PR26.127 Bijlage 1. Onderzoeksinstituut RISBO - Rapport 'Sporen van het slavernijverleden in Zeist'
Tekst van het document
39
gesteldheid van Europa, het wisselende der staat van zaken in Suriname, het bedenkelijke van alle coloniale opgaven en berekeningen (…), en eindelijk bij de twijfelachtige gesteldheid der suikermarkt alhier,’ maar besloot uit bittere noodzaak toch in te stemmen.135 Het fonds Fraissinet & Van Baak trok echter even later om onbekende reden de verkoop in. De plantage Potribo moest het rooien met de 111 aanwezige slaafgemaakte mensen, die volgens een door Voombergh ondertekend rapport, alles bij elkaar genomen toch ‘voortdurend alle reden tot volkomen tevredenheid’ gaven.136 Behalve bij negotiaties in Suriname zoals die van Harman van de Poll & Co., was Ketwich & Voombergh ook betrokken bij financiering en administratie van plantages in Berbice, Essequibo en Demerary. Toen deze drie slavenplantagekoloniën in 1815 in Britse handen vielen en onder de naam Brits-Guyana werden samengevoegd, bleven de Nederlandse hypothecaire leningen op een aantal plantages aldaar bestaan. Dat leidde er in 1833 – toen Groot-Brittannië de slavernij onder zijn vlag afschafte – toe dat enkele Nederlanders van de Britse overheid een tegemoetkoming voor de onteigening van hun slavenbezit ontvingen.
Albert Voombergh, die persoonlijk directeur was van de negotiaties op de plantages Covent Garden in Demerary en Zorg en Hoop in Berbice, ontving zodoende in 1835 in totaal 7.985 Britse ponden als compensatie voor de 215 mensen die op dat moment op Covent Garden en Zorg en Hoop uit hun slavernij werden vrijgemaakt.137 Het is goed mogelijk dat Voombergh in ieder geval een deel van deze compensatie in Zeist heeft uitgegeven, want een klein jaar later, in 1836, liet hij namelijk een extra verdieping op zijn landhuis op Hoog Beek en Royen te Zeist bouwen.138 Niet alleen was Albert Voombergh betrokken bij koloniale slavernij. De familie van zijn echtgenoot Agnes Henriette van Loon (1800—1879) kent eveneens een lang en uitgebreid verleden dat verbonden is met de koloniale slavernij. Aan haar vaderskant zijn verschillende bewindvoerders in de VOC en WIC bekend. Tot 1863 bleven leden van de familie Van Loon actief binnen de plantage-economie. Leden van de familie van Loon vormden een spil binnen de bankiershuizen Borski, Van Loon & Co, Hope & Co en Kettwich & Voombergh. Eén van de drie dochters139 van Albert Voombergh en Agnes Henrietta van Loon, trouwde met Jan Willem van Loon (1816-1876). Jan Willem van Loon trad op als commissaris en toezichthouder namens een van de aandeelhouders in de Sociëteit van Eigendom van de Weduwe van Poll.
In die functie was hij mede-eigenaar van een aantal plantages, waaronder plantage Zorg en Hoop. De familie Voombergh was nog lang in Zeist woonachtig en zou beeldbepalend zijn voor Zeist. Naast Hoog Beek en Royen gaf Albert Voombergh huize Pavia als huwelijksgeschenk aan zijn middelste dochter. Andere dochters waren bewoner van Slot Zeist en de buitenplaats Sparrenheuvel. Zowel het Slot Zeist, Pavia als het huis Hoog Beek en Royen bestaan nog altijd. Dat geldt niet voor de originele buitenplaats Ma Retraite, dat van alle buitenplaatsen in Zeist qua naam het meest in verband stond met slavernij. De eigenaar, Laurens Jan Nepveu (1751-1823), was eigenaar van de koffieplantages Ma Retraite en La Singularité in Suriname, waar zo’n 150 mensen voor zijn financiële gewin in slavernij werden gehouden.140 Laurens Jan Nepveu was de zoon van Jan Nepveu (1719-1779), de Stadsarchief Amsterdam, 600 Ketwich & Voombergh, inv.nr. 697, p. 333. Stadsarchief Amsterdam, 600 Ketwich & Voombergh, inv.nr. 697, p. 338. 137 ‘Albert Voombergh,’ Legacies of British Slavery Database, https://www.ucl.ac.uk/lbs/person/view/8748. 138 ‘Hoog Beek en Royen, Zeist,’ Database Monumenten.nl, monumentnummer 510233. https://www.monumenten.nl/monument/510233.
139 Nederlands Instituut voor de Kunstgeschiedenis, De drie zusters Voombergh, 1846, https://rkddb.rkd.nl/rkddb/digital_book/201509761.pdf 140 Universiteit Utrecht, onderzoeksproject Gebouwen Slavernijverleden, ‘Janskerkhof 15a’. https://gebouwenslavernijverleden.sites.uu.nl/2024/06/11/janskerkhof-15a/. 135 136
40
gouverneur-generaal van Suriname van 1768 tot 1779, die zich veel heeft beziggehouden met het sluiten en handhaven van vredesakkoorden met de marrongemeenschappen van Suriname. Laurens Jan werd in Paramaribo geboren en is als gouverneurszoon opgegroeid in een milieu dat geheel in het teken stond van slavenhandel en slavernij. Laurens Jans vader bezat acht plantages waarop zo’n 1.100 mensen in slavernij werden gehouden én nog iets meer dan 80 slaafgemaakten die in Paramaribo tewerkgesteld werden.141 Als jongvolwassene keerde Nepveu terug naar Nederland. De exacte datum is onbekend, maar in ieder geval voor 1780 toen hij Margaretha Roosmale te Utrecht trouwde en waar hij ging wonen. Nepveu werd lid van het stadsbestuur van Utrecht en was na het overlijden van zijn vader in 1779 eigenaar van de twee koffieplantages Ma Retraite en La Singularité, en een aanzienlijk vermogen van 600.000 gulden – nu zo’n 15.000.000 euro.142 Het beheer daarvan liet hij over aan lokale plantagedirecteurs, die hem regelmatig op de hoogte hielden van wat er op de plantages gebeurde. Nepveu behandelde zijn plantages en de mensen die daarop in slavernij werden gedwongen koffiebonen te telen, puur zakelijk.
In 1785 schreef hij bijvoorbeeld een brief aan de lokale plantagedirecteur waarin hij hem vroeg om niet te ruw met de slaafgemaakten om te gaan; niet vanuit compassie, maar omdat de oorlogsomstandigheden tussen Groot-Brittannië en Nederland de slavenhandel bemoeilijkte en nieuwe aanvoer duur zou zijn.143 In 1795 verkocht Nepveu de plantage Ma Retraite voor 180.000 gulden aan plantageeigenaar Francois Ewoud Becker.144 La Singularité hield Nepveu tot omstreeks 1819 aan. De slaafgemaakte mensen op Nepveus plantage werden volgens de overlevering bovengemiddeld slecht behandeld. Tussen 1779 en 1800 was het aantal slaafgemaakten op La Singularité van 283 naar 151 gedaald. Sommige mensen overleefden de erbarmelijke omstandigheden op een plantage niet, maar een flink aantal slaafgemaakten probeerde zichzelf uit hun slavernij te bevrijden door te ontsnappen en aansluiting te zoeken bij de marrongemeenschappen in de moerassen en bossen van Suriname. Het is waarschijnlijk dat de sterke populatiedaling op La Singularité eerder door gevluchte dan door overleden slaafgemaakten werd veroorzaakt. In 1810 ontdekte een bospatrouille van planters namelijk een groot marronkamp in het achterland van de plantage van Nepveu, die meteen na ontdekking werd vernield.145 Van het originele huis Ma Retraite te Zeist van Nepveu is niets meer over.
Het bleef tot aan zijn overlijden in 1823 in zijn bezit en werd na het overlijden van zijn weduwe Margaretha Roosmale-Nepveu in 1829 doorverkocht. Eind negentiende eeuw werd het originele huis afgebroken toen de nieuwe eigenaar Jan van Marwijk Kooy, medeoprichter van de Amstel Brouwerij, er in 1897 een geheel nieuw buitenhuis in Italiaanse eclectische stijl liet bouwen. Het enige van de oorspronkelijke buitenplaats Ma Retraite dat herinnert aan de Surinaamse slavenplantages van Nepveu, is de naam.
4.3 Plantagebestuurders op afstand: Joachim Ferdinand de Beaufort & Jan Kol In de geschiedenis van Zeist zijn, naast Jan Elias Huydecoper, meerdere personen bekend die betrokken waren bij het beheer van plantages op afstand. De casussen van Joachim Ferdinand ‘Annotatiën van Jan Nepveu,’ Stadsarchief Amsterdam, 23-04-2019. https://www.amsterdam.nl/stadsarchief/themasites/amsterdam-slavernij/annotatien-jan-nepveu/. 142 Universiteit van Utrecht, ‘Janskerkhof 15A,’ project Gebouwen Slavernijverleden Universiteit Utrecht. Digitaal raadpleegbaar: https://gebouwenslavernijverleden.sites.uu.nl/2024/06/11/janskerkhof-15a/. 143 Alex van Stipriaan, Surinaams contrast. Roofbouw en overleven in een Caraïbische plantagekolonie 1750-1863, 319. 144 L. van de Poel, ‘Stiksels naar slavernij,’ Centraal Museum Utrecht, 11-02-2025. https://www.centraalmuseum.nl/nl/ontdek/stiksels-naar-slavernij. 145 ‘Geschiedkundige aantekeningen September,’ Surinaamsche Almanak voor het jaar 1895, 57. 141
41
de Beaufort en Jan Kol laten zien hoe bestuurlijke en financiële betrokkenheid bij slavernij zich kon manifesteren zonder fysieke aanwezigheid in de koloniën. Joachim Ferdinand de Beaufort (1719-1807) vestigde zich pas op latere leeftijd in Zeist. Hij was al 78 toen hij in 1797 een gedeelte van Slot Zeist huurde van de Evangelische Broedergemeente.146 Hij woonde daar twee jaar tot hij in 1799 de buitenplaats Veelzigt, verwierf. Destijds was dit één van de duurste huizen in Zeist.147 Voor De Beaufort was de aankoop vermoedelijk geen probleem. Zijn komst naar Zeist volgde op een lange bestuurlijke carrière en een positie binnen invloedrijke netwerken rond het Huis Oranje-Nassau.148 Hij volgde onder andere zijn vader, Pieter Benjamin (1688-1777), op als beheerder van de goederen van het Huis Oranje-Nassau en als drost van IJsselstein.149 De Beaufort was op meerdere manieren bij het slavernijsysteem betrokken. Enerzijds verwierf hij belangen via erfenissen en huwelijk, anderzijds trad hij actief op als investeerder, bemiddelaar en beheerder van plantages. De vader van Joachim Ferdinand, had via verschillende leningen geïnvesteerd in Surinaamse plantages, waarschijnlijk afgesloten in de bloeiperiode van de West-Indische Compagnie.150 Door vererving profiteerde hij van de winsten die zodoende gemaakt werden.
Via zijn vrouw Anna van Digna van Gelre raakte hij betrokken de plantages Sinabo en Gelre. 151 Na het overlijden van een familielid vond een omvangrijke taxatieprocedure van de plantages plaats om de nalatenschap te kunnen verdelen.152 Joachim Ferdinand de Beaufort trad hierin op als zaakwaarnemer voor een aantal erfgenamen. Uit de correspondentie die gevoerd werd rondom deze nalatenschap, komen de complexe financiële constructies rondom de plantages naar voren. De briefwisselingen van De Beaufort illustreren hoe vanuit Zeist werd gediscussieerd over het reilen en zeilen op de plantages. Uit de correspondentie van De Beaufort met andere betrokkenen blijkt hoe complex het beheer van de plantages was en welke financiële afwegingen daarbij een rol speelden. In 1770 verkocht hij de plantages Sinabo en Gelre aan Samuel Felleman voor 250.000 gulden.153 Felleman financierde deze aankoop gedeeltelijk met een lening van 100.000 gulden bij Marcellus Broen, een Amsterdamse bankier en eigenaar van het handelshuis Broen & Co. De familie Gelre behield het recht op hypotheek. Na het overlijden van Felleman bleek zijn familie niet in staat de schulden af te lossen. Broen trad daarop op als bemiddelaar en zorgde ervoor dat de plantages opnieuw in handen kwamen van de familie Gelre.154 Tegelijkertijd verwierf hij zelf een financieel belang.
Hoewel De Beaufort deze constructie als ongunstig beschouwde, was dit op dat moment de enige optie om de plantages voor de familie te behouden. Vanaf 1784 ontstond een gedeeld eigenaarschap R. Melchers, De Beaufort; geschiedenis van een aanzienlijke familie van 1613 tot 1876, (Hilversum, 2014), 130. 147 Melchers, De Beaufort, 124. 148 R. Paesie, “Slavenhandel werd Zelfs Gestimuleerd,” Juni 7, 2014, https://www.paesie.nl/pdf/slavenhandel.pdf. 149 Melchers, De Beaufort, 15. 150 Melchers, De Beaufort, 104. 151 Utrechts Archief, 53 Stukken Betreffende de Scheiding Tussen de Geinteresseerden in de Suikerplantages Boxtel en Sinabo en de Koffieplantage Gelre, Alle in Suriname, Waarbij de Plantage Boxtel Toebedeeld Wordt aan de Erfgenamen van Anna van Gelre en Paul van der Veen en de Plantages SInabo en Gelre, aan de Kinderen en Erfgenamen van Jan Herman van Gelre, 1767-1769, inv.nr. 2006. 152 Utrechts Archief, 53 Briefwisseling van Joachim Ferdinand de Beaufort met de Medegeinteresserden in de Plantages, 1783-1801, inv.nr. 2022 153 Utrechts Archief, 53 Briefwisseling van Joachim Ferdinand de Beaufort, inv.nr. 2022 154 Utrechts Archief, 53 Briefwisseling van Joachim Ferdinand de Beaufort, inv.nr. 2022 146
42
tussen de familie Gelre en Broen. In deze periode kreeg De Beaufort formeel de verantwoordelijkheid over de correspondentie en administratie van de plantages.155 Tijdens zijn verblijf in Zeist (1795–1807) bleef De Beaufort intensief betrokken bij het beheer. In zijn correspondentie met zijn neef J.H. de Lange besprak hij voortdurend de financiële situatie, onderhandelingen en strategische keuzes rondom de plantages. Hieruit blijkt dat hij actief deelnam aan de besluitvorming. De brieven laten ook zien dat economische overwegingen centraal stonden. De Beaufort benadrukte herhaaldelijk de noodzaak om nieuwe tot slaaf gemaakten aan te schaffen om de productiviteit te herstellen.156 De plantages verkeerden in een moeilijke positie, mede als gevolg van internationale conflicten die de handel in koloniale producten verstoorden. In een brief uit 1796 constateerde hij dat veel plantage-eigenaren hun bezit dreigden te verliezen.157 Om de financiële situatie te verbeteren stelde De Beaufort een herstructurering voor, waarbij Broen een derde van het eigendom zou verkrijgen in ruil voor het laten vervallen van renterechten. Hiermee zouden de schulden worden verminderd en zou Broen als partner meedelen in zowel de risico’s als de opbrengsten.
De Beaufort drong erop aan dat de overige erfgenamen van de familie Gelre hierover gezamenlijk een besluit namen.158 Dit leidde tot een intensieve correspondentie tussen De Beaufort en De Lange over de onderhandelingen. In 1801 kondigde De Lange aan De Beaufort in Zeist te willen bezoeken om de situatie verder te bespreken. Het bleek dat de onderhandelingen moeizaam verliepen. Broen hield vast aan een hoge uitkoopprijs en toonde zich weinig bereid tot concessies. Hij waardeerde de plantage Sinabo op 180.000 gulden, een bedrag dat De Lange als onrealistisch beschouwde.159 Rond 1800 maakten De Beaufort en De Lange daarom zelf een schatting van de waarde, waarbij de waarde grotendeels werd gebaseerd op het aantal tot slaaf gemaakten. Uit hun briefwisseling bleek de zakelijke manier waarop naar slaafgemaakten werd gekeken. De Beaufort en Lange bediscussieerden de waarde van de ‘104 koppen’ die tot het plantagebezit behoorden.160 De slaafgemaakten werden door De Beaufort en De Lange gewaardeerd op ongeveer 2.000 gulden per persoon, wat resulteerde in een totale waarde van 208.000 gulden. Deze berekening bracht Broens vraagprijs in een ander perspectief, maar desondanks vond De Beaufort het financiële risico te groot. Het was de vraag of de plantages nog genoeg zouden opbrengen om een dergelijke investering terug te verdienen.
Ook na het overlijden van De Beaufort bleef de eigendomsstructuur deels intact: in 1826 stonden Broen en De Lange nog als eigenaren van de plantages vermeld.161 Vermoedelijk was Broen eigenaar van Gelre en De Lange van Sinabo. Naast zijn betrokkenheid bij plantages had De Beaufort ook directe belangen in de transAtlantische slavenhandel. Hij investeerde in slavenschepen en ontving opbrengsten uit slaventransporten. Ver voor hij naar Zeist trok, in de jaren 1760, had hij geïnvesteerd in een Zeeuws slavenschip en bezat hij aandelen in het fregat Goede Voornemen.162 Tussen 1790 en 1794 maakte dit schip twee slavenreizen tussen de kust van Guinea en Suriname.163 Hoewel de
Utrechts Archief, 53 Briefwisseling van Joachim Ferdinand de Beaufort, inv.nr. 2022 Ibidem 157 Ibidem 158 Ibidem 159 Ibidem 160 Ibidem 161 Database website Suriname Plantages. Digitaal raadpleegbaar: https://www.surinameplantages.com. 162 Paesie, “Slavenhandel werd zelfs Gestimuleerd.” 163 Paesie, “Slavenhandel werd zelfs Gestimuleerd.” 155 156
43
opbrengsten niet uitzonderlijk hoog waren, schreef De Beaufort dat er toch ‘een zoet winsje’ werd gemaakt.164 Tegelijkertijd was hij actief in financiële en verzekeringsconstructies die onderdeel uitmaakten van de koloniale handel. Hij fungeerde als tussenpersoon bij plantageleningen waar hij provisie ontving en was actief in assurantiën die cruciaal waren voor slavenschepen en koloniale handel.165 In de late achttiende eeuw werkte hij samen met Herman Albrecht Insinger, grondlegger van de latere handelsfirma Insinger & Co, een bedrijf dat diepe wortels en winst had in slavernij en koloniale exploitatie. De Beaufort bleef ook later bij dit bedrijf betrokken.166 Joachim Ferdinand de Beaufort overleed in 1817 op 98-jarige leeftijd in Zeist. 167 Uit zijn huwelijk bereikten slechts twee kinderen de volwassen leeftijd. Zijn zoon, Willem Hendrik de Beaufort (1775–1829), onderhield nauwe contacten met Johannes Bernardus Stoop, een vermogende bankier die tussen 1826 en 1846 omvangrijke gronden in Zeist en Woudenberg verwierf en ontwikkelde. 168 169 Via het huwelijk van Joachim de Beauforts kleinzoon, Aernoud Jan de Beaufort (1799–1866), met Anna Aleida Stoop (1812–1885), de enige dochter van J.B. Stoop, kwam in de loop van de negentiende eeuw de bezittingen van de familie Stoop in handen van de familie De Beaufort.
170 Hierdoor breidde de familie haar ruimtelijke en economische invloed in en rond Zeist verder uit. Tot deze bezittingen behoorden onder meer Huis Molenbosch en gronden rond Austerlitz. Op deze locatie liet Aernoud Jan de Beaufort een kerk bouwen, die sinds 1989 bekendstaat als het Beauforthuis.171 Aernoud Jan de Beaufort was voor zover bekend niet betrokken bij de koloniale slavernij. Desondanks had hij vermoedelijk een deel van zijn maatschappelijke status en positie te danken aan zijn voorouders en het kapitaal van zijn schoonfamilie. Het Beauforthuis herinnert alleen in naam aan Joachim Ferdinand de Beaufort. Een vergelijkbare vorm van betrokkenheid is zichtbaar bij Jan Kol II (1789–1848), lid van een vermogende bankiersfamilie en commissaris van de plantage De Nieuwe Vigilantie in Berbice.172 Zijn overgrootvader, ook genaamd Jan Kol (1726-1805), was een van de oprichters van de bank Vlaer & Kol. Hij vergaarde een groot vermogen en was betrokken bij koloniale ondernemingen. Zo was hij 1/600ste eigenaar van de plantages Vredenburg en Louisenburg onder directie van Rocquette & Van de Poll.173 Tevens was hij gecommitteerde van de Utrechtse Sociëteit voor de plantage Utrecht.174 Dit hield in dat hij namens de aandeelhouders toezicht hield op de plantagebeheerders. Jan Kol was de eerste Kol die zich in Zeist vestigde. In 1772 kwam hij in bezit van landgoed Rijnwijk.
Daarnaast had hij op een gegeven moment ook De Breul (1779) en
Paesie, “Slavenhandel werd zelfs Gestimuleerd.” Ibidem. 166 Ibidem. 167 Openbare Verkoping, toegangsnummer 34-4 Notarissen in de stad Utrecht 1560-1905, inventaris nummer: 2347, archieven.nl 168 L. Vork, “De Geschiedenis van het Beauforthuis,” Beauforthuis, November 2025, https://www.beauforthuis.nl/de-geschiedenis-van-het-beauforthuis/. 169 Johannes Bernardus Stoop was zelf ook betrokken bij het koloniale verleden. Hij was de rechterhand van weduwe Borski en handelde namens haar op de Amsterdamse Beurs. Later werd hij firmant van Hope & Co. 170 Vork, “De Geschiedenis van het Beauforthuis.” 171 Ibidem. 172 Utrechts Archief, 715-1 Familie Kol en bankiersfirma’s Vlaer & Kol, inv. nr. 93. 173 Utrechts Archief, 715-1 Familie Kol en bankiersfirma’s Vlaer & Kol, inv. nr. 28. 174 Jouwe, Slavernij en de stad Utrecht, 70. 164 165
44
Heerewegen (1784) in bezit.175 Jan Kol II betrok in 1832 de buitenplaats De Breul. Hij kocht een groot aantal hectares grond rondom de Breul en liet het landschap verder ontwikkelen. Als commissaris was Kol verantwoordelijk voor het financiële en administratieve toezicht op de plantage. Zijn werkzaamheden omvatten onder meer het bijhouden van productiegegevens, financiële resultaten en de omvang en samenstelling van de tot slaaf gemaakte bevolking. De administratie toont een systematische benadering waarin opbrengsten, kosten en ‘bezit’ nauwkeurig werden geregistreerd. Net als bij De Beaufort blijkt uit de correspondentie dat deze betrokkenheid diep ingreep in het dagelijks functioneren van de plantage. Kol hield zich niet alleen bezig met financiële vraagstukken, maar ook met beslissingen over aankoop, verkoop en waardering van tot slaaf gemaakten. Veelal werd de waarde van een plantage direct gekoppeld aan de waarde van de tot slaaf gemaakte bevolking. In 1829, toen de financiële situatie van de plantage verslechterde, vond hierover correspondentie plaats tussen Marcellus Broen en Jan Kol.176 Om de financiële positie te bepalen, maakten zij een schatting waarbij werd uitgegaan van een bedrag van 180 gulden per tot slaaf gemaakte. Op basis hiervan concludeerden zij dat de totale waarde van de plantage lager lag dan de schuldenlast.
In de daaropvolgende correspondentie werd besproken of verkoop noodzakelijk was en of de plantage en de tot slaaf gemaakten gezamenlijk of afzonderlijk moesten worden verkocht. In een later opgesteld document werden instructies gegeven voor deze verkoop.177 De tot slaaf gemaakten dienden in principe per familie te worden verkocht, maar er werd ruimte gelaten om vrouwen en kinderen afzonderlijk te verkopen indien zich geschikte kopers aandienden. Tegelijkertijd moesten ook de koffievoorraden, grond en overige bezittingen worden verkocht waarbij de opbrengsten naar Nederland werden overgemaakt. Hoewel er in instructies werd gesproken over verkoop per familie, bleef de logica primair financieel: mensen werden beschouwd als verhandelbare goederen. Kol had als commissaris directe invloed op deze beslissingen, ondanks zijn fysieke afstand tot de plantage. De casussen van De Beaufort en Kol tonen aan hoe de betrokkenheid vanuit Zeist tot uiting kwam via bestuurlijke en financiële structuren op afstand. Vanuit plaatsen als Zeist werd actief bijgedragen aan het functioneren en in stand houden van het systeem, zij het via minder zichtbare, maar structureel bepalende vormen van betrokkenheid.
4.4 Betrokkenen bij koloniale dwangarbeid in Azië Een van de vroegste koloniale connecties tussen Azië en Zeist kan worden gevonden in de levensloop van Johannes Bastianus van Naamen (1731-1812). Van Naamen vergaarde een aanzienlijk vermogen als onderkoopman en muntmeester in dienst van de Verenigde OostIndische Compagnie en vervolgens als advocaat-fiscaal aan het koloniale hof in Kaapstad.178 Toen hij in 1769 naar Amsterdam terugkeerde, gebruikte hij zijn in Nederlandse koloniën verkregen vermogen als startkapitaal voor zijn nieuwe zaak als kredietverlener en handelaar in onroerend goed. Zo kwam hij in 1788 in het bezit van landgoed De Breul in Zeist en nog meer landgoederen in de provincie Utrecht, zoals de niet ver van Zeist gelegen buitenplaats Sandwijck in De Bilt. In 1793 deed Van Naamen zijn bezit in Zeist voor 9.000 gulden weer van de hand. Dat Utrechts Archief, 715-1 Familie Kol en bankiersfirma’s Vlaer & Kol, inv. nr. 395. Utrechts Archief, 715-1 Familie Kol en bankiersfirma’s Vlaer & Kol, inv. nr. 93. 177 Ibidem. 178 N.M. Welle, “Landgoed Scherpenzeel, een geschiedenis van beheer en exploitatie,” masterscriptie Rijksuniversiteit Groningen (2015), 118. https://www.rug.nl/research/kenniscentrum-landschap/voorstudenten/masterscripties/masterscriptie_n.m._welle_augustus_2015.pdf; J.V.M. Out, De Ambachtsheerlijkheden van de beide Eemnessen (1714-1922), 120. 175 176
45
was met winst, want vijf jaar eerder had hij er 7.300 gulden voor betaald.179 De buitenplaats De Breul bestaat vandaag de dag nog, maar niets herinnert aan Van Naamen. De eerdergenoemde Jan Elias Huydecoper, van 1830 tot 1848 heer van Zeist en tot 1865 eigenaar van Slot Zeist, breidde zijn koloniale zakelijke connecties met het voormalige Nederlands-Indië in de negentiende eeuw sterk uit.180 Zo was hij in de periode 1830-1864 parteneigenaar van in totaal acht schepen die uitsluitend op Java en Sumatra voeren. Dit waren de IJstroom (1/8e part), Elize Henriette (1/8e part), Kijkduin (1/15e part), Anna Digna (1/18e part), Philips van Marnix (1/20e part), Minister Fransen van de Putte (1/20e part), Huydecoper (1/30e part).181 De schepen van Huydecoper vervoerden producten als koffie en suiker die met koloniale dwangarbeid op Java en Sumatra werden verbouwd. Dat transport gebeurde veelal in opdracht van en in samenwerking met de Nederlandsche Handel Maatschappij (NHM), waarin Huydecoper bij zijn overlijden voor zo’n 54.000 gulden aan aandelen aan zijn kinderen naliet. In 1871 werd in Den Dolder – het noordelijkste puntje van de gemeente Zeist – het buitenhuis Prins Hendriksoord gesticht. Dit oord van Willem Frederik Hendrik van OranjeNassau was deel van het landgoed Ewijckshoeve, waarop hij ook de boerderij Ernst Sillemhoeve liet bouwen.
Als zoon van Koning Willem II groeide prins Hendrik op in Paleis Soestdijk, niet ver van het toekomstige Prins Hendriksoord. Van kind af aan was hij al geïnteresseerd in de maritieme wereld en klom op in de rangen van de marine. Hendriks maritieme praktijkervaring maakte hem de eerste van het Oranjehuis die Suriname, Curaçao, Aruba en het voormalige Nederlands-Indië bezocht. Hij stond dan ook bekend als prins Hendrik de Zeevaarder. Op maatschappelijk vlak zette Hendrik zich met verve in voor de bevordering van het Nederlandse zeewezen en was onder meer betrokken bij de oprichting van de Koninklijke Nederlandsche Yachtclub en legde een basis voor het Maritiem Museum Rotterdam. Prins Hendriks bevordering van het Nederlandse zeewezen kwam ook tot uiting in zijn actieve investeringen in de koloniale handelsvaart op de Indonesische Archipel. Zo was hij als investeerder onder andere betrokken bij de oprichting van de Stoomvaart-Maatschappij Nederland (hierna: SMN), die passagiers en goederen tussen Noordwest-Europa en het voormalige Nederlands-Indië vervoerde. Naast koffie en suiker, vervoerde de SMN ook tin, dat werd gewonnen door de in 1852 opgerichte Billiton Maatschappij. Prins Hendrik was grootaandeelhouder en beschermheer van deze Maatschappij.182 De Billiton Maatschappij was actief in de exploitatie van tinmijnen op het eiland Belitung bij Sumatra.
Geheel volgens de normen van de koloniale hiërarchie waren de hogere leidinggevende functies alleen weggelegd voor Europeanen. ‘Het was echter moeilijk personeel voor Billiton te krijgen,’ zo werd in het gedenkboek naar aanleiding van het 75-jarige jubileum van de Billiton Maatschappij gememoreerd. ‘De salarissen moesten zeer laag gehouden worden; over de kans, dat de exploitatie loonend zou worden, liepen de gevoelens uiteen; velen dachten daarover pessimistisch; de vele sterfgevallen onder het Europeesch personeel maakten dienstneming niet aanlokkelijk.’183 De Billiton Maatschappij liet daarop werkkrachten uit China overkomen, om als opzichters toe te zien op het fysiek zware werk dat aanvankelijk Javanen, maar later ook ongeschoolde Chinese arbeiders, tegen schamel loon moesten uitvoeren. Hoewel Chinezen J.C. Kort, ‘Repertorium op de lenen van de hofstede Stoutenburg 1300-1797,’ p. 65. Digitaal raadpleegbaar: https://www.onsvoorgeslacht.nl/wp-content/plugins/typifydatabank/download.php?item_id=4483. 180 Utrechts Archief, 67 Familiearchief Huydecoper, inv.nr. 717. 181 Maritiem Historische Databank ID’s 14772, 15999, 15545, 14949, 14829, 16521, 10516 en 16095. 182 J.C. Mollema, Gedenkboek Billiton 1852-1927, 3, 17, 37. 183 Mollema, Gedenkboek Billiton, 12. 179
46
volgens de witte Europeaan hoger op de door henzelf gedefinieerde trap van ontwikkeling stonden dan Javanen, was er weinig sprake van cultureel begrip of vertrouwen. Zo schreef D.W. Rost van Tonningen, vertegenwoordiger van de Billiton Maatschappij, in 1874 over Chinese arbeiders: ‘Het is een krachtig menschenras, maar men moet hen steeds zorgvuldig in het oog houden en doen gevoelen, dat geene afwijkingen van den goeden weg, welke ook, zouden geduld worden. (…) Zoo onderdanig als de Chinees is zoolang hij u noodig heeft, zoo aanmatigend is hij wanneer hij zich onafhankelijk waant. Waar zijne belangen in het spel zijn, bekreunt hij zich weinig om de billijkheid en is hij zelden voor rede vatbaar en wanneer zijne hartstochten zijn opgewekt, slaat hij lichtelijk tot geweld over.’184 Die hartstocht wekte de Billiton Maatschappij zelf ook onder zijn Chinese arbeiders, die volgens de bedrijfsleiding wel arbeidsvreugd konden ervaren, maar op Belitung verstoken bleven van familiegeluk. ‘Zoveel mogelijk deed men alles om het den Chineezen op Billiton aangenaam te maken. In 1862 werden ruim 100 Javaansche vrouwen daarheen gezonden, die, na aankomst, aan de Chinezen werden uitgehuwelijkt. Zij, die zich het beste gedroegen en zich bij de tinwinning het verdienstelijkst maakten, hadden de eerste keuze. Toch is deze immigratie van vrouwen geen succes geweest.
Er is zoo goed als geen nageslacht uit voortgekomen.’185 Of deze vrouwen de keuze hadden om door de Billiton Maatschappij te worden uitgehuwelijkt is onbekend. De Chinese en Javaanse arbeiders van de Billiton Maatschappij vielen eind negentiende eeuw onder de zogenoemde ‘koelie-ordonnantie’, wat betekende dat de Europese leidinggevenden de arbeiders naar eigen inzicht en zonder tussenkomst van een rechter mochten straffen wanneer hij meende dat er contractbreuk was.186 Prins Hendrik maakte de koloniale wantoestanden die daardoor werden veroorzaakt echter niet mee. Hij overleed in 1879. Als grootaandeelhouder had prins Hendrik een miljoenenkapitaal aan de uitbuitende koloniale tinwinning van de Billiton Maatschappij overgehouden. Na zijn overlijden liet Hendrik zijn vermogen van ruim twaalf miljoen gulden – waarvan een derde uit aandelen in de Billiton Maatschappij bestond – en zijn landgoed in de gemeente Zeist na aan zijn broer koning Willem III en diens vrouw Sophie. Een jaar na prins Hendriks overlijden, in 1880, kocht Isaac Dignus Fransen van de Putte (1822-1902) de buitenplaats Schaerweijde, midden in Zeist. Fransen van de Putte had op dat moment al een lange carrière achter de rug, die vrijwel geheel in het teken stond van Nederlandse koloniën.
In 1838 vertrok hij op zestienjarige leeftijd als matroos in dienst van de Rotterdamse reder Anthony van Hoboken – die na het opheffen van de VOC in 1800 een groot gedeelte de Nederlandse vaart op de Indonesische Archipel overnam. In tien jaar werkte Fransen van de Putte zich op tot stuurman in Van Hobokens rederij, maar koos in 1849 voor vaste grond onder de voeten. Hij vestigde zich op Java en trouwde de daar uit een militaire familie geboren Lucie Henriette Cornets de Groot. Op Oost-Java was Fransen van de Putte achtereenvolgens administrateur en eigenaar van de suikeronderneming Pandji en later ook mede-eigenaar van de tabaksplantage Soekowono en de suikerfabriek Gayam. In het voormalige Nederlands-Indië gold toen het zogenoemde cultuurstelsel (1830-1860), waarin lokale landbewerkers gedwongen werden een vijfde van hun land te beplanten met producten die het Nederlandse koloniale gouvernement bepaalden en die met grote winsten werd verkocht. De lokale boeren verdienden nauwelijks genoeg aan de gedwongen koffie-, suiker-, thee- en indigoteelt om rond te komen en wie geen D.W. Rost van Tonningen, ‘Billiton voorheen en thans,’ De Gids, jaargang 39 (1875), 345. Mollema, Gedenkboek Billiton, 21. 186 Mollema, Gedenkboek Billiton, 60. 184 185
47
eigen grond bezat, werd gedwongen aan infrastructuur als wegen, bruggen en havens te werken.187 Het cultuurstelsel buitte Javanen uit en zorgde in 1845 zelfs voor een regelrechte hongersnood, omdat rijstboeren hun velden moesten aanpassen voor het verbouwen van onder meer suikerriet en de totale rijstproductie niet meer volstond ten opzichte van de vraag.188 Het systeem werkte bovendien corruptie in de hand. Nederlandse ambtenaren en regenten die commissie kregen voor het toezichthouden op de cultures, claimden de beste en vruchtbaarste gronden voor zichzelf en legden beslag op vaak meer dan een vijfde aan producten om wat voor zichzelf te houden.189 De tabaksplantage en twee suikerfabrieken op Oost-Java die Fransen van de Putte beheerde, opereerden onder dit cultuurstelsel. De vermoedelijk niet geringe inkomsten die hij daaruit verwierf, had hij verdiend aan koloniale dwangarbeid van Javaanse boeren. In 1859 keerde Fransen van de Putte terug naar Nederland, waar hij in 1862 voor het kiesdistrict Rotterdam tot Tweede Kamerlid werd verkozen. Fransen van de Putte was nog maar enkele maanden politiek actief toen het wetsontwerp voor de afschaffing van slavernij in Suriname en de Caribische eilanden inhoudelijk ter bespreking aan de Tweede Kamer werd voorgelegd.
Fransen van de Putte toonde zich een progressief, maar gematigd liberaal in de beraadslagingen die van 2 tot en met 10 juli 1862 duurden. Hij nam vooral het woord wanneer het ging over het tienjarige staatstoezicht – waarin de vrijgemaakten na de emancipatie nog tien jaar lang verplicht werden om door te werken op de plantages voordat ze hun eigen arbeidskeuzes mochten maken. ‘Wanneer wij nu het staatstoezigt niet in deze wet opnemen, wat zal de Minister dan moeten doen? Hij zal het dan aan de politie te Suriname moeten overlaten, en nu vrees ik, den dag na de emancipatie, veel meer de politiemaatregelen van het koloniale gouvernement, dan het staatstoezigt. (…) De spreker uit Gorinchem heeft ons de sommen medegedeeld, die de vrijgegeven slaven zelf opgebragt hebben om andere slaven vrij te koopen. Het zal ieder onze genoegen doen dit te vernemen en het strekt om de pogingen van hen, die zooveel aan de vrijmaking der slaven hebben toegebragt, te doen toejuichen. Maar laten wij toch niet te ver gaan. Het is zeker, dat zij, die door de commissie in Suriname belast zijn geweest om die slaven vrij te koopen, de besten er uit gekozen hebben, en die gebleven zijn onder den invloed en de zachte leiding der Moravische Broeders [EBG]. (…) Maar ik geloof dat geen onzer daaruit het gevolg mag trekken, dat het lendemain der emancipatie ons dergelijke geëmancipeerden zal toonen.
Mijns inziens zal politietoezigt veel erger zijn dan staatstoezigt, en als wij nu den Minister zich zien verklaren voor dat staatstoezigt van hoogstens tien jaar, dan geloof ik, dat men daarmede tevreden kan zijn. (…) Ik wil nog even een punt releveren, dat meermalen besproken is, dat is, dat de slaven den dag na de emancipatie geen dak, geene woning en geen grond zullen hebben. Dit is eene van de voorname redenen waarom ik voor dat staatstoezigt gestemd ben. Als zij geen dak, geene woning en geen grond hebben, zal er des te meer aanleiding voor de slaven zijn naar de bosschen te gaan en te verwilderen.’190 Fransen van de Putte was dus een pragmatische voorstander van het staatstoezicht voor de vrijgemaakten. Ondanks dat het de bewegingsvrijheid van de voormalige slaafgemaakten beperkte, geloofde hij dat het alternatief juist ook voor de vrijgemaakten rampzaligere gevolgen had. Tijdens de debatten van vier dagen later, kwam Fransen van de Putte met een aanvulling. ‘De wet voorziet te weinig in het geval dat de vrijgemaakte slaaf door goed gedrag en zedelijkheid Reggie Baay, Daar werd iets gruwelijks verricht (Singel Uitgeverijen, 2015), 227. K. ter Laan, Multatuli Encyclopedie, re. Chantal Keijsper (SDU Uitgeverij, 1995), 108, 403. 189 De Graaf, Voor Handel en Maatschappij, 48. 190 Notulen zitting Tweede Kamer 4 juli 1862.
Digitaal te raadplegen via: https://repository.overheid.nl/frbr/sgd/18611862/0000431255/1/pdf/SGD_18611862_0000161.pdf. 187 188
48
een stuk grond in eigendom bekomt; ik geloof niet dat men zulks mag overlaten aan de grootmoedigheid der plantage-eigenaren. (…) Ik wensch dit met het oog op de vrijgemaakten en ook met het oog op de immigranten, vooral omdat dit zal tegemoet komen in de kosten.’191 Ook hier toonde Fransen van de Putte zich weer van zijn pragmatische zijde en woog het belang van de vrijgemaakte af tegen het Nederlandse economische belang. Op 9 juli 1862 werd het wetsvoorstel voor afschaffing van de slavernij in Suriname per 1 juli 1863, inclusief alle amendementen en wijzigingen vanuit de Tweede Kamer, mede door Fransen van de Putte met 47 stemmen voor en 11 tegen aangenomen. Een dag later volgde de afschaffing van slavernij op de Caribische eilanden met 44 voorstemmen en 7 tegen. Fransen van de Putte was nog geen jaar Tweede Kamerlid toen hij zijn zetel voor de functie van minister van Koloniën verruilde. Die functie vervulde hij zelfs tweemaal: van 1863 tot 1866 en van 1872 tot 1873. In zijn eerste termijn werden onderdelen van het uitbuitende cultuurstelsel en de dwangarbeid in gouvernementsbossen op Java afgeschaft en kwam er een verbod op lijfstraffen met rotanstokken.
In zijn tweede termijn kwam Fransen van de Putte tot overeenstemming met Groot-Brittannië over het afstaan van de Nederlandse bezittingen aan de kust van Guinea – dat bijna twee eeuwen het centrum van de Nederlandse slavenhandel vormde – in ruil voor Britse terugtrekking uit Sumatra ter uitbreiding van de Nederlandse koloniale bezetting van de Indonesische Archipel. Na zijn werk als Tweede Kamerlid en minister van Koloniën, werd Fransen van de Putte in 1880 lid van de Eerste Kamer. Datzelfde jaar kocht hij ook buitenplaats Schaerweijde en andere percelen in Zeist.192 Deze breidde hij uit tot een aanzienlijke lap grond van 240 hectare. Dat was ‘een spaarpot voor zijn kleinkinderen,’ vertelde Fransen van de Putte aan de lokale aannemer J.A. van Nie die voor hem grond in Zeist aankocht.193 Na Fransen van de Puttes overlijden in 1902 werd de NV Schaerweijder Bosschen opgericht, die het grondgebied als een villapark zou gaan exploiteren. Tegenwoordig staat het gebied bekend als het Lyceumkwartier. Koloniale aangelegenheden liepen als een rode draad door de carrière van Isaac Dignus Fransen van de Putte. De op het eerste oog wellicht tegenstrijdige keuzes van Fransen van de Putte kwamen voort uit de liberale idealen van de negentiende eeuw.
Zo was hij absoluut tegen slavernij en lijfstraffen, maar was als oprichter en eigenaar van een suiker- en koffieonderneming wel actief deelnemer aan het uitbuitende cultuurstelsel in het voormalige Nederlands-Indië. Als Tweede Kamerlid was hij persoonlijk betrokken bij de inhoudelijke behandeling van het wetsvoorstel dat leidde tot de Nederlandse afschaffing van slavernij. In zijn twee termijnen als minister van Koloniën zette hij zich vervolgens in om delen van het cultuurstelsel af te schaffen. Net als de Lutherse Gemeente te Berbice, Van Naamen en anderen, belegde Fransen van de Putte zijn met koloniale aangelegenheden vergaarde vermogen te Zeist in groen en steen, naar eigen zeggen als investering voor zijn nageslacht. De dochter van Fransen van de Putte, Jeanne Fransen van de Putte (1857-1932) trouwde met jonkheer Frederik van Rheenen (1850-1916). Hij was lid van de gemeenteraad in Zeist van 1891 tot 1905. Ook deze familie was op verschillende manieren verbonden met het koloniale verleden en verweven in de elite van Zeist. De grootvader van Frederik van Reenen, Jacobus Hendricus van Reenen (1783-1845), was rijkscommissaris bij de Nederlandse HandelMaatschappij (NHM). De moeder van Frederik van Reenen behoorde tot de familie Van de Poll.
Notulen zitting Tweede Kamer 8 juli 1862. Digitaal te raadplegen via: https://repository.overheid.nl/frbr/sgd/18611862/0000431258/1/pdf/SGD_18611862_0000164.pdf. 192 Zeister Historisch Genootschap, Markante Zeistenaren, Zeist (1991), 53, 54. 193 J. H. Heimel, ‘Lyceumkwartier,’ website Geheugen van Zeist. Digitaal raadpleegbaar: https://www.geheugenvanzeist.nl/articles/lyceumkwartier/. 191
49
Pieter van den Arend (1818–onbekend), telg uit een vooraanstaand koopmansgeslacht. In 1861 richtte Pieter van den Arend (1818-onbekend), telg uit een vooraanstaand koopmansgeslacht, een onderneming op gericht op de productie en handel in tabak op Java.194 Samen met Jacobus Nienhuys breidde hij deze activiteiten uit naar Sumatra, waar zij grote stukken land exploiteerden voor tabaksteelt. 195 De organisatie van arbeid binnen deze ondernemingen laat zien hoe koloniale productie afhankelijk was van gecontroleerde en vaak gedwongen arbeidsvormen. Van den Arend gaf Nienhuys toestemming om Chinese contractarbeiders te werven en lokale Karo-Batak boeren via financiële voorschotten aan zich te binden.196 De teelt was zeer arbeidsintensief en vereiste langdurige en zware inzet. Het gebied was dunbevolkt en de lokale arbeiders weigerden regelmatig om zes dagen per week van zonsopgang tot zonsondergang te werken.197 De opbrengsten uit deze tabaksproductie werden deels geïnvesteerd in vastgoed in Nederland. In 1871 verwierf Van den Arend het huis Lommerlust, waarna hij kort daarop een nabijgelegen terrein een nieuwe buitenplaats liet ontwikkelen. Voor de bouw liet hij een bestaand huis slopen en vervangen door een nieuw buitenverblijf genaamd Arendsburg.
– een naam die hij later opnieuw gebruikte voor zijn tabaksmaatschappij.198 Hoewel hij er zelf niet woonde, bleef het landgoed tot 1890 in zijn bezit. Arendsburg bestaat nog altijd. Het landgoed Blanda draagt verwijst met zijn naam eveneens naar de koloniale geschiedenis van Nederlands-Indië. Het oorspronkelijke terrein waarop Blanda werd gebouwd was eigendom van Frans Nicolaas van Bern, de eerste burgermeester van Zeist. 199 Zijn kleinzoon verkocht het later aan de Amsterdamse predikant Herman Anton George Brumond, die er in 1877 een buitenhuis liet bouwen. Het landgoed bleef tot 1893 in bezit van de familie Brumond.200 De naam Blanda – afkomstig uit het Maleis en verwijzend naar ‘Hollander’ of ‘blanke’ – was een bewuste keuze van H.A.G. Brumond. Zijn oudere broer Jan Frederik Gerrit Brumond werkte als zendeling in Nederlands-Indië.201 De naam van de buitenplaats verwees daarmee rechtstreeks naar de koloniale context waarin de familie Brumond actief was. De geschriften die H.A.G. Brumond en zijn broer Jan Frederik Gerrit Brumond publiceerden, bieden inzicht in het ideologische kader dat deze koloniale betrokkenheid legitimeerde. In hun publicaties over Java presenteerden zij de christelijke zending als een beschavingsmissie.
Slavernij en geweld werden daarin weliswaar veroordeeld, maar tegelijkertijd werd de Nederlandse aanwezigheid in de koloniën gerechtvaardigd als noodzakelijk voor de ontwikkeling van de lokale bevolking. In 1854 verscheen J.F.G. Brumonds Indiana over de volken en geschiedenis van de Indische Archipel. In Indiana omschrijft Brumond slavernij en zeeroverij als de ‘nachtelijke kinderen van den nog barbaarschen toestand der volken.’202 Hiermee veroordeelde hij slavernij moreel en typeerde hij deze als kenmerk van een P.W. Janssen, “Medan, 1932,” Koloniale Monumenten, Januari 2016. https://kolonialemonumenten.nl/2016/01/07/p-w-janssenbank-medan-1932/. 195 Janssen, “Medan, 1932.” 196 K.J. Pelzer, Planter and Peasant: Colonial Policy and the Agrarian Struggle in East Sumatra 1863-1947. Vol. 84. (Brill, 1978), 34. 197 Pelzer, Planter and peasant, 35. 198 H. van Asperen, “Omtrekkende Bewegingen,” April 2025, https://hannekevanasperen.nl/omtrekkendebewegingen/. 199 B. van Wijk, Geschiedenis Villa Blanda – Zeist (Zeist: Van de Poll-Stichting 1988), 16. 200 Buitenplaats Blanda,” Buitenplaatsen in Nederland. Digitaal raadpleegbaar: https://www.buitenplaatseninnederland.nl/zeist-blanda.html. 201 “Buitenplaats Blanda.” 202 J.F.G. Brumond, Indiana. Verzameling van Stukken van Onderscheiden Aard, over Landen, Volken, Oudheden en Geschiedenis van den Indischen Archipel (Van Kampen, 1854), 69.
194
50
gewelddadige en onbeschaafde samenleving. Deze opvattingen tonen de complexe positie van Brumond. Hoewel hij slavernij scherp afwees, ondersteunde hij tegelijkertijd de Nederlandse koloniale aanwezigheid als middel om de lokale bevolking te ‘bevrijden’ en ‘beschaven’. Daarbij stelde hij dat Europese begrippen als vrijheid, rechtspraak en staatsbestuur niet onverkort aan de Javanen moesten worden toegepast, omdat zij volgens hem “niet rijp” waren voor dergelijke vormen van vrijheid en wetgeving.203 Zijn visie was daarmee sterk paternalistisch: Brumond zag de inheemse bevolking als afhankelijk van Nederlandse leiding, terwijl hij voorbijging aan het feit dat elders in het rijk, slavernij nog bestond.
4.5 Conclusie Dit hoofdstuk bevat verschillende voorbeelden van particuliere betrokkenheid bij koloniale slavernij verspreid over voormalige Nederlandse koloniën. Niet alleen vond er vanuit Zeist investering in de koloniale slavernij plaats, ook andersom was dit het geval. In 1822 besloot een groep planters uit Berbice hun opbrengsten uit de plantages te investeren in Slot Zeist. Geld dat verdiend werd met slavenarbeid werd zo rechtstreeks geïnvesteerd in Zeist. Dit was bij lange na niet de laatste connectie van Slot Zeist met het koloniale verleden. Op het moment dat Jan Elias Huydecoper het in verval geraakte slot aankocht, was hij commissaris en aandeelhouder in het plantagenegotiatiefonds van de Amsterdamse firma Fraissinet & Van Baak. Samen met Jan de Beaufort en Jan Kol vormde hij een groep bestuurders die aan het eind van de achttiende en begin van de negentiende eeuw vanuit Zeist toezicht hielden op plantages in Suriname en Berbice. Uit de brieven van De Beaufort en Kol blijkt een vergaande bemoeienis met de gang van zaken op de plantages. Wat opvalt is de ontmenselijking van slaafgemaakten op de plantages. De slaafgemaakten werden in de eerste plaats als handelswaar beschouwd. Openlijk wordt gesproken over het uit elkaar halen van moeders en kinderen voor financieel gewin en de waarde van de ‘koppen’ is een terugkerend onderwerp.
Met de komst van Albert Voombergh, vestigde een andere direct betrokkene bij de koloniale slavernij zich in Zeist. Niet alleen was hij zelf in bezit van een aantal slaafgemaakten, via het handelshuis Kettwich en Voombergh was hij betrokken bij verschillende negotiaties. De Voomberghs waren nauw verweven met andere families met een slavernijverleden en zouden de vormgeving van Zeist sterk bepalen. Vandaag de dag zijn Hoog Beek en Royen en Pavia twee van de nog bestaande gebouwen die door hen gebouwd werden. De sporen in Zeist wijzen niet alleen naar betrokkenheid in Zuid-Amerika. Verschillende personen hielden zich bezig met de exploitatie en uitbuiting in Nederlands-Indië. Op allerlei manieren werd door deze figuren geprofiteerd van de opbrengsten uit de toenmalige kolonie. Via tinmijnen, tabaksteelt, suikerondernemingen, en handelsmaatschappijen vloeide de opbrengsten terug naar Nederland en kwamen onder andere terecht in Zeist. Gebouwen die nog altijd een prominente plek innemen in Zeist herinneren aan deze geschiedenis.
203
Brumond, Indiana, 163.
51
5 –Conclusie: historisch onderzoek Dit onderzoek bestrijkt de periode van circa 1677, beginnend met de bouw van Slot Zeist, tot het begin van de twintigste eeuw en omvat zowel de betrokkenheid in Zuid-Amerika als Azië. Centraal staat de vraag in hoeverre de gemeente Zeist als bestuurlijke organisatie en haar inwoners verbonden waren met het koloniale slavernijverleden. Uit het onderzoek blijkt dat de gemeente Zeist als bestuurlijke organisatie geen directe rol speelde in slavernij of koloniale exploitatie. In de gemeentearchieven zijn geen aanwijzingen gevonden voor institutionele betrokkenheid of andere vormen van positionering ten aanzien van slavernij. Deze afwezigheid hangt samen met de historische ontwikkeling van Zeist: als relatief klein en laat gevormde gemeente had zij beperkte invloed en was primair gericht op lokale aangelegenheden. Deze institutionele afwezigheid betekent echter niet dat er geen verbindingen bestonden. Integendeel, voor een deel van de bestuurlijke elite blijkt een verwevenheid met het koloniaal systeem op individueel en familiaal niveau. Een deel van deze elite had het vermogen en de status (deels) te danken aan een verleden in de koloniën, zoals plantagebezit, handel, financiële constructies of investeringen. Zij vestigden zich veelal in Zeist nadat zij hun vermogen hadden vergaard en gingen deel uitmaken van de bestuurlijke elite.
De aard van deze betrokkenheid veranderde in de loop van de tijd. In de achttiende en vroege negentiende eeuw was sprake van relatief directe betrokkenheid, bijvoorbeeld via plantagebezit en bestuurlijke functies binnen koloniale ondernemingen. In latere perioden verschoof dit naar meer indirecte vormen, zoals investeringen, financiële participatie en bestuurlijk toezicht op afstand. Tegelijkertijd verplaatste het zwaartepunt van de koloniale activiteiten zich geleidelijk van de Zuid-Amerika naar Nederlands-Indië. De analyse van individuele casussen en familieverbanden laat zien dat deze betrokkenheid niet op zichzelf stond, maar onderdeel was van bredere netwerken. Via huwelijken, investeringen en gezamenlijke ondernemingen waren families uit de maatschappelijke elite met elkaar verbonden. Deze netwerken maakten het mogelijk dat koloniale rijkdom en invloed, generaties later doorwerkten en een rol speelden in het lokale bestuur en de maatschappelijke verhoudingen in Zeist. De impact van deze koloniale verbondenheid is ook zichtbaar in de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. Een deel van het huidige landschap van Zeist, met name de buitenplaatsen en landgoederen, is tot stand gekomen met kapitaal dat (direct of indirect) voortkwam uit koloniale activiteiten.
Dit geldt naar alle waarschijnlijkheid ook voor een deel van de andere buitenplaatsen en landgoederen buiten Zeist die deel uitmaken van de Stichtse Lustwarande. Slot Zeist en buitenplaatsen zoals Hoog Beek en Royen, Pavia, De Breul, Arendsburg en Blanda vormen tastbare uitingen van deze geschiedenis. Ook in de openbare ruimte blijft deze erfenis zichtbaar. Bijvoorbeeld in de vorm van straatnamen die verwijzen naar historische figuren. Dit onderzoek laat zien dat de relatie tussen Zeist en het koloniale slavernijverleden vooral indirect maar niet incidenteel was. Hoewel de gemeente zelf geen actieve rol speelde, waren een deel van haar bestuurders en invloedrijke inwoners nauw verweven met koloniale netwerken en kapitaalstromen. Daarmee wordt duidelijk dat ook een relatief kleine en landinwaarts gelegen gemeente als Zeist deel uitmaakte van een breder systeem van koloniale exploitatie, waarvan de sporen tot op heden zichtbaar zijn. Tegelijkertijd past deze ontwikkeling in een breder patroon dat ook zichtbaar is in omliggende gemeenten binnen de Stichtse Lustwarande, waar vermogende families zich vestigden en waarvan een deel kapitaal aan koloniale activiteiten te danken had, investeerden in 53
buitenplaatsen. In die zin is de geschiedenis van Zeist niet uitzonderlijk. Wat Zeist echter onderscheidt, is de aanwezigheid van zowel Slot Zeist als de Evangelische Broedergemeente. Deze combinatie zorgde voor een unieke samenkomst van bestuurlijke, economische en religieuze verbindingen met de koloniale wereld, waardoor de lokale verwevenheid met het koloniale verleden een eigen karakter kreeg.
54
6 – Huidige inwoners van Zeist over de omgang met het slavernijverleden Steeds vaker wordt de vraag gesteld hoe de huidige tijd zich verhoudt tot het koloniaal en slavernijverleden. In de afgelopen decennia is door wetenschappelijke publicaties de geschiedenis van de Nederlandse slavenhandel en slavernij in Amerika, Afrika en Azië uitgebreid belicht.204 Deze studies over de Nederlandse slavernij zijn nauw verbonden met de vraag hoe de erfenissen van slavernij voortleven in het heden. Opvallend daarbij zijn de actuele maatschappelijke discussies in Nederland.205 Daarnaast groeit de belangstelling voor onderzoek naar de relatie tussen onderwijsachterstanden, lichamelijke gezondheidsproblemen en intergenerationeel trauma onder hedendaagse met het slavernijverleden.206 Met dit hoofdstuk wordt getracht om de koppeling te maken tussen de uitkomsten uit het historische onderzoek en de huidige tijd. Hoe kijken huidige inwoners naar het koloniaal en slavernijverleden en hoe zouden zij graag zien dat de gemeente hiermee omgaat? Via het panel van Kieskompas zijn 537 vragenlijsten afgenomen onder inwoners uit de gemeente. Deze inwoners is hun mening gevraagd over ervaren doorwerkingen, discriminatie en de omgang met het verleden. Daar waar mogelijk worden de resultaten uitgesplitst naar relevante achtergrondkenmerken.
6.1 Doorwerkingen en discriminatie Het eerste deel van de vragenlijst ging over de vraag of inwoners van Zeist doorwerkingen van het slavernijverleden ervaren. Hieraan gekoppeld is het thuis voelen in de gemeente en de mate waarin ongelijkheid en discriminatie worden ervaren. Eén van de doorwerkingen van het koloniaal en slavernijverleden is het ontstaan van ongelijkheid, sociaaleconomisch maar ook in wereldbeeld. Er zijn aanwijzingen dat het wereldbeeld, dat de witte mens boven de mensen van kleur staat, sporen heeft nagelaten in zowel het bewuste als het onderbewuste, bij zowel witte personen als bij mensen van kleur.207 Zeistenaren voelen zich thuis, maar ervaren racisme en kloof tussen arm en rijk De Zeistenaren is gevraagd naar de manier waarop zij hun leven in Zeist ervaren aan de hand van een aantal stellingen (figuur 6.1). De Zeistenaren zijn erg positief over Zeist voor wat betreft het thuis voelen en de ruimte die er is voor verschillende meningen. Bijna 80 procent van de inwoners voelt zich (erg) thuis in Zeist en een iets kleiner deel (73 procent) geeft aan dat er (veel) ruimte is voor verschillende meningen. Er zijn echter ook tekenen dat er ongelijkheid wordt ervaren.
Een vijfde van de Zeistenaren is het (helemaal) oneens met de stelling dat in Zeist iedereen gelijk wordt behandeld, drie op de vier Zeistenaren is het (helemaal) oneens met de stelling dat er weinig ongelijkheid is tussen arm en rijk in de gemeente en slechts 17 procent van
R. Welie, “Slave trading and slavery in the Dutch colonial empire: A global comparison” in New West Indian Guide 82 (1&2) (2008), 47. 205 R.M. Allen, E. Captain, M. van Rossum & U. Vyent, “Dutch Colonial Slavery and Its Afterlives: Introduction,” in Slavery and The Dutch State: Dutch Colonial Slavery and Its Afterlives ed. by R.M. Allen, E. Captain, M. Rossum & U. Vyent, (Leiden: Leiden University Press, 2025), 13. 206 A. van Stipriaan, “Literatuurverkenning over de doorwerkingen van het Koloniaal en Slavernijverleden,” in Het Koloniaal en Slavernijverleden Onder de Aandacht: Een Onderzoek naar het Draagvlak Onder ZuidHollanders (Risbo, 2024), 40. 207 Van Stipriaan, “Literatuurverkenning over de doorwerkingen”, 40. 204
55
de Zeistenaren is van mening dat er geen racisme is in Zeist. Meer dan de helft geeft aan dat er wel sprake is van racisme in Zeist.
Ik voel mij thuis in Zeist 2 6
14
Er is ruimte voor verschillende meningen in Zeist 2 7 In Zeist wordt iedereen gelijk behandeld 1
59
Niet mee eens
36 48
8 0%
14
29
26
In Zeist is geen racisme
40
19 21
In Zeist is er weinig ongelijkheid tussen arm en rijk
Helemaal niet mee eens
38
18
44 20% Neutraal
13
32 40% Mee eens
60%
7 1 12
80%
5 100%
Helemaal mee eens
Figuur 6.1: Mate waarin Zeistenaren het eens zijn met stellingen over het leven in Zeist (in procenten) Bron: Risbo/Kieskompas
Om te kijken of er verschillen bestaan in de mate waarin personen met verschillende achtergronden zich thuis voelen in Zeist, is gekeken naar de antwoorden van zowel personen met een Nederlandse herkomst als personen met een herkomst in voormalig Nederlandse koloniën op deze stellingen (zie tabel b6.1 in de bijlage). Personen met een herkomst in de voormalig Nederlandse koloniën zijn het vaker (helemaal) oneens zijn met de stellingen dan personen met een Nederlandse herkomst. Dit zien we het sterkst bij de stelling “In Zeist wordt iedereen gelijk behandeld”: 46 procent van de personen met een herkomst in voormalig koloniën is het hier niet mee eens, ten opzichte van 17 procent van de personen met een Nederlandse herkomst. Bovendien zien we dat bijna een kwart van de personen met een herkomst uit voormalig koloniën het (helemaal) oneens is met de stelling dat er ruimte is voor verschillende meningen in Zeist, terwijl slechts 5 procent van de personen met een Nederlandse herkomst hetzelfde vindt. Met andere woorden, er zijn grote verschillen in de beleving van personen met een herkomst uit de voormalig koloniën en personen zonder migratieachtergrond. Merendeel inwoners ziet en ervaart geen doorwerking van slavernijverleden Een belangrijke vraag waar moeilijk een concreet antwoord op is te geven, is welke doorwerkingen het koloniaal en slavernijverleden vandaag de dag nog kent.
Veel van deze ervaringen zijn persoonlijk en afhankelijk van de achtergrond van de respondent. Aan inwoners van Zeist is daarom gevraagd of er doorwerkingen van de slavernij in de gemeente voelbaar zijn, of zij die doorwerkingen zelf ervaren en of het nodig is om aandacht te geven aan deze doorwerkingen (zie figuur 6.2).
56
In de Zeister samenleving zijn nog steeds doorwerkingen van het slavernijverleden voelbaar
44
Ik ervaar zelf doorwerkingen van het slavernijverleden in Zeist, bijvoorbeeld in de vorm van kansenongelijkheid of discriminatie
56
Ik vind de aandacht voor doorwerkingen van het slavernijverleden nodig, niet iedereen heeft gelijke kansen.
Helemaal niet mee eens
30
31
16
0%
20%
40%
Niet mee eens
Neutraal
13
Mee eens
60%
11
12
3
33
6 41
27
13
80%
100%
Helemaal mee eens
Figuur 6.2: Mate waarin Zeistenaren het eens zijn met stellingen over de ervaren doorwerking van het slavernijverleden in Zeist (in procenten) Bron: Risbo/Kieskompas
Bijna drie op de vier Zeistenaren is van mening dat er geen tot weinig doorwerkingen van het slavernijverleden in Zeist voelbaar zijn. Ongeveer tien procent is neutraal en vijftien procent ervaart wel (sterke) doorwerkingen. Vervolgens is gevraagd in hoeverre de respondent zelf doorwerkingen van het slavernijverleden ervaart. Bijna 90 procent van de Zeistenaren geeft aan geen doorwerkingen te ervaren. Om een beter beeld te krijgen, is gekeken of er verschillen zijn in de antwoorden van personen met verschillende herkomst (zie tabel b6.2 in de bijlage). Personen zonder migratieachtergrond geven in vergelijking met personen met een achtergrond uit één van de voormalige koloniën minder vaak doorwerkingen van het slavernijverleden op te merken in Zeist. Van de personen met een herkomst uit de voormalige koloniën merkt één op de drie personen (36 procent) nog doorwerkingen van het slavernijverleden in Zeist. Ook bij een uitsplitsing naar leeftijdscategorieën zien we verschillen in antwoorden: jongere personen (18-34 jaar) zien vaker doorwerkingen in de huidige samenleving dan personen van ouder dan 35 jaar. Dezelfde analyse is gedaan voor de mate waarin Zeistenaren zelf doorwerkingen ervaren. Waar van de personen met een Nederlandse herkomst slechts vijf procent doorwerkingen ervaart, is dit bij personen met een herkomst in voormalig Nederlandse koloniën 25 procent.
Vervolgens is de vraag gesteld in hoeverre de aandacht voor doorwerkingen anno nu nodig is. De uitkomsten op deze vraag duiden op verdeeldheid onder de bevolking. Vier op de tien Zeistenaren is het (helemaal) eens met de stelling dat de aandacht voor de doorwerkingen nodig is omdat niet iedereen gelijke kansen heeft. Een iets grotere groep inwoners is het daar juist (helemaal) niet mee eens (47 procent). Opvallend genoeg is de neutrale middengroep met 13 procent relatief klein. Ook hier zien we dat leeftijd een rol speelt bij hoe iemand deze stelling beantwoordt: jongere personen zijn het vaker eens met deze stelling dan oudere personen. Iemands herkomst is minder van invloed op de antwoorden op deze stelling.
6.2 Kennis over het slavernijverleden Uit het voorgaande bleek dat Zeistenaren zich over het algemeen thuis voelen in de gemeente en dat er ruimte is voor verschillende meningen. Tegelijkertijd kwam naar voren dat een relatief 57
groot deel benoemt dat er sprake is van racisme binnen de gemeente, maar dat er weinig doorwerkingen van het koloniaal en slavernijverleden worden ervaren. Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat vormen van ongelijkheid en racisme niet samenhangen met het slavernijverleden, of niet als zodanig worden herkend. Het is dan ook relevant om te weten in welke mate Zeistenaren kennis hebben over het slavernijverleden en of zij er meer over zouden willen weten. Inwoners hebben weinig kennis over slavernijverleden Zeist en wat gemeente doet rondom het onderwerp De Zeistenaren zijn verschillende stellingen voorgelegd over hun kennis en kennisbehoefte (figuur 6.3).