PR25.049 Bijlage 4 Visie Landgoedstation Driebergen-Zeist en-omgeving
Tekst van het document
Bij een toekomstige gebiedsontwikkeling is het van belang uit te gaan van deze kernkwaliteiten en deze zo veel mogelijk te versterken. Klimaatverandering, economische groei, bevolkingsgroei en de vraag naar natuurontwikkeling en biodiversiteit zullen in de toekomst zorgen voor een forse toename van de ruimteclaim. Meervoudig ruimtegebruik, ofwel multifunctioneel landgebruik, is een veelgenoemde methode om dit ruimtetekort het hoofd te bieden. Zoals uit de Landschapsecologische systeemanalyse naar voren komt, blijkt dat het gebied op dit moment al meerdere belangrijke functies vervult. Bijzonder is dat het multifunctionele landgebruik op dit moment zorgt voor versterking van de verschillende functies onderling. Bij een gebiedsontwikkeling is zodoende voorzichtigheid geboden, juist doordat dit multifunctionele landgebruik nu in harmonie is. Gedreven door een opgelegde woningbouwambitie in combinatie met financiële haalbaarheid is een aantasting van die waarden eenvoudig veroorzaakt. Deze woningbouwambitie is namelijk een doelstelling op slechts een van de functies die het gebied nu reeds heeft. Ook als de aantasting daarbij geleidelijk optreedt, leidt dit uiteindelijk tot verschraling van de omgevingskwaliteit van het gebied.
Figuur 4-1: Zoekgebied voor gebiedsontwikkeling binnen rode contour
rev 1.0
Pagina 57 van 62
Visie Landgoedstation Driebergen-Zeist en omgeving Een gebiedsvisie die gedragen wordt door inwoners, landschap, ecologie en cultuurhistorie
De voorgenomen woningbouwopgave van meer dan 2000 woningen is binnen de rode contour onhaalbaar. Ook bouwen buiten de rode contour leidt tot woondichtheden die onverenigbaar zijn met natuurbehoud en cultuurhistorie. De huidige natuurroutes zullen ook met compensatie onherstelbaar beschadigd raken. De opgelegde woningbouwambitie in combinatie met financiële haalbaarheid zorgt voor een sterke aantasting van de huidige waarden van het gebied. Gericht op slechts een enkele functie voor het gebied (woningbouw), zorgt dit voor verschraling in functies van het gebied en een sterke afname in kwaliteit van de leefomgeving.
Binnen het huidige bebouwde gebied (rode contour) is gekeken waar in potentie woningbouw plaats zou kunnen vinden. Hiervoor is maximaal 10 hectare beschikbaar. Met de beoogde woningdichtheid kunnen maximaal 350 woningen gerealiseerd worden.
De volgende uitgangspunten worden o.a. randvoorwaardelijk meegegeven aan een gebiedsontwikkeling: • De bebouwing blijft binnen de huidige rode contour. • Een gemiddelde woondichtheid van 35 woningen per hectare is een absolute bovengrens. • Compacte gebouwen met veel groen tussen de gebouwen zorgt voor een betere inpassing in een bosrijke omgeving kan direct bijdragen aan een versterking van de huidige natuur. • Maximale bouwhoogte tot boomkruin, dat wil zeggen maximaal 5 verdiepingen. • het versterken van de natuur in het gebied tot minimaal een Basiskwaliteit Natuur (BKN) en dan in het bijzonder van de hier gelegen ecologische verbindingen tussen de Heuvelrug en het Kromme Rijngebied (en vice versa). • Bij bouw rekening houden met aanwezige cultuurhistorische kwaliteiten en in het bijzonder die van de Stichtse Lustwarande. • De inzet is de groene poort functie van het huidige gebied als landgoedstation te behouden.
Werkgroep Kromme Rijn Corridor
Bewonerscollectief Odijkerweg
rev 1.0
Pagina 58 van 62
Visie Landgoedstation Driebergen-Zeist en omgeving Een gebiedsvisie die gedragen wordt door inwoners, landschap, ecologie en cultuurhistorie
Bijlage A: Notitie Landschapsecologische Systeemanalyse Stationsgebied Driebergen-Zeist
rev 1.0
Pagina 1 van 62
1
Notitie Landschapsecologische systeemanalyse (LESA) Stationsgebied Driebergen-Zeist 1. Inleiding De gemeenten Utrechtse Heuvelrug en Zeist zijn voornemens een nieuwe woonkern te ontwikkelen ter hoogte van het Stationsgebied Driebergen-Zeist. Daartoe zijn inmiddels een drietal scenario’s ontwikkeld teneinde inzicht in de grenzen van het speelveld te krijgen, dat allen op basis van een aantal van 2.000 woningen. Door een aantal maatschappelijke organisaties en bewonersgroepen is gezien hun zorgen voor de ontwikkeling van een dergelijke woonkern op ter plaatse aanwezige waarden van natuur, landschap en cultuurhistorie het idee ontstaan om zelf een volwaardig groen/natuurinclusief alternatief te ontwikkelen waarbij de betreffende waarden als uitgangspunt voor de toekomstige ontwikkeling wordt genomen. Zoals bekend zijn er in het verleden m.b.t. de toekomstig ontwikkeling van het Stationsgebied Driebergen Zeist reeds diverse visies ontwikkeld, zoals i.r.t. tot het project HSL/A-12, een toekomstvisie door Urgenda/West 8 (in 2008), door 12NStedebouw (in 2014), de ontwikkeling van het ‘Landgoedstation’ door Prorail (in 2017), die uiteraard als ‘kennisbron’ zullen worden meegenomen. Dat naast beschikbare ecologische onderzoeken, cultuurhistorische analyses, etc..
