CConstaterende datZeist
Koppel je AI →
Document · PDF

RIB24.070 U&H strategie Zeist

Vragenuur Lijst ingekomen stukken 21 mei 2024, gemeente ZeistBij agendapunt: C - Raadsinformatiebrieven20.526 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

2.5.3

Meldingsplichtige activiteiten

Bepaalde activiteiten vallen niet onder de vergunningsplicht, maar onder een meldingsplicht. Dit geldt onder meer voor brandveilig gebruik in bepaalde situaties, en voor sloopactiviteiten. Sloopmelding Een sloopmelding moet worden ingediend als er meer dan 10 m3 sloopafval vrijkomt. Ook is een sloopmelding nodig als er asbest kan vrijkomen bij de sloopwerkzaamheden, ongeacht de hoeveelheid sloopafval die vrijkomt. Bij kleine verbouwingen zonder asbest is dus geen sloopmelding nodig. Als tijdens een kleine verbouwing toch asbest wordt aangetroffen, moet alsnog een sloopmelding worden ingediend. Bij een sloopmelding kunnen in de akkoordbrief ook aanvullende voorwaarden worden gesteld. Een sloopmelding kent normaal gesproken geen bezwaar- en beroepsmogelijkheid. Dit is anders als er aanvullende voorwaarden zijn gesteld. Dan is sprake van een besluit waartegen bezwaar en beroep open staan. Melding brandveilig gebruik (gebruiksmelding) Een gebruiksmelding moet worden ingediend wanneer deze is aangewezen in artikel 6.7 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Bij een gebruiksmelding wordt vaak advies gevraagd bij de Veiligheidsregio Utrecht (brandweer). Het advies van de Veiligheidsregio wordt door de gemeente Zeist meegenomen bij de bepaling of voldaan wordt aan de indieningsvereisten voor de melding.

Als de toets positief is en de stukken correct en volledig zijn, wordt een brief verzonden waarin de ontvangst wordt bevestigd en wordt meegedeeld dat de melding akkoord is bevonden.

2.5.4

Intrekken van vergunningen

In de meeste gevallen wordt tijdig gebruik gemaakt van een omgevingsvergunning nadat deze is verleend. Daar zijn uitzonderingen op. Als langere tijd geen gebruik is gemaakt van de omgevingsvergunning of de activiteit stil ligt wordt gesproken over een ‘slapende omgevingsvergunning’. Het oneindig in stand houden van dit soort omgevingsvergunningen is onwenselijk om redenen van planologische, stedenbouwkundige, technische en administratieve aard, omdat: ▪ Het niet intrekken van ‘oude’ ongebruikte omgevingsvergunningen zorgt ervoor dat nieuwe(re) planologische en stedenbouwkundige ontwikkelingen worden doorkruist door bouw- en aanlegactiviteiten die in het verleden zijn vergund. Dit vinden wij een onwenselijke situatie. ▪ Door nieuwe inzichten van technische-, veiligheids- en duurzaamheidseisen en wijziging van weten regelgeving is het onwenselijk dat bouwwerken worden opgericht die niet aan de laatste eisen voldoen. Dit betreft vooral de energiezuinigheid, duurzaamheid en (brand)veiligheid. Uitvoering- en handhavingsstrategie Gemeente Zeist 2024 – 2028

18/41

▪ Een verschil tussen de feitelijke en de planologische situatie zorgt voor problemen bij waardebepaling voor de taxatie in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ). ▪ Het actualiseren en beheren van de Basisregistratie voor Adressen en Gebouwen (BAG) noodzakelijk is om eenduidige informatie te kunnen bieden. ▪ Het wenselijk is dat het vergunningenarchief overeenkomt met de feitelijke situatie vanwege correcte informatieverstrekking aan derden en vanuit het oogpunt van bouwtoezicht en adequate handhaving. De aanleiding voor het intrekken van oude, ongebruikte omgevingsvergunning kan zijn een verzoek om handhaving, maar kan ook plaatsvinden op verzoek van vergunninghouder (artikel 5:40 lid 2 sub c Omgevingswet). Daarnaast kan ook ambtshalve een omgevingsvergunning worden ingetrokken. Wanneer over zal worden gegaan tot het intrekken van een omgevingsvergunning, wordt hier niet lichtzinnig mee omgegaan. Van de bevoegdheid tot het intrekken van een omgevingsvergunning zal alleen gebruik worden gemaakt als urgente, zwaarwegende planologische, stedenbouwkundige of technische belangen daartoe aanleiding geven. Wanneer het college van mening is dat van dergelijke belangen sprake is, zal er eerst een voornemen tot intrekking worden verzonden aan vergunninghouder. Hiertegen kan dan gedurende een termijn van twee weken een zienswijze worden ingediend.

Deze zienswijze maakt onderdeel uit van de besluitvorming of daadwerkelijk tot intrekking van de vergunning moet worden over gegaan. Van de bevoegdheid om de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk in te trekken wordt geen gebruik gemaakt als de vergunninghouder met concrete stukken en/of documenten naar het oordeel van het college aantoont dat binnen een redelijke termijn na het bekend maken van het voornemen tot intrekking van de omgevingsvergunning met de werkzaamheden wordt gestart of herstart. Wat als een redelijke termijn moet worden beschouwd, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en zal daarom per situatie worden bekeken. Voordat een omgevingsvergunning wordt ingetrokken worden alle, in aanmerking te nemen, belangen betrokken en tegen elkaar afgewogen, zie ABRvS 21 januari 2015, ECLI:NL: RVS:2015:124 en ABRvS 1 juni 2016, ECLI:NL: RVS:2016:1492. Daarbij komt aan de planologische, stedenbouwkundige en technische belangen een groot gewicht toe ten opzichte van het (enkele) financiële belang van vergunninghouder. Als een vergunninghouder niet voldoende aannemelijk kan maken dat alsnog binnen een redelijke termijn wordt gestart of herstart met de werkzaamheden dan is dat voldoende aanleiding om de ongebruikte omgevingsvergunning in te trekken. Tegen het besluit tot intrekking van de omgevingsvergunning is bezwaar en beroep mogelijk.

Wettelijke grondslag De wettelijke grondslag voor het intrekken van omgevingsvergunningen is terug te vinden in artikel 5:40 lid 2 van de Omgevingswet. Hierbij maakt de Omgevingswet voor wat betreft de te stellen termijn geen onderscheid tussen omgevingsvergunningen die in zijn geheel nog niet tot uitvoering zijn gebracht en omgevingsvergunningen waarbij er langere tijd geen handelingen zijn verricht. Op grond van artikel 5:40 lid 1 sub b Omgevingswet wordt in alle gevallen de termijn waarna het bevoegd gezag een omgevingsvergunning mag intrekken gesteld op één jaar. Op grond van artikel 5:40 lid 2 sub a Omgevingswet in samenhang met artikel 18:10 Besluit kwaliteit leefomgeving kan een omgevingsvergunning ook worden ingetrokken indien er sprake is van handelen in strijd met de verleende beschikking. Tot slot biedt artikel 5:40 lid 1 sub d Omgevingswet ook de mogelijkheid om een omgevingsvergunning in te trekken, wanneer er op grond van de Wet Bibob sprake is van ernstig gevaar zoals bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Belangrijk om te vermelden is dat de wet niet verplicht om na één jaar over te gaan tot het intrekken van de omgevingsvergunning. De wet biedt hier namelijk de ruimte voor het bestuursorgaan om zelf de afweging te maken of er gebruik zal worden gemaakt van deze vergunning. Uitvoering- en handhavingsstrategie Gemeente Zeist 2024 – 2028

19/41

3

Toezicht en handhaving

3.1

Inleiding

In dit hoofstuk zetten wij allereerst de uitgangspunten van toezicht en handhaving uiteen. Vervolgens gaan wij in op de prioriteiten en zetten we de werkprocessen bij toezicht en handhaving uiteen.

3.2

Uitgangspunten toezicht en handhaving

Toezicht en handhaving vindt plaats op basis van de volgende uitgangspunten.

