PR26.127 Bijlage 1. Onderzoeksinstituut RISBO - Rapport 'Sporen van het slavernijverleden in Zeist'
Tekst van het document
55 Van Galen, “Wat zal er met ons gebeuren als wij geen slaven meer hebben?” 104. 56 ”De berigten uit de Heidenwereld,” in Overijssel, 05-08-1847. 52
22
Daniel Jan Heerendijk, smeden Stephan Vigelant Hulle en Henry Francois Baard, en huismeiden Petronella Truy Leliendaal en Anna Graaf, alle acht ‘afkomstig van de EBG en de Firma Kersten’, vrijgelaten.57 In Nederland kwam de maatschappelijke discussie over de afschaffing van slavernij pas echt op gang vanaf de jaren veertig van de negentiende eeuw. In eerste instantie ging die over de moraliteit ervan, waar drukwerken als die van Tank en voornamelijk Brits-gelieerde abolitionisten lijnrecht tegenover bijvoorbeeld opiniestukken in kranten stonden. In het Algemeen Handelsblad verscheen in 1845 een artikel dat fel inging tegen beschuldigingen van ‘de onmenschelijkheid en onzedelijkheid der Hollandsche planters’ door de British and Foreign Anti-Slavery Reporter.58 De Reporter voegde nog toe dat slavernij volgens hen niet enkel onmenselijk en onzedelijk was, maar elke poging tot christelijke bekering onmogelijk maakte zolang de bekeerling in slavernij gehouden werd. Het Algemeen Handelsblad reageerde verontwaardigd op deze stellingen en antwoordde dat dat het geval kon zijn in Britse koloniën, maar zeker niet in Suriname waar het zendingswerk zo uitgebreid was. ‘Het zal niet moeijelijk zijn dit overtuigend te bewijzen, de Broedergemeente te Zeist zal zulks kunnen bevestigen.
(...) Zoo waarachtig als bovenvermelde daadzaken zijn, zo bedriegelijk zijn de beschuldigingen tegen de Nederlandsche kolonisten. Zij zijn noch wreedaardig, noch zedeloos.’59 Terwijl de morele noodzaak tot afschaffing relatief snel breed gedragen werd, sleepte de politieke besluitvorming rondom het onderwerp jarenlang voort. Dat kwam hoofdzakelijk door het ontbreken van overeenstemming over de compensatie voor slaveneigenaren die volgens politici financieel te veel zouden lijden door onteigening van de mensen die zij als hun bezit zagen. De EBG ondernam inmiddels concrete actie ter bevordering van de emancipatie en werkte sinds 1853 samen met de Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering van de Afschaffing der Slavernij en het Dames-comité ter Bevordering van de Evangelieverkondiging en de Afschaffing der Slavernij in Suriname. De Maatschappij en het Dames-comité stuurden de hernhutters in Zeist jaarlijks geld toe om in Suriname ‘aan slaven wier omstandigheden bijzonder drukkend waren, de hulpzame hand te leenen, ten einde zich vrij te koopen.’60 Het Dames-comité had daarvoor de aanvullende voorwaarde dat hun donaties uitsluitend gebruikt werden ten behoeve van christelijke slaafgemaakte kinderen en vrouwen.61 Het is niet duidelijk precies hoeveel mensen de EBG op deze manier heeft vrijgekocht.
Met betrokken partijen maakte de EBG namelijk afspraken over het stilhouden van hun bijdragen.62 Tegelijkertijd bezat de EBG nog altijd slaafgemaakte mensen. Pas in 1858 verkreeg de laatste van hen, Sophia Christina Hees, haar vrijheid.63 Dat het decennialange zendingswerk van de EBG in Suriname in ieder geval ruim zijn vruchten had afgeworpen, bleek wel bij de afschaffing van de slavernij per 1 juli 1863. Op de registratieformulieren van bijna 21.000 vrijgemaakte Afro-Surinamers was de EBG als geloofsovertuiging vermeld – meer dan de helft van het totaalaantal vrijgemaakten van circa 40.000.64
Nationaal Archief, database Suriname: Vrijgelaten slaven (manumissies) 1832-1863. ”West-Indische Bezittingen,” Algemeen Handelsblad, 20-01-1845. 59 Ibidem. 60 Utrechts Archief, 48-1 Zeister Zendingsgenootschap, inv.nr. 825. 61 Utrechts Archief, 48-1 Zeister Zendingsgenootschap, inv.nr. 184-a. 62 Utrechts Archief, 48-1 Zeister Zendingsgenootschap, inv.nr. 825. 63 Van Galen, “Wat zal er met ons gebeuren als wij geen slaven meer hebben?” 105. 64 Nationaal Archief, Suriname en Nederlandse Antillen: Vrijverklaarde slaven (Emancipatie 1863). 57 58
23
2.2.5 Cornelis Winst Blijd Tijdens de viering van vijftig jaar afschaffing van slavernij in 1913 werd predikant Cornelis Winst Blijd (plantage St. Barbara, 1860 – Paramaribo, 1921) in de kerk van de hernhutters te Zeist tot presbyter65 van de Evangelische Broedergemeente benoemd.66 Hij werd daarmee de eerste AfroSurinaamse presbyter van de hernhutters sinds zij bijna honderdtachtig jaar eerder begonnen met hun zendingswerk te Suriname. Blijd werd in slavernij geboren op de suikerplantage St. Barbara in Suriname en was de zoon van Wilhelmina Blijd (1838-1864), die als slaafgemaakte veldmeid op St. Barbara werd gehouden. De plantagedirecteur die aangifte van de geboorte moest doen ‘teekende den pasgeboren slaaf aan onder den naam van Winst. Winst! Zou deze naam mogelijk gekozen zijn met het oog op de vermeerdering van de inkomsten van de plantage bij de uitkeering van het Emancipatiegeld, f. 300? In dat geval was deze geboorte zeker als Winst te boeken en dit zou met de grootste nauwkeurigheid geschieden,’ werd later opgetekend in een publicatie ter nagedachtenis aan Blijd.67 Blijd verloor zijn moeder al op jonge leeftijd. Hij was vier toen zijn moeder op zesentwintigjarige leeftijd, net een jaar na de afschaffing van slavernij, overleed.
Blijds vader – wiens naam onbekend is – heeft hem vervolgens in eigen woorden ‘zoo goed hij kon’ verzorgd.68 Op zevenjarige leeftijd verloor Blijd ook zijn vader, waarna zijn grootmoeder van vaderszijde, ‘die mij innig liefhad en mij ook vertroetelde,’ hem opvoedde. Zijn grootmoeder wist Blijd te enthousiasmeren voor de christelijke leer, ondanks dat ze nooit had geleerd te lezen of schrijven - en dus ook de bijbel niet aan hem kon voorlezen. In 1873, toen Blijd dertien jaar oud was, kwam ook zijn grootmoeder te overlijden en werd hij opgevangen in het gezin van een tante te Paramaribo. In 1879 deed Blijd zijn belijdenis en raakte geïnspireerd door zijn leraar van de EBG J. Haller. Blijd maakte er een gewoonte van om iedere zondag na de kerkdienst even langs te gaan bij Haller, van wie hij op den duur de moed ingesproken kreeg om predikant te worden. Ondanks herhaalde zelftwijfel van Blijd, werd hij in 1902 als eerste Afro-Surinamer benoemd tot predikant van de Evangelische Broedergemeente. Blijds werk in achtereenvolgens Paramaribo, op de plantages Waterloo en Domburg, en weer in Paramaribo werd in 1913 bekroond door zijn benoeming tot dominee. ‘Woorden heb ik te weinig om de aandoening mijns harten te vertolken,’ verklaarde Blijd tijdens zijn benoemingstoespraak in Zeist.
‘Mijn naam is Blijd en tiendubbel blijdde ben ik op dezen dag! Er zullen weinig onder de hoorders zijn die vreemd opkijken een zwarte te zien optreden in dezen kring. (...) Heden is het 50 jaar geleden dat de slavernij werd afgeschaft. In 1860 geboren, was ik toen 2,5 jaar oud, maar toch heb ik er van mijn voorouders veel van gehoord. Gruwelen zijn er bedreven, onschuldige kinderen zijn afgeranseld, het huwelijk is geschonden. Voorbeelden voor het grijpen. Maar op een dag als deze denken we daar niet aan. Nu prijzen wij God voor 't ons gegeven goed!’69 Voordat hij naar Paramaribo terugkeerde, trok Blijd langs enkele steden in Nederland. ‘In Rotterdam, in Den Haag, in Amsterdam, overal sprak de negerzendeling voor stampvolle kerken. In Den Haag had hij de eer onder zijn gehoor te zien de Koningin en vier ministers. (…) De heer Blijd richtte zich in ’t bijzonder tot de Koningin om uiting te geven aan de groote vreugde, dat het Het geestelijk ambt binnen de EBG bestaat uit drie graden: diaconus, presbyter en bisschop. Een presbyter is de middelste rang, voor bisschop. 66 R. Tjon A Yong-Nahar, “Cornelis Winst Blijd 1860-1921,” in Emancipatie 1863-1963 (1964), 122. 67 T.A.C. Comvalius, Ter nagedachtenis aan Cornelis Winst Blijd, in leven predikant en presbyter der Evangelische Broedergemeente in Suriname (Paramaribo, 1921), 6, 7.
