CConstaterende datZeist
Koppel je AI →
Document · PDF

RV25.041 Bijlage 1.6 Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen Zeist

Raad 16 oktober 2025, gemeente ZeistBij agendapunt: Gebiedsvisie Driebergen-Zeist21.162 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

November 2024

Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist

In opdracht van: Gemeente Zeist Projectnummer: 2024-142

©2024 Ecologisch Adviesbureau Viridis bv, Culemborg Ecologisch Adviesbureau Viridis bv Randweg 30 4104 AC Culemborg T 0345 753 275 E info@bureau-viridis.nl W www.bureau-viridis.nl KvK 110 557 87

Btwnr

NL 820598215B01

IBAN

NL46 TRIO 0198 4486 00

Tekst: Veldonderzoek: Foto’s:

W.A. (Wiegert) Steen W.A. (Wiegert) Steen W.A. (Wiegert) Steen

Foto voorblad:

Voormalige drafbaan

Projectnummer: Wijze van citeren:

2024-142 Steen, W.A.,2024. Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist. Ecologisch Adviesbureau Viridis, Culemborg, PRNR-2024-142.

In opdracht van: Contactpersoon:

Gemeente Zeist C. (Coosje) Bakker-Wartena

Datum: Ondertekening: Paraaf:

15-11-2024 S. (Susan) Zwerver

Dit rapport is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven en is zijn eigendom. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Ecologisch Adviesbureau Viridis bv, noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Ecologisch Adviesbureau Viridis is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden, kaartmateriaal inclusief getoonde begrenzingen of andere gegevens verkregen van Ecologisch Adviesbureau Viridis. De opdrachtgever vrijwaart Ecologisch Adviesbureau Viridis voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.

Omdat ecologisch onderzoek een momentopname is, kan de aanwezigheid van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Ecologisch Adviesbureau Viridis is mede om die redenen lid van het Netwerk Groene Bureaus, brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging van ecologische adviesbureaus. Hierdoor zijn wij zo goed mogelijk op de hoogte van de nieuwste ontwikkeling op het gebied van ecologie en wetgeving. Door de inzet van conform de wet ter zake kundige ecologen, waarborgen wij onze onderzoekskwaliteit. Wij zijn echter niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie.

Samenvatting

De gemeentes Zeist en Utrechtse Heuvelrug willen een visie ontwikkelen voor een woningopgave rondom het stationsgebied Driebergen-Zeist. Om een goed beeld te krijgen van de aanwezige natuurwaarden willen zij een inventarisatie laten uitvoeren naar de aanwezige natuurwaarden, met hier in opgenomen de effecten van de mogelijke ontwikkeling. In het kader van deze activiteit is een Ecologische Quickscan Omgevingswet uitgevoerd, waarin de aspecten soortbescherming, gebiedsbescherming en beschermde houtopstanden zijn getoetst. Er ligt nog geen concreet plan voor de ontwikkeling met woningopgave rondom het stationsgebied Driebergen-Zeist. Bij de analyse is daarom uitgegaan van een worst-case scenario waarbij het uitgangspunt is dat de ontwikkeling binnen het gehele plangebied uitgevoerd kan gaan worden en dus het gehele plangebied aangetast wordt. Een samenvatting hiervan is weergegeven in Tabel 1, 2 en 3. Niet genoemde beschermde soorten zijn wel in de Quickscan meegenomen echter konden binnen het plangebied of de invloedsfeer van de activiteit worden uitgesloten. Er is steeds aangegeven of effecten te verwachten zijn en of er vervolgstappen noodzakelijk zijn. Het is noodzakelijk om een stikstofberekening in het kader van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden uit te voeren (Tabel 1).

Voor het uitvoeren van een stikstofberekening zijn gedetailleerde gegevens over de bouw- en gebruikersfase. Deze kan dus pas worden uitgevoerd als er een concreter plan voor het ontwikkelen van de woningopgave rondom het stationsgebied Driebergen-Zeist. Voor dit project is het uitvoeren van een ‘Nee, Tenzij’-toets nodig omdat het plangebied binnen de begrenzing van het NNN ligt en er een wijziging in de bestemmingsplannen plaatsvindt (Tabel 1). Daarnaast zal er bij de NNN toetsing extra aandacht uit moeten gaan naar de verbindingsfunctie van het plangebied voor soorten als onderdeel van de wezenlijke waarden en kenmerken. Binnen het plangebied worden mogelijk houtopstanden geveld waar de regels van de Omgevingswet op van toepassing zijn (Tabel 3). Voor het vellen van deze houtopstanden geldt een meldingsplicht bij de provincie Utrecht. Daarmee geldt ook een herbeplantingsplicht op dezelfde locatie binnen drie jaar. Daarnaast valt een deel van het plangebied binnen de door de gemeente Zeist en Gemeente Utrechtse Heuvelrug vastgestelde bebouwde kom en geldt hiervoor de Bomenverordening. Er geldt mogelijk een kapverbod, waarvoor een vergunning dient te worden aangevraagd bij de gemeente. De opdrachtgever dient hier zelf zorg voor te dragen.

Omdat de planvorming nog niet concreet genoeg is, kan op basis van de nu bekende informatie nog niet met zekerheid bepaald worden naar welke soorten een nader onderzoek uitgevoerd dient te worden. In Tabel 2 worden alle mogelijk in het plangebied voorkomende beschermde soorten met de specifieke onderzoeksinspanning benoemd. Zodra de plannen vorm hebben gekregen kan nader bekeken worden welke soorten wel en welke soorten mogelijk niet onderzocht moeten worden. Deze samenvatting is bedoeld om een globaal overzicht te verkrijgen van het uitgevoerde onderzoek en de daaruit verkregen resultaten. Voordat de activiteit uitgevoerd kan worden is het echter noodzakelijk om met name hoofdstuk 6 ‘Vervolgstappen’ aandachtig door te nemen. De in dit rapport opgenomen onderzoeksresultaten hebben een geldigheidsduur van 3 jaar na uitvoering van het onderzoek, wanneer de activiteit niet binnen deze periode uitgevoerd wordt is nieuw onderzoek noodzakelijk.

Tabel 1 | Samenvatting gebiedsbescherming met effecten en vervolgstappen Gebied

Bescherming

Afstand

Effecten?

Vervolgstappen? Stikstofberekening

Kolland & Overlangbroek

Natura 2000

10,5 km

Mogelijk

Rijntakken

Natura 2000

11 km

Mogelijk

Stikstofberekening

Oostelijke Vechtplassen

Natura 2000

12,5 km

Mogelijk

Stikstofberekening Stikstofberekening

Lingegebied en Diefdijk Zuid

Natura 2000

15 km

Mogelijk

Zouweboezem

Natura 2000

17 km

Mogelijk

Stikstofberekening

500 m

Mogelijk

‘Nee, tenzij toets’

Natuur Netwerk Nederland

NNN

Tabel 2 | Samenvatting soortbescherming met aanwezigheid, effecten en vervolgstappen per soortgroep. *zie voor de precieze soorten Hoofdstuk 5. Soort(groep) en functie Groeiplaatsen dreps, groot spiegelklokje, korensla, naakte lathyrus, wilde ridderspoor en schubvaren Functioneel leefgebied van boommarter, bunzing, wezel, hermelijn, das, eekhoorn, konijn, haas en steenmarter. Gebouwbewonende vleermuizen*- verblijfplaats Boombewonende vleermuizen*verblijfplaats Essentiële vliegroutes en essentieel foerageergebieden vleermuizen Functioneel leefgebied van huismus, gierzwaluw, havik, buizerd, wespendief, sperwer, boomvalk, ransuil, kerkuil en steenuil Algemene broedvogels Functioneel leefgebied grote modderkruiper Functioneel leefgebied poelkikker Functioneel leefgebied ringslang Voortplantingshabitat van teunisbloempijlstaart en grote vos Rode-Lijstsoorten Habitatrichtlijn bijlage II & V