Teneinde een dergelijk natuurinclusief alternatief te kunnen ontwikkelen, zullen eerst de diverse waarden van natuur, landschap en cultuurhistorie in beeld worden gebracht. Dat op basis van een zogenaamde ‘Landschapsecologische Systeemanalyse (LESA)’ 1, waarbij dan de zogenaamde ‘Lagenbenadering’ zal worden gevolgd (zie in deze ook onderstaande Fig: ‘Lagenbenadering’). Eerst zal dan ook op de bodem en het water/hydrologie van het gebied (en ruimere omgeving) worden ingegaan (zie in deze ook het principe van: ‘Bodem en water sturend’2), waarna de waarden van natuur, landschap en cultuurhistorie aan de orde worden gesteld, evenals op basis van een daarbij gegeven systeemanalyse de randvoorwaarden/randvoorwaardelijke kaders die daaruit voorkomen. Vervolgens zal een beeld worden geschetst van een natuurinclusieve ontwikkeling zoals deze ter hoogte van het Stationsgebied mogelijk is, dat als ‘groene poort’ voor de Heuvelrug en het Kromme Rijngebied en ook de daartussen gelegen landgoederen-/buitenplaatsenzone van de Stichtse Lustwarande (SLW), dat inclusief de mogelijkheden om tot een verbetering van aanwezige groene waarden te kunnen komen.
Fig.: ‘Lagenbenadering’ 1
Een landschapsecologische systeemanalyse is een methodiek om te ontdekken hoe een (natuur)gebied is ontstaan, hoe het functioneert en welke processen bepalend zijn voor het voorkomen van planten en dieren in het gebied (zie o.a. de publicatie: ‘LESA – Landschapsecologische systeemanalyse (Molen, P. van der, et al, 2010)’). 2 Zie in deze ook de kamerbrief over de rol van water en bodem bij de toekomstige besluitvorming over ruimtelijke ordening, d.d. 25 november 2022.
2 2. Landschapsecologische systeemanalyse (LESA) 2.1 Geomorfologie en bodem Hierbij zal eerst beschrijving van de in het plangebied aanwezige geomorfologische ontstaansgeschiedenis en de daarbij behorende bodemtypen worden gegeven, waarna een analyse zal worden gemaakt wat dit betekent voor aanwezige waarden. 2.2.1 Beschrijving Het Stationsgebied Driebergen-Zeist (hierna: SDZ) is gelegen op de overgang van de Utrechtse Heuvelrug met het Kromme Rijngebied. De Utrechtse Heuvelrug is ontstaan door opstuwing van het landijs tijdens de een na laatste ijstijd. Daarbij werden preglaciale rivierzanden van Rijn en Maas opgestuwd tot een hoogte van nu maximaal 70 m (zie ook onderstaande Fig.: ‘Opstuwen preglaciale rivierzanden tijdens een na laatste ijstijd (uit: ‘Ken je ondergrond - Zeist (Geopark Heuvelrug, Gooi en Vecht, 2024)’), waarbij bij het smelten van het ijs op diverse plekken zogenaamde ‘sandrs (spoelzandwaaiers)’ zijn ontstaan, evenals smeltwaterdalen, etc. (zie in deze ook diverse publicaties op de site van het: ‘Geopark Heuvelrug, Gooi en Vecht i.o.’). Tijdens de laatste ijstijd zijn dan op de flanken van de Heuvelrug zogenaamde ‘(gordel)dekzand(rugg)en’ afgezet.
Fig.: Opstuwen preglaciale rivierzanden tijdens een na laatste ijstijd (uit: ‘Ken je ondergrond - Zeist (Geopark Heuvlerug, Gooi en Vecht, 2024)’ Daarna zijn delen van de Heuvelrug weggeërodeerd door de Rijn, die een sterk meanderend karakter kende, ook in het gebied ten zuiden van Zeist. Daarbij zijn zowel oeverwallen als kommen ontstaan. Na afdamming van de Rijn in 1122 bij Wijk bij Duurstede is het gebied van de Kromme Rijn en in het bijzonder ook dat van de Langbroekerwetering ontgonnen, waarbij toen de karakteristieke cope-ontginning is ontstaan. Hier en daar zijn de oude meanders van de Kromme Rijn nog in het landschap duidelijk herkenbaar (zie in deze ook onderstaande Fig.: ‘Vereenvoudigde geomorfologische kaart (naar Vista, 2006)’). .
Fig.: Vereenvoudigde geomorfologische kaart (naar Vista, 2006)
3 Juist de overgang van de Heuvelrug en de Kromme Rijn was zeer geschikt voor de ontwikkeling van vroege vormen van landbouw, waarbij op de Heuvelrug op de daar na ontbossing ontstane uitgestrekte heiden op basis van het zogenaamde ‘potstalsysteem’ schapen werden gehouden, waarbij de mest uit de potstallen op de overgang van de Heuvelrug naar het Kromme Rijngebied gelegen essen/engen werd toegepast, waarbij de zogenaamde enkeerdgronden met een dikke humuslaag ontstonden. De lager gelegen gebieden waren dan weer uitmate geschikt om gras voor het vee te maaien, waarbij bloemrijke hooilanden ontstonden, waaronder op sommige plekken zogenaamde ‘natte schraalgraslanden’, dat mede op basis van de kwel zoals deze daar vanuit de Heuvelrug aan de oppervlakte komt. Op met name de bodemkaart zoals deze indertijd in het kader van de: ‘Herinrichting Groenraven-Oost’ is opgesteld komen de verschillende in het gebied aanwezige bodemtypen, dat dus mede op basis van de geomorfologische ontstaansgeschiedenis, tot uiting (zie in deze dus ook onderstaande Fig.: ‘Bodemkaart Herinrichting Groenraven-Oost gebiedsdeel tussen Zeist/Driebergen en Odijk’).