3.2.1

Uitgangspunten toezicht

▪ Gevaar: Bij acute hinderlijke, gevaarlijke en/of spoedeisende situaties wordt door onze toezichthouders direct opgetreden. Dit betekent dat er een hele korte of geen termijn wordt gesteld aan de overtreder om de overtreding te beëindigen. ▪ Slim: We voeren het toezicht zo ‘slim’ mogelijk uit. Dit betekent efficiënt, effectief en doelmatig. Hiermee wordt de ‘belasting’ voor de gecontroleerde(n) zoveel mogelijk beperkt. We gebruiken zoveel mogelijk informatie (data) voor het uitvoeren van het toezicht, bijvoorbeeld door het gebruik van de App voor nieuwgebouwde bouwwerken. Diepgang: De diepgang van het toezicht is risico-gestuurd. Afhankelijk van de ‘risico’s’ van de gecontroleerde activiteit(en) wordt de diepgang van het toezicht bepaald. ▪ Buurt-/Wijk-/Gebiedsgericht: Onze toezichthouders werken gebieds-/wijkgericht. Ieder gebied heeft zijn eigen kenmerken en prioriteiten. Hiermee houden de toezichthouders rekening bij het uitvoeren van de controles. ▪ Integraal: Onze toezichthouders voeren het toezicht zo integraal mogelijk uit. Dit betekent dat onze toezichthouders zoveel mogelijk controles houden met elkaar (ook met partners), voor elkaar (ook voor partners) of na elkaar. ▪ Samenwerking kwaliteitsborgers: De kwaliteitsborgers houden toezicht op het (bouw)proces voor nieuwe bouwwerken in gevolgklasse 1.

Als bevoegd gezag vertrouwen wij erop dat dit toezicht op adequate wijze wordt uitgevoerd. Wanneer er sprake is van een dusdanige overtreding dat inmenging van het bevoegd gezag toch noodzakelijk is, houden wij hierover goed contact met de kwaliteitsborgers.

3.2.2

Uitgangspunten handhaving

Situatie: Er is altijd een reden/oorzaak te noemen waarom iemand de regels overtreedt. Wij vinden het belangrijk dat wij hiervoor oog hebben. Dit betekent dat wij bij het beoordelen van de overtreding/overtreder doorvragen om de achterliggende reden/oorzaak te vinden. Hiermee kunnen we de beste aanpak voor het oplossen van een probleem of overtreding bepalen. Gevaar: Bij acute hinderlijke, gevaarlijke en/of spoedeisende situaties wordt door onze toezichthouders direct opgetreden. Dit betekent dat er een hele korte of geen begunstigingstermijn wordt gesteld aan overtreder om de overtreding te beëindigen. Sluitstuk: Handhaving is pas aan de orde in die gevallen dat in het (informele) voortraject niet tot de gewenste oplossing wordt gekomen en/of de overtreder niet bereid is om mee te werken aan een mogelijke oplossing. In dat geval wordt overgegaan tot het (formele) handhavingstraject.

Uitvoering- en handhavingsstrategie Gemeente Zeist 2024 – 2028

20/41

3.3

Prioriteiten

3.3.1

Inleiding

Er zijn, helaas, meer overtredingen dan waarop de gemeente Zeist, gezien de beschikbare capaciteit, kan handhaven. Daarom is het noodzakelijk om een prioritering aan te brengen in de handhavingstaken en -doelen: welke activiteiten krijgen voorrang boven andere, zodat op een goede manier wordt omgegaan met de uitdagingen waar Zeist voor staat. Om te bepalen welke overtredingen prioriteit zouden moeten krijgen, is onder meer een risicoanalyse uitgevoerd. Hierbij is de methodiek uit de ‘Handreiking handhaven bouwregelgeving’ van het (toenmalige) ministerie van VROM gehanteerd. De risicoanalyse geeft een beeld van bij welke overtredingen op het gebied van bouw- en woningtoezicht zich de grootste negatieve effecten kunnen voordoen. Ook wordt gekeken in welke situaties of branches de kans op overtreding van de wet het grootst is (autonoom naleefgedrag). Onder ‘risico’ verstaan we dus de kans op overtreding vermenigvuldigd met de ernst van de negatieve effecten. De gemeente Zeist heeft een inschatting gemaakt van de mate waarin bepalingen worden nageleefd en van de negatieve effecten die (kunnen) optreden als dit niet gebeurt. Het gaat hierbij niet om uitgebreide wetenschappelijke analyses, maar om inschattingen op basis van de kennis en ervaring die wij in huis hebben. De risicoanalyse (toets- en toezichtsmatrix) is toegevoegd in bijlage 2 en 3.

Uit de Omgevingswet blijkt dat in het handhavingsbeleid prioriteiten mogen worden gesteld. Deze prioritering kan bepalend zijn voor de mate waarin toezicht wordt gehouden op de naleving van voorschriften. Ook mag prioritering inhouden dat bij bepaalde, lichte overtredingen alleen naar aanleiding van een klacht of een verzoek van een belanghebbende wordt beoordeeld of handhavend moet worden opgetreden. Beleid dat inhoudt dat tegen overtredingen met een lage prioriteit nooit zal worden opgetreden, is niet toegestaan. Daarmee zou immers het te handhaven wettelijk voorschrift worden ondergraven. Het bestuursorgaan kan een verzoek om handhaving dus niet afwijzen met een enkele verwijzing naar het handhavingsbeleid waarin aan de desbetreffende overtreding een lage prioriteit is toegekend. Handhaven is dus een wettelijke plicht, maar de gemeente kan binnen de wettelijke kaders doelen vastleggen, prioriteiten stellen en accenten aanbrengen. Om dat te doen, wordt een risicoanalyse uitgevoerd. Dit houdt in dat de kans op en de eventuele (negatieve) gevolgen van het optreden van bepaalde situaties binnen Zeist worden geïnventariseerd. Indien de kans op en/of het negatieve effect van een overtreding te groot worden geacht, wordt prioriteit gegeven aan het voorkomen of opheffen van die situatie.

Uitvoering- en handhavingsstrategie Gemeente Zeist 2024 – 2028

21/41

3.3.2

Risicoanalyse en gemeentelijke prioriteiten

Op basis van risicoanalyse en de bestuurlijke standpunten zijn de volgende prioriteiten ten aanzien van toezicht en handhaving gesteld in Zeist: Gemiddeld Hoog

Erfgoed

Landelijke prioriteiten

Illegaal wijzigen van monumenten Staat van onderhoud van monumenten Verduurzamen van monumenten Archeologie Beschermde dorpsgezichten en structuren

Asbest Brandveiligheid Constructieve veiligheid Risicovolle inrichtingen Toepassing van verontreinigde grond Gebruik van gronden of gebouwen in strijd met het omgevingsplan

Bouwen

Bouwen Bestaande bouw: zorggebouwen (brand-/ constructieve veiligheid en duurzaamheid) Nieuwbouw: zorggebouwen (brand-/ constructieve veiligheid en duurzaamheid) Overig Ondermijning Wijkveiligheid Laag Bouwen Erf- en perceelafscheidingen Kleine bouwwerken Bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied in de bestemming 'Wonen'. Meldingen, al dan niet anoniem, voor zover er geen sprake is van brand- of constructieve veiligheid Aanleg en gebruik in afwijking van of Overig zonder vergunning

Bestaande bouw Woongebouwen Bedrijfsgebouwen Publieksgebouwen Dakkapellen Nieuwbouw Woongebouwen Bedrijfsgebouwen Publieksgebouwen Overig Dakkapellen Bijbehorende bouwwerken in de bestemming ‘BosTuin’ of in het voorerfgebied Verlopen tijdelijke omgevingsvergunningen

Wonen Verkamering Opkoopbescherming Splitsing, onttrekking of samenvoeging van woningen

Wanneer maatschappelijke ontwikkelingen, politieke voorkeuren en/of keuzes daar aanleiding voor geven, kan het zijn dat er verandering plaatsvindt in de prioritering. Hierover zal dan verantwoording worden afgelegd in het jaarverslag en nadere duiding worden gegeven in het uitvoeringsprogramma van desbetreffend jaar.