68 Utrechts Archief, 48-1 Zeister Zendingsgenootschap, inv.nr. 690. 69 ”120e Zendingsfeest der Broedergemeente,” Weekbode Zeist, Driebergen en Omstreken, d.d. 05-071913. 65
24
hem als vertegenwoordiger van het zwarte ras in Suriname – dat gisteren het jublieum van zijn vrijheid vierde – heden vergund was vóór H.M. de Koningin te staan (…) Spreker wenschtte daarom aan H.M. over te dragen de hulde van zijn volk, dat zoo dankbaar is voor alle zegeningen, die het heeft mogen genieten onder H.M.’s regeering. Spreker hoopte, dat Gods zegen zou mogen blijven rusten op H.M.’s arbeid, opdat deze zou blijven strekken ook tot ontwikkeling van de zwarte onderdanen.’70 Cornelis Winst Blijd werd vanwege zijn toegankelijke persoonlijkheid alom geprezen, te meer op zijn begrafenisdienst in de Grote Stadskerk te Paramaribo in 1921. ‘Overal heeft die droeve tijding ontroering en belangstelling teweeggebracht. Want wij mogen gerust zeggen: hij was één van de meest populaire en beminde persoonlijkheden uit onze samenleving, bij hoog en laag; bij jong en oud, ook buiten onze Gemeente. Elk noemde zijn naam met diep respect, hij stond als het ware tussen, of beter gezegd boven, partijen; boven alle verschil van huidskleur, van confessie en gezindte. Hij was de man van het algemeen vertrouwen.’71
2.3 Conclusie Eén van de vroegste connecties tussen Zeist en het slavernijverleden lag bij de bouw van Slot Zeist in 1677. Het slot vormde een centrale schakel in de latere koloniale verbindingen van de gemeente. Van Nassau-Odijk was naast heer van Zeist ook eerste edele in de Staten van Zeeland, een functie die zijn achterneef stadhouder Willem III aan hem delegeerde. In die hoedanigheid trad hij in 1682 op als ondertekenaar van de verkoopakte van de kolonie Suriname. Ook op lokaal niveau ontstonden verbindingen met het slavernijverleden. Willem Damhoff, die namens de eigenaar van Slot Zeist als rechtspreker en ordehandhaver werkte, raakte via zijn huwelijk in 1738 verbonden met de slavernij door plantagebezit in Suriname. Hiermee wordt zichtbaar dat bestuurlijke functies in Zeist verweven konden zijn met koloniale netwerken. Vanaf 1745 vestigde de Evangelische Broedergemeente zich in Zeist, wat een nieuwe vorm van betrokkenheid inluidde. De gemeenschap onderhield diverse economische en religieuze relaties met de koloniale wereld. De vestiging van de EBG stimuleerde de lokale nijverheid door de oprichting van winkels en fabrieken waarin grondstoffen uit de koloniën werden verwerkt. Daarnaast waren individuele leden betrokken als mede-eigenaar van schepen die op Oost-Azië voeren en koloniale goederen importeerden.
Opbrengsten werden deels geïnvesteerd in koloniale ondernemingen, waaronder plantagefinanciering. De betrokkenheid van de EBG kreeg ook vorm in het zendingswerk in Suriname, waarmee vanaf 1735 een langdurige relatie ontstond. Binnen dit zendingswerk vervulde de EBG een ambivalente rol. Enerzijds hield de gemeenschap zelf personen in slavernij en opereerde zij binnen het koloniale systeem, anderzijds probeerde zij slaafgemaakten en marrongemeenschappen te bekeren en trad zij in bepaalde gevallen op als bemiddelaar richting het koloniale gouvernement. Deze positie bracht spanningen met zich mee, bijvoorbeeld waar religieuze doelstellingen botsten met economische en bestuurlijke belangen. In de loop van de negentiende eeuw ontwikkelde zich binnen de EBG geleidelijk kritiek op de slavernij. Vanaf het midden van de negentiende eeuw groeide de overtuiging dat afschaffing noodzakelijk was. Met steun van andere organisaties ging de EBG over tot het vrijkopen van slaafgemaakten, zij het op beperkte en niet volledig transparante schaal. De langdurige aanwezigheid van de EBG in Suriname blijkt bij de afschaffing van de slavernij in 1863: een aanzienlijk deel van de vrijgemaakte Afro-Surinamers was aangesloten bij deze geloofsgemeenschap. 70 71
‘Het succes van den negerzendeling Blijd,’ De West: Nieuwsblad uit en voor Suriname, 05-08-1913. Tjon A Yong-Nahar, “Cornelis Winst Blijd,” 123.
25
De geschiedenis van Cornelis Winst Blijd illustreert hoe deze koloniale en religieuze verbanden ook op individueel niveau tot uiting kwamen. In 1913 werd deze geschiedenis zichtbaar in de benoeming van Blijd tot presbyter in Zeist. Als in slavernij geboren AfroSurinamer en later predikant van de EBG was hij zowel direct verbonden met het slavernijverleden, maar stond hij ook aan de wieg van verandering. De uitkomsten in dit hoofdstuk tonen aan dat de verbinding tussen Zeist en het slavernijverleden bestonden uit een samenhang van bestuurlijke, economische en religieuze netwerken. Slot Zeist en de Evangelische Broedergemeente fungeerden als belangrijke knooppunten waar deze verschillende vormen van betrokkenheid samenkwamen.
26
3 – Betrokkenheid van de gemeente Zeist en haar bestuurders bij de slavernij In dit hoofdstuk wordt een onderscheid gemaakt tussen de betrokkenheid van de gemeente als bestuurlijke organisatie (paragraaf 3.1) en die van bestuurders als individuen (paragraaf 3.2). De analyse richt zich op betrokkenheid in directe zin, bijvoorbeeld als bestuurder of eigenaar van een plantage, maar ook op meer indirecte vormen, zoals aandeelhouderschap of maatschappelijke posities die (deels) voortkwamen uit het koloniale verleden. In lijn met de ontwikkeling van de gemeente als bestuurlijke organisatie, ligt de focus in dit hoofdstuk op de betrokkenheid in de negentiende eeuw, met enkele uitlopers naar de twintigste eeuw.
3.1 De betrokkenheid van de gemeente bij de koloniale slavernij Eén van de centrale vragen in dit onderzoek was of de gemeente Zeist als bestuurlijke organisatie betrokkenheid had bij het koloniaal en slavernijverleden. Uit bestudering van de gemeentearchieven blijkt dat hiervoor geen aanwijzingen zijn gevonden. Er zijn geen sporen aangetroffen die duiden op direct of indirect eigenaarschap in de koloniën, noch op investeringen in plantages, negotiaties of bedrijven die gebruikmaakten van arbeid van tot slaafgemaakten. Evenmin zijn er aanwijzingen gevonden dat de gemeente zich expliciet uitsprak tegen slavernij of de behandeling van tot slaafgemaakten. Dit wijst erop dat dergelijke kwesties geen onderwerp vormden van lokaal bestuur. In de beschikbare bronnen wordt nauwelijks gerefereerd aan ontwikkelingen buiten de directe gemeentelijke context. Het ontbreken van bestuurlijke betrokkenheid kan worden begrepen vanuit de historische ontwikkeling van de gemeente Zeist. De afwezigheid van betrokkenheid hangt samen met de relatief late institutionele ontwikkeling van de gemeente. Zeist begon als een kleine, bescheiden nederzetting.
Hoewel de naam ‘Seist’ voor het eerst opduikt in een schriftelijke bron uit de negende eeuw, ontstond de gemeente die we nu kennen pas aan het begin van de negentiende eeuw.72 Het ontstaan van de gemeentelijke organisatie viel samen met de Franse tijd (1795-1813) waarin er sprake was van Franse bezetting. In deze periode werd een nieuw bestuursmodel ingevoerd, gebaseerd op Franse principes, wat leidde tot een eerste systematische gemeentelijke indeling. De eerste notulen van de gemeenteraad dateren uit 1811 en waren aanvankelijk in het Frans opgesteld; na 1813 schakelde men over op het Nederlands. 73 Tegelijkertijd nam het economisch belang van de koloniale economie geleidelijk af en ontstonden bredere maatschappelijke discussies over slavernij.74 Het Franse bewind markeerde het begin van het einde van de Nederlandse slavenhandel. Om soevereiniteit van Frankrijk te verkrijgen, moest Nederland van Groot-Brittannië de slavenhandel afschaffen in 1814.75 Dit betekende echter alleen de afschaffing van de handel in tot slaaf gemaakten, niet het einde van de slavernij als systeem. Wie geboren werd in slavernij was bij leven nog steeds een tot slaaf gemaakte.
T. Groenedijk, Nederlandse plaatsnamen. (Hoogeveen: Slingenberg Boekproducties, 2020), 290. Gemeentearchief Zeist, 1020 Gemeentebestuur Zeist, 1599-1905, inv. nr. 101. 74 L. Lauret, “Dutch Politics and Slavery in the Nineteenth Century,” in Slavery and the Dutch State: Dutch Colonial Slavery and Its Afterlives, ed. R. M. Allen, E. Captain, M. van Rossum & U. Vyent (Leiden University Press, 2025), 139. 75 K. Nimako, “Dutch Atlantic Chattel Slavery,” in in Slavery and the Dutch State: Dutch Colonial Slavery and Its Afterlives, ed. R. M. Allen, E. Captain, M. van Rossum & U. Vyent (Leiden University Press, 2025), 133. 72 73
27
Gelet op deze ontwikkelingen op mondiaal niveau, is het niet verwonderlijk dat Zeist als jonge gemeente, zich niet bezighield met koloniale aangelegenheden. De gemeente was nog volop in ontwikkeling. In de eerste decennia van het gemeentebestuur was de bestuurlijke reikwijdte bovendien beperkt. Zeist was een klein dorp waar nog weinig gebeurde. Zo telde de gemeente in 1815, 1.717 inwoners, verspreid over 290 woningen en enkele buitenplaatsen en kerken.76 Bij de invoering van het kadaster in 1832 bestond ongeveer 70 procent van het grondgebied nog uit heidevelden, dennenbossen en hakhoutbos. Rond 1851 was de bevolking van Zeist gegroeid naar ongeveer 3.400 inwoners en begon het dorp meer te lijken op het huidige Zeist. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in de negentiende eeuw, zoals blijkt uit de notulen van de gemeenteraad, dat men zich voornamelijk bezighield met lokale aangelegenheden, zoals regelgeving, belastingen en openbare orde.77 Het ontbreken van bestuurlijke betrokkenheid betekent echter niet dat er in bredere zin geen verbindingen met het slavernijverleden bestonden. Individuele bestuurders bleken als privépersoon wel degelijk verbonden met het koloniale verleden, bijvoorbeeld via familieachtergronden of economische belangen.
3.2 Bestuurders en hun betrokkenheid bij de koloniale slavernij Aan het begin van de negentiende eeuw werd de gemeenteraad gevormd door een kleine groep mannelijke bestuurders uit de maatschappelijke bovenlaag. Het was niet ongebruikelijk dat bestuurders tien tot twintig jaar een functie vervulden, waardoor het aantal personen dat bestuurlijke invloed uitoefende relatief beperkt bleef. In de periode 1811-1851 telde de raad 27 verschillende leden.78 In de periode 1813-1850 werden leden van de gemeenteraad aangesteld. Bestuurders werden benoemd door hogere bestuurslagen, waarbij de burgemeester door de koning werd aangesteld en raadsleden door Gedeputeerde Staten.79 Met de invoering van het censuskiesrecht in 1850 bleef politieke participatie beperkt tot een kleine groep vermogende mannen. Hierdoor bleef bestuurlijke macht geconcentreerd binnen een beperkte kring van families, ook na latere uitbreidingen van het kiesrecht. Als gevolg hiervan hadden deze families een dominante positie binnen het lokale bestuur. Veel bestuurders waren afkomstig uit gegoede families die zich vanaf de zeventiende en achttiende eeuw in Zeist en omgeving vestigden.
Zeist ontwikkelde zich tot een verblijfsplaats voor welgestelde stedelingen, voornamelijk uit Utrecht en Amsterdam, die buitenplaatsen gebruikten als zomerverblijf.80 Rond deze tijd ontstond de Stichtse Lustwarande, een verzameling van meer dan honderd buitenplaatsen en landgoederen waar de buitenplaatsen van Zeist onderdeel van uitmaken. In de negentiende eeuw nam deze ontwikkeling verder toe, mede door de verkaveling van grond die eerder tot Slot Zeist behoorde.81 Buitenplaatsen zoals Hoog Beek en Royen (1818), Ma Retraite (1816), De Breul (1827) en Schoonoord (1818) getuigen hiervan. Steeds meer vermogende families vestigden zich permanent in Zeist, waardoor lokale vertakkingen ontstonden van families zoals Nepveu, Huydecoper, Voombergh, Calkoen, Labouchere, Van Asch van Wijck, Van de Poll en Walkart.
Van der Burg, Boerendorp tot villadorp (Zeist, 2019). 8-9. Gemeentearchief Zeist, 1020 Gemeentebestuur Zeist, 1599-1905, inv. nr. 102. 78 V.A.M. van der Burg & R.P.M. Rhoen, De gemeenteraad van Zeist 1851-1976, (Zeist, 1994), 237-238. 79 R.P.M. Rhoen, ‘De bestuurlijke elite van Zeist van 1813 tot 1851’ in Seist (2010, II), 3. 80 Van der Burg, Boerendorp tot villadorp, 30. 81 K. Volkers, Zeist door de tijd. Een cultuurhistorische atlas, (Utrecht, 2011), 139. 76 77
28
Een deel van deze families was gedurende lange tijd vertegenwoordigd in de gemeenteraad. Directe betrokkenheid van bestuurders bij slavernij kwam in deze periode minder vaak voor, mede doordat velen pas na de afschaffing actief werden. Wel hadden zij regelmatig voorouders met directe betrokkenheid bij koloniale slavernij, plantagefinanciering of handelscompagnieën zoals de VOC en WIC. Voor veel van deze bestuurders gold dat hun maatschappelijke positie (deels) was gebaseerd op eerder opgebouwd koloniaal vermogen. De volgende voorbeelden illustreren hoe eerder vergaarde vermogens en netwerken doorwerkten in latere bestuurlijke posities. Zij laten zien hoe (koloniale) rijkdom en status generaties later bestuurlijke invloed konden blijven ondersteunen. In een periode van iets meer dan 100 jaar heeft Zeist vijf burgmeesters gehad. Ter herdenking aan de eerste vier burgemeesters, zijn bij de bouw van het huidige gemeentehuis de familiewapens van de eerste vier burgemeesters afgebeeld in de glas-in-loodramen van de oude raadszaal van het gemeentehuis. De eerste burgemeester van Zeist was Frans Nicolaas van Bern (1786–1851), een vermogende grondbezitter uit de regio. Hij stamde uit een familie die invloedrijke posities had in lokale besturen.
Via zijn netwerken verkreeg hij diverse functies, waaronder vanaf 1811 adjunctmaire van de gerechten Zeist en Stoetwegen en vanaf 1812 maire van Zeist. 82 Hij bleef tot 1850 burgemeester. Van Bern beschikte over een aanzienlijk vermogen, dat voor een belangrijk deel voortkwam uit erfenissen van ongehuwde of kinderloze familieleden.83 De omvang van dit vermogen blijkt uit zijn nalatenschap van ruim 100 pagina’s uit 1851. Naast omvangrijk grondbezit omvatte deze ook een uiteenlopende aandelenportefeuille. Binnen deze portefeuille bevonden zich ook investeringen in koloniale aangelegenheden. Zo had Van Bern in 1851 twee aandelen in de plantage Mon Sort en Le Contement onder directie van Roquette & Van de Poll a 200 gulden, een obligatie ‘op twintig plantagien in de kolonie Suriname’ a 100 gulden, een bewijs van lijfrente in de Oost Indische Maatschappij en acht aandelen in de Nederlandse Handelmaatschappij met een waarde van 800 gulden.84 De waarde van deze aandelen vormden een fractie van zijn totale bezit ter waarde van ruim 880.000 gulden dat hij naliet. Hoewel de aandelen die betrekking hadden op plantages weinig waard waren, kan tegelijkertijd geconstateerd worden dat Van Bern de aandelen niet weg heeft gedaan ten tijde van groeiende weerstand tegen het systeem van slavernij.
Tegelijkertijd moet worden vastgesteld dat de betrokkenheid van Van Bern bij de koloniale slavernij beperkt was. Zijn investeringen bestonden uit een klein aantal aandelen en vormden geen substantieel onderdeel van zijn vermogen. Dit wijst erop dat hij zelf geen actieve rol vervulde binnen het koloniale systeem. De aanwezigheid van deze investeringen laat echter zien dat deelname aan de plantage-economie onder de maatschappelijke bovenlaag niet ongebruikelijk was. Ook relatief beperkte participaties maakten deel uit van een breder financieel en sociaal netwerk waarin koloniale belangen een rol speelden. Deze betrokkenheid was directer bij zijn opvolger. Willem Daniel Frans Schas (1821– 1897) werd de tweede burgemeester van Zeist (1850–1863). Hij volgde Frans Nicolaas van Bern op nadat deze, vermoedelijk op last van Thorbecke, niet opnieuw was voorgedragen.85 Schas trad in 1850 aan als burgemeester van Zeist. Op dat moment bevond de plantage Esthersrust zich nog in bezit van zijn familie. Hoewel Schas niet direct betrokken was bij de koloniale slavernij, had zijn familie aanzienlijke rijkdom opgebouwd via het bezit van suiker-, koffie- en katoenplantages waarop Rhoen, ‘De bestuurlijke elite van Zeist, 1. Rhoen, ‘De bestuurlijke elite van Zeist, 2. 84 Utrechts Archief, 337-9 Memories van successie, kantoor Wijk bij Duurstede, inv.nr. 100.
85 Rhoen, ‘De bestuurlijke elite van Zeist’, 2-3. 82 83
29
honderden slaafgemaakten werkten. Zijn vader, Daniël François Schas (1772–1848), was lid van de Koloniale Raad in Suriname en bracht een groot deel van zijn leven daar door. In 1811, tien jaar voordat W.D.F. Schas werd geboren, verhuisde hij naar Nederland, waar hij onder meer woonde aan de Kromme Nieuwegracht 29 in Utrecht. De familie Schas was eigenaar van meerdere plantages in Suriname, die in het Sranantongo bekendstonden als ‘Skassi’ of ‘Schassi’. Tot deze bezittingen behoorden onder meer de plantages Barbados, Esthersrust, Goudmijn, Ostage, Blackkreek, Welbedacht en Schassenburg. In 1853, twee jaar na het overlijden van D.F. Schas, werd de laatste plantage verkocht voor 32.500 gulden een bedrag dat grotendeels werd bepaald door de toen 158 slaafgemaakten op de plantage.86 De opbrengst kwam ten goede aan de erven, waaronder W.D.F. Schas. Bij de afschaffing van de slavernij in 1863 ontving de weduwe van D.F. Schas, Johanna Maria Engelen, financiële compensatie voor de vrijlating van 236 tot slaaf gemaakten op de suikerplantage Vossenburg. In datzelfde jaar nam W.D.F. Schas ontslag als burgemeester.
Uit zijn afscheidsrede, waarvan verslag is gedaan in de notulen van de gemeenteraad, blijkt dat de verzekeringsmaatschappij, waarvan Schas bestuurder was, door wanbeheer failliet ging.87 Hoewel hij niet direct betrokken was bij het dagelijks bestuur, achtte hij zijn positie onhoudbaar. Onder de 41 aandeelhouders bevonden zich verschillende prominente Zeistenaren, waaronder Jan Elias Huydecoper, heer van Zeist. Zij zouden hun inleg niet meer terugzien. Vermoedelijk was de schaamte richting de aandeelhouders dermate groot dat hij zich niet meer in Zeist wilde vertonen. Hij besloot Nederland te verlaten en naar Nederlands-Indië te vertrekken om zijn fortuin te hervinden.88 Na zijn vertrek vestigde Schas zich op Midden-Java, waar hij vermoedelijk een cultuurmaatschappij oprichtte.89 Het cultuurstelsel (1830–1870) functioneerde als een systeem van gedwongen arbeid, waarbij de Javaanse plattelandsbevolking werd verplicht exportgewassen zoals indigo, koffie, suiker en thee te verbouwen. Boeren moesten een deel van hun land hiervoor afstaan, wat vaak leidde tot voedseltekorten en hongersnoden.90 Het cultuurstelsel vormde een belangrijke inkomstenbron voor de Nederlandse staat.
Via de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM) werden onder dwang geproduceerde goederen verhandeld.91 De opbrengsten werden ingezet voor koloniale oorlogen, infrastructuur en economische ontwikkeling in Nederland, en werden ook gebruikt om de compensatie van slaveneigenaren na 1863 te financieren. 92 Na het overlijden van zijn vrouw in 1875 keerde hij terug naar Nederland. In 1897 overleed hij in de omgeving van Zutphen.93 Hij liet een vermogen van circa 60.000 gulden na.94 Opvallend is dat hij bij zijn overlijden geen aandelen in Nederlands-Indië bezat, terwijl meerdere van zijn negen kinderen, die allen in Zeist zijn geboren, zich daar vestigden en actief betrokken raakten bij het koloniale systeem. Voor de familie Schas fungeerde Zeist daarmee als een relatief
N. Jouwe, M. Kuipers & R. Raben, Slavernij en de stad Utrecht, 125. Gemeentearchief Zeist, 1020 Gemeentebestuur Zeist, 1599-1905, inv. nr. 105. 88 J.H. Heimel, Familie Van de Poll, de Zeister Tak, (Zeister Historisch Genootschap, 2020), 83-85. 89 Bataviaasch Handelsblad 19-08-1873, 3. 90 J. Breman & A. van Schaik, "12. Colonial Unfree Labor in the Nineteenth-Century Dutch East Indies" In Slavery and The Dutch State: Dutch Colonial Slavery and Its Afterlives ed. by Rose Mary Allen, Esther Captain, Matthias Rossum and Urwin Vyent, 175-188. Leiden: Leiden University Press, 2025, 179 91 Breman, “Colonial Unfree Labor,” 180. 92 Breman, “Colonial Unfree Labor,” 181. 93 Gelders Archief, 0207 Burgerlijke stand Gelderland, dubbelen 1811-1902, inv. nr. 4576.08 (71). 94 Gelders Archief, 0222 Memories van Successie, Kantoor Zutphen, inv. nr. 139. 86 87
30
korte fase tussen een verleden in Suriname en een toekomst in Nederlands-Indië. Voor zover bekend keerde na het vertrek in 1863 geen lid van de familie meer terug naar Zeist. Ook bij de opvolger van W.D.F. Schas zijn sporen van het koloniale verleden bekend. Willem Karel Huydecoper (1830–1882) was burgemeester van Zeist van 1863 tot 1882. Hij was de zoon van Jan Elias, heer van Zeist, en Maria Isabella Anna Josina Charlotte barones Taets van Amerongen. Het koloniale verleden van de familie Huydecoper komt in paragraaf 4.2 uitgebreid aan bod. Willem Karel had voor zover bekend zelf geen directe betrokkenheid bij slavernij, maar profiteerde vermoedelijk als zoon van Jan Elias Huydecoper indirect van de koloniale netwerken en het daarmee verbonden vermogen van zijn familie. Hij behoorde als hoogstaangeslagene tot de meest vermogende inwoners van Zeist. Dit betekende dat hij tot de groep behoorde die de hoogste directe belastingen betaalde en daarmee stemrecht had voor de Provinciale Staten.95 Het vermogen vertaalde zich direct in politieke invloed. In 1856 liet Willem Karel het huis ‘De Brink’ bouwen. 96 Ook in de periode na zijn burgemeesterschap bleven de Huydecopers een prominente rol spelen binnen het gemeentebestuur van Zeist. Voor zijn aantreden, was zijn broer Jan Louis Reinier Anthony (1822–1886) lid van de gemeenteraad (1856–1863).
Drie zoons van Jan Louis werden eveneens lid van de gemeenteraad: Jan Elias Huydecoper (1850–1916), Gijsbert Karel Duco Huydecoper (1851–1911) en Hendrik Maximiliaan Huydecoper (1857–1950). Zij volgden elkaar grotendeels op binnen de raad. Van 1856 tot 1919 was, met uitzondering van de jaren 1912–1914, onafgebroken een lid van de familie Huydecoper in de gemeenteraad vertegenwoordigd. Deze familieleden waren op uiteenlopende manieren verbonden met het koloniale verleden. Zo was Hendrik Maximiliaan Huydecoper firmant van Crommelin & Huydecoper, een effectenhandel. De familie Crommelin kende eveneens een koloniale achtergrond, wat deze verwevenheid verder versterkte.97 Zoals gebruikelijk in deze periode, versterkte de familie haar positie via huwelijksallianties met andere vooraanstaande families. Veel van deze families hadden eveneens banden met het slavernijverleden. Zo was Maria Theodora barones van Brakell, de echtgenote van Jan Elias Huydecoper (1850–1916), een afstammeling van Paulus Schuylenburg, commandant van Demerara en eigenaar van meerdere plantages. Ook in het huidige Zeist zijn nog diverse verwijzingen van de prominente rol van de familie Huydecoper zichtbaar. Tijdens hun verblijf bezaten zij onder meer de buitenplaatsen Wulperhorst, Blikkenburg, De Brink en Slot Zeist. Het familiewapen is afgebeeld in het glas-inloodraam in de oude raadszaal van het gemeentehuis.
Daarnaast is de Huydecoperweg in Zeist vernoemd naar Willem Karel Huydecoper. Waar de familie Huydecoper vooral via het burgemeesterschap langdurig invloed uitoefende op het lokale bestuur, gold voor de familie Van de Poll een andere vorm van bestuurlijke aanwezigheid. Zij leverden geen burgemeesters, maar waren gedurende lange tijd vertegenwoordigd in de gemeenteraad. De familie Van de Poll behoorde, samen met de Huydecopers, tot de invloedrijkste families in de recente geschiedenis van Zeist. Hendrik van de Poll was de eerste Van de Poll die als bestuurder in Zeist actief was en nam van 1832 tot 1833 zitting in de gemeenteraad. Daarna waren Fredrik Harmen van de Poll (1823–1909) en zijn zoon Fredrik van de Poll (1860–1937) beiden langdurig lid van de gemeenteraad.98 Naast hun J. Rupp & H. Schijf, De status van de ‘hoogstaangeslagenen’, (2020), 59-60. Van der Burg, De gemeentraad van Zeist 1851-1976, 90. 97 K. Fatah-Black, L. Lauret & J. van den Tol, Dienstbaar aan de keten? De Nederlandse Bank en de laatste decennia van de slavernij 1814-1863 (Leiden: Leiden University Press 2022), 68. 98 Van der Burg, De gemeenteraad van Zeist 1851-1976, 157-161. 95 96
31
bestuurlijke functies had de familie grote invloed op het gemeenschapsleven in Zeist. Zij waren onder meer betrokken bij de oprichting van diverse stichtingen en muziekverenigingen, waarmee zij hun maatschappelijke positie verder versterkten.99 Het verleden van de familie Van de Poll was nauw verweven met de koloniale economie. De firma Harman van de Poll & Co. beheerde vanaf 1766 verschillende negotiaties die leningen verstrekten aan plantagehouders, verbonden aan ten minste 23 plantages. In de negentiende eeuw viel dit onder de directie van het Fonds J.S. van de Poll. De Zeister tak van de familie stamde af van deze Harman van de Poll. Het vermogen dat via deze activiteiten was opgebouwd, nam echter al aan het eind van de achttiende eeuw sterk af, onder meer door de teloorgang van de VOC en WIC.100 Hoewel de Zeister tak vermoedelijk niet langer over substantieel koloniaal vermogen beschikte, bleef de familie via status en netwerk invloedrijk. Deze invloed uitte zich niet zozeer via direct bezit, maar via financiële en sociale verwevenheid. Zo was Jan Elias Huydecoper commissaris bij een aan de Van de Polls gelieerde firma, en hadden verschillende Zeister bestuurders en families aandelen in dergelijke fondsen. Via huwelijken en zakelijke relaties raakten families als Van de Poll en Huydecoper nauw met elkaar verbonden.
Op deze manier bleef de naam Van de Poll een constante factor binnen het koloniale netwerk rond Zeist en fungeerde zij als een van de rode draden waarlangs koloniale belangen, kapitaal en lokaal bestuur met elkaar verweven bleven, ook nadat het oorspronkelijke familievermogen was afgenomen. In paragraaf 4.2 wordt deze betrokkenheid verder uitgewerkt. Een van deze families waarmee de familie Van de Poll via huwelijken was verbonden, was de familie Van Lennep. Jan Hendrik van Lennep (1825–1897) behoorde tot een prominente regentenfamilie uit Amsterdam. Van 1859 tot 1870 was hij lid van de gemeenteraad, waarvan de laatste vijf jaar als wethouder. Binnen de familie Van Lennep waren onder meer kooplieden, politici en schrijvers actief. De familie had haar vermogen opgebouwd in de textielhandel en was via huwelijken verbonden met de Amsterdamse elite. Bovendien bestond er een nauwe band tussen de families Van Lennep en Van de Poll. De vader van Jan Hendrik van Lennep, David Jacob van Lennep (1774–1853), was twee keer met een Van de Poll getrouwd. Hoewel leden van de familie Van Lennep prominente bestuursfuncties vervulden, zijn er weinig aanwijzingen voor directe betrokkenheid bij slavernij.101 Wel wijzen sommige bronnen op een kritische houding ten opzichte van het koloniale systeem. Als schrijver en uitgever publiceerde hij tijdens zijn verblijf in Zeist meerdere werken.
In 1865, toen hij net wethouder was in Zeist, gaf hij het werk Op de Zee uit, waarin onder andere de reizen van Jan Jansz. Molenaar en Cornelis Houtman naar Oost-Indië in 1595 worden beschreven.102 Een verhaal in dit werk beschrijft de omstandigheden aan boord van het slavenschip Le Rôdeur: ‘Hunne kreten zijn zoo verschrikkelijk, dat ik liefst niet in het ruim ga kijken. In den eersten tijd kon ik geen oog digt doen: deze klanken deden mijn bloed stollen.’ 103 Deze passage verwijst waarschijnlijk naar het incident met dit schip in 1819, waarbij zowel slaafgemaakten als bemanningsleden blind werden door een oogziekte. Volgens de overlevering zouden slaafgemaakten overboord zijn gegooid of zelf zijn gesprongen. Waarom Van Lennep dit verhaal kort na de afschaffing van de slavernij publiceerde, is niet bekend. Tegelijkertijd bleef zijn betrokkenheid ambivalent, aangezien hij ook investeerde in koloniale ondernemingen. Bij zijn overlijden liet hij aandelen na in de NHM, de Javaansche J.C. Mollen-Hengeveld, Markante Zeistenaren, (Van de Poll-Stichting 1991) 85 Heimel, De familie Van de Poll, de Zeister tak, 9. 101 Fatah-Black, Dienstbaar aan de keten?, 51. 102 J.H. Van Lennep, Op de zee. (Leiden) 1865. 103 Toegeschreven aan J.B. Romaigne, ‘Het Blinde Schip’, in J.H. van Lennep, Op de zee,184 (1865). 99
100
32
Cultuumaatschappij en een suikerraffinaderij.104 De bekende schrijver Jacob van Lennep (1802– 1868) was zijn halfbroer. Hoewel hij niet in Zeist woonde, zijn zowel de Jacob van Lenneplaan als het Jacob van Lennepplein naar hem vernoemd. Een combinatie van bestuurlijke positie en koloniale betrokkenheid komt naar voren bij Charles Bernard Labouchere (1817–1897), die van 1873 tot 1889 lid was van de gemeenteraad. Als eigenaar van Slot Zeist bezat hij de titel heer van Zeist. Hij was afkomstig uit een zeer vermogende bankiersfamilie en was onder meer verbonden aan de firma’s De Lepel & Labouchere en Auguin & Cie.105 Als hoogstaangeslagene behoorde hij tot de meest vermogende inwoners van de gemeente. De familie Labouchere was gedurende meer dan een eeuw actief binnen de bankiersfirma Hope & Co, een instelling die een centrale rol speelde in de internationale slaveneconomie.106 De vader van Charles, Samuel Pierre Labouchere (1778–1867), werd in 1823 lid van Hope & Co en was hoofd van de firma S.P. Labouchere & Co in Rotterdam. Hoewel de directe betrokkenheid van Hope & Co bij slavernij in de negentiende eeuw afnam, was deze nog niet helemaal verdwenen.
In die periode was Samuel Pierre Labouchere namens Hope & Co betrokken bij de Sociëteit van Eigenaren van de Surinaamse plantages Anna Catharina en Jagtlust.107 Daarnaast mengde hij zich actief in de discussie over de financiële compensatie voor slaveneigenaren bij de afschaffing van de slavernij. In 1857 ondertekende hij een petitie waarin werd gepleit voor hogere vergoedingen. 108 Samen met Insinger & Co trad hij op als gemachtigde van de grote katoenplantage Zeezigt en richtte zich in die hoedanigheid tot de Tweede Kamer. In deze discussie speelde de waardering van tot slaafgemaakten een rol. De ondertekenaars van de petitie, waaronder S.P. Labouchere, verzetten zich tegen het voorstel om tot slaaf gemaakten die werken op katoenplantages aanzienlijk lager te waarderen dan die op suikerplantages. In hoeverre Charles Bernard Labouchere zelf direct betrokken was bij slavernij is onduidelijk, mede door het ontbreken van volledige nalatenschapsgegevens. Wel is aannemelijk dat hij indirect profiteerde van het binnen de familie opgebouwde vermogen en de positie binnen bankiersnetwerken. Zijn huwelijk in 1854 met Henriette Maria Jacoba Voombergh versterkte deze positie. Zij was een dochter van Albert Voombergh, die als firmant van Kettwich en Voombergh verbonden was aan een familie met een uitgebreid slavernijverleden.
Deze alliantie illustreert hoe bestuurlijke, financiële en familiale netwerken elkaar versterkten. Een later voorbeeld van de verwevenheid tussen de koloniale wereld en het lokale bestuur van Zeist is zichtbaar in de casus van gemeenteraadslid Charles Calkoen (1873–1963). Ook hier zijn er verbindingen met families als Van de Poll en Huydecoper. Charles Calkoen vestigde zich in 1924 in Zeist en was van 1934 tot 1935 lid van de gemeenteraad. De familie Calkoen maakte deel uit van de Amsterdamse regentenklasse en was vanaf de zeventiende eeuw actief in internationale handel, met name in lakenstoffen en in de handel op Oost-Indië. Daarnaast bekleedden familieleden bestuursfuncties binnen het stadsbestuur van Amsterdam. Een voorouder, Abraham Calkoen (1729–1796), was in 1766 commissaris van de firma Harman van de Poll & Co. In 1767 vervulde hij een vergelijkbare rol bij Tulleken de Vos & Co., een
Utrechts Archief, 337-9, 127, 160. Van der Burg, De gemeenteraad van Zeist, 109-110. 106 Stadsarchief Amsterdam, 735 Archief van de Firma Hope & Co, beschrijving van het archief. 107 De Kok, Het slavernijverleden van historische voorlopers van ABN AMRO, 104. 108 Fatah-Black, Dienstbaar aan de keten?, 152. 104 105
33
firma die betrokken was bij ten minste vijftien plantages.109 Charles’ vader was begin twintigste eeuw directeur van de Koloniale Bank, opgericht in 1888 in Nederlands-Indië. Deze bank verstrekte leningen aan landbouwondernemingen en speelde een rol in de financiering van suiker- en koffieproductie. Charles Calkoen huwde in Zeist Susanna Johanna Francina Carolina Wilhelmina Insinger, lid van een familie met nauwe banden met het slavernijverleden.110 Uit dit huwelijk werd Albrecht Frederik Calkoen geboren, die later huwde met een lid van de familie Huydecoper. 111 Hiermee werd de verwevenheid tussen deze families verder bestendigd. De hiervoor genoemde voorbeelden illustreren een deel van de betrokkenheid van bestuurders in de gemeente Zeist bij het koloniale verleden. Het betreft families met een sterke verwevenheid met het slavernijverleden die bovendien een prominente rol speelden binnen het lokale bestuur. Behalve deze voorbeelden waren er meerdere families waarin dergelijke verwevenheid aanwezig was. Deze verbanden lagen vaak in de zeventiende en achttiende eeuw en manifesteerden zich via onderlinge verwantschappen tussen families.
Bestuurders zoals Jacob Theodoor Grothe (1822–1894) en Karel Jacob Adriaan Hendrik Ram (1829–1911) waren bijvoorbeeld niet alleen onderling verwant, maar hadden ook een verleden waarin voorouders een prominente rol speelden in koloniale ondernemingen.112 Deze voorbeelden maken duidelijk dat koloniale netwerken zich niet alleen via individuele personen tot uiting kwamen, maar ook via een dicht web van familiebanden dat het lokale bestuur structureel beïnvloedde. Daarmee kan worden gesproken van een bestuurlijke elite waarin herkomst en kapitaal een belangrijke rol speelden. Voor een deel van deze elite gold dat dit kapitaal via koloniale aangelegenheden werd vergaard.
3.3 Conclusie Dit hoofdstuk laat zien dat de betrokkenheid van Zeist bij het koloniale en slavernijverleden niet zozeer tot uiting komt op het niveau van de gemeente als bestuurlijke organisatie, maar vooral via de privépersonen die het bestuur vormden. Uit de analyse van de gemeentearchieven zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen dat de gemeente Zeist als instituut direct of indirect betrokken was bij slavernij of koloniale exploitatie. Evenmin zijn er signalen gevonden dat de gemeente zich expliciet uitsprak tegen deze praktijken. Dit wijst erop dat het koloniale systeem in bestuurlijke zin grotendeels buiten het lokale domein bleef en geen onderwerp van gesprek vormde binnen de gemeentelijke besluitvorming. De afwezigheid van institutionele betrokkenheid hangt samen met de historische ontwikkeling en schaal van de gemeente. Zeist kreeg pas aan het begin van de negentiende eeuw vorm als bestuurlijke eenheid, in een periode waarin de organisatie van lokaal bestuur zich primair richtte op directe, lokale vraagstukken. De beperkte bestuurlijke reikwijdte en de geringe omvang van de bevolking droegen eraan bij dat internationale en koloniale kwesties nauwelijks een rol speelden binnen de gemeenteraad. Tegelijkertijd blijkt dat institutionele afwezigheid niet betekent dat er geen verbindingen bestonden met het koloniale systeem.
Integendeel, via individuele bestuurders en hun familieachtergronden waren er duidelijke en structurele relaties met koloniale netwerken. Veel D. Berents & A. Doedens, De Bilt en zijn slavernijverleden, 57. B. van Holsteijn, Van slavernij tot liefdadigheid? Een onderzoek naar de herkomst van het kapitaal van de Insinger Stichting in relatie tot slavernij en andere vormen van koloniale dwang (IISG, 2024), 41-42. 111 Van der Burg, De gemeenteraad van Zeist, 35. 112 Van der Burg, De gemeenteraad van Zeist, 70-71, 164-165. 109 110
34
bestuurders maakten deel uit van een maatschappelijke bovenlaag die haar positie (deels) ontleende aan vermogen dat in de koloniën was opgebouwd, bijvoorbeeld via plantagebezit, handel of financiële constructies zoals negotiaties. De casussen in dit hoofdstuk illustreren hoe deze doorwerking tot uiting komt. Bij een figuur als Van Bern komt naar voren dat koloniale belangen en kapitaal nauwelijks een rol speelden in zijn maatschappelijke positie en bestuurlijke carrière. Zijn betrokkenheid beperkte zich tot een klein aantal aandelen en vormde geen wezenlijk onderdeel van zijn vermogen of bestuurlijke handelen. Tegelijkertijd laat zijn aandelenportefeuille zien dat ook beperkte investeringen in de plantage-economie binnen de maatschappelijke bovenlaag niet ongebruikelijk waren. In het geval van de families Huydecoper en Schas wordt zichtbaar dat deze verbanden niet incidenteel waren, maar onderdeel vormden van langdurige dynastieke en economische structuren. Deze families combineerden bestuurlijke invloed met economische belangen en sociale netwerken die terug te voeren zijn op het koloniale systeem. Daarnaast laat dit hoofdstuk zien dat deze netwerken ook tot uiting kwamen via familiebanden en huwelijksallianties.
De verwevenheid tussen families zoals Van de Poll, Huydecoper en Van Lennep benadrukt hoe koloniale rijkdom en sociale status zich over generaties heen konden strekken en consolideren binnen lokale machtsstructuren. In dit hoofdstuk wordt de relatie tussen Zeist en het slavernijverleden vooral zichtbaar als een indirect en sociaaleconomisch fenomeen. Waar de gemeente als instituut buiten beeld blijft, tonen de achtergronden van de bestuurders en hun netwerken juist hoe diep het koloniale systeem verankerd was bij een deel van de maatschappelijke bovenlaag. Sommige van de personen uit deze bovenlaag hadden slechts een aantal aandelen, andere hadden een verleden dat nauw verweven was met koloniale slavernij. Daarmee vormt hoofdstuk 3 een belangrijke schakel in het bredere beeld dat in dit rapport naar voren komt: ook in een ogenschijnlijk perifere gemeente als Zeist werkte het koloniale verleden door, zij het via minder zichtbare verbindingen.
35
4 – Particuliere betrokkenheid bij koloniën en slavernij in Zeist In dit hoofdstuk worden voorbeelden aangehaald van individuen en organisaties die zich vanuit Zeist bezighielden de koloniale slavernij.
4.1 Plantage-eigenaar te Berbice koopt Zeist Het Slot Zeist is voor een groot deel van zijn bestaan eigendom geweest van personen en organisaties met koloniale banden. Nadat Cornelis Schellinger in 1745 de heerlijkheid van Zeist van de Van Nassau-Odijks kocht om de hernhutters te accommoderen en van waaruit tientallen zendelingen naar Suriname vertrokken, bleven de titel Heer van Zeist en het Slot Zeist jarenlang in het bezit van personen die aan de EBG gelieerd waren. Eerst aan Maria Agnes von Zinzendorf, de dochter van de stichter van de Broedergemeente, en vervolgens aan drie generaties van de familie Van Laer. Vanaf 1818 was het Slot Zeist eigendom van rentenier Coenraad Willem Wijborgh, die het in 1822 verkocht aan een andere religieuze groepering: de Evangelische Lutherse Gemeente te Berbice (hierna: Lutherse Gemeente).
Het kapitaal dat de Lutherse Gemeente daarvoor betaalde kwam voort uit de verkoop van producten die zij met slavenarbeid op hun plantage Augsburg verkregen.113 De Lutherse Gemeente werd in 1743 te Berbice gesticht, nadat plantage-eigenaar Lodewijk Abbensets zestig lutherse protestanten – waaronder vele andere planters – in de slavenplantagekolonie samenbracht en met toestemming van het gouvernement een kerk en school stichtte.114 Abbensets was zelf eigenaar van de plantage Mara aan de oostkant van de Berbice-rivier en de plantage Solitude aan de andere oever. Hij trad op als provisioneel voorzitter van de kerkenraad zolang er nog geen predikant was gevonden en bleef daarna als ouderling aan de kerk verbonden. Abbensets was als lid van de koloniale raad van Berbice betrokken bij een serie rechtszaken na de grote slavenopstand onder leiding van Cuffy in Berbice van 1763. Tijdens de terechtstelling van opstandelingen zou Abbensets erg partijdig zijn geweest. Zeer ‘streng en wreed voor de slaven van anderen, buitengewoon toegevend voor zijn eigen slaven, die hij liefst vrijsprak om niet de schade te lijden dat hij door doodvonnissen eenige van hen zou verliezen.’115 Twee jaar later werd Abbensets uit zijn ambtelijke functie ontheven.
Niet vanwege zijn partijdigheid, maar omdat hij na een woordenwisseling een andere planter heeft mishandeld.116 Weer twee jaar later, in 1767, kwam Abbensets te overlijden. De Lutherse Gemeente te Berbice leidde in de achttiende eeuw een moeilijk bestaan. Door een reeks epidemieën overleden veel ouderlingen en kerkgemeenteleden, en tijdens de grote slavenopstand van 1763 waren velen anderen de kolonie ontvlucht. Pas toen Berbice in 1815 officieel in handen kwam van Groot-Brittannië, leefde de suiker-, koffie- en katoenproductie weer op en daarmee ook dat van de plantage Augsburg, dat eigendom was van de Lutherse Gemeente.117 De financiële middelen van de Lutherse Gemeente waren zelfs zo Transcriptie Paul Koulen van “Lijst van eigenaren van plantages en houders van hypotheken op plantages in Berbice, Demerara en Essequebo, 1818-1819,” noot 60 op p. 9. Digitaal raadpleegbaar via: https://cbg.nl/documents/55/Berbice-Demerara-Essequebo.pdf. 114 Tenzij anders vermeld, alles over de Lutherse Gemeente te Berbice uit: B. de Gaay Fortman, “De geschiedenis der Luthersche Gemeente te Berbice,” in De West Indische Gids nr. 24 (1942). 115 De Gaay Fortman, “Luthersche Gemeente te Berbice,” 23. 116 Nationaal Archief, 1.05.05 Sociëteit van Berbice, inv.nr. 137, scan 69-84. 117 De Gaay Fortman, “Luthersche Gemeente te Berbice,” 79, 80. 113
36
sterk toegenomen dat de predikant een jaarsalaris van vierduizend gulden werd uitbetaald en de Lutherse Gemeente hem zes slaafgemaakten ter beschikking stelde.118 Ter vergelijking, het gemiddelde jaarlijkse inkomen in Nederland was in die tijd zo’n drie- tot vierhonderd gulden.119 De middelen van de Lutherse Gemeente bleven groeien en in 1818 had het een aanzienlijk tegoed bij de Amsterdamse bankier S.A. Westerlo & Co. openstaan. De Lutherse Gemeente besloot dat te investeren in ‘een aansiendelijk privat landgoed’ om daarmee te rentenieren.120 Firma S.A. Westerlo & Co. stuurde de Lutherse Gemeente daarop een prijslijst van opties in Europa en de keuze viel op aanschaf van de heerlijkheid Zeist en enkele onroerende goederen in de omgeving. Voor de aanzienlijke som van 120.000 gulden – tegenwoordig ongeveer 1.500.000 euro – kocht de Lutherse Gemeente in 1820 van de Amsterdamse rentenier Coenraad Willem Wijborgh de hoge- en vrije ambtsheerlijkheid van Zeist.
Bij dit bezit hoorde nog een niet in de koopakte gespecificeerde reeks ‘gebouwen, partijen land, bos en lanen, het rechthuis van Zeist aan de Dorpsstraat met nog enkele huizen en het grondrecht van de Zeisterstraat.’121 Hoeveel rendement de investering in de heerlijkheid Zeist de Lutherse Gemeente heeft opgebracht is niet bekend, maar in 1825 verkocht de Lutherse Gemeente twee percelen aan de Amsterdamse bankier Albert Voombergh, die er de buitenplaats Hoog Beek en Royen liet optrekken.122 Om inkomsten uit Slot Zeist te genereren werd het verhuurd, bijvoorbeeld van 1824 tot 1830 als zomerresidentie aan ene F. Stapert.123 In 1830 verkocht de Lutherse Gemeente te Berbice de heerlijkheid Zeist met bijbehorend Slot Zeist voor 58.200 gulden aan Jan Elias Huydecoper.124 De halve Blikkenburgse weg met beuken- en essenbomen, eveneens eigendom van de Lutherse Gemeente, werd datzelfde jaar verkocht aan Otto van Romondt, eigenaar en bewoner van de Zeister buitenplaats Schoonoord.125 Daarmee kwam een eind aan een grofweg tienjarige – en zeer opmerkelijke – periode waarin een kerkgemeenschap in Berbice door belegging van een kapitaal dat uit slavenarbeid werd verkregen, grootgrondbezitter te Zeist was.
4.2 Betrokkenen bij Zuid-Amerikaanse slavenplantages De nieuwe eigenaar van Slot Zeist in 1830 was Jan Elias Huydecoper (1798-1865), die zich daarmee heer van Zeist mocht noemen. Deze aankoop was voor Huydecoper het slotstuk in een reeks eerdere aankopen. Hij was al in het bezit van de in de buurt gelegen ridderhofstad Blikkenburg, landgoed Wulperhorst en de boerderijen Stoetwegen, Zomerdijk en De Rumst, en hij woonde van 1821 tot 1829 op buitenplaats Kersbergen.126 Huydecoper liet zijn nieuwe aanwinst meteen grondig van binnen en buiten renoveren, want in de acht jaar dat de Lutherse Gemeente te Berbice het Slot Zeist als investeringsobject uitbaatte was het nauwelijks onderhouden.127 De Gaay Fortman, “Luthersche Gemeente te Berbice,” 80. J.L. van Zanden, “Lonen en arbeidsmarkt in Amsterdam, 1800-1865,” in Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis nr. 9 (1983), 8, 9. 120 Gemeentearchief Zeist, 2180 Huis Zeist, inv.nr. 41. 121 Ibidem. 122 Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, Rijksmonumentenregister, complexnummer 510232: Hoog Beek en Royen. 123 A. Smith, ‘Overzicht huurders Slot Zeist,’ Geheugen van Zeist. Digitaal raadpleegbaar: https://www.geheugenvanzeist.nl/articles/tijdvak-4a. 124 De Gaay Fortman, “Luthersche Gemeente te Berbice,” 81. 125 Gemeentearchief Zeist, 2204 Wegen en wateren te Zeist, inv.nr. 1xx. 126 Utrechts Archief, 29-15 Huis Kersbergen te Zeist, inv.nr. 2.
