RIB24.067 Onderzoeksrapport omgang met joods vastgoed tijdens en na WOII
Tekst van het document
Jan Schep kreeg in 2006 postuum een Yad Vashem onderscheiding voor hulp aan joden en het maken van vervalste persoonsbewijzen109. Ook Hinke Piersma beschreef het verzet van Nederlandse politiemensen110. Zij gaat in op de verzetsdaden van individuele politiemensen in het hele land. Zeist komt niet in het boek voor. Zij maakt vooral de spagaat duidelijk waarin politiemensen terecht kwamen. Degenen die weigerden aan anti-joodse maatregelen mee te werken maakten het moeilijker voor de anderen. Weigeraars werden dan ook na de oorlog lang niet altijd met open armen ontvangen in het korps. Politieagenten die weigerden mee te werken aan de Jodenvervolging werden overigens tot maart 1943 gestraft met ontslag, vanaf maart 1943 volgde vaak arrestatie en opsluiting in een concentratiekamp111. Piersma vat het dilemma als volgt samen: “Politiemensen die zich binnen de organisatie verzetten werden geconfronteerd met de botsing tussen hun ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag (in toe nemende mate genazificeerd) en de binnen de korpsen heersende groepsdynamiek enerzijds en, anderzijds, hun persoonlijke (morele) opvattingen over recht en onrecht112”.
‘Wering van joden bij de politie’
Hieronder loop ik verschillende meldingen over anti-joodse maatregelen en joden langs die het correspondentie archief bevat. Het archief is chronologisch gestructureerd dus ik zal voor het overzicht ook de chronologie aanhouden. In 1940 gaat het vooral om meldingen van buitenlandse joden die zich in Zeist wilden vestigen zoals Hersch Prüfer en Ida Betty Dreijfuss-Dreijfuss. Dreijfuss moest een kliniek in Den Haag verlaten en liet zich opnemen in het Christelijk Sanatorium in Zeist. Zij kreeg uiteindelijk toestemming om zich met haar dochtertje Liliane in Zeist te vestigen. Ook Prüfer kreeg toestemming. Hij vestigde zich aan de Platolaan 30113. In 1941 volgden meer van dit soort verzoeken. Uiteraard moest het politiepersoneel de ariërverklaring tekenen. De burgemeester schreef de commissaris aan om deze door zijn manschappen te laten tekenen volgens VO 108/1940114. Uit een apart dossier, getiteld Wering van Joden bij de politie, blijkt dat de manschappen van de politie een extra, gedetailleerder vragenlijst moesten invullen over hun afstamming. Dit werd de Vierde verordening betreffende bijzondere maatregelen op administratiefrechterlijk gebied (personeel der gemeentepolitie van Joodschen bloede) genoemd. Secretaris-generaal Tenkink van Justitie gaf op 20 december uitgebreide instructies daartoe aan het politieapparaat.
De lijsten moesten 15 februari 1941 binnen zijn bij het ministerie van Justitie. De vragenlijsten voor Zeist werden ingevuld door drie inspecteurs, 35 hoofdagenten en agenten en 86 gemeenteveldwachters. In maart kwamen er nog drie vragenlijsten binnen. De lijsten zijn met naam en toenaam. Joden moesten worden ontslagen maar uit het dossier blijkt niet of er joodse agenten of personeelsleden waren. Waarnemend commissaris Georg Goorhuis werd extra nauwkeurig doorgelicht omdat hij een hogere functie had. Hij maakte gebruik van het afstammingsbewijs dat zijn broer Gerhard Goorhuis, commissaris in Amersfoort, had overlegd115.
Voor joden verboden
Het archief Zeist geeft ook inzage in het plaatsen van borden om joden te weren. De bekendmaking van 31 mei 1941, dat joden niet meer in badplaatsen in hotels en parken en nergens meer in zwem baden mochten komen, gold ook voor de gemeente Zeist. De commissaris gaf een bevel door aan zijn personeel dat er op moest worden toegezien dat joden niet meer in zwembaden kwamen. De ANWB vroeg nog om de borden te verwijderen van de verkeersborden van de ANWB en om ze aan aparte palen of bomen te hangen. De gemeente nam dit voor kennisgeving aan116. Soms werden dit soort borden beklad of aangepast, bijvoorbeeld tot de tekst “Joden gewenscht” door het woord ‘niet’ weg te kalken. De politie paste dat dan weer aan117. 35
2
Wat betreft het verbod voor joden om in hotels of pensions te verblijven: inderdaad verhoorde een hoofdagent Toolens een familie Rooselaar, joods, die inwoonde bij een mijnheer de Rooij aan de Willem de Zwijgerlaan 8. De getuigen, het gezin en de Rooij, verklaarden dat het een vriendendienst was en niet om een pension ging. De commissaris en het OM van het kantongerecht Utrecht was het daarmee eens. Ook een echtpaar Aronson, dat een kamer huurde aan Willem de Zwijgerlaan 11 bij Cornelis van Amersfoort, werd verhoord en verklaarde dat het niet om een publieke logeergelegenheid ging. Het eindoordeel over die situatie ontbreekt in het dossier maar waarschijnlijk volgden er geen maatregelen118. Vanaf 15 september 1941 mochten joden in het hele land niet meer op allerlei openbare plekken komen. Commissaris Goorhuis verzocht 16 houten borden om die te plaatsen in Zeist en die ontving hij op 14 oktober. Hij vermeldde ook waar de borden geplaatst werden. Het ging vooral om sport terreinen. Langer is de lijst van opschriften “Voor Joden verboden”. Die lijst bevat meer dan 60 plekken waar de opschriften opgehangen zouden worden. Dit waren waarschijnlijk kaarten van karton, dus geen houten borden119.
Deportaties
Verschillende instructies en proces-verbalen tonen dat de politie, op verzoek van de Sipo, joden arresteerde. Daarbij ging het om ondergedoken joden maar ook joodse inwoners van Zeist in het kader van de deportaties. Ook de verplichting van joden om de ster te dragen werd gehandhaafd, zo blijkt een proces-verbaal van Pieter Scheringa van 1 september 1942 tegen Joseph Schrijver (Willem de Zwijgerlaan 10) die zonder ster op straat zou hebben gelopen volgens buurtbewoners. Het proces-verbaal (PV) eindigt zo: “Schrijver is door mij ter beschikking gesteld van den Heer Commissaris van Politie te Zeist120”. Eerst ga ik in op de deportaties. Er is een instructie voor arrestaties op 2 augustus. De gearresteerden zouden naar Amsterdam gaan en volgens die instructie moest de politie de huissleutels meenemen en de woningen verzegelen. De instructie legt uit wat de gearresteerde joden moesten meenemen aan spullen en proviand. De instructie maande de politie tot spoed bij de aanhoudingen, ze moesten voor 12 uur in Amsterdam zijn. Er werden drie personen aangehouden die dag: Ludwig Edmond Thieben, Hans Klaus Silberstein en zijn vrouw Margot Frensdorff. Volgens de rapporten werden vijf personen niet aangetroffen in hun woning, waaronder de al genoemde moeder en dochter Dreijfuss. Rhoen stelt dat het op 2 augustus om buitenlandse joden ging.
Een latere melding over Dreijfuss stelt dat het om Rooms-Katholieke buitenlandse joden ging op 2 augustus. Inderdaad waren alle bij name genoemde joodse arrestanten niet in Nederland geboren en vonden op zondag 2 augustus in heel Nederland arrestaties van katholieke joden plaats als represaille op een protest van de Katholieke Kerk tegen de deportaties121. Op 19 augustus waren er weer arrestaties van joodse Zeistenaren. Een korte melding van commissaris Goorhuis aan de Hausraterfassung, over die arrestaties, stelt dat de sleutels van de gearresteerden wederom op het politiebureau waren. Het bijgevoegde rapport ontbreekt helaas. Het archiefmateriaal maakt niet duidelijk om hoeveel gedeporteerde joden en om hoeveel woningen het precies ging. Pierre Rhoen noemt 78 gearresteerden, Annemiek Bal noemt 60 gearresteerden op 48 adressen122. De volgende gedwongen verhuizing was op 24 augustus. Aantallen gearresteerden zijn niet bekend maar Goorhuis noemde het de ‘tweede evacuatie’ in een kort bericht aan de Hausraterfassung. Het rapport waar hij naar verwees is niet aangetroffen in het archief123.