Uitvoering- en handhavingsstrategie Gemeente Zeist 2024 – 2028

22/41

3.4

Werkwijze toezicht

3.4.1

Toezicht in relatie tot de wet kwaliteitsborging

Niet alleen de rol van vergunningverlening verandert met de inwerkingtreding van de Wkb, ook de rol van toezicht verandert door de inwerkingtreding van de Wkb. Zoals eerder omschreven, hanteert de gemeente Zeist namelijk de procesmatige benadering van de Wkb. Dit is ook het geval voor het toezicht onder de Wkb en past daarmee goed in het gedachtegoed van deze wet. Nadat er een volledige melding technische bouwactiviteit is ingediend, wordt desbetreffende melding toegevoegd aan de werkvoorraad van de bouwinspecteur. Nu hier sprake is van gevolgklasse 1, zal de rol voor de toezichthouder voor wat betreft het toezicht op de technische bouwactiviteit in beginsel beperkt zijn. Het toezicht op de technische bouwactiviteit verschuift immers van het bevoegd gezag naar de private kwaliteitsborger. Hierdoor verschuift het toezicht van de voorkant van het proces naar handhaving achteraf. Toch is het in sommige gevallen wenselijk dan wel noodzakelijk dat het bevoegd wel haar bevoegdheden uitoefent als toezichthouder op bouwwerken die vallen onder gevolgklasse 1.

In de navolgende situaties achten wij een nadrukkelijkere rol voor de toezichthouder in het bouwproces daarom wel op zijn plaats: Opleggen informatie en stopmomenten op grond van artikel 2.20 Bbl Als bevoegd gezag behouden wij op grond van dit artikel de mogelijkheid om over specifieke bouwwerkzaamheden en de momenten waarop deze worden uitgevoerd nadere informatie op te vragen. Hierom zal met name worden gevraagd wanneer er sprake is van een te bouwen bouwwerk waar bijzondere risico’s aan kleven. Dit kan het geval zijn wanneer de locatie specifieke omstandigheden, bijvoorbeeld bouwen nabij doorstroomroutes of gebieden met een hoge archeologische waarde, hierom vragen. Ook kunnen de in de risicobeoordeling aangegeven risico’s aanleiding geven tot het opvragen van meer informatie. Op voorhand valt niet eenduidig aan te geven wanneer er van een dergelijke situatie sprake is, omdat hier altijd sprake is van maatwerk. De toezichthouder zal dit per melding technische bouwactiviteit bekijken en hier een afweging in maken. Melding strijdigheid Bbl; Op het moment dat er gebouwd wordt in strijd met het Bbl, is het de taak van de kwaliteitsborger om dit bij het bevoegd gezag te melden. De toezichthouder bekijkt in dit geval de melding strijdigheid Bbl en bepaalt de aard en omvang van de strijdigheid.

Ook wordt onderzocht wat de oorzaak en reden is van de ontstane afwijking, welke beheersmaatregelen er zijn genomen, maar wegen wij ook de houding en gedrag van de initiatiefnemer en de aannemer mee. Tot slot bekijken we welke prioritering de overtreding c.q. het te bouwen bouwwerk heeft. Op basis van bovenstaande kan de conclusie zijn dat een formeel handhavingstraject niet nodig zal zijn en dat de geconstateerde overtreding via de informele weg kan worden opgelost. Indien de toezichthouder, mede op basis van de aangeleverde informatie en de gehanteerde prioritering, constateert dat er wel sprake is van een ernstige overtreding van het Bbl, dan zal er wel een formeel handhavingstraject worden opgestart. Ook hierbij maakt de toezichthouder per situatie een afweging, waarbij er dus wederom sprake is van maatwerk. Hierbij wordt er in ieder geval handhavend opgetreden, zo nodig met (spoedeisende) bestuursdwang, wanneer er sprake is van afwijkingen op het gebied van constructieve veiligheid of strijdigheden op het gebied van brandveiligheid. (Onvolledige) melding bouwwerk gereed Op grond van artikel 2.21 Bbl is het niet toegestaan om een bouwwerk in gebruik te nemen zonder dat ten minste twee weken voor het feitelijk gebruik dit gemeld is aan het bevoegd gezag.

Bij het indienen van deze melding moeten er op grond van artikel 2.21 Bbl ook een aantal documenten worden overlegd, waaronder de verklaring van de kwaliteitsborger en het ‘as build’ dossier. Gelet op het feit dat wij kiezen voor een procesmatige benadering, zullen de ingediende stukken in beginsel niet inhoudelijk worden getoetst. Er zal alleen bekeken worden of het dossier compleet is. Wanneer Uitvoering- en handhavingsstrategie Gemeente Zeist 2024 – 2028

23/41

hiervan sprake is, is er geen aanleiding tot nadere vervolgacties en zal het dossier door de toezichthouder worden gesloten. Mocht er in het bouwtraject al wel sprake zijn geweest van handhavend optreden, dan ligt het voor de hand dat de gereedmelding wat inhoudelijker door de toezichthouder wordt bekeken dan in andere gevallen. Indien er sprake is van een onvolledige melding, dan wel het überhaupt niet indienen van een melding, dan zal de toezichthouder actief een controle inplannen om erop toe te zien dat het bouwwerk niet in gebruik wordt genomen. Dit is immers niet toegestaan zolang er geen geldige melding is gedaan en daarbij de 10 dagen termijn verstreken is. In de tussentijd zal de toezichthouder ook contact opnemen met de aannemer om te laten weten dat er nog geen geldige melding is ontvangen en wat hier de consequenties van zijn. Wij kiezen ervoor om ook in dit geval maatwerk te leveren en niet direct over te gaan tot handhavend optreden. Uiteraard zal hiervan wel sprake zijn op het moment dat de situatie hierom vraagt. De toezichtstrategie in zijn algemeenheid staat nader toegelicht in hoofdstuk 4 van deze U&H-strategie.

3.4.2

Gevolgen landelijke ontwikkelingen

Op 1 januari 2024 treedt de eerste fase van de private kwaliteitsborging in de bouw in werking. Als eerste zijn de bouwwerken aan de beurt die vallen onder gevolgklasse 1. Het gaat dan om het bouwen en verbouwen van vergunningplichtige bouwwerken met een laag risico op het gebied van constructieve veiligheid en brandveiligheid. Er mag voor het gebruik van die bouwwerken geen melding of vergunning brandveilig gebruik nodig zijn. De hoogte van de bouwwerken mag niet meer dan 20 meter zijn. Tevens mag geen sprake zijn van een ‘gelijkwaardige oplossing’ met betrekking tot constructieve veiligheid of brandveiligheid. Het gaat dus met name om grondgebonden woningen en eenvoudige bedrijfsgebouwen. Drie jaar na de eerste fase van de privatisering vindt een evaluatie plaats, waarna het toezicht op winkels, bibliotheken, gemeentehuizen en (hoge) flats ook privaat uitgevoerd zou moeten (kunnen) worden. Uiteindelijk zou het stelsel ook moeten gaan gelden voor zeer complexe bouwwerken, zoals een metrostation, ziekenhuis of voetbalstadion. Voor deze bouwprojecten zal dus op termijn geen toezicht meer gehouden worden op technische voorschriften van het Besluit bouwwerken leefomgeving. De (bestuursrechtelijke) handhaving blijft echter wel een taak van het bevoegd gezag.

Dit zal onder meer aan de orde zijn als er niet (langer) wordt voldaan aan de eis dat een kwaliteitsborgingsinstrument wordt toegepast dat is toegelaten tot het stelsel voor de betreffende risicocategorie. Een kwaliteitsborgingsinstrument is een instrument dat is toegelaten door de landelijke Toelatingsorganisatie en dat een beoordelingsmethodiek bevat die gericht is op het bouwen van een bouwwerk. Doel van het instrument is om, middels risicoanalyse, toets- en toezichtplannen, vast te stellen of het bouwwerk voldoet aan de eisen die aan bouwwerken gesteld worden. Ook kan handhaving nodig zijn indien de eindverantwoordelijke die is aangewezen voor de kwaliteitsborging niet (langer) gerechtigd is om te werken met het gekozen kwaliteitsborgingsinstrument. Ook het bouwen zonder vergunning van een bouwwerk waarvoor wettelijk wel een vergunningplicht geldt, blijft een handhavingsgrond. Overigens blijft het toezicht op en handhaving van de omgevingsveiligheid tijdens de bouw wel bij de gemeente Zeist, evenals toezicht op en handhaving van bestaande bouw.

