PR26.127 Bijlage 1. Onderzoeksinstituut RISBO - Rapport 'Sporen van het slavernijverleden in Zeist'
Tekst van het document
Sporen van het slavernijverleden in Zeist Een onderzoek naar de betrokkenheid van de gemeente Zeist bij de koloniale slavernij
Y. Seidler D. Heuser F. Baas B.M. de Hoogh R. van Leeuwen Met medewerking van T. Engene & F. de Jong
Colofon Het slavernijverleden van Zeist. Een onderzoek naar de betrokkenheid van de gemeente Zeist bij de koloniale slavernij Seidler, Y., Heuser, D., Baas, F., De Hoogh, B.M. & Van Leeuwen, R. Met medewerking van T. Engene en F. de Jong April 2026 Risbo Contractresearch B.V./ Erasmus Universiteit Rotterdam Stad en Bedrijf Risbo Contractresearch B.V./Erasmus Universiteit Rotterdam Postbus 1738 3000 DR Rotterdam T: 010-4082124 E: info@risbo.eur.nl Stad en Bedrijf Prins Hendrikkade 127 3071 KL Rotterdam T: 010 4131207
2
Samenvatting Dit rapport onderzoekt de relatie tussen de gemeente Zeist en het koloniale slavernijverleden tussen het eind van de zeventiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw. Daarbij is gekeken naar zowel verbanden met slavernij in Zuid-Amerika als met dwangarbeid in Nederlands-Indië. Centraal staat de vraag in hoeverre de gemeente Zeist als bestuurlijke organisatie, haar bestuurders en inwoners betrokken waren bij koloniale slavernij en op welke manieren deze betrokkenheid doorwerkt in de lokale samenleving. Afwezigheid van institutionele betrokkenheid Uit het onderzoek blijkt dat de gemeente Zeist als bestuurlijke organisatie geen directe rol speelde in slavernij of koloniale exploitatie. In de gemeentearchieven zijn geen aanwijzingen gevonden voor institutionele betrokkenheid, investeringen of expliciete standpunten, voor of tegen, ten aanzien van slavernij. Deze afwezigheid hangt samen met de historische ontwikkeling van de gemeente. Zeist kreeg pas aan het begin van de negentiende eeuw bestuurlijke vorm en was in die periode een relatief klein en landinwaarts gelegen dorp met beperkte middelen en invloed. De gemeenteraad hield zich bij de oprichting vooral bezig met lokale aangelegenheden, zoals infrastructuur, belastingen en openbare orde. Internationale handel en koloniale kwesties vielen buiten het directe bereik van het lokale bestuur.
Dit betekent echter niet dat er geen verbindingen waren met het koloniale systeem. Bestuurders en elites: indirecte maar structurele betrokkenheid Hoewel de gemeente als instituut geen actieve rol speelde in het koloniale systeem, blijkt uit het onderzoek dat een deel van de bestuurders en prominente inwoners van Zeist wel nauw verweven was met het koloniale systeem. Zij maakten deel uit van een bredere maatschappelijke elite, bestaande uit adellijke en patricische families. Een deel van deze maatschappelijke bovenlaag had het vermogen en de status verworven met activiteiten in de koloniën. Veel van de welgestelde families vestigden zich in de loop van de negentiende eeuw in Zeist nadat zij hun fortuin hadden opgebouwd. Een deel van deze families had banden met de koloniale slavernij. De maatschappelijke elite in Zeist was vaak actief in het maatschappelijk leven en had een invloedrijke rol in het lokale bestuur. Voorbeelden hiervan zijn families als Huydecoper, Van de Poll en Labouchere, die via handel, plantagefinanciering of bankiersactiviteiten (indirect) verbonden waren met slavernij en koloniale exploitatie. Deze betrokkenheid was niet direct zichtbaar in het dagelijks bestuur, maar uitte zich via achterliggende netwerken van kapitaal en familiebanden.
Zo laat de casus van burgemeester Willem Daniel Frans Schas zien hoe koloniale rijkdom doorwerkte in bestuurlijke posities. Hoewel hij zelf geen directe rol speelde in slavernij, erfde hij vermogen dat was opgebouwd via plantages in Suriname, waarop honderden tot slaaf gemaakten werkten. Netwerken en familieverbanden Een belangrijk inzicht uit het onderzoek is dat koloniale betrokkenheid niet alleen via individuele personen liep, maar vooral via netwerken van families. Deze families waren via huwelijken, zakelijke relaties en gedeelde investeringen met elkaar verbonden. Hierdoor konden kapitaal, invloed en sociale status over generaties heen worden doorgegeven. Zo waren families als Van de Poll, Huydecoper en Van Lennep nauw met elkaar verweven. Hoewel de Zeister tak van de familie Van de Poll mogelijk zelf geen substantieel vermogen meer bezat uit de negotiaties, bleef de naam Van de Poll nadrukkelijk aanwezig binnen het koloniale 3
netwerk rond Zeist. Deze aanwezigheid kwam niet zozeer via direct bezit tot uiting, maar via financiële en sociale verwevenheid. Zo was Jan Elias Huydecoper commissaris bij een aan de Van de Polls gelieerde firma, en hadden verschillende Zeister bestuurders en families aandelen in firma’s die de naam Van de Poll droegen. De firma Harman van de Poll speelde in de achttiende eeuw een belangrijke rol in de financiering van plantages via zogenoemde negotiaties, waarbij kapitaal werd verstrekt aan plantagehouders. Aandelen in deze fondsen kwamen terecht bij uiteenlopende families in Zeist. Via huwelijken en zakelijke relaties raakten families als Van de Poll, Huydecoper en Van Lennep nauw met elkaar verbonden. Op deze manier bleef de invloed van de Van de Polls voortbestaan in een netwerk waarin koloniale belangen, kapitaal en lokaal bestuur samenkwamen, ook wanneer het oorspronkelijke familievermogen zelf was afgenomen. Plantagebeheer op afstand: bestuur vanuit Zeist Eén van de meest directe vormen van betrokkenheid bij koloniale slavernij komt naar voren in het beheer van plantages op afstand. Figuren als Joachim Ferdinand de Beaufort en Jan Kol hielden vanuit Nederland, en deels vanuit Zeist, toezicht op plantages in Suriname en Berbice. De correspondenties van De Beaufort en Kol laten zien hoe gedetailleerd dit beheer was.
Vanuit Zeist namen zij beslissingen over investeringen, de organisatie en voerden onderhandelingen met betrekking tot de plantages. In de brieven werd expliciet gesproken over de noodzaak om nieuwe tot slaaf gemaakten aan te schaffen om de productie op peil te houden. De waarde van de plantage werd rechtstreeks gekoppeld aan het aantal ‘koppen’ die de tot slaaf gemaakte populatie op de plantage telde. Deze voorbeelden laten zien dat het bestuur niet enkel een lokale aangelegenheid in de koloniën was, maar ook vanuit Nederland plaatsvond. De Evangelische Broedergemeente: een unieke Zeister dimensie Een bijzonder en voor Zeist onderscheidend element is de rol van de Evangelische Broedergemeente (EBG), die zich vanaf 1745 in de gemeente vestigde. De EBG onderhield intensieve contacten met Suriname en verrichtte zendingswerk onder tot slaaf gemaakten en marrongemeenschappen. Daarmee nam zij een uitzonderlijke positie in: zij was een van de eerste organisaties die toegang kreeg tot plantages om religieuze activiteiten te ontplooien. Tegelijkertijd opereerde de gemeenschap binnen het koloniale systeem en bezat zij zelf ook tot slaaf gemaakten. Vanaf 1840 begon de EBG zich steeds meer in te zetten voor afschaffing van de slavernij en kocht zij met financiële steun tot slaaf gemaakten vrij. Deze dubbelrol maakt de betrokkenheid van de EBG ambivalent.