Fig.: Bodemkaart Herinrichting Groenraven-Oost Behalve de zandgronden op de Heuvelrug, vaak ook met zogenaamde voormalige (heide)podzolen, zijn op de bodemkaart ook de dekzandgronden die op de flanken voorkomen nog duidelijk herkenbaar, dat naast de oude meanders van de Kromme Rijn. Ook bijzonder is de dekzandopduiking zoals deze ter hoogte van het landgoed Rijnwijck voorkomt. 2.1.2 Analyse Het gebied is gelegen op overgang/gradiënt Heuvelrug en Kromme Rijngebied, waardoor het een relatief grote verscheidenheid aan bodems kent, met dus ook relatief hoge ecologische potenties, dat ook aangezien voedingsstoffen van de armere bodems zijn gelegen boven meer voedingsstoffenrijkere bodems (vergelijk ook: ‘Relatietheorie C. van Leeuwen)’).
4 2.2 (Grond)Water 3 Hierbij zal eerst beschrijving van de in het plangebied aanwezige (grond)watersystemen worden gegeven, waarna een analyse zal worden gemaakt wat dit betekent voor aanwezige waarden. 2.2.1 Beschrijving Het Stationsgebied is gelegen op de overgang/flank van de Heuvelrug naar het Kromme Rijngebied. Kenmerkend voor het gebied in ecohydrologische zin is dan het optreden van basenrijke kwel die hier aan de oppervlakte komt (zie voor overzicht van optredende kwel ook Bijlage 1: ‘Wegzijjging kwel Hooge Woerd/Rhijnwijck in huidige situatie (uit: ‘Verdrogingstudie Hoge Woerd/Rijnwijck (Grontmij, 2003)’). Daarbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen relatief oppervlakkige en diepere kwel, waarbij ook aanwezige ondoorlatende lagen een rol spelen (zie ook de onderstaande Fig.: ‘Diepe bodemopbouw ter hoogte Stationsgebied (uit: ‘Rapport Stationsgebied Driebergen-Zeist - Waterhuishouding en riolering (Arcadis, 2013)’)‘ én ook de Fig.: ‘Waterrelaties Heuvelrug en Kromme Rijngebied’ (uit: ‘Landschapsbeleidsplan Zeist (Zeist, 1994)’).
Fig.: Diepe bodemopbouw ter hoogte Stationsgebied Driebergen-Zeist (uit: ‘Rapport Stationsgebied Driebergen-Zeist – Waterhuishouding en riolering (Arcadis, 2013)’)
Fig.: ‘Waterrelaties Heuvelrug en Kromme Rijngebied’ (uit: ‘Landschapsbeleidsplan Zeist, 1994)’) 3
Zie overigens ook het: ‘Waterplan Zeist (Zeist, 2004)’), de: ‘Lange termijnvisie Waterplan Zeist (Zeist, 2007)’, het rapport: ‘Maatregelen ter bestrijding van de verdroging (Grontmij, 2001)’ en ook het: ‘Watergebiedsplan Groenraven-Oost en Maartensdijk (HDRS, 2008)’, inclusief diverse rapporten m.b.t. tot de aanleg van een zogenaamde ‘Schoonwater systeem (SWT)’. .
5
T.a.v. het optreden van kwel is dat dan mede afhankelijk van de stromingrichting en ook de stijghoogte van het grondwater, evenals de ligging van het maaiveld/slootpeilen t.o.v. het freatisch grondwater (zie in de ook onderstaande Fig.: ‘Hydrologische situatie in het buitengebied van Zeist (uit: ‘Ecologisch onderzoek Buitengebied Zeist-West (Bureau Waardenburg, 1991) en ook de Fig.: ‘Grondwaterflux. Een positieve waarde (blauwe legenda eenheden) duidt op kwel een negatieve waarde duidt op infiltratie (bruine, oranje en rode eenheden (uit: ‘Perspectief en inrichtingsbeeld voor de Ecologische Hoofdstructuur – Wensbeeld voor natuur ren landschap – Deelgebied Zeist-Utrecht (Grontmij, 2011)’).
Fig. : ‘Hydrologische situatie in het buitengebied van Zeist (uit: ‘Ecologisch onderzoek Buitengebied Zeist-West (Bureau Waardenburg, 1991)’).
Fig.: Grondwaterflux. Een positieve waarde (blauwe legenda eenheden) duidt op kwel een negatieve waarde duidt op infiltratie (bruine, oranje en rode eenheden (uit: ‘Perspectief en inrichtingsbeeld voor de Ecologische Hoofdstructuur – Wensbeeld voor natuur ren landschap – Deelgebied Zeist-Utrecht (Grontmij, 2011)’
6 Die kwel is ook de reden waarom juist ook de overgang van de Heuvelrug uitermate geschikt was voor bewoning en later ook de ontwikkeling van de buitenplaatsen van de Stichtse Lustwarande (SLW), zoals deze hier vanaf 17-18e eeuw tot ontwikkeling zijn gekomen met hun karakteristieke serpentineachtige vijvers. Die vijvers werden dan aanvankelijk gevoed door de kwel vanuit de Heuvelrug, die dan vaak door middel van sprengen met vaak fraaie sprengkoppen naar de betreffende vijvers werd geleid. Wat betreft het water in het plangebied heb je allereerst diverse serpentineachtige vijvers van de buitenplaatsen en daarnaast die van diverse weteringen, zoals die van de Rijnwijckse Wetering, die dan in beginsel worden gevoed door kwelwater vanuit de Heuvelrug, maar die gezien de afname van kwelflux nu vaak van een folie zijn voorzien, hetzij deels droogvallen, zoals bij de Rijnwijckse Wetering het geval is (zie ook onderstaande Fig.: ‘Watersysteem plangebied (uit: ‘Rapport Stationsgebied Driebergen-Zeist – Waterhuishouding en riolering (Arcadis, 2013)‘). Door de aanvoer van gebiedsvreemd water vanuit Kromme Rijn/Gooijer Wetering is de Rijnwijckse Wetering thans nog voor een deel watervoerend.