3.5

Werkwijze handhaving

3.5.1

Buurtbemiddeling / pre-mediation

Bij handhaving wordt vaak direct aan het opleggen van een sanctie gedacht. Maar het daadwerkelijk opleggen van een sanctie is een uiterste middel, en is bovendien slechts een deel van het gehele handhavingsproces. Tussen het tijdstip waarop de bevindingen gedaan zijn en het tijdstip dat er daadwerkelijk een sanctiebesluit wordt genomen, ligt een periode waarin veelal wordt gepoogd de overtreder zover te krijgen dat deze uit zichzelf de overtreding ongedaan maakt. Dit is het zogeheten ‘minnelijke overleg’. Uitvoering- en handhavingsstrategie Gemeente Zeist 2024 – 2028

24/41

Via het minnelijk overleg met de overtreder wordt getracht aan de overtreding een einde te maken. In het kader van dit overleg kan ook worden onderzocht of legalisatie mogelijk is. Als legalisatie mogelijk is, wordt de overtreder in de gelegenheid gesteld de overtreding te legaliseren. Maakt de overtreder geen gebruik van de mogelijkheid om de overtreding te legaliseren of is legalisatie van de overtreding niet mogelijk c.q. wenselijk, dan wordt een constateringsbrief of vooraankondiging verstuurd (zie de drie-stappen-procedure of de twee-stappen-procedure). Het minnelijk overleg kan ook gebruikt worden bij klachten, meldingen en handhavingsverzoeken. Middels telefonisch contact of een overleg kan aan de verzoeker gevraagd worden wat de achterliggende gedachte is, op welk onderwerp de klacht of het verzoek zich richt, wat de klager of verzoeker hoopt te bereiken en wat de verzoeker eventueel zelf al ondernomen heeft om de overlast bij de overtreder onder de aandacht te brengen. Deze benadering staat nader uitgewerkt in hoofdstuk 4. 3.5.2 Aanschrijvingen in handhavingstrajecten Bij de voorbereiding op handhavingsacties wordt in beginsel gekozen, wanneer de overtreding zich er voor leent, eerst in gesprek te gaan met de overtreder.

Dat houdt in dat de gemeente Zeist, na een constatering van een overtreding als eerste stap een constateringsbrief stuurt of dat de toezichthouder het gesprek aangaat voorafgaand aan de eventuele formele vooraanschrijving. Ook overtredingen waarbij afspraken gemaakt zijn met de overtreder over een legalisatie lenen zich ervoor om eerst de stap te zetten in de vorm van een afsprakenkader/constateringsbrief. Een belangrijk aandachtspunt bij het opstellen van een constateringsbrief is dat deze brief niet mag leiden tot een impliciete gedoogsituatie. Mocht de constateringsbrief niet leiden tot opheffing van de overtreding, dan stuurt de gemeente Zeist als tweede stap een vooraanschrijving waarin de overtreder op de hoogte gesteld wordt van het voorgenomen handhavingsbesluit. Dat handhavingsbesluit kan het opleggen van een last onder dwangsom zijn, of een last onder bestuursdwang. Een vooraanschrijving is overigens geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De overtreder en eventuele andere belanghebbenden worden vervolgens in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over het voorgenomen handhavingsbesluit naar voren te brengen. De overtreder (of een eventuele andere belanghebbende) moet zijn visie kunnen geven op de vraag of daadwerkelijk sprake is van een overtreding, dan wel of er redenen zijn om de handhaving (tijdelijk) achterwege te laten.

De zienswijze of visie kunnen zowel schriftelijk als mondeling gegeven worden, al naar gelang de belanghebbende(n) wens(t)(en). De door de overtreder of belanghebbenden naar voren gebrachte zienswijzen moeten door de gemeente worden afgewogen tegen het algemeen belang, zoals de ruimtelijke kwaliteit, de wens tot consequente en eenduidige handhaving, precedentwerking of belangen van derden. De zienswijzen kunnen eventueel leiden tot een heroverweging van het voorgenomen handhavingsbesluit. Als laatste stap wordt vervolgens het handhavingsbesluit (de aanschrijving of lastgeving) opgesteld en verstuurd aan de overtreder. Dit besluit is een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Tegen een dergelijk besluit staan de rechtsmiddelen zoals opgenomen in de Awb open. Omdat handhavingsbesluiten (veelal) ook gelden voor eventuele rechtsopvolgers van de overtreders, worden handhavingsbesluiten ingeschreven in het Wkpb-register.1 Spoedeisende gevallen In spoedeisende gevallen kan bovendien worden afgezien van het versturen van een vooraanschrijving. Dit moet altijd worden gemotiveerd. Indien mogelijk zal telefonisch of mondeling

1

Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken

Uitvoering- en handhavingsstrategie Gemeente Zeist 2024 – 2028

25/41

getracht worden om in ieder geval aan de hoorplicht te voldoen. Van dat gesprek wordt altijd een verslag gemaakt, dat aan het handhavingsdossier wordt toegevoegd.

3.5.3

Legalisatieonderzoek

In geval van overtreding van een wettelijk voorschrift is het bevoegd gezag in de regel verplicht om op te treden (beginselplicht tot handhaving). Slechts onder bijzondere omstandigheden mag hiervan worden afgezien. Een van die bijzondere omstandigheden is dat er concreet zicht op legalisatie bestaat. Voordat een handhavingstraject gestart wordt, dient dan ook onderzocht te worden of daar sprake van is. Daarom wordt eerst legalisatieonderzoek uitgevoerd. Een legalisatieonderzoek houdt in dat nagegaan wordt of datgene dat als een overtreding wordt aangemerkt, kan worden weggenomen door alsnog een vergunning te verlenen. De overtreder mag overigens niet gedwongen worden tot het indienen van een aanvraag om omgevingsvergunning of andere toestemming om zodoende over meer gegevens te beschikken voor het legalisatieonderzoek. Een legalisatieonderzoek kan drie mogelijke uitkomsten hebben: ▪ De uitkomst van legalisatieonderzoek staat nog niet vast. In de constateringsbrief aan de overtreder wordt dan vermeld dat nog een (nader) onderzoek naar legalisering plaatsvindt en op welke onderwerpen nadere gegevens benodigd zijn. Wat al bekend is, wordt in de brief vermeld, evenals een termijn waarbinnen de gemeente uitsluitsel geeft over de legalisatiemogelijkheden. ▪ De overtreding is mogelijk te legaliseren.

In reactie op de geconstateerde overtreding wordt schriftelijk bericht dat deze mogelijk (gedeeltelijk) kan worden gelegaliseerd en op welke wijze dat kan gebeuren. Indien voor het legaliseren van de overtreding aanpassingen of maatregelen noodzakelijk zijn, wordt dat zo veel mogelijk in de brief aangegeven. De overtreder kan worden uitgenodigd voor een gesprek, waarin de aanpassingen of maatregelen worden toegelicht. In vervolg hierop wordt de overtreder een termijn gegund voor het indienen van een aanvraag om vergunning, het doen van een melding of het op een andere wijze mee te werken aan legalisatie. Deze termijn kan verkort of verlengd worden als de omstandigheden hiertoe aanleiding geven, bijvoorbeeld omdat de noodzakelijk geachte aanpassingen en maatregelen meer tijd vergen. ▪ De overtreding is naar verwachting niet te legaliseren. Indien uit het legalisatieonderzoek blijkt dat de overtreding naar verwachting niet gelegaliseerd kan worden, wordt de overtreder hier schriftelijk van op de hoogte gesteld. Daarbij wordt gemotiveerd waarom legalisatie niet mogelijk is en zo nodig ook waarom geen vrijstelling of ontheffing wordt verleend. Vermeld wordt dat een eventueel in te dienen aanvraag naar verwachting zal worden geweigerd. Er is dan geen sprake van concreet zicht op legalisatie, en het handhavingstraject wordt voortgezet.