Effecten

Verbodsartikel

Vervolgstappen

Vernietigen van groeiplaatsen

Art. 11.54 Bal

Nader onderzoek

Vernietigen van functioneel leefgebied

Art. 11.54 Bal

Nader onderzoek

Vernietigen verblijfplaats

Art. 11.46 Bal

Nader onderzoek

Vernietigen verblijfplaats

Art. 11.46 Bal

Nader onderzoek

Vernietigen vliegroutes en foerageergebied

Art. 11.46 Bal

Nader onderzoek

Vernietigen nestlocaties en foerageergebied

Art.11.37 Bal

Nader onderzoek

Mogelijk vernielen van nest

Art.11.37 Bal

Werken buiten broedseizoen

Vernietigen van functioneel leefgebied

Art. 11.54 Bal

Nader onderzoek

Vernietigen van functioneel leefgebied

Art. 11.46 Bal

Nader onderzoek

Vernietigen van functioneel leefgebied

Art. 11.54 Bal

Nader onderzoek

Vernietigen van voortplantingshabitat

Art. 11.46 Bal

Nader onderzoek

Ja

Specifieke zorgplicht (Art. 11.27 Bal)

Mitigerende maatregelen

Tabel 3 | Samenvatting beschermde houtopstanden met vervolgstappen Houtopstanden

Aanwezig?

Bescherming

Verbodsartikel

Vervolgstappen?

Houtopstanden

Ja

APV/ provinciaal

Art. 11.111 Bal

kapmelding en herplantingsplicht

Inhoud

1

2

3

Aanleiding ..................................................... 1 1.1

Situatie .......................................................... 1

1.2

Beschrijving van het plangebied ................... 1

1.3

Probleemstelling ........................................... 1

1.4

Geldigheid onderzoek ................................... 2

5.3.1 5.4

Literatuuronderzoek ..................................... 7

2.2

Veldonderzoek .............................................. 7

2.3

Effectenanalyse ............................................. 7

5.6

3.1

5.8

Natura 2000-gebieden .................................. 9

Effectbeoordeling amfibieën ............. 26

Reptielen .................................................... 26

5.7.1

Gebiedsbescherming ...................................... 9

Effectbeoordeling vissen ................... 24

Amfibieën ................................................... 25

5.6.1 5.7

Effectbeoordeling vogels ................... 23

Vissen.......................................................... 24

5.5.1

Onderzoeksmethode ...................................... 7 2.1

Vogels ......................................................... 21

5.4.1 5.5

Effectbeoordeling vleermuizen ......... 21

Effectbeoordeling reptielen .............. 27

Ongewervelden .......................................... 27

5.8.1

Effectbeoordeling ongewervelden .... 28

3.1.1

Effectbeoordeling Natura 2000 ........... 9

5.9

Rode Lijst en HR Bijlage II & V .................... 28

3.1.2

Conclusie Natura 2000 ......................... 9

5.10

Exoten .................................................... 28

3.2

Natuurnetwerk Nederland (NNN) ............... 10

6

Vervolgstappen ............................................ 29

Conclusie NNN .................................................. 10

6.1

Gebiedsbescherming .................................. 29

4

Houtopstanden ............................................ 13

6.2

Houtopstanden ........................................... 29

5

Soortbescherming ........................................ 14

6.3

Soortbescherming ...................................... 29

5.1

Vaatplanten................................................. 14

6.3.1

Maatregelen soortbescherming ........ 30

Effectbeoordeling vaatplanten .......... 15

6.3.2

Natuurinclusieve maatregelen .......... 31

Grondgebonden zoogdieren ....................... 15

6.3.3

Nader onderzoek beschermde soorten 31

5.1.1 5.2

5.2.1 Effectbeoordeling grondgebonden zoogdieren ........................................................ 18 5.3

Vleermuizen ................................................ 18

7

Literatuurlijst ............................................... 33

Bijlage A. Wettelijk kader .......................................0

1 Aanleiding

1.1

Situatie

De gemeentes Zeist en Utrechtse Heuvelrug willen een visie ontwikkelen voor een woningopgave rondom het stationsgebied Driebergen-Zeist. Om een goed beeld te krijgen van de aanwezige natuurwaarden willen zij een inventarisatie laten uitvoeren naar de aanwezige natuurwaarden, met hier in opgenomen de effecten van de mogelijke ontwikkeling. Deze ontwikkeling heeft namelijk mogelijke gevolgen voor in het wild levende dieren en planten en is daarom een flora- en fauna-activiteit. Daarbij is er ook kans op het overtreden van verbodsbepalingen met betrekking tot beschermde dieren en planten. Daarnaast kan de activiteit een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden en is dan een Natura 2000-activiteit. Ook kunnen er effecten zijn op het Natuurnetwerk Nederland en op beschermde houtopstanden. In Bijlage A vindt u meer informatie over de Omgevingswet. Voorafgaand aan de activiteit is een onderzoek uitgevoerd naar het mogelijke voorkomen van beschermde natuurwaarden middels een Ecologische Quickscan Omgevingswet (Quickscan). Het doel van dit onderzoek is om te onderzoeken of door de activiteit en de werkzaamheden die in dat kader worden uitgevoerd een overtreding van de Omgevingswet kan worden verwacht.

En zo ja, wat de benodigde vervolgstappen zijn om de activiteit in overeenstemming met de huidige wet- en regelgeving uit te voeren? In onderliggend rapport worden de kaders, uitvoering, resultaten en effectbeoordeling van deze toetsing beschreven.

1.2

Beschrijving van het plangebied

Het plangebied is gelegen in de gemeente Zeist en gemeente Utrechtse Heuvelrug. Het plangebied vormt een overgangsgebied tussen de hoge en droge stuwwal van de Utrechtse Heuvelrug en het lage en natte Kromme-Rijngebied. Ten noorden van het plangebied ligt de bebouwde kom van Zeist en ten zuiden van

Driebergen-Rijsenburg (gemeente Utrechtse Heuvelrug). Het is een zeer dynamisch gebied waarin veel functies een plek hebben. Dwars door het plangebied loopt een spoorlijn met station. Het gebied direct rondom het station kenmerkt zich door bebouwing en verhardingen. Het stationsgebied is recent herontwikkelt. Er staan diverse bedrijven (o.a. een tuincentrum en politiebureau), een parkeergarage en een trein- en busstation. In het noordelijke deel van het plangebied zijn landbouwgronden (o.a. de voormalige drafbaan) aanwezig met bomen langs de randen. Hier zijn ook sportvelden en een volkstuinencomplex aanwezig. Daarnaast staan er enkele monumentale panden, woningen en boerderijen en schuren met tuinen. Aan de westzijde en ten zuiden van het spoor is een kwekerij gevestigd. Door het plangebied loopt de Rijnwijckse Wetering. Het plangebied wordt aan de oostkant begrenst door Hoofdstraat/Driebergseweg die parallel loopt aan de Heuvelrug met daarachter een aantal landgoederen (De Breul, Bornia en Beerschoten) bestaande uit monumentale landgoedbossen van beuken en eiken. Aan de zuidkant ligt het landgoed De Rheehorst en aan de oostkant ligt landgoed Rijnwijck. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrenst door de Laan van Rijnwijk met daarachter landgoed Nieuw Beerschoten.