Fig.: Watersysteem plangebied (nog zoeken naar betere kaart) Daarbij kan dan worden aangetekend dat door de overvloedige regenval van het afgelopen voorjaar duidelijk werd dat de bestaande duiker tussen de vijver van De Breul en de Rijnwijckse Wetering lek bleek en daardoor een deel van het asfalt van de Driebergseweg beschadigd was geraakt, waarna deze duiker is vervangen. Daarnaast heb je diverse sloten in het gebied die vaak nog een restant zijn van de oorspronkelijke ontginning, zij het dat ook deze deels in de loop van de tijd vaak deels zijn verdwenen/verland. Voor zover die sloten die nog watervoerend gevoed worden zij dan vaak gevoed door kwelwater vanuit de Heuvelrug, zeker in het verleden, ook met de daarbij behorende karakteristieke kwelplanten, zoals waterviolier, holpijp, etc.. Met name in de sloten van het landgoed Rijnwijck gelegen ten noorden van het spoor kwamen in het verleden deze kwelplanten voor (zie in deze ook Bijlage 2: ‘Sloten met kwelindicatoren ter hoogte van Rijnwijck’ (uit: ‘Ecologisch onderzoek Buitengebied Zeist-West (Bureau Waardenburg, 1991’). Daarnaast eindigt in het gebied ook de Zeister Grift/Blikkenburgervaart, waaraan in verleden een belangrijke functie kon worden toegekend voor de afvoer van water richting Utrecht, evenals voor het transport van goederen en ‘stadscompost’.
Teneinde deze watergang, die tussen 1626 en 1642 in opdracht van de Staten is gegraven, door te kunnen spoelen, met name bij overstorten, was deze in het verleden d.m.v. een duiker verbonden met de Rijnwijckse Wetering, waarmede dan water vanuit de Kromme Rijn werd aangevoerd. Deze duiker is inmiddels vervangen door een zogenaamd ‘wateraanvoersysteem’ langs o.a. het Perenlaantje.
7
Door de winning van grondwater op de Heuvelrug t.b.v. van drinkwater, etc., evenals de winning van grondwater in het Kromme Rijngebied (door o.a. Vrumona) en o.a. ook de aanleg van het Amsterdam Rijnkanaal is de kwelflux op de flanken inmiddels sterk afgenomen 4. In het kader van de ‘Blauwe Agenda’ wordt thans verkend hoe die kweldruk kan worden hersteld (zie ook onderstaande Fig.: ‘Herstel bolle buik Heuvelrug’ (uit: ‘Ambitiedocument Blauwe agenda Utrechtse Heuvelrug (HNS Landschapsarchitecten, 2022)’), waarbij dan tevens speciaal voor de buitenplaatsen van Zeist er een speciaal programma heeft gelopen.
Fig.: Herstel bolle buik Heuvelrug (uit: ‘Ambitiedocument Blauwe agenda Utrechtse Heuvelrug (HNS Landschapsarchitecten, 2022)’) 2.2.2 Analyse Het gebied is gelegen op overgang/gradiënt van Heuvelrug en Kromme Rijngebied, dus van de droge nutriëntarme zandgronden op de Heuvelrug naar de nutriëntrijke kleiafzettingen van het Kromme Rijngebied met op diverse plekken veenvorming ter hoogte van oude meanders van de Kromme Rijn. Daarbij kwam in en in de nabijheid van het plangebied, zeker in het verleden, ook voedingsstoffenarm, maar basenrijk kwelwater vanuit de Heuvelrug naar boven kwam, hetgeen tezamen met relatief grote verscheidenheid aan bodems de ecologische potenties van het gebied (zeer) hoog maakt. Die ecologische potenties kunnen dan tot hun recht komen door niet alleen tot een algeheel systeemherstel te komen, zoals m.b.t. het herstel van de grondwaterbalans zoals deze van nature in het gebied voorkomt, dus van de bolle buik, maar ook door in het gebied als geheel en zeker ook in het plangebied tot natuurherstel te komen, dat uiteraard ook rekening houdend met de landschapsecologische relaties en ook de landschappelijke en ook cultuurhistorische relaties zoals deze in het gebied aanwezig zijn (zie in deze dus ook de volgende hoofdstukken).
Met name in gebieden waar door het nemen van bepaalde maatregelen, zoals het afplaggen van de door voedingsstoffen verrijkte bovengrond, maar bijvoorbeeld ook door het dempen/verondiepen van sloten de kwel weer aan de oppervlakte kan komen, zoals dat ter hoogte van de het gebied van de Bunsing heeft plaatsgevonden, komen inmiddels weer door kwel gevoede vegetaties/planten tot ontwikkeling, zoals o.a. vegetaties met klokjesgentianen.
4
Zie in deze dus diverse ecohydrologische onderzoeken zoals deze in het kader van de: ‘Herinrichting Groenraven-Oost’ hebben plaatsgevonden, zowel voor het gebied als geheel, als voor bepaalde deelgebieden, zoals o.a. voor Rijnwijck, maar ook de diverse onderzoeken in kader van de aanleg van het zogenaamde ‘Schoonwatersysteem Zeist’, later ‘Wateraanvoerroute’, evenals die in het kader van de zogenaamde: ‘Blauwe Agenda’.