3.5.4

Gedogen en wraking

Gedogen is het door een overheidsinstantie, bij constatering van een overtreding, afzien van handhavend optreden, dan wel het door een overheidsinstantie vooraf verklaren of anderszins de verwachting wekken dat tegen een overtreding niet zal worden opgetreden. In hoofdstuk 4 wordt de gedoogstrategie nader toegelicht. Wraking is niet zozeer gedogen maar een vorm van uitgestelde handhaving. Een wrakingsbrief is géén besluit in de zin van de Awb. Door middel van een wrakingsbrief geeft de gemeente de overtreder te kennen dat het college van B&W niet berust in de overtreding, maar zich het recht voorbehoudt om op een nader te bepalen tijdstip handhavend op te treden tegen de geconstateerde overtreding als de overtreder deze zelf niet opheft. Bij een verergering van de situatie, bij handhavingsverzoeken van derden en/of zodra de gemeente anderszins daartoe aanleiding ziet, kan Uitvoering- en handhavingsstrategie Gemeente Zeist 2024 – 2028

26/41

alsnog handhavend worden opgetreden. Wraking wordt met name gehanteerd voor overtredingen die op het moment van constatering geen prioriteit hebben. Indien wraking gecombineerd wordt met een verzoek om handhaving, dient in de wrakingsbrief en/of de afwijzing van het handhavingsverzoek aangegeven te worden hoe lang de uitgestelde handhaving zal duren en vanaf wanneer alsnog een handhavingstraject gestart wordt (een tijdschema voor de verdere behandeling van een verzoek om handhaving nadat tot wraking is besloten). Uit jurisprudentie blijkt dat het beleid waarin prioriteiten bij handhaving zijn gesteld, in beginsel niet onredelijk wordt geacht. Op alle momenten handhavend optreden tegen alle mogelijke overtredingen van wettelijke voorschriften kan, gelet op de beschikbare capaciteit, niet van het college van B&W worden gevergd. Dat wil echter niet zeggen dat binnen de looptijd van deze U&H-strategie volledig afgezien kan worden van handhavend optreden tegen overtredingen. Volgens jurisprudentie dient het bestuursorgaan de verzoeker, gelet op de beginselplicht tot handhaving, ten minste een moment in het vooruitzicht te stellen waarop het verzoek om handhaving alsnog kan worden ingewilligd.

Beleid dat inhoudt dat tegen overtredingen die in de U&H-strategie een lage prioriteit hebben in het geheel niet handhavend zal worden opgetreden, is rechtens niet aanvaardbaar, omdat daarmee het te handhaven wettelijk voorschrift wordt ondergraven. Dit geldt overigens niet voor wraking in combinatie met een klacht of melding. Bij een klacht/melding kan wél aan de melder en aan de overtreder worden aangegeven dat de (vermeende) overtreding een lage prioriteit heeft en daarom wordt gewraakt. De gedoogstrategie staat verder uitgewerkt in hoofdstuk 4 van deze U&H-strategie.

3.5.5

Afronding van dossiers

Elk handhavingsdossier moet op correcte wijze worden afgerond. Als de overtreding ongedaan is gemaakt, wordt altijd een kennisgeving aan de overtreder gestuurd. Daarmee kan het dossier worden gesloten. Daarnaast wordt de aanschrijving uitgeschreven uit het Wkpb-register. Handhavingsdossiers inclusief rapportages worden tenminste bewaard totdat alle juridische procedures zijn afgerond. Vervolgens worden zij gearchiveerd conform de regels in de Archiefwet.

Uitvoering- en handhavingsstrategie Gemeente Zeist 2024 – 2028

27/41

4

Naleefstrategieën

4.1

Inleiding

Om naleving te borgen en te bevorderen, passen wij verschillende strategieën toe. Deze strategieën zijn hieronder verder uitgewerkt.

4.2

Preventiestrategie – gericht op het voorkomen van overtredingen

Communicatieplan – Het communicatieplan beschrijft over welke activiteiten wij op welke wijze wanneer (actief) communiceren naar inwoners, ondernemers en partners. (Voor-)overleg – Onze (voor-)overleggen gebruiken wij om duidelijkheid te geven over hoe wij invulling en uitvoering geven aan ons beleid. Wij gaan in (persoonlijk) overleg met burgers/bedrijven om tot (een) oplossing(en) te komen. Vooroverleggen gebruiken we om een goed en volledig beeld te krijgen van nieuwe initiatieven/activiteiten. Hiermee willen we ervoor zorgen dat: ▪ De juiste verwachtingen worden gewekt. ▪ Mogelijke knelpunten (inhoudelijk en/of in het proces) besproken worden. ▪ We duidelijkheid kunnen geven over ons gevoerde beleid. ▪ De definitieve aanvraag vaker vollediger worden ingediend. ▪ We de definitieve aanvraag sneller kunnen verlenen. In handhavingszaken gaan wij altijd in persoonlijk overleg met de overtreder, tenzij er sprake is van bijzondere en/of spoedeisende omstandigheden. Hiermee willen we ervoor zorgen dat: ▪ De juiste verwachtingen worden gewekt. ▪ Mogelijke knelpunten (inhoudelijk en/of in het proces) besproken worden. ▪ We duidelijkheid kunnen geven over ons gevoerde beleid. ▪ We duidelijkheid kunnen geven over legalisatiemogelijkheden. ▪ We partijen bij elkaar kunnen brengen (bij verzoeken om handhaving). ▪ We juridische procedures kunnen voorkomen.

4.2.1

Communicatieplan

Communicatie is geen eenrichtingsverkeer. Het betreft de tweezijde informatievoorziening tussen de overheid en de inwoners over voorgenomen beleid en over de uitvoering. Door inwoners, maar ook instellingen, ondernemers, verenigingen en belangengroeperingen, tijdig te informeren en het overleg te zoeken worden gemeentelijke besluiten beter en ontstaat er meer draagvlak voor de keuzes van de gemeente. Dat heeft veelal positieve gevolgen voor het naleefgedrag van de inwoner en ondernemer. Kennis van de regels: Door het verstrekken van informatie over de regelgeving wordt in ieder geval voorkomen dat er overtredingen worden begaan op basis van onwetendheid. Natuurlijk wordt een ieder geacht de wet te kennen, maar de overheid heeft wel de plicht om een ieder te informeren over het gemeentelijk beleid en de keuzes die daarin gemaakt worden. Actuele informatie over handhaving en bouwregelgeving hebben dan ook een duidelijk zichtbare plaats op de gemeentelijke internetsite, met doorverwijzingen naar bijvoorbeeld landelijke websites. Bovendien kan het verstrekken van folders, bijvoorbeeld van de rijksoverheid, over diverse onderwerpen die te maken hebben met de bouwregelgeving de kennis van de regels vergroten.

Uitvoering- en handhavingsstrategie Gemeente Zeist 2024 – 2028

28/41

Acceptatie van het beleid: Voorkomen moet worden dat voorschriften door de inwoner en ondernemer als lastig en onbegrijpelijk worden ervaren. Dergelijke gedachten kunnen immers leiden tot overtredingen. Het zal de inwoner en ondernemer duidelijk gemaakt moeten worden wat het nut en de meerwaarde van bepaalde voorschriften zijn, zoals het scheppen van waarborgen ten aanzien van de veiligheid van bouwwerken en de kwaliteit van de leefomgeving. Dit zijn immers onderwerpen die direct het belang van diezelfde inwoner en ondernemer raken. Door te motiveren waarom er gehandhaafd wordt en wat de risico’s van overtreding zijn, wordt er meer draagvlak voor naleving gecreëerd. Omdat communicatie in deze situatie deel uitmaakt van een handhavingstraject, zal dit in een aantal gevallen moeizaam verlopen. De belangen van de gemeente en de belangen van de inwoner en/of ondernemer staan dan immers haaks op elkaar. In deze situatie is het belangrijk dat de inwoner en/of de ondernemer duidelijk te horen krijgt wat niet is toegestaan, en waarom niet. Op een heldere, eenduidige wijze dient de inwoner en ondernemer op de hoogte te worden gesteld van het standpunt van de gemeente. Daarbij is de toon van de communicatie belangrijk.

Door met respect en inlevingsvermogen te communiceren, met oog voor de belangen van de inwoner en ondernemer, kan de acceptatie van het handhavingstraject worden vergroot. Niet alleen moet er verteld worden wat niet mag, maar ook wordt er gekeken naar wat wel kan. Dit komt onder meer tot uiting in de stap ‘minnelijk overleg’ voorafgaand aan de daadwerkelijke handhaving (zie aldaar). Bekendheid van handhavingsacties: de gemeente is verplicht beleidsvoornemens ten aanzien van de handhaving van de bouwregelgeving kenbaar te maken en hierover jaarlijks verslag te doen. Door kennisgeving in de gemeenterubriek worden de inwoners geattendeerd op de speerpunten van het (nieuwe) handhavingsbeleid en op behaalde handhavingsresultaten. Hierdoor zien de inwoners bovendien dat de gemeente daadwerkelijk uitvoering geeft aan haar handhavingstaken. Dit geldt overigens ook voor melders, klagers, verzoekers om handhaving, (vermeende) overtreders en andere derden/belanghebbenden. Ook zij worden actief geïnformeerd over de handhavingsacties die hen aangaan.