Enerzijds probeerde zij de leefomstandigheden van tot slaaf gemaakten te verbeteren, anderzijds droeg zij bij aan het in stand houden van het systeem door zich te schikken naar de bestaande machtsverhoudingen. Vanuit Zeist werd deze relatie met Suriname organisatorisch en financieel ondersteund, onder meer via economische activiteiten en investeringen. Daarnaast had de EBG invloed op de lokale economie via nijverheid en consumptie. Door de handel die door de hernhutters werd bedreven vonden grondstoffen uit de koloniën, zoals koffie, thee, suiker en tabak, hun weg naar de Zeister samenleving. Verschuiving naar Nederlands-Indië In de loop van de negentiende eeuw verschoof de aard van de betrokkenheid bij het koloniale verleden. De afschaffing van de slavernij in 1863 en veranderende economische omstandigheden leidden tot een afname van directe betrokkenheid bij slavernij in de Atlantische wereld. Tegelijkertijd verplaatste het zwaartepunt van koloniale activiteiten zich naar Nederlands-Indië. Hierbij speelde exploitatie van arbeid nog steeds een centrale rol, zij het 4
in andere vormen. Zo laat het verhaal achter Arendsburg zien hoe de winsten uit de tabaksteelt op Sumatra terugvloeiden naar Nederland en werden geïnvesteerd in onder meer vastgoed in Zeist. Doorwerking in het landschap en de samenleving De invloed van het koloniale verleden is tot op heden zichtbaar in het landschap van Zeist. Verschillende buitenplaatsen en landgoederen in de gemeente zijn tot stand gekomen met kapitaal dat (deels) voortkwam uit koloniale exploitatie. De eigenaren van verschillende buitenplaatsen en gebouwen die vandaag de dag het landschap nog sieren, hadden banden met de koloniale slavernij. Gebouwen zoals Slot Zeist, Hoog Beek en Royen, Pavia, De Breul, Ma Retraite en Blanda vormen tastbare herinneringen aan deze geschiedenis. Ook de naamgeving van straten, parken en gebouwen verwijst naar historische figuren waarvan een deel verbonden was met het koloniale verleden. Verdeelde perspectieven op het koloniale verleden en de rol van de gemeente Via een vragenlijst is onderzocht hoe huidige inwoners van Zeist kijken naar de omgang met het koloniale verleden en welke rol zij daarin voor de gemeente zien. De resultaten laten zien dat de meningen van inwoners van Zeist verdeeld zijn over zowel de doorwerking van het koloniale en slavernijverleden als over de rol van de gemeente.
Hoewel inwoners zich over het algemeen thuis voelen, signaleren zij wel ongelijkheid in de samenleving. De mate waarin deze ongelijkheid wordt gekoppeld aan het slavernijverleden verschilt sterk. Met name jongeren en personen met een herkomst in voormalig Nederlandse koloniën ervaren vaker doorwerkingen, terwijl andere inwoners dit minder herkennen. Deze verschillen hangen samen met uiteenlopende opvattingen over de rol van de gemeente: waar sommige inwoners pleiten voor meer aandacht en erkenning, vinden anderen verdere inzet niet nodig. Tegelijkertijd is de kennis over het slavernijverleden van Zeist beperkt. Veel inwoners geven aan hier meer over te willen weten, maar tonen slechts beperkte interesse in concrete vormen van informatievoorziening. Ook bestaat er weinig zicht op wat de gemeente momenteel doet met betrekking tot (de doorwerkingen van) het slavernijverleden, terwijl er wel kritiek is op haar rol. Een meerderheid staat open voor een meer diverse en inclusieve geschiedschrijving, maar heeft minder steun voor zichtbare of structurele maatregelen zoals een monument. Conclusie Dit rapport laat zien dat de relatie tussen Zeist en het koloniale slavernijverleden indirect maar structureel was. De gemeente, als bestuurlijke organisatie, speelde geen actieve rol, maar een deel van haar vooraanstaande inwoners en bestuurders waren nauw verweven met koloniale slavernij.
De aanwezigheid van de Evangelische Broedergemeente voegt hier een unieke dimensie aan toe, waarin religieuze, economische en ideologische betrokkenheid samenkomen. Daarmee maakt dit onderzoek duidelijk dat ook een relatief kleine, landinwaarts gelegen gemeente als Zeist, deel uitmaakte van een wereldwijd systeem van koloniale exploitatie. De sporen hiervan zijn niet alleen terug te vinden in archieven, maar ook in het huidige landschap. Uit de vragenlijst blijkt dat inwoners van Zeist verdeeld zijn over zowel de doorwerking van het koloniale en slavernijverleden als over de rol van de gemeente, waarbij met name jongeren en inwoners met een herkomst in voormalig Nederlandse koloniën vaker doorwerkingen ervaren en positiever staan tegenover aandacht en erkenning. De resultaten laten daarmee zien dat er wel sprake is van een gedeeld verleden, maar nog niet van een gedeelde beleving. 5
Voorwoord Voor u ligt het rapport Het slavernijverleden van Zeist, waarin onderzoek is gedaan naar de relatie tussen de gemeente Zeist, haar bestuurders en inwoners en het slavernijverleden. Dit onderzoek heeft inzicht gegeven in hoe het slavernijverleden van Nederland in de gemeente Zeist tot uiting kwam en hoe deze tot op heden doorwerkt in de samenleving en zichtbaar is in de fysieke omgeving van Zeist. De totstandkoming van dit rapport was niet mogelijk geweest zonder de bijdrage van verschillende betrokkenen. In het bijzonder willen wij de leden van de klankbordgroep bedanken voor hun waardevolle input. Hun bereidheid om mee te denken, kritische reflecties te delen en verschillende perspectieven in te brengen, heeft bijgedragen aan de inhoudelijke verdieping en zorgvuldigheid van het onderzoek. Daarnaast zijn wij de medewerkers van het gemeentearchief van Zeist erkentelijk voor hun ondersteuning. Dankzij hun deskundigheid en bereidheid om actief mee te denken, waren we in staat de archieven beter te doorgronden. Tot slot willen wij de gemeente Zeist bedanken als opdrachtgever van dit onderzoek. De prettige samenwerking, het vertrouwen in het onderzoeksproces en de ruimte om het onderzoek onafhankelijk uit te voeren, hebben een belangrijke bijdrage geleverd aan het eindresultaat.
De open houding en betrokkenheid gedurende het traject hebben het mogelijk gemaakt om dit onderzoek zorgvuldig en grondig uit te voeren. Wij hopen dat dit rapport bijdraagt aan een beter begrip van het koloniale verleden van Zeist en niet zozeer een eindpunt vormt, maar juist een aanzet biedt voor verder onderzoek en verdieping.
Rotterdam, april 2026 Youri Seidler Projectleider Risbo / Erasmus Universiteit Rotterdam
7
Inhoudsopgave 1 – Inleiding.......................................................................................................................... 11 2–
3–
4–
Slot Zeist en de Evangelische Broedergemeente ........................................................ 13 2.1
De hoge heerlijkheid Zeist ................................................................................. 13
2.2
Evangelische Broedergemeente in Zeist ............................................................. 14
2.3
Conclusie ......................................................................................................... 25
Betrokkenheid van de gemeente Zeist en haar bestuurders bij de slavernij .................. 27 3.1
De betrokkenheid van de gemeente bij de koloniale slavernij .............................. 27
3.2
Bestuurders en hun betrokkenheid bij de koloniale slavernij ............................... 28
3.3
Conclusie ......................................................................................................... 34
Particuliere betrokkenheid bij koloniën en slavernij in Zeist ........................................ 36 4.1
Plantage-eigenaar te Berbice koopt Zeist ........................................................... 36
4.2
Betrokkenen bij Zuid-Amerikaanse slavenplantages ........................................... 37
4.3
Plantagebestuurders op afstand: Joachim Ferdinand de Beaufort & Jan Kol ......... 41
4.4
Betrokkenen bij koloniale dwangarbeid in Azië ................................................... 45
4.5
Conclusie ......................................................................................................... 51
5–
Conclusie: historisch onderzoek ............................................................................... 53
6–
Huidige inwoners van Zeist over de omgang met het slavernijverleden ........................ 55 6.1
Doorwerkingen en discriminatie ........................................................................ 55
6.2
Kennis over het slavernijverleden....................................................................... 57
6.3
Rol van de gemeente ......................................................................................... 60
6.4
Klankbordgroep ................................................................................................ 64
6.5
Conclusie ......................................................................................................... 66
7 – Aanbevelingen ................................................................................................................ 68 Bronnen............................................................................................................................... 71 Bijlage 1 Methodologische toelichting vragenlijst ................................................................... 75 Bijlage 2
9
Aanvullende tabellen ........................................................................................ 77
1 – Inleiding Van 1 juli 2023 tot en met 1 juli 2024 vond het Herdenkingsjaar Slavernijverleden plaats. Vanuit dit kader werden in het hele land activiteiten en onderzoeken geïnitieerd om stil te staan bij de afschaffing van de slavernij 150 jaar geleden. De gemeente Zeist organiseerde vanuit de initiatiefgroep Slavernijverleden een herdenkings- en een dialoogbijeenkomst in 2024. Tijdens deze bijeenkomsten stond de vraag centraal: ‘Hoe zat het nu echt?’. Enerzijds ligt de veronderstelling voor de hand dat Zeist, als centraal gelegen gemeente zonder directe verbinding met zee, weinig banden heeft gehad met de slavernij. Daar staat tegenover dat binnen de gemeente veel historische gebouwen en buitenplaatsen aanwezig zijn, waarvan lang niet altijd bekend is hoe deze zijn gefinancierd. Met dit onderzoek wordt beoogd de banden van de gemeente Zeist en haar toenmalige inwoners met de koloniale slavernij te belichten. Dit onderzoek richt zich op de betrokkenheid bij het koloniaal en slavernijverleden van de gemeente Zeist, haar bestuurders, individuen en invloedrijke instanties. Zowel directe betrokkenheid, bijvoorbeeld als bestuurder of plantage-eigenaar, als indirecte betrokkenheid, bijvoorbeeld via aandelenbezit of via voorouders, komen aan bod. Naast archiefonderzoek naar historische sporen wordt ook aandacht besteed aan sporen die vandaag de dag nog zichtbaar zijn.