36
Een geheime instructie van procureur-generaal Feitsma, in opdracht van de Sipo, aan de commissaris van politie in Zeist van 15 september 1942 spreekt boekdelen. Ik citeer uitgebreid uit deze brief omdat deze duidelijke aangeeft hoezeer de gemeentepolitie werd ingezet bij de Jodenvervolging en hoe gedetailleerd de orders waren: “In opdracht van de Sicherheitspolizei, Zentralstelle für Jüdische Auswanderung, doe ik u hierbij toekomen een aantal adressen van Buitenlandsche joden, die, op last van de bovengenoemde Zentralstelle, door U moeten worden gearresteerd. Betreft de arrestatie het gezinshoofd, dan moeten de overige familieleden eveneens worden gearresteerd. Bij eventueel beroep op den gezondheidstoestand van een arrestant moet er uitsluitend op gelet worden of de betrokkene vervoerd kan worden. Een leeftijdsgrens is niet gesteld. Waar het hier gaat om een bijzondere maatregel van de Sicherheitspolizei zijn eventueele vrijstellingen, van welken aard ook, ongeldig. De woningen der gearresteerden moeten door U verzegeld worden terwijl de sleutels aan de gearresteerden moeten worden overhandigd, met de aanwijzing dat zij de sleutels in Westerbork moeten inleveren. (…) Met het arresteren moet begonnen worden op woensdag 16 september 1942 om 20 uur”.
Daarna volgden nog instructies om de arrestaties niet van te voren te laten uitlekken en de gearresteerden af te leveren bij de Zentralstelle in Amsterdam. De arrestaties hebben inderdaad plaatsgehad maar de adressen zaten niet bij de instructie. Volgens Rhoen ging het inderdaad om buitenlandse joden. Ik interpreteer de instructie als dat het om een beperkt aantal namen gaat maar de precieze aantallen zijn onduidelijk. Plaatsvervangend commissaris Brands meldde ook nu weer dat moeder en dochter Dreijfuss niet op het opgegeven adres aanwezig waren, net als dat op 2 en 19 augustus niet het geval was geweest. Voor mij als onderzoeker was de instructie om de sleutels mee naar Westerbork te laten nemen nieuw en niet direct te verklaren124. Ook onbekend voor mij was een instructie van het Gewestelijke Arbeidsbureau Utrecht (GAB) om joodse mannen te arresteren. De bijgevoegde lijst bevatte 21 namen van mannen. Ongetwijfeld had dit te maken met het leeghalen van de joodse werkkampen want de instructie is gedateerd 3 oktober 1942. Toen was er een landelijke gecoördineerde actie waarbij op 2 en 3 oktober 1942 alle joodse mannen die in werkkampen in Nederland zaten naar Westerbork werden gebracht. Tegelijkertijd werden hun gezinnen overal in het land opgepakt. Zij gingen ook naar Westerbork. Dat het GAB opdracht gaf tot arrestatie van joden is opmerkelijk.
De commissaris van politie ging er niet in mee. Hij twijfelde aan de rechtmatigheid van de opdracht en meldde bovendien dat geen van de namen op de lijst voor arrestatie in aanmerking kwam. Ze waren al eerder gearresteerd of ondergedoken. En drie mannen waren vrijgesteld. Er werden dus geen arrestaties verricht125. De laatste joden moesten in april 1943 uit Zeist verdwijnen. Toen had Rauter bekendgemaakt dat joden in de provincie Utrecht zich per 23 april naar Vught moesten begeven. Ze mochten niet meer in de provincie verblijven. Dat gold ook voor mensen die voor de Joodse Raad werkten. Politie moest de sleutels innemen, een reisvergunning verstrekken en de lege woningen in de gaten houden. Joden die na 23 april nog aangetroffen werden moesten gearresteerd worden. Het is niet duidelijk of er op 23 april nog joden vertrokken uit Zeist. We zagen in het vorige hoofdstuk dat de familie Lauinger in april naar Kamp Vught vertrokken was en dat Julius François Cahen op 29 april met zijn gezin naar Amsterdam vertrok126. Daarnaast is er is een melding van drie oproepingen voor Albert Overstrijd, Aäron Reimer en Isaac Zwaaf. Goorhuis meldde op 15 april aan de Zentralstelle dat Zwaaf en Reimer al verdwenen, lees: ondergedoken, waren en dat Overstrijd gemengd gehuwd was. Op 22 april werd de onder-gedoken joodse man Walther Sundheimer gearresteerd aan de Jagerlaan 51.
Hij werd naar de Zentralstelle overgebracht. Hij zou in Sobibor vermoord worden127.
Onderduikers
De collectie bevat ook meldingen van arrestaties van ondergedoken joden waaronder pogingen om joden te arresteren die niet meer in hun huis aangetroffen werden. Verraad kwam daarbij natuurlijk ook voor. Drost arresteerde bijvoorbeeld op 25 augustus 1942 de joodse man Eliazar Leonard Rijnveld
37
2
die onder een schuilnaam aan de Verlengde Slotlaan 28 ƒ bis had gewoond en geen ster droeg. De politie was over deze man getipt. Zijn spullen werden door de politie opgeslagen op het bureau en naar Amsterdam gestuurd zoals we zagen128. In december 1942 werd de politie anoniem getipt over Krakelingweg 55, woning van de weduwe H. Meyer-Le Blanc. Er zouden joden verborgen zijn maar de huiszoeking leverde niets op129. Een met de hand geschreven briefje in het archief luidt zo, met spelfouten en al: “Kom tussen 6 en 7 uur savons met de woorden Steekproef!? Krakelingweg 57. Een oude jodin-valsch PB. Als u voor de lange voortuin inkom, zal zij de achtkamer uitvluchten het bosch in van de Witte Hull! De overige bewoners weten er niets van af. Zeg beslist steekproef?, dan durf ik er meer aan te brengen! No II Heil Hitler. Krakelingweg 79. Een zéér rijke jodin met twee zoons met vals PB. Daar zijn hele schuilhokken aangebracht daar zullen ze zich verbergen. Ook kelders”. Het briefje is ongedateerd. Daarna volgt een verraadbriefje over een niet-joodse student op de Krakelingweg 59. Op 29 mei 1943 ging de politie langs op deze adressen: “Geen personen van Joodschen bloede aangetroffen.” Wel weten we uit het onderzoek van Van der Vorst en Bij ’t Vuur dat de bewoners, het echtpaar Peeters-Oremus van nummer 79, inderdaad joden verborgen hield.
Later in het jaar werd daar een joods echtpaar gearresteerd130. Nog een briefje: “Aan den commandant van Zeist. Er zijn joden verborgen in Cafee Nieuw Zeist bij C de Haan. Van der Heidelaan”. De hoofdwachtmeester doorzocht het huis naar aanleiding van dit briefje maar er werden geen joodse onderduikers aangetroffen131. In november droeg de politie van Zeist arrestanten over aan de politie in Den Haag. Op de bijgevoegde lijst staan 19 namen zonder adres en daaronder in ieder geval 16 joodse onderduikers die door de SD’er Joseph Franciscus Kling, werkzaam in Den Haag, waren opgepakt. Kling arresteerde met behulp van de gemeentepolitie 16 joden in de nacht van 29-28 november 1943 in Zeist, Soest, Den Dolder en Bosch en Duin. De gemeentepolitie bracht de arrestanten naar het politiebureau en droeg ze over aan de SD132. Het correspondentiearchief over 1943 is incompleet. Het bevat wel de registers op de correspondentie maar de bijbehorende correspondentie zelf is niet aangetroffen. Ook in de registers is sprake van arrestatie van joden, zoals op 26 juni 1943: ‘arrestatie Jodinnen Simons E en A’ voor de Sipo in Amsterdam. Ook in juni 1943 is er sprake van de ondergedoken ‘jodin A. Goudsmit’ (het gaat hier om Sarline Goudsmit) en van de arrestatie van zeven joden bij Chr. De Bruijn (De Bruyn genoemd). En op 13 juli ‘aanhouding Jodin A.R. van Kreeveld’133.
In de andere twee registers over 1943 en 1944 worden ook veel onderduikers genoemd, zonder dat hun achtergrond duidelijk is. Vermoedelijk gaat het vooral om niet-joden134.
Kosten
Een ander document, in dit archief van de politie, bevat wel een overzicht van kosten. Ik verwees al naar de kosten bij het afvoeren van meubels van joden. In dit overzicht staat niets over het verwijderen van meubels maar alleen ‘transportkosten afgevoerde joden’. Dat zijn kosten gemaakt voor vervoer van 16 joodse gearresteerden, met naam, en ‘begeleiders’ met tram en trein naar Amsterdam in 1942 en 1943. Dit wijst er in ieder geval op dat er weldegelijk kosten werden gedeclareerd door de gemeentepolitie Zeist maar dit is het enige overzicht dat aangetroffen is. Het ging om een bedrag van ƒ 40,10135.
38
Samenvattend
Naast mogelijke verzetsactiviteiten was de gemeentepolitie betrokken bij de Jodenvervolging en zij voerde de hier besproken verzoeken van de bezetter uit136. Aan de andere kant: zoveel arrestaties bevat het hier besproken archief nu ook weer niet. Bovendien zijn geen nieuwe arrestaties aan het licht gekomen, vergeleken met de aanhoudingen die Van der Vorst en Bij ’t Vuur beschrijven. Zij beschrijven bijna 60 arrestaties waarvan 21 door de gemeentepolitie. Los van de deportaties zagen we hier de arrestaties van Rijnveld, de zusters Simons, Sarline Goudsmit, A.R. van Kreeveld, zeven joodse onderduikers bij Chris de Bruijn en een onbekend aantal in november 1943. Ze worden allemaal genoemd in het boek van Bij ’t Vuur en Van der Vorst. Dit correspondentie archief bevat dus geen nieuwe gegevens. Arrestanten werden aan de Sipo of de SD in Den Haag of Amsterdam over gedragen, zoals bijvoorbeeld gebeurde met de mensen die Kling gearresteerd had. Ook bleek uit het correspondentie archief dat verraad voorkwam. Op basis van tips deed de politie huiszoeking bij ten minste vier woningen. We hebben al met al dus een redelijk overzicht van de arrestaties die de politie deed in het kader van de Jodenvervolging, al is het archief vast niet compleet137. Het is altijd moeilijk een algemeen beeld te schetsen, zeker op basis van al deze losse casussen.
Afgezien van verzet, rekken en tegenwerken kunnen we in ieder geval stellen dat de gemeentepolitie ondersteuning verleende bij de deportaties, op verzoek van de Duitse instanties een aantal onder duikers oppakte, tips opvolgde en in een paar gevallen lege woningen onder de aandacht van de Hausraterfassung bracht. Het was zeker niet alleen Drost die bij de arrestaties en de handhaving van anti-joodse maatregelen betrokken was, de rapporten, proces-verbalen en verslagen zijn ondertekend door verschillende agenten, hoofdagenten en inspecteurs. Een politie-inspecteur trok in een verlaten joodse woning nadat hij die zelf geïnspecteerd had.
5 Plundering van joodse bedrijven: firma Jos. Bannet
Inleiding
In Zeist werd tenminste één joods bedrijf geliquideerd door de bezetter. Eerst iets over de ‘roof’ van joodse bedrijven in Nederland. Deze paragraaf leunt zwaar op het werk van de Nederlandse historicus Gerard Aalders die het meest uitgebreide onderzoek deed naar de diefstal van joodse eigendommen in Nederland. In Nederland waren twee Duitse Verordeningen van belang voor de roof van bedrijven. Op 22 oktober 1940 verscheen Verordening 189 (VO 189/1940) waarin stond dat alle joodse bedrijven zich moesten laten registreren bij een Duitse instantie, de Wirtschaftsprüfstelle (WPS). Dit kantoor registreerde het bedrijf als joods en registreerde al zijn activa. De definitie van joods was erg ruim en omvatte zelfs bedrijven die onder de vage term joodse invloed vielen. Een bedrijf met een joodse eigenaar, of twee, moest zeker als joods worden beschouwd. Het decreet definieerde ook wie joods was en wie niet138. Op 12 maart 1941 volgde nog een besluit: VO 48/1941. In dit besluit werd bepaald dat joodse bedrijven onder toezicht konden worden gesteld van een curator of bewindvoerder, of beheerder, in het Duits een Verwalter of Treuhänder. Hij had het recht om het bedrijf naar eigen goeddunken te besturen. Joodse eigenaren verloren alle controle over hun bedrijven.
Dit decreet werd daarom het decreet tot verwijdering van joden uit het bedrijfsleven of de Wirtschaftsentjudungsverordnung genoemd. Dit proces van het verwijderen van joden uit bedrijven werd Entjudung of Arisierung genoemd. De VO was een belangrijke stap in de verarming en ontneming van rechten van Nederlandse joden139.
39
2
Treuhänder was de term die vaak werd gebruikt voor bewindvoerders die het bedrijf moesten liqui deren, de Verwalter was de bewindvoerder die het bedrijf voor de lange termijn bestuurde of moest verkopen. Het gebeurde ook dat de Treuhänder het bedrijf zelf kocht. Er waren nog twee andere rooforganisaties bij betrokken: de Omnia Treuhandgesellschaft GmbH (Omnia), een accountants kantoor dat de bewindvoerders aanstelde, en de Niederländische Aktiengesellschaft für die Abwicklung von Unternehmungen (NAGU) die verantwoordelijk was voor het beoordelen van de waarde van de bedrijven en het verkopen ervan. Bedrijven werden ver onder realistische prijzen verkocht en de joodse eigenaar zag geen cent van dit bedrag, maar deze prijs werd in de boeken bijgeschreven. Na de oorlog was dit een probleem omdat joodse eigenaren alleen op deze lage prijzen konden terugvallen om een schatting te geven van de waarde van het bedrijf voor de oorlog140. Daarnaast verrijkten Verwalters of Treuhänders zichzelf vaak door hoge onkosten of salarissen te claimen, kredieten te verstrekken of aandelen van het bedrijf te verkopen en de winst voor zichzelf te houden141.
In de praktijk hield de NAGU zich vooral bezig met de verkoop van grotere bedrijven, vaak aan Treuhänders, en de Omnia hield zich in opdracht van de WPS bezig met de liquidatie van kleine bedrijven en was zelf ook vaak de Liquidationstreuhänder. De Omnia zette dan een Sachbearbeiter, een medewerker, op het dossier. In geval van liquidatie moesten alle financiële activa van het bedrijf worden geblokkeerd en naar een speciale bank en bankrekening worden overgemaakt. In Nederland was de Bank voor Nederlandsche Arbeid een van de banken die hiervoor werd ingeschakeld. Na de afwikkeling van alle financiële zaken en schulden werd het resterende kapitaal overgedragen aan de VVRA, de Vermögensverwaltungs- und Renten-Anstalt, voor de grotere bedrijven. De VVRA was een organisatie, of beter gezegd een fonds, dat geld van verschillende plunderingen kreeg en een bank rekening had bij de Liro. Ook bij verkoop van een groter bedrijf ging het geld dat overbleef naar de VVRA. Volgens Gerard Aalders werden 2000 van de 21.000 duizend joodse bedrijven voortgezet142.
Joodse bedrijven in Zeist
Uit bovenstaande blijkt al dat, net als bij de roof van joods vastgoed, gemeenten geen rol speelden bij de verkoop of liquidatie van joodse bedrijven. Het beheer door de Omnia of de Nagu ging geheel buiten de gemeenten om. Het archief van de Omnia en de NAGU bevindt zich in het NIOD. Dat archief bevat de zogenaamde liquidatiedossiers en is op plaatsnaam doorzoekbaar. Het archief bevat twee dossiers van Zeister joodse bedrijven. In een ervan speelt de gemeente Zeist een bescheiden rol, namelijk bij het bedrijf van Joseph Bannet143. Hieronder ga ik in op de vraag wat er met zijn vastgoed gebeurde in en na de oorlog. En ik sta kort stil bij de liquidatie van het bedrijf.
De firma Jos. Bannet
Joseph Bannet had een fabriek aan de Waterigeweg 31 in Zeist: de firma Jos. Bannet. Bannet bezat daar een woonhuis en terrein met een fabrieksgebouw aan de Koelaan. Volgens het bouwdossier was hij ook degene die het huis liet bouwen. De fabriek produceerde van alles: broedmachines, stalen en houten meubels, veerzittingen (spiraalveerkussens), electroden voor lassen (lasstaven) en zelfs (zweef-) vliegtuigen. Tenminste dat is de opsomming die Jo Bannet zelf opgaf in 1938. Ook importeerde hij fineer en fijne houtsoorten tot 1941144. De fabriek en het woonhuis werden in de oorlog niet verkocht en staan dus niet in de Verkaufsbücher. Ook is er logischerwijze geen akte van rechtsherstel. Bannet en zijn echtgenote Jeannette waren echter vermoord in Auschwitz. Ze hadden op 20 augustus 1942 geprobeerd te vluchten met behulp van vriend en zakenrelatie Jurriaan Engelbert Stork. Ze werden op het laatste moment verraden en in Groningen gearresteerd145.
40
Wat was er met hun bezit gebeurd? Daarover geeft het beheersdossier van Bannet enig uitsluitsel. Het bevat meerdere verslagen van de bewindvoerder van Bannet, J. Levi, over de bezittingen. Levi was de broer van Jeannette Bannet. De verslagen geven een helder overzicht van wat er allemaal geroofd werd als iemand vermogend was. Er waren veel bezittingen geweest, roerende en onroerende goederen: 20.000 m2 grond, aandelen en geld ter waarde van ƒ 160.000, een levensverzekering en twee auto’s. Afgezien van het vastgoed was bijna alles verdwenen of geroofd. Roerende zaken waren ook verdwenen waaronder het meubilair dat Bannet in bewaring had gegeven aan kennissen. Alleen de vleugel was boven water gekomen146.
Vastgoed
Het woonhuis en het fabrieksgebouw waren achtereenvolgens in beheer geweest bij de Verwalter van Bannets bedrijf, bij de Omnia en ten slotte bij de ANBO. Bovendien was het vastgoed vanaf april 1942 gevorderd geweest door de Weermacht. Het woonhuis was het huis van de Ortskommandant geweest en de fabriek een Weermacht garage. De Weermacht moest daarvoor schadevergoeding betalen. In het Omnia dossier van Bannet, dat dus over de roof van zijn bedrijf gaat, is veel aandacht voor het vastgoed en die schadevergoedingen147. Wat was het geval? De Weermacht had in de eerste periode schadevergoeding betaald aan de Verwalter. Over de periode 15 april tot oktober 1942 had de Weermacht een bedrag van ƒ 377,41 betaald gebaseerd op een vergoeding van ƒ 823,44 per jaar. Dit was aan de Verwalter betaald148. Vervolgens nam de Omnia het beheer over met als doel de firma te liquideren en alles te verkopen. De Weermacht bleef echter van de panden gebruik maken en moest dus, naar de redenering van toen, vergoeding aan de Omnia gaan betalen. Het ging om de periode 1 oktober 26-1942 november 1943 en voor de fabriek 15 juni 26-1943 november 1943 en een bedrag van ƒ 959,24 of ƒ 1029,30149. Maar over die periode werd geen schadevergoeding, Entschädigung, uitgekeerd aan de Omnia. De Omnia riep daarvoor de hulp van de burgemeester in.
Kennelijk liep de uitbetaling voor schadevergoeding voor vorderingen door de Weermacht via de burgemeester omdat de gemeente de bedragen voorschoot aan de gedupeerden150. De Omnia vroeg de burgemeester om namens de Omnia het openstaande bedrag van ƒ 959,24 te claimen bij de Weermacht151. De burgemeester diende de schadevergoeding in bij de Wehrmachtsbezirksverwaltung in Utrecht. Die wilde niet betalen omdat het bezit joods was. De Omnia protesteerde daartegen omdat het perceel technisch gezien niet meer joods was toen. Het lijkt er niet op dat de Weermacht betaalde. De gemeente als loopjongen tussen de Omnia en de Weermacht dus152. Het is trouwens interessant om te constateren dat de Omnia wel wegbelasting betaalde aan de gemeente. Dit bevestigt dus de aanname dat vaste lasten in het algemeen wel betaald werden door kopers of beheerders van joods vastgoed. De Omnia sloot ook een molestverzekering af. Toen het beheer van de Omnia eindigde, omdat de liquidatie van het bedrijf afgerond was, nam de ANBO of NGV, beide organisaties werden genoemd, het beheer over. Interessant is om te zien dat de ANBO wel gelden ontving van de Weermacht. Ik durf niet te zeggen of dat gerestitueerd is na de oorlog. Vanaf 27 november 1943 waren fabriek en huis onder beheer en vanaf 27 november 1943 werd aan de ANBO betaald, aldus de burgemeester van Zeist.
Ook voor de fabriek ging de Entschädigung naar de ANBO vanaf 26 november.
41
2
Afgezien van deze kwestie over schadevergoeding speelde nog de verkoop van het vastgoed. De Omnia wilde van het vastgoed af om het te gelde te maken maar dat bleek lastig want het was gevorderd153. De WPS had toestemming tot verkoop van het vastgoed gegeven aan de NGV. Er is ook een opdrachtbrief van de Omnia aan de NGV van 20 april 1943154. Een makelaar stelde een advertentie op, in het Duits: Eine alleinstehende Villa mit eigenem Gemüsegarten, bestehend aus 10 Zimmer, Badezimmer mit eingebauter Badewanne, Küche, Nebenküche, Keller, Sanitair met 3 Waschtischen, Zentral Heizung und Parkett-fussboden, ganz aus Stein aufgezogen, mit Ziegeln gedeckt und eigener Wasserversehung, Baujahr 1929, nebst: Ein Fabriksgebaüde, aufgezogen aus Stein mit Mastik Dachbedeckung und Lichthaube auf der Fabrikshalle, mit Büros, Garage, Esslokal, somit 2 Fabrikshallen, letztere mit Betonnboden, Büros mit Zentralheizung versehen, Baujahr 1929, das ganze stehend und gelegen an der „Waterigeweg“, lokal numeriert 31, in Zeist (..), nebst: Eine Parzelle land, gelegen neben diesem Haus (..)“. Het geheel werd geschat op ƒ 74.500 maar de makelaar voegde eraan toe: „Auch nahmen wir in Betrachtung, das bei vielen Leuten die Angst eine Rolle spielt um aus jüdischen Besitz zu kaufen, sodass der abgeschätzten Wert beträchtlich niedriger ist als der normalen Verkaufswert155“.
Het pand werd uiteindelijk niet verkocht in de oorlogsjaren.
Na de bevrijding
Het eerder genoemde verslag van de bewindvoerder gaat in op de situatie na de bevrijding. Volgens Levi had de burgemeester de panden toen toegewezen aan de firma J. van Dijk, groothandel in levensmiddelen in Zeist, waarbij de ANBO nog steeds de verhuurder was. Deze had tot oktober 1945, het moment dat Levi het beheer overnam, de huur gevangen en deels afgedragen aan Levi, namelijk ƒ 424,33. Het verslag maakt niet duidelijk voor welke periode dat bedrag precies was. Volgens de bewindvoerder had de burgemeester verzuimd om in mei deze situatie ongedaan te maken. De firma van Dijk had het weer onderverhuurd en had dus inkomsten. De firma gebruikte zelf de panden niet maar had wel een benzine pomp op het terrein laten aanleggen. Voordat van Dijk het geheel huurde was het, zoals we zagen, bij de Weermacht in gebruik geweest. Het bouwterrein was al voor de oorlog door Bannet verhuurd als volkstuintjes en dat was in de oorlog zo gebleven. Het was onduidelijk waar die huurinkomsten gebleven waren uit de oorlogsjaren. Maar er waren wel inkomsten geweest156. De panden waren zwaar verwaarloosd na de oorlog, zowel het woonhuis als het fabrieksgebouw. Op het terrein was een vuilnisbelt ontstaan en een schuur, ’een open overdekte opslagplaats’, was gesloopt door omwonenden.
Over de fabriek schreef bewindvoerder Levi: “Het fabrieksgebouw verkeert in een onbeschrijflijken staat: een binnenmuur is uitgebroken, de shedkap heeft sterk geleden, terwijl er verder veel glas aan mankeert, de grootste toegangs-schuifdeuren zijn bijna alle defect, en het geheel verkeert in een zeer gedeprecieerden staat van vervuiling en verveloosheid157”. In een ander verslag schreef hij: “De tuin: verwaarloosd en geruïneerd. Moestuin en gazons omgespit, aan beide boomgaarden sinds jaar en dag niets meer gedaan. Een enorm kippenhok voor 400 kippen stond op invallen”. Levi had tot 1952 een bedrag van ƒ 23.379, 76 aan herstelkosten gehad. Hij schatte toen dat er nog 10.000 gulden nodig was voor herstel158. Levi had een poppenfabriek ANJO in Halfweg en wilde die naar Zeist verplaatsen omdat de locatie in Halfweg te klein was geworden. Ook zou hij het woonhuis gaan betrekken en vroeg hulp aan de gemeente om de onderhuurders uit dat pand te krijgen. Uit een latere briefwisseling met de gemeente blijkt dat hij inderdaad zijn poppenfabriek naar Zeist had verplaatst en aan de Waterigeweg 31 woonde. Hij werd in 1947 huurder en betaalde in eerste instantie huur aan het NBI. Uit de huuroverzichten blijkt ook dat er huur betaald werd door de bewaarschool die in de fabriek zat en dat er werkplaatsen in gebruik waren waarvoor ook huur werd betaald159.
42
In het kader van het uitbreidingsplan Zeist-West, verkocht Levi het terrein in 1957 aan de gemeente. Hij had in 1953 geprotesteerd tegen het feit dat de Gemeenteraad de bestemming van de percelen had gewijzigd tot parkgrond. Hij was bang voor een waardedaling van het perceel en voor het feit dat de poppenfabriek niet meer uitgebreid zou mogen worden. Uiteindelijk kwamen Levi en de gemeente de verkoop van de percelen overeen. Levi bleef in het pand wonen en mocht ook het bedrijfspand blijven gebruiken. Levi werd toen dus huurder van de gemeente Zeist160.
Roof van het bedrijf
Voor de volledigheid sta ik ook kort stil bij de roof van het bedrijf van Bannet, al had de gemeente daar verder geen betrokkenheid bij. De roof viel uiteen in een aantal acties: a. de verkoop van de fabrieks inventaris, b. de liquidatie van het bedrijf en c. de verkoop van het vastgoed. Dat laatste is hierboven besproken.
A. Inventaris De fabrieksinventaris was grotendeels verkocht aan een aannemer en aan een meubelfabrikant. De fabrieksinventaris, machines en gereedschappen, was in 1941 getaxeerd op een waarde van ƒ 51.336,-. Na de oorlog vond Levi houtbewerkingsmachines bij aannemer van Hoek in Delft terug, een aannemer die ook onder beheer stond omdat hij bunkers voor de Duitsers had gebouwd. Levi kreeg de machines terug maar betaalde daarvoor wel de transportkosten en kosten voor vijf en een half jaar opslag, in totaal ƒ 2582,62161. Een deel van de fabrieksinventaris, waaronder machines, werktuigen, een installatie voor veren fabricage en een auto, was verkocht aan meubelfabrikant Riessmeyer in Rotterdam. Verkoop was gegaan via een firma Inverna. Prijs: ƒ 14.048-162. Een andere betaling noemt ƒ 10.238,50. Na door verkopen waren de machines na de oorlog in het bezit geraakt van een mijnheer Vos en een ander deel bij een mijnheer Reedijk, beiden uit Rotterdam. Over die machines zou een rechtsherstel procedure in gang gezet worden die door Levi werd gewonnen163.
B. Liquidatie De liquidatie was voltooid op 26 november 1943. Dat betekent dat het bedrijf toen had opgehouden te bestaan met al haar activa en passiva. Schulden waren afgelost, rekeningen voldaan, en alles was te gelde gemaakt (behalve het vastgoed). Er resteerde een bedrag van ƒ 7107,20 dat aan de Liro werd overgemaakt164.
Afsluitend
Na de oorlog waren er problemen met de belastingen want Bannet had in de oorlog, voor zijn deportatie, nog inkomsten gehad waar de belastinginspecteur na de oorlog belasting over wilde heffen. Levie schreef in een tweede verslag: “De belastingautoriteiten verkeeren in de meening, dat Bannet vóor zijn deportatie doch tijdens de bezetting ongeveer ƒ 250.000,- verdiend zou hebben. Dit zoude dan een aanslag van ± ƒ 150.000,- wettigen + 100 % boete in verband met niet-opgave van het verschuldigde ‘voor zijn vertrek’: het behoeft wel geen betoog dat deze opvatting, gezien de omstandigheden van dit ‘vertrek’, wel een zeer willekeurige en weinig fraaie is!165” Levi was hierover nog in onderhandeling met de inspecteur. In 1953 betaalde Levi uiteindelijk ƒ 134.000166. Wat vertelt het bovenstaande verhaal? Vanuit gemeentelijk perspectief niet veel. De roof van het bedrijf van Bannet en de pogingen tot verkoop van het vastgoed gingen buiten de gemeente om. De gemeente werd wel ingeschakeld bij het invorderen van de vergoeding voor de vordering van de panden door de Weermacht. Het is onduidelijk of dat lukte.
43
2
Dit verhaal toont hoeveel er geroofd werd en hoeveel moeite een bewindvoerder als Levi moest doen om bezittingen terug te krijgen. Het rechtsherstel is niet gedetailleerd onderzocht in dit onderzoek maar duidelijk is wel dat er na de oorlog vorderingen waren op de Schade Enquête Commissie, op de Liro (voor ƒ 176.827,82) en op verzekeraars167. Ook is duidelijk dat er uiteindelijk bedragen werden uitgekeerd voor het verdwenen meubilair, schade aan het vastgoed, voor verdwenen effecten en deviezen en voor de levensverzekering168. Het is onbekend in welke hoogte deze bedragen werden uitgekeerd, maar het zal het verlies aan bezittingen maar ten dele gedekt hebben. Er waren verlies posten op verdwenen huisraad en op fabrieksinventaris en de belastingaanslag was betaald. Zoals we zagen werd de gemeente ver na de oorlog eigenaar van het perceel van Bannet.
Plattegrond van de percelen van Bannet uit het dossier over de aankoop door de gemeente, 1957.
44
Deel 3.
3
Afronding en conclusie
Inleiding: rechtsherstel
Tijdens de oorlog had de Nederlandse regering in ballingschap in Londen al door dat de nazi’s op grote schaal aan het roven waren en dat joden daarvan in het bijzonder het slachtoffer werden. De regering ondertekende de verklaring van de geallieerden van 5 januari 1943 waarin de geallieerden verklaarden te zullen optreden tegen roof en dat onrechtmatige transacties in de bezette gebieden teruggedraaid zouden worden. De Nederlandse toelichting op de Allied Declaration verwoordde het als volgt: “U kunt erop rekenen dat de Nederlandse Regeering alles in het werk zal stellen opdat het onrecht geschapen door roof en plundering naar mogelijkheid en billijkheid zal worden ongedaan gemaakt”. Op 7 januari 1943 werd dat op Radio Oranje nog eens bevestigd en op 3 juni 1942 was ook al gewaarschuwd om geen joods bezit te kopen. Zo was het wel heel moeilijk om in het bezette Nederland joodse bezittingen ‘te goeder trouw’ te kopen169. De vraag is wat al deze intenties uiteindelijk betekenden voor het rechtsherstel in de praktijk. Om dat te beoordelen moeten we ons baseren op de bronnen en die zijn vaak incompleet. Bovendien zijn het zakelijke, formele stukken zoals akten, vermogensoverzichten, correspondentie en taxaties. Die stukken vertellen niets over de houding waarmee de betrokkenen erin zaten en of er begrip was voor elkaars positie.
Wat de joodse slachtoffers betreft weten we dat het rechtsherstel voor hen lang duurde en dat men het kil vond170. Aan de andere kant heeft er wel een grote rechtsherstel operatie plaatsgevonden na de oorlog. Die was in Londen voorbereid. Daarbij werden verschillende soorten bezittingen aan joden geresti tueerd, waaronder vastgoed. We hebben dat voor Zeist ook gezien. Het was een langdurig proces met veel betrokkenen en we kunnen wel aannemen dat de Nederlandse staat vond dat daarmee recht was gedaan. Bijna al het joodse vastgoed in Nederland kwam terug bij de oorspronkelijke eigenaren, of hun nabestaanden, en het rechtsherstel verliep correct naar de maatstaven en de wetsbesluiten van toen.
Rechtsherstel over joods vastgoedbezit in Zeist
Voor Zeist constateer ik ook dat dat rechtsherstel, wat betreft joods vastgoed, plaatsvond. Maar ook dat de praktijk soms verschilde van de intenties die uit de Allied Declaration spraken. Ik signaleer voor Zeist een tweedeling tussen wat je formeel rechtsherstel en moreel rechtsherstel zou kunnen noemen171. Formeel werd over alle vijftien percelen een rechtsherstel regeling getroffen en werd dus recht gedaan aan de joodse slachtoffers en nabestaanden, volgens de wetsbesluiten van toen. Aan de andere kant, en dat is opvallend in Zeist, liepen de regelingen erg uiteen. We zagen verschillen bij de regelingen bij beide panden die Lange had gekocht. Net als bij de panden van Van de Blankevoort waar ook verschillende regelingen werden getroffen. Dat had te maken met de slechte financiële positie van de oorlogskopers waardoor de oorspronkelijke eigenaren minder konden vorderen of de vordering moesten uitstellen. De rechtsherstel regelingen bij de hypotheken van Wallage en die van Catella Jessurun hadden ook een verschillende in uitkomst, terwijl de casussen min of meer hetzelfde waren.
45
Bovendien waren niet in alle regelingen even aantrekkelijk voor de joodse eigenaren of nabestaanden, zie het huis van Mesritz aan de Veldheimlaan of de hypotheek van Catella. Ook Bannet is er onge twijfeld op achteruitgegaan, ook al werden daar na de oorlog wel bedragen geïnd door de bewindvoerder. Bij de berekeningen over Willem de Zwijgerlaan 21 van Wallage is niet vast te stellen of Wallage financieel recht werd gedaan met het wegstrepen van twee posten tegen elkaar. Dus de mate waarin moreel rechtsherstel plaatsvond, is al lastiger te beoordelen. Ook zie je in Zeist terug, net als het hele land, hoezeer de berekeningen erop gericht waren dat ook de kosten die oorlogskopers hadden gemaakt, zoals de zogenaamde verbeteringen aan Prof. Lorentzlaan 119, werden terugbetaald door de oorspronkelijke joodse eigenaren. Eveneens zien we het uitgangspunt terug dat joodse eigenaren niet verrijkt mochten worden als ze een vordering van de oorlogs kopers overnamen zoals in het geval van de vorderingen van oorlogskopers Lange en Zorn die overgenomen werden door respectievelijk de erven Enthoven en Koetser. De meeste regelingen waren overigens minnelijke schikkingen maar in een geval, een perceel bouwgrond aan de Graaf Janlaan, werd een regeling opgelegd omdat de oorlogskopers een regeling blokkeerden.
Dat was ook een karakteristiek van het rechtsherstel: als oorlogskopers niet wilden meewerken werden ze uiteindelijk meestal in het ongelijk gesteld, maar het vertraagde de procedure enorm. Bij verkoop en rechtsherstel van joods vastgoed speelden de gemeenten geen rol, ook niet in Zeist.
Betrokkenheid van de gemeente bij de Jodenvervolging in Zeist
Dit onderzoek heeft niet de gehele betrokkenheid van het Zeister gemeentebestuur bij de Joden vervolging onderzocht. De voornaamste reden was dat bepaalde onderwerpen al uitgebreid onderzocht waren en beschreven in publicaties. Dit onderzoek focuste op de rol van de gemeente bij de registratie van joodse inwoners en op de rol van de gemeente en gemeentepolitie bij de roof van joodse roerende goederen. Ook heb ik stil gestaan bij de rol van de gemeentepolitie bij deportaties en arrestaties van joden en bij de roof van het bedrijf van Joseph Bannet. Wat betreft de registratie is de rol van de gemeente duidelijk. De ambtenaren van de gemeenten werden door de bezetter verordonneerd om een aparte registratie van joodse inwoners aan te leggen en aan te leveren aan het bevolkingsregister in Den Haag. Zo ook in Zeist. Verschillende lijsten getuigen van de administratieve gegevens die de gemeente aanleverde, ook van joden in instellingen. Ook zichtbaar is de inzet van de gemeente bij het leeghalen van door joden verlaten woningen, bij de roof van inboedels dus. De gemeente informeerde de bezetter over leegstaande joodse woningen en de gemeentepolitie verleende ondersteuning aan de Hausraterfassung en aan de Einsatzstab Rosenberg (ERR) bij respectievelijk het inventariseren, verzegelen en leeghalen van joodse woningen.
Uit een lijst opgesteld door de gemeente Zeist in februari 1943 concludeer ik dat de gemeente zelf mogelijk verantwoordelijk was voor het leeghalen van 14 joodse woningen naast de meer dan veertig joodse woningen die de ERR leeghaalde. In ieder geval één woning werd door de gemeentepolitie leeggehaald met behulp van een expeditiebedrijf. Uit een andere melding van de politie blijkt dat de politie de Hausraterfassung informeerde toen een joodse woning was verlaten en dus klaar was om ontruimd te worden. In het geval van twijfel van wie de meubels in een joodse woning of kamer waren, moest de commissaris een verklaring opstellen.
46
Ook duidelijk is de rol van de gemeentepolitie bij deportaties en arrestaties, al is dit onderwerp niet uitputtend onderzocht. Uit de meldingen die ik onder ogen kreeg blijkt dat de politie in opdracht van de Sipo/SD joden arresteerde en van huis haalde, ook ondergedoken joden. Uit veel meldingen blijkt overigens dat de potentiële arrestanten al vertrokken, lees: ondergedoken, waren. Ook blijkt uit een kwitantie dat de politie kosten voor vervoer van gearresteerde joden in rekening bracht. Uit het archiefmateriaal maak ik op dat verzoeken van de Sipo en de Zentrallstelle voor ondersteuning en arrestaties uitgevoerd werden172. De roof van het bedrijf van Bannet is ontluisterend, maar de gemeente Zeist was daar niet bij betrokken. Wel moest zij voor de Omnia bemiddelen bij misgelopen schadevergoeding voor de vordering van het perceel door de Weermacht.
Onderzoeksvragen en conclusie
Met deze afrondende opmerkingen over rechtsherstel en de betrokkenheid van de gemeente keer ik terug naar de onderzoeksvragen. Ik zet de belangrijkste conclusies op een rijtje en volg daarbij de onderzoeksvragen: Welke panden in Zeist waren in 1941 in joods bezit? In dit onderzoek worden 21 percelen genoemd, zie ook de noten en de bijlage, die joods bezit waren. Vijftien percelen die in de Verkaufsbücher staan werden verkocht en zijn relevant voor dit onderzoek. ■ Zijn die panden in de oorlog verkocht door de Duitse roofinstanties? En zo ja, zijn alle panden na de oorlog teruggegeven aan de oorspronkelijke joodse eigenaren of hun erfgenamen? Over de vijftien verkochte panden heeft rechtsherstel plaatsgevonden maar niet alle percelen werden teruggegeven. ■ Onder welke voorwaarden zijn de panden teruggegeven en welke kosten moesten de joodse eigenaren daarvoor maken? De voorwaarden van teruggave lopen nogal uiteen zoals blijkt uit hoofdstuk twee in deel 2 en uit de bijlage. Samenvattend kunnen we stellen dat de meeste panden werden gerestitueerd middels een minnelijke schikking waarbij kosten en baten verrekend werden tussen oorlogskoper en de oorspronkelijk eigenaar of zijn/haar nabestaanden. Niet alle regelingen lijken even redelijk voor de slachtoffers. Een aantal joodse eigenaren kreeg een vordering op de oorlogskoper omdat deze niet kon betalen.
De details en cijfers rond de roof en het rechtsherstel staan in bijlage I. In bijlage II staat een aantal geroofde, joodse, hypotheken. Ook zijn er 25 panden onderzocht die geen joods bezit bleken. Daarvan is een lijst gemaakt maar die is niet bijgevoegd omdat deze panden voor de onderzoeksvragen niet van belang waren. ■ Op welke wijze was de gemeente Zeist verder betrokken bij de Jodenvervolging? De gemeente en de gemeentepolitie waren direct betrokken bij het leeghalen van joodse huizen, bij de deportaties en bij de arrestaties van joodse onderduikers en joodse Zeistenaren. Dit gebeurde altijd op bevel van Duitse instanties en voor zover het bronnenmateriaal het toelaat kunnen we zeggen dat de Duitse orders werden opgevolgd. Ook VO 6/1941 die de gemeente Zeist verplichtte tot registratie van de joodse inwoners, voerde de gemeente uit. We mogen dus wel concluderen dat de gemeente en gemeentepolitie hebben meegewerkt aan de Jodenvervolging in Zeist. ■
47
3
Afsluitend
Oordelen over het verleden is altijd ingewikkeld en gevaarlijk omdat je zo snel voorbij gaat aan de omstandigheden van die tijd, de situatie waar mensen in zaten en de beweegredenen die mensen konden hebben maar die niet overgeleverd zijn in de bronnen. En los van de omstandigheden: de tijd wás ook anders, mensen dachten anders en vonden andere dingen belangrijk. Men was bijvoorbeeld veel gezagsgetrouwer en over het algemeen minder individualistisch dan wij nu. Dit onderzoek probeert daarom zoveel mogelijk feiten te reconstrueren op basis van de bronnen. En daarbij voorzichtig om te gaan met oordelen, en al helemaal over mensen. Een politiebeambte kon verzetswerk doen en tegelijkertijd joden arresteren in opdracht van zijn superieuren, om maar wat te noemen. Omdat het een onderzoek in opdracht van de gemeente is, met de focus op het handelen der gemeente ten aan zien van de Jodenvervolging, is het lastig om helemaal niet te oordelen. Dat uit zich vooral in de keuze van het bronnenmateriaal en de beschreven maatregelen. Daarin heb ik gefocust op daar waar de gemeente heeft meegewerkt aan de anti-joodse maatregelen. Dat daarmee niet de geschiedenis van de gehele Jodenvervolging in Zeist recht wordt gedaan, moge duidelijk zijn.
48
49
Bijlage I: Joodse woningen en adressen
in Zeist
Adres
Kadastraal nummer
Eigenaar
Oorlogskoper
Notaris
Prijs/prijzen oorlogsverkoop
Geschillendossier toegang 2.09.48 Nationaal Archief
Woningkaarten en bouwdossiers
Rechtsherstel ja/nee
Jaar rechtsherstel
Rechtsherstel regeling
Prof. Lorentzlaan 119
I 678 later I 1115
Jeremias Mesritz (overleden 30 april 1946). Erfgename was weduwe Dientje Cohen te Zeist (Wilhelminalaan 35 te Zeist, geb. 2 november 1870) en dochter Cornelia Sara Mesritz, Prof Magnuslaan 26 te Maartensdijk (geb. 2 maart 1905)
Gerrit van de Blankevoort (Acacialaan 18, Zeist) (overl. 23 april 1947), daarna Gerard van Doleweerd, koopman, gehuwd met Clazina Maria de Vries, Dalweg 32 te Zeist. Daarna gebroeders van Doorn, alle vijf koopman, Rodensteinselaan 156 in Neerlangbroek.
Ter Horst
9000 en 11000 en 11000
Inv nr 791 aangiftenummer S 657
Bouwdossier: BWT 7431 Woningkaart aanwezig
Ja
1947
De akte bevat een ingewikkelde berekening tussen alle partijen. Partij Mesritz ontving een bedrag van Van de Blankevoort maar die kon niet betalen dus dat werd een vordering. Uit de akte blijkt wel dat een aantal reparatiewerkzaamheden zijn doorberekend aan de erven Mesritz en reparaties aan de CV en het maken van een zinkput. In totaal ƒ 373,75. Kosten rechtsherstel waren voor de oorlogskopers. Verder geen kosten d.w.z. geen negatief saldo voor de joodse eigenaar na de verrekeningen. Wel staat het gebruikelijk voorbehoud in de akte dat de oorspronkelijke eigenaar aangeslagen kon worden voor baten en vaste lasten die mogelijk nog niet betaald waren over de oorlogsjaren. Dit geldt voor alle percelen.
Vijverlaan 16
I 74
David Lion Zendijk (Emmaplein 30, Deventer), erfgenaam van Judith de Wolff en Jacob de Wolff (overl. 10 juli 1946)
Gerrit van de Blankevoort, op dezelfde dag doorverkocht aan Willem van der Graaf (Ruysdaellaan 1, Huis ter Heide).
Ter Horst
12.000 en 13.500
Inv nr 791 aangiftenummer S 617
Geen bouwdossier. Woningkaart aanwezig maar de eigenaren woonden er niet.
Ja
1947
Geen kosten d.w.z. geen negatief saldo voor de joodse eigenaar na de verrekeningen. Joodse eigenaar ontving na verrekening ƒ 1101. Kosten rechtsherstel waren voor oorlogskoper. Waar de winst van ƒ 1500 bleef die Van de Blankevoort maakte bij doorverkoop is niet duidelijk.
Platolaan 34
I 1004
Henri Zondervan (Maastricht, 19 juni 1864 – Auschwitz, 24 september 1942)
Gerrit van de Blankevoort (Huis ter Heide) (overl. 23 april 1947), daarna Hilda Ring, in 1947 gescheiden echgenote van Carl Hombeck (Essen, Beiseweg 65). Voorheen woonde Hombeck Regentesselaan 89 in Maartensdijk.
Ter Horst
10.250 en 12.000
Inv nr 867 aangiftenummer S 10478. Volgens deze akte en het kadaster was Hilde de oorlogskoper van het pand.
Woningkaart aanwezig. Uit Bouwdossier BWT 7884 blijkt dat R. Zondervan in 1950 een verbouwing deed.
Ja
1950
Joodse eigenaar moest hypotheek aflossen à ƒ 5700 plus rente 1372,-. Omdat Van de Blankevoort alleen maar schulden had nagelaten en men de ergenamen niet wilde belasten werden de baten à ƒ 448,29 die Van de Blankevoort uit het huis had gehaald niet verrekend met de joodse eigenaar. Dat bedrag werd kwijtgescholden. Wel moest de tweede oorlogskoper Hilda Ring achterstallig onderhoud betalen à ƒ 2000 van een schade die getaxeerd was op ƒ 3205,-. Ook hielden de erfgenamen een vordering over op de ANBO/NGV over de beheersperiode voor de verkoop van 1 augustus 1942 tot 15 april 1943. Er vond wel een verrekening van baten en lasten met de tweede oorlogskoper plaats. Erven ontvingen ƒ 3289,35. Daarnaast het gebruikelijke voorbehoud van verrekening van vaste lasten die mogelijk nog niet betaald waren over de oorlogsjaren. Kosten rechtsherstel waren voor oorlogskopers.
Eikenlaan 34
H 2284 voorheen H 2169
Jeremias Mesritz (overleden 30 april 1946). Erfgename weduwe Dientje Cohen te Zeist en dochter Cornelia Sara Mesritz te Maartensdijk
Gerrit Lodewijk van Rijn (14 november 1883), leraar, Waterweg 63 te De Bilt
C.J. Simons
6500
Inv nr 886 aangiftenummer S 12649
Bouwdossier: BWT 4971. Woningkaart aanwezig
Ja
1947
Partij Mesritz ontving gederfde huren à ƒ 991,66 en betaalde vaste lasten en onderhoudskosten terug à ƒ 214,09. Kosten rechtsherstel waren voor oorlogskoper.
Veldheimlaan 35
M 1932
Jeremias Mesritz (overleden 30 april 1946). Erfgename weduwe Dientje Cohen te Zeist en dochter Cornelia Sara Mesritz te Maartensdijk
Gerardus Jozef Maria Neesen, Veldheimlaan 35 te Zeist (geb. 13 september 1875)
Schuurs
7500
Inv nr 883 aangiftenummer S 12648
Bouwdossier BWT 15940 en BWT 9735. Woningkaart aanwezig, Neesen woonde er tot 1952
Ja
1948
Het pand bleef bij de oorlogskoper. Geen verrekening van baten en lasten. De erven hielden alleen de (onzekere) vordering op de NGV over. Geen voordelige regeling dus. Kosten rechtsherstel werden gedeeld tussen oorlogskoper en erfgenamen van de oorspronkelijke eigenaar, wat ook uitzonderlijk was.
Veldheimlaan 37
M 1933
Emmanuel Koetser (Utrecht, 2 december 1971 - Sobibor, 23 juli 1943). Woonde Van Limburg Stirumstraat of J.M. Kemperstraat 9, Utrecht
Anthonius Marinus Zorn, Slotlaan 101
G.W. Vaags
8000
Inv nr 810 aangiftenummer S 514
Bouwdossier BWT 15940 en BWT 9735. Woningkaart aanwezig
Ja
1950
Koetser ontving ƒ 475 na de gebruikelijke verrekening van baten en vaste lasten. Kosten voor rechtsherstel waren voor Zorn maar werden betaald door Koetsier. Vorderingen op de NGV bleven voorlopig bij Koetser zolang die schuld nog niet was voldaan. Mochten die vorderingen hoger uitvallen dan de schuld van Zorn dan was de rest van de vordering weer voor Zorn.
Willem de Zwijgerlaan 21
E 1301
Jacob Wallage, Heemstede (heeft overleefd)
Harm Martens (Den Haag) en Heinz Havemann (Duits, Amsterdam)
G.W. Vaags
7900 en 9000
Inv nr 815 aangiftenummer S 4115
Geen bouwdossier. Woningkaart aanwezig, Wallage woonde niet zelf in het pand.
Ja
1952
Wallage kreeg geen exploitatiesaldo omdat dat niet vast te stellen was. In ruil daarvoor moest hij wel de oorspronkelijke hypotheek aflossen à ƒ 2900 maar zonder rente. Onduidelijk wat voor bedrag dat was en of hij vaste lasten moest betalen over de tijd dat het pand niet van hem was. Alleen de standaardzin is opgenomen: Voornoemde partij Wallage is gehouden te betalen alle zogenaamde vaste lasten alsmede naheffingen welke met betrekking tot het onroerend goed mochten blijken niet te zijn betaald. De oorlogskopers betaalden de kosten van rechtsherstel. De tweede koper kreeg een vordering op de eerste wegens de gemaakte winst. Het rechtsherstel duurde lang omdat er steeds werd teruggekomen op de verrekening tussen de oorlogskopers onderling.
Laan van Bergen 9, 11, 13, 15
H 993, 992, 991, 990
Rosette Groenberg-Grünberg (Sögel, 6 november 1879 – Sobibor, 23 april 1943), weduwe van Nathan Abraham Groenberg (woonde Uiterwaardenstraat 10, Amsterdam). Dit perceel omvat ook de roof van een hypotheek verstrekt door Jacob van Baren.
Heinrich Johan Schipper (Utrecht) en Arie Siebel (Bilthoven)
G.W. Vaags
16.000 en 19.300
Inv nr 849 aangiftenummers S 15754, 15756, 15757, 15758
Woningkaart aanwezig, geen joodse bewoners. Bouwdossier BWT 15699
Ja
1950
Ingewikkelde akte want er zaten twee hypotheken op de panden waarvan een van een joodse schuldeiser. Die hypotheek werd hersteld en de andere hypotheek moest de joodse eigenaar na de oorlog afbetalen met rente. Verder verrekening van baten en lasten met een postief slado van ƒ 411,73 voor mevr. Groenberg. De kosten van het rechtsherstel waren voor de tweede oorlogskoper, net als de kosten voor het afsluiten van een nieuwe hypotheek door de oorspronkelijke joodse eigenaar.
Dolderseweg 44, Den Dolder
A 2477
Frederika Boasson (Amsterdam) Heeft overleefd en woonde volgens JR cartotheek na de oorlog in Arnhem en daarna op Socrateslaan 2 in Zeist.
Hermann Wilhelm Ferdinand Gottlob Lange, caféhouder te Utrecht
G.W. Vaags
14.000
Inv nr 879 aangiftenummer S 11963
Woningkaart aanwezig, bewoner J. Milius 1937-1944, 1945-1961. Bouwdossier BWT 424
Ja
1947
Oorlogskoper Lange moest een exploitatiesaldo à ƒ 1165,11 en de kosten voor rechtsherstel à ƒ 229 afdragen. Omdat deze dat niet kon betalen werd een trustkantoor gemachtigd om allereerst de belangen en het vermogen van de eigenaar te waarborgen totdat Lange betaald had, als hij tenminste kon betalen. Het trustkantoor beheerde de claim die Lange op de NGV had zodat bij uitkering eerst mw. Boasson betaald zou worden. Daarna werd de vordering weer aan het NBI overgedragen, zo blijkt uit het tweede beheersdossier van Lange (er waren wel kosten verbonden aan de inzet van het trustkantoor, namelijk 2 % van de ontvangen bedragen). Uit een akte van retro-cessie van 6 maart 1953 (NBI 111392) blijkt dat de vordering op de NGV toen aan Lange werd overgedragen door het Trustkanoor en dus dat Lange betaald had aan Boasson.
Dennenweg 16, Bosch en Duin
K 817
Adolf Simon Enthoven (overl. 10 februari 1939). Zijn vrouw was 21 juli 1945 overleden in Zwitserland: Henriette Sophia Carolina Clarisse Enthoven-van Lier (Utrecht, 17 juni 1875 – Mont Pelerin, 21 juli 1945). De vier kinderen waren erfgenaam volgens het kadaster.
Hermann Wilhelm Ferdinand Gottlob Lange, caféhouder te Utrecht
G.W. Vaags
7.250
Inv nr 888 aangiftenummer S 12912
Leggerartikel 3681 Woningkaart aanwezig, in de oorlog woonde er een Pieter Been. Geen bouwdossier, wel sloopdossier toegang 1025, Enthoven was de bouwer.
Ja
1953
Oorlogskoper Lange moest een exploitatiesaldo à ƒ 612,78 en de kosten voor rechtsherstel (f 126,37 plus ƒ 27,25) afdragen. Dat zou betaald moeten worden uit de vordering op de NGV omdat Lange niet kon betalen (het bedrag werd inderdaad afgeschreven zo blijkt uit Lange’s betalingsstrookjes in zijn beheersdossiers). De rest van de eventuele vordering op de NGV zou voor Lange zijn. Daarnaast het gebruikelijke voorbehoud van verrekening van vaste lasten die mogelijk nog niet betaald waren over de oorlogsjaren.
Boulevard 24
H 1888
Salomo Gerhard Tekla Bendien (overl. Zeist, 18 november 1942)
National Sozialistische Volkswohlfahrt, (liefdadigheidsorganisatie), Berlijn
A.C.M.J. Bomers
50.000
Inv nr 914 aangiftenummer S 16695
Volgens woningkaart woonden er veel joodse bewoners in de oorlog, vaak met melding VOW.
Ja
1949
De erven betaalden ƒ 9969,11. Dat bedrag moesten zij terugbetalen omdat ze dat opmerkelijk genoeg al van de NGV hadden ontvangen en het huis weer op hun naam gesteld werd. Ik ken geen ander geval waar de koopsom via de NGV bij de joodse erven terecht kwam. Waarschijnlijk waren zijn vrouw en zijn kinderen niet joods en konden ze daarom de koopsom, dat gedeelte dat nog bij de NGV stond, terugvorderen. Ze moesten ook hypotheek betalen want het huis was zwaar belast geweest. Dat was een bedrag van ƒ 48.684,52. Ze ontvingen gederfde huren à ƒ 4311,11. Uit een document uit het gemeenterachief blijkt dat de burgemeester het huis liet bewaken ten behoeve van de NSV, zie NL-ZtGAZ_3500-193, melding 2871A.
50
51
Adres
Kadastraal nummer
Eigenaar
Oorlogskoper
Notaris
Prijs/prijzen oorlogsverkoop
Geschillendossier toegang 2.09.48 Nationaal Archief
Graaf Janlaan bouwterrein
E 1524 later E 1675 en 1676
Jozef Nathan Engelsman (overl. 25 april 1953), Prof. Suringalaan 10, Utrecht. Hij had de oorlog in onderduik overleefd.
Arie Houbolt, kandidaat-notaris in Utrecht. Hij verkocht de helft aan Dirk Jacques Muinck, Zeist (overl. 2 maart 1947. Zijn weduwe was Eva Nieuwland, Waterigeweg 48). De andere helft verkocht Houbolt aan D.J. Duiker, fotograaf, Slotlaan 36.
J.G.R. ter Horst
6.000 en 3.500
Inv nr 919 aangiftenummer S 19070
Baarnseweg 6-6a, Bosch en Duin
K 420
Adolf Simon Enthoven (overl. 10 februari 1939). Zijn vrouw was 21 juli 1945 overleden in Zwitserland: Henriette Sophia Carolina Clarisse Enthoven-van Lier (Utrecht, 17 juni 1875 – Mont Pelerin, 21 juli 1945). De vier kinderen waren erfgenaam volgens het kadaster.
Het is onduidelijk in de Verkaufsbücher of de verkoop aan de PTT doorging
Bomers
90.000
L 347 (later L 349)
Woningkaarten en bouwdossiers
Rechtsherstel ja/nee
Jaar rechtsherstel
Rechtsherstel regeling
Ja
1954
Engelsman was te laat geweest met aanvragen van rechtsherstel (de termijn sloot 1 juli 1948) omdat hij niet wist dat het perceel niet meer op zijn naam stond. De Raad vond het billijk om het rechtsherstel alsnog in gang te zetten in 1950. De helft was door Houbolt doorverkocht op dezelfde dag in 1943 aan Muinck. De andere helft was door de Houbolt verkocht aan tweede oorlogskoper Dirk Jacobus Duiker. Die had het doorverkocht in 1947 voor ƒ 4350 aan Jan Willem Tjeerd de Vries. Er kwam geen minnelijke regeling maar een opgelegd besluit door de Raad: de eerste helft van het perceel bleef bij de oorlogskoper Muinck en Engelsman ontving schadevergoeding van ƒ 4350 voor de koopsom en de misgelopen waardevermeerdering plus de kosten van rechtsherstel en juridische bijstand. Beide oorlogskopers beriepen zich op goede trouw en hadden eerst niet willen meewerken aan het rechtsherstel. De weduwe Muinck lag dwars en blokkeerde teruggave zoals dat in de concept minnelijke regeling was vastgelegd. Daarom duurde het zo lang en de te late aanmelding was waarschijnlijk ook de reden dat de percelen niet gerestitueerd werden maar een schadevergoeding werden. Van de andere helft is geen akte van rechtsherstel aangetroffen.
Het perceel bleef volgens het kadaster bij de oorlogskoper maar er werd ongetwijfeld een regeling getroffen want in een notitie staat het voorstel dat Duiker/ Houbolt en de NGV samen ƒ 4350 aan Engelsman betaalden als schade vergoeding en dat Duiker daarmee instemde (augustus 1953).
Volgens een lijst over gaslevering aan gebouwen met ‘Duitsche bezetting’ zou dit pand gevorderd zijn geweest door de Weermacht. Zie NL-ZtGAZ_1044-468F. Dit is het niet geïnventariseerde archief van de Dienst Openbare Werken. Het pand staat niet op de lijst die door gemeentearchivaris Rhoen in 2013 werd samengesteld genaamd Vordering van woningen en andere gebouwen in de Tweede Wereldoorlog door de Duitse bezetting. Volgens het kadaster werd het pand in 1948 verkocht door de erven. Volgens de woningkaart waren er heel veel bewoners nadat weduwe Enthoven er op 29 januari 1941 uittrok. Enthoven was de eerste bewoner. Geen verwijzing naar de PTT op de woningkaart. Bouwdossiers BWT 3116. Enthoven was de bouwer. In 1949 was het pand van de Kon. Ned. Hoogovens.