4.2.2

Middelen

Afhankelijk van het doel en de doelgroep, kunnen de volgende middelen worden ingezet. De voorkeur gaat hierbij uit naar persoonlijke communicatie. Als de omgevingsdienst de geadresseerde of doelgroep kent, wordt de geadresseerde persoonlijk aangeschreven resp. de doelgroep aangeschreven. Telefonisch contact Bij een voorgenomen weigering van een gevraagde vergunning of bij de afwijzing van een handhavingsverzoek kan vooraf telefonisch contact worden gezocht met de belanghebbende. Ook als er zienswijzen zijn ingediend, vinden wij het vaak zinvol om telefonisch contact op te nemen met de indiener(s) van een zienswijze. Indien de situatie zich er voor leent, kan een prémediation (minnelijk overleg) gestart worden. Brief of mail Brieven zijn persoonlijk en aan de initiatiefnemer gericht. Brieven kunnen gebruikt worden om acties aan te kondigen en om informatie te verstrekken over wet- en regelgeving. Op projectmatige basis worden soms ook andere communicatiemiddelen ingezet. Bijvoorbeeld bij grote veranderingen in wetgeving. Dan wordt aan de desbetreffende branche voorlichting gegeven door middel van een mailing. Websites Op de website van de gemeente Zeist wordt informatie gegeven over wet- en regelgeving, beleidsnotities, fact-sheets en wordt verwezen naar bekendmakingen en meldingen.

Informatie over beleid en wet- en regelgeving is ook terug te vinden op www.overheid.nl, www.wetten.nl en www.officielebekendmakingen.nl.

Uitvoering- en handhavingsstrategie Gemeente Zeist 2024 – 2028

29/41

Persbericht Persbericht in de lokale media: wanneer er specifieke acties zijn of wanneer er iets nieuws is op het gebied van de handhaving, kan een persbericht naar de lokale media verzonden worden. Informatiebijeenkomsten Voor specifieke doelgroepen, bijvoorbeeld ondernemers van een specifieke bedrijfsbranche, kunnen informatieavonden georganiseerd worden. Individuele gesprekken Natuurlijk kunnen inwoners ook altijd mondeling te woord gestaan worden, bij vragen of klachten.

4.3

Toezichtstrategie – gericht op het controleren van activiteiten

Doordat we toezicht houden kunnen we overtredingen en illegale activiteiten opsporen en vaststellen. Van de controle maken we een rapport, dat in het (digitale) systeem wordt opgeslagen. Onze werkwijze is gebaseerd op het beginsel dat van toezicht in eerste instantie een preventieve werking uit gaat. Door het houden van toezicht kunnen overtredingen mogelijk worden voorkomen. In de praktijk blijkt dat in veel gevallen onze toezichthouders met het maken van afspraken en/of waarschuwingen ervoor (kunnen) zorgen dat handhaving niet nodig is. Daarbij staat centraal dat onze dienstverlening erop gericht is om op een klantvriendelijke manier tot een oplossing te komen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in preventief, actief en reactief toezicht. Risicogericht toezicht (preventief/actief) – Het (preventieve/actieve) risicogerichte toezicht komt direct voort uit het nemen van beschikkingen (vergunningen, meldingen, ontheffingen etc.). Alle verleende vergunningen/meldingen/ontheffingen etc. worden, waar mogelijk, integraal (zie hieronder) gecontroleerd overeenkomstig dit beleid en de eventuele controlefrequentie op basis van het risico. De mate en diepgang van ons toezicht is gericht op (onderdelen van) risicovolle activiteiten. Hierin onderscheiden we 4 toezichtniveaus, waarbij elk volgend toezichtniveau een aanvulling is op het vorige toetsingsniveau:

De volledige toezichtmatrix is opgenomen in bijlage 3. Toezichtniveau 0 Geen toezicht (vergunningen/ontheffingen/meldingen worden ontvangen, maar hierop wordt geen actief toezicht gehouden). Stukken worden gearchiveerd. Toezichtniveau 1 Toezicht op Uitgangspunten. De toezichthouder houdt minimaal toezicht op de meest relevante voorschriften. Toezichtniveau 2 Toezicht op Basisniveau. De toezichthouder hanteert het basisniveau met betrekking tot toezicht op de meest relevante voorschriften. De toezichthouder bepaalt op basis van zijn kennis en ervaring wat het basisniveau is en welke voorschriften het meest relevant zijn.

Uitvoering- en handhavingsstrategie Gemeente Zeist 2024 – 2028

30/41

Toezichtniveau 3 Toezicht op Basisniveau+. De toezichthouder hanteert het basisniveau met betrekking tot toezicht op alle voorschriften. De toezichthouder bepaalt op basis van zijn kennis en ervaring wat het basisniveau is en welke voorschriften het meest relevant zijn. Toezichtniveau 4 Grondig toezicht. De toezichthouder ziet volledig toe op de naleving van alle voorschriften (monitoring).

Buurt-/Wijk-/Gebiedsgericht toezicht (preventief/actief) – Ons (preventieve/actieve) toezicht voeren we afhankelijk van de activiteit buurt-/wijk-/gebiedsgericht uit. Hierbij onderscheiden wij in het kader van dit VTH-beleid verschillende gebieden (zie Hoofdstuk 5, Omgevingsanalyse). Naast de vastgestelde prioriteiten hebben we voor deze gebieden benoemd op welke onderwerpen/activiteiten wij in het bijzonder aandacht besteden in de uitvoering van onze VTH-taken. Periodiek wordt in een gebied, al dan niet steekproefsgewijs, gecontroleerd of er overtredingen zijn of deze controles vinden plaats aan de hand van de eventuele objectgebonden controles die in het betreffende gebied plaatsvinden. Dat geldt zowel voor de Wabo-gerelateerde taken, als het toezicht in de openbare ruimte door de BOA’s. Repressief toezicht (reactief) – We voeren toezicht uit naar aanleiding van klachten/meldingen, verzoeken om handhaving etc. Niet alle klachten en/of verzoeken om handhaving resulteren in een controle. Dat is afhankelijk van de prioriteitstelling en aard en ernst van de melding. Op anonieme meldingen wordt in beginsel niet gereageerd. Indien sprake is van een acuut onveilige en/of gevaarlijke situatie wordt uiteraard wel direct actie ondernomen ongeacht de prioriteit. Integraal toezicht - We voeren waar mogelijk integraal toezicht uit.

Dit betekent dat onze toezichthouders zoveel mogelijk signaleren met elkaar (ook met partners), voor elkaar (ook voor partners) of na elkaar. Welke vorm van integraal toezicht gehanteerd wordt, hangt sterk af van de situatie. Deze integrale aanpak ligt in lijn met het uitgangspunt dat er zo min mogelijk (administratieve) lasten zijn voor bewoners, ondernemers, etc. We onderkennen de volgende vormen van integraal toezicht: ▪ Controleren met elkaar: Toezichthouders vanuit diverse taakvelden voeren gezamenlijk een integrale controle uit. Ieder voor de eigen discipline. Met name van toepassing in situaties die door een groter dan gemiddelde complexiteit of bestuurlijke prioriteit worden gekenmerkt. Soms is deze methode nodig, meestal is die arbeidsintensief en belastend voor de ondernemer of burger. ▪ Na elkaar controleren: Verschillende toezichthouders van uiteenlopende instanties of afdelingen voeren zelfstandig en onafhankelijk van elkaar een controle uit. Omdat de inspecties over een relatief groter tijdsbestek worden uitgevoerd, heeft deze aanpak een sterkere preventieve uitwerking. Deze vorm van controleren is de klassieke vorm van toezicht. De toezichtlast neemt echter toe en de efficiëntie neemt af. Bovendien is het risico groot dat controles verschillende vakgebieden bestrijken, hetgeen kan leiden tot interpretatieverschillen.

