RV25.041 Bijlage 1.6 Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen Zeist
Tekst van het document
Het plangebied kan als foerageergebied of vliegroute door vleermuizen gebruikt worden, en heeft mogelijk een essentiële functie.
5.3.1 Effectbeoordeling vleermuizen In het plangebied zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen en bomen aanwezig. Daarnaast kan het plangebied voor vleermuizen dienen als essentiële vliegroute of als essentieel foerageergebied. Negatieve effecten op vleermuizen zijn niet uit te sluiten door de activiteit. Er is dan sprake van overtreding van art. 11.46 van het Bal. Nader onderzoek naar vleermuizen (volgens het Vleermuisprotocol 2021) is nodig om de aan- of afwezigheid van deze soorten in het plangebied vast te stellen. Mogelijk is het nodig een vergunning aan te vragen. →
→ →
Negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen en bomen kunnen niet worden uitgesloten. Onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen en bomen is noodzakelijk. Negatieve effecten op essentiële vliegroutes of essentieel foerageergebieden van vleermuizen kunnen niet worden uitgesloten.
→
5.4
Onderzoek naar essentiële vliegroutes of essentieel foerageergebieden van vleermuizen is noodzakelijk.
Vogels
Voor vogels wordt in de uitwerking van de Omgevingswet onderscheid gemaakt tussen soorten met een jaarrond beschermde nestplaats en algemene broedvogels waarvan de nesten uitsluitend beschermd zijn gedurende de periode waarin deze in gebruik zijn (zie Tabel A in Bijlage A). In het plangebied is onderzocht of jaarrond beschermde nestplaatsen van vogels aanwezig (kunnen) zijn in de bomen en gebouwen. Ook is gezocht naar nesten van en geschikte nestgelegenheid voor algemene broedvogels. Jaarrond beschermde nestplaatsen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF (2024) komt een aantal soorten met jaarrond beschermde nesten in de omgeving van het plangebied voor. Het betreft boomvalk (Falco subbuteo), buizerd (Buteo buteo), gierzwaluw (Apus apus), havik (Accipiter gentilis), huismus (Passer domesticus), kerkuil (Tyto alba), ooievaar (Ciconia ciconia), ransuil (Asio otus), sperwer (Accipiter nisus), steenuil (Athene vidalii) en wespendief (Pernis apivorus). Deze vogelsoorten nestelen bijvoorbeeld onder daken (huismus en gierzwaluw), in hoge bomen of nestpalen (ooievaar), in hoge bomen in bos of boomgroepen (buizerd, havik, sperwer, wespendief), in oude nesten van kraaien en roofvogels in boomgroepen (boomvalk) en in oude nesten van kraaien en roofvogels in vooral naaldbomen (ransuil). Huismus broedt in kieren en spleten van bebouwing en tevens vaak onder (ronde) dakpannen.
Een geschikte leefomgeving van de huismus bestaat uit een combinatie van geschikte nestgelegenheid, voedsel, drinkwater en voldoende dekking in de vorm van stekelige of groenblijvende struiken. Voornamelijk plekken waar bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen herbergen hoge dichtheden aan huismussen. Huismussen zijn zeer honkvast en blijven altijd in de directe omgeving van hun nestplaats. Er zijn tijdens het veldbezoek enkele huismussen waargenomen in het plangebied rond de woningen aan de Odijkerweg. Deze woningen hebben bevatten ronde dakpannen waaronder huismussen tot broeden kunnen komen (Afbeelding 5.8). De aanwezigheid van de huismus kan niet worden uitgesloten in het plangebied. De groene stroken langs de grenzen van het plangebied
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 21
en de nabijgelegen tuinen vormen geschikt leef- en broedgebied.
Afbeelding 5.8 | Woningen aan de Odijkerweg die geschikt zijn voor huismussen.
Gierzwaluw broedt in Nederland veelal in stedelijk gebied. Hierbij nestelt de soort in kolonieverband in daken van woningen of oude gebouwen. De meest gebruikte nestlocaties zijn gelegen op daken onder scheefliggende of kapotte dakpannen, nokpannen, gaten en kieren onder de dakrand en dakkapellen - daar waar het zink overloopt van de dakkapel naar de dakpannen. Daarnaast worden soms gaten in muren, kunstmatige nestkasten of nestpannen, in ventilatieschachten en in gaten achter regenpijpen gebruikt. Een vrije uitvliegroute op minimaal enkele meters boven de grond is één van de vereisten waar elke nestlocatie aan voldoet. Hoogte heeft altijd voorkeur boven vergelijkbare lager gelegen potentiële nestlocaties. Daarnaast is in daken een hellingshoek van 45 graden vereist om de gierzwaluw de mogelijkheid te geven om uit te vliegen. In het plangebied zijn bij de woningen aan de Odijkerweg verschillende kieren en gaten aangetroffen die een potentiële broedlocatie voor gierzwaluw kunnen vormen. De havik heeft een voorkeur voor grote aaneengesloten bossen, maar neemt ook genoegen met kleinere bosjes en boomgroepen, zolang er ook open landschap in de omgeving ligt. Het nest (of horst) wordt vaak gebouwd in naaldbomen en meerdere jaren achtereen gebruikt. Buizerds jagen voornamelijk in het open land, maar broeden in boomnesten en leven aan bosranden of in open gebieden met groepen bomen.
De buizerd gebruikt regelmatig hetzelfde nest meerdere jaren, maar is ook goed in staat om zelf een nieuw nest te bouwen en kan ook jaarlijks wisselen
tussen nesten. De wespendief leeft bij voorkeur in grotere bossen (>250 ha) van minimaal ca. 40 jaar oud, waar ze graag broeden in douglas- of fijnspar, maar komt ook voor in loof- en gemengd bos met open plekken waar habitat als heideterreinen, hoogveen of kleinschalig cultuurlandschap aanwezig is. Wespendieven kunnen zelf een nest bouwen en dat meerdere jaren achter elkaar gebruiken, maar nemen ook zeer regelmatig nesten in gebruik die door andere vogels zijn gebouwd. De sperwer broedt in bossen, soms tuinen en parken, maar meestal in een dicht, jong bos met naaldbomen (fijnspar, lariks), het liefst in halfopen landschappen. In en rond het volkstuinencomplex zijn veel bomen aanwezig die als broedlocatie kunnen dienen voor bovenstaande roofvogels. Tijdens het veldbezoek zijn geen horsten aangetroffen, maar tijdens het veldbezoek kon het terrein niet vlakdekkend worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten omdat deze vanaf de openbare weg is uitgevoerd en er nog veel bladeren aan de bomen aanwezig zijn. Daarnaast kan het plangebied gebruikt worden als foerageergebied voor deze soorten. De ooievaar maakt als broedplek gebruik van kunstmatige nestgelegenheden op daken en wagenwielen, maar hij broedt ook in zelfgemaakte nesten in bomen.