In Figuur 1.1 en Afbeelding 1.1 t/m 12 is een impressie weergegeven van het plangebied en de directe omgeving. De landgoederen rondom het plangebied zijn weergegeven in Figuur 1.2.

1.3

Probleemstelling

Om goed voorbereid te zijn op eventueel noodzakelijke maatregelen of vergunningsaanvraag in het kader van de Omgevingswet geeft een Ecologische Quickscan antwoord op de volgende onderzoeksvragen: Gebiedsbescherming • Zijn negatieve effecten op Natura 2000-gebieden te verwachten en is een Voortoets noodzakelijk?

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 1

•

Zijn significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Nederland te verwachten en is een ‘Nee tenzij’ toets noodzakelijk?

Soortbescherming • Zijn in het plangebied beschermde soorten1 en/of beschermde functies van deze soorten aanwezig of te verwachten? • Ondervinden aanwezige beschermde soorten negatieve effecten van de voorgenomen activiteit en de in dat kader benodigde werkzaamheden? • Is het mogelijk om optredende negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen middels preventieve maatregelen? Zo ja, op welke wijze dient dit te geschieden? • Is het noodzakelijk nader onderzoek naar beschermde soorten uit te voeren? Houtopstanden • Worden er houtopstanden geveld waarop de regels van de Omgevingswet van toepassing zijn en is daardoor een meldings- en herplantingsplicht van toepassing? Voorliggend rapport geeft advies met betrekking tot de mogelijkheden om de geplande activiteit in

overeenstemming met de Omgevingswet uit te voeren voor wat betreft het aspect natuur. Uiteindelijk wordt daarmee de vraag beantwoord: • Wat zijn de benodigde vervolgstappen om de activiteit in overeenstemming met de Omgevingswet uit te voeren?

1.4

Geldigheid onderzoek

Deze Quickscan is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. De bevoegde gezagen (provincies) hanteren de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoeksgegevens mogen maximaal drie jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn”. Dit rapport gaat in op de effecten van de activiteit zoals beschreven in paragraaf 1.1. Wijzigingen of aanpassingen in de activiteit kunnen leiden tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten en gebieden. Soms is de precieze uitvoering van de werkzaamheden ten tijde van de Quickscan nog niet bekend en wordt daarom gewerkt met verschillende scenario’s waarbij de effecten op bepaalde soorten of gebieden kunnen variëren.

1

Beschermde soorten: alle onder de Omgevingswet beschermde soorten in de provincie Utrecht.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 2

Figuur 1.1 | Plangebied ecologische quickscan stationsgebied Driebergen-Zeist.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 3

Figuur 1.2 | Plangebied met omliggende landgoederen.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 4

Afbeelding 1.1 | Station Driebergen-Zeist.

Afbeelding 1.2 | Busstation Driebergen-Zeist.

Afbeelding 1.3 | Parkeergarage aan de Stationsweg.

Afbeelding 1.4 | Bedrijventerrein aan de Odijkerweg.

Afbeelding 1.5 | Woningen aan de Odijkerweg.

Afbeelding 1.6 | Voormalige drafbaan.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 5

Afbeelding 1.7 | Laan van Rijnwijk.

Afbeelding 1.8 | Sportvelden aan de Koeburgweg.

Afbeelding 1.9 | Koeburgweg.

Afbeelding 1.10 | Volkstuinencomplex.

Afbeelding 1.11 | Rijnwijckse Wetering.

Afbeelding 1.12 | Driebergerweg.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 6

2 Onderzoeksmethode

De onderzoeksvragen worden beantwoord door het doen van literatuur- en veldonderzoek. Vervolgens wordt een toetsing uitgevoerd aan de natuur gerelateerde bepalingen in de Omgevingswet. Er wordt gekeken naar het voorkomen van beschermde soorten en de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden of houtopstanden. Vervolgens wordt gekeken of de voorgenomen activiteit negatieve gevolgen op deze soorten, natuurgebieden of houtopstanden veroorzaakt. Het uitvoeren van de Quickscan is gedaan door een ecologisch deskundige2 die specifieke ervaring heeft met dit type onderzoeksgebied. De gebruikte onderzoeksmethoden worden hieronder beschreven.

2.1

Literatuuronderzoek

Voor het literatuuronderzoek naar beschermde gebieden, soorten en houtopstanden is o.a. gebruik gemaakt van informatiebronnen beschikbaar gesteld door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Provinciale Omgevingsvisie. Daarnaast zijn verspreidingsgegevens uit het archief van Bureau Viridis, de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), verspreidingsatlassen en vrij beschikbare verspreidingsgegevens van soortenorganisaties gebruikt van minimaal de laatste 10 jaar. Ook is contact opgenomen met de werkgroep biodiversiteit van de stichting Goed Volk. Zij beschikken over lokale kennis m.b.t. flora en fauna in het gebied en onderzoeksrapporten van diverse ruimte ontwikkelingen die binnen het plangebied zijn uitgevoerd zoals de herontwikkeling van station Driebergen-Zeist. Voor de herontwikkeling van het station is in 2009 (gebiedsdekkend) en 2011 (beperkt aantal soorten) onderzoek uitgevoerd naar de verspreiding van beschermde flora en fauna in het stationsgebied (Jansen, 2012), dit komt voor een deel overeen met het plangebied. De gebruikte bronnen staan vermeld in hoofdstuk 7. 2

Zoals bedoeld in Art. 7.197j lid 2a van de Or, d.w.z. een persoon met aantoonbare specifieke ecologische kennis en ervaring, die ecologisch advies versterkt of werkzaamheden begeleidt op het gebied van situaties, habitats en soorten.

De resultaten van het literatuuronderzoek hebben uitgewezen welke beschermde soorten in de omgeving van het plangebied verwacht kunnen worden. Tijdens het veldbezoek is speciale aandacht besteed aan het mogelijke voorkomen van deze soorten. Daarnaast is ook specifiek literatuuronderzoek verricht naar het voorkomen van soorten van bijlage II en V van de Habitatrichtlijn en Rode-Lijstsoorten. Voor literatuuronderzoek naar houtopstanden is gebruik gemaakt van bestaande digitale kaarten van de bebouwingscontour houtkap van de betreffende gemeente.

2.2

Veldonderzoek

Bureau Viridis heeft op 3 oktober 2024 een veldbezoek uitgevoerd. Het plangebied is alleen onderzocht vanaf de openbare wegen en paden. Privéterreinen en andere terreinen zonder toegang zijn daarom niet volledig onderzocht. Bij het veldbezoek is op basis van geografische ligging, terreingesteldheid en expert judgement beoordeeld of in en rond het plangebied beschermde natuurwaarden kunnen voorkomen of dat er voor beschermde soorten geschikt leefgebied aanwezig is. Tijdens het onderzoek is de relevante directe omgeving van het plangebied eveneens onderzocht op de potentie voor beschermde soorten. Op deze manier zijn de uitstralingseffecten van de activiteit bepaald. Naast beschermde soorten is er ook specifiek gelet op soorten van bijlage II en V van de Habitatrichtlijn, Rode-Lijstsoorten en de aanwezigheid van geschikt habitat voor te verwachten soorten van deze lijsten binnen het plangebied. Tot slot is tijdens het veldbezoek ook aandacht uitgegaan naar invasieve exoten3.