Via een online enquête is aan huidige Zeistenaren gevraagd naar hun opvattingen over de omgang met het slavernijverleden. De uitkomsten van dit onderzoek omvatten grofweg de periode van het eind van de zeventiende eeuw tot het begin van de twintigste eeuw. Het onderzoek geeft inzicht in de wijze waarop een aanvankelijk kleine boerengemeente verbonden was geweest met het koloniale verleden. Deze betrokkenheid manifesteerde zich anders dan in de gebruikelijke grootstedelijke verhalen. Dit onderzoek laat zien dat Zeist om een aantal redenen een unieke geschiedenis heeft. Aan de andere kant wijzen de uitkomsten er juist op hoe alomvattend het koloniaal systeem aanwezig was dat het ook zichtbaar was in Zeist, een klein dorp op het platteland van de provincie Utrecht. Ondanks uitvoerig onderzoek is het onmogelijk volledig te zijn. Een totaalbeeld van alle inwoners, instanties en bestuurders ontbreekt. Dit hangt samen met praktische beperkingen, zoals verloren gegane archieven en het ontbreken van relevante bronnen. De gepresenteerde verhalen fungeren daarom als voorbeelden van manieren waarop betrokkenheid bij het koloniale en slavernijverleden in Zeist tot uiting kwam en doorwerkte in de lokale samenleving. Taalgebruik In dit onderzoek wordt het gebruik van ‘slaafgemaakte’ aangehouden in plaats van ‘slaaf’.
In de woorden van historicus Alex van Stipriaan ‘om aan te geven dat niemand een slaaf is, als een soort identiteit, maar dat de betreffende persoon door anderen in die status wordt gebracht en gehouden, zelfs al is diegene in slavernij geboren.’1 Het woord ‘slaaf’ maar ook het beladen woord ‘neger’ worden nog wel in citaten uit archiefstukken gebruikt, om de volledigheid van de bron te behouden. Het gebruik van deze citaten is niet choquerend bedoeld, maar juist om de lezer te tonen hoe denigrerend die term van origine is. Zoals uit de citaten blijkt, werd dit woord niet alleen als synoniem aan slaafgemaakte Afrikanen gebruikt, maar ook als neerbuigende toevoeging om structureel onderscheid te maken tussen het ‘wij’ van de witte Nederlander en het ‘zij’ van de zwarte Afrikaan, Afro-Surinamer of Afro-Antilliaan.
1
A. van Stipriaan, Rotterdam in Slavernij (Boom Uitgeverij, Amsterdam: 2020), 22.
11
Leeswijzer Dit rapport kent een grotendeels chronologische indeling. Per hoofdstuk worden exemplarische casussen uitgewerkt. In veel gevallen zijn er meer soortgelijke voorbeelden gevonden in het verleden van Zeist. Deze verbanden staan wel benoemd, maar zijn omwille van de leesbaarheid minder uitgebreid besproken. Het gaat bijvoorbeeld om indirecte verbanden via voorouders van personen die uiteindelijk een rol zouden gaan spelen in Zeist. In hoofdstuk 2 worden de stichting van Slot Zeist (1677) en de komst van de Evangelische Broedergemeente (1745) behandeld. Deze ontwikkelingen vormen belangrijke aanknopingspunten voor latere koloniale verbindingen. Hoofdstuk 3 richt zich op de gemeente Zeist als bestuurlijke organisatie vanaf het begin van de negentiende eeuw en behandelt zowel de institutionele rol van de gemeente als de achtergrond van haar bestuurders. Hoofdstuk 4 bespreekt verschillende vormen van particuliere betrokkenheid bij het koloniale systeem. Hoofdstuk 5 plaatst de bevindingen in samenhang en biedt een overkoepelende conclusie. In hoofdstuk 6 staat de hedendaagse omgang met het slavernijverleden centraal. Hierin wordt ingegaan op de opvattingen van huidige inwoners over dit verleden en de rol van de gemeente. Het laatste hoofdstuk formuleert aanbevelingen voor de omgang met dit verleden.
Over dit rapport Dit rapport is tot stand gekomen uit een samenwerking tussen onderzoeksbureau Risbo en historisch onderzoeksbureau Stad en Bedrijf. In opdracht van Risbo verrichtte Stad en Bedrijf archief- en literatuuronderzoek, leverde hoofdstuk 2 en tekstdelen voor hoofdstuk 4 aan en bood redactionele feedback op het eindrapport.
12
2 – Slot Zeist en de Evangelische Broedergemeente 2.1 De hoge heerlijkheid Zeist De vroegste connectie tussen Zeist en voormalige Nederlandse koloniën kwam tot stand door Willem Adriaan van Nassau-Odijk (1632-1705), die in 1677 de heerlijkheid Zeist aankocht. Van Nassau-Odijk liet zijn bezit – toentertijd een boerendorp met zo’n driehonderd inwoners – tot hoge heerlijkheid verheffen zodat hij daar zelf regels en rechtspraak mocht voeren.2 Hij zette zijn nieuwe bezit en bevoegdheden luister bij door het nog altijd bestaande Slot Zeist te laten bouwen. Van Nassau-Odijk voerde sinds 1668 ook de titel van eerste edele in de Staten van Zeeland, een bestuurlijke functie die zijn achterneef stadhouder Willem III aan hem delegeerde. Binnen de Staten van Zeeland hield Van Nassau-Odijk de touwen stevig in handen en voerde onderhandelingen over de voorgenomen verkoop van de Zeeuwse kolonie Suriname aan de West-Indische Compagnie.3 De Staten van Zeeland voerden in 1879 al verkooponderhandelingen, maar de WIC was sceptisch over aankoop van een kolonie die meer in onderhoud kostte dan dat het aan winst opleverde. Na ‘te hebben gesproocken met den Heer van Odijk, die sulx hadde geoordeelt te wesen een salutaire [=gunstige] sake,’ kwam daar enige beweging in.4 Het duurde echter tot 1682 tot Van Nassau-Odijk namens de Staten van Zeeland overeenstemming over de verkoopvoorwaarden bereikte.
De tussenliggende tijd gebruikte hij om de WIC eraan te herinneren dat Willem III – zijn achterneef – nog enkele rekeningen had openstaan en dat hij geautoriseerd was deze te innen. In 1681 attendeerde hij de Zeeuwse WIC-kamer er bijvoorbeeld op dat de Prins van Oranje de buit van zesduizend gulden van een in 1650 gekaapt Portugees schip nog niet had gekregen.5 Of Van Nassau-Odijk zelf financieel betrokken was bij het Zeeuwse bestuur van Suriname is niet bekend. Hij toonde zich in 1683 wel bereid borg te staan voor het transport van 24.000 gulden aan achterstallig loon van soldaten die de kolonie voor de Staten van Zeeland hadden verdedigd.6 Aan zijn financiële diensten gedurende het verkoopproces van Suriname zal hij ongetwijfeld hebben verdiend. Het was bovendien geen geheim dat Van Nassau-Odijk corruptie en omkoperij niet schuwde, zijn macht misbruikte voor eigen gewin en bij iedere gelegenheid zichzelf of handlangers flinke bedragen liet uitbetalen.7 Op zijn rol in de verkoop van Suriname aan de WIC van 1879 tot na, is van Van NassauOdijk verder geen koloniale activiteit bekend. Het al die tijd in aanbouw zijnde Slot Zeist was in 1686 gereed. Rondom het slot waren uitgestrekte tuinen aangelegd en een beeldengroep die de werelddelen Afrika, Amerika, Azië en Europa representeerden plaatsten Slot Zeist in het metaforische centrum van de wereld.