Nesten van ooievaar zijn zeer opvallend en zijn ondanks dat het veldbezoek vanaf de openbare weg is uitgevoerd tijdens het veldonderzoek niet aangetroffen binnen het plangebied, aanwezigheid van deze soort kan daarom worden uitgesloten. In de wijde omgeving zijn wel nesten bekend. Zo is er paartje broedend bekend op een nestpaal bij Odijk. Daarnaast is het plangebied als foerageergebied maar weinig geschikt. Geschikte weilanden en hooilanden met veel voedsel ontbreken. De boomvalk jaagt in open en halfopen land: parklandschappen, heiden en hoogvenen, open duin en moeras, boerenland en dorpen, ook wel in buitenwijken van steden. De boomvalk broedt in allerlei typen bos, liefst in halfopen bos of aan de randen ervan, maar ook wel in solitaire bomen. Daarnaast broeden ze ook in populierensingels, op erven, in hoogspanningsmasten en in stadsparken. Ze maken gebruik van nesten waar kraaien en eksters in hebben gebroed. Tijdens het veldonderzoek zijn enkele nesten van zwarte kraai en ekster vastgesteld die mogelijk gebruikt kunnen worden door de boomvalk. Mogelijk zijn er nog meer nesten aanwezig omdat het veldonderzoek
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 22
vanaf de openbare weg is uitgevoerd en er nog veel bladeren aan de bomen aanwezig zijn, waardoor niet nesten zijn vastgesteld. Ransuilen komen voor in uiteenlopende landschapstypen, zolang er maar voldoende leefgebied aanwezig is voor veldmuizen, de voornaamste prooidieren van deze uilensoort. De ransuil broedt en roest bij voorkeur in naaldbos en gemengd bos, en zelden in houtwallen of tuinen. De ransuil bouwt zelf geen nest, maar gebruikt oude nesten van buizerds, kraaien, eksters (als de ‘kap’ van het nest is ingestort), sperwers en andere vogelsoorten. Tijdens het veldonderzoek zijn enkele nesten van zwarte kraai en ekster vastgesteld die mogelijk gebruikt kunnen worden door de ransuil. Mogelijk zijn er nog meer nesten aanwezig omdat het veldonderzoek vanaf de openbare weg is uitgevoerd en er nog veel bladeren aan de bomen aanwezig zijn, waardoor niet alle nesten zijn vastgesteld. In 2011 zijn tijdens het nader onderzoek jonge ransuilen vastgesteld net buiten het plangebied op landgoed Bornia. Hier zijn veel nesten van zwarte kraai aanwezig. Daarnaast is het mogelijk dat er in het plangebied ransuilen broeden die in het plangebied vaste roesplekken hebben. Deze plekken zijn net als het nest beschermd, omdat het verwijderen ervan invloed kan hebben op het broedsucces.
De kerkuil is een soort die leeft in (half)open cultuurlandschappen met veel landschapselementen en jaagt in gras- of bouwland. Kerkuilen maken zelf geen nest en hebben en platte ondergrond nodig om hun eieren te leggen. Nestplaatsen zijn te vinden in schuren, kerktorens of andere bouwwerken. Kerkuilen gebruiken ook graag speciaal opgehangen nestkasten. Er worden regelmatig verkeerslachtoffers gemeld langs de A12. Op landgoed Reehorst is korte tijd melding gedaan van een kerkuil op een boerderij. Ook op een boerderij tussen landgoed Rijnwijck en Blikkenburg wordt regelmatig een kerkuil gemeld. Het is onbekend of het hier gaat om een nest- of roestlocatie. Mogelijk dat er binnen het plangebied ook geschikte nest- of roestplaatsen aanwezig zijn. Er staan in het plangebied enkele schuurtjes die mogelijk geschikt kunnen zijn, zoals aan de voormalige drafbaan. Omdat deze op privéterreinen staan zijn deze niet onderzocht tijdens het veldbezoek. Nest- en roestplaatsen van kerkuil kunnen daarom niet binnen het plangebied worden uitgesloten. Ook kan het plangebied gebruikt worden als foerageergebied.
Steenuilen komen voor in kleinschalig agrarisch cultuurlandschap. De steenuil is een vogel die broedt in natuurlijke holtes van bomen (knotwilg of hoogstam fruitbomen) of in rustige hoekjes of nissen van gebouwen, in schuren of nestkasten. Daarnaast zoekt de steenuil voedsel op plaatsen waar lange en korte vegetatie elkaar afwisselen, zoals schapen- en paardenweides, erven, boomgaarden, moestuinen en tuinen. Vanuit de NDFF zijn geen waarnemingen binnen het plangebied bekend. Wel zijn er enkele waarnemingen ten noorden van het plangebied in de omgeving van landgoed Rijnwijck en Nieuw Beerschoten. Mogelijk broedt er een paartje op een naastgelegen boerderij of in een nestkast. Daarnaast kunnen de gronden van de (voormalige) drafbaan als foerageergebied worden gebruikt door de steenuil. Het is gezien de waarnemingen in de NDFF niet op voorhand uit te sluiten dat de het plangebied onderdeel uitmaakt van het functioneel leefgebied van de steenuil. →
In het plangebied zijn mogelijk nestplaatsen van huismus, gierzwaluw, havik, buizerd, wespendief, sperwer, boomvalk, ransuil, kerkuil en steenuil en daarnaast kan het plangebied onderdeel uitmaken van foerageergebied van deze soorten.
Algemene broedvogels Het plangebied heeft een zeer afwisselend biotoop en hierdoor is het geschikt voor allerlei algemene broedvogels. In het plangebied kunnen algemene broedvogels zoals merel (Turdus merula) en houtduif (Columba palumbus) tot broeden komen in de begroeiing, kauw (Corvus monedula) en spreeuw (Sturnus vulgaris) in de gebouwen en wilde eend (Anas platyrhynchos) en meerkoet (Fulica atra) op de oevers van de watergangen. →
In het plangebied komen mogelijk algemene broedvogels tot broeden.
5.4.1 Effectbeoordeling vogels Huismus, gierzwaluw, havik, buizerd, wespendief, sperwer, boomvalk, ransuil, kerkuil en steenuil hebben mogelijk nestlocaties binnen het plangebied en daarom kan de activiteit negatieve effecten hebben op deze soort, met als gevolg overtreding van artikel 11.37 van het Bal. Nader onderzoek naar vogels met jaarrond beschermde nesten is nodig om de aan- of afwezigheid van deze soorten in het plangebied vast
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 23
te stellen en de gebruiksfuncties van het plangebied voor de soorten. Mogelijk is het nodig een vergunning aan te vragen. →
Negatieve effecten op functioneel leefgebied van huismus, gierzwaluw, havik, buizerd, wespendief, sperwer, boomvalk, ransuil, kerkuil en steenuil kunnen niet worden uitgesloten. Onderzoek naar functioneel leefgebied van huismus, gierzwaluw, havik, buizerd, wespendief, sperwer, boomvalk, ransuil, kerkuil en steenuil is noodzakelijk.
→
Verder kunnen algemene broedvogels tot broeden komen in het plangebied. In gebruik zijnde nesten zijn beschermd onder de Omgevingswet. Wanneer er werkzaamheden worden uitgevoerd terwijl er nesten in gebruik zijn, kunnen negatieve effecten optreden. Om deze effecten te voorkomen, dienen preventieve maatregelen te worden uitgevoerd (paragraaf 6.3.1). Een nader onderzoek naar beschermde vogels is niet noodzakelijk. →
Nesten van algemene broedvogels worden mogelijk vernield als gevolg van de activiteit. Preventieve maatregelen – zoals werken buiten het broedseizoen – zijn noodzakelijk, deze worden beschreven in paragraaf 6.3.1.
→
5.5
modderkruiper. De watergang staat wel in verbinding met sloten buiten het plangebied die potentieel geschikt zijn als voortplantingswater. Zodoende is het mogelijk voor grote modderkruiper om te migreren tussen geschikt voortplantingswater en overwinteringswater, zoals de sloten grenzend aan het plangebied. Mogelijk wordt deze watergang ook wel als overwinteringshabitat gebruikt door grote modderkruiper door de aanwezigheid van een stevige modderlaag en voldoende diepte. Op basis van het veldbezoek, terreinkenmerken kan overwintering van grote modderkruipers niet worden uitgesloten, waardoor nader onderzoek noodzakelijk is om de functie van de watergang voor grote modderkruiper in kaart te brengen. →
In het plangebied is mogelijk leefgebied aanwezig van de grote modderkruiper.
5.5.1 Effectbeoordeling vissen Grote modderkruiper heeft mogelijk leefgebied binnen het plangebied en daarom kan de activiteit negatieve effecten hebben op deze soort, met als gevolg overtreding van artikel 11.54 van het Bal. Nader onderzoek naar grote modderkuiper is nodig om de aanof afwezigheid van deze soort in het plangebied vast te stellen en de gebruiksfuncties van het plangebied voor de soort. Mogelijk is het nodig een vergunning aan te vragen. Het nader onderzoek naar deze soort wordt beschreven in hoofdstuk 6.
Vissen
Op basis van de NDFF (2024) blijkt de volgende beschermde vis in de omgeving bekend te zijn: grote modderkruiper.
→ →
Negatieve effecten op functioneel leefgebied van de grote modderkuiper is niet uitgesloten. Nader onderzoek naar functioneel leefgebied van grote modderkruiper is noodzakelijk.
Oorspronkelijk leefden grote modderkruipers in overstromingsvlakten, tegenwoordig leeft deze vissoort voornamelijk in poldersloten en moerassen. Hierbij ligt de voorkeur bij ondiepe wateren met een stevige modderbodem en veel onderwatervegetatie. Grote modderkruipers overwinteren in de modderbodem. Op landgoed Rijnwijck en ten noorden daarvan is in 2020 een waarneming gedaan van een exemplaar en door RAVON is in 2021 ook middels eDNA de soort vastgesteld. Deze watergang loopt door naar het zuiden en grenst aan het plangebied (Afbeelding 5.9 en 5.10). Hier is de watergang een stuk breder en door het ontbreken van een rijke oever- en onderwatervegetatie en de aanwezigheid van diverse roofvissen als baars en marmergrondel wordt dit deel ongeschikt geacht als voortplantingswater voor grote
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 24
poelkikker. Op basis van terreingesteldheid kan niet worden uitgesloten dat de watergang grenzend aan het plangebied ter hoogte van de voormalige drafbaan geschikt voortplantingswater betreft. Het gaat hier om een onbeschaduwde watergang met een redelijk flauwe oever (Afbeelding 5.10). Overwinteringslocaties van poelkikker zijn hierdoor ook niet uit te sluiten. De Rijnwijckse wetering zal niet geschikt zijn doordat deze beschaduwd is en water snel afvoert richting de Kromme Rijn.
Afbeelding 5.9 | Watergang op landgoed Rijnwijck grenzend aan het plangebied.
Afbeelding 5.10 | Watergang grenzend aan het plangebied ter hoogte van de voormalige drafbaan.
5.6
Amfibieën
Op basis van de NDFF (2024) blijken de volgende beschermde amfibieën in de omgeving bekend te zijn: poelikker, kamsalamander en Alpenwatersalamander. Daarnaast zijn er een aantal beschermde soorten die echter provinciaal zijn vrijgesteld van de verbodsbepalingen. Hiervoor kan wel mogelijk de specifieke zorgplicht (art. 11.27 Bal) gelden, zie hiervoor paragraaf 5.9. Poelkikkers zijn voornamelijk te vinden in onbeschaduwde, stilstaande, schone en voedselarme wateren met begroeide oevers. Deze soort komt hoofdzakelijk voor in de hogere delen van Nederland en het rivierenland, met name in bos- en heidegebied. Naast de voortplanting in het water vindt de overwintering plaats op het land, waarbij poelkikkers zich op vorstvrije plekken ingraven of soms verschuilen in dichte struikvegetatie en onder dood hout. In de ruime omgeving zijn enkele waarnemingen gedaan van
Kamsalamanders leven in halfopen omgevingen met bos, houtwallen en struweel. De soort komt zelden voor in open akkerlandschap, maar wel in de buurt van landgoederen, rivieren en beekdalen. Kamsalamanders planten zich vooral voort in stilstaande, vrij zonnige en visvrije wateren met een sterk ontwikkelde onderwatervegetatie. Schuil- en overwinterplaatsen zijn voornamelijk te vinden in steenhopen, takkenhopen en struweel, maar ook in water kunnen kamsalamanders overwinteren. In de ruime omgeving (<1 km) is kamsalamander alleen bekend in poelen op landgoed Blikkenburg, landgoed Rijsenburgsebos en landgoed Kraaybekerhof. Binnen het plangebied is beperkt water aanwezig (de Rijnwijckse wetering en de watergang grenzend aan het plangebied ter hoogte van de voormalige drafbaan), maar op basis van terreingesteldheid kan worden uitgesloten dat dit geen geschikt voortplantingswater betreft omdat het water geen geisoleerd water (poel, kolk, ven, vijver) betreft. In uitzondering kunnen kamsalamanders ook in watergangen zitten, maar dan zonder doorstroming en zonder roofvissen. Omdat er geen voortplantingswater aanwezig is in het plangebied en in de ruime omgeving (<1 km) wordt overwinteringshabitat ook uitgesloten. De Alpenwatersalamander komt voor in allerlei typen wateren, voornamelijk nabij bossen of houtwallen.
Hierbij is het van belang dat het water relatief visvrij is en geen sterke stroming bevat. Deze salamandersoort legt zijn eieren tussen waterplanten en onder dood blad op de waterbodem. De overwintering vindt voornamelijk plaats op vochtige en beschutte locaties als takkenhopen, dichte begroeiing, bladhopen, bunkers en spleten onder gebouwen. Alpenwatersalamanders stellen weinig eisen aan het voortplantingswater. De soort is bekend uit de bebouwde kom van de gemeente Zeist en Driebergen/Rijsenburg. In de provincie Utrecht komt Alpenwatersalamander niet van nature voor maar is hier in het verleden uitgezet. Binnen
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 25
het plangebied is beperkt water aanwezig (de Rijnwijckse wetering en de watergang grenzend aan het plangebied ter hoogte van de voormalige drafbaan), maar op basis van terreingesteldheid kan worden uitgesloten dat dit geen geschikt voortplantingswater betreft omdat het water geen geïsoleerd water (poel, kolk, ven, vijver) betreft. In uitzondering kunnen kamsalamanders ook in watergangen zitten, maar dan zonder doorstroming en zonder roofvissen. Omdat er geen voortplantingswater aanwezig is wordt overwinteringshabitat ook uitgesloten. →
de populatie van het Kromme Rijngebied. Binnen het plangebied is water aanwezig (de Rijnwijckse wetering en de watergang grenzend aan het plangebied ter hoogte van de voormalige drafbaan) en op basis van terreingesteldheid kan niet worden uitgesloten dat dit geschikt foerageergebied betreft. Daarnaast kunnen broeihopen aanwezig zijn in het plangebied, bijvoorbeeld op het volkstuinencomplex.
In het plangebied is mogelijk leefgebied aanwezig van de poelkikker.
5.6.1 Effectbeoordeling amfibieën Poelkikker heeft mogelijk leefgebied binnen het plangebied en daarom kan de activiteit negatieve effecten hebben op deze soort, met als gevolg overtreding van artikel 11.54 van het Bal. Nader onderzoek naar poelkikker is nodig om de aan- of afwezigheid van deze soort in het plangebied vast te stellen en de gebruiksfuncties van het plangebied voor de soort. Mogelijk is het nodig een vergunning aan te vragen. Het nader onderzoek naar deze soort wordt beschreven in hoofdstuk 6. →
Negatieve effecten op functioneel leefgebied van de poelkikker is niet uitgesloten. Nader onderzoek naar functioneel leefgebied van de poelkikker is noodzakelijk.
→
5.7
Reptielen
Op basis van de NDFF (2024) blijken de volgende beschermde reptielen in de omgeving bekend te zijn: hazelworm, ringslang en zandhagedis. De ringslang is een watergebonden reptielensoort. Een geschikt leefgebied bevat natuurlijke oeverzones met open plekken en ruigte. Deze elementen bieden zowel schuilplaatsen als zongelegenheid. Ringslangen planten zicht voort in snel opwarmende broeihopen, mesthopen of bladhopen. Deze hopen vormen ook geschikt overwinteringshabitat, net als vorstvrije plekken onder dood hout of boomwortels. In de omgeving zijn verschillende waarnemingen bekend van ringslang. Ze worden waargenomen in en rond de vijvers van landgoed De Breul (Afbeelding 5.11) en langs watergangen op de landgoederen Rijnwijck en Nieuw Beerschoten. De ringslangen maken onderdeel uit van
Afbeelding 5.11 | De vijver van landgoed De Breul waarlangs veel waarnemingen worden gedaan van ringslang.
De hazelworm komt voornamelijk voor in bos- en heidegebieden, met name in overgangszones tussen beide typen habitat. Hierbij ligt de voorkeur bij biotopen met een vochtige en dichte vegetatie met zonbeschenen plekken. Een geschikt leefgebied bevat voldoende schuilplaatsen in de strooisellaag, dichte vegetatie of dood hout. Waarnemingen van hazelworm zijn niet bekend binnen het plangebied. Er worden wel veel hazelwormen waargenomen op de landgoederen ten oosten van het plangebied. Deze dieren maken onderdeel uit van de populatie op de Utrechtse Heuvelrug. Aangezien de hazelworm in de omgeving alleen op de zandgronden en in de bosranden met dikke strooisellaag voorkomt wordt de soort niet binnen het plangebied verwacht. Ook de taluds langs het spoor zijn niet geschikt voor hazelworm omdat hier geschikt biotoop (vochtige en dichte vegetatie) ontbreekt. Binnen het plangebied is geen geschikt leefgebied aanwezig voor de hazelworm. De zandhagedis komt voornamelijk voor in duin- en heidegebieden. Een geschikt leefgebied bevat een rijk gestructureerde (heide)vegetatie met dekking en open stukjes zand waar de eieren kunnen worden gelegd. De overwintering vindt plaats in een zelf gegraven hol of zoogdierhol. Op Klein en Groot Heidestein
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 26
gelegen ten oosten van het plangebied op de Utrechtse Heuvelrug is een populatie zandhagedissen bekend op een heideterrein. Daarnaast komt de soort voor langs het spoortalud en bermen ter hoogte van de A12. Waarnemingen van de zandhagedis ten westen van de Arnhemse Bovenweg zijn niet bekend. Binnen het plangebied is namelijk geen geschikt leefgebied aanwezig voor de zandhagedis. Geschikte (heide)vegetatie met dekking en open stukjes zand ontbreken. →
Het plangebied is mogelijk leefgebied van de ringslang.
5.7.1 Effectbeoordeling reptielen Ringslang heeft mogelijk leefgebied binnen het plangebied en daarom kan de activiteit negatieve effecten hebben op deze soort, met als gevolg overtreding van artikel 11.54 van het Bal. Nader onderzoek naar ringslang is nodig om de aan- of afwezigheid van deze soort in het plangebied vast te stellen en de gebruiksfuncties van het plangebied voor de soort. Mogelijk is het nodig een vergunning aan te vragen. Het nader onderzoek naar deze soort wordt beschreven in hoofdstuk 6. →
Negatieve effecten op functioneel leefgebied van de ringslang is niet uitgesloten. Nader onderzoek naar functioneel leefgebied van de ringslang is noodzakelijk.
→
5.8
Ongewervelden
Op basis van de NDFF (2024) blijken de volgende beschermde ongewervelden in de omgeving bekend te zijn: gevlekte witsnuitlibel, grote vos, sierlijke witsnuitlibel en teunisbloempijlstaart. De meeste gevlekte witsnuitlibellen zijn te vinden bij verlandingszones van laagveenmoerassen. Daarnaast kunnen ze voorkomen in bosplassen en verlandingszones van hoogveen- en heidevennen op de hoge zandgronden en randzones van hoogveen. In de duinen is de soort gevonden bij verlandingsvegetaties met een laagveenkarakter. Deze biotooptypen hebben met elkaar gemeen dat het water helder, ondiep (één meter of minder), matig voedselrijk en beschut gelegen is. Zowel vegetatie loze als dichtgegroeide wateren worden gemeden. Binnen het plangebied zijn geen geschikte voortplantingswateren aanwezig. Net buiten het plangebied op landgoed De Breul is wel geschikt
voortplantingswater in de vijver aanwezig en worden jaarlijks meerdere exemplaren waargenomen (Afbeelding 5.11). De grote vos komt bij voorkeur voor in landschappen met grote solitaire bomen, met name in vochtige bossen, bosranden of boomgaarden. Een geschikt leefgebied bevat ook voldoende overwinterhabitat, zoals stapels hout of holle bomen. Rupsen van de grote vos zijn voornamelijk afhankelijk van waardplanten als iep, maar ook van zoete kers, populieren en soms wilgen. Binnen het plangebied zijn waardplanten van deze soort aanwezig bijvoorbeeld rond het volkstuinencomplex en daarom is aanwezigheid van voortplantingshabitat binnen het plangebied niet uit te sluiten. De sierlijke witsnuitlibel komt voor langs beschutte oeverzones van meren en in stilstaande, ongestoorde wateren met een rijke (submerse)watervegetatie, zoals veenplassen, vijvers en dode rivierarmen. De wateren zijn (matig) voedselrijk en doorgaans omgeven door bos. Net buiten het plangebied op landgoed De Breul is wel geschikt voortplantingswater in de vijver aanwezig en worden jaarlijks meerdere exemplaren waargenomen (Afbeelding 5.11). De teunisbloempijlstaart is als imago zeer mobiel en kan bijna overal in de zuidelijke helft van Nederland worden aangetroffen.
Voor de voortplanting is het essentieel dat er waardplanten aanwezig zijn, zoals harig wilgenroosje, basterdwederik, teunisbloem en grote kattenstaart. Deze waardplanten gedijen voornamelijk in ruige vegetaties op omgewerkte grond. Waardplanten kunnen worden aangetroffen in tuinen, braakliggende terreinen, agrarische gronden, bosranden en bermen. Van juni tot en met september foerageren de rupsen op deze waardplanten. De soort overwintert als pop in het strooisel, niet ver van de waardplant. Tijdens het veldbezoek is o.a. teunisbloem op verschillende locaties waargenomen, waardoor het gebied geschikt is als voortplantingsplaats (Afbeelding 5.12). →
In het plangebied zijn grote vos en teunisbloempijlstaart niet uit te sluiten.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 27
Afbeelding 5.12 | Teunisbloem langs het hekwerk van de voormalige drafbaan.
5.8.1 Effectbeoordeling ongewervelden Teunisbloempijlstaart en grote vos hebben mogelijk voortplantingshabitat binnen het plangebied en daarom kan de activiteit leiden tot het vernietigen van leefgebied van deze soorten en kans op doden en verwonden van dieren (specifiek eitjes, rupsen of poppen). Dit betreffen overtredingen van artikel 11.46 (teunisbloempijlstaart) en 11.54 (grote vos) van het Bal. Om vast te stellen of deze soorten leefgebied binnen het plangebied hebben is nader onderzoek nodig. →
Voortplantingshabitat van grote vos en teunisbloempijlstaart wordt mogelijk vernield door de activiteit. Nader onderzoek naar voortplantingshabitat van de grote vos en teunisbloempijlstaart is noodzakelijk.