2.3

Effectenanalyse

De uit het literatuuronderzoek en veldonderzoek verkregen gegevens van beschermde soorten, beschermde gebieden en houtopstanden zijn 3

Invasieve exoten zijn uitheemse soorten die schadelijk zijn voor inheemse natuur. Dit betreffen zowel soorten die opgenomen zijn in de EU-exotenverordening (Unielijst) als andere invasieve soorten zoals Japanse duizendknoop en watercrassula.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 7

geanalyseerd om na te gaan of er bij de uitvoering van de activiteit mogelijk verbodsbepalingen van de Omgevingswet worden overtreden. Er ligt nog geen concreet plan voor de ontwikkeling met woningopgave rondom het stationsgebied Driebergen-Zeist. Bij de analyse is daarom uitgegaan van een worst-case scenario waarbij het uitgangspunt is dat de ontwikkeling binnen het gehele plangebied uitgevoerd kan gaan worden en dus het gehele plangebied aangetast wordt. Als blijkt dat er beschermde natuurwaarden

zijn die mogelijk negatieve effecten kunnen ondervinden van de plannen is dit beschreven in de voorliggende rapportage. Wanneer mogelijk worden alternatieven of maatregelen voorgesteld om negatieve effecten te voorkomen (preventie) of verzachten (mitigatie). Indien de aanwezigheid van de soorten en/of de negatieve effecten nader onderzoek behoeft, wordt dit aangeven in de toetsing.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 8

3 Gebiedsbescherming

In dit hoofdstuk wordt bescherming van gebieden – namelijk, Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland – welke voor een initiatiefnemer van belang is behandeld. Bescherming van deze gebieden is geregeld in de Omgevingswet, echter zijn Natura 2000-gebieden vanuit het Rijk vastgesteld en NNN door de provincie in de Provinciale Structuurvisie. Naast de gebiedsbescherming geldt ook een algemene zorgverplichting (artikel 1.2 Omgevingswet) voor de gehele fysieke leefomgeving. Ook de niet-beschermde gebieden vallen hier dus onder. Deze verplichting beoogt het voorkomen of beperken van de schade aan in het wild levende soorten en gebieden. Bij elke project dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht, zie ook Bijlage A.

3.1

Natura 2000-gebieden

Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Hierbij zijn er specifieke instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd per gebied. Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kunnen mogelijk leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Wanneer dergelijke effecten mogelijk kunnen worden verwacht, dient door middel van een Voortoets op voorhand getoetst te worden wat de effecten van een project tijdens de uitvoerfase en gebruiksfase zijn op de ter plaatse aangewezen habitattypen en -soorten. Indien het niet mogelijk is om significante negatieve effecten op voorhand uit te sluiten is er sprake van een vergunningsplicht en moet een ‘Passende beoordeling’ uitgevoerd worden. Dit is afhankelijk van of de plannen wel of niet van significant negatieve invloed kunnen zijn. In deze toetsing worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en of (onder bepaalde

voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend door het bevoegd gezag. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Kolland & Overlangbroek’ ligt op een afstand van 10,5 kilometer. Andere Natura 2000-gebieden die iets verder liggen van het plangebied zijn Rijntakken (11 kilometer), Oostelijke Vechtplassen (12,5 kilometer), Lingegebied en Diefdijk Zuid (15 kilometer) en Zouweboezem (17 kilometer). In Figuur 3.1 wordt de ligging van de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden weergegeven. 3.1.1 Effectbeoordeling Natura 2000 Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied. Van een directe aantasting en afname van areaal aan beschermd natuurgebied is door ontwikkeling van mogelijke woningbouw in het gebied geen sprake. De nabijgelegen Natura 2000-gebieden liggen op voldoende ruime afstand dat geen negatieve invloed verwacht wordt van factoren die slechts een korte reikwijdte hebben, zoals bodemtrillingen, geluids- en lichtbelasting. De enige factor die op grotere afstand werkzaam is en op basis van zijn reikwijdte van invloed kan zijn, betreft stikstofdepositie. Zowel in het kader van bestemmingsplanwijzigingen als omgevingsvergunningprocedures zal naast de gebruiksfase ook de bouwfase moeten worden onderzocht.

In de uitvoerende fase kan een tijdelijke verhoging van stikstofdepositie plaatsvinden ten gevolge van uitstoot van het bouwverkeer en machines die tijdens werkzaamheden gebruikt worden. In de nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn stikstofgevoelige habitattypen aanwezig op een afstand van 10,5 tot 15 kilometer. Een stikstofberekening is daarom nodig om de mate van stikstofdepositie als gevolg van de ontwikkeling van mogelijke woningbouw in het gebied op deze stikstofgevoelige habitattypen vast te stellen. 3.1.2 Conclusie Natura 2000 Het is noodzakelijk om een stikstofberekening in het kader van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden uit te voeren. Voor het uitvoeren van een stikstofberekening zijn gedetailleerde gegevens over de bouw- en gebruikersfase noodzakelijk. Deze berekening kan dus

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 9

pas worden uitgevoerd als er een concreter plan is voor het ontwikkelen van de woningopgave rondom het stationsgebied Driebergen-Zeist.

3.2

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het NNN vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden. Ook de aangewezen gebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNN. De planologische verankering van het NNN vindt plaats in (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Een ‘Nee, tenzij’-toets dient te worden uitgevoerd wanneer ruimtelijke ontwikkelingen geheel of gedeeltelijk binnen de begrenzing van het NNN plaatsvinden en negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden en/of een bestemmingsplanwijziging moet worden doorgevoerd. Hierin wordt beoordeeld of er significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden als gevolg van de voorgenomen maatregelen. Grote delen van Landgoed Beerschoten ten zuiden van de spoorlijn vallen binnen het NNN. Hiervan zijn kleine delen als natuur aangewezen en het grootste deel als NNN-overig. Daarnaast zijn in het noordelijke deel van het plangebied twee percelen aangewezen in de groene contour.

De groene contour bevat gebieden die in aanmerking komen om natuur te ontwikkelen. Daarna kunnen deze gebieden worden opgenomen binnen het NNN. Rondom het plangebied zijn grote delen van het orientatiegebied aangewezen als NNN of groene contour. Conclusie NNN Voor dit project is het uitvoeren van een ‘Nee, Tenzij’toets nodig omdat het plangebied binnen de begrenzing van het NNN ligt (Figuur 3.1) en er een wijziging in de bestemmingsplannen plaatsvindt. Bij de NNN toetsing zal extra aandacht uit moeten gaan naar de verbindingsfunctie van het plangebied voor soorten als onderdeel van de wezenlijke waarden en kenmerken. Uit eerdere onderzoeken is gebleken dat het overgangsgebied een belangrijke verbindingszone vormt tussen de hoge en droge stuwwal van de Utrechtse Heuvelrug en het lage en natte KrommeRijngebied voor verschillende soorten zoals vleermuizen, reeën, dassen, hazen, eekhoorns en marterachtigen (Grondmij Nederland B.V., 2011; Mabelis, 2011; Werkgroep Faunapassages Zeist Zuid/West, 2020).