Een jaar later breidde Van Nassau-Odijk zijn bezit in Zeist uit met de ridderhofstad Blikkenburg en liet het oude kasteel aldaar slopen.8 2 A. Moolenaar, ‘Willem Adriaan I van Nassau-Odijk,’ Geheugen van Zeist. Digitaal raadpleegbaar:
https://www.geheugenvanzeist.nl/articles/willem-adriaan-i-van-nassau-odijk/; ‘Geschiedenis van Zeist,’ Zeister Historisch Genootschap. Digitaal raadpleegbaar: https://zhg.nl/geschiedenis-van-zeist. 3 H. den Heijer, Slavernijverleden van Zeeland (Zeeland, 2023), 15; A. Romeijn, De Stadsregering van Tholen (1577-1795) (Tholen, 2001),135. 4 Nationaal Archief, 1.05.01.02 Tweede WIC, inv.nr. 832, scan 151. 5 Nationaal Archief, 1.05.01.02 Tweede WIC, inv.nr. 649, scans 92, zie ook 89-93. 6 Zeeuws Archief, 2 Staten van Zeeland en Gecommitteerde Raden, inv.nr. 2035.2, scan 529. 7 Romeijn, Tholen,165. 8 E. de Jong, “Landgoed Blikkenburg,” Geheugen van Zeist. Digitaal raadpleegbaar: https://www.geheugenvanzeist.nl/articles/landgoed-blikkenburg/.
13
De heer van Zeist had de rechtsprekende macht binnen het gebied, maar hield zich niet zelf bezig met de dagelijkse gang van zaken. Daarvoor werd een drost ofwel drossaard aangesteld, die namens Van Nassau-Odijk rechtsprak en verantwoordelijk was voor de lokale ordehandhaving. In de vroege achttiende eeuw, toen Lodewijk Adriaan van Nassau-Odijk (16701742) zijn vader was opgevolgd als heer van Zeist, vervulde Willem Damhoff (1712-1772) de functie van drost. Damhoff stapte daarmee in de voetstappen van zijn vader en grootvader, en was van circa 1730 tot 1743 in deze functie actief.9 Damhoff stapte in 1738 in de huwelijksboot met ‘Johanna Jacoba de Rayneval, jonge dame van Paramaribo in de colonie van Zuriname.’10 Met dit huwelijk verbond de drost van Zeist zich in aan een familie die steenrijk was geworden van plantagebezit en hoge bestuurlijke functies in Suriname. Johanna’s vader François Anthony de Rayneval was namelijk onder meer commandeur en gouverneur-generaal van Suriname én eigenaar van de suikerplantage Schoonoord en koffieplantages Constantia, Maagdenburg, Picardie en Ponthieu.11 Nadat François in 1726 overleed, liet hij deze plantages en de mensen die er op in slavernij werden gehouden na aan zijn vrouw Anna Elisabeth Glimmer en zijn kinderen. Na enkele jaren in Suriname trokken de weduwe en erfgenamen van François naar Nederland.
Toen Johanna’s moeder in 1748 overleed en de uit slavernij voortgekomen erfenis verdeeld moest worden, ging Willem Damhoff een juridische strijd aan met Johanna’s oudste broer.12 Het is onduidelijk hoe de betwiste erfenis is verdeeld, maar nog in 1829 wordt de familie Damhoff als mede-eigenaar van in ieder geval de koffieplantage Constantia vermeld.13
2.2 Evangelische Broedergemeente in Zeist De heerlijkheid Zeist en het daarbij horende Slot Zeist, Driebergen en Blikkenburg werden in 1745 door Willem Adriaan van Nassau-Odijks gelijknamige kleinzoon van de hand gedaan. De koper was de Amsterdamse ijzerhandelaar en rentenier Cornelis Schellinger, een man met grootse plannen voor zijn nieuwe bezit. Hij was namelijk lid van de Evangelische Broedergemeente (EBG, ook wel hernhutters of Moravische broeders). Dit was een uit Tsjechië afkomstige religieuze beweging die de protestantse geloofsbelijdenis van theoloog Jan Hus aanhing. De hernhutters, zoals deze beweging zich noemde, keerden zich af tegen de wereldlijke macht van de Katholieke kerk en streefden naar een meer persoonlijke invulling van het geloof. In opdracht van de Nederlandse hernhutter Cornelis Schellinger, verrezen in de twee voortuinen van Slot Zeist binnen enkele jaren woningblokken in de stijl van Amsterdamse grachtenpanden – het huidige Broederplein en Zusterplein – een kerk, scholen en de Godsakker, een eigen begraafplaats. Enkele hernhutters die het Broeder- en Zusterplein bewoonden, startten hun eigen bedrijven op het terrein van de EBG, waardoor al in de achttiende eeuw een soort warenhuis met tien winkels onder één dak ontstond.
De kwalitatief hoogstaande producten trokken vooral klanten uit de hogere sociale kringen – van de gegoede burgerij tot de adel en zelfs vorsten – naar het boerendorp met slot dat Zeist in die tijd was.14 Deze bedrijven kwamen veelal voor rekening van de EBG of droegen in ieder geval een deel van hun winsten af. 9 H.J. van Eekeren, De Oude Kerk te Zeist, (Zeist, 1974), 404.
Het Utrechts Archief, toegang 45, inv.nr. 517, p. 21. Aktedatum 13-02-1738. M.L.E. Vlier, Beknopte geschiedenis der kolonie Suriname (Amsterdam 1863), 32; S. Kalff, ‘Franchsen in Suriname’, in De West-Indische Gids (11) 1929-1930, 326. 12 Camilla de Koning, ‘Het Schoonoord van Anna Elisabeth Glimmer: van Surinaamse plantage tot Warmondse buitenplaats,’ Geschiedenis van Zuid-Holland. Digitaal raadpleegbaar: https://www.geschiedenisvanzuidholland.nl/verhalen/verhalen/het-schoonoord-van-anna-elisabethglimmer/. 13 ‘Naamlijst der plantaadjes en gronden,’ in Surinaamsche Almanak voor het Jaar 1830, p. 75. 14 V.A.M. van der Burg en R.P.M. Rhoen, Zeist van boerendorp tot villadorp (Zeist, 2019), 46. 10 11
14
Enkele bedrijven op het terrein van de EBG verwerkten of verkochten producten waarvan de grondstoffen uit Europese koloniën werden aangevoerd. Een van de grootste daarvan was de zijdefabriek G. van Wees & Weiss.15 Deze fabriek startte in 1752, toen de EBG een huis met winkel aan het Broederplein van een Amsterdamse koopman kocht. De voormalige bediende van die winkel, Gerrit van Wees, werd als chef aangesteld en verkocht kruidenierswaren, manufacturen, huishoudelijke artikelen en katoenen stoffen. Alle winsten en verliezen waren voor rekening van de EBG. De zaak liep voorspoedig en stelde Van Wees in staat om in 1762 aan het Broederplein een ‘floretfabrique’ te openen, zodat ‘veele geschwister in Zeist daardoor aan haar brood komen mogen.’16 In deze fabriek verwerkten vrouwelijke hernhutters ruwe zijde tot bruikbare zijdebanden. De grondstoffen daarvoor werden onder andere door de Vereenigde Oost-Indische Compagnie uit Oost-Azië aangeleverd.17 De ‘Winkel en Fabrique Gerrit van Wees en Co.’ zoals het uithangbord aan het pand op het Broederplein las, werd rond 1780 uitgebreid met vestigingen in Utrecht en Amsterdam. Begin negentiende eeuw nam Samuel Weiss, die in de winkel te Zeist werkte, de onderneming over en splitste het in de fabriek G. van Wees & Co. en de winkel Van Wees & Weiss. De zijdebandfabriek ging in de negentiende eeuw sterk achteruit.
Moeite met bevoorrading na de definitieve opheffing van de VOC in 1800 heeft daar ongetwijfeld aan bijgedragen, maar nog ingrijpender was de Franse bezetting van Nederland door keizer Napoleon. De twintig jaar durende Franse Tijd in Nederland was desastreus was voor de Nederlandse scheepvaart en handel, dat pas na het vertrek van Napoleon in 1814 langzaam herstelde. Rond 1850 werd de zijdebandfabriek G. van Wees & Co. definitief stilgelegd. Anders dan de fabriek, bleef de winkel nog wel open en boekte halverwege de negentiende eeuw weer zulke goede resultaten dat het onder rekening van de EBG een klein kapitaal kon beleggen. Een goed gedeelte van deze investeringen was gerelateerd aan koloniale zaken en slavernij in Europese koloniën. Zo had Van Wees & Weiss een niet nader gespecificeerd aantal aandelen in ‘Oost-Indië’ ter waarde van 39.020 gulden, in ‘Overzeesche bezittingen’ – waarmee koloniën werden bedoeld – ter waarde van 46.920 gulden en voor 27.600 gulden aan aandelen in de Citizens Bank of Louisiana.18 Deze bank financierde onder meer slavenplantages in het zuiden van de Verenigde Staten, waarvoor het meer dan negenduizend slaafgemaakten als onderpand voor leningen had.
