RIB24.067 Onderzoeksrapport omgang met joods vastgoed tijdens en na WOII
Tekst van het document
Of zij allemaal over voldoende innerlijke (veer)kracht beschikten om deze strijd aan te gaan, is zeer de vraag.
17
2
Beheer van niet verkochte percelen
Tot slot nog iets over percelen die niet verkocht zijn. Eén ding is zeker: we weten dat eigenaren ook dan hun pand niet meer konden gebruiken. Bovendien waren de eigenaren op een gegeven moment gedeporteerd of ondergedoken. De beheerder had alle rechten van de echte eigenaar overgenomen. Hoe werd na de oorlog gecompenseerd dat de eigenaren geen huren ontvingen of andere saldi? Waar bleven die huren? Hoe werd gecompenseerd dat ze niet meer in het pand konden wonen? En hoe zit het daar met de achterstalligheid? Als de vaste lasten door de ANBO werden betaald, dan waren er geen schulden na de oorlog. Of werd dat na de oorlog weer verrekend? We weten het niet want er zijn geen rechtsherstel akten van de niet-verkochte percelen. Met andere woorden: er zijn geen schikkingen getroffen over niet-verkochte percelen. Hoe zat het dan met de verrekening van baten en lasten? We zullen in een volgend hoofdstuk zien dat bij Waterigeweg 31, dat niet verkocht werd, er wel gelden ontvangen werden door de ANBO. Ook de kwestie rond achterstallige erfpachtcanon in Den Haag van David Simons die Robin te Slaa beschreef betrof een nietverkocht perceel. Net als bij de geheven straatbelasting in Den Haag waar het uitsluitend om percelen ging die onder beheer hadden gestaan.
Dat is logisch want dat zijn de gevallen waarbij de oorspronkelijke joodse eigenaar in het kadaster bleef staan als eigenaar, ook al had hij niets meer te zeggen over zijn huis. In deze gevallen werd de joodse eigenaar wel aangeslagen. In Groningen merken de onderzoekers op dat het waarschijnlijk was dat beheerders lokale belastingen en erfpachtcanon wel betaalden42. Deze vragen gelden overigens ook voor percelen die wél verkocht zijn maar dan voor de periode dat ze in beheer waren en nog niet verkocht. De meeste percelen werden pas in de loop van 1942 en 1943 verkocht en stonden tot die tijd waarschijnlijk onder beheer van de NGV of ANBO. Wat gebeurde er met vaste lasten en inkomsten over die beheerperiode? Waar bleven de huren die toen geïnd waren? Het is niet duidelijk hoe we deze vragen omtrent beheer moeten onderzoeken.
Joods vastgoed in Zeist
Joodse panden werden dus vanaf september 1941 in beheer genomen en vaak, maar niet altijd, verkocht. Dit onderzoek heeft gekeken naar alle percelen van joodse eigenaren in de gemeente Zeist die in de oorlog verkocht zijn of in beheer genomen. De belangrijkste bron daarvoor zijn de al genoemde Verkaufsbücher. In de Verkaufsbücher staan zeventien joodse percelen die in Zeist verkocht en/of in beheer genomen zijn43. In de lijst met eigenaren staan namen van joodse Zeistenaren zoals de arts Salomon Bendien, Henri Zondervan en Adolf Simon Enthoven. Ook valt de naam op van een inwoner die meer vastgoed bezat en dus zwaar getroffen werd: Jeremias Mesritz. Er is een uiteenlopend beeld onder historici van wanneer de panden het meeste aftrek vonden. Voor Zeist is duidelijk dat de verkoop eind 1942 goed op gang kwam. Bijna alle panden in de Bücher verwisselden tussen december 1942 en april 1943 van eigenaar44. Daarmee was een bedrag gemoeid van ƒ 154.400,-, nu zo’n € 1.081.380. In een tabel die het kadaster in 2018 maakte op basis van de Verkaufsbücher worden de prijzen van joods vastgoed in verschillende steden vergeleken met elkaar en met het prijsniveau van 2018. De tabel stelt: “Gemiddeld werden woningen verkocht (omgerekend naar het hedendaagse prijspeil) voor 35-40% van de WOZ-waarde”. Zeist staat niet in de tabel maar Amersfoort en Utrecht wel. In deze plaatsen was dat resp.
34 % en 39 % op basis van de WOZ-waarde van januari 2018. Dus Amersfoort en Utrecht zaten rond het landelijk gemiddelde. We mogen aan nemen dat dat ook voor Zeist gold45.
18
Betrokkenheid van de gemeente Zeist
Bij de roof van vastgoed hadden de gemeenten geen betrokkenheid. Het was een landelijke operatie, gecoördineerd vanuit Den Haag, met medewerking van lokale privépersonen en makelaars. Het ging allemaal buiten de gemeente om, behalve wanneer de gemeente koper was. Het is duidelijk dat de gemeente Zeist zelf geen joods vastgoed aankocht. In de standaard bronnen hierover is niets terug te vinden van aankopen door de gemeente. De gemeente Zeist komt niet voor in de Verkaufsbücher. Dat is niet raar trouwens, volgens Pointer staan er 224 of 218 gemeenten in de Verkaufsbücher waar joods vastgoed werd verkocht en daaronder 25 gemeenten die zelf vastgoed aankochten. Zeist zit daar dus niet bij46. Ook uit andere bronnen bleek geen aankoop. Er zijn geen akten in het gemeentearchief Zeist van aankopen van joods vastgoed. Er zijn ook geen dossiers van rechtsherstel aangetroffen in het gemeentearchief. Ook in indexen op de notulen uit de oorlogsjaren is niets gevonden, net als op de lijst met ‘gewone’ aankopen van vastgoed door de gemeente47.
Oorlogskopers
Het joodse vastgoed in Zeist werd dus niet aan de gemeente Zeist verkocht maar aan privé personen. We zullen ze in het vervolg oorlogskopers noemen. De Verkaufsbücher bevatten zeventien adressen die verkocht zouden zijn. Bij nader inzien blijkt van een dubbel perceel dat de verkoop niet doorging. Dat was de Baarnseweg 6-6a in Bosch en Duin, een groot en monumentaal pand van Adolf Simon Enthoven. Het pand zou aan ‘Staatsbedrijf PTT’ verkocht worden. De gegevens achter dit adres in de Bücher zijn niet volledig, niet alle kolommen zijn ingevuld, wat er vaak op duidt dat een verkoop toch niet is doorgegaan. Het kadaster bevestigt dat: het perceel bleef tot 1948 in de handen van de familie Enthoven48. Zo houden we vijftien verkochte percelen over. En dan zijn er nog vier percelen in joods bezit die niet in de Bücher staan: Waterigeweg 31 van Joseph Bannet, landgoed De Breul van het echtpaar May-Fuld (Driebergseweg 15), Oud Zandbergen van Robert May (Amersfoortseweg 18) en een herstellingsoord voor joodse kinderen dat Bethesda heette. Deze percelen zijn in de oorlog niet verkocht en vallen zo buiten het bestek van dit onderzoek. Op Waterigeweg 31 zal ik nog terugkomen49. Met medewerking van de begeleidingscommissie zijn nog een flink aantal andere adressen onderzocht op de vraag of ze joods bezit waren.
Daaronder bevonden zich bijvoorbeeld adressen die in het boek Dan komen angst en wanhoop aangeslopen worden genoemd. Ook zijn er ledenlijsten van de joodse gemeente Utrecht bekeken op adressen van joden die in Zeist woonden. In de administratie 1940-1942 van de NIGU, de Nederlands Israëlitische Gemeente van Utrecht, zijn elf inwoners van Zeist aangetroffen50. Al deze adressen bleken geen joods bezit te zijn. We komen zo dus op 21 percelen in joods bezit waarvan vijftien verkocht. Alle onderzochte adressen staan in de bijlage. Hier zal ik volstaan met een paar voorbeelden. Ik kijk daarbij ook naar het rechtsherstel over deze panden.
Een handelaar in joods vastgoed
Als je naar de namen van de oorlogskopers kijkt valt direct een naam op: Gerrit van de Blankevoort. Deze man kocht drie joodse panden in Zeist, namelijk Prof. Lorentzlaan 119, Vijverlaan 16 en Platolaan 34. Al deze panden verkocht hij weer door met winst. Hij handelde dus in deze panden. Zelf woonde Van de Blankevoort aan de Acacialaan 18, dat sinds 1941 zijn bezit was. Daar had het joodse gezin Cahen gewoond. Kennelijk ging hij in het pand wonen na het gedwongen vertrek van het gezin
19
2
Cahen. Van de Blankevoort was duidelijk wat je toen een ‘foute’ Nederlander noemde. Hij werd na de oorlog schuldig bevonden aan collaboratie wegens lidmaatschap van de Germaanse SS, de NSB en diverse andere nationaalsocialistische organisaties en het met winst doorverkopen van de drie joodse panden in Zeist. Ook was hij verantwoordelijk voor de liquidatie van een joods bedrijf in Zwolle met medenemen van ƒ 155.000. Hij had een deel van dat geld in Oostenrijk geparkeerd. Hij werd voor dat alles in 1947 veroordeeld maar er werd geen straf opgelegd want hij was in dat jaar overleden51. Over al het joodse vastgoed dat Van de Blankevoort gekocht en verhandeld had moest rechtsherstel plaatsvinden. De akte van rechtsherstel over Prof. Lorentzlaan 119 geeft gelijk een mooi beeld van hoe dat in zijn werk ging. Er waren drie verschillende oorlogskopers geweest. En de joodse eigenaar Jeremias Mesritz was in 1946 overleden. Erfgenamen waren zijn vrouw en dochter. De akte is uit 1948 toen de eerste oorlogskoper, Van de Blankevoort, al was overleden.
In de akte werd van alles verrekend zodat twee pagina’s gevuld werden met een lange rekensom: de aankoop kosten van de oorlogskopers, de winst die Van de Blankevoort had gemaakt bij doorverkoop, de gederfde huur voor Mesritz, de belastingen (grond- en wegbelasting) die door de oorlogskopers waren betaald, de kosten van het rechtsherstel en de kosten voor de akte zelf. Dit werd allemaal verrekend tussen de betrokken partijen, met als doel om terug te gaan naar de situatie van voor de roof en die situatie financieel te herstellen. Alsof de verkoop nooit had plaatsgevonden. Dit was het standaard uitgangspunt bij het opstellen van de aktes.
De pagina’s in de minnelijke schikking Prof. Lorentzlaan 119 waarin alles verrekend wordt
20
Twee zaken zijn opmerkelijk aan het rechtsherstel over dit pand: partij Mesritz had recht op een bedrag van Van de Blankevoort maar die kon niet betalen dus dat werd een vordering. Uit de akte blijkt tevens dat een aantal reparatiewerkzaamheden zijn doorberekend aan de erven Mesritz en reparaties aan de CV en het maken van een zinkput. In totaal een bedrag van ƒ 373,75. Het blijft opvallend dat dit soort aanpassingen, die buiten medeweten en toestemming van de eigenaar waren gedaan, doorberekend werden aan slachtoffers52. Het tweede adres was Vijverlaan 16, bezit van David Lion Zendijk uit Deventer. Hij was echtgenoot van Judith de Wolff die het huis van haar vader had geërfd, Jacob de Wolff uit Zeist. Jacob was in 1946 overleden. Van de Blankevoort had het pand op de dag van verkoop, 15 april 1943, meteen door verkocht aan Willem van der Graaf die in Huis ter Heide woonde. Van de Blankevoort had daarbij een winst van 1500 gulden gemaakt. De akte van rechtsherstel bevat niets opvallends, behalve dat de winst van 1500 gulden van Van de Blankevoort niet verrekend werd. Het lijkt erop dat zijn erfgenamen die winst konden behouden53. Ook het pand aan de Platolaan 34 had Van de Blankevoort doorverkocht aan Hilda Ring, tot 1947 echtgenote van Carl Hombeck. De joodse eigenaar was Henri Zondervan geweest. Hij was in Auschwitz vermoord.
Blijkens een verklaring van de zoon van Zondervan in een proces-verbaal uit 1945 werd de woning ook leeggehaald in 1942, gedeeltelijk door de Duitse instanties en gedeeltelijk door de niet-joodse huishoudster mevrouw Walenkamp die in het huis was achtergebleven. Zij was voor de oorlogsverkoop verhuisd54. De akte van rechtsherstel heeft een opmerkelijke regeling wegens het feit dat Van de Blankevoort niet meer leefde en kennelijk berooid was gestorven: omdat Van de Blankevoort alleen maar schulden had nagelaten en men zijn erfgenamen niet wilde belasten werden de baten à ƒ 448,29 die Van de Blankevoort uit het huis had gehaald niet verrekend met de joodse erfgenamen. Dat bedrag liepen ze dus mis. In de akte staat het zo omschreven: “In verband met de beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap van de Heer G. v.d. Blankevoort, welke aanzienlijk meer schulden dan baten omvat, ten gevolge waarvan (..) niets ter tafel kan worden gebracht, zijn partijen overeengekomen, dat de erfgenamen van de Heer G. v.d. Blankevoort niet zullen worden betrokken in de financiële regeling van het onderhavige rechtsherstel”. Wel moest Hilda Ring nog achterstallig onderhoud betalen à 2000 gulden dat getaxeerd was op ƒ 3205,-. De erfgenamen van Zondervan hielden een vordering op de ANBO/NGV over de beheers periode voor de verkoop.
Daarnaast moesten de erven Zondervan de hypotheek aflossen à ƒ 5700,plus rente van ƒ 1372,- omdat die in de oorlog was afgelost. Anders zouden zij het huis vrij van hypotheek terug krijgen. Daarnaast werden er wel baten en lasten met de tweede oorlogskoper Hilda Ring verrekend. De erven Zondervan ontvingen ƒ 3289,35. Tot zover de panden die Van de Blankevoort had gekocht55. Dat rechtsherstel niet altijd teruggave betekende zien we bij een ander pand van Mesritz. Veldheimlaan 35 was in de oorlog ook verkocht, aan Gerardus Neesen. Hij woonde er sinds 1938 als huurder en bleef er wonen tot 1952 toen hij overleed. Uit de akte blijkt dat hij het pand mocht behouden, maar er vond wel rechtsherstel plaats. De erven Mesritz accepteerden een onaantrekkelijke regeling, het is onduidelijk waarom en welke onderhandelingen hieraan ten grondslag lagen. Ze kregen het huis niet terug en er vond ook geen verrekening van baten en lasten plaats. In de akte staat het zo: “Verrekening van de door de comparant sub 2 (oorlogskoper Neesen-MJV) betaalde vaste lasten, zoals grond- en straatlasten en dergelijke, assurantiepenningen en onderhoudskosten zal niet plaatsvinden, evenmin voorzoveel betreft het door hem genoten huurgenot56”.
21
2
Dus de erven kregen geen inkomsten over de tijd dat het huis hun onrechtmatig was ontnomen. In plaats daarvan hielden zij de onzekere vordering op de NGV over waar de koopsom terecht was gekomen. Die zou uiteindelijk voor ca. 75 % uitgekeerd worden maar dat was toen nog onbekend. Bovendien moesten zij ook nog meebetalen aan de kosten voor het rechtsherstel en het opmaken van de akte, kosten die normaliter door de oorlogskopers moesten worden betaald. Op papier een magere regeling dus voor de erven Mesritz57.
Rijksduitser Wilhelm Lange
Een tweede opvallende oorlogskoper was Hermann Wilhelm Ferdinand Gottlob Lange. Opvallend omdat hij twee panden in Zeist kocht, en opvallend omdat hij een bekend café in Utrecht exploiteerde. Dat was café de Stadtschänke aan de Oudegracht 195 waar Nederlandse en Duitse nazi’s kwamen, onder andere WA mannen van de NSB. Hij was rijksduitser, een Duitser die al langere tijd in Nederland woonde. Lange kocht de panden Dolderseweg 44 in Den Dolder en Dennenweg 16 in Bosch en Duin en verhuurde de panden vervolgens. Na de oorlog werd hij onder beheer gesteld van het Nederlands Beheersinstituut. Hij heeft maar liefst drie beheersdossiers want hij had veel bezit. Lange zelf was geïnterneerd na de oorlog. Hij was lid van de NSDAP geweest, van het Deutsche Arbeitsfront en de Nationalsozialistische Volkswohlfahrt (NSV). Hij had geld naar Duitsland weggesluisd en daarom was het rechtsherstel over de Dolderseweg een uitzonderlijke regeling. Er viel niets bij hem te halen, alleen de vordering op de NGV aan wie hij de koopsom voor de Dolderseweg had betaald. Maar Lange moest wel een exploitatiesaldo à ƒ 1165,11 en de kosten voor rechtsherstel à ƒ 229,- afdragen en dat geld was er niet. Die schuld had hij in het kader van het rechtsherstel aan Frederika Boasson. Zij was eigenares van het pand, woonde in Amsterdam en had de oorlog overleefd.
Om er zeker van te zijn dat zij haar geld zou krijgen werd een Trustkantoor gemachtigd om de belangen van Boasson te waarborgen. Het Trustkantoor beheerde de claim die Lange op de NGV had zodat bij uitkering eerst de schuld aan mevrouw Boasson betaald zou worden. Daarna werd de vordering weer aan het NBI overgedragen. Uit een akte van retro-cessie van 6 maart 1953 blijkt dat de vordering op de NGV toen aan Lange werd overgedragen door het Trustkantoor en dat Boasson het bedrag had ontvangen58. Het rechtsherstel over het andere pand aan de Dennenweg was op min of meer dezelfde manier geregeld. Dat pand was van Adolf Simon Enthoven geweest die net voor de oorlog was overleden. En omdat zijn vrouw net na de oorlog was overleden waren hun vier kinderen erfgenaam. Lange moest een exploitatiesaldo à ƒ 612,78 en de kosten voor rechtsherstel (f 126,37 plus ƒ 27,25) afdragen. Dat zou betaald moeten worden uit de vordering op de NGV omdat Lange niet kon betalen. Het bedrag werd uiteindelijk inderdaad afgeschreven zo blijkt uit Lange’s betalingsstrookjes in zijn beheersdossiers. Dat was in 1955. De rest van de vordering op de NGV was voor Lange.
Willem de Zwijgerlaan 21
Dit perceel was van Jacob Wallage uit Heemstede. Hij overleefde de oorlog. We komen zijn naam verderop nog een keer tegen. De NGV verkocht het pand aan Harm Martens uit Den Haag. Hij verkocht het een jaar later, februari 1944, weer door aan Heinz Havemann. Deze beide oorlogskopers hadden kosten en baten gehad aan het pand maar die waren kennelijk niet bijgehouden: “Tijdens haar bezit zijn door partij Martens en door partij Havemann huren ontvangen en zakelijke lasten, onderhoudskosten en andere uitgaven betaald, van welke ontvangsten en uitgaven de exploitatiesaldi wegens het ontbreken van gegevens niet zijn vast te stellen”. Dat probleem werd door onderhandelingen opgelost: “verrekening van het door partijen Martens Havemann genoten exploitatie-saldo (...) zal
22
2
niet plaatsvinden, waartegenover partij Wallagen niet behoeft te vergoeden rente van haar, bij de verkoop van het onroerende goed afgeloste hypothecaire schuld”. Zo werden dus twee posten tegen elkaar weggestreept, ook al is het onduidelijk of deze bedragen enigszins overeen kwamen. De oorlogskopers betaalden de kosten van rechtsherstel. De tweede koper, Havemann, kreeg een vordering op Martens wegens de gemaakte winst van de eerste koper.
Een oorlogskoper met schulden
Emanuel Koetser kwamen we al eerder tegen als lid van het Comité voor hulp aan joodse vluchte lingen. Hij woonde voor de oorlog aan de Veldheimlaan 37. Dat pand was zijn bezit. In de oorlog woonde hij, tot aan zijn deportatie, in Utrecht. Hij werd met zijn vrouw Rosa Koetser-Eiser in Sobibor vermoord. In hetzelfde jaar 1943 werd zijn huis in Zeist verkocht door de NGV. Koper was Anthonius Marinus Zorn, bontwerker, Slotlaan 101. Hij werd na de oorlog veroordeeld voor collaboratie en een NSB-lidmaatschap. Zorn verhuurde het huis of nam de huurders van Koetser over. De bewindvoerder van Koetser na de oorlog was zijn zoon, Theodoor Jacob Koetser. Over het verkochte huis moest rechtsherstel plaatsvinden. Dat gebeurde ook. De zoon van Koetser vroeg het direct aan. Hij schreef al in juni 1945 een briefkaart aan de Binnenlandse Strijdkrachten in Zeist. Ik citeer omdat de kaart zo kernachtig het hele verhaal toont: “Nu ik benoemd ben door het M.G. tot beheerder van het vermogen van mijn vader maak ik U erop attent dat het huis: Veldheimlaan 37, het eigendom is van mijn vader, E. Koetser (Jood) woonplaats onbekend (Polen). De N.S.B.‘er Zorn uit de Slotlaan heeft dit huis zonder recht of acte gekocht en er 2 jaar de huur van opgestreken. (…) en maak ik u er alvast op attent dat dit huis weer in onze handen terugkomt en de huur door Zorn moet worden terug betaald59”.
Waarom het rechtsherstel uiteindelijk pas in 1950 plaatsvond is onduidelijk. De akte is vrij standaard en bevat een voor het rechtsherstel typerende afspraak, net als bij oorlogskoper Lange. Zorn moest inderdaad de gederfde huur terugbetalen maar kon dat bedrag, samen met de kosten voor rechtsherstel was dat ƒ 745,50, niet betalen. Dat betekende dat hij een schuld had aan de erven Koetser. En dat betekende weer dat de erven de vordering op de NGV kregen zolang Zorn niet betaald had. Die vordering ging normaliter naar de oorlogskoper omdat die zijn koopsom kwijt was nadat een huis was teruggeven. Nu bleef de vordering dus bij de joodse eigenaar. Maar wel met dien verstande dat mocht de vordering hoger uitvallen dan de schuld van Zorn à ƒ 745,50, dan was de rest weer voor Zorn. Dat is de typische trek van het rechtsherstel dat de slachtoffers niet verrijkt mochten worden door het rechtsherstel60.
Graaf Janlaan: geen minnelijke schikking
Als laatste verkochte perceel ga ik in op de Graaf Janlaan. Dat was een casus waarin de oorlogskopers dwars lagen bij de teruggave waardoor het rechtsherstel veel tijd in beslag nam. Het ging om een bouwterrein, in het bezit van Jozef Nathan Engelsman uit Utrecht. Hij had de oorlog in onderduik overleefd. Hij had het sinds juli 1941 in bezit, dus net voor VO 154/41 die over het joodse vastgoed ging. De ANBO verkocht het perceel in februari 1943. Koper was kandidaat-notaris Arie Houbolt uit Utrecht. Deze verkocht de helft van het perceel op dezelfde dag door aan Dirk Jacques de Muinck. Hij woonde Waterigeweg 48. De andere helft was door de Houbolt direct verkocht aan een tweede oorlogskoper, Dirk Jacobus Duiker. Die had het in 1947 met winst opnieuw doorverkocht aan Jan Willem Tjeerd de Vries61. Engelsman was te laat geweest met aanvragen van rechtsherstel (de termijn sloot 1 juli 1948) omdat hij niet wist dat het perceel niet meer op zijn naam stond. De Raad voor het Rechtsherstel vond het
23
billijk om het rechtsherstel alsnog in gang te zetten in 1950 omdat Engelsman kon aantonen dat hij het echt niet wist. Dus toen begon de procedure pas. De oorlogskopers waren not amused. De eerste helft van het perceel stond op naam van Eva Maria Nieuwland, de weduwe van de Muinck die inmiddels was overleden. De weduwe Muinck blokkeerde teruggave die in een concept minnelijke regeling was vastgelegd en toonde weinig empathie met de oorspronkelijke eigenaar. In een brief stelt zij: “Allereerst wil ik op den voorgrond stellen, dat ik er absoluut van overtuigd ben, dat wijlen mijn echtgenoot, de heer D.J. de Muinck, bij de aankoop van dit perceel volkomen te goeder trouw gehandeld heeft en dat het hem ten enenmale onbekend was, dat hier van Joods onroerend goed sprake was. Op grond hiervan acht ik het dan ook volkomen onbillijk dat ik, als erfgenaam van mijn echtgenoot, alleen schade zou moeten dragen bij rechtsherstel. Ik memoreer hierbij, dat bovendien nog sprake zou zijn van vrijwillig op mij genomen schade, aangezien de termijn voor indiening van het verzoek tot rechtsherstel reeds lang is verstreken62”. Vervolgens stelde zij voor dat Engelsman het perceel van haar terugkocht en de onzekere vordering op de NGV van haar overnam waaraan de koopsom was betaald.
Het rechtsherstel ging er juist van uit dat een perceel teruggegeven werd aan de oorspronkelijke eigenaar en juist de oorlogskoper met die vordering op de NGV bleef zitten. De partijen kwamen er niet uit want de advocaat van Engelsman vond het voorstel van Nieuwland niet acceptabel. Ruim een jaar later schreef de gedelegeerde aan hem: “Ten gevolge van de bespreking van 28 augustus j.l. deel ik U mede, dat blijkens haar schrijven dd.3 dezer mevrouw de Muinck-Nieuwland de voorstellen niet acceptabel acht en ook niet enig tegenvoorstel wenst te doen. Deze zaak dient dus thans door mij aan de Afdeling Onroerende Goederen te worden voorgelegd voor eventuele gebruikmaking van haar bevoegdheid om een regeling te maken63”. Ze kwamen er dus niet uit en de Afdeling Onroerende Goederen zou een regeling gaan opleggen. Die regeling kwam er: het perceel bleef bij de weduwe de Muinck-Nieuwland en de erven Engelsman (hij was in 1953 overleden) ontvingen ƒ 4350,- voor het grondstuk inclusief schade vergoeding voor de misgelopen waardevermeerdering plus de kosten voor rechtsherstel en juridische bijstand. Ook vond er verrekening plaats tussen de twee oorlogskopers Houbolt en de Muinck-Nieuwland64. Ook de beide kopers van de andere helft beriepen zich op goede trouw.
In een hoorzitting over de tweede helft van het perceel in 1953 staat de verklaring van de Vries geparafraseerd: “Weet van de Joodse afkomst van het terrein niets af. Kwam uit Indonesië als leek op dit gebied (..). Eerst later hoorde hij van de moeilijkheden. Weigert pertinent om het terrein af te staan aan de familie Engelsman”. En zo ook de verklaring van de echtgenote van Duiker. Duiker was zelf niet aanwezig: “Ontkent ten sterkste, dat zij of haar man wisten of zelfs maar vermoedden, dat het een joods perceel was. Eerst hadden zij een perceel gekocht aan de Dolderseweg, maar bij bezichtiging beviel dit niet, en toen kwam makelaar van Hulsen met het terrein aan de Graaf Janlaan. Dit beviel veel beter en zij kochten volkomen te goeder trouw”. De gedelegeerde van de Raad voor het Rechtsherstel, die dit verslag maakte, voegde daaraan toe: “Dezerzijds erop gewezen, dat het zeer onvoorzichtig was, zonder nader onderzoek naar de afkomst van het terrein, te koopen. Het feit dat Houbolt dadelijk aan hem doorverkocht, moest hen tot argwaan stemmen in die tijd (1943)65”. Deze argumentatie vat kernachtig samen wat het probleem was bij het rechtsherstel: de kopers konden zich op goede trouw beroepen. En als zij dit deden, kostte het altijd tijd, ook als ze uiteindelijk geen gelijk kregen. Deze oorlogskopers beriepen zich daarop.
Uiteindelijk erkende de Raad dat niet maar het zorgde wel voor vertraging. De gedelegeerde vat hierboven ook samen waarom die goede trouw vaak niet erkend werd door de Raad: iedereen die onderzoek had gedaan had kunnen weten dat een perceel joods bezit was geweest, gezien de omstandigheden – de oorlog en de Jodenvervolging – waarin hij een perceel kocht en gezien de openbare informatie in het kadaster.
24
2
Een pagina uit het geschillendossier waarin doorverkopen en bedragen worden genoemd
Er is geen officieel document met een regeling aangetroffen in het dossier maar in het kadaster is de akte uit 1953 wel bewaard gebleven. Het perceel bleef bij de oorlogskoper de Vries en Duiker/Houbolt en de NGV betaalden samen 2100 gulden aan Engelsman als schadevergoeding voor de waardevermeerdering van het perceel. Ook moesten zij de kosten van het rechtsherstel betalen. Daarnaast kreeg Engelsman een vordering van ƒ 3000- op de NGV. Daarmee had Engelsman de marktwaarde van 1947, een bedrag van ƒ 4350, vergoed gekregen66.
Hypotheken
De NGV roofde ook joodse hypotheken. Het ging dan om joden die als privé persoon leningen hadden uitstaan met vastgoed als onderpand. De NGV nam de rol van schuldeiser over en liet de hypotheken met rente uitbetalen of inde de rente. De joodse schuldeiser raakt zo zijn geld kwijt en de schuldenaar loste dus af aan een andere partij. De roof van hypotheken valt strikt genomen buiten dit onderzoek maar omdat ik in Zeist zes gevallen tegenkwam noem ik toch twee voorbeelden. De joodse Jacob Spinoza Catella Jessurun uit Arnhem had in 1936 ƒ 9000 geleend aan Remmet van Heijst, Nachtegaalstraat 82 bis Utrecht, later Utrechtseweg 48, Zeist. Het onderpand waren de panden Kersbergenplein 7C en D in Zeist. Catella had de oorlog overleefd maar van Heijst had de hypotheek in de oorlog afbetaald aan de ANBO. Dat geld wilde Catella natuurlijk terugzien. Cattela en van Heijst kwamen er niet uit en daarom deed de rechter uitspraak. Deze ging niet in de eis van Catella mee omdat de schuldenaar geen keus had gehad. Dat betekende dat Spinoza Catella zijn geld dus niet kreeg want de hypotheek werd als afgelost beschouwd. Hoe Catella gecompenseerd werd is onduidelijk maar waarschijnlijk hield Catella een vordering op de NGV over. Ook moest hij
25
de proceskosten betalen. Dit was conform artikel 33 van rechtsbesluit E100 maar zal voor Catella als onrechtvaardig hebben gevoeld. Hij kreeg immers zijn lening niet terugbetaald, zonder dat hij daar iets aan kon doen67. In een tweede gelijksoortige zaak kreeg de joodse schuldeiser wel gelijk. Jacob Wallage uit Heemstede had verschillende hypotheken uitstaan in Zeist en was, zoals we zagen, ook de bezitter van Willem de Zwijgerlaan 21. Hij had de oorlog overleefd. Hier gaat het om een lening van ƒ 5000 aan Herman France uit Zeist, uit oktober 1940. Onderpand was perceel Eerste Hoogeweg 10 in Zeist. Wallage wilde dat de aflossing die de schuldenaar aan de NGV had gedaan, ongedaan werd gemaakt. Dit werd ook een rechtszaak. De rechter gaf Wallage in dit geval gelijk omdat France willens en wetens en uit eigen initiatief aan de NGV had afgelost. Hij was niet aangemaand door de NGV zoals in het geval van Van Heijst. De hypotheek werd dus hersteld en de schuld aan Wallage bleef bestaan. France kreeg een vordering op de NGV en moest de kosten van het proces en het herstel van de hypotheek betalen68.
Afsluitend
Wat kunnen we uit deze gevallen opmaken? Aan de ene kant is het duidelijk: over al het geroofde vastgoed in Zeist heeft rechtsherstel plaatsgevonden. Sommige percelen bleven bij de oorlogskoper maar ook dan was er een regeling getroffen. Naar de maatstaven van die tijd werd het rechtsherstel dus volledig afgerond en zijn er geen percelen vergeten. Aan de andere kant valt op hoeveel verschillen er in de regelingen zitten, terwijl het juist zo’n gestandaardiseerd proces zou moeten zijn. Zelfs bij oorlogskoper Lange, die geen geld had, zijn er twee verschillende oplossingen: bij De Dolderseweg was een trustkantoor nodig, bij de Dennenweg moest de eigenaar ook wachten op de vordering van de NGV maar was zo’n trustkantoor kennelijk niet nodig. Ook de regelingen over het vastgoed dat Van de Blankevoort had gekocht zijn erg verschillend van elkaar. Bij de Vijverlaan werd de winst die Van de Blankevoort had gemaakt niet verrekend tussen de verschillende kopers maar bij de Lorentzlaan wel. Bij Platolaan 34 bleven de erfgenamen expliciet buiten de regeling, bij het andere pand Lorentzlaan 119, niet. Bij de Graaf Janlaan werd de winst bij doorverkoop wel verrekend met de oorspronkelijke eigenaar omdat die het perceel niet terugkreeg.
Daarnaast valt op hoe bepaalde regelingen toch erg onaantrekkelijke lijken voor de gedepossedeerden, zoals de roof van de hypotheek van Catella of het rechtsherstel over het huis van Mesritz aan de Veldheimlaan 35. En bij het rechtsherstel over het huis van Wallage aan de Willem de Zwijgerlaan is niet duidelijk of dat een redelijke regeling was of niet. De rechtsherstel regelingen in Zeist geven dus een divers beeld en lopen relatief veel uiteen69.
2 Registratie
Inleiding
Een kenmerkende vraag vanuit de bezetter geredeneerd was de vraag: wie zijn er precies joods? Alvorens tot uitsluiting, roof en deportatie werd overgegaan moest eerst worden vastgesteld wie precies onder al die anti-joodse maatregelen zouden vallen. In Nederland speelde dit onder andere in januari 1941. Met VO 6 van 10 januari 1941 moesten alle joodse Nederlanders zich laten registeren. De gang van zaken wordt minutieus beschreven in het proefschrift van Rob Bakker en ook de rol die de gemeenteambtenaren daarin speelden70. 26
De registratie van de joden was in eerste instantie een taak van de burgemeesters en daarmee van de gemeenten. Joodse inwoners, ofwel iedereen met ten minste één joodse grootouder, moesten registratieformulieren invullen en inleveren bij de gemeente. Tegen betaling van een gulden kregen ze dan een geel kaartje waarmee ze later hun persoonsbewijs konden afhalen. Joden leverden de ingevulde aanmeldingsformulieren in bij de gemeenten. De gemeenten werkten de gemeentelijke administratie bij met gegevens over de joodse achtergrond, en voegden z.g. edelruiters, een zwart klemmetje, op de persoonskaarten met een J toe. Ook werd er vaak een lijst met aangemelde joden opgemaakt omdat Sipo of SD daar om vroeg. Dat gebeurde ook in Zeist zoals we zullen zien. Vervolgens stuurde de gemeente de aanmeldingsformulieren naar Den Haag, naar de Rijksinspectie van de bevolkingsregisters waar Jacob Lentz de scepter zwaaide als rijksinspecteur71. De rijksinspectie sloeg de formulieren op. De bekende Duitse jurist Calmeyer moest de twijfelgevallen beoordelen, iets wat een grote vlucht nam toen het gevaar van registratie duidelijk was geworden. Volgens Bakker negeerden gemeenteambtenaren met de aparte registratie van joden de Aanwijzingen uit 1937 en de verplichtingen om de bevolking voor te lichten want dit was een verkapte anti-joodse maatregel en joden werden zo administratief apart gezet.
Continuïteit van bestuur was voor de ambtenaren doorslaggevend aldus Bakker. In maart 1942 vroeg de Rijksinspectie aan de gemeenten om nog een keer te controleren of er geen joden door de registratie heen geglipt waren. Aan de vooravond van de deportaties leverden de gemeenten opnieuw lijsten aan met joodse inwoners72.
Zeist
In het gemeentearchief van Zeist is niet veel over de registratie van joodse inwoners te vinden. Wel is duidelijk dat burgemeester Visser op 8 februari 1941 de registratieplicht bekend maakte, terwijl de VO al op 10 januari was gepubliceerd door Seyss-Inquart. Van der Vorst en bij ’t Vuur halen een krantenbericht uit de Zeister Courant aan waarin de burgemeester de bepalingen benoemde. Visser volgde daarbij de tekst van de verordening en vermeldde ook de strafbepalingen uit de VO wat niet alle burgemeesters deden. Formulieren waren op te halen in kamer acht van de gemeentesecretarie. De joden betaalden leges voor hun eigen aanmelding, een gulden per ingeleverd formulier73. De lijsten van deze aanmelding zijn niet bewaard gebleven in Zeist maar er zijn wel lijsten bij Het Utrechts Archief. Voor de Sipo werd namelijk een aparte lijst gemaakt van joodse Zeistenaren. De gemeente maakte die op verzoek van de Commissaris van de Provincie die dat weer namens de Beauftragte van de provincie vroeg. Op die lijst stonden 229 namen inclusief joden die in instellingen verbleven. Het gaat hier alleen om ‘voljoden’, dus mensen met drie joodse grootouders. De lijst is van 23 juni 194174.
De Statistiek der bevolking van joodschen bloede in Nederland, die in 1942 werd opgesteld op basis van de registratie van joden in 1941, telde 284 joodse inwoners van Zeist per 1 oktober 1941 op een bevolking van 34.790. Pierre Rhoen kwam in zijn publicatie, op basis van de verschillende lijsten en het bevolkingsregister, op 322 namen75.
Instellingen
In een latere fase van de Jodenvervolging speelde de gemeente nog een administratieve rol en wel bij het maken van lijsten van joden in ziekenhuizen en inrichtingen. Rond de jaarwisseling van 1942-1943, toen de deportaties een half jaar bezig waren, gingen de Duitsers zich richten op instel lingen. Het leeghalen van joodse instellingen was een relatief makkelijke manier om aan mensen te komen die gedeporteerd konden worden en zo de quota te halen die Berlijn oplegde.
27
2
Bob Moore schrijft daarover in zijn boek over de Jodenvervolging in Nederland: “Begin 1943 werden joodse ziekenhuizen, weeshuizen en sanatoria het doelwit. De Duitsers hadden de gegevens ontvangen voor eind december 1942, waaruit bleek dat in ziekenhuizen door het hele land in totaal ongeveer achthonderd joodse patiënten werden verpleegd76”. De ontruiming van de joods-psychiatrische instelling het Apeldoornsche Bosch is daarvan het bekendste voorbeeld. Maar ook niet-joodse instellingen hadden joodse patiënten in huis. In Zeist was een aantal instellingen met joodse patiënten en bewoners. De lijst die de gemeente Zeist op 23 juni 1941 naar de provincie stuurde bevat aparte lijsten van de instellingen en de joden die daar verbleven. De volgende instellingen hadden in juni 1941 joodse bewoners: Veldheim, Rijksopvoedingsgesticht voor meisjes, De Willem Arntszhoeve en het Christelijk Sanatorium voor Zenuwlijders. De gemeente Zeist gaf in december 1942 opnieuw namen op van joden die in instellingen verbleven op verzoek van de Commissaris van de Provincie. De burgemeester leverde lijsten aan van patiënten van de Willem Arntszhoeve, het Christelijk Sanatorium, Veldheim, het Rijksopvoedingsgesticht en het ziekenhuis aan de Prof. Lorentzlaan. Op die lijsten stonden in totaal 49 namen77.
Samenvattend
De gemeente Zeist deed, net als de andere Nederlandse gemeenten, het voorwerk dat nodig was voor de anti-joodse maatregelen, de roof en de deportaties: het administratief apart vastleggen van de Zeister joden. Van deze registratie zou de bezetter gebruik maken.
3 Roerende goederen
Inleiding: roof van inboedels
De bezetter liet ook haar oog vallen op de huisraad van joodse Nederlanders. Rauter had in maart 1942 bevolen dat joden niet zonder toestemming meubels uit hun eigen woning mochten verwijderen. Dat was een opmaat tot de roof van meubels toen de deportaties eenmaal begonnen waren78. Nadat de joodse bewoners waren weggevoerd werd de inboedel geïnventariseerd. Vervolgens werd deze afgevoerd naar Duitsland. Betrokken instanties hierbij waren de Hausraterfassung, onderdeel van de SD/Zentralstelle Amsterdam die de inventarisaties opstelde. De Einsatzstab Rosenberg (ERR) haalde vervolgens de huizen leeg en daarbij was Nederlandse politie en (tot maart 1943) de Hausraterfassung aanwezig om te controleren of er niks gestolen was. Lokale ondernemingen of gemeenteambtenaren deden het praktische sleepwerk en tijdelijke opslag. De firma Puls in Amsterdam is het bekendst geworden omdat die in Amsterdam vele joodse woningen leeghaalde en de meubels opsloeg. In kleinere plaatsen werden ook verhuisbedrijven ingezet in opdracht van de gemeente en speelde de gemeentepolitie een rol bij het verzegelen van woningen, bewaren van sleutels en bij de inventarisaties. Dat bij dit hele proces gestolen werd is vanzelfsprekend.
Aalders schrijft daarover: “hoeveelheden en getallen zijn zelfs bij benadering niet bekend maar vast staat wel dat het personeel van de Hausraterfassung, de Liro, de ERR en Puls stalen als raven. Het was, kortom, een dievenbende binnen een roversbende die zich over het gestolene ontfermde79”. In totaal werden tenminste 29.000 woningen ontruimd door de ERR. De roofactie vond hoofdzakelijk plaats tussen juli 1942 en september 1943. De roof operatie had van de Duitsers de codenaam M-Aktion ofwel Möbelaktion gekregen80. 28
Roof van inboedels in Zeist
Het gemeentearchief van Zeist bevat weinig informatie over het ontruimen van joodse huizen. Slechts drie documenten verwijzen er direct naar en maken duidelijk dat de gemeentepolitie hierbij betrokken was. De Beauftragte van de Provincie, de vertegenwoordiger van Seyss-Inquart in de provincie, gaf via de Commissaris van de Provincie de burgemeesters opdracht om de woningen leeg te halen. Op 28 november 1942 stuurde de Commissaris van de provincie een circulaire rond naar de burgemeesters met de strekking: leeggekomen joodse woningen moesten onder politietoezicht komen, de sleutels ook, en de inboedels moesten worden opgeslagen, ook onder politie toezicht. De bezetter zou bepalen wat er met de woningen ging gebeuren: “Op uw loyale medewerking wordt gerekend. Het gaat hier over maatregelen welke bedoelen om ten behoeve van de bevolking over een zoo groot mogelijke woningruimte de beschikking te krijgen81”. Uit de reactie van de burgemeester van 1 december blijkt dat woningen die door joden verlaten waren opnieuw betrokken werden, omdat het betreffende huis gevorderd was of omdat er bewoners introkken wiens huis gevorderd was. Meubilair was verwijderd en was, na een tijdelijke opslag in het Slot, naar het hoofdkwartier van de Weermacht in Utrecht gestuurd.
Sleutels waren bij de politie ingeleverd na vertrek van de joodse inwoners en de Zeister politie had de lege woningen verzegeld. Er waren geen boedelinventarissen opgesteld door de gemeente en de gemeente was verder niet betrokken geweest: “Ten behoeve van deze ontruimingen van huizen en opberging van meubelen, werd van mij geene bemoeienis gevraagd. Alleen heeft de politie daarbij hulp geboden onder andere bij het verzegelen van huizen82”. Ook in een andere brief aan de Commissaris van de Provincie bevestigde de burgemeester dat de politie aanwezig was geweest bij het maken van de boedelinventarissen door de Hausraterfassung. Er werden geen adressen genoemd. Deze correspondentie verwijst dus naar een onbekend aantal joodse woningen dat toen al leeggehaald was, waarschijnlijk door de ERR zoals we hieronder zullen zien. De burgemeester schreef ook: “In voorkomende gevallen zou er in deze gemeente wel gelegenheid beschikbaar kunnen worden gesteld tot opberging en bewaking van inventarissen83”. Van dat aanbod werd kennelijk gebruik gemaakt want in februari leverde de gemeente Zeist wel een duidelijke lijst aan, wederom op verzoek van de Commissaris. De politiecommissaris stuurde een opgaaf aan de Beauftragte van ontruimde woningen. Op deze lijsten staan veertien adressen van joodse woningen die ontruimd zijn en één joodse inwoner aan wie ‘uitstel van ontruiming’ was verleend.
Dat was Platolaan 30 bewoond door H.J. Prüfer84. Wie de huizen op deze lijst leeghaalde is niet altijd duidelijk. Sommige adressen lijken door de Ordnungspolizei te zijn ontruimd in opdracht van de Sipo of de Zentralstelle (Steniaweg 12 en Acacialaan 18), anderen werden direct door de Sipo of de Zentralstelle leeggehaald (Traay 2 en Bergweg 66). In een geval had de Ortskommandantur in Zeist alles in beslag genomen. Dat was de inboedel van Regentesselaan 885. Op 22 april 1943 werd de oproep van 28 november nog eens herhaald door de Commissaris van de provincie Utrecht: “Ingevolge opdracht van de heer Beauftragte bij de Rijkscommissaris voor de provincie Utrecht verzoek ik u mij uiterlijk 27 april 1943 (..) te willen doen toekomen een opgaaf (...) van de naar elders vertrokken joden met een omschrijving -hoegrootheid- van de door hen achtergelaten woningen. Ik maak U er namens den Beauftragte voornoemd op attent dat de woningen door U verzegeld moeten worden en dat daarover op geen enkele wijze mag worden beschikt86”. Naar aanleiding van deze circulaire meldde de burgemeester van Zeist nog eens twee leeggekomen woningen. De familie Lauinger was naar Kamp Vught vertrokken en hun kamer in Vondellaan 1 was leeg maar nog wel gemeubileerd. Julius François Cahen was met zijn gezin naar Amsterdam vertrokken en hun woning Prof.
Lorentzlaan 62 was leeg en stond ook ter beschikking van de Beauftragte87.
29
2
Einsatzstab Rosenberg
Dat er meer dan de bovenstaande woningen zijn leeggehaald blijkt uit het archief van de Einsatzstab Rosenberg en de Hausraterfassung bij het NIOD. In het archief van de ERR zijn van 46 adressen inboedelbeschrijvingen uit de gemeente Zeist van de Hausraterfassung aanwezig. Als je inwonende mensen, kamerbewoners, meerekent werden 56 huishoudens getroffen door ontruiming. Het zijn allemaal beschrijvingen van inboedels uit augustus en september 1942. Het gaat om standaard formulieren met inventarissen die werden opgesteld ter voorbereiding van het leeghalen van de woningen. De meeste woningen zijn op 28 augustus en 24 september geïnventariseerd. Toen was er kennelijk een actie en waren verschillende mannen van de Hausraterfassung in Zeist, kort na de eerste deportaties dus88. In totaal waren, inclusief de inventarisaties eind september, 32 verschillende mannen aanwezig die de boedellijsten opstelden. Ze zijn ondertekend door medewerkers van de Hausraterfassung. Ook de bekende bokser en jodenjager Sam Olij staat er waarschijnlijk tussen, net als het latere lid van de Colonne Henneicke, Martinus Hinse. Vaak hadden de bewoners weinig bezittingen, bijvoorbeeld Maurits Hegt die inwoonde op de Siberiëweg 57. Op het formulier staat slechts: “Einwohnend. Hat nur Leibgut und Bücher. Abtransportiert am 19 Augustus 1942“.
Of bij James August Belinfante aan de Verlengde Slotlaan 152: „Nur Leibwäsche, Schuhe und Herrenkleidung. Gesch. Wert fl. 5,-89“. Maar er waren ook huizen met een grotere inboedel die minutieus beschreven werd, altijd met een waardebepaling erbij. Zoals de inboedel van Eva van Danzig aan de Eerste Hoogeweg 49. Dankzij een piano was haar inboedel ƒ 350 waard. De inboedel van Jeannette Grumbacher-de Jong(e), Stationslaan 12boven, had misschien wel de hoogste waarde: ƒ 585-. Deze bestond uit verschillende kasten, fauteuils, porselein, lampen etc90. Er werd overigens onderscheid gemaakt, indien van toepassing, tussen de meubels van de niet-joodse eigenaar/verhuurder en de spullen van de joodse bewoner. Uit documenten uit het politiearchief blijkt dat niet-joodse (kamer)verhuurders op standaardformulieren konden aangeven dat meubels van hen waren en dus niet moesten worden afgevoerd. Sommigen zijn ondertekend door de commissaris. De piano van Eva van Danzig, bijvoorbeeld, was haar enige bezit. De rest van de inboedel was van verhuurster van den Brink bij wie van Danzig inwoonde. De meldingen zijn in feite verklaringen van de commissaris dat de spullen die de niet-joodse huiseigenaar claimde, inderdaad van hem/haar waren. Alleen de spullen van de joodse huurders werden afgevoerd.
Op deze standaardformulieren staat nog één adres dat niet in het archief van de ERR zit of op de lijst van februari 1943 staat: Parklaan 1691. Dat de politie de woningen verzegelde blijkt eens temeer uit de melding over Lea Schrijver: “Die Judin Lea Schrijver ist einwohnend gewesen bei dem Ariër E. Westerhof, Renesselaan 24, Zeist. Sie ist am 19. August evakuiert vermüdlich nach Amsterdam. Sie hat einige unbekannte Sachen hintergelassen, welcher in einem Schrank gesetzt sind und nachdem von der Agent von Polizei versiegelt ist92“. Ook Taveernelaan 46 werd door de gemeentepolitie verzegeld, zo blijkt uit een rapport van een politie agent. Deze woning was gehuurd door het joodse echtpaar Wolf-Frank die gedeporteerd waren. Na een dag verbrak de agent het zegel om iemand binnen te laten van de Hausraterfassung. Die inventariseerde de woning en bepaalde welke spullen later meegenomen zouden worden93. Er zit maar één melding bij, waarvan er meer in het archief zitten voor andere steden, van het daadwerkelijke leeghalen. Dat gaat over Meerdinklaan 16. De melding stelt dat het adres is leeggehaald op 19 november 1942 en er voor 400 gulden aan inventaris is verwijderd. We mogen aannemen dat de andere woningen ook zo zijn ontruimd, met de brieven van de burgemeester van december en november in het achterhoofd, maar juist deze melding lijkt niet te kloppen, ook het bedrag niet.
Ik heb in ieder geval geen spoor van de joodse bewoner, Breekman, gevonden die op het formulier als bewoner genoemd staat. Het was de huurwoning van Isaac Zwaaf en Estelle Henriette Keizer geweest. Ze waren rond 1 september in het geheim uit de woning vertrokken. Goorhuis schreef een opsporingsbevel uit. Dat huis was geïnspecteerd door een politie-inspecteur na een melding dat het 30
verlaten was. De inspecteur deed verslag van zijn bezoek in een rapport. Vervolgens trok dezelfde beambte in dat huis en kreeg een telefoonaansluiting. Op 1 oktober trok hij erin, hij was plaatsver vanger van Goorhuis. Volgens de woningkaart bleef de inspecteur er tot 1948 wonen94. De boedellijsten van de ERR overlappen maar voor een heel klein deel met die van de burgemeester uit februari 1943. Platolaan 30 van Prüfer, het adres dat uitstel had gekregen, staat op beide lijsten. Dat betekent dat de meeste woningen eind 1942 werden geïnventariseerd en dat een kleiner deel in 1943 volgde. Opmerkelijk genoeg staan de adressen uit de Verkaufsbücher niet op deze inventarissen. Op de lijst van de burgemeester van februari 1943 staan ook geen adressen uit de Verkaufsbücher. Wel staat Waterigeweg 31 van Joseph Bannet erop. Dat huis werd ontruimd, zoals de bewindvoerder na de oorlog zou constateren. Bij de ontruimingen was doorgaans gemeentepolitie aanwezig95.
Andere adressen
In een map met kopieën uit collectie Zeist tijdens de Tweede Wereldoorlog in het gemeentearchief zitten stukken, waarschijnlijk uit het politie archief, waaruit blijkt dat er nog meer adressen ontruimd werden. Deze collectie bevat meldingen over de (aanstaande) ontruiming van Platolaan 12 van de familie Monasch, Platolaan 34, Prof. Sproncklaan 16 en Slotlaan 28 F-bis. De spullen uit de Slotlaan, verwijderd door expeditiebedrijf Rapide, werden door de politie direct naar Amsterdam gestuurd, zonder tussenkomst van de ERR dus96. Uit de melding over de Sproncklaan blijkt dat de politie ook de Zentralstelle informeerde: “Ik heb de eer U hierbij te doen toekomen een proces-verbaal, houdende de constateering dat de Joodsche familie Bernheim, gewoon hebbende te Zeist, Prof. Sproncklaan no. 16 (...), vermoedelijk met achter lating van meubilair is vertrokken. Onbekend is waar de familie zich thans bevindt. Signaleering in het Algemeen Politieblad zal dezerzijds geschieden. In verband met mogelijke inventarisatie meen ik goed te doen U met vorenstaande in kennis te stellen, opdat Uwerzijdes de noodige verdere maat regelen kunnen worden genomen97”. Een proces-verbaal noemt ook zo’n melding over de woning van het gezin Monasch, Platolaan 12. Het gezin was gevlucht en de politie belde de Zentralstelle zodat die de meubels kon komen inventariseren98.
Met deze adressen uit het politiearchief komen we dus op 62 ontruimde adressen. Overigens waren deze woningen met uitzondering van Platolaan 34, geen joods bezit.
Financiën
Wie moest de kosten voor het leegruimen en de opslag dragen? Rob Bakker schrijft daarover dat Secretaris-Generaal Frederiks van Binnenlandse Zaken eind 1943 alle gemeenten aanschreef. Hij vroeg in opdracht van de generaal-commissaris Wimmer om een inschatting van de gemaakte kosten voor de Jodenvervolging. Het ging om kosten voor het op transport stellen van joden en het afvoeren en opslaan van hun inboedels. Volgens Bakker werden die kosten uiteindelijk door de Liro voldaan, uit joods vermogen dus. In het archief van Zeist is daarover niets terug te vinden, behalve een bekende circulaire van 22 november 1943. Daarin stelde de Commissaris en het Ministerie van Binnenlandse Zaken dat de gemeenten voorlopig zelf de kosten voor de ontruiming van joodse woningen moesten dragen99.
31
2
Fietsen en radio’s
Niet alleen huisraad van joden werd geroofd, ook fietsen en radio’s. Die moesten joden zelf inleveren. In juni 1942 verscheen een bevel dat joden buiten Amsterdam hun fietsen moesten inleveren bij de politie. Zeist kreeg dat bevel op 23 juni binnen. De gemeente moest rijwielen van joodse inwoners innemen en opslaan en vervolgens opgave doen van de joodse inwoners die een fiets hadden ingeleverd. Als er nog reparaties aan ingeleverde fietsen nodig waren, dan diende dat te gebeuren op kosten van de eigenaar. De lijst met ingeleverde fietsen en de namen van hun eigenaren is bewaard gebleven en telde veertig fietsen in totaal. Het ging om 23 herenfietsen, 15 damesfietsen en twee kinderfietsen. Er waren zes verzoeken ingediend tot teruggave van fietsen wegens gezondheids redenen. De commissaris van politie wees in ieder geval vier verzoeken af op basis van de richtlijnen die hij had ontvangen van de landelijke politie leiding. De veertig fietsen werden op 11 juli naar een centrale verzamelplaats, de ‘Fineta-Halle’, in Hilversum gebracht100. Het inleveren van radio’s speelde eerder. Rauter beval op 15 april 1941 dat alle joden hun radio’s moesten inleveren. Op basis van VO 26/1941 moesten de toestellen ingeleverd worden als de eigenaar naar verboden zenders luisterde. Rauter ging ervan uit dat dat voor alle joden gold. De radio’s moesten voor 30 april ingeleverd worden.
De opgave is pas uit oktober, naar aanleiding van een tweede verzoek van het Ministerie van Binnenlandse Zaken tot opgaaf. Er is ook een verzoek van 7 mei tot opgave bewaard in het archief. Mogelijk reageerde de commissaris toen ook al maar is die opgave niet bewaard gebleven. In Zeist leverden 43 joden hun toestel in bij de gemeentepolitie. Van die 43 toestellen werden er twee door de Sipo in Utrecht meegenomen. De rest werd ingeleverd bij het hoofd kwartier van de Weermacht in Utrecht. Volgens Aalders werden radio’s van joden in grote partijen naar Duitsland vervoerd. Na de oorlog was bij zowel fietsen als radio’s van restitutie geen sprake101.
Afsluitend
Bij de roof van meubels, fietsen en radio’s zien we de gemeente Zeist, en met name de gemeente politie, in de rol van uitvoerder van anti-joodse maatregelen. Toch is het niet zo duidelijk te reconstru eren welke woningen door de gemeente werden leeggehaald. Het overzicht van woningen die de ERR leeghaalde is wel duidelijk (maar niet compleet). Het overzicht van februari 1943 van de gemeente met leeggehaalde joodse woningen bevat 12 woningen die niet in het archief van de ERR voor komen. Mogelijk werden die door de gemeente zelf leeggehaald, d.w.z. door gemeenteambtenaren of door een expeditiebedrijf dat ingehuurd was. Zeker is dit niet want als ze door de ERR zijn leeggehaald kunnen ze ook gewoon ontbreken in het ERR archief. Niet alle archivalia zijn bewaard gebleven. Er zijn geen facturen of andere bewijzen van inzet van gemeenteambtenaren gevonden in het gemeente archief. Bij het leeghalen van de woningen door de ERR was de gemeentepolitie aanwezig. Zij ver zegelde ook de woningen. De gemeente initieerde deze acties uiteraard niet zelf maar handelde in opdracht, meestal van de Beauftragte. De gemeente nam in ieder geval fietsen en radio’s en -in een maar waarschijnlijk meer gevallen- meubels van joodse inwoners in beslag en stelde die ter beschikking van de bezetter. Daarmee leverde men natuurlijk een bijdrage aan een zware ontrechting van inwoners van Zeist.
De ambtelijke stukken geven geen inzage in of men zich daarvan bewust was of daartegen gepro testeerd heeft. De beschikkingen van de bezetter werden in ieder geval uitgevoerd.
32
4 De betrokkenheid van de politie Dit onderzoek kijkt ook naar de rol van de gemeentepolitie bij de Jodenvervolging. Het is uit de grote steden bekend dat politie werd ingezet bij het afgeven van oproepingen, het ophalen van joden van huis en bij razzia’s. De gemeentepolitie die viel tot maart 1943, in de kleinere gemeenten waaronder Zeist, direct onder de burgemeester en onder Binnenlandse Zaken. De vraag is hier: werd de Zeister gemeentepolitie ingezet bij de anti-joodse maatregelen en bij de deportaties? Werkte de politie mee en kunnen we dat hard maken op basis van archivalia? Ook de arrestatie van joodse onderduikers komt aan bod.
De Nederlandse Politie
Eerst kort iets over de Nederlandse politie tijdens de oorlog. Hanns Albin Rauter was als General kommissar für das Sicherheitswesen verantwoordelijk voor de Nederlandse politie. Het was zijn doel om de politie, die uit rijksveldwacht, rijksrecherche, marechaussee en gemeentepolitie bestond, te hervormen. Hij richtte zich vooral op de rijkspolitie en op de gemeentepolitie van de grote steden. Hij wilde een centraler en slagvaardiger politieapparaat creëren, slagvaardig bij het aanpakken van tegenstanders en vijanden van het nazisme, waaronder joden. Ook wilde hij een politie die minder lokaal geworteld was. Vooral na de razzia’s en de Februaristaking van 1941 pakte hij de hervorming in een hoog tempo aan. De Rijksveldwacht en marechaussee werden voor dat doel samengevoegd. Ook de korpsen gemeentepolitie in vijf grote steden kwamen onder nationale leiding. Daarnaast werd de politie fors uitgebreid door Rauter. Uiteindelijk zou de politie onder een zelfstandig bestuursorgaan komen te vallen, het directoraat-generaal van politie, al bleef de secretaris-generaal van Justitie wel de hoogste verantwoordelijke ambtenaar. Dit gebeurde in december 1942 en ging in per 1 maart 1943. Burgemeesters van kleinere gemeenten als Zeist bleven tot 1 maart verantwoordelijk voor de gemeentepolitie en hadden daarna alleen ‘nog een zekere informele invloed’ aldus Peter Romijn102.
Alle lokale korpsen werden in de herfst 1942 gesommeerd alle instructies voor arrestaties die uit Den Haag of van de SD kwamen op te volgen. De gemeentepolitie werd ingezet bij allerlei anti-joodse maatregelen, zoals gedwongen verhuizing naar Amsterdam, het handhaven van het verbod te verhuizen uit Amsterdam, de deportaties en de razzia’s inclusief soms het begeleiden van kleine transporten naar Westerbork, het leeghalen van de achtergelaten huizen, het plaatsen van bordjes voor joden verboden en het arresteren van joodse onderduikers. Secretaris-generaal Frederiks van Binnenlandse Zaken, onder wie de gemeentepolitie via de burgemeesters ook viel, had niet gepro testeerd tegen de inzet van gemeentepolitie bij de deportaties maar probeerde wel van de verantwoordelijkheid af te komen, vooral door voor te stellen dat andere politie-eenheden ingezet werden. Dat had geen effect gesorteerd bij Rauter. Ook Bakker benadrukt het feit dat gemeentepolitie werd ingezet bij deportaties en de burgemeesters daar weinig tegen konden doen103. In de grote steden werd gemeentepolitie bij de deportaties relatief weinig ingezet. Griffioen en Zeller constateren dit voor de Amsterdamse politie, die zij als leidraad nemen bij hun bespreking van de Nederlandse politie in hun studie over de Jodenvervolging in Nederland, België en Frankrijk.
Rauter vertrouwde uiteindelijk liever op het Politie-Bataljon Amsterdam (PBA), Nederlandse agenten van de nieuwe nationaalsocialistische politieopleiding in Schalkhaar, en op de Duitse Ordnungspolizei. Er waren incidentele protesten geweest van individuele agenten en soms van burgemeesters en de Nederlandse agenten haalden minder joden op. Na 3 oktober 1942 werd de Amsterdamse gemeentepolitie niet meer ingezet bij het van huis halen van joden. Uiteindelijk bleek de Amsterdamse gemeentepolitie verantwoordelijk voor de arrestatie van 8000 joden terwijl ze nog eens 8000 joden oppakte
33
2
samen met het PBA. Het merendeel, ongeveer 40.000 joden, werd gearresteerd of van huis gehaald door PBA, de Duitse Ordnungspolizei (Orpo, ook wel Grüne Polizei genoemd) en andere politie een heden104. Verschillende gemeenten brachten uiteindelijk kosten voor assistentie bij deportaties en bewaking in rekening bij Frederiks105.
De Zeister Gemeentepolitie
Zoals uit dit onderzoek blijkt was er een duidelijke rol voor de politie bij het leeghalen van joodse huizen en woningen. De rol van de politie is in dit onderzoek nog wat uitgebreider meegenomen omdat kopieën uit de dozen Documentatie WOII in de laatste fase van het onderzoek tevoorschijn kwamen en dat bleken kopieën te zijn uit het politiearchief. Dit archief bevat correspondentie van de politie en daarin zitten documenten die over de Jodenvervolging in Zeist gaan, preciezer gezegd: over hoe de politie tot werktuig gemaakt werd bij het uitvoeren en handhaven van bepaalde anti-joodse maatregelen. Hieronder wordt besproken hoe die inzet er precies uitzag. Het gaat vooral om hand haven van anti-joodse maatregelen en om arrestaties van joodse inwoners en onderduikers. Dit archief laat onverlet dat er al veel onderzoek naar de politie in Zeist gedaan was. Van der Vorst en Bij ’t Vuur benoemen de rol van de gemeentepolitie bij arrestaties van onderduikers, zonder politie beambten bij naam te noemen. Zij stellen dat de politie, naast het verzet dat er ook was, een morele schuld op zich had geladen. En na de oorlog was medewerking aan de Jodenvervolging geen reden om ‘gezuiverd’ te worden zo schrijven zij. De zuivering van de gemeente Zeist en van de gemeente politie is in dit onderzoek niet meegenomen.
Wel heb ik lijsten ingezien van agenten tegen wie geen maatregelen zijn genomen en een lijst van de leden van het korps van 1950. Op die lijsten staan zeker twaalf namen van agenten die in een of andere vorm aan anti-joodse maatregelen meegewerkt hebben. Dat was dus geen reden voor vervolging106. Wat betreft de grootte van het korps: op de lijst van leden van het korps uit 1950 staan ca. 60 namen terwijl de sterkte in de oorlog kleiner lijkt te zijn geweest. Op de lijsten die naar aanleiding van de ariërverklaring werden opgesteld (zie verderop) staan 35 hoofdagenten en agenten en drie inspecteurs en meer dan tachtig onbezoldigde gemeenteveldwachters. Bij’t Vuur en Van der Vorst vermelden dat de sterkte tussen 1942-1944 fors was uitgebreid. In ieder geval werden er eind 1941 vijf extra agenten aangesteld107.
Verzet
Dit hoofdstuk gaat niet in op verzet in Zeist van Zeistenaren, gemeente beambten of politiebeambten. Sterker nog: dit onderzoek gaat niet in op het functioneren van individuele ambtenaren tijdens de oorlog en de keuzes die zij maakten. Er is bijvoorbeeld niet gekeken naar of ambtenaren op een of ander manier geprofiteerd hebben van de oorlogsomstandigheden of van de roof van bezit. Dat geldt ook voor verzetswerk. Het verzet van mensen in dienst van de gemeente is, net als het andere verzet in Zeist, niet zichtbaar in de bronnen die gebruikt zijn voor dit onderzoek. De bronnen die ik gebruik zijn ambtelijke bronnen van de gemeente en de bezetter en die bieden logischerwijze geen enkel inzicht in actief verzet of passief verzet zoals vertragen en rekken. In het genoemde archief gaat het ook niet zozeer om de namen van de individuele politiemensen, voor zover die überhaupt genoemd worden, maar om de politie als apparaat. Voor inzicht in het verzet verwijs ik naar het boek van Annemiek Bal die het verzetswerk beschrijft van ambtenaren als Siem de Man, Jan Schep en Cor van Rijkom, onder andere op basis van getuige nissen108. Ook noemt zij verzetsacties van onder andere de agenten S. van Dam en Willem Otto. 34