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 10

Figuur 3.1 | Overzicht van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 11

Figuur 3.2 | Overzichtskaart van het Natuurnetwerk Nederland en Groene contour.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 12

4 Houtopstanden

In de Omgevingswet is de bescherming van houtopstanden opgenomen. Voor bepaalde houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (zoals bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving) geldt een meldings- en herplantingsplicht. Een houtopstand is beschermd als het een eenheid van bomen of struiken betreft met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting van meer dan 20 bomen. Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder dit voorafgaand te melden bij de provincie. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. De bovenstaande bescherming geldt echter niet voor houtopstanden op erven of in tuinen, fruitbomen, windschermen om boomgaarden, naaldbomen bedoeld om te dienen als kerstboom, kweekgoed, bepaalde beplantingen van wilgen of populieren, bepaalde beplantingen bedoeld voor de productie van houtige biomassa en houtopstanden binnen de - bij besluit van de gemeenteraad - vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden bovenstaande regels niet. De provincie kan regels stellen ten aanzien van de meldingsplicht en de plicht tot herbeplanting. Alle provincies hebben verordeningen vastgesteld waarin is geregeld hoe een kapmelding moet worden ingediend,

waaraan herbeplanting moet voldoen en wanneer een afwijking van de herbeplantingsplicht wordt toegestaan middels een maatwerkvoorschrift. Sommige provincies hebben ook beleidsregels vastgesteld waarin bijvoorbeeld is aangegeven wanneer een kapverbod wordt opgelegd. De Omgevingswet beschermt geen houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap. Waar de grens van de “bebouwingscontour houtkap” ligt wordt bepaald door de gemeenteraad. Binnen de bebouwde kom geldt meestal een kapverbod op grond van het Omgevingsplan of een gemeentelijke bomenverordening. Daarnaast kunnen gemeenten ook regels stellen voor bomen buiten de bebouwde kom, bijvoorbeeld in een bestemmingsplan. Binnen het plangebied worden mogelijk houtopstanden geveld waar de regels van de Omgevingswet op van toepassing zijn. Voor het vellen van deze houtopstanden geldt een meldingsplicht bij de provincie Utrecht. Daarmee geldt ook een herbeplantingsplicht op dezelfde locatie binnen drie jaar. Daarnaast valt een deel van het plangebied binnen de door de gemeente Zeist en Gemeente Utrechtse Heuvelrug vastgestelde bebouwde kom en geldt hiervoor de Bomenverordening. Er geldt mogelijk een kapverbod, waarvoor een vergunning dient te worden aangevraagd bij de gemeente. De opdrachtgever dient hier zelf zorg voor te dragen.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 13

5 Soortbescherming

Dier- en plantensoorten zijn verdeeld in drie categorieën en worden in meer of mindere mate beschermd: • Vogelrichtlijnsoorten, hieronder vallen alle inheemse vogelsoorten (artikel 11.37 Bal); • Habitatrichtlijnsoorten (artikel 11.46 Bal); • Nationaal beschermde soorten (artikel 11.54 Bal). Per wetsartikel gelden een aantal verbodsbepalingen die mogelijk overtreden worden bij de geplande activiteit. Dit houdt onder andere verband met de bescherming van nesten, verblijfplaatsen, voortplantingsbiotoop en een verbod op het doden of verwonden van beschermde soorten. Op deze verbodsbepalingen gelden enkele uitzonderingen. Zo is provinciaal een vrijstellingslijst vastgesteld met daarop een aantal soorten waarvoor deze verbodsbepalingen niet gelden. Ook kan er in specifieke gevallen gewerkt worden volgens een ministerieel goedgekeurde gedragscode waarin voorschriften opgenomen zijn om de effecten te beperken. Naast de verbodsartikelen voor beschermde soorten en gebieden is er ook een specifieke zorgplicht (artikel 11.27 Bal) die naast beschermde soorten ook geldt voor Rode-Lijstsoorten en soorten van de bijlage II en V van de Habitatrichtlijn. Deze verplichting beoogt het voorkomen of beperken van schade aan in het wild levende soorten.

In de paragrafen over specifieke soortgroepen worden enkel de strikt beschermde soorten besproken, soorten die onder deze specifieke zorgplicht vallen worden in paragraaf 5.9 Rode Lijst en HR Bijlage II & V behandeld. Soorten die zowel strikt beschermd zijn als onder de specifieke zorgplicht vallen worden enkel in paragraaf 5.9 behandeld wanneer de bescherming van habitat niet onder de soortbescherming al geborgd is (algemene broedvogels). Hieronder worden de resultaten van het literatuur- en veldonderzoek per soortgroep besproken. Voor elke soortgroep is een effectenbeoordeling opgenomen waarin helder wordt beschreven of er negatieve effecten op beschermde soorten worden verwacht en of er, indien van toepassing, preventieve maatregelen mogelijk zijn om deze effecten te voorkomen. Aan het

einde van dit hoofdstuk wordt een overzicht van de locaties van mogelijke beschermde functies weergegeven in Fout! Verwijzingsbron niet gevonden..

5.1

Vaatplanten

Op basis van de NDFF (2024) blijken de volgende beschermde vaatplanten in de omgeving bekend te zijn: dennenorchis (Goodyera repens), dreps (Bromus secalinus), groot spiegelklokje (Legousia speculum-veneris), kartuizer anjer (Dianthus carthusianorum), korensla (Arnoseris minima), naakte lathyrus (Lathyrus aphaca), schubvaren (Asplenium ceterach) en wilde ridderspoor (Consolida regalis). Binnen het plangebied zelf zijn geen waarnemingen bekend van beschermde vaatplanten. Op ruim 4 kilometer afstand is een groeiplaats van dennenorchis bekend op landgoed Bornia. Deze soort heeft zeer specifieke groeiomstandigheden. Vooral in naaldbossen met geen of weinig ondergroei, wel voorzien van een dik mospakket, en voldoende schaduw komt de soort voor. Dergelijke omstandigheden zijn niet binnen het plangebied aanwezig. Aanwezigheid van de soort is daarom uitgesloten. Dreps, groot spiegelklokje, korensla, naakte lathyrus en wilde ridderspoor zijn in wijde omgeving (<2 kilometer) van het plangebied vastgesteld. Het zijn veelal eenjarige planten die vooral op akkers en soms in bermen of op verstoorde grond kunnen groeien. Het is mogelijk dat deze soorten binnen het plangebied voorkomen zoals op de akkers van (de voormalige) drafbaan ter hoogte van de Laan van Rijnwijk en Koeburgweg in het noorden van het plangebied.

Kartuizer anjer is bekend op golfterrein Kromme Rijn op ruim 1,5 kilometer afstand. De soort groeit normaal op zonnige, droge locaties met matig voedselrijke grond. Het gaat in dit geval zoals alle groeiplaatsen in de provincie Utrecht om een niet natuurlijke of wilde groeiplaats. De soort wordt namelijk ook uitgezaaid. Omdat het plangebied buiten de natuurlijke

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 14

verspreiding valt van de soort wordt de aanwezigheid binnen het plangebied uitgesloten. In de bebouwde kom van Driebergen-Rijsenburg is op ongeveer 2 kilometer afstand van het plangebied een groeiplaats van schubvaren bekend op een stenen muur. Schubvaren groeit met name op rotsen (vooral op kalksteen), in rotsspleten, op oude muren en op puinhellingen. De plant is zeer zeldzaam verspreid door het land, voornamelijk in stedelijk gebied. Tijdens het veldbezoek is aandacht uitgegaan naar aanwezigheid van de soort op muren. De soort is niet aangetroffen tijdens het veldbezoek terwijl de soort jaarrond is vast te stellen, maar niet alle muurtjes konden beoordeeld worden vanaf de openbare weg. Aanwezigheid van de soort is daarom niet geheel uitgesloten. →

In het plangebied zijn mogelijk groeiplaatsen van dreps, groot spiegelklokje, korensla, naakte lathyrus, wilde ridderspoor en schubvaren.