In het geval dat planters hun leningen niet konden afbetalen, legde de Citizens Bank of Louisiana beslag op slaafgemaakte mensen en veilde hen om het verschuldigde bedrag te verkrijgen.19 Het rendement dat aandeelhouders als Van Wees & Weiss kregen kwam dus voort uit de opbrengsten van slavenplantages of incidenteel de veiling van slaafgemaakten. Niet ver van de winkel Van Wees & Weiss dat naar de Karpervijver was verhuisd, lag de apothekerswinkel Kraepelien & Holm. Deze apotheek werd in 1772 door dezelfde Gerrit van Wees opgericht en viel eveneens onder rekening van de EBG. Kraepelien & Holm verkocht halverwege de negentiende eeuw een uiteenlopend en soms opvallend assortiment: van
15 Tenzij anders vermeld, is de beschrijving van G. van Wees & Weiss uit de archiefbeschrijving in Utrechts
Archief toegang 616 Textielgroothandel G. van Wees en Weiss. 16 Utrechts Archief, 616 Textielgroothandel G. van Wees & Weiss, inv.nr. 8 17 Utrechts Archief, 616 Textielgroothandel G. van Wees & Weiss, inv.nr. 291. 18 Utrechts Archief, 616 Textielgroothandel G. van Wees en Weiss, inv.nr. 56: inventaris effecten fa. G. van Wees & Co., 1849-1873. In het archiefstuk wordt de Citizens Bank of Lousiana vermeld als ‘Louisiana City Bank’. Dit moet de Citizens Bank of Louisiana zijn, omdat er in deze periode en regio geen enkele bank onder die exacte naam bestond. 19 G. de Kok en P. Brandon, Het slavernijverleden van historische voorlopers van ABN AMRO. Een onderzoek naar Hope & Co en R. Mees & Zoonen (Amsterdam: IISG, 2022), 77, 78.
15
eikelcacao en tamarinde-bonbons tot medicinale wijn of sigaretten tegen astma.20 Een aantal grondstoffen hiervoor werd geïmporteerd uit Oost-Azië, in Zeist verwerkt en als eindproduct weer naar Oost-Azië geëxporteerd voor verkoop. In lokale kranten op Java werd dan ook actief geadverteerd voor de producten van Kraepelien & Holm.21 De zeep die de hernhutter Pieter Hendrik Brouwer, tevens gemeenteraadslid van Zeist tussen 1825 en 1850, produceerde was eveneens volop te verkrijgen in het voormalige Nederlands-Indië.22 Enkele hernhutters waren behalve winkelier in onder meer koloniale producten ook (mede)eigenaren van schepen die op het voormalige Nederlands-Indië voeren. Een van de apothekers, C.F. Kraepelien, was bijvoorbeeld mede-eigenaar van het schip Drie Gebroeders, dat halverwege de negentiende eeuw koloniale producten als suiker, arak en rotan vanuit Java naar Nederland verscheepte.23 Hernhutter C.G. Adlung, die een tabaksfabriek op het Zusterplein van de EBG runde, was tevens parteneigenaar van het schip Drie Gezusters.24 Deze voer namens de Nederlandsche Handel-Maatschappij op het voormalige Nederlands-Indië waar het koffie, suiker en rotan transporteerde.25 Het is waarschijnlijk geen toeval dat de namen van deze schepen – de Drie Gebroeders en Drie Gezusters – weerspiegelingen lijken van het Broederplein en het Zusterplein van de EBG in Zeist.
De aanschaf van Slot Zeist door hernhutter Cornelis Schellinger in 1745 en de daaropvolgende intrek van de Evangelische Broedergemeente gaf een belangrijke impuls aan het economische leven van het voormalige boerendorpje.26 Die impuls ging voor een deel gepaard met een nauwere betrokkenheid tussen de lokale nijverheid in de voormalige tuinen van Slot Zeist en Nederlandse koloniale bezittingen in voornamelijk Oost-Azië. Zo leverde de VOC grondstoffen voor de zijdefabriek van G. van Wees & Weiss, dat een groot deel van de opbrengsten daarvan weer investeerde in overzeese koloniale aangelegenheden. Met de aanschaf van aandelen in de Citizens Bank of Louisiana droeg de hernhutterfirma G. van Wees & Weiss bijvoorbeeld bij aan het financieren van slavenplantages. De firma Kraepelien & Holm importeerde grondstoffen uit Oost-Azië, verwerkte die in Zeist en exporteerde die weer naar het voormalige Nederlands-Indië voor verkoop aan Europeanen. Andere hernhutters waren parteneigenaren van schepen die koloniale goederen uit Oost-Azië importeerden. De bedrijven die hernhutters in Zeist runden kwamen meestal geheel voor rekening van de EBG of droegen een deel van hun winst af. Hoewel de koloniale betrokkenheid van de in Zeist gevestigde EBGbedrijven niet intensief of structureel te noemen is, was vooral het voormalige Nederlands-Indië op deze manier toch ook een inkomstenbron voor de EBG.
Met de Nederlandse slavenplantagekolonie Suriname was de EBG, zoals in het volgende hoofdstuk wordt toegelicht, veel nauwer betrokken.
20 V.A.M. van der Burg en R.P.M. Rhoen, “Zeister bedrijven Koninklijk onderscheiden,” Seijst, nummer 3/4,
jaargang 32 (2002),100. 21 “Tamarinde-bonbons van Kraepelien & Holm, apothekers te Zeist,” Java-Bode, 01-07-1884; “Asthma, Catarrh, Bronchitis,” Bataviaasch Handelsblad, 15-01-1886; “Kraepelien & Holms Eikel-Cacao is de beste,” Bataviaasch Handelsblad, 21-08-1893. 22 Van der Burg en Rhoen, Boerendorp tot Villadorp, 27. 23 ‘Drie Gebroeders,’ ID 13638, Maritiem-Historische Databank; Javasche Courant, 19-02-1845. 24 In 1832 richtte C.P. Hellstrom een tabaksfabriek op aan het Zusterplein. In 1837 nam EBG-lid C.G. Adlung de “kruideniers affaire van Hellstrom” over. Dat moet deze tabaksfabriek zijn geweest. R.P.M. Rhoen, Zilverkamer Zeist, 11; Utrechtse Courant, 19-07-1837. 25 De Locomotief: Samarangsch Handels- en Advertentieblad, 17-08-1866. 26 Van der Burg en Rhoen, Boerendorp tot Villadorp, 46, 47.
16
2.2.1 ‘Wie Zeister is, moet naar Suriname gaan’ ‘Wie Zeister is, moet naar Suriname gaan,’ adviseerde oud-zendeling H. Hasewinkel zijn negentienjarige medehernhutter Hermann Moritz Bielke, toen hij zich begin twintigste eeuw geroepen voelde als eerste het evangelie te verkondigen onder Javaanse contractarbeiders in Suriname.27 Bielke stapte in de voetsporen van talloze EBG-zendelingen die hem voorgingen en vanuit Zeist naar Suriname trokken om hun geloof te verspreiden – en met veel succes. Met tegenwoordig nog ruim zestigduizend leden, is de EBG nog altijd het grootste protestantse kerkgenootschap van Suriname. De zending van de EBG in Suriname gaat terug tot 1735, toen een afgevaardigde van de Duitse hernhutters goedkeuring van het koloniale bestuur, de Sociëteit van Suriname, kreeg voor de overtocht van drie zendelingen.28 Het koloniale bestuur van Suriname heette nieuwe kolonisten warm welkom.