8
2.3 Natuur Hierbij zal eerst een beeld worden gegeven van de natuurwaarden zoals deze in het gebied aanwezig zijn, dat mede op basis beschikbare rapporten. Daarna van de in het gebied aanwezige ecologische relaties, inclusief (in potentie) aanwezige ecologische verbindingen, waarna een analyse van aanwezige waarden, inclusief waardering, zal worden gegeven.
2.3.1 Beschrijving natuurwaarden Met name door het Ecologische adviesbureau Van den Bijtel hebben er dan in de loop van de tijd in het kader van de diverse ontwikkelingen rondom het Stationsgebied inventarisaties van aanwezige natuurwaarden plaatsgevonden, waaruit dan het voorkomen van een relatief groot aantal beschermde en ook rode-/oranjelijst soorten naar voren kwam (zie in deze dus o.a. het onderzoek: ‘De tracés van de HSL-Oost en de A-12 in ecologisch perspectief (Bureau Van den Bijtel, 2002)’ en ook: ‘Natuurwaardenonderzoek Stationsgebied Driebergen-Zeist (Ecologisch adviesbureau van den Bijtel, 2009)’). Zoals ook hiervoor reeds aangegeven ligt het plangebied op de overgang/gradiënt van de Heuvelrug naar het Kromme Rijngebied, dus van zand met klei, waarbij met name op de flanken ook kwel vanuit de Heuvelrug optreedt. Die gradiënt maakt dat er in en in de omgeving van het plangebied een grote verscheidenheid aan biotopen met bijbehorende planten en dieren voorkomt. Dit blijkt niet alleen uit diverse onderzoeken die de gemeente Zeist in de loop van de tijd door Bureau Waardenburg, thans Waardenburg Ecology, heeft laten uitvoeren, maar met name ook uit de diverse rapporten van het Ecologsiche Adviesbureau Van den Bijtel.
Daarbij zij dan wel aangetekend dat het betreffende bureau vanwege de opdracht alleen de directe omgeving van het stationgebied en ook het spoortracé heeft onderzocht, waar een bepaalde ontwikkeling was te verwachten, maar dat doet o.i. niets aan de waarde van de betreffende onderzoek af. Planten Wat betreft de planten komt er dan in en nabij het plangebied een relatief grote verscheidenheid aan planten voor, zoals o.a. de Grote keverorchis (zie ook onderstaande Fig.: ‘Groeiplaatsen beschermde planten (uit: ‘Natuurwaardenonderzoek Stationsgebied Driebergen-Zeist (Ecologisch adviesbureau van den Bijtel, 2009)’).
Fig.: Groeiplaatsen beschermde planten (naar: ‘Natuurwaardenonderzoek Stationsgebied Driebergen-Zeist (Ecologisch adviesbureau van den Bijtel, 2009) Zoals eveneens hiervoor reeds aangegeven is het gebied gelegen op de flanken van de Heuvelrug en het Kromme Rijngebied waar kwelwater aan de oppervlakte komt, hetgeen tot
9 aan kwel gebonden planten/- vegetaties aanleiding kan geven, zoals met o.a. waterviolier, fonteinkruiden en ook holpijp. In ieder geval kwamen met aan kwelwater gebonden watervegetaties voor ter plaatse in het direct ten noorden van spoor gelegen sloten die deel uitmaken van het Landgoed Rijnwijck, (zie ook onderstaande Fig.: ‘Kaart kwelgebonden watervegetaties (uit: ‘Ecologisch onderzoek Buitengebied Zeist-West (Bureau Waardenburg, 1991)’).
Fig: Kaart watervegetaties (uit: ‘Ecologisch onderzoek Buitengebied Zeist-West (Bureau Waardenburg, 1991’) Wat betreft bijzondere vegetaties komen deze met name ook aan de randen van het gebied voor (zie in deze onderstaande Fig.: ‘Groeiplaatsen van bijzondere vegetaties (naar: ‘Natuurwaardenonderzoek Stationsgebied Driebergen-Zeist (Ecologisch adviesbureau Van den Bijtel, 2009)’), zoals Elzenzegge-elzenbroekbos gevoed door kwelwater (1) en Wilgenbroekbos (2) ter hoogte van landgoed Rijnwijck, evenals heel schrale, vochtige graslanden uit de Pijpenstrooitje-orde (3), voedselarme graslandvegetaties met o.a. grasklokje, hazenpootje en knolboterbloem uit het Verbond van gewoon struisgras (4) ter hoogte van het landgoed Beerschoten-Willinckhof én grazige vegetaties uit het Glanshaverorde ter hoogte van de Hoofdstraat (5).
Fig.: Groeiplaatsen van bijzondere vegetaties (uit: ‘Natuurwaardenondezoek Stationsgebied Driebergen-Zeist (Ecologisch adviesbureau Van den Bijtel, 2009)’).
10
Verder komen er in het gebied diverse oude bosgroeiplaatsen voor (zie ook onderstaande Fig.: ’Oude Bosgroeiplaatsen ter hoogte van het plangebied’).