→
5.9
Rode Lijst en HR Bijlage II & V
soorten – ook geldt voor soorten van de Rode Lijst en soorten die voorkomen in bijlage II en V van de Habitatrichtlijn. Op basis van de NDFF en waarnemingen die tijdens het veldbezoek zijn gedaan is vastgesteld welke soorten in of in de directe omgeving van het plangebied voorkomen (zie Tabel 5.1). Op basis van aanwezigheid van geschikt habitat van de soort en de specifieke werkzaamheden is vervolgens bepaald of er nadelige gevolgen optreden ten aanzien van exemplaren van deze soorten en hun nesten, foerageerplaatsen, voortplantingsplaatsen en rustplaatsen. Uit het literatuur- en veldonderzoek blijkt dat er meerdere soorten waarvoor de specifieke zorgplicht geldt binnen het plangebied aanwezig zijn of verwacht kunnen worden. Voor deze soorten zijn daarom maatregelen nodig om nadelige gevolgen zo veel als mogelijk te voorkomen, welke nader worden uitgewerkt in Hoofdstuk 6. → →
In het plangebied zijn verschillende soorten aanwezig waarvoor de specifieke zorgplicht geldt. Voor deze soorten zijn mitigerende maatregelen noodzakelijk, welke uitgewerkt zijn in paragraaf 6.3.1.
5.10 Exoten Tijdens het veldbezoek zijn geen invasieve exoten waargenomen, maar kunnen niet geheel worden uitgesloten. Een volkstuinencomplex is vaan een typische plek omdat hier veel met planten en grondt wordt gesleept.
In artikel 11.27 van het Bal is een specifieke zorgplicht opgenomen die – naast voor strikt beschermde Tabel 5.1 | Overzicht van de Rode-Lijstsoorten en soorten van bijlage II en V van de Habitatrichtlijn die binnen het plangebied, of in de directe omgeving daarvan, waargenomen zijn of bekend zijn uit de NDFF of andere bronnen. Soortgroep Nederlandse naam Wetensch. naam Type waarneming Negatieve gevolgen? Bijen en hommels
Gewone tubebij
Stelis breviuscula
NDFF
Ja, vernietigen leefgebied
Schimmels
Geel nestzwammetje
Hericium coralloides
NDFF
Ja, vernietigen habitat
Vaatplanten
Rijncentaurie
Centaurea stoebe
NDFF
Ja, verwijderen planten
Vaatplanten
Wilde ridderspoor
Consolida regalis
NDFF
Ja, verwijderen planten
Dagvlinders
Bruin blauwtje
Aricia agestis
NDFF
Ja, vernietigen leefgebied
Amfibieën
Bruine kikker
Rana temporaria
NDFF
Ja, dempen voortplantingshabitat
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 28
6 Vervolgstappen
Tijdens de Ecologische Quickscan Omgevingswet is op verschillende ecologische aspecten getoetst of er sprake is van overtreding van verbodsartikelen. Om overtreding te voorkomen dienen verschillende vervolgstappen genomen te worden, welke in dit hoofdstuk verder uitgelegd worden.
6.1
Gebiedsbescherming
Het is noodzakelijk om een stikstofberekening in het kader van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden uit te voeren. Voor het uitvoeren van een stikstofberekening zijn gedetailleerde gegevens over de bouw- en gebruikersfase. Deze kan dus pas worden uitgevoerd als er een concreter plan voor het ontwikkelen van de woningopgave rondom het stationsgebied Driebergen-Zeist. Voor dit project is het uitvoeren van een ‘Nee, Tenzij’toets nodig omdat het plangebied binnen de begrenzing van het NNN ligt en er een wijziging in de bestemmingsplannen plaatsvindt. Daarnaast zal er bij de NNN toetsing extra aandacht uit moeten gaan naar de verbindingsfunctie van het plangebied voor soorten als onderdeel van de wezenlijke waarden en kenmerken.
6.2
Houtopstanden
Binnen het plangebied worden mogelijk houtopstanden geveld waar de regels van de Omgevingswet op van toepassing zijn. Voor het vellen van deze houtopstanden geldt een meldingsplicht bij de provincie Utrecht. Daarmee geldt ook een herbeplantingsplicht op dezelfde locatie binnen drie jaar. Daarnaast valt een deel van het plangebied binnen de door de gemeente Zeist en Gemeente Utrechtse Heuvelrugvastgestelde bebouwde kom en geldt hiervoor de Bomenverordening. Er geldt mogelijk een kapverbod, waarvoor een vergunning dient te worden aangevraagd bij de gemeente. De opdrachtgever dient hier zelf zorg voor te dragen.
6.3
Soortbescherming
Uit de Quickscan blijkt dat er verschillende beschermde soorten in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de activiteit te verwachten zijn. Omdat er nog geen concreet plan ligt voor de ontwikkeling met woningopgave rondom het stationsgebied Driebergen-Zeist is bij de analyse daarom uitgegaan van een worst-case scenario waarbij het uitgangspunt is dat de ontwikkeling binnen het gehele plangebied uitgevoerd kan gaan worden en dus het gehele plangebied aangetast wordt. Voor een aantal van deze soorten zijn middels het nemen van specifieke preventieve maatregelen negatieve effecten te voorkomen. Dit betreffen de volgende soorten/functies: • Algemene broedvogels Voor andere soorten zijn er geen maatregelen die het optreden van negatieve effecten geheel voorkomen. Er is daarom nader onderzoek nodig om vast te stellen of de soort inderdaad aanwezig is, zo nodig gevolgd door een vergunningsaanvraag. Het betreffen de volgende soorten/functies: • Groeiplaatsen dreps, groot spiegelklokje, korensla, naakte lathyrus, wilde ridderspoor en schubvaren. • Functioneel leefgebied van boommarter, bunzing, wezel, hermelijn, das, eekhoorn, konijn, haas en steenmarter. • Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis.
• Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen: franjestaart, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis • Essentiële vliegroutes en essentieel foerageergebieden van vleermuizen. • Functioneel leefgebied van huismus, gierzwaluw, havik, buizerd, wespendief, sperwer, boomvalk, ransuil, kerkuil en steenuil.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 29
• • • •
Functioneel leefgebied van grote modderkruiper Functioneel leefgebied van poelkikker Functioneel leefgebied van ringslang Voortplantingshabitat van teunisbloempijlstaart en grote vos.
6.3.1 Maatregelen soortbescherming Onderstaand is per soort(groep) beschreven met welke mitigerende maatregelen er invulling wordt gegeven aan het voorkomen dan wel te verminderen van negatieve effecten op zowel soort- als populatieniveau. Zorgplicht In de Omgevingswet is op twee verschillende manieren een zorgplicht uitgewerkt. De eerste behelst een algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving (Artikel 1.6 Omgevingswet). Dit houdt in dat eenieder voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving in acht neemt en doet wat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd om negatieve effecten te verminderen. Daarnaast geldt er een specifieke zorgplicht voor Rode-Lijstsoorten en soorten van bijlage II en V van de Habitatrichtlijn. Deze zorgplicht is opgenomen in artikel 11.27 van het Bal. Hierbij geldt eveneens dat de initiatiefnemer voldoende zorg dient te dragen voor het voorkomen of beperken van negatieve gevolgen op deze soorten en daarnaast ook hun habitat. Hierbij dient nagegaan te worden welke nadelige gevolgen optreden en dienen alle passende preventieve maatregelen getroffen te worden om nadelige gevolgen te voorkomen en wordt nagegaan of deze maatregelen het beoogde effect hebben.