5.1.1 Effectbeoordeling vaatplanten Dreps, groot spiegelklokje, korensla, naakte lathyrus, wilde ridderspoor en schubvaren komen mogelijk binnen het plangebied voor en daarom kan de activiteit negatieve effecten hebben op deze soort, met als gevolg overtreding van artikel 11.54 van het Bal. Nader onderzoek naar groeiplaatsen van dreps, groot spiegelklokje, korensla, naakte lathyrus, wilde ridderspoor en schubvaren is nodig om de aan- of afwezigheid van deze soorten in het plangebied vast te stellen. Mogelijk is het nodig een vergunning aan te vragen. Het nader onderzoek naar groeiplaatsen van deze soorten wordt beschreven in hoofdstuk 6. →

Negatieve effecten op groeiplaatsen van dreps, groot spiegelklokje, korensla, naakte lathyrus, wilde ridderspoor en kartuizer anjer kunnen niet worden uitgesloten. Nader onderzoek naar groeiplaatsen van dreps, groot spiegelklokje, korensla, naakte lathyrus, wilde ridderspoor en kartuizer anjer is noodzakelijk.

→

5.2

Grondgebonden zoogdieren

Op basis van de NDFF (2024) blijken de volgende beschermde grondgebonden zoogdieren in de omgeving bekend te zijn: boommarter (Martes martes), bunzing (Mustela putorius), das (Meles meles), eekhoorn (Sciurus vulgaris), haas (Lepus europaeus), konijn

(Oryctolagus cuniculus), steenmarter (Martes foina), wezel (Mustela nivalis) en hermelijn (Mustela erminea). Daarnaast zijn er een aantal beschermde soorten die echter provinciaal zijn vrijgesteld van de verbodsbepalingen. Hiervoor kan mogelijk wel de specifieke zorgplicht (art. 11.27 Bal) gelden, zie hiervoor paragraaf 5.9. De boommarter is gebonden aan een bosrijke omgeving en leeft in allerlei verschillende bossen. Deze soort verblijft onder andere in boomholten, holen van middelgrote zoogdieren, takkenhopen en onder boomwortels. In sommige gevallen kunnen boommarters verblijven in gebouwen die in of aan de rand van het bos staan. Er zijn in de omgeving enkele waarnemingen bekend van boommarters. Op de autoweg tussen landgoed Bornia en landgoed De Breul is in 2022 een verkeerslachtoffer gemeld en op de A12 ten zuiden van het plangebied worden jaarlijks meerdere verkeersslachtoffers gemeld. Tijdens het nader onderzoek in 2011 zijn geen verblijfplaatsen vastgesteld op de naastgelegen landgoederen. Wel zijn enkele sporen aangetroffen van boommarter. De omliggende landgoederen zijn daarom wel bestempeld als geschikt foerageergebied en zullen in gebruik zijn door dieren die afkomstig zijn van de Utrechtse Heuvelrug, gelegen ten oosten van het plangebied.

De aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van de boommarter in het plangebied zelf is wel mogelijk door de aanwezigheid van geschikte natuurlijke nestholtes in de bomen en holen in de grond van andere zoogdieren. Tijdens het veldbezoek zijn niet alle geschikte nestholtes in kaart gebracht omdat er nog veel bladeren aan de bomen aanwezig zijn. In de gebouwen zijn tijdens het veldbezoek niet direct geschikte verblijfplaatsen vastgesteld, maar niet alle gebouwen konden beoordeeld worden vanaf de openbare weg. Boommarters hebben zeer grote territoria. Het territorium van een vrouwtje kan tot 500 hectare groot zijn en van een mannetje tot 1000 hectare groot. Gezien de ligging van het plangebied is het terrein ook geschikt als foerageergebied voor de boommarter. Bunzing, wezel, hermelijn Wezels leven in veel verschillende biotopen, maar voornamelijk in open, droge natuur- en cultuurlandschap. De soort leeft graag in de buurt van beschutting als bosschages, heggen en houtstapels. Hierbij is het van belang dat er voldoende prooidieren aanwezig zijn in de omgeving. Wezels leven vaak in oude holen van

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 15

ratten, muizen en konijnen. De bunzing komt voor in kleinschalig landschap met houtwallen en sloten, waarbij rommelhoekjes, verlaten holen van bijvoorbeeld konijnen en holle bomen als schuilplaats kunnen dienen. Hermelijnen komen voor in allerlei verschillende landschappen, in bossen, duinen, houtwallen en akkers. Deze soort prefereert hierbij landschappen met voldoende opgaande begroeiing die de dieren dekking biedt bij verplaatsingen. De hermelijn leeft in holen van andere zoogdieren en verplaatst zich langs lijnvormige elementen als muurtjes, heggen of oevers. Binnen het plangebied zijn allerlei kleinschalige landschappelijke elementen die geschikt zijn voor kleine marterachtigen. Er zijn diversen holen aangetroffen die gebruikt kunnen worden als verblijfplaats door kleine marterachtigen. Daarnaast zijn de dichtbegroeide bosschages, houstapels, begroeide greppels en de oevers langs de Rijnwijckse wetering geschikt leefgebied voor kleine marterachtigen (Afbeelding 5.1). Ook rond het volkstuinencomplex en ter hoogte van de Laan van Rijnwijk zijn deze elementen veelvuldig aanwezig (Afbeelding 5.2).

Afbeelding 5.1 |Er zijn diverse begroeide greppels in het plangebied aanwezig die geschikt zijn voor kleine marterachtigen.

Afbeelding 5.2 | Het volkstuinencomplex is door de kleinschalige landschapselementen uitermate geschikt als leefgebied voor kleine marterachtigen.

De das leeft in verscheidene biotopen, maar voornamelijk in kleinschalig akker- en weidelandschap met bosjes, houtwallen en heggen. Geschikte leefgebieden bevatten voldoende dekking, rust en een zachte bodem om een burcht in te graven. Deze burchten zijn vaak gelegen in bosranden, houtwallen, heggen, hellingen en liggen dichtbij akkers of graslanden waar gefoerageerd wordt. Dassen maken gebruik van hoofdburchten en bijburchten. Hoofdburchten zijn relatief groot en worden het merendeel van het jaar bewoond. Dit is ook meestal de plek waar de jongen worden geboren. Bijburchten hebben minder holen en kunnen gebruikt worden als vluchtplek bij verstoring van de hoofdburcht. Ook kunnen ze gebruikt worden door jong volwassen dassen die worden verstoten uit het territorium of door het mannetje als hij in het voorjaar vanuit hier beter zijn territorium kan verdedigen. Ook het voedselaanbod in de directe omgeving speelt een grote rol. Dassen verblijven het liefst zo dicht mogelijk bij hun voedsel en kunnen, tijdelijk, wisselen naar een bijburcht bij bv. een maisakker als het mais rijp is. Op landgoed Nieuw Beerschoten ten noorden van het plangebied is op minder dan 75 meter in een bosschage een hoofdburcht van de das bekend. Tijdens het veldbezoek is deze burcht kort bezocht en zijn verse gebruikerssporen aangetroffen (Afbeelding 5.3).

Mogelijk zijn er nog andere (bij)burchten in de omgeving aanwezig, maar dat is niet bekend. Tijdens het veldbezoek zijn binnen het plangebied geen sporen van deze soort aangetroffen, maar dit kon ook niet volledig worden onderzocht vanaf de openbare weg. Het is wel bekend dat de dassen o.a. foerageren in het

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 16

plangebied op de gronden van de (voormalige) drafbaan en de aangrenzende weilanden ten zuiden van de betreffende bosschage. Hier is ook maisland aanwezig. Ook wordt door de dassen gebruik gemaakt van passage ter hoogte Rijnwijckse wetering onder het spoor. Recent is een das dood gereden op de Odijkerweg. Mogelijk was de das op weg naar de faunapassafe onder de A12 door. Hier wordt de das ook waargenomen.

Afbeelding 5.3 | Dassenburcht op landgoed Nieuw Beerschoten met recente gebruikerssporen (graafsporen) van das.