Fig.: Oude Bosgroeiplaatsen ter hoogte van het plangebied (uit: ‘Bos en Heidenotitie 2018 (Provincie Utrecht, 2018) (nog actuele versie plangebied en omgeving toevoegen) Dieren Naast bijzondere planten en vegetaties komen er in en nabij het plan gebied ook tal van bijzondere/beschermde dieren, waaronder diverse zoogdieren, zoals diverse vleermuissoorten, waaronder de watervleermuis, de rosse vleermuis en de gewone grootoorvleermuis, de boommarter, de das en eekhoorn 5, diverse vogelsoorten, waaronder roofvogels, zoals de bosuil, de ransuil en de steenuil (zie ook onderstaande Fig.: 'Territoria van uilen (uit: ‘Natuurwaardenonderzoek Stationsgebied Driebergen-Zeist (Ecologisch adviesbureau Van den Bijtel, 2009)’), diverse spechtensoorten, maar ook de holenduif, zomertortel, koekoek en wielewaal (zie ook onderstaande Fig.: ‘Nesten en territoria van holenduif, zomertortel, koekoek en wielewaal (uit: ‘Natuurwaardenonderzoek Stationsgebied Driebergen-Zeist (Ecologisch adviesbureau Van den Bijtel, 2009)’), diverse reptielen en amfibieën, waaronder de kamsalamander (oude waarnemingen), de heikikker en de poelkikker, diverse soorten dagvlinders, waaronder het geelsprietdikkopje en eikenpage, diverse soorten waterjuffers en libellen, waaronder de metaalglanslibel en de venwitsnuitlibel, én ook sprinkhanen.
5
Wat betreft de das komt er dan in het plangebied aan zijde Zeist een dassenclan met burcht voor met ook jaarlijks een aantal jonge dassen, die dan in en nabij het plangebied foerageren.
11
Fig.: Territoria van uilen (uit: ‘Natuurwaardenonderzoek Stationsgebied Driebergen-Zeist (Ecologisch adviesbureau Van den Bijtel, 2009)’)
Fig.: Nesten en territoria van holenduif, zomertortel, koekoek en wielewaal (uit: ‘Natuurwaardenonderzoek Stationsgebied Driebergen-Zeist (Ecologisch adviesbureau Van den Bijtel, 2009)’) Meer recent zijn dan ook diverse waarnemingen bekend, zowel van zogenaamde Habitatrichtlijnsoorten (zie ook het onderstaande Fig.: ‘Habitatrichtlijnsoorten’, Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten (zie ook onderstaande Fig.: ‘Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten’, als ook van zogenaamde ‘Andere soorten’ (zie ook onderstaande Fig.: ‘Andere soorten’), dat naast ook vele zogenaamde ‘Rode lijst-soorten’ (zie ook onderstaande Fig.:‘Rode lijst-soorten’).
12
Fig.: Habitatrichtlijnsoorten
Fig.: Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten
13
Fig.: Andere soorten
Fig.: Rode lijst-soorten Conclusie Uiteindelijk komt er in het plangebied door de aldaar aanwezige gradiënten van bodem en (grond)water een relatief groot aantal verschillende biotopen voor, dat vaak ook met daaraan gebonden bijzondere soorten, dat naast soorten die van diverse biotopen gebruik maken. Daaronder dus vele beschermde soorten, zowel ‘Habitatrichtlijnsoorten’ als zogenaamde ‘Andere soorten’, evenals ook vele ‘Rode lijst-soorten’.
14
2.3.2 Natuur Netwerk Zoals uit het bovenstaande kan worden afgeleid herbergt het plangebied en de nabije omgeving, althans zeker tot zo’n 15 jaar terug, hoge tot zeer hoge natuurwaarden. Aanzienlijke delen maken dan ook deel uit van het ‘Nationaal Natuur Netwerk (NNN)’ (zie in deze ook onderstaande Fig.: ‘Nationaal Natuur Netwerk’ in en nabij het Plangebied’).
Fig.: Nationaal Natuur Netwerk’ in en nabij het Plangebied Teneinde dat nationaal natuurnetwerk goed te laten kunnen functioneren is het van belang dat diverse natuurgebieden met elkaar zijn verbonden, zodat er op netwerkniveau (zeer) duurzame populatie kunnen ontstaan (zie in deze ook theorie ‘Metapopulaties’). Binnen het plangebied gaat het dan niet alleen om de ecologische verbindingen op een groter schaalniveau, zoals die voor de Heuvelrug en die voor het Kromme Rijngebied als geheel, maar met name ook die tussen de Heuvelrug en Kromme Rijngebied, waarbij aan het plangebied een belangrijk functie kan worden toegekend. Wat betreft het Kromme Rijngebied gaat het dan in het bijzonder ook om de robuuste ecologische verbinding tussen het Vechtplassengebied en het Kromme Rijngebied (zie in deze ook onderstaande Fig.: ‘Robuuste verbinding Vechtplassengebied en het Kromme Rijngebied’).
Fig.: Robuuste verbinding Vechtplassengebied en het Kromme Rijngebied
15
Deze robuuste verbinding staat eigenlijk al vanaf het begin van het vaststellen van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) begin jaren ’90 (zie in deze dus niet alleen het: ‘Nationaal Natuur Beleidsplan (LNV, 1990)’, maar met name ook het:: ‘Beleidsplan Natuur en Landschap Provincie Utrecht (provincie Utrecht, 1991)’) op de agenda. Zo is deze o.a. opgenomen in het:: ‘Werkdocument Ecologische Verbindingzones provincie Utrecht (Provincie Utrecht, 1993)’. Later heeft er m.b.t de ecologische verbindingen nog een aanvulling plaatsgevonden, dat o.a. in het kader van het: ‘Programma ecologische verbindingszones (Provincie Utrecht, 2003), met o.a. aandacht voor het versterken van de gehele verbinding tussen het Vechtplassengebied en het Kromme Rijngebied. Teneinde aan de betreffende verbinding vorm te geven is daaraan dan in het bijzonder vorm gegeven in het kader van de: ‘Herinrichting Groenraven-Oost (Landinrichtingscommissie Groenraven-Oost, 2001)’ en dan in het bijzonder het daarin opgenomen ‘Begrenzingenplan EHS’. Binnen het plangebied is daarbij naast de robuuste verbinding in het algemeen ook bijzondere aandacht gegeven aan de ter plaatse van het plangebied beoogde verbinding tussen de Heuvelrug en Kromme Rijngebied.