▪ Voor elkaar signaleren: Een toezichthouder kan tijdens zijn ‘eigen’ controle een mogelijke overtreding in een ander taakveld signaleren. Als deze constatering daartoe aanleiding geeft, zal de specialist van dat taakveld zelf een controle uitvoeren. Het voordeel van deze aanpak is dat overtredingen in een eerder stadium worden gesignaleerd. Deze aanpak vergt wel de nodige afstemming (en kunde) binnen een organisatie. ▪ Voor elkaar controleren: Een toezichthouder neemt tijdens een integrale controle meerdere aandachtsvelden voor zijn rekening. Dit heeft voornamelijk betrekking op situaties die worden gekenmerkt door een geringe complexiteit. Dit is een vorm van signaaltoezicht, die prima kan worden uitgevoerd door een generalistisch toezichthouder, die bovendien dikwijls wordt ingezet voor uiteenlopende surveillance. Uitvoering- en handhavingsstrategie Gemeente Zeist 2024 – 2028

31/41

4.4

Handhavingsstrategie

4.4.1

Landelijke Handhavingsstrategie omgevingsrecht

Op 12 oktober 2022 is de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) vastgesteld. Hierin spreken alle betrokken partijen zich uit voor samenwerking op basis van de LHSO. Doel van de LHSO is onder meer een eenduidig handhavend optreden door betrokken instanties bij gelijksoortige overtredingen. De LHSO is ontwikkeld vanuit het milieurecht, waarin een handhavingstekort is geconstateerd doordat de inrichting van de handhavingsorganisatie niet toegesneden bleek op de handhavingstaak. Met name waar het complexe bedrijfsprocessen betrof met hoge of middelhoge milieu- en veiligheidsrisico’s was sprake van een gebrek aan deskundigheid bij de toezichthoudende instanties. Onder meer de fragmentatie en het gebrek aan informatie-uitwisseling werden als barrière gezien voor de aanpak van zware en georganiseerde milieucriminaliteit. Daarom worden in de LHSO onder meer duidelijke afspraken gemaakt over de taakverdeling tussen bestuur en OM, waarbij het strafrecht wordt toegepast bij (middel)zware criminaliteit. Hoewel de LHSO van toepassing is verklaard op het hele Omgevingswet-pakket, dus inclusief kapvergunningen, is al vastgesteld dat het niet volledig toepasbaar is op andere beleidsvelden dan milieu.

Onder meer voor het domein ‘bouwen en wonen’ is in de LHSO aangegeven dat het noodzakelijk kan zijn om een specifieke handhavingsstrategie te ontwikkelen, die natuurlijk wel moet passen binnen de kaders van de LHSO. Zolang niet duidelijk is op welke termijn die specifieke landelijke strategie voor bouw- en woningtoezicht zal worden vormgegeven, hoe die strategie er uit zal zien, en bij welke organisatie het voortouw zal liggen, is de LHSO echter onverkort van toepassing op bouw- en woningtoezicht (bijlage 2). Het stappenplan hebben wij vertaald naar een handhavingsstrategie voor bouw- en woningtoezicht. De uitgangspunten zijn hetzelfde gebleven: passend interveniëren bij iedere bevinding en in vergelijkbare situaties op vergelijkbare wijze reageren. De term handhavingsstrategie omvat meer dan alleen het opleggen van sancties bij geconstateerde overtredingen. Het betreft ook aanspreken, informeren en voorlichten tijdens toezichtbezoeken. Ook gedogen kan een passende (handhavings)strategie zijn, mits op de juiste wijze afgewogen. Bij bouwen woningtoezicht zal meer aandacht uitgaan naar het communicatieve spoor, waarin aanspreken en informeren van belang zijn, dan naar het strafrechtelijke spoor. De kern van de LHSO is een matrix (zie bijlage 4) waarin zowel de ernst van de overtreding als het gedrag van de overtreder worden gewogen.

De indeling van de constatering, zijnde de eerste stap van het stappenplan, wordt gebaseerd op (mogelijke) gevolgen van de overtreding en op het gedrag van de overtreder. Grofweg ziet dat er als volgt uit: In de matrix zijn vier categorieën voor de ernst van de overtreding geformuleerd, én vier categorieën voor het gedrag van de overtreder. Gevolgen kunnen vrijwel nihil zijn (categorie 1), maar ook zeer ernstig en onomkeerbaar (4). De overtreder kan goedwillend zijn en onbedoeld een overtreding hebben begaan (categorie A), maar ook calculerend of zelfs bewust en structureel fraude plegen (D). Voor de indeling in de interventiematrix is dus het gedrag van de overtreder op dat moment belangrijk. Ook de toezicht- en handhavingshistorie is een belangrijke informatiebron. Afhankelijk van de ernst van de overtreding en de aard van de overtreder wordt gestart met lichtere of zwaardere instrumenten. De handhaver bepaalt in welk segment de overtreding en de overtreder worden ingedeeld. De LHSO gaat uit van het principe dat handhavers zo licht mogelijk starten met interveniëren gericht op herstel, maar dat wel snel wordt overgestapt op zwaardere interventies als naleving uitblijft. Als de handhaver niet in staat is om de overtreder te typeren, dan is typering B, onverschillig/reactief, het vertrekpunt.

Bij de indeling wordt vervolgens gekeken of sprake is van verzwarende of verzachtende omstandigheden. Van verzwarende omstandigheden is (bijvoorbeeld) sprake als de overtreder financieel voordeel heeft behaald door de overtreding. Ook als een overtreder een voorbeeldfunctie heeft, kan dat een reden zijn om in te zetten op een zwaardere eerste stap. Datzelfde geldt voor overtredingen die gepaard gaan met andere delicten, zoals valsheid in geschrifte of witwassen. Een verzwaring van de in te zetten instrumenten is dan aan de orde. Bij recidive zal ook eerder gekozen Uitvoering- en handhavingsstrategie Gemeente Zeist 2024 – 2028

32/41

worden voor een zwaarder instrument. Indien sprake is van (een of meerdere) verzwarende argumenten, wordt de bevinding één segment naar rechts en vervolgens één segment naar boven verplaatst. Bij verzachtende omstandigheden, zoals vastgestelde onbekwaamheid of jeugdige leeftijd van de overtreder, vindt de omgekeerde beweging plaats. Een verzachtende omstandigheid gaat dus niet over de ernst van een feit, maar kijkt hoe iemand tot een strafbare handeling is gekomen. Verzachtende omstandigheden zijn altijd persoonlijk, en hebben nooit hun weerslag op eventuele mededaders. Als de constatering is toegekend aan een vak in de matrix, is de volgende stap het vaststellen of overleg met de politie en het OM noodzakelijk is voor een strafrechtelijk optreden. Dit zal het geval zijn bij valsheid in geschrifte, corruptie of witwassen. Ook als sprake is van situaties waarin bewust het toezicht onmogelijk wordt gemaakt, zoals bij het weigeren van de toegang, intimidatie, geweldsdreiging, fraude, vernietiging van bewijs en poging tot omkoping, en situaties waarin de toezichthouder constateert dat er opzettelijk mensen in gevaar worden gebracht door bijvoorbeeld sabotage, vernieling of het bewust verstrekken van verkeerde informatie, kan strafrechtelijk optreden noodzakelijk zijn. Overeenkomstig de LHSO wordt in die situaties altijd aangifte gedaan.

Is daar geen sprake van, dan wordt volstaan met bestuurlijk opgetreden. De handhaver zet de interventie in totdat sprake is van naleving. Als naleving uitblijft binnen de door de handhaver gegeven termijn, wordt doorgepakt. Dan komt de eerstvolgende zwaardere (combinatie van) interventie(s) in beeld, door opzij en/of omhoog te bewegen in de interventiematrix. De stappen en beslissingen worden helder en duidelijk vastgelegd in het administratiesysteem, zodanig dat duidelijk is hoe is omgegaan met het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het verbod van willekeur en het verbod van misbruik van bevoegdheid.

4.4.2

Buurtbemiddeling/(Pre-)Mediation

Gelet op de ervaringen met overtredingen in het domein ‘bouwen en wonen’ kan worden gesteld dat veelal sprake is van goedwillende of onverschillige overtreders (A en B) en van overtredingen die slechts beperkte gevolgen kennen of gevolgen die van belang kunnen zijn (score 2 of 3). Daarom wordt in de U&H-strategie veel ruimte geboden voor informatieve gesprekken en waarschuwingen. Pas als dit niet leidt tot herstel van de situatie, wordt overgegaan op het daadwerkelijk opstellen en versturen van handhavingsbesluiten (de aanschrijving of lastgeving). Hiermee wordt voldaan aan de doelen van de LHSO, zoals het in vergelijkbare situaties vergelijkbare keuzes maken en passend interveniëren bij iedere bevinding. Indien sprake is van bijzondere gevallen, bijvoorbeeld situaties waarin met gebruikmaking van de bestuurlijke afwegingsruimte een legaliseerbare situatie kan worden bereikt, dan kan altijd eerst de mogelijkheid geboden worden aan de overtreder om een vergunning aan te vragen. Dit kan onder meer het geval zijn bij afwijkingen die middels een binnenplanse of buitenplanse afwijkingsprocedure geformaliseerd kunnen worden. Handhaving tegen bestuursorganen Gelijk aan handhaving tegen inwoners/ondernemers.