Een kleine drie jaar later rapporteerde Harmen Henrik van de Poll (1697-1772) - die als schepen in Suriname een soort wethouderfunctie vervulde en later directeur van de Sociëteit van Suriname werd – dat er naast de drie hernhutters die er al waren, nog ‘reeds veertig a vijftig uijt die quartieren aan hun hadden geaddresseert omme insgelijx na Suriname te werden overgevoert.’29 Na de eerste jaren in een gehuurde woning in Paramaribo te hebben verbleven, werden de zendelingen in 1740 zelf plantage-eigenaar. Ze kochten een vervallen plantage aan de Kwattaweg, toen nog net buiten Paramaribo gelegen, en namen intrek in de plantagewoning. Hun voormalige woningverhuurder stelde een slaafgemaakte man, wiens naam niet bewaard is gebleven, ter beschikking om op de plantage mais, bananen, aardappels, bonen en kool te helpen verbouwen en kippen en koeien te houden.30 Vanuit deze plantage ondernamen de hernhutters hun eerste zendingsmissies. Aanvankelijk waren die gericht op bekering van Arawakken en Cariben, de oorspronkelijke bewoners van het noordoosten van Zuid-Amerika. Na een reeks van mislukte pogingen besloten de zendelingen relatief snel de bekering van deze inwoners van Suriname te staken. Net als in Zeist richtten de hernhutters ook te Paramaribo winkels op, zoals een bakkerij, horlogewinkel en een kleermakerij.
Deze bedrijven moesten de hoge kosten voor het zendingswerk dat volledig vanuit Zeist en Herrnhut werd betaald verlichten. 31 De in 1768 door EBG-lid Christoph Kersten opgerichte kleermakerij C. Kersten & Co. deed zulke goede zaken dat de zendelingen een eigen huis en erf in Paramaribo konden kopen, waarop tien jaar later de nog altijd bestaande Grote Stadskerk werd gebouwd. C. Kersten & Co. ontwikkelde zich tot algemeen warenhuis en zou uitgroeien tot een van de omvangrijkste bedrijven van Suriname, die onder de naam Kersten Group of Companies nog steeds bestaat.32 Na de bouw van de eerste EBG-kerk te Paramaribo, de aanleg van een begraafplaats voor gekerstende slaafgemaakten en de stichting van meer zendingsstations in de jaren zeventig van de achttiende eeuw, had het zendingswerk van de EBG een permanente uitvalsbasis verkregen. De zending richtte zich vanaf dan ook op de bekering van slaafgemaakten. Op 21 juli 1776 werd de kleermakersassistent Christiaan Cupido als eerste slaafgemaakte bekeerling gedoopt door
Citaat toegeschreven aan hernhutter-zendeling H. Hasewinkel. https://hernhutterhuis.nl/gids-voor-degodsakker/ 28 H. Wels, Hernhutters in Zeist (Abcoude, 2011), 13. 29 Nationaal Archief, 1.05.03 Sociëteit van Suriname, inv.nr. 30 resolutie d.d. 2 juli 1738. 30 Utrechts Archief, 48-1 Zeister Zendingsgenootschap, inv.nr. 1375. 31 “Het 150-jarig bestaan eener groote Zendingsfirma,” De West, 28-06-1918. 32 “Van ‘Anitri’ zendingsbedrijf naar Kersten Group of Companies,” Evangelische Broedergemeente Suriname, 10-06-2021. https://ebgs.sr/2021/06/van-anitri-zendingsbedrijf/. 27
17
C. Kersten.33 Na Cupido volgden in snel tempo meer bekeerlingen. Zo veel zelfs dat de EBG-kerk na twee jaar al te klein was geworden voor de bijna tweehonderd gedoopte vrije en onvrije AfroSurinamers die er kerkdiensten bijwoonden. De hernhutters kregen van het koloniale gouvernement toestemming om een collecte te houden voor uitbreiding van hun kerk. Daarbij ontving de EBG de complimenten van het koloniale gouvernement, dat verklaarde ’te wenschen dat die lieden verder zoo voortgaan om de slaaven tot de christelijke geloove over te haalen.’34 Dat slaafgemaakte mensen werden bekeerd en gedoopt betekende echter niet dat christelijke slaafgemaakten zoals Christiaan Cupido gelijkwaardig werden behandeld door de zendelingen. Geen enkele slaveneigenaar zou het zendingswerk toestaan als ze daardoor mogelijk onteigend zouden worden van de mensen die zij als hun bezit zagen. Bovendien hield de EBG zelf ook mensen in slavernij voor fysiek zwaar werk en aan die situatie wensten de zendelingen in deze tijd eveneens nog niets te veranderen.
35 Op een conferentie te Zeist in 1761 had de EBG al onderstreept dat ‘bij de plantagieneegers moet vast blijven dat zij, ook na hunnen doop, slaaven blijven.’36 Voor de rechtvaardiging hiervan beriepen de hernhutters zich op de uitspraak van de apostel Paulus, die zei dat ‘wie als een dienstknegt beroepen is, zoeke niet vrij te worden.’ Religieuze argumenten als deze werden al sinds het begin van de systematische slavernij van Afrikanen onder Nederlandse vlag aangehaald in pogingen dit voor henzelf te moraliseren en legitimeren. 2.2.2 Zendingswerk bij marrons De hernhutters verkondigden het evangelie niet alleen onder de slaafgemaakte bevolking en de Arawakken en Cariben, maar ook aan marrons in Suriname. Deze mensen waren hun slavernij ontvlucht en vormden in de bossen en moerassen van Suriname hun eigen leefgemeenschappen. Vanuit deze locaties hielpen marrons hun lotgenoten die nog wel in slavernij werden gehouden te ontsnappen en overvielen geregeld plantages om goederen, voedsel en kleding te verkrijgen. Na een reeks grootschalige opstanden en aanvallen van marrons in de jaren zestig en zeventig van de achttiende eeuw, wisten zij hun bestaansrecht veilig te stellen door vredesakkoorden met het koloniale gouvernement te sluiten. Het zendingswerk van de EBG verspreidde naar de marrons, aangemoedigd door het koloniale gouvernement voor hen een oogje in het zeil te houden.
De zendelingen hadden er tegelijkertijd belang bij om geen speelbal van het gouvernement te worden als ze ook maar een kleine kans wilde maken het vertrouwen van de marrons te winnen. Daarom stelden zij zich op als een neutrale partij en vertolkten geregeld de belangen van de marrons ten opzichte van de koloniale overheid. In 1766 kwam bijvoorbeeld bij de gouverneur-generaal van Suriname een brief binnen van de hand van EBG-zendeling Rudolf Stoll namens Abini, de leider van de Saramacca-marrons. Abini wilde zich volgens de vertaling van Stoll graag distantiëren van de marronleider Musinga van Matawai, die de broze vrede had gebroken door een plantage aan te vallen. ‘Zoo ras ik deese euveldaad vernomen heb, heb ik nog dezelve nagt na alle dorpen rond gestuurt om van het geval kennis te geeven en te gelasten dat se ten spoedigsten bij mij soude komen.’37 Via Stoll stelde Abini vervolgens voor om Musinga gezamenlijk te vangen door hem
“Grote Stadskerk viert 235-jarig bestaan,” Dagblad Suriname, 31-05-2013. Nationaal Archief, 1.05.03 Sociëteit van Suriname, inv.nr. 171: resoluties d.d. 4 januari 1780. 35 Utrechts Archief, 48-1 Zeister Zendingsgenootschap, inv.nr. 1375. 36 Utrechts Archief, 48-1 Zeister Zendingsgenootschap, inv.nr. 1181. 37 Nationaal Archief, 1.05.03 Sociëteit van Suriname, inv.nr. 158 Resoluties Gouverneur en Raden 17651766, d.d. 2 november 1766. 33 34
18
tussen een troep koloniale soldaten en zijn eigen mannen in te sluiten. ‘Uw excellentie zal bij alle ocasien verneemen en zien dat wij trouwe bondgenooten sijn.' Het plan mislukte echter. Na twee jaar strijd sloot Musinga in 1769 een vredesakkoord met de pas aangetreden gouverneur-generaal van Suriname Jan Nepveu (1719-1779). Net als bij de Saramacca-marrons, werden ook naar de Matawai-gemeenschap zendelingen van de EBG gestuurd, die zich ten opzichte van hen eveneens behulpzaam opstelden. Tegen de wil van het gouvernement in sloegen de zendelingen in 1775 bijvoorbeeld enkele vaten buskruit voor hen op en ruilden de in slechte staat verkerende geweren van de marrons om voor betere. Gouverneur Nepveu besloot hierop de ‘opperhoofden Musinga en Becoe met fermiteit te doen aanseggen’ dat ze voor hun eigen wapens en kruitvaten moesten zorgen en de hernhutters werden gesommeerd ‘sulx in 't vervolg niet meerder te doen'.38 Onderdeel van de vredesverdragen was de eis dat de marrons gevluchte slaafgemaakten zouden helpen vangen en vervolgens uitleveren aan degenen die zich hun eigenaar noemden of aan het gouvernement. Die overeenkomst kwamen de marrons lang niet altijd even strikt na, wat gezien hun eigen afkomst weinig verwonderlijk was.