De nadruk lag daarbij op de realisatie van een ecologische verbinding ter hoogte van de Talhyllo Cottage (zie in deze ook onderstaande Fig.: ‘Plankaart Groenraven-Oost ter hoogte van het plangebied’).
Fig.: Plankaart Groenraven-Oost ter hoogte van het plangebied Voorts is aan de diverse in het gebied voorkomende ecologische verbindingen dus ook bijzondere aandacht gegeven in het kader van het: ‘Landschapsontwikkelingsplan Utrechtse Heuvelrug en Kromme Rijngebied + (Brons & Partners, 2009)’, dat mede op basis van een door het Ecologische Adviesbureau Van den Bijtel opgestelde rapport: ‘Ecologische verbindingszones Kromme Rijngebied (Ecologische Adviesbureau Van den Bijtel, 2009)’, inclusief ook bijzondere aandacht voor de doelsoorten die voor de diverse ecologische verbindingen relevant moeten worden geacht (zie ook Bijlage 3: ‘Verbinding 606 – gemeente Zeist (uit: ‘Ecologische verbindingzones Kromme Rijngebied (Ecologische Adviesbureau Van den Bijtel’, 2009)’). Aangezien later op een gegeven moment een bepaalde ‘herbezinning’ m.b.t. het NNN heeft plaatsgevonden, dat o.a. m.b.t. de binnen het Kromme Rijngebied aanwezige ecologische verbindingen, is in 2011 door de Grontmij in opdracht van de provincie Utrecht het document: ‘Perspectief en inrichtingsbeeld voor de Ecologische Hoofdstructuur – Wensbeeld voor natuur en landschap – Deelgebied Zeist-Bunnik (Grontmij, 2011)’ opgesteld met ook een
16 toekomstperspectief (zie ook onderstaande Fig.: ‘Biotopenkaart ecologische verbindingen Kromme Rijngebied Zeist-Bunnik’).
Fig.: Biotopenkaart ecologische verbindingen Kromme Rijngebied Zeist-Bunnik Teneinde dan aan de ter hoogte van het plangebied gelegen ecologische verbinding tussen de Heuvelrug en het Kromme Rijngebied (en vice versa) vorm te geven, zijn daar in de loop van de tijd diverse voorstellen voor gedaan. Meer in het bijzonder is er door de gemeente Zeist en het Utrechts Landschap al eens een voorstel gedaan teneinde tot een verdere optimalisatie te komen van de ecologische verbinding ter hoogte van de buitenplaats De Breul te komen (zie in deze ook onderstaande Fig.: ‘Inrichtingsvoorstel voor realisering van de ecologische verbindingszone tussen het Landgoed De Breul en de Rijnwijckse Wetering (uit: ‘Realisering van de ecologische verbindingszone landgoed De Breul – Rijnwicjkse Wetering (Drost, A., 1997)’).
Fig.: Inrichtingsvoorstel voor realisering van de ecologische verbindingszone tussen het Landgoed De Breul en de Rijnwijckse Wetering (uit: ‘Realisering van de ecologische verbindingszone landgoed De Breul – Rijnwicjkse Wetering (Drost, A., 1997)’) In het rapport: ‘Ecologische evaluatie van een landgoederenzone (Mabelis, A., 2001)’ wordt daarvan in structurerende zin een bepaald beeld gegeven (zie in deze ook onderstaande
17 Fig.: ‘Voorstel faunapassages onder de Utrechtseweg ter hoogte van De Breul (Drost, 1997)’ (uit: ‘Ecologische evaluatie van een landgoederenzone (Mabelis, A., 2001))
Fig.: Voorstel faunapassages onder de Utrechtseweg ter hoogte van De Breul (Drost, 1997)’(uit: ‘Ecologische evaluatie van een landgoederenzone (Mabelis, A., 2001)’) Dan heeft er op verzoek van de gemeente Zeist begin jaren 2000 (dus) door Alterra een ecologische analyse plaatsgevonden van de landgoederenzone ter hoogte van de Driebergseweg (zie in deze dus ook het rapport: ‘Ecologische evaluatie van een landgoederenzone (Mabelis, A., 2001)’), dat dan mede op basis van o.a. het rapport: ‘Mitigatie over landgoed De Breul (Kalkhoven, J., 1998)’). Daaruit komt dan naar voren dat het feitelijk om een ‘zoekgebied’ gaat, waarbij aan diverse in het gebied in potentie voorkomen ecologische verbindingen een bepaalde betekenis dient te worden toegekend.(zie in deze ook onderstaande Fig.: ‘Belangrijkste looproutes reeën (als gidssoort) tussen deelpopulaties van de Utrechtse Heuvelrug en het Kromme Rijngebied, inclusief aanwezige barrières (rode lijnen) en potentiële passages (uit: ‘Ecologische evaluatie van een landgoederenzone (Mabelis, A, 2001)’).