Uitvoering- en handhavingsstrategie Gemeente Zeist 2024 – 2028

33/41

4.5

Sanctiestrategie

4.5.1

Sanctiemiddelen

Voor het opleggen van bestuurlijke sanctiemiddelen kan uit de volgende instrumenten worden gekozen: ▪ Opleggen van een last onder dwangsom (LOD); ▪ Opleggen van een last onder bestuursdwang (LOB); ▪ Geheel of gedeeltelijk intrekken van een vergunning. Opleggen van een last onder dwangsom (LOD) Een last onder dwangsom is de sanctie waarbij de overtreder per tijdseenheid, per overtreding of ineens een geldbedrag verbeurt indien of zolang de overtreding voortduurt. De last onder dwangsom bevat een last om de overtreding te beëindigen, en om voortzetting en herhaling te voorkomen. In de last onder dwangsom wordt een begunstigingstermijn opgenomen waarbinnen de overtreding ongedaan gemaakt moet worden. Als de overtreding tijdig ongedaan gemaakt wordt, is geen dwangsom verschuldigd. Wanneer de overtreding niet, of niet tijdig wordt beëindigd, dan wel wordt voortgezet of herhaald, dan wordt de dwangsom van rechtswege verbeurd. De last onder dwangsom kan alleen worden opgelegd aan de overtreder. Daarmee wordt diegene bedoeld die “het in zijn macht heeft” om de last uit te voeren of na te komen, en daarmee de overtreding te beëindigen. Meestal gaat het om de eigenaar van het perceel of bouwwerk, maar het kan ook de huurder/gebruiker zijn. Per geval moet worden beoordeeld wie als “overtreder” kan worden aangemerkt en aangeschreven.

Niet altijd kan een overtreding worden bestreden met een last onder dwangsom. Als het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen zich daartegen verzet, mag niet gekozen worden voor een last onder dwangsom. Hierbij kan gedacht worden aan ernstige milieuovertredingen of overtredingen met onomkeerbare gevolgen. Direct optreden om verdere schade te voorkomen, door middel van bestuursdwang, is dan noodzakelijk. Opleggen van een last onder bestuursdwang (LOB) Bestuursdwang houdt in dat het feitelijk beëindigen van een overtreding uitgevoerd wordt door het bevoegd gezag. Dit kan bij uitstek worden toegepast in de volgende situaties: ▪ Bij acuut dreigende calamiteiten en gevaarlijke situaties waarbij direct optreden noodzakelijk is. Dit geldt onder meer indien de overtreder niet bereikbaar is; ▪ Indien de overtreder niet genegen of (financieel) in staat is om de overtreding ongedaan te maken; ▪ Indien het opleggen van een last onder dwangsom niet tot het gewenste effect, te weten het ongedaan maken van de overtreding, heeft geleid. ▪ De kosten van het uitvoeren van bestuursdwang kunnen verhaald worden op de overtreder. Het uitgangspunt is dat de gemeente Zeist vervolgens ook daadwerkelijk tot het verhalen van de kosten overgaat. Het tegelijk opleggen van een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom voor één en dezelfde overtreding is niet mogelijk.

Als er sprake is van twee of meer verschillende overtredingen, is een combinatie van een last onder dwangsom en een last onder bestuursdwang wel mogelijk. Een voorbeeld waarbij wel gelijktijdig een last onder bestuursdwang en last onder dwangsom opgelegd kan worden, is het opleggen van een bouwstop (= een last onder bestuursdwang) en het gelijktijdig opleggen van een last onder dwangsom om te voorkomen dat er verder wordt gegaan met bouwen (= preventieve last onder dwangsom). Door de stillegging van de bouw is een op dat moment plaatsvindende overtreding met onmiddellijke ingang beëindigd. De last onder dwangsom is opgelegd om te voorkomen dat de overtreding opnieuw plaatsvindt. Geheel of gedeeltelijk intrekken van een vergunning Een verleende vergunning kan eventueel geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken, indien niet overeenkomstig die vergunning is of wordt gehandeld. Ook kan een vergunning worden ingetrokken als de aan de vergunning verbonden voorschriften of regels niet worden nageleefd. Deze sanctie Uitvoering- en handhavingsstrategie Gemeente Zeist 2024 – 2028

34/41

wordt ingezet bij 'onomkeerbare' overtredingen die niet legaliseerbaar zijn, bijvoorbeeld als het bouwwerk anders wordt uitgevoerd dan was aangevraagd en vergund. Tot intrekking van de vergunning kan pas worden overgaan als de betrokkene in de gelegenheid is gesteld het bouwwerk (of de activiteit) alsnog in overeenstemming te brengen met de vergunning. Zodra de vergunning is ingetrokken, is de betrokkene direct in overtreding als de activiteit wordt voortgezet, en kunnen andere maatregelen worden toegepast, zoals een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom.

4.5.2

Dwangsombedragen en termijnen

In beginsel is de hoogte van de dwangsom afhankelijk van de aard van de overtreding. Het college van B&W heeft bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom en van het maximum van het te verbeuren bedrag een ruime mate van beleidsvrijheid. De dwangsomhoogte moet op de ernst van de overtreding worden afgestemd (evenredigheid), en tot doel hebben de overtreding tegen te gaan of te voorkomen (effectiviteit). De hoogte van de dwangsom is afhankelijk van verschillende factoren, zoals: ▪ de dwangsom moet voldoende pressie voor de overtreder opleveren om de overtreding op te heffen of te beëindigen; ▪ de dwangsom moet in verhouding staan tot de (geschatte) kosten die de overtreder moet maken om de overtreding op te heffen; ▪ de dwangsom moet hoger zijn dan het door de overtreding behaalde (geschatte) financiële voordeel; ▪ de dwangsom moet zich richten op het wegnemen van ongerechtvaardigd voordeel dat de overtreder kan behalen met de overtreding; ▪ de dwangsom dient te leiden tot het voorkomen van een herhaling, tot de beperking van schade en tot herstel in de oorspronkelijke toestand; ▪ de dwangsom dient als bevestiging van de normen die gesteld zijn in het belang van onder andere de bouwregelgeving en ruimtelijke ordening. Dit beleid geeft richtlijnen voor de meest voorkomende gevallen/overtredingen, maar is niet uitputtend.

De in de dwangsombeschikking gekozen hoogte van de dwangsom moet wel in overeenstemming zijn met dit beleid. Indien er wordt afgeweken van de dwangsomhoogte naar beneden of naar boven, wordt in de beschikking een aanvullende motivering opgenomen. Deze tabel is opgenomen als bijlage 5 bij deze U&H-strategie.

4.6

Gedoogstrategie

Gedogen is het door een overheidsinstantie, bij constatering van een overtreding, afzien van handhavend optreden, dan wel het door een overheidsinstantie vooraf verklaren of anderszins de verwachting wekken dat tegen een overtreding niet zal worden opgetreden. Wij hanteren voor het gedogen van illegale situaties de kaders van de kabinetsnota ‘Grenzen aan gedogen’. Op basis hiervan hanteren wij de volgende voorwaarden: ▪ Gedogen is verantwoord (ter bescherming fysieke leefomgeving). ▪ Gedogen is altijd tijdelijk. ▪ Gedogen gebeurt altijd in de vorm van een beschikking. Er is sprake van actief gedogen als het college van B&W expliciet te kennen geeft geen bestuursdwang of dwangsom toe te zullen passen. Uitgangspunt is dat gedogen slechts in uitzonderingsgevallen aanvaardbaar wordt geacht, en dat overtredingen ongedaan worden gemaakt. Dat betekent dat er in principe geen ruimte is voor permanente gedoogsituaties. De mate waarin wordt gedoogd moet zoveel mogelijk in omvang en/of tijdsduur worden beperkt. Beperking van de tijdsduur van gedogen is onder meer van belang om precedentwerking en daarmee een opwaartse druk tot verder gedogen te voorkomen. Als er gekozen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14114641/1