Dat de EBG in Suriname bovendien zelf ook mensen in slavernij hield stond op gespannen voet met hun overwegend goede betrekkingen met de marrons die zichzelf juist uit slavernij hadden bevrijd. Deze tegenstrijdige belangen van de zendelingen en marrons kwamen begin 1778 samen. Gezanten van de Matawai-marrons leverden een slaafgemaakte man uit aan het gouvernement en hadden daarbij ook de afgehakte hand van een vrouw meegebracht. De gezanten rapporteerden dat zowel de man als de vrouw van wie slechts een hand over was, ‘slaaven waren toebehoorende aan de Moravische broeders [ofwel de hernhutters] boven aan de rivier Saramaca woonende.’39 Bij zijn verhoor verklaarde de slaafgemaakte man ‘te zijn weggeloopen van de Moravische Broeders, sijne meesters woonende te Saron’ vanwege ‘mishandelingen en ontijdig werken.’40 Toen hij en de vrouw met wie hij samen wegvluchtte de Matawai-marrons tegen het lijf liepen, werden ze door hen naar Paramaribo meegenomen. Onderweg daarnaartoe raakte de vrouw te water en verdronk. Gouverneur Nepveu en de koloniale raad besloten de slaafgemaakte man uit te leveren aan de hernhutters en ontboden de gezanten van de Matawai-marrons. Later datzelfde jaar – in december 1778 – bleek de zaak toch anders te zijn verlopen dan hoe de marrons en ondervraagde man het hadden voorgehouden.
Tijdens de berechting van de vrije Afro-Surinamer Quacoe Bentura, die terecht stond voor diefstal van hangmatten en kleding van de hernhutters op het zendingsstation Saron, bleek dat de gevluchte ‘Cornelia van de Hernhutters, die hij voorgegeeven heeft in het afbrenge verdronken te sijn, zig nog in haare dorpe ophoud.’41 De marrons hadden Cornelia dus onder het valse voorwendsel verdronken te zijn juist geholpen te vluchten omhaar in een van hun dorpen op te nemen. Het gouvernement droeg de marrons op Cornelia alsnog terug naar de hernhutters te brengen. In oktober 1779 – anderhalf jaar na het valse verdrinkingsbericht – ontving het gouvernement bericht dat de marrons ‘Cornelia volgens gedaane belofte niet zal kunnen afbrengen alzoo zij ongemak aen een voet zoude hebben.’42 De Matawai-marrons verklaarden dat ze hun belofte alsnog na zouden komen ’zoodra zij zal zijn geneezen.’ In januari 1780 was de rek er voor de marrons uit en konden ze niet anders dan ‘Cornelia van de Hernhutters’ in Nationaal Archief, 1.05.03 Sociëteit van Suriname, inv.nr. 167: Resoluties Gouverneur en Raden 17741776, d.d. 28 aug 1775. 39 Nationaal Archief, 1.05.03 Sociëteit van Suriname, inv.nr. 169: resolutie d.d. 7 januari 1778. 40 Ibidem. 41 Nationaal Archief, 1.05.03 Sociëteit van Suriname, inv.nr. 170: resolutie d.d. 10 december 1778. 42 Nationaal Archief, 1.05.03 Sociëteit van Suriname, inv.nr.
171: resoluties d.d. 25 oktober 1779. 38
19
Paramaribo uit te leveren aan de EBG.43 Twee jaar na Cornelia’s zelf verkregen vrijheid beschouwden de hernhutters haar nog altijd als hun bezit. Het verhaal van Cornelia die met de hulp van marrons in ieder geval twee jaar uit haar slavernij kon ontsnappen laat de complexiteit van de aanwezigheid van de EBG in Suriname zien. Hun tolkwerk voor en hulp aan marrongemeenschappen tegenover het koloniale gouvernement bestond tegelijkertijd met de verwachting dat die vrije marrons de mensen die door de EBG in slavernij werden gehouden uitleverden als die zichzelf wilden bevrijden. De slaafgemaakten die zich door de EBG te Suriname lieten dopen, kregen bovendien een ondergeschikte status aan die van witte christenen. De keuze om planters te vriend te houden en zo toegang tot plantages voor zendingswerk te behouden woog voor de EBG zwaarder dan een gelijkwaardige behandeling van de slaafgemaakte dopelingen. 2.2.3 Kerstenen van slaafgemaakte mensen Vanaf het einde van de achttiende eeuw nam het zendingswerk vanuit Zeist naar Suriname een sterke vlucht.
Voor een betere coördinatie hiervan richtte de EBG in 1793 het Zeister Zendingsgenootschap op.44 Dat was een voortzetting van het in 1737 door de hernhutters opgerichte Genootschap tot Uitbreiding van het Evangelium onder de Heydenen, dat vooral in Amsterdam actief was om belangstelling voor het zendingswerk aan te wakkeren en geld daarvoor in te zamelen. Aanvankelijk werd de zending centraal begeleid vanuit Duitsland, met logies voor zendelingen naar Suriname bij de EBG in Zeist. Vanaf 1760 werd een speciaal toegewezen zendingsagent te Zeist belast met alle communicatie tussen hernhutters in Suriname, Zeist en Duitsland. Na de stichting van het Zeister Zendingsgenootschap, breidde de aanwezigheid van de zendelingen te Suriname in de negentiende eeuw sterk uit. Waar de zendelingen rond 1800 iedere vier weken langs zo’n vijftien plantages trokken, deden ze halverwege de negentiende eeuw zo goed als alle plantages in Suriname aan.
Aan sommige plantages, zoals de cacaoplantage Rust en Werk, was zelfs een vaste zendeling verbonden.45 Voor financiële ondersteuning en het regelen van vervoer en toestemming van planters om op hun plantages te prediken werd de EBG bijgestaan door de Maatschappij tot Bevordering van het Godsdienstig Onderwijs onder de Slaven en Kleurlingen in de Kolonie Suriname – ook wel bekend als de Haagsche Maatschappij.46 De Haagsche Maatschappij werd in 1828 opgericht op initiatief van gouverneur van Suriname Johannes van den Bosch (1780-1844), die verklaarde de algemene wantoestand van de kolonie mede verholpen kon worden als slaafgemaakten een christelijke opvoeding kregen. Na het verbod op slavenhandel in 1808, groeide de slavenpopulatie alleen nog door geboorte. Als de leefsituatie van de slaafgemaakten op zedelijk gebied verbeterde, zo redeneerde de gouverneur, zou dat het geboortecijfer omhoog krikken en de winstgevendheid van de kolonie ten goede komen. Voor gouverneur Van den Bosch was juist de EBG hét aangewezen kerkgenootschap om slaafgemaakten de christelijke leer bij te brengen, omdat zij een boodschap verkondigde die de maatschappelijke status quo in stand hield.
De ‘leerstellingen der Moravische Broeders schijnen overigens,’ verklaarde Van den Bosch, ‘de meeste voordeelen aan te bieden, omdat zij het gemoed stemmen tot eene geduldige lijdzaamheid en tevredenheid met de aanwezige Nationaal Archief, 1.05.03 Sociëteit van Suriname, inv.nr. 172: resoluties d.d. 14 januari 1780. Uit archiefbeschrijving Utrechts Archief, 48-1 Zeister Zendingsgenootschap van de Evangelische Broedergemeente 1793-1962. 45 “West-Indische Bezittingen,” Algemeen Handelsblad, 20-01-1845. 46 C.W. van Galen, “Wat zal er met ons gebeuren als wij geen slaven meer hebben? De EBG en de Surinaamse slavenregisters, 1830-1863,” in J. van Heijst en C. Vuijk, Hernhutters in beweging: 250 jaar grote kerkzaal Broedergemeente Zeist (2019), 97, 98. 43 44
20
bestemming en afkeer inboezemen om die gewelddadig te veranderen.’47 De Haagsche Maatschappij ‘ziende dat de tot belijders van het Christendom gevormde Slaven, betere menschen werden, die met meerdere getrouwheid hunnen pligt betrachten en aan hunne Heeren hoogere achting toedroegen’ verklaarde het zendingswerk van de EBG tot een groot succes, zelfs voor de aanvankelijk sceptische planterselite die opstandigheid vreesden.48 Het door het gouvernement aangespoorde zendingswerk van de EBG had voor de slaafgemaakten een aantal relatieve voordelen. Hun godsdienstige lessen waren vaak de enige mogelijkheid om te leren lezen en schrijven, en bood daarmee toegang tot minder fysiek slopende arbeidstaken op de plantage. Manumissie, het uit slavernij vrijgekocht kunnen worden, was bovendien voorbehouden aan christelijke slaafgemaakten. Tegelijkertijd schuilde achter het bekeringswerk een paternalistisch beschavingsoffensief dat erop gericht was de slaafgemaakten de eigen cultuur te ontnemen en in toom te houden. Zowel de zendelingen als het gouvernement waren zich ervan bewust dat de emancipatie er net als in Engelse en Franse koloniën aankwam. Bij voorkeur kwam die voor hen liever later dan vroeger, omdat er nog veel werk te verzetten zou zijn om slaafgemaakten op te voeden tot ijverige en gehoorzame onderdanen.
‘Hier voelt men steeds meer de behoefte aan christelijk onderwijs voor de negers, want als de emancipatie eenmaal zou komen, en de slaven nog heiden zijn, dan zou het niet mogelijk zijn hen te besturen,’ verklaarde J.R. Passavant, de voorman van de EBG-zendelingen in de jaren dertig van de negentiende eeuw.49 2.2.4 Emancipatie en kritiek op slavernij Een klein aantal zendelingen kreeg bezwaren tegen de vaak miserabele levensomstandigheden van de slaafgemaakten op de plantages die zij regelmatig bezochten. De zendeling Nils Otto Tank, lid van het Zeister Zendingsgenootschap en voorstander van de EBG, was zelfs zo gedesillusioneerd geraakt door de behandeling van slaafgemaakten dat hij in 1843 de slaafgemaakte vrouw Maria Cillia Niels voor de borgsom van tweehonderd gulden vrijkocht.50 Tank diende in 1847 zijn ontslag in en keerde terug naar het EBG-hoofdkwartier te Zeist. In een publicatie richtte hij zich tot Nederlandse eigenaren en administrateurs van plantages, waarin hij zijn bevindingen en kritiek stevig uitdrukte. Overal waar slavenarbeid nog werd gebruikt, was het volgens Tank niet zo beroerd als in Suriname. In Engelse koloniën, waar slavernij sinds 1833 was verboden, zou het er bovendien economisch gezien een stuk beter aan toe gaan.
‘Terwijl ik Suriname reeds kende,’ schreef Tank, ‘heb ik nu ook de meeste slavenlanden in West-Indiën en Noord-Amerika bezocht en nauwkeurig gadegeslagen, met deze uitkomst dat ik de slaven nergens aan die slechte behandeling heb onderworpen gezien als in Suriname. Waar ziet men elders de negers naakt en door zweepslagen gewond langs de straten gaan? Zelfs niet bij den arbeid zijn de negerslaven op de Deensche eilanden ongekleed. Waar dan bij ons moet de neger straf ondergaan alleen omdat hij een klacht heeft uitgeleverd? Waar wordt hij zo onmenschelijk gestraft als bij ons? (…) Aan zoodanigen barbaarschen staat van zaken kan geen einde komen, tenzij door emancipatie.’51
Van Galen, “Wat zal er met ons gebeuren als wij geen slaven meer hebben?” 97. Citaat overgenomen uit: Ariela Netiv, ‘VVDW: Onderwijs op de plantages,’ website Erfgoed Leiden en Omstreken, 11-05-2023. Digitaal raadpleegbaar via: https://www.erfgoedleiden.nl/onderzoek/leidskoloniaal-en-slavernijverleden/onderwijs-op-de-plantages. 49 Van Galen, “Wat zal er met ons gebeuren als wij geen slaven meer hebben?” 99, 100. 50 Nationaal Archief, database Suriname: Vrijgelaten slaven (manumissies) 1832-1863. 51 J. Wolbers, De Slavernij in Suriname, of dezelfde gruwelen der slavernij die in de ‘Negerhut’ geschetst zijn bestaan ook in onze West-Indische koloniën! (Amsterdam, 1853), 13. 47 48
21
In Suriname leidden de beschuldigingen en insinuaties van Tank tot grote ophef. Een groep planters te Paramaribo riep de EBG ter verantwoording, die daarop de boodschap van Tank afzwakte met als achterliggend doel de toegang voor zendingswerk op de plantages van de boze planters te waarborgen. In hun persoonlijk aan Tank gerichte antwoord, gingen de planters in op de beschuldiging dat slaafgemaakten te weinig kleding droegen door te stellen dat zij daar zelf voor zouden kiezen. ‘Is het niet eene waarheid dat zeer vele negers, zelfs kort nadat hun hunne kleeding-stukken uitgedeeld zijn, uit eigen verkiezing naakt loopen? (...) Is het niet eene waarheid dat men van de negers, zonder moeite en onaangenaamheden, niet zoude verkrijgen dat zij zich anders kleeden dan de mannen alleen hunne schaamdeelen bedekt en de vrouwen alleen met zoogenaamde pandjes om het lijf geslagen in den vorm van vrouwenrokken?’52 Tank kreeg geen kans zich te verweren. De EBG reageerde instemmend op de repliek van de planters en onderschreef het diep genestelde racistische wereldbeeld dat achter het antwoord van de planters lag. ‘Het feit dat de negers niet over een zodanig goed moreel besef beschikken dat ze het onfatsoenlijk zouden vinden om zich halfnaakt voor anderen te vertonen, moet worden toegeschreven aan de lage graad van cultuur en ontwikkeling,’ aldus de EBG.
‘Het zou wenschelijk zijn dat de directeuren op alle plantages het tot hun taak zouden maken om de negers aan te sporen om altijd in schone kleding naar de kerk te komen; omdat het de negers zelden ontbreekt, zoals ze ook zeggen, dat ze zich goed kleden op dansfeesten.’53 De weinige steun die de EBG toonde voor Tanks kritiek op de slavernij in 1848 betekende echter niet dat hernhutters het oneens waren met de morele noodzaak van de afschaffing van slavernij. Hoewel de zendelingen in de periode 1838 tot 1844 nog zo’n dertig mensen op openbare slavenveilingen hadden gekocht om in de firma C. Kersten & Co. tewerk te stellen, staakte de EBG de aanschaf van slaafgemaakten in 1844.54 Twee jaar later hield de firma nog negentien mensen in slavernij; twee waren vrijgekocht, dertien waren overleden en vijf tussentijds in slavernij doorverkocht. De negentien slaafgemaakten die overbleven kregen vrijmaking in het vooruitzicht gesteld, maar dat werd hen niet zonder tegenprestatie verleend. Zij werden in juni 1846 van de firma afgeschreven en door het koloniale gouvernement onder toezicht geplaatst tot ze genoeg hadden verdiend – bij C. Kersten & Co. die hun arbeid niet kon missen – om zichzelf op den duur vrij te kopen.55 Voor de slaafgemaakten veranderde er vooralsnog dus weinig.
Een jaar later, in 1847, verklaarde het Zeister Zendelingsgenootschap dat de EBG, behalve de vrijmaking van de slaafgemaakten van de firma C. Kersten & Co., ook al sinds jaren van plan waren ‘aan de negers, die tot onze huishouding behooren, hunne vrijheid te schenken. Hoewel het van den beginne af de grondstelling onzer zendelingen was zulke negers te behandelen in den geest der voorschriften die daaromtrent in de heilige schrift zijn gegeven, zoo bleef deze verhouding toch altijd in tegenspraak met de Christelijke begrippen van onzen tijd. De omstandigheden die wij daarbij in achte moesten nemen en de moeijelijkheid om in een land waar de slavernij nog wettelijk bestaat, vrije lieden in dienst te kunnen krijgen, vertraagden de uitvoering langer dan wij wenschten. Wij kwamen in dit jaar [1847] zoo ver dat de slaven tot onze zendelingshuishouding behoorende, door de regering ter vrijlating werden ingeschreven.’ 56 Het Zendingsgenootschap voegde daad bij woord. Op 11 september 1847 werden de timmerman Johannis Geduld Warteman, bakker Gustav John Doesburg, kok Gottlieb Jan Altforst, kleermaker S. Legene, De Bagage van Blomhoff en Van Breugel. Japan, Java, Tripoli en Suriname in de negentiendeeeuwse Nederlandse cultuur van het imperialisme (Amsterdam, 1998), 178. 53 Legene, Bagage van Blomhoff, 179. 54 Van Galen, “Wat zal er met ons gebeuren als wij geen slaven meer hebben?” 103.