Deze zorgverplichtingen gelden te allen tijde bij het uitvoeren van een activiteit, ongeacht of deze te typeren zijn als ruimtelijke ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud en ongeacht of er beschermde soorten aanwezig zijn. Dit laatste wil dus zeggen dat ook als er geen beschermde soorten voorkomen de algemene zorgverplichting toch in acht genomen dient te worden. Hiervoor dienen algemene mitigerende maatregelen uitgevoerd te worden. Deze algemene mitigerende maatregelen zijn onderstaand beschreven. • Werkzaamheden in het plangebied dienen met de minste schade voor aanwezige planten en dieren te worden uitgevoerd.
• Wees alert op dieren in het plangebied. Wacht tot dieren zelfstandig het gebied hebben verlaten. • Werk vanuit het midden van het plangebied naar de rand, of werk langzaam in één werkrichting zodat verstoorde dieren de mogelijkheid hebben om het plangebied te verlaten. Draag er tevens zorg voor dat de richting waarin de dieren moeten vluchten voldoende beschutting of leefgebied biedt. • Verlichting is alleen aan wanneer dat functioneel noodzakelijk is. De verlichting wordt voldoende afgeschermd en alleen op het werk gericht. Gebruik alleen verlichting met een naar beneden gerichte lichtbundel. • Er dient zoveel mogelijk gebruik te worden gemaakt van bestaande wegen en paden. Algemene broedvogels Veel broedvogels zijn opportunisten die weinig eisen stellen aan hun omgeving. Alle vogelnesten zijn beschermd wanneer deze in gebruik zijn. Algemene broedvogels zijn niet standvastig, ze kunnen ieder jaar op een andere plek broeden en zijn weinig kieskeurig. Soorten die tot broeden kunnen komen in of nabij het plangebied zijn o.a. merel, houtduif, kauw, spreeuw, wilde eend en meerkoet. Onderstaande maatregelen en aandachtspunten moeten in acht worden genomen ten aanzien van algemene broedvogels om een overtreding van artikel 11.37 lid 1 van het Bal te voorkomen. • Er kunnen in het plangebied algemene vogels tot broeden komen.
Deze vogelnesten zijn uitsluitend beschermd gedurende de periode dat deze nesten in gebruik zijn, dat wil zeggen de broed- en nestperiode; • De broedperiode loopt globaal van 15 maart tot 15 juli, maar ook broedgevallen buiten deze periode zijn beschermd; • Het is niet mogelijk om een omgevingsvergunning te verkrijgen voor het verwijderen of verstoren van in gebruik zijnde nesten in de broed- en nestperiode. Voor verlaten nestplaatsen geldt dit niet; • Het is in dit kader aan te bevelen om de werkzaamheden voor zover dat mogelijk is buiten de broedperiode om uit te voeren; • Indien het niet mogelijk is om buiten de broedperiode te werken en/of het plangebied broedvrij te houden, dient het plangebied voorafgaande aan de werkzaamheden door een ecologisch
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 30
deskundige (Bijlage D) gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedende vogels; • Wanneer er geen vogels nestelen kan er begonnen worden met de werkzaamheden. Bij aantreffen van een broedgeval in het plangebied wordt een rustzone afgezet door een ecologisch deskundige en wordt de locatie met rust gelaten tot de jongen zijn uitgevlogen. Er mogen geen werkzaamheden in de directe zone rond een nest plaatsvinden. De omvang van deze zone wordt door de begeleidend ecoloog bepaald. Eventueel kan er met schermen gewerkt worden die visuele verstoring en/of verstoring door geluid naar een broedgeval beperken. 6.3.2 Natuurinclusieve maatregelen Er liggen kansen om de eventuele nieuwe woonwijk geschikt te maken voor allerlei soorten door natuurinclusief te ontwikkelen. Dit heeft als doel de lokale biodiversiteit te versterken en te verhogen en zorgt tevens voor een groene en gezonde leefomgeving. Een biodiverse woonwijk met veel verschillende soorten is niet alleen belangrijk voor flora en fauna, maar ook voor de mens. Dit heeft alles te maken met de ecosysteemdiensten die de natuur aan ons levert, denk aan: de productie van voedsel en drinkwater, beperken van plagen maar ook regulerende diensten die zorgen voor o.a.
verkoeling, opvang van fijnstof en opslag van koolstof evenals de absorptie van geluid en wind, de opslag van koolstofdioxide, het bergen van water en de bijdrage aan een gezonde leefomgeving. Een hoge biodiversiteit in de bebouwde omgeving is gunstig voor het welzijn en welbevinden van de inwoners en voor de realisatie van ecosysteemdiensten in het algemeen. Diverse wetenschappelijke onderzoeken in de laatste 10 jaar hebben aangetoond dat
een groene leefomgeving zorgt voor een verhoogde mentale en fysieke gezondheid van inwoners en dat het een gezonde (actievere) levensstijl bevorderd. Stedelijk groen heeft meerdere functies waarvan er vier als meest belangrijk naar voren komen: • Een leefgebied voor dieren en planten aanbieden (of anders gezegd voor de biodiversiteit); • Een betere en gezondere omgeving aanbieden aan inwoners; • Opvang van neerslag in een gebied waar de grond veelal verhard is (en daarmee het voorkomen van een overbelast rioolstelsel); • Het lokale klimaat van de stad reguleren en verkoelen in de zomer; hierbij spelen bomen een belangrijke rol. Bureau Viridis heeft veel ervaring met het opstellen van biodiversiteitsplannen voor nieuwe woonwijken en kan desgewenst meedenken over de mogelijkheden. Ook is meer informatie is te vinden op: • https://www.bouwnatuurinclusief.nl/ • https://www.checklistgroenbouwen.nl/ 6.3.3 Nader onderzoek beschermde soorten Zoals reeds aangegeven wordt in dit rapport rekening gehouden met een wordt-case scenario. Omdat de planvorming nog niet concreet genoeg is, kan op basis van de nu bekende informatie nog niet met zekerheid bepaald worden naar welke soorten een nader onderzoek uitgevoerd dient te worden. In Tabel 6.1 worden alle mogelijk in het plangebied voorkomende soorten met de specifieke onderzoeksinspanning benoemd.
Zodra de plannen vorm hebben gekregen kan nader bekeken worden welke soorten wel en welke soorten mogelijk niet onderzocht moeten worden.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 31
Tabel 6.1 | Onderzoeksperiodes per soort(groep). Per soort(groep) aangegeven in welke periodes onderzoek plaats kan vinden (NGB, 2021, 2023). Voor sommige soorten geldt dat de periode en de inspanning per functie verschillend kan zijn. Type
Minimaal aantal onderzoeken
Vaatplanten
2 bezoeken
Vleermuis – gebouwbewonend
5 bezoeken
Vleermuis - boombewonend
4 bezoeken
Vleermuis – vliegroute
2 bezoeken
Vleermuis - foerageergebied
2 bezoeken
Boommarter
n.t.b.
Das
n.t.b.
Eekhoorn
2 bezoeken
Konijn
2 bezoeken
Haas
2 bezoeken
Steenmarter
n.t.b.
Kleine marterachtigen
n.t.b.
Steenuil
4 bezoeken
Huismus
2-4 bezoeken
Gierzwaluw
3 bezoeken
Buizerd
2-4 bezoeken
Boomvalk
2-4 bezoeken
Havik
2-4 bezoeken
Kerkuil
n.t.b.