Fig.: Belangrijkste looproutes reeën (als gidssoort) tussen deelpopulaties van de Utrechtse Heuvelrug en het Kromme Rijngebied, inclusief aanwezige barrières (rode lijnen) en potentiële passages (uit: ‘Ecologische evaluatie van een landgoederenzone (Mabelis, A, 2001)’)
18 Met name ook de Werkgroep Faunapassage Zuid-Zuid-West, een netwerkverband van diverse natuur- en milieuorganisaties uit Zeist en nabije omgeving, heeft zich dan ingezet om niet alleen de gehele verbinding tussen het Vechtplassengebied en het Kromme Rijngebied en dan in het bijzonder het gedeelte ten zuiden Zeist en Bunnik, dus tussen de A-28 en A-12, onder de aandacht van een breed publiek te brengen (zie in deze ook Bijlage 4: ‘Folder Natuur verbinden en behouden (Werkgroep Faunapassages Zeist Zuid-West, 2007, actualisatie 2020)’) maar ook om tot concrete voorstellen te komen tot een optimalisatie op plekken alwaar er nog diverse knelpunten aanwezig waren. Dat geldt dan in het bijzonder ook voor de ecologische verbindingen tussen de Heuvelrug en het Kromme Rijngebied ter hoogte van de landgoederenzone ter zijde van Driebergseweg (zie in deze dus ook Bijlage 5: ‘Overzichtskaart ecologische verbindingen tussen de Heuvelrug en het Kromme Rijngebied ter plaatse van de Driebergseweg’), evenals meer specifiek voor het plangebied (zie ook onderstaande Fig.: ‘Kaart Natuur verbinden en behouden ter hoogte van het plangebied’). Binnen dat kader is dan o.a.
ook bijzondere aandacht gegeven aan de verbinding ter hoogte Talhyllo Cottage, de Rijnwijckse Wetering en De Breul (zie ook Bijlage 6: ‘Knelpunten ter hoogte passage Talhyllo, Rijnwcijkse Wetering en De Breul (Werkgroep Faunapassages Zeist Zuid-West, 1998)’).
Fig.: Kaart Natuur verbinden en behouden ter hoogte van het plangebied Naast de diverse ecologische verbindingen tussen het Kromme Rijngebied en de Utrechtse Heuvelrug op het grondgebied van de gemeente Zeist, moeten ook die ter hoogte van het grondgebied van de gemeente Utrechtse Heuvelrug van belang worden geacht. Wat betreft het plangebied gaat het dan met name om de ecologische verbinding tussen het Stationsgebied en de A-12 (zie ook onderstaande Fig.: ‘Ecologische verbinding ter hoogte Reehorst-Hoofdstraat 26 en Beerschoten-Willinckshof). Meer concreet gaat het dan om de ecologische verbinding tussen de ter hoogte van het landgoed Rijnwijck ten tijde van de verbreding van de A12 aldaar aangelegde grote faunapassage en dan via het landgoed de Reehorst en ook het grondgebied van Hoofdstraat 26 aan de zuidzijde van de Hoofdstraat in de richting van het landgoed Beeschoten-Willinckshof aan de noordzijde van de Hoofdstraat en zo verder in de richting van de Heuvelrug (en uiteraard ook vice versa). Voor zover het om aan land geboden dieren gaat, moet daarbij dan met name ook het gebied van Hoofdstraat 26 een belangrijk betekenis worden toegekend.
Weliswaar zijn ter plaatse van de betreffende ecologische verbinding ten tijde van de herontwikkeling van het Stationsgebied tot een ‘Landgoedstation’ dan onder zowel de Hoofdstraat en ook het spoor zogenaamde ‘Comfort-Animal-Tunnels (CAT’s)’ aangelegd, waarvoor ook grote waardering, zij het dat deze wel te klein zijn voor de gidssoort het ree.
19
Fig.: Ecologische verbinding ter hoogte Reehorst-Hoofdstraat 26 en BeerschotenWillinkshof (uit: ‘Natuurrapport SDZ (Arcadis, 2013)’) Hierbij kan dan wel worden aangetekend dat door de gemeente Utrechtse Heuvelrug wel al ten tijde van een toekomstvisie voor Hoofdstraat 26 in de randvoorwaarden o.a. een belangrijke betekenis werd toegekend aan de realisatie van een ecologische verbinding tussen de grote faunapassage onder de A12 en de Heuvelrug (zie in deze ook onderstaande Fig.: ‘Randvoorwaarden toekomstvisie Hoofdstraat 26’), maar dat bij verkoop aan de Triodosbank van het betreffende perceel dit kennelijk niet in randvoorwaardelijke zin is meegegeven, althans daar tot op heden door het nemen van bepaalde inrichtingsmaatregelen geen echt gevolg aan is gegeven.
Fig.: Randvoorwaarden toekomstvisie Hoofdstraat 26
20 Uiteindelijk gaat het m.b.t. de in het gebied aanwezige thans sub-optimale ecologische verbindingen tussen het Kromme Rijngebied en De Breul, dat ook gezien diverse aanwezige barrières, dus gezien het aanwezige zoekgebied voor de fauna, (van west naar oost) om een viertal ecologische verbindingen (zie ook onderstaand Fig.: ‘Totaal overzicht ecologische verbindingen tussen de Heuvelrug en het Kromme Rijngebied (nog verder verfijnen)’): Kansen voor een ecologische verbinding ter hoogte van de Laan van Rijnwijck, zij het veel barrières aanwezig, zowel van bebouwing als o.a. de hekwerken scholengemeenschap De Breul 6; De mogelijkheid tot het realiseren van een meer directe droge verbinding ter hoogte van Talhyllo Cottage en De Breul, zoals ook al eerder in kader van de ‘Herinrichting Groenraven-Oost’ voorgestaan; De mogelijkheid tot het realiseren van een natte ecologische verbinding ter hoogte van de Rijnwijckse Wetering en de vijver van De Breul; De mogelijkheid tot een verdere optimalisatie van de ecologische verbinding ter hoