RIB24.067 Onderzoeksrapport omgang met joods vastgoed tijdens en na WOII
Tekst van het document
h
v4
Publiekshal » Het Rond 1, Zeist
www.zeist.nl » www.twittter.com/gemeentezeist
Postbus 513, 3700 AM, Zeist
www.facebook.com/gemeentezeist
Telefoon 14 030 = zeist@zeist.nl
.
Gemeente Zeist
Oued verg zelde 25-4" 202Y R [ B 21. 067
Aan de gemeenteraad
Datum
24 april 2024
Burgerservicenummer
Bijlage(n)
Ons kenmerk
345587
Uw kenmerk
_
Behandeld door
ChavaJurgens / Arno Klarenbeek
Portefeuillehouder
Joyce Langenacker
Onderzoeksrapport naar
Onderwerp
omgang metjoods Vastgoed tijdens en na Woll
Geachte leden van de raad,
Via de raadsinformatiebrief d.d. 26 augustus 2022 kenmerk RIB22.096 hebben wij u geïnformeerd over de uitvoering van een onderzoek waarin wij als gemeente Zeist in kaart wilden laten brengen wat de betrokkenheid van de gemeente is geweest bij de koop en verkoop van joods vastgoed en het naoorlogse rechtsherstel voor de slachtoffers. Hierbij wilden wij aandacht voor de rol van de gemeente bij de onteigening, het inventariseren in hoeverre de gemeente in de oorlogsjaren zelf onroerend goed van joden heeft gekocht en hoe er is omgegaan metrechtsherstel en (achterstallige) heffingen als erfpacht, straatgeld en rioolgeld. Zie verder https://zeist.raadsinformatie.nl/document/11763418/1 . Zoals aangegeven wilden wij een onafhankelijk onderzoek onder begeleiding van een externe begeleidingscommissie met onafhankelijke leden en een onafhankelijke deskundig onderzoeker, met expertise op dit onderzoeksterrein. Op 24 april jl. hebben de onderzoeker en de begeleidings-commissie het rapport over het uitgevoerde onderzoek officieel overhandigd aan burgemeester drs, J. Langenacker, bestuurlijk opdrachtgever van het onderzoek namens het gemeentebestuur van Zeist en de heer D. van Ginkel, als plaatsvervangend voorzitter van uw raad.
Het rapport met de titel: Ontrechting en rechtsherstel van joodse Zeistenaren en de betrokkenheid van de
gemeente tijdens de Tweede Wereldoorlog; ‘Vermoedelijk met achterlating van meubilair vertrokken’, is daarna geplaatst op de projectpagina op www.zeist.nl en voor uw gemeenteraad beschikbaar gesteld in uw raadsinformatiesysteem.
Op woensdag 15 mei kunnen wij in een geplande bijeenkomst het gesprek voeren overdit gedegen rapport. Verderop in deze brief komen wij nog kort terug op die bijeenkomst en gaan wij ook in op onze beoordeling en waardering van het rapport. Alvorens daar aan toe te komen achten wij het gepast eerst nog in te gaan op de
aanleiding en het beoogde doel van het onderzoek.
Austerlitz « Bosch en Duin » Den Dolder « Huis ter Heide = Zeist
De aanleiding: Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn de joodse inwoners van Nederland, evenals Sinti en Roma, door de nazi’s ontrecht en gedeporteerd. Bijna driekwart van de joodse landgenoten werd vermoord. In Zeist woonden per 1 oktober 1941 248 joden. Uit een eerste vluchtige analyse van de Verkaufsbücher, de Duitse
administratie over onteigend joods vastgoed, is gebleken dat in Zeist ook ontrechting van huis en bezit heeft plaatsgevonden. Deze ontrechting was na de Tweede Wereldoorlog voor de landelijke overheid reden tot rechtsherstel. Joodse overlevenden en nabestaanden moesten vaak veel inspanningen plegen om hun bezittingen terug te krijgen. Ook kwam het voor dat naheffingen van belastingen werden geheven en/of erfpachtin rekening werd gebracht over periodes waarin de joodse eigenaren de panden niet hadden kunnen
bewonen vanwege deportatie. De naoorlogse periode van rechtsherstel was voor de joodse landgenoten vaak
kil en bureaucratisch.
In de jaren negentig heeft de landelijke overheid dit erkend en samen met banken, verzekeraars en
effectenbeurs de MAROR-gelden (Morele Aansprakelijkheid Roof en Rechtsherstel) uitgekeerd. Tot op heden
kunnen organisaties die zich structureel inzetten voor de Nederlands-Joodse gemeenschap in aanmerking komen voor subsidie uit deze gelden.
In 2013 ontstond echter ook aandacht voor de gemeentelijke rol inzake ontrechting en rechtsherstel, nadat uit
een vondst in het Amsterdamse archief bleek dat na de oorlog erfpachtboetes zijn opgelegd aan overlevenden en nabestaanden van joodse inwoners. De gemeente Amsterdam startte daarop een onderzoek naar haar
eigen handelen, uitgevoerd door het NIOD, waarna ook Den Haag, Rotterdam en Utrecht volgden.
Het Centraal Joods Overleg vroeg in 2019 aan alle gemeentes in Nederland met een voormalige joodse
gemeenschap, zo'n onderzoek te starten. Insteek is onderzoek naar het gemeentelijk handelen en moreel
rechtsherstel. Afhankelijk van wat er uit hetfeitenonderzoek blijkt, kunnen gedragingen van de gemeente aanleiding zijn tot compensatie, collectief en/of individueel. Steeds meer gemeenten volgen de oproep tot het doen van dit onderzoek. De aanpak en onderzoeksvragen laten verschillen zien. Naar aanleiding hiervan en van publicaties van onderzoeksplatform Pointer (KRO-NCRV) zijn in Zeist ook vragen gerezen over het onderwerp van onteigening van woningen/vastgoed van joodse eigenaren tijdens de Tweede Wereldoorlog en het rechtsherstel daarna. Gezien het feit dat ook in Zeist ontrechting van huis en bezit heeft plaatsgevonden hebben wij het ook voor Zeist als moreel gewenst geoordeeld om een onderzoek te starten waarin in kaart werd gebracht wat de betrokkenheid van de gemeentebesturen is geweest bij de koop en verkoop van joods vastgoed en het naoorlogse rechtsherstel voor deze slachtoffers van de Tweede
Wereldoorlog.
Wij hebben opdracht gegeven om de roof en hetrechtsherstel te onderzoeken. Zijn alle panden na de oorlog
teruggeven aan de rechtmatige -oorspronkelijke- joodse eigenaren? En onder welke voorwaarden? De rol van de gemeente is daarbij van belang: heeft de gemeente joods vastgoed gekochttijdens de oorlog, en zo ja, hoe is het rechtsherstel verlopen na de oorlog?
Doel/impact?: Duidelijkheid scheppen over de rol van de gemeente bij de onteigening van het joods vastgoed in Zeist, bij het rechtsherstel na de oorlog en of door de gemeente naheffingen of boetes aan de joodse huiseigenaren of hun nabestaanden zijn opgelegd. Mede op basis van de uitkomsten kan vervolgens worden bekeken of er erkenning en een vorm van genoegdoening voor de rol van de gemeente tot uiting moet worden gebracht.
Het onderzoek en het rapport:
Onderzoeker Maarten-Jan Vos heeft in het najaar van 2022 een vooronderzoek uitgevoerd in de archieven
van Zeist met het doel de omvang van de beschikbaarheid van archiefmateriaal voor het onderzoek en de
scope daarvan te bepalen. Daarna is gestart met het inhoudelijke onderzoek.
Door de onderzoeker Maarten-Jan Vos zijn in afstemming met de begeleidingscommissie de volgende
onderzoeksvragen gehanteerd: e Welke panden in Zeist waren in 1941 in joods bezit?
Austerlitz » Bosch en Duin « Den Dolder « Huis ter Heide « Zeist
e e
Zijn die panden in de oorlog verkocht door de Duitse roofinstanties? En zo ja, zijn alle panden na de oorlog teruggegeven aan de oorspronkelijke joodse eigenaren of hun erfgenamen? Onder welke voorwaarden zijn de panden teruggegeven en welke kosten moesten de joodse eigenaren daarvoor maken? Er was wetgeving gemaakt voor restitutie (besluit E100 voor herstel rechtsverkeer). Die wetgeving stelde onder andere dat joden niet verrijkt mochten worden door de
restitutie, bijvoorbeeld omdat een pand in waarde toegenomen was. Eerder onderzoek wees uit dat joden daarom soms kosten moesten maken voor de teruggave van hun eigendom. Hoeis dat in Zeist gegaan? Hoe stelden de oorlogskopers zich op na de oorlog? En ging het om minnelijk rechtsherstel, waarbij de partijen met elkaar om de tafel zaten, of was de tussenkomst van een rechter nodig? En heel concreet: welke bedragen waren hier mee gemoeid? Tijdens het onderzoek is in afstemming met de begeleidingscommissie en de portefeuillehouder de scope van het onderzoek wat verbreed door op basis van het beschikbare archiefmateriaal ook te kijken naar: e e
Op welke wijze was de gemeente Zeist verder betrokken bij de Jodenvervolging? De rol van de gemeentepolitie bij de Jodenvervolging en ontrechting.
De begeleidingscommissie heeft op in augustus 2023 een stand van zakenbericht over het verloop van het onderzoek en de verbreding van de scope van het onderzoek aan ons en uw gemeenteraad toegestuurd. Beoordeling van het rapport:
Het rapport bestaat uit een historische inleiding (de toenmalige context deel 1), het onderzoek en de bevindingen (deel 2) en de afronding en conclusie (deel 3).
De belangrijkste conclusies uit het onderzoek op basis van de gestelde onderzoeksvragen zijn: a. Welke panden in Zeist waren in 1941 in joods bezit? In dit onderzoek worden 21 percelen genoemd, zie ook de voetnoten en de bijlage, die joods bezit waren. Vijftien percelen die in de Verkaufsbücher staan werden verkocht en zijn relevant voor dit onderzoek. b. Zijn die panden in de oorlog verkocht door de Duitse roofinstanties? En zo ja, zijn alle panden na de oorlog teruggegeven aan de oorspronkelijke joodse eigenaren of hun erfgenamen?
c.
Over de vijftien verkochte panden heeft rechtsherstel plaatsgevonden maar niet alle percelen werden teruggegeven. Onder welke voorwaarden zijn de panden teruggegeven en welke kosten moesten de joodse eigenaren daarvoor maken? De voorwaarden van teruggave lopen nogal uiteen zoals blijkt uit hoofdstuk twee in deel Il en uit de bijlage. Samenvattend kunnen we stellen dat de meeste panden werden gerestitueerd middels een minnelijke schikking waarbij kosten en baten verrekend werden tussen oorlogskoper en de oorspronkelijk eigenaar of zijn/haar nabestaanden. Niet alle regelingen lijken even redelijk voor de slachtoffers. Een aantal joodse eigenaren kreeg een vordering op de oorlogskoper omdat deze niet kon betalen.
De details en cijfers rond de roof en het rechtsherstel staan in bijlage één. Op tabblad twee staan een aantal geroofde, joodse, hypotheken. Ook zijn er 25 panden onderzocht die geen joods bezit bleken. Daarvan is een lijst gemaakt maar die is niet bijgevoegd omdat deze panden voor de onderzoeksvragen niet van belang waren. d.
Op welke wijze was de gemeente Zeist verder betrokken bij de Jodenvervolging? De gemeente en de gemeentepolitie waren direct betrokken bij het leeghalen van joodse huizen, bij de deportaties en bij de arrestaties van joodse onderduikers en joodse Zeistenaren. Dit gebeurde altijd op bevel van Duitse instanties en voor zover het bronnenmateriaal het toelaat
Austerlitz » Bosch en Duin « Den Dolder « Huis ter Heide « Zeist
kunnen we zeggen dat de Duitse orders werden opgevolgd. Ook VO 6/1941 die de gemeente Zeist verplichtte tot registratie van de joodse inwoners, voerde de gemeente uit.
We mogen dus wel concluderen dat de gemeente en gemeentepolitie hebben meegewerkt aan de Jodenvervolging in Zeist. Naar aanleiding van de conclusie ad a. : Lof voor het gedegen spit en uitzoek werk. Daarmee is een zo compleet mogelijk beeld geschetst. Het is voor de geschiedschrijving waardevol om te weten dat het gemeentebestuur in die tijd geen joods onroerend goed heeft verworven en daarmee geen misbruik van de situatie heeft gemaakt. Ook goed om te weten dat het
gemeentebestuur bij de verkoop van het joods vastgoed in Zeist geen directe rol heeft gespeeld.
Naar aanleiding van de conclusie ad b en c.: Bij het rechtsherstel van het joods vastgoed speelden de gemeenten geen rol, ook het gemeente-bestuur van Zeist niet. In zijn algemeenheid maar vooral ook op basis van de feitenweergave over het rechtsherstel over de Zeister casussen lijkt de vraag gerechtvaardigd of er in die tijd ook voldoende moreel rechtsherstel heeft plaatsgevonden bij de invulling van het rechtsherstel. Mede op basis van de uitgangspunten dat joodse eigenaren niet “verrijkt” mochten worden en kosten van “verbeteringen” moesten betalen en vooral zelf inzet dienden te plegen om tot rechtsherstel te komen, kan gesteld worden dat er feitelijk van moreel rechtsherstel onvoldoende sprake is geweest. Er was een kille en zakelijke houding en benadering van de overheid jegens de naar rechtsherstel zoekende joodse slachtoffers. Naar aanleiding van de conclusie ad d. : Dit beeld wijkt niet af van de houding van de meeste gemeentebesturen en gemeentepolitie in Nederland gedurende de Tweede Wereldoorlog. Er was ook weinig ruimte wel of niet uit te voeren en voor de wijze hoe uit te voeren (gedetailleerde instructies), laat staan keuzevrijheid en de represailles werden met het vorderen van de oorlogsjaren steeds heftiger. Dit zijn belangrijke noties voor ieders persoonlijke beeldvorming. Hoe waarderen wij het rapport?:
De omvang van hetrapport, de voetnoten, de bronvermeldingen en de weergave van de feitelijke informatie in deel 2 van het rapport, laten zien dat de onderzoeker en de begeleidingscommissie zeer zorgvuldig, nauwgezet en uiterst gedegen te werk zijn gegaan. Er ligt een kwalitatief goed en compleet rapport. We
hebben daar veel waardering voor, als ook voorde grote inzet die is gepleegd om al het nog bestaande bronmateriaal boven tafel te krijgen en te onderzoeken op de feiten ter beantwoording van de onderzoeksvragen. Vanzelfsprekend vereist het onderzochte gevoelige thema dit ook. Er is naar onze mening een zo goed en compleet mogelijk beeld gecreëerd over het gedrag en het verhouden van ons gemeentebestuur als ook de gemeentepolitie jegens de Zeister joodse medemens gedurende de tijd van de Duitse bezetting. Terecht wordt daarbij in het rapport ook de toen heersende tijdsgeest, de in die tijd
heersende maatschappelijke verhouding ten opzichte van macht en gezag en de niet democratische Duitse machts- en gezagsverhoudingen binnen het openbaar bestuur gememoreerd.
Met het rapport en bovenstaande conclusies is duidelijkheid gecreëerd over de rol van het gemeentebestuur en van de gemeentepolitie. De gemeente heeft geen panden aangekocht, noch heeft het gemeentebestuur bij de verkoop van het joods vastgoed in Zeist een rol gespeeld.
Er heeft rechtsherstel plaatsgevonden maar ookhier had het gemeentebestuur geen rol maar moet nu achteraf worden geconcludeerd dat erfeitelijk van moreel rechtsherstel onvoldoende sprake is geweest. Er was sprake een kille en zakelijke houding en benadering. Gemeentebestuur en gemeentepolitie hebben wel meegewerkt aan de jodenvervolging in Zeist. Met deze conclusies, die wij na lezing van het rapport delen, erkennen wij dat bestuurders en ambtenaren
hebben meegewerkt aan anti-joodse maatregelen, vervolging en ontrechting van joden in Zeist. Ook erkennen wij dat er van moreel rechtsherstel onvoldoende sprake is geweest. Wij zijn daarom van mening dat wij op enige wijze aanvullend herstel (maatschappelijke compensatie) moeten
bieden. Wij zijn voornemens de wijze waarop we dit willen doen met maatschappelijke partners, zoals het 4 en 5 mei Comité, het Geheugen van Zeist en het Kunstenhuisldea Zeist te onderzoeken. Laat deze geschiedenis
Austerlitz « Bosch en Duin « Den Dolder = Huis ter Heide = Zeist
voor huidige en toekomstige generaties als waarschuwing dienen tegen de gevolgen van onverdraagzaamheid en haat. Wij hanteren voor iedereen dezelfde democratische rechten én sluiten niemand uit, inclusie is de norm binnen en voor onze maatschappij. Dit hoort bij onze inzet voor “Een goed en verdraagzaam leven in Zeist voor
IEDEREEN”.
Woensdag 15 mei vindt vanaf 20.00 uur in de raadszaal een openbare presentatie en bespreking van het rapport met uw gemeenteraad plaats. Aanwezig zijn de onderzoeker en de begeleidingscommissie, een vertegenwoordiging van de politie en van ons college. Wanneer u vragen of opmerkingen heeft kunt u die daar aan de orde stellen. Als uw vragen of opmerkingen feitelijke of technische informatie betreft, verzoeken wij u de vragen alvastvia uw raadsgriffie kenbaar te maken, zodat wij met de betrokkenen bij dit onderzoek en rapport voor een passende reactie kunnen zorgen.
Hoogachtend, burgemeester en wethouders van Zeist, de gemeentesecretaris,
S| Grotens
de burgemeester,
et
ZJdrs. J. Langenacker /
Austerlitz » Bosch en Duin « Den Dolder » Huis ter Heide = Zeist
‘Vermoedelijk met achterlating van meubilair vertrokken’
Ontrechting en rechtsherstel van joodse Zeistenaren en de betrokkenheid van de gemeente tijdens de Tweede Wereldoorlog
Maarten-Jan Vos Historisch onderzoek & meer
‘Vermoedelijk met achterlating van meubilair vertrokken’1 Ontrechting en rechtsherstel van joodse Zeistenaren en de betrokkenheid van de gemeente tijdens de Tweede Wereldoorlog
Maarten-Jan Vos Historisch onderzoek & meer April 2024
3
Inhoud Inleiding en onderzoeksvragen
5
Deel 1: Historische inleiding
8
1 Het bezettingsbestuur in Nederland
8
2 Anti-joodse maatregelen
9
3 De Joodse gemeenschap van Zeist
10
Deel 2: Onderzoek
12
1 Vastgoed 12 ■ Inleiding: roof van joods vastgoed in Nederland 12 ■ Agrarisch grondbezit 14 ■ Rechtsherstel over vastgoed 14 ■ Minnelijke schikkingen 15 ■ Kenmerkende aspecten van het rechtsherstel 16 ■ Beheer van niet verkochte percelen 18 ■ Joods vastgoed in Zeist 18 ■ Betrokkenheid van de gemeente Zeist 19 ■ Oorlogskopers 19 ■ Een handelaar in joods vastgoed 19 ■ Rijksduitser Wilhelm Lange 22 ■ Willem de Zwijgerlaan 21 22 ■ Een oorlogskoper met schulden 23 ■ Graaf Janlaan: geen minnelijke schikking 23 ■ Hypotheken 25 ■ Afsluitend 26 2 Registratie ■ Inleiding ■ Zeist ■ Instellingen ■ Samenvattend 3 Roerende goederen ■ Inleiding: roof van inboedels ■ Roof van inboedels in Zeist ■ Einsatzstab Rosenberg ■ Andere adressen ■ Financiën ■ Fietsen en radio’s ■ Afsluitend
4
26 26 27 27 28 28 28 29 30 31 31 32 32
4 De betrokkenheid van de politie ■ De Nederlandse Politie ■ De Zeister Gemeentepolitie ■ Verzet ■ ‘Wering van joden bij de politie’ ■ Voor joden verboden ■ Deportaties ■ Onderduikers ■ Kosten ■ Samenvattend
33 33 34 34 35 35 36 37 38 39
5 Plundering van joodse bedrijven: firma Jos. Bannet ■ Inleiding ■ Joodse bedrijven in Zeist ■ De firma Jos. Bannet ■ Vastgoed ■ Na de bevrijding ■ Roof van het bedrijf ■ Afsluitend
39 39 40 40 41 42 43 43
Deel 3: Afronding en conclusie
45
Inleiding: rechtsherstel 45 Rechtsherstel over joods vastgoedbezit in Zeist 45 ■ Betrokkenheid van de gemeente bij de Jodenvervolging in Zeist 46 ■ Onderzoeksvragen en conclusie 47 ■ Afsluitend 48 ■ ■
Bijlagen
50
Noten
56
Bronnen en overig
70
Met dank aan Afkortingen ■ Literatuur ■ Archieven ■ Websites
70 70 70 72 72
Colofon
74
■ ■
■
Inleiding en onderzoeksvragen
Er is in 2020-2022 veel aandacht geweest voor de roof van joods vastgoed tijdens de Tweede Wereldoorlog. In uitzendingen van Pointer/Monitor en op internetplatform Follow the Money werd de aandacht gevestigd op panden in Eindhoven, Winterswijk, Den Helder, Leiden en Oldenzaal waarvan de geschiedenis van roof en rechtsherstel niet duidelijk is. Aanleiding van de uitzendingen was de digitalisering van de Verkaufsbücher, de schriften met lijsten van verkocht joods vastgoed aan oorlogskopers. Meer dan 7000 transacties in die Verkaufsbücher getuigen van de verkoop van joods onroerend goed, buiten de joodse eigenaren om en zonder dat ze een cent van de verkoopsom zagen. Vanaf september 1941 moesten alle joodse huisbezitters hun bezit in beheer geven bij de Niederländische Grundstücksverwaltung, de Duitse rooforganisatie die de percelen verkocht. Na de oorlog moesten de joodse eigenaren of hun nabestaanden rechtsherstel aanvragen over het geroofde vastgoed. Hoe is dat rechtsherstel verlopen en is er daarmee werkelijk ‘recht’ gedaan, in morele en financiële zin? Dat is de vraag waar het steeds om gaat. De geschiedenis van het rechtsherstel zelf is er inmiddels een van meer dan 75 jaar. Volgens historicus Raymund Schütz bevinden we ons nu in de derde ronde van rechtsherstel nadat er twee eerdere rondes te onderscheiden waren. De eerste ronde was vlak na de oorlog.
De Nederlandse regering had in Londen het rechtsherstel voorbereid met een aantal wetsbesluiten en vanaf 1944 werden deze in de praktijk gebracht. Er werd teruggave geregeld van uiteenlopende geroofde goederen en tegoeden zoals verzekeringen, effecten, kunst en waardevolle objecten, geld, vastgoed, bedrijven etc. Het rechtsherstel duurde tot diep in de jaren 50 en was voor de getroffenen vaak een moeizaam en lang proces. De tweede ronde begon halverwege de jaren 90 en eindigde met de Maror gelden in 2000: een bedrag van 347 miljoen euro van het Rijk, verzekeraars, banken en de effectenbeurs om de tekortkomingen in het naoorlogse rechtsherstel te compenseren. Dit bedrag was gebaseerd op het onderzoek van diverse commissies, zoals de Commissie Kordes. Daarmee zou volgens de overheid finaal recht gedaan zijn. Totdat in 2013 bij opschoning van documenten in het gemeentearchief van Amsterdam bleek dat de Gemeente Amsterdam nog na de oorlog erfpachtcanon had geëind van joden over de oorlogsjaren en zelfs boetes had geheven en deels had geïnd. Na onderzoek besloot de burgemeester van Amsterdam dat er een bedrag van 10 miljoen euro tegenover dit onrecht moest staan voor de joodse gemeenschap en dat is ook ter beschikking gesteld.
Hiermee maakte burgemeester Van der Laan in feite een begin met een nieuwe, derde, ronde van rechtsherstel, die vooral kijkt naar de betrokkenheid en het handelen van de gemeente bij de ontrechting van joodse inwoners. Vervolgens werd in 2016 door Robin te Slaa een casus in Den Haag beschreven waarin de joodse huiseigenaar David Simons in 1945 werd aangeslagen voor achterstallige erfpachtcanon. Ook werd er in Den Haag achterstallige straat belasting geïnd. Daarom besloot de gemeente Den Haag om een bedrag ter beschikking te stellen, net als daarna Utrecht. In 2019 kwam er een verzoek van het Centraal Joods Overleg aan alle gemeenten met een (voormalige) joodse gemeenschap om zo’n onderzoek te doen. Daarnaast gaf de genoemde digitalisering van de Verkaufsbücher een impuls aan nieuw onderzoek op gemeentelijk niveau. Inmiddels doen 145 gemeenten onderzoek of hebben het onderzoek afgerond2. 5
Onderzoeksvragen Dit onderzoek gaat over Zeist. In de Verkaufsbücher staan dertien verkopen van joodse panden binnen de gemeente Zeist maar dat zijn meer adressen want sommige verkopen omvatten meerdere huisnummers. Het gaat in totaal om zeventien adressen. De gemeente Zeist heeft opdracht gegeven om de roof en rechtsherstel van die panden te onderzoeken. Zijn alle panden na de oorlog teruggeven aan de rechtmatige -oorspronkelijke- eigenaren? En onder welke voorwaarden? De rol van de gemeente is daarbij van belang: heeft de gemeente joods vastgoed gekocht tijdens de oorlog, en zo ja, hoe is het rechtsherstel daar verlopen na de oorlog? Daarnaast kijkt het onderzoek naar verdere betrokkenheid van de gemeente bij de Jodenvervolging. De onderzoeksvragen zijn: ■ Welke panden in Zeist waren in 1941 in joods bezit? ■ Zijn die panden in de oorlog verkocht door de Duitse roofinstanties? En zo ja, zijn alle panden na de oorlog teruggegeven aan de oorspronkelijke joodse eigenaren of hun erfgenamen? ■ Onder welke voorwaarden zijn de panden teruggegeven en welke kosten moesten de joodse eigenaren daarvoor maken? Er was wetgeving gemaakt voor restitutie (besluit E100 voor herstel rechtsverkeer). Die wetgeving stelde onder andere dat joden niet verrijkt mochten worden door de restitutie, bijvoorbeeld omdat een pand in waarde toegenomen was.
Eerder onderzoek wees uit dat joden daarom soms kosten moesten maken voor de teruggave van hun eigendom. Hoe is dat in Zeist gegaan? Hoe stelden de oorlogskopers zich op na de oorlog? En ging het om minnelijk rechtsherstel, waarbij de partijen met elkaar om de tafel zaten, of was de tussenkomst van een rechter nodig? En heel concreet: welke bedragen waren hier mee gemoeid? ■ Op welke wijze was de gemeente Zeist verder betrokken bij de Jodenvervolging? Een vooronderzoek toonde aan dat er niet veel bronnenmateriaal in het gemeentearchief is over deze periode. Bovendien zijn de rol van de gemeentepolitie en de stichting van joods onderwijs al onderzocht. Daarom gaat dit onderzoek in op de roof van joodse inboedels en de registratie van 1941 omdat de gemeente daar een rol in speelde. Daarnaast ga ik in op de rol van de gemeentepolitie op basis van nieuw archiefmateriaal. Naast deze onderzoeksvragen is er een oproep tot meldingen gedaan, dat wil zeggen dat nabestaanden van joodse Zeistenaren vragen konden stellen die bij hun nog leefden over bezit, roof en rechtsherstel. Er zijn geen meldingen binnengekomen. Dit rapport bestaat uit drie delen. In het eerste deel besteed ik aandacht aan de geschiedenis van de Jodenvervolging en vooral die anti-joodse maatregelen waarbij gemeenten een rol speelden. Daarna behandel ik kort de joodse gemeenschap van Zeist voor en tijdens de oorlog.
Deel 2 is de kern van het rapport en het eigenlijke onderzoek. Hier zal ik ingaan op een aantal anti-joodse maatregelen, namelijk de registratie van joden, de roof van vastgoed en de roof van roerende zaken als meubels. Ook zal ik ingaan op de rol van de gemeentepolitie en de roof van het bedrijf van Joseph Bannet omdat de gemeente daar een beperkte rol bij speelde. Aan iedere anti-joodse actie die ik bespreek gaat een korte historische inleiding vooraf. Bij alle onderwerpen bespreek ik ook de nasleep na de oorlog waar dat relevant is. Dit rapport is daarmee thematisch van opzet en niet chronologisch. Eigenlijk valt deel 2 ook weer in twee gedeelten uiteen: betrokkenheid van de gemeente (hoofdstuk 2, 3, 4 en in mindere mate 5) én de roof van joods vastgoed, een maatregel waar de gemeentelijke instanties geen betrokkenheid bij hadden (hoofdstuk 1). Het derde deel is de conclusie en beantwoordt puntsgewijs de onderzoeksvragen.
6
Uiteraard kent een onderzoek als dit beperkingen. Het voorhanden zijnde archiefmateriaal is bepalend voor het beeld dat we reconstrueren. Het archiefmateriaal over de oorlogsjaren in Zeist is vrij beperkt, met name over de registratie en de meubelroof. Voor die onderwerpen waren ook archivalia uit Het Utrechts Archief nodig. Er is archiefmateriaal vernietigd en een deel van het gemeentearchief bleek lastig toegankelijk. Aan de andere kant: het politiearchief in Zeist is zeer uitgebreid, met name over de oorlogsjaren, maar de processen-verbaal uit 47-1946 ontbreken dan weer. De gemeente Zeist omvat, naast Zeist, de plaatsen Austerlitz, Den Dolder, Bosch en Duin en Huis ter Heide. Deze plaatsen zijn meegenomen in het onderzoek. Een begeleidingscommissie bestaande uit voorzitter Paul Schnabel (oud directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau), André Hamburger (nabestaande), Marianne Kallen-Morren (oud politica), Gerrit van der Vorst (medeauteur van het boek ‘Dan komen angst en wanhoop aangeslopen’) en Noortje van Hofwegen (gemeentearchivaris) heeft geadviseerd tijdens de loop van dit onderzoek. Van der Vorst heeft als kennisdrager het onderzoek inhoudelijk ondersteund en gegevens en bronnenmateriaal aangedragen.
De commissie is betrokken bij het formuleren van de onderzoeksvragen en heeft tijdens het proces gereageerd op bevindingen en uitkomsten van het onderzoek en op de concept rapportage. Joost Kingma (stedenbouwkundige) was lid van de commissie maar is onverwacht overleden op 27 september 2023. Annemiek Bal (examinator, historica en auteur van het boek ‘Het Zeister Verzet. De geschiedenis van de gemeente Zeist in oorlogstijd 1945-1940’) heeft zich tijdens het onderzoek teruggetrokken uit de commissie. Het onderzoeksproject is gecoördineerd door Saskia van den Berg-Ebbenhorst. De verantwoordelijkheid voor de tekst ligt geheel bij de auteur.
7
Deel 1. Historische inleiding
1 Het bezettingsbestuur in Nederland
1
Met de bezetting van ons land viel Nederland onder het naziregime. Nederland kreeg een burgerlijk bestuur onder Rijkscommissaris Seyss-Inquart. Het relatief zwakke burgerlijk bestuur liet meer speelruimte voor de vervolgingsinstanties als de Sicherheitsdienst (SD) en de Sicherheitspolizei (Sipo) onder leiding van Hanns Rauter en Wilhelm Harster. SD en Sipo hadden in Nederland meer macht dan in België en Frankrijk en dat is een van de vaak genoemde redenen dat de Jodenvervolging in ons land zo succesvol was vanuit nazi-perspectief. Rauter was een van de vier commissarissen-generaal en höhere SS- und Polizeiführer, verantwoordelijk voor veiligheid en politie. Harster was zijn direct ondergeschikte en was Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD. Zij zouden in de loop van de oorlog het initiatief op het gebied van de Jodenvervolging naar zich toe trekken. Dat met de nazi-heerschappij in Nederland een antisemitisch regime aan de macht was gekomen, was al duidelijk door de gebeurtenissen in Duitsland in de jaren 30. Daar waren joden massaal ontrecht, getreiterd en tot tweederangsburger gemaakt. De Neurenberger wetten en de November pogrom waren maar twee van een hele reeks dieptepunten op dit gebied. Voordat de oorlog uitbrak had de helft van de Duitse joden het land verlaten. Van die vluchtelingen zouden er ongeveer 20.000 in Nederland terechtkomen3.
Met het instellen van een burgerlijk bestuur in Nederland werden de Nederlandse ambtenaren niet buiten spel gezet. Seyss-Inquart liet namelijk het Nederlandse bestuursapparaat voortbestaan in de hoop dat het zich langzaam zou laten omvormen tot een nationaalsocialistisch landsbestuur. Seyss-Inquart en de vier commissarissen traden in plaats van regering en parlement. Verder bleef het landelijk bestuursapparaat in tact. Ambtenaren bleven veelal op hun post, al nam een deel ook ontslag. De secretarissen-generaal van de ministeries bleven in functie en waren als hoogste ambt enaren deel van het civiele bezettingsbestuur. Volgens Romijn met de intentie om zo de Nederlandse belangen te kunnen blijven behartigen4. Gemeenteambtenaren en lokale politiebeambten bleven ook op hun posten. In heel het land zouden zij een rol spelen bij de Jodenvervolging, vooral bij registratie en inperking van de bewegingsvrijheid van joden zoals het plaatsen van verbodsborden5. En dat terwijl Aanwijzingen in geval van een vijandelijke inval uit 1937, een instructie van de regering gebaseerd op het landoorlogreglement, stelde dat ambtenaren moesten aftreden als hun aanblijven niet meer in het belang was van de bevolking. Ook het commentaar op die aanwijzingen uit 1943 bevestigde dat en verbood ambtenaren om mee te werken aan de Jodenvervolging.
Volgens historicus Rob Bakker kozen de ambtenaren en secretaris-generaal Frederiks van Binnenlandse Zaken voor continuïteit van bestuur. Tegenwerking van de Duitse eisen zou chaos met zich meegebracht hebben. Ook Romijn constateert dat het in stand houden van het binnenlands bestuur prioriteit had. Opstappen van ambtenaren of burgemeesters zou die strategie doorkruisen6. 8
1
Burgemeesters bleven op hun post en in de loop van de oorlog werd een groot aantal van hen ontslagen en vervangen door meer nazi-getrouwe bestuurders waaronder NSB-leden. Met de introductie van het zogenaamde leidersbeginsel (eenhoofdig gezag) in september 1941, waarmee de gemeenteraden buiten spel werden gezet, kwamen de burgemeesters direct onder de Commissaris van de Provincie te ressorteren en daarmee onder Rijkscommissaris Seyss-Inquart. Dat was VO 152/1941 waarmee vanaf 1 september 1941 de gemeenteraden, gemeentelijke commissies en de colleges werden opgeheven. De burgemeester ging die taken waarnemen en de wethouders werden adviseurs. Zo leek het lokale bestuur op het landelijke bestuur: er waren geen vertegenwoordigende lichamen meer maar het bestuursapparaat bleef verder bestaan en werd gecentraliseerd. De macht van de burgemeesters werd door deze maatregelen groter, al constateerde Peter Tammes in 2000 dat dat geen significant verschil maakte voor de overlevingskans van joden in gemeenten met een nationaalsocialistische burgemeester7. In Zeist bleef de in 1939 benoemde burgemeester Willem Visser, geen NSB’er, op zijn post. In de oorlog ging hij waarschijnlijk vier keer met verlof, meldde hij zich ziek of ging in onderduik maar het is niet duidelijk wanneer precies. In 1943 moest Visser een NSB wethouder aanstellen, J. van der Weerd.
Na de bevrijding bleef hij burgemeester. Hoe Vissers rol bij de Jodenvervolging ook valt te beoordelen, zelf noemde hij de joodse inwoners van Zeist niet bij zijn eerste naoorlogse toespraak in de eerste gemeenteraadsvergadering, en ook niet bij een nieuwjaarstoespraak in 1946 waarin hij uitgebreider stilstond bij de oorlogsslachtoffers uit Zeist. Bij’t Vuur en Van der Vorst schrijven kritisch over zijn rol en medewerking aan met name de registratie van joodse inwoners, Annemiek Bal noemt juist zijn verzetswerk8. Ook de waarnemend commissaris van de gemeentepolitie, Georg Goorhuis, bleef de hele oorlog op zijn post en was in 1950 nog in dienst. Hij werd in 1941 benoemd en was sinds 1932 in dienst van het korps9.
2 Anti-joodse maatregelen In Nederland volgden de anti-joodse maatregelen vanaf juni 1940 zich eerst aarzelend maar vanaf 1941 in een hoog tempo op. Aan de vooravond van de deportaties, juli 1942, waren de joden volledig ontrecht, waren ze bijna al hun bezittingen kwijt, mochten ze op veel openbare plekken niet meer komen, moesten ze op bepaalde tijden boodschappen doen, mochten ze geen vervoermiddelen meer bezitten en moesten ze de ster dragen. Tot de eerste anti-joodse maatregelen, vaak uitgevaardigd in Duitse verordeningen (VO’s), behoorden de ariërverklaring en het ontslag van joodse ambtenaren vanaf november 1940. In januari 1941 volgde VO 6/1941 over de registratie van joodse Nederlanders. Die registratie werd door de gemeenten gedaan. Ook verstrekten gemeenten andere administratieve informatie over joodse inwoners aan de bezetter, zoals we zullen zien. Een andere vroege maatregel ging over de registratie en de roof van joodse bedrijven. VO 189/1940 bepaalde dat alle joodse bedrijven zich moesten laten registreren bij een Duitse instantie, de Wirtschaftsprüfstelle (WPS). Het decreet was de eerste verordening waarin vastgelegd werd wie joods was en wie niet. Op 12 maart 1941 volgde VO 48/1941. Dit besluit bepaalde dat joodse bedrijven onder toezicht konden worden gesteld van een bewindvoerder of beheerder. Deze heette in het Duits een Verwalter of Treuhänder.
Een andere grote stap in de ontrechting van joden waren de Liro-verordeningen, die joden verplichtten gelden en waardevolle spullen in te leveren (VO 148/1941 en VO 58/1942). De Liro was een door de Duitsers opgerichte roofbank waar joden verplicht hun geld moesten parkeren. Daarmee was het geen echte bank maar een verzameldepot voor geroofd joods geld en waardevolle spullen.
9
In augustus 1941 bepaalde de bezetter dat joodse leerlingen voortaan naar aparte scholen moesten gaan met ingang van het nieuwe schooljaar. Het was aan de gemeenten om dit onderwijs in te richten, de ouders in kennis te stellen en voorlopig te financieren. Vanaf 15 september 1941 verschenen overal bordjes met de tekst ‘Voor joden verboden’ in parken, cafés, schouwburgen en andere openbare plekken (VO 138/1941). VO 138 behelsde ook een verhuisverbod voor joden. Voor de zomer waren joden al geweerd uit zwembaden en uit hotels/pensions en openbare gelegenheden in badplaatsen10. De roof van joods vastgoed speelde ook vanaf de zomer van 1941. Het gaat om VO 154/1941 over de aangifte van joods vastgoed en VO 102/1941 over de gedwongen verkoop van joodse landbouwgronden11. Verordening 154 bepaalde dat alle joodse huizenbezitters hun vastgoed moesten aangeven bij een nieuwe Duitse instantie: de Niederländische Grundstücksverwaltung (NGV). Het doel was om het vastgoed te verkopen aan niet-joden. Ook voor landbouwgronden was een dergelijke verordening uitgevaardigd op 27 mei 1941. Een hele belangrijke cesuur was natuurlijk het begin van de deportaties in juli 1942. Daarmee begon de fysieke verwijdering van joden uit Nederland en de grootschalige moord op de Nederlandse en de Europese joden. Vanaf toen gingen joden onderduiken. Bij de deportaties werd politie ingezet.
Het is uit de grote steden bekend dat politie oproepingen afleverde, joden van huis ophaalde, en ingezet werd bij razzia’s. Dat werd soms door de gemeentepolitie gedaan en die viel in de kleinere gemeenten waaronder Zeist direct onder de burgemeester, al werd de zeggenschap van burgemeesters minder vanaf maart 1943 omdat meerdere autoriteiten toen zeggenschap kregen over de gemeentelijke korpsen waarbij het nieuwe directoraat-generaal van politie het hoogste verantwoordelijke orgaan was12. De gemeentepolitie en gemeenteambtenaren speelden ook een rol bij de z.g. Möbelaktion. De inboedels in door joden verlaten woningen werden geïnventariseerd. Vervolgens werden deze afgevoerd naar Duitsland. Betrokken instanties hierbij waren de Hausraterfassung van de SD Amsterdam, de gemeente en de Einsatzstab Rosenberg. Hierover later meer. Voor dit onderzoek zijn een aantal van bovenstaande VO’s van belang en die worden in deel 2 uitgebreid behandeld. Het gaat dan om VO6/1941 voor de registratie, VO 154/1941 voor de roof van vastgoed, VO 48-1941 voor de liquidatie van joodse bedrijven en de Möbelaktion13.
3 De Joodse gemeenschap van Zeist Zeist was geen joodse gemeente. Er hadden nooit veel joden gewoond en er bestond geen joodse religieuze gemeente, een synagoge of een joodse begraafplaats. Zeister joden die naar de synagoge gingen waren op Utrecht en Amersfoort aangewezen. Pas in de jaren 30 nam het aantal joodse inwoners van Zeist toe. In 1930 woonden er maar 59 joden in Zeist, op 24.778 inwoners. Al in 1933 was er een Comité voor hulp aan joodse vluchtelingen opgericht in Zeist. Het comité werd gevoerd door twee Zeister joden, Emanuel Koetser en Jeremias Mesritz. Beide heren bezaten vastgoed dat in de oorlog verkocht zou worden. Met de registratie van joden in 1941 telde Zeist 284 joodse inwoners. Daar zaten ook joden bij die gedwongen uit de kustprovincies hadden moeten verhuizen en joden in instellingen. Op de registratie zal ik verderop terugkomen14. 10
In de oorlog hadden de Zeister joden te maken met alle bekende anti-joodse maatregelen die een normaal leven steeds onmogelijker maken, zoals roof, ontslag15, de jodenster, gescheiden onderwijs en het niet meer mogen komen op allerlei plaatsen zoals parken en zwembaden. Dit eindigde met deportatie en moord vanaf augustus 1942. Er kwam ook een vertegenwoordiging van de Joodse Raad in Zeist. De voorman was Eliezer Namenwirth. Een andere naam die genoemd wordt in de literatuur was Kurt Altmann, die leider van de joodse jeugdzorg werd. Beide mannen waren Duitse joden16. De Zeister joden werden in augustus en september 1942 gedeporteerd naar Amsterdam. De laatste joden moesten in april 1943 de provincie Utrecht en dus Zeist verlaten. Daarna waren er alleen nog ondergedoken joden in Zeist17.
11
1
Deel 2. Onderzoek
2
In dit deel wordt een aantal onderwerpen besproken in het kader van de Jodenvervolging in Zeist. Hoofdstuk 1 gaat niet over het gemeentelijk handelen maar over de roof van het joodse vastgoed in Zeist. Dat ging buiten de gemeente om. De andere hoofdstukken gaan in op de betrokkenheid van de gemeente Zeist bij de uitvoering van een aantal anti-joodse maatregelen: de registratie van joodse inwoners, de roof van meubels, fietsen en radio’s en deportaties en arrestaties van joden. Bij deze onderwerpen was de gemeente Zeist direct betrokken. Voor de volledigheid bespreek ik summier een ander onderwerp, dat strikt genomen geen onderdeel van de onderzoeksopdracht was: de liquidatie van een joods bedrijf.
Het joodse onderwijs valt buiten het bestek van dit onderzoek omdat dit al onderzocht is. Het joodse onderwijs is beschreven door oud-gemeentearchivaris Pierre Rhoen18. De arrestatie van joodse onderduikers is uitgebreid onderzocht door Bij ’t Vuur en Van der Vorst, net als de rol van de joden jager Evert Drost. Toch ga ik daar op in op basis van nieuw aangetroffen documenten in het correspondentie archief van de politie. Ook ga ik in op de rol van de gemeentepolitie bij de deportaties en bij het leeghalen van joodse woningen. Niet behandeld worden de invoering van de Jodenster, het persoonsbewijs met stempel, of het ontslag van joodse gemeenteambtenaren19. De invoering van de Jodenster was geen gemeentezaak en er zijn geen archivalia over aangetroffen. Wel waren gemeenten verantwoordelijk voor het uit reiken van persoonsbewijzen en het aanbrengen van een stempel met een grote zwarte J. Hierover zijn echter geen archivalia aangetroffen20.
1 Vastgoed
Inleiding: roof van joods vastgoed in Nederland
Verordening 154/1941 bepaalde dat alle joodse huizenbezitters hun vastgoed moesten aangeven bij een nieuwe Duitse instantie: de Niederländische Grundstücksverwaltung (NGV), ook wel de Nederlandse Administratie van Onroerende Goederen genoemd. Deze rooforganisatie nam de percelen in beheer en daarvan werd een aantekening gemaakt in het kadaster. Beheer is een verhullende term en werd gebruikt om er een semi-juridisch tintje aan te geven. Het betekende gewoon dat de joodse eigenaar niet meer over het pand kon beschikken, geen huren meer kon innen of zelf huur moest gaan betalen. De huur ging naar het Duitse rooffonds genaamd de Vermögensverwaltungs- und Renteanstalt (VVRA) met een percentage voor de beheerder. De VO verwoordde het zo: “De Nederlandsche Administratie van Onroerende Goederen is na de overname van het beheer bevoegd tot het verrichten, zoo in als buiten rechte, van alle rechtshande lingen en anderszins, welke een behoorlijk beheer van het joodsch grondbezit met zich brengt; 12
het kan dit grondbezit ook geheel of den deele vervreemden of bezwaren. De Nederlandsche Administratie van Onroerende Goederen kan deze bevoegdheden geheel of ten deele aan andere personen overdragen, voor zoover zij deze personen met het daadwerkelijk beheer heeft belast21”. Het beheer werd door de NGV vaak uitbesteed aan lokale makelaarskantoren of aan een aantal grote landelijke makelaars zoals kantoor Nobiscum, makelaarskantoor Everout of de ANBO (Algemeen Nederlands Beheer van Onroerende Goederen) van Dirk Hidde de Vries. Dit waren officiële beheerders namens de NGV. Voor Zeist was de ANBO de verkoper van joodse panden. Wanneer de panden precies in beheer werden genomen is niet altijd duidelijk. Soms staat er een datum in het kadaster. In totaal werden in Nederland ongeveer 20.000 percelen aangemeld22. Het beheer was slechts het begin van de ontrechting als opmaat naar verkoop. De NGV of de beheerder namens de NGV verkocht de joodse panden aan niet-joodse belangstellenden, vaak onder de marktprijs volgens Raymund Schütz. Wel werd er soms zwart geld bijbetaald omdat wegens prijsbeheersing de prijzen laag werden gehouden. Daarom is het moeilijk vast te stellen wat de panden precies opbrachten23. Er was woningnood en een zekere behoefte aan de joodse panden. Toch lopen de meningen uiteen over hoeveel belangstelling er was voor de huizen.
Volgens Eric Slot was er veel aftrek, volgens Piersma en Kemperman stokte de verkoop na de Duitse nederlaag bij Stalingrad, januari 1943. Loe de Jong had juist geconcludeerd dat de panden slecht verkocht werden en ook Te Slaa signaleert een markt met veel weerstand tegen het aangaan van zulke foute transacties. Volgens Schütz kwam de verkoop juist relatief laat op gang. Hij plaatst het hoogtepunt in de verkopen tussen september 1942 en oktober 1943. Toen waren er in ieder geval 8000 joodse huizen in niet-joodse handen over gegaan. Uiteindelijk zouden het er 10.500 worden. In een volgende paragraaf noem ik de cijfers voor Zeist24. Voor de verkoop werd gebruik gemaakt van lokale makelaars en lokale netwerken om kopers te vinden, makelaars die net als de NGV en de betrokken notaris, courtage vingen. De panden werden verkocht, de notaris maakte een akte op, het geld werd betaald aan de NGV met aftrek van de kosten. Als het pand met een hypotheek bezwaard was, dan werd die afgelost uit de koopsom. Tenslotte stortte de NGV het overgebleven bedrag in het Duitse rooffonds genaamd de Vermögensverwaltungsund Renteanstalt (VVRA). In het kadaster werd het pand op de naam van de nieuwe eigenaar geschreven. De kopers van joods vastgoed zullen we in het vervolg oorlogskopers noemen. De gemeente waarin het vastgoed lag was hier niet bij betrokken25.
Na de verkoop aan de oorlogskopers werden panden vaak doorverkocht, soms op dezelfde dag. Dit gebeurde volgens Schütz om de joodse herkomst te verdoezelen. Bij de eerste verkoop stond de joodse eigenaar nog in de akte, bij de tweede verkoop niet meer. Van een notaris werd verwacht dat hij bij de transactie aangaf dat het om een joods pand ging, maar vaak zweeg de notaris. Veel oorlogskopers waren niet bekend met het feit dat ze zelf bij het kadaster gegevens over de herkomst van een pand konden opvragen. Dit opende de deur voor malafide speculanten die de panden weer doorverkochten. In Zeist werd de tactiek van doorverkopen ook toegepast, sommige panden werden een paar keer verkocht26. Nog iets over de term roof: ik gebruik de termen roof en ontrechting door elkaar, al is ontrechting de meest passende term. De inbeheername van de joodse percelen is een maatregel binnen een veel bredere politiek van ontrechting van joodse Nederlanders op elk denkbaar gebied. Ik vermijd de term onteigening omdat die term wordt gebruikt bij het verkrijgen van percelen door gemeente of rijk ten behoeve van ruimtelijke ordening waarbij de eigenaren allerlei rechten hebben. Dat was hier niet het geval en dus spreken we van ontrechting en roof27.
13
2
Agrarisch grondbezit
Ten tweede was er de roof van landbouwgronden. VO 102/1942 bepaalde dat die gronden voor 1 september 1941 verkocht moesten worden aan niet-joden. De joodse eigenaren waren hier nog bij betrokken en bepaalden gedeeltelijk de prijs samen met de kopers. De kopers waren vaak de pachters van de grond en zij kregen voorrang bij de verkoop. De regionale pachtbureaus, die in 1941 waren omgezet in grondkamers, moesten de verkoop uitvoeren en een speciaal Bureau voor overdracht van joodse landbouwgronden moest de verkopen goedkeuren. Dit bureau bemoeide zich vaak met de prijzen. In de praktijk werden de gronden aan de pachters verkocht. De koopsom verdween naar de VVRA. In de gemeente Zeist heeft zich geen gedwongen verkoop van landbouwgronden voorgedaan. Dit onderwerp is daarom niet meegenomen in dit onderzoek28.
Rechtsherstel over vastgoed
Na het einde van de bezetting werd de ramp duidelijk die het Nederlandse en Europese jodendom was aangedaan: de meeste Nederlandse joden waren vermoord. Zij zouden niet meer terugkeren naar hun huizen. De moord was het eindstadium geweest van een lange reeks van ontrechtings maatregelen waaronder roof op ongekende schaal. De Nederlandse regering in Londen was zich tijdens de oorlog bewust geweest van de grootschalige roof door de bezetter waarvan met name joden het slachtoffer waren geworden. De regering had een aantal rechtsbesluiten geformuleerd. De belangrijkste voor dit onderzoek is E100, het besluit Herstel Rechtsverkeer. Dit besluit regelde de teruggave van geroofde bezittingen aan de oorspronkelijke eigenaren, gedepossedeerden genoemd. Dat ging om al het geroofde bezit, zowel joods als nietjoods. Daartoe voorzag E100 in een nieuwe centrale instelling, De Raad voor het Rechtsherstel. Deze raad bestond uit een aantal afdelingen waaronder de Afdeling Onroerende Goederen en de Afdeling Beheer. Die zijn voor dit onderzoek van belang. De Afdeling Onroerende goederen, opgericht met wetsbesluit F272 van 16 november 1945, moest het rechtsherstel van onroerend goed juridisch regelen, dus volgens de gemaakte wetgeving. De afdeling Beheer werd meestal het Nederlands Beheersinstituut (NBI) genoemd.
Dit grote instituut beheerde de landverraderlijke vermogens en de vijandelijke vermogens waaronder die van de VVRA en de NGV en voerde bewind over de vermogens van vermoorde joden, ‘afwezigen’ genoemd. Voor de vermogens van vermoorde joden werden bewindvoerders benoemd door het NBI. De bewindvoerders konden familieleden zijn, accountants, notarissen en zelfs het NBI zelf. Er werden meer dan 20.0000 bewindvoerders benoemd voor de ‘afwezigen’. De instructie voor bewindvoerders stelde: “De bewindvoerder heeft tot taak het vermogen van den afwezige in stand te houden en als een goed huisvader te beheeren, diens belangen waar te nemen (..)”. Het rechtsherstel was daarmee een afgezonderde juridische operatie die los van het gewone rechtssysteem stond29. Daarnaast was wetsbesluit E93 belangrijk. Dit besluit noemde een groot aantal verordeningen van de nazi’s die ‘geacht werden nooit van kracht te zijn geweest’ en daar vielen alle anti-joodse verordeningen onder. Die werden dus allemaal teruggedraaid en dat betekende dat de situatie moesten worden gerecreëerd zoals die voor de VO had bestaan. In het geval van roof van vastgoed en bedrijven moest de financiële situatie van het slachtoffer hersteld worden en het eigenaarschap van bezittingen. Het rechtsherstel was nadrukkelijk geen compensatie of schadevergoeding maar draaide om restitutie.
Vandaar dat meubels hier niet onder vielen: die waren verdwenen en konden niet gerestitueerd worden. Er moesten schikkingen gemaakt 14
worden door een notaris, samen met het slachtoffer of diens bewindvoerder en de oorlogskoper. Het maakte daarbij niet uit of de joodse eigenaar vermoord was of niet. De schikkingen werden minnelijke schikkingen genoemd. Met minnelijk werd bedoeld dat de partijen met elkaar afspraken maakten over de teruggave zonder tussenkomst van de rechter. Zo kon het rechtsherstel gedecentraliseerd worden en werd voorkomen dat een rechter in elke zaak uitspraak moest doen. De minnelijke schikking hoorde bij het billijkheidsprincipe waar het rechtsherstel van uitging. Daarbij moesten alle belangen afgewogen worden, dus ook die van de oorlogskoper. De schikking resulteerde in een akte van teruggave waarin allerlei verrekeningen plaatsvonden zodat de situatie van voor de roof hersteld werd. De notaris maakte de akte op (vaak dezelfde notaris die een paar jaar eerder de ‘roofakte’ had opgemaakt!) en die schikking moest dan bekrachtigd worden door gedelegeerden van de Raad voor het Rechtsherstel die in het hele land zaten. Als dat was gebeurd was het rechtsherstel geschied en werd in het kadaster het pand weer op naam van de oorspronkelijke eigenaar of erfgenamen gezet. De akten liggen in het Nationaal Archief en worden de geschillen dossiers genoemd30. Als de partijen er niet uitkwamen en een minnelijke schikking dus niet mogelijk was, was een uitspraak van de rechter nodig.
Soms werkten oorlogskopers niet mee omdat ze zich op goede trouw beriepen. Ze hadden het joodse pand zonder voorkennis gekocht en wisten dus niet dat het joods bezit was. Dit was echter in de praktijk moeilijk aan te tonen. Bij zo’n geschil was dan een procedure voor de Afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel nodig. Ook kon de Afdeling Onroerende Goederen een regeling opleggen. Uiteindelijk werd er in 10.000 gevallen minnelijk geschikt en in 1300 gevallen werd het geschil door de Afdeling Onroerende Goederen of door de Afdeling Rechtspraak beslist31.
Minnelijke schikkingen
Voor Zeist geldt dat we het vooral over minnelijke schikkingen hebben. In één geval werd een regeling opgelegd door de Raad voor het Rechtsherstel afdeling Onroerende Goederen omdat de oorspronkelijke eigenaren en de oorlogskopers het niet eens werden. Dat ging om het bouwterrein aan de Graaf Janlaan. De andere regelingen waren minnelijke schikkingen. Daarom nog iets over de akten van minnelijke schikking waarbij de teruggave geformaliseerd werd32. Uitgangspunt van de schikkingen was altijd teruggave omdat de verkoop had plaatsgevonden in het kader van een Duitse verordening die na de oorlog geacht werd nooit van kracht te zijn geweest. Er werd vooral rekening gehouden met de belangen van de oorlogskoper als die te goeder trouw had gekocht. Die goede trouw moesten zij zelf aan tonen en dat was heel moeilijk33. Ook al heette de schikkingen minnelijk, de teruggave was wel gestandaardiseerd. De akten van minnelijk rechtsherstel zijn steeds hetzelfde van opbouw en lijken erg op elkaar. Er waren richtlijnen opgesteld door de afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel. De akten zijn de papieren getuigen van wat rechtsherstel toen inhield: geen compensatie maar zoveel mogelijk herstel van de oorspronkelijke situatie. Dat betekende dat de teruggave van het pand gepaard ging met een reeks verrekeningen.
De oorlogskoper moest gederfde huren terugbetalen aan de joodse eigenaar, evenals schade die hij mogelijk had aangericht. De oorspronkelijke eigenaar moest de vaste lasten betalen, dus straatgelden en andere belastingen en verzekeringspremies die de oorlogskoper had betaald tijdens de oorlogsjaren. Ook moest de joodse eigenaar eventuele waardevermeerdering van het pand betalen, bijvoorbeeld als er een verbouwing had plaatsgevonden34. Je ziet in deze akten dat het beheer over het perceel vaak al eerder werd overgedragen aan de oorspronkelijke eigenaar, dus voordat het rechtsherstel geformaliseerd was. De oorlogskoper leed
15
2
sowieso financiële schade: hij kreeg zijn aankoopprijs niet terug, die was bij de VVRA, NGV of Liro gestort, en hield een onzekere claim op die instanties over. Die zou in het geval van de NGV uiteindelijk voor 75,65 % worden voldaan en in het geval van de VVRA voor ca. 85 % maar dat was ten tijde van het rechtsherstel nog niet bekend. Bovendien moest hij de notariskosten, de kosten van de Afdeling Onroerende Goederen en de juridische kosten van de oorspronkelijke eigenaar voldoen35. De oorspronkelijke eigenaren werden altijd aangeslagen voor vaste lasten die mogelijk nog niet betaald waren. In principe werden die lasten verrekend maar er staat in elke akte een standaardzin die stelt dat als vaste lasten nog niet betaald mochten zijn, dat die dan voor de oorspronkelijke eigenaar zijn. Dus stel dat er nog financiële achterstalligheid uit de kast zou komen, dan was de schade voor de oorspronkelijke eigenaren: “De comparante sub 1 (de oorspronkelijke eigenaren – MJV) genoemd verbindt tegenover comparant sub 2 (de oorlogskoper– MJV) in diens gemelde hoedanigheid te betalen de zogenaamde vaste lasten, welke met betrekking tot het meergemelde perceel mochten blijken niet te zijn betaald, zulks inclusief premies en naheffingen terzake van molestverzekeringen36”. In principe werden die kosten verrekend als ze bekend waren. Maar er lag dus een risico bij de oorspronkelijke eigenaar.
Uit eerder onderzoek bleek dat verbeteringen die een oorlogskoper had aangebracht werden door berekend aan de joodse eigenaar. Dit paste helemaal in het idee van het rechtsherstel want het was herstel en geen compensatie. Dus dat de joodse eigenaar er financieel op vooruit ging, dat was niet aan de orde. Met de ogen van nu lijkt dat niet redelijk want de eventuele verbeteringen werden geheel buiten medeweten en zonder toestemming van de eigenaar gedaan. De akten werden opgesteld nadat de partijen met elkaar afspraken hadden gemaakt, na onderhandelingen dus. De vraag dringt zich op: werd hier nu echt onderhandeld of was het rechtsherstel gewoon een rekensom, niets meer en niets minder, waarbij er niets te onderhandelen viel? We zien dat steeds dezelfde posten met elkaar verrekend worden, zoals huur, vaste lasten, een hypotheek en heel soms dus een waardevermeerdering of waardevermindering. We zullen echter zien dat er in Zeist wel degelijk onderhandeld werd. Oorlogskopers hadden soms geen geld of waren overleden. Of er moesten posten verrekend worden waarvan de hoogte niet duidelijk was. De onderhandelingen gingen dan over de hoogte van de te verrekenen bedragen en (meestal) niet over de teruggave an sich.
In de literatuur worden er vraagtekens gezet bij de minnelijke schikking omdat dit de oorlogskoper de mogelijkheid zou geven om dwars te liggen, bijvoorbeeld als de oorlogskoper naar eigen zeggen te goeder trouw had gekocht. Dan waren vaak langdurige onderhandelingen nodig. Dat gebeurde in Zeist bij onderhandelingen over de teruggave van de Graaf Janlaan zoals we verderop zullen zien.
Kenmerkende aspecten van het rechtsherstel
Een aantal zaken valt op bij rechtsherstel in het algemeen. Navolgende observaties gelden ook landelijk want het zijn algemene karakteristieken van het rechtsherstel. Het is allereerst belangrijk om vast te stellen dat de Nederlandse overheid geen uitzonderingspositie voor joden had ingeruimd bij het rechtsherstel. Met andere woorden: het rechtsherstel hield geen rekening met het feit dat joden als speciale groep waren vervolgd en beroofd door de bezetter. Er was hiervan te weinig bewustzijn bij de wetgevers en men wilde juist niet hetzelfde doen als de Duitsers hadden gedaan, namelijk de joden apart zetten. Piersma en Kemperman verwoordden dat als volgt: “Inschattingsfouten als gevolg van ongeloof en het argument dat men niet hetzelfde wilde doen als de nazi’s, waren twee pijlers waarop het besluit van de overheid berustte om na de oorlog geen specifieke hulp aan Joodse oorlogsslachtoffers te bieden. De angst voor antisemitisme (..) was een derde pijler37”. 16
Ten tweede: een veelgehoorde klacht destijds was de traagheid van het rechtsherstel. Veel zaken werden pas begin jaren 50 afgerond en het NBI zelf bleef tot 1967 bestaan. Een van de redenen was de verkeerde inschatting die in Londen was gemaakt. De inzet van zorgvuldig, individueel en bij wet geregeld rechtsherstel met alle procedures en papierwerk dat daarbij kwam kijken verhield zich slecht met de gigantische schaal van de roof en de buitengewone gedupeerdheid van de joodse Nederlanders. Het kostte gewoon erg veel tijd om dat te doorlopen en elke transactie na te lopen. Bovendien moesten er vaak lange en ingewikkelde verervingen uitgezocht worden én de oorlogskopers konden vertragen als ze zich op goede trouw beriepen38. Ten derde: Het rechtsherstel moest gebeuren op verzoek van de gedepossedeerde of de bewind voerder. Het is opmerkelijk dat die verantwoordelijkheid werd gelegd bij de slachtoffers die veelal vermoord waren en vertegenwoordigd werden door een bewindvoerder. Dat hoorde bij de keuze dat voor joden geen aparte plaats werd ingeruimd bij het rechtsherstel. Het rechtsherstel moest dus aangevraagd worden door de slachtoffers39. Ten vierde, een algemene observatie gebaseerd op de beheersdossiers: de kosten voor de bewind voering over de vermogens werden betaald uit diezelfde vermogens.
Zowel het NBI zelf als de bewindvoerders werden betaald en die beloning was gebaseerd op een percentage van het vermogen. De dossiers bevatten regelmatig brieven van bewindvoerders die om een extra beloning vroegen omdat het meer werk was dan gedacht. De joodse slachtoffers betaalden voor hun eigen bewind voering40. Nog iets over het NBI: de weerslag van het beheer van vermogens van vermoorde joden zijn de zogenaamde beheersdossiers. Die dossiers zijn bewaard gebleven en bevatten de administratie van de bewindvoerder en correspondentie in het kader van de bewindvoering. Deze dossiers zijn een belangrijke pijler van veel onderzoeken naar joods vastgoed en ook van dit onderzoek. De meeste joodse slachtoffers die bezit hadden, hebben een dossier op zijn/haar naam en die dossiers bevatten informatie over de bezittingen en vermogensoverzichten. Ze kunnen heel dun zijn maar ze kunnen ook verschillende dikke dossiermappen omvatten. Heel grof gezegd: hoe meer vermogen iemand had, hoe lijviger het dossier. Naast de Verkaufsbücher zijn deze dossiers een manier om onroerend goed van joden op te sporen. Van joden die de oorlog overleefd hadden, is logischerwijs geen beheersdossier. Ze moesten zelf het beheer over hun bezittingen, en eventueel het rechtsherstel, oppakken.
Ten vijfde: het rechtsherstel was een grote operatie in een tijd de Nederlandse economie in duigen lag, het land leeggeplunderd was en steden in puin lagen. In dat licht zou je het rechtsherstel nog positief kunnen beoordelen want in de meeste gevallen vond wel een vorm van rechtsherstel plaats. Economische wederopbouw had echter prioriteit. Voor Minister van Financiën Lieftinck waren banken, verzekeringsmaatschappijen en effectenbeurs belangrijk voor de wederopbouw. Met deze spelers werd meer rekening gehouden dan met de joodse berooiden. De onderzoekers van Maastricht, waar het gemeentelijk onderzoek in 2023 verscheen, verwoordden het zo: “De parallel tussen ontrechting en rechtsherstel is opmerkelijk. Werden bij de ontrechting de belangen van de Joodse bevolking ondergeschikt gemaakt aan het streven naar orde en rust en een goede verstandhouding met de bezetter, bij het rechtsherstel werden de Joodse belangen ondergeschikt gemaakt aan het economisch herstel van Nederland en de belangen van billijkheid41”. Ten zesde: de gelijkwaardigheid en het billijkheidsprincipe dat de basis was voor het rechtsherstel en de onderhandelingen die daarbij hoorden zullen zeker niet altijd in het voordeel van de joodse slachtoffers gewerkt hebben. De berooide en getraumatiseerde joden hadden niet allemaal de mogelijkheid om zich goed te laten vertegenwoordigen bij dit proces.