De eekhoorn leeft in allerlei typen bosgebied, maar is ook in parken en tuinen in de omgeving van bos te vinden. Deze soort bouwt bolvormige nesten in hoge boomkronen. De nesten zijn gemaakt van bast, dood plantmateriaal en twijgen met bladeren. Soms maken eekhoorns ook nesten in boomholten of oude kraaiennesten. Waarnemingen van eekhoorn zijn bekend binnen het plangebied en de directe omgeving van het plangebied op de verschillende landgoederen. Tijdens het veldbezoek zijn geen dieren of nesten van eekhoorn aangetroffen. Het plangebied is echter door de aanwezige bomen wel geschikt als nestlocatie en foerageergebied voor de eekhoorn, en tijdens het veldbezoek kon het terrein niet vlakdekkend worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten omdat er nog veel bladeren aan de bomen aanwezig zijn. Het konijn komt voor in halfopen biotopen zoals bosranden, parken en tuinen. Konijnen verkiezen landschappen met een droge, zandige bodem, aangezien deze soort hier gemakkelijk holen kunnen graven. Waarnemingen van konijn zijn bekend binnen het plangebied ter hoogte van het spoortalud. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen of dieren gezien, maar het spoortalud kon ook niet geheel worden

onderzocht tijdens het veldbezoek vanaf de openbare weg. Het plangebied is voor het konijn wel geschikt als leefgebied. De haas komt veelal voor in kleinschalig bouw- en grasland, in biotopen als weilanden, akkers, heide en open bos. Hazen graven geen holen, maar maken gebruik van zogenaamde legers. Dit zijn ondiepe uithollingen nabij opgaande begroeiing als houtwallen, heggen of hoog gras. Waarnemingen van haas zijn bekend binnen het plangebied ter hoogte van kwekerij Abbing en de directe omgeving van het plangebied op de verschillende landgoederen met name op de weilanden. Tijdens het veldbezoek zijn ook hazen aangetroffen op de voormalige drafbaan en op landgoed Nieuw Beerschoten. In het plangebied zijn verschillende weilanden en akkers aanwezig die geschikt zijn voor de haas als leefgebied. De steenmarter is vooral te vinden in de nabijheid van dorpen en boerderijen en tegenwoordig zelfs in grote steden (de steenmarter is een ‘cultuurvolger’). Hij heeft een voorkeur voor gebieden met kleinschalige landbouw, met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes. Daarbij is de aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen van belang, omdat de steenmarter daar zijn voedsel zoekt. Een steenmarter zal bij zijn verblijfplaats altijd uitwerpselen in een soort latrine deponeren. Hij gebruikt hiervoor dus altijd dezelfde plaats.

Daarnaast worden vaak prooiresten rond de verblijfplaats aangetroffen. Er zijn in de wijde omgeving maar enkele waarnemingen bekend van steenmarters. De steenmarter is minder schuw dan de boommarter en verblijft vaak in gebouwen, maar kan zijn verblijfplaats ook in holen in de grond hebben. In de gebouwen zijn tijdens het veldbezoek niet direct geschikte verblijfplaatsen vastgesteld, maar niet alle gebouwen konden beoordeeld worden vanaf de openbare weg. Daarnaast kunnen ze mogelijk verblijven in holen in de grond van andere zoogdieren die binnen het plangebied aanwezig zijn. →

In het plangebied zijn mogelijk verblijfplaatsen van boommarter, bunzing, wezel, hermelijn, das, eekhoorn, konijn, haas en steenmarter aanwezig en daarnaast kan het plangebied onderdeel uitmaken van foerageergebied van deze soorten.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 17

5.2.1

Effectbeoordeling grondgebonden zoogdieren Boommarter, bunzing, wezel, hermelijn, das, eekhoorn, konijn, haas en steenmarter hebben mogelijk verblijfplaatsen en foerageergebied binnen het plangebied en daarom kan de activiteit negatieve effecten hebben op deze soorten, met als gevolg overtreding van artikel 11.54 van het Bal. Nader onderzoek naar boommarter, bunzing, wezel, hermelijn, das, eekhoorn, konijn, haas en steenmarter is nodig om de aan- of afwezigheid van deze soorten in het plangebied vast te stellen en de gebruiksfuncties van het plangebied voor de soorten. Mogelijk is het nodig een vergunning aan te vragen. Het nader onderzoek naar deze soorten wordt beschreven in hoofdstuk 6. →

Negatieve effecten op functioneel leefgebied van boommarter, bunzing, wezel, hermelijn, das, eekhoorn, konijn, haas en steenmarter zijn niet uitgesloten. Nader onderzoek naar functioneel leefgebied van boommarter, bunzing, wezel, hermelijn, das, eekhoorn, konijn, haas en steenmarter is noodzakelijk.

→

5.3

Vleermuizen

Op basis van de NDFF (2024) blijken de volgende beschermde vleermuizen in de omgeving bekend te zijn: baardvleermuis (Myotis mystacinus), brandts vleermuis (Myotis brandtii), franjestaart (Myotis nattereri), gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus), laatvlieger (Eptesicus serotinus), rosse vleermuis (Nyctalus noctula), ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) en watervleermuis (Myotis daubentonii). Bij het gebruik van het landschap door vleermuizen wordt onderscheid gemaakt in vaste verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. Vaste verblijfplaatsen Er zijn vleermuizen die hun verblijfplaats doorgaans in gebouwen hebben, zoals gewone dwergvleermuis. Ook zijn er soorten die hun verblijfplaats meestal in bomen hebben, zoals rosse vleermuis en watervleermuis. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomeren winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (in spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, achter dakbeschot en in schoorstenen etc.), terwijl een soort

als de rosse vleermuis jaarrond verblijft in bomen (in holten, spleten en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders, maar verblijft in de zomerperiode in boomholten. Gebouwbewonende vleermuissoorten De gebouwen in het plangebied zijn gecontroleerd op openingen die door vleermuizen als verblijf kunnen worden gebruikt of toegang bieden tot een verblijfsplaats. Openingen van 1,5 cm bij 5 cm zijn al voldoende voor vleermuizen. Vaak worden in gebouwen spouwmuren en ruimtes onder daken gebruikt als verblijfplaats. Tijdens het veldbezoek konden niet alle gebouwen even goed beoordeeld worden omdat het veldbezoek alleen vanaf openbare wegen is uitgevoerd. In de ruimere omgeving zijn verschillende kraamkolonies van gewone dwergvleermuis en laatvlieger vastgesteld in gebouwen tijdens het SMP onderzoek in 2019 (Steen & Hoksberg, 2020). Ondanks dat het plangebied grotendeels buiten het onderzoeksgebied viel van het SMP is de stationslocatie wel kortstondig onderzocht. In het kantoorpand aan de Stationsweg 11 is toen een kraamkolonie van gewone dwergvleermuis vastgesteld achter de betonnen gevelplaten (Afbeelding 5.4). Hierbij werden in de ochtend 30 zwermende dieren gezien en deze vlogen in onder het kozijn die toegang biedt tot een ruimte achter de betonnen gevelplaten. Tijdens een uitvliegtelling zijn 130 dieren geteld.

Afbeelding 5.4 | Achter de betonnen gevelplaten van het kantoorpand aan de Stationsweg 11 is in 2019 een kraamkolonie gewone dwergvleermuis vastgesteld van 130 dieren.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 18

Aan het kantoorpand en in de directe omgeving zijn verschillende vleermuiskasten opgehangen (Afbeelding 5.5). De reden hiervan is onbekend. Mogelijk vanwege de ontwikkeling van het stationsgebied of een sloop-nieuwbouw project in de directe omgeving. Tijdens het veldbezoek zijn de kasten indien mogelijk gecontroleerd, maar er zijn geen vleermuizen of gebruikssporen van vleermuizen zoals keutels vastgesteld.

ervanuit (wordt-case) dat deze gebouwen allemaal geschikt zijn voor gebouwbewonende vleermuizen.

Afbeelding 5.6 | Woningen aan de Odijkerweg.

Ook zijn er aantal gebouwen die op basis van het veldbezoek wel als ongeschikt beoordeeld kunnen worden voor gebouwbewonende vleermuizen zoals de nieuwe parkeergarage bij het station omdat geschikte gaten en kieren ontbreken voor vleermuizen. Afbeelding 5.5 | Er hangen diverse vleermuiskasten in de omgeving van het stationsgebied.

Er staan enkele kantoorpanden die geschikt zijn voor vleermuizen omdat deze stootvoegen hebben die toegang bieden tot de spouw. Als deze niet zijn na-geïsoleerd dan is hier een open ruimte die geschikt is voor gebouwbewonende vleermuizen. Verder staan er op het terrein enkele kantoorpanden die op het oog weinig geschikt lijken voor vleermuizen vanwege platte daken en relatief strakke afwerking langs de dakranden en het ontbreken van open stootvoegen. Toch leert de ervaring dat ook hier vaste verblijfplaatsen niet geheel uit te sluiten zijn. In het plangebied staan een aantal monumentale panden, woningen en boerderijen met schuurtjes die ook geschikt kunnen zijn voor vleermuizen. Vaak zijn hier wel dakpannen, stootvoegen die toegang bieden tot de spouw of gevelbekleding aanwezig die gebruikt kunnen worden als vaste verblijfplaats door gebouwbewonende vleermuizen. Tijdens het nader onderzoek in 2011 zijn langs de Odijkerweg in de woningen in- en uitvliegende gewone dwergvleermuizen waargenomen (Afbeelding 5.6). Omdat de gebouwen alleen vanaf de openbare weg zijn beoordeeld gaan we

In de meeste gebouwen in het plangebied kunnen soorten als de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis worden verwacht. Om vast te stellen in hoeverre de gebouwen door vleermuizen worden gebruikt, is nader onderzoek noodzakelijk. Boombewonende vleermuissoorten Het is bekend dat er op de verschillende landgoederen in de directe omgeving van het plangebied veel verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen aanwezig zijn. Deze zijn ook aangetroffen tijdens het nader onderzoek in 2011. Hier zijn verblijfplaatsen van rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en watervleermuis vastgesteld. Het gaat om verschillende functies zoals kraam-, paar-, zomeren winterverblijfplaatsen. Binnen het plangebied zijn geen verblijfplaatsen bekend van boombewonende vleermuizen, maar deze kunnen niet worden uitgesloten. Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied verschillende bomen aangetroffen met geschikte holtes, spleten en loszittend schors die als verblijfplaats geschikt zijn voor boombewonende vleermuizen. Hierbij is het terrein niet vlakdekkend onderzocht op de aanwezigheid van geschikte holtes, spleten en loszittend schors omdat er

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 19

nog veel bladeren aan de bomen aanwezig zijn en het veldbezoek vanaf de openbare weg is uitgevoerd.

wordt als vliegroute voor de gewone dwergvleermuis (<40 dieren) en laatvlieger (<20 dieren).

Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen zoals kunnen daarom niet worden uitgesloten in het plangebied. In de aangetroffen holten kunnen soorten als franjestaart, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis worden verwacht. →

In het plangebied zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen en bomen aanwezig.

Vliegroutes en foerageergebied Vliegroutes en foerageergebied van vleermuizen worden niet in directe zin door de wet beschermd. Echter zijn zij wel van belang voor het functioneren van verblijfplaatsen; het verdwijnen van vliegroutes en foerageergebied kan daardoor indirect resulteren in het verlaten van verblijfplaatsen. Wanneer deze functies van groot belang zijn voor vleermuizen, of zij niet makkelijk gebruik kunnen maken van gebieden met eenzelfde functie (alternatieven) spreken we van essentiele vliegroutes of essentieel foerageergebied. Vliegroutes Om zich van verblijfplaats naar foerageergebied te verplaatsen, worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. De gewone dwergvleermuis gebruikt bijvoorbeeld vaak bomenrijen om zich te oriënteren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid. Binnen het plangebied zijn meerdere lijnvormige structuren aanwezig die geschikt zijn als vliegroute voor vleermuizen. Het gaat om bomenlanen langs de Driebergseweg/Hoofdstraat (N225), Laan van Rijnwijk en Odijkerweg. Ook kan de Rijnwijckse Wetering als vliegroute worden gebruikt door bijvoorbeeld watervleermuis. Daarnaast kunnen de landschappelijke structuren op de omliggende landgoederen ook gebruikt worden als vliegroute.

Tijdens eerdere onderzoeken in 2011 zijn op landgoed Reehorst en Beerschoten essentiële vliegroutes vastgesteld van gewone dwergvleermuis (<30 dieren) en laatvlieger (<30 dieren). Uit het SMP onderzoek in 2019 is ook gebleken dat de bomenstructuur langs de N225 gebruikt

Afbeelding 5.7 | Bomenstructuur langs de N225 die wordt gebruikt als vliegroute door vleermuizen.

Van rosse vleermuizen is in 2011 vastgesteld dat ze vooral de boomkroonzone gebruiken om tot hoogte te komen (boomkronen vormen min of meer de vliegroute voor deze soort). Eenduidige vliegroutes zijn toen niet vastgesteld. Het belangrijkste aspect voor deze soort is de aanwezigheid van hoog opgaande bomen, bossen en bosranden waar ze gebruik kunnen maken van de boomkronen als begeleiding. In 2011 is ook vastgesteld dat watervleermuizen meerdere vliegroutes hebben in het plangebied en omliggende landgoederen. Er is specifiek onderzoek gedaan naar het gebruik van de Rijnwijckse wetering door vleermuizen. Hierbij is vastgesteld dat de wetering wordt gebruikt als vliegroute door watervleermuizen. Andere vliegroutes die zijn vastgesteld in 2011 worden gevormd door de aanwezige begroeiing (opgaande bomen) langs het fietspad op landgoed Beerschoten en aan weerszijden van het spoor (noord- en zuidkant spoortraject). De soort gebruikt verder de landschappelijke structuren van het landgoed de Reehorst en ze vliegen van noord naar zuid vanaf landgoed Beerschoten naar landgoed Bornia. Foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn, bijvoorbeeld op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken.

Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet Stationsgebied Driebergen-Zeist 20

verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Het plangebied en directe omgeving bevat geschikt foerageergebied wegens de aanwezigheid van bosranden evenals wateroppervlakten. Ook kunnen de open gebieden, inclusief het volkstuinencomplex door diverse soorten vleermuizen worden gebruikt als foerageergebied. Tijdens het onderzoek in 2011 is vastgesteld dat het terrein door verschillende soorten als foerageergebied worden gebruikt. Gewone dwergvleermuizen en laatvliegers foerageren in de open delen van het gebied en langs de boomkruinen en bosranden. Net buiten het plangebied wordt boven de slingervijvers van Beerschoten en de vijver van De Breul gefoerageerd door de watervleermuis. Dit gedrag is ook tijdens het SMP in 2019 vastgesteld. Ook boven de Rijnwijckse wetering wordt gefoerageerd door de watervleermuis. Op de open plekken in het landschap foerageren rosse vleermuizen (agrarisch gebied en op hoogte boven het landschap). De omliggende landgoederen worden door de gewone grootoorvleermuis als foerageergebied gebruikt. →

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15681834/1