127 ‘De geschiedenis van Slot Zeist in vogelvlucht,’ website Slot Zeist. Digitaal raadpleegbaar: https://www.slotzeist.nl/slot-zeist/geschiedenis. 118 119
37
De familie Huydecoper was doorspekt met koloniale aangelegenheden. Jan Elias’ gelijknamige grootvader (1735-1808) was naast grootaandeelhouder in de VOC, namelijk ook directeur van de Sociëteit van Suriname en vader Joan Huydecoper (1769-1836) was directeur en commissaris van de koffie- en suikerplantages Hermitage, Jardin de Provenu en Herstelling in Berbice en Demerary in het huidige Guyana. In die hoedanigheid nodigde Joan Huydecoper zijn mededirecteuren bij hem thuis uit om plantagezaken te bespreken. In 1836 werd ten huize Huydecoper de tegenvallende opbrengsten van de plantages Herstelling en Jardin de Provenu sinds de afschaffing van slavernij onder Britse vlag in 1833 besproken. De vergadering beklaagde zich over de bepalingen van het Britse gouvernement ‘van slegts 7,5 uur werken per dag, uit welke tijd het onmogelijk was op de oude manier de suiker te kunnen vervaardigen, waardoor dan ook sedert de emancipatie werkelijk vele guldens zijn uitgegeven om de negers in hunne vrije tijd als werklieden te huuren.’128 Een deel van Jan Elias Huydecopers geërfde bezit bestond uit enkele kleinere aandelen en obligaties in slavenplantages, zoals een obligatie van 2.000 gulden ten laste van Willem Gideon Deutz te Suriname.
Dit was op dat moment al een decenniaoude obligatie in een zogenoemde plantagenegotiatie, een financieringsvorm die de Amsterdamse bankier Willem Gideon Deutz in Nederland in 1753 introduceerde. Een plantagenegotiatie was een lening die een plantage-eigenaar bij een negotiatiekantoor tegen een vaste rente afsloot met als hypothecair onderpand zijn plantage en alles daarop, inclusief de mensen die daar in slavernij werden gehouden. Om de grote bedragen voor deze negotiaties – die tot meer dan een miljoen gulden per lening kon oplopen – bij elkaar te brengen, werd het bedrag opgedeeld in kleinere aandelen of obligaties van elk meestal duizend gulden. Dat stelde zowel grote als kleine investeerders in staat te investeren in slavenplantagekoloniën in Zuid-Amerika. Als de plantageeigenaar de schuld niet meer kon aflossen – en dat gebeurde vanaf eind achttiende eeuw vanwege oorlogsomstandigheden steeds vaker – kwamen de plantage en deels menselijke toebehoren toe aan het negotiatiekantoor. Vanaf dat moment voerde het negotiatiekantoor de directie over de plantage en werd zelf verantwoordelijk voor de uitbetaling van rente aan de aandeel- of obligatiehouders. Jan Elias Huydecoper was commissaris van en aandeelhouder in het plantagenegotiatiefonds van de Amsterdamse firma Fraissinet & Van Baak.
Dit handelshuis van Charles Marc Fraissinet en Hendrik Johannes van Baak voerde in de negentiende eeuw de directie over de koffie- en suikerplantages Mon Sort, Le Contentement, Des Tombesburg, Twijfelachtig, De Hoop, Mariënburg, Lunenburg, Nieuwe Hoop, Practica, Nieuw Clarenbeek en De Vier Kinderen.129 Op Mon Sort en Le Contentement – waarin Huydecoper aandelen had geërfd – werden zo’n 130 mensen in slavernij gehouden toen de slavernij in 1863 werd afgeschaft. De compensatie die Fraissinet & Van Baak kreeg voor de vrijmaking van de voormalige slaafgemaakten op plantages onder hun directie werd pas in 1865 uitgekeerd. Jan Elias Huydceoper heeft geen compensatie gekregen voor zijn aandelen in plantage- en slavenbezit. Nog voor de uitkering, maar in hetzelfde jaar, overleed hij. Zijn aandelenbezit in plantagezaken – die nog altijd wat waard waren – liet hij aan zijn kinderen 2.000 gulden ten laste van W.G. Deutz te Suriname, 1.000 gulden ten laste van Van Santheuvel & Doorn te Essequibo en Demerary, 1.000 gulden ten laste van firma Rocquette & Van de Poll op de plantages Mon Sort en Le Contentement, en niet gewaardeerde certificaten in obligaties en aandelen in de plantage Louisenburg te Suriname na.130 Ook liet Huydecoper ingetrokken aandelen na in de WestUtrechts Archief, 67 Familiearchief Huydecoper, inv.nr. 686. Nationaal Archief, 2.02.09.8, inv.nr.
227; Database website Suriname Plantages. Digitaal raadpleegbaar: https://www.surinameplantages.com. 130 Utrechts Archief, 67 Familiearchief Huydecoper, inv.nr. 717. 128 129
38
Indische Maatschappij, dat als Midden- en Zuid-Amerikaanse tegenhanger van de meer op Zuidoost-Azië gerichte Nederlandsche Handel Maatschappij werd opgericht. De West-Indische Maatschappij kwam echter door te grote internationale concurrentie nauwelijks van de grond en werd in 1863 opgeheven.131 De erfgenamen van Huydecoper verkochten Slot Zeist aan Henriëtte Maria Jacoba Voombergh (1830-1908) en haar echtgenoot en later gemeenteraadslid Charles Bernard Labouchère (1817-1897). Henriëtte was de kleindochter van de steenrijke Amsterdammer Dirk Jan Voombergh (1768-1824) en dochter van Albert Voombergh (1793-1851). Beide heren Voombergh waren firmant van de bankiersfirma Ketwich & Voombergh (hierna: K&V). Toen zijn dochter en schoonzoon Slot Zeist bewoonden was Albert Voombergh al overleden, maar bij leven bezat hij de buitenplaats Hoog Beek en Royen te Zeist. Het landgoed waarop Hoog Beek en Royen werd gebouwd, had Voombergh in 1825 van de Evangelische Lutherse Gemeente te Berbice gekocht.132 Het te Amsterdam gevestigde Ketwich & Voombergh was als bankiersfirma betrokken bij de financiering van vele koloniale en niet-koloniale zaken, en voerde sinds 1772 de administratie en directie over meerdere plantagenegotiaties ten behoeve van planters in Suriname, Demerary, Berbice en Essequibo.
K&V was daarnaast ook langdurig betrokken bij de in totaal negenentwintig plantagenegotiaties die de firma Harman van de Poll & Co. in 1766 onder ‘Letter A’ en in 1769 onder ‘Letter C’ organiseerde en die in de negentiende eeuw onder directie van het Fonds J.S. van de Poll stond.133 De firma Harman van de Poll & Co. financierde onder de negotiatie ‘Letter A’ de plantages Monplaisir, Montaban, Bleyendaal, Purmerend, Sporksgift, Mariëndaal, Maria’s Lust, Mijn Hoop, Zorg en Hoop, Hannover, Indigoveld, Johannes Zoon, La Patience, Overtoom, Agent Cour, Vreeland, de helft van Nieuw Clarenbeek, Beekvliet, Anna’s Lust, Naaldwijk en Hoopwijk. Onder ‘Letter C’ viel de financiering van Munnikendam, Potribo, Beerensrust, Nieuw Roeland, Rouxgift, Betlehem, Johanna’s Hoop en Boxtel. De Zeister tak van de familie Van de Poll stamt af van deze Harman van de Poll en heeft Zeist meerdere gemeenteraadsleden gebracht. Daarbij moet worden opgemerkt dat het vermogen dat via negotiaties was opgebouwd grotendeels was verdwenen op het moment dat de familie zich in Zeist vestigde. De familie behield echter haar maatschappelijke status en netwerk, wat haar in staat stelde lokaal invloed uit te oefenen en invloedrijke posities te verwerven. Als gecommitteerde namens obligatiehouders in plantagenegotiaties van de Van de Polls was Albert Voombergh persoonlijk aanwezig bij vergaderingen over plantagezaken.
Op 13 maart 1850 vergaderde Voombergh bijvoorbeeld met de heren A.J. van de Poll, J. Crommelin, F. Rendorp, J. Amersfoordt en S.P. Labouchère – de vader van zijn schoonzoon – over de verslechterende stand van zaken op de suikerplantage Potribo.134 Door sterfte onder de slavenbevolking produceerde Potribo steeds minder suiker, maar nieuwe aanvoer van slaafgemaakte mensen werd door het sinds 1808 geldende verbod op slavenhandel belemmerd. De nog aanwezige slaafgemaakten moesten des te harder werken om dit te ondervangen. Voombergh en de anderen bespraken de mogelijke aankoop van de plantage Des Tombesburg, van het fonds van Fraissinet & Van Baak, zodat de daarbij behorende slavenbevolking naar Potribo overgebracht kon worden. De vergadering voelde er weinig voor te investeren in ‘eene Surinaamsche aangelegenheid bij de onzekere toestand der staatkundige B. de Gaay Fortman, “De West-Indische Maatschappij,” in Nieuwe West-Indische Gids, vol. 11, ed. 1 (1930), p. 307-315. 132 Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, Rijksmonumentenregister, complexnummer 510232: Hoog Beek en Royen. 133 Stadsarchief Rotterdam, 600 Ketwich & Voombergh, inv.nr. 692. 134 Stadsarchief Amsterdam, 600 Ketwich & Voombergh, inv.nr. 697, p. 332. 131