden verwijderd om in Duitsland omgesmolten te worden. Tegenwoordig bestaan er slechts nog een handjevol intacte G kazematten. Binnen de gemeente Zevenaar zijn geen intacte G kazematten aangetroffen. De B kazemat was een flankerende mitrailleurkazemat voor een zware mitrailleur. Dit houdt in dat het schietgat afgewend is van de vijand en dus minder kwetsbaar voor directe treffers. Ook hier was de mitrailleur gasdicht in de kazemat ingebouwd. (Beemt, 1988: 130) Ten oosten van de IJssellinie bevonden zich geen uitgebreide verdedigingswerken, alleen versperringen bij de belangrijkste grensovergangen.
Een van deze overgangen was gelegen bij Babberich. De versperring bestond uit enkele muren bedoeld om tanks en infanterie tegen te houden. Een deel hiervan is nog aanwezig. Het betreft een betonnen muur met ingegoten stalen balken. De balken wijzen schuin naar het oosten en zijn aangepunt. Een soortgelijke muur is nog aanwezig bij Groessen, gemeente Duiven. In 1939 werd er door de toenemende spanningen in de weide achter Enghuizen een groot stelsel van loopgraven gegraven (figuur 9).
29
Figuur 9. Het graven van loopgraven achter het Kasteel Enghuizen (uit: Zevenaar bevrijd deel II, p. 46).
4.2.2 De bezetting Als reactie op de oprukkende geallieerde troepen zijn de Duitsers in 1944 begonnen met de aanleg van een verdedigingslinie welke aansloot op de Westwall (ook wel Sigfriedlinie). De Westwall was een Duitse verdedigingslinie aangelegd vanaf 1936 als tegenhanger van de Franse Maginot-linie, en bestond uit betonnen bunkers (al dan niet ondergronds verbonden door tunnels) en tankhindernissen. De nieuwe verlenging van de Westwall zou globaal lopen van Nijmegen, langs de IJssel naar Zwolle, richting Assen en Groningen en daarna richting Delfzijl (zie figuur 10). Ten noorden van Zwolle spreekt men van de Friesland Riegel, de naamgeving voor de stellingen rondom Zevenaar is onduidelijk. Een document uit het BRV (Bureau Registratie Verdedigingswerken) van na de oorlog spreekt over de Krokusstelling, Märzbecher West en Märzbecher Ost, maar de precieze locatie is uit het document niet te herleiden. (archief 575, BRV)
30
Figuur 10. Schematische weergave van de Duitse verdedigingslinies omstreeks 1945 (rood). De linie sloot bij Kleve (D) aan op de Westwall, de Duitse verdedigingslinie langs de westgrens. In gebieden waar de linie onderbroken lijkt, is er sprake van natuurlijke hindernissen, zoals bijvoorbeeld de IJssel. De zwarte stippellijn geeft de huidige gemeentegrens aan.
De opzet van de linie was om de vijand, die verwacht werd uit het westen te komen, tegen te houden met antitankgrachten en loopgraafstellingen. De antitankgrachten liggen vooraan om de vijandige tanks tegen te houden. Daarachter liggen complexen met loopgraven en geschutstellingen, welke bedoeld waren om aanstormende infanterie af te stoppen. Ten oosten van Giesbeek sloot de linie aan op de IJssel, waardoor antitankgrachten niet meer noordelijker aangelegd werden. De IJssel zelf was namelijk een uitstekende tankhindernis. Omdat de geallieerden, tegen de Duitse verwachting in, niet doorstootten richting Amsterdam, maar naar het oosten afbogen richting Duitsland, bleek de linie verkeerd om te liggen (loopgraven voor en antitankgrachten achter). De vijand komt nu namelijk uit een andere richting, uit het oosten. Helaas is uit de luchtfoto’s niet exact op te maken wanneer alle verdedigingswerken aangelegd zijn, maar het is aannemelijk dat er extra graafwerkzaamheden uitgevoerd zijn om de werking van de linie om te draaien. Zo lijkt bijvoorbeeld de antitankgracht tussen Babberich en Didam niet voltooid, wat kan duiden op latere toevoeging. De ingetekende antitankgrachten hebben aan maaiveld een breedte van 6 tot 8 meter, waarbij de gracht naar beneden toe smaller wordt. De uitgegraven grond wordt verspreidt over beide zijkanten.