Ransuil
2-4 bezoeken
Sperwer
2-4 bezoeken
Wespendief
2-4 bezoeken
Ringslang
4 bezoeken
Poelkikker
2 bezoeken
Grote modderkruiper
2 bezoeken
Teunisbloempijlstaart
2 bezoeken
Grote vos
2 bezoeken
feb
1
1
mrt
1
1
apr
1
1
1
1
mei
1
jun
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1 1
1
1 1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
jul
aug
sep
1
1
1
1
1
okt
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1 2
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
2
2
2
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 32
7 Literatuurlijst
Bat Habitat Key. (2018). Bat Roosts in Trees. A guide to identification and assessment for tree-care and ecology professionals. Exeter: Pelagic Publishing. Bejder, L., Samuels, A., Whitehead, H., Finn, H., & S., A. (2009). Impact assessment research: use and misuse of habituation, sensitization and toler-ance in describing wildlife responses to anthropo-genic stimuli. Marine Ecology Progress Series 395, pp. 177-185. Bos, F. M. (2006). De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidae, Papilionidea.- Nederlandse Fauna 7. Leiden, Nederland: Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey. Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J., Canters, K., & Buys, J. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren – Natuur van Nederland 12. Leiden: Naturalis Biodiversity Center & Eis Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden. Creemers, C. &. (2009). De amfibieën en reptielen van Nederland. Leiden: Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Society. Dietz, C., Von Helversen, O., & Nill, D. (2011). Vleermuizen Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Vertaling en bewerking PHC Lina. De Fontein/Tirion Uitgevers BV, Utrecht. De Fontein/Tirion Uitgevers BV, Utrecht. Gill, J. (2007). Approaches to measuring the effects of human disturbance on birds. Ibis 149, pp. 914.
Grondmij Nederland B.V. (2011). Deelgebied ZeistBunnik. Perspectief en inrichtingsbeeld voor de ecologische hoofdstructuur. Wensbeeld voor natuur en landschap. Provincie Utrecht. Jansen, R. (2012). Stationsgebied Driebergen-Zeist. L4.2.4-1 RAPPORT NATUUR. Arcadis. Kleukers, R., Nieukerken, E. v., Odé, B., Willemse, L., & Wingerden, W. v. (1997). De sprinkhanen en
krekels van Nederland (Orthoptera). Nederlandse Fauna 4. Leiden: Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland. Mabelis, A. (2011). Ecologische evaluatie van een landgoederenzone (gemeente Zeist). Wageningen: Alterra. NDFF. (2024). Uitvoerportaal Nationale Databank Flora en Fauna. Opgehaald van https://ndffecogrid.nl/uitvoerportaal/ Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie. (2012). De Nederlandse libellen (Odonata) Nederlandse Fauna 4. Leiden: Nationaal Natuurhistorisch Museum Na-turalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland. Netwerk Groene Bureaus. (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://www.netwerkgroenebureaus.nl/wer ken-aan-kwaliteit/werken-aankwaliteit/vleermuisprotocol Netwerk Groene Bureaus. (2023). Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie juli 2023). Opgehaald van https://www.netwerkgroenebureaus.nl/wer ken-aankwaliteit/soortinventarisatieprotocollen/prot ocollen-vis-amfibie-reptiel-vogel Sovon Vogelonderzoek Nederland. (2002). Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000. – Nederlandse Fauna 5. Leiden: Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Inver-tebrate Survey – Nederland. Sovon Vogelonderzoek Nederland. (2018). Vogelatlas van Nederland. Utrecht/Antwerpen: Kosmos Uitgevers.
Werkgroep Faunapassages Zeist Zuid/West. (2020). Natuur verbinden en behouden. De ecologische verbindingen tussen De Bilt, Zeist, Bunnik, Odijk en Driebergen.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 33
Bijlage A. Wettelijk kader
Omgevingswet
Zorgplicht
Vanaf 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht. Deze nieuwe wet brengt alle regelgeving over ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water samen in 1 wettelijk stelsel en vormt daarmee de basis voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Binnen de wet wordt gezocht naar een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving. Het doel van de wet is minder regels, een samenhangende benadering van de leefomgeving, ruimte voor lokaal maatwerk en betere en snellere besluitvorming. De Omgevingswet (Ow) doet dit aan de hand van vier Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB), dit zijn: • het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) • het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) • het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) • het Omgevingsbesluit (Ob)
In de Omgevingswet is in artikel 1.6 en 1.7 een zorgplicht opgenomen voor onze fysieke leefomgeving. Deze zorgplichtbepaling houdt in dat iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten (aanzienlijke) nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt op de fysieke leefomgeving verplicht is om maatregelen te nemen om die gevolgen te voorkomen of wanneer de gevolgen niet kunnen worden voorkomen deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Als gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt dan moet de initiatiefnemer de betreffende activiteit achterwege laten.
Naast deze vier AMvB’s is er nog de Omgevingsregeling (Or), waarin alle technische en administratieve details van de andere regelgeving zijn vastgelegd. Kader 1 | Fysieke leefomgeving De fysieke leefomgeving omvat naast natuur en landschappen ook alle bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, cultureel erfgoed en werelderfgoed in Nederland.
Binnen de Omgevingswet zijn de beschermingsregimes die voorheen onder de Wet natuurbescherming vielen voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden opgenomen, waardoor de wet voorziet in een implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen.
Voor activiteiten die betrekking hebben op alle Natura 2000-gebieden en/of bijzondere nationale natuurgebieden (‘Natura 2000 activiteit’) en activiteiten die betrekking hebben op in het wild levende dieren en planten mét en zonder beschermstatus (‘flora- en faunaactiviteit’) is daarnaast eveneens een specifieke zorgplicht van kracht die aanvullende verplichtingen oplegt aan iedereen die een dergelijke activiteit uitvoert. De specifieke zorgplichtbepaling is per afdeling opgenomen in het Bal. Kader 2 | Redelijkheid in de Omgevingswet In de zorgplichtbepaling is o.a. opgenomen dat een initiatiefnemer die een activiteit uitvoert en ‘redelijkerwijs’ weet of kan vermoeden dat die activiteit schadelijke gevolgen veroorzaakt, maatregelen neemt om schade te voorkomen of de handeling nalaat voor zover dit ‘redelijkerwijs’ van diegene kan worden gevraagd. Onder ‘redelijkerwijs’ kan datgene worden verstaan dat fysisch qua resultaat mogelijk is, maar ook dat wat van diegene die de schade veroorzaakt kan worden gevergd. Hierbij kan gedacht worden aan financiële, ruimtelijke en planningstechnische aspecten.
Naast bovenstaande beschermingsregimes bestaat in Nederland het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wat is geregeld in het Bkl. De beleidsuitwerking van het NNN vindt plaats in de omgevingsverordening die opgesteld wordt door de provincie.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 0
Specifieke zorgplicht Natura 2000 (artikel 11.6 Bal) Wanneer iemand4 een activiteit uitvoert die nadelige gevolgen kan hebben op Natura 2000 gebieden of bijzondere nationale natuurgebieden dan is diegene aanvullend op de algemene zorgplichtbepalingen eveneens verplicht om voorafgaand aan uitvoer een studie uit te (laten) voeren naar mogelijke verslechterende of significant verstorende effecten van de activiteit op de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Wanneer dergelijke gevolgen niet kunnen worden uitgesloten moeten passende preventieve maatregelen genomen worden om de effecten te voorkomen en wordt tijdens en na het verrichten van de activiteit nagegaan of de maatregelen het beoogde effect hebben. Indien dit niet het geval is moet de activiteit worden gestaakt en moeten passende herstelmaatregelen worden uitgevoerd. Specifieke zorgplicht Flora- en fauna-activiteit (artikel 11.27 Bal) Wanneer iemand een activiteit uitvoert die nadelige gevolgen kan veroorzaken op beschermde en niet-beschermde soorten5 en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats spreekt de wet over een ‘flora- en fauna-activiteit’. In deze situatie is diegene die de activiteit initieert verplicht voorafgaand aan het uitvoeren van die activiteit na te gaan of er op de locatie van de activiteit of in de nabijheid daarvan aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van de soorten.
Naast de wettelijk beschermde soorten genoemd heeft deze soortbescherming ook betrekking op dieren en planten genoemd in de rode lijsten en in bijlagen II en V van de Habitatrichtlijn. Als nadelige gevolgen op mogelijk aanwezige soorten voorafgaand niet kunnen worden uitgesloten dan moet worden onderzocht welke gevolgen de activiteit heeft en moeten passende preventieve maatregelen worden getroffen om de effecten te voorkomen. Ook wordt tijdens en na het verrichten van de activiteit nagegaan of de maatregelen het beoogde effect hebben. Indien dit niet het geval is moet de activiteit worden gestaakt en moeten passende herstelmaatregelen worden getroffen. Het onderzoek naar de effecten heeft betrekking op de betreffende dieren van die soorten, maar ook hun nesten, foerageerplaatsen, 4 een rechtspersoon of natuurlijke persoon die een activiteit of
ingreep wil uitvoeren
voortplantingsplaatsen, rustplaatsen en eieren, of voor planten van die soorten.
Natura 2000-gebieden De wetgeving met betrekking tot Natura 2000-gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 11, Afdeling 11.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, dan is er mogelijk sprake van een noodzakelijke aanvraag van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit en dient een Habitattoets uitgevoerd te worden. In een Habitattoets worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en/of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend. Deze toetsing kan bestaan uit drie onderdelen; • Voortoets; • Passende Beoordeling; • ADC-toets. Voortoets Middels de Voortoets (artikel 11.6 Bal) wordt onderzocht of de ingrepen (significant) negatieve effecten kunnen hebben op de instandhoudingsdoelstellingen binnen de Natura 2000-gebieden.
De Voortoets bestaat uit een beschrijving van het plan of project, de te verwachten effecten binnen en buiten het Natura 2000-gebied, en een analyse of daarbij (mogelijkerwijs) sprake is van significante effecten. In deze analyse mogen mitigerende en compenserende maatregelen niet meegenomen worden (zie Kader 3, Preventieve, mitigerende en compenserende maatregelen). Indien niet kan worden uitgesloten dat er significante gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen 5
Soorten van de rode lijsten en Bijlagen II en V van de Habitatrichtlijn
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 1
optreden moet een Passende Beoordeling worden opgesteld. Indien er zeker geen significant negatief effect is te verwachten dan is er geen omgevingsvergunning nodig, bij het indienen van een aanvraag wordt er een besluit tot afwijzing genomen door het bevoegd gezag. Kader 3 | Preventieve, mitigerende en compenserende maatregelen Preventieve maatregelen zijn maatregelen die worden genomen voordat schadelijke gevolgen die mogelijk uit een activiteit voort kunnen komen op kunnen treden. Deze maatregelen hebben betrekking op zowel het individu als de populatie. Preventieve maatregelen voorkomen het overtreden van verbodsartikelen. Mitigerende maatregelen zijn maatregelen die schadelijke gevolgen die rechtstreeks uit een activiteit voortvloeien verminderen of verzachten. Het doel van mitigerende maatregelen is het behoud van de ecologische functionaliteit van een gebied tijdens en na uitvoer van de activiteit. De maatregelen hebben vaak betrekking op het individu. Herstelmaatregelen zijn maatregelen die de schadelijke gevolgen die uit een activiteit voortvloeien compenseren op een andere locatie of – na uitvoering van de werkzaamheden – op dezelfde locatie en daarmee de staat van instandhouding van soorten en habitats waarborgen. Herstelmaatregelen hebben vaak betrekking op populaties en leefgebieden.
Passende beoordeling Indien uit de Voortoets blijkt dat er een kans is op een significant negatief effect, dan is er sprake van een ‘Natura 2000-activiteit’ en dient er een Passende Beoordeling uitgevoerd te worden (projecten: artikel 16.53, lid c Ow en artikel 8.74b Bkl/ plannen: artikel 16.53, lid c Ow en 10.24, lid 1 Bkl). Tijdens het vaststellen van de mogelijk negatieve effecten mogen mitigerende maatregelen wél meegewogen worden in de beoordeling, compenserende maatregelen niet. Indien uit deze toetsing blijkt dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet aangetast worden kan een omgevingsvergunning worden verleend en kan het plan vastgesteld worden. Blijkt er echter dat er werkelijk sprake is van mogelijk significante effecten dan wordt een vergunning alleen afgegeven indien er geen Alternatieven zijn, er Dwingende redenen van groot openbaar belang zijn en er Compensatie plaatsvindt: de ADC-toets.
ADC-toets Als negatieve effecten niet uit te sluiten zijn, kan het plan alleen vastgesteld en vergund worden indien wordt voldaan aan de voorwaarden uit de ADC-toets (projecten: artikel 8.74b, lid 2 en 3 Bkl/ plannen: artikel 10.24, lid 2 en 3). Deze voorwaarden zijn: a. Er zijn geen alternatieve oplossingen; b. Het project wordt uitgevoerd onder dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; c. Er worden compenserende maatregelen getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.
Soortbescherming Afdeling 11.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving gaat over activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild, dit wordt ook wel de passieve soortbescherming genoemd. In het kort bestaat dit deel uit drie aparte beschermingsregimes: 1) Vogelrichtlijn; 2) Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en; 3) Andere soorten (nationaal). Voor deze drie beschermingsregimes gelden verschillende verbodsbepalingen (zie kader 4, Opzettelijkheid en Kader 5, Verstoring en vernietiging door verstoring) en wettelijke belangen voor een Omgevingsvergunning. Vogelrichtlijn (artikel 11.37, lid 1 Bal) Voor van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn gelden de volgende verbodsbepalingen: a. opzettelijk doden en vangen van vogels; b. opzettelijk vernielen van nesten, rustplaatsen en eieren; c. eieren rapen en onder zich hebben; d. opzettelijk verstoren van vogels; Het verbod op het opzettelijk storen van vogels onder lid 1d is niet van toepassing indien de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de gunstige staat van instandhouding van de populatie.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 2
Een omgevingsvergunning voor het overtreden van de verbodsbepalingen van artikel 11.37 Bal kan alleen verleend worden als voldaan wordt aan de criteria van de aanvraag (zie “Omgevingsvergunning, gedragscode of vrijstelling”) en één of meer van de onderstaande wettelijke belangen uit artikel 8.74j, lid1b Bkl: 1° in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2° in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3° ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4° ter bescherming van flora en fauna; 5° voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten; 6° het selectief vangen, onder zich hebben of verstandig gebruik van bepaalde vogels.
1° ter bescherming van flora en fauna en instandhouding van natuurlijke habitats; 2° ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij, wateren of andere vormen van eigendom; 3° in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4° voor onderzoek of onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten of de daartoe benodigde kweek; 5° op selectieve wijze een aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben.
Kader 4 | Opzettelijkheid in de Omgevingswet
Kader 5 | Verstoring en vernietiging door verstoring
Een situatie waarbij iemand een handeling verricht waarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard wordt dat deze gedraging leidt tot overtreding van een verbod, ook als een kwade intentie ontbreekt.
Ecologische verstoring In ecologisch opzicht is verstoring een verandering door het toedoen van mensen in hoe een dier gebruik kan maken van essentiële hulpbronnen. Het kan hierbij ook gaan om een verandering in de perceptie van het dier. Dit betreft voornamelijk de toegang tot voedselbronnen en nest- of verblijfplaatsen (Gill, 2007). Dit is vaak een tijdelijke verstoring van individuen, wat soms ook kan leiden tot negatieve effecten op populatieniveau (Bejder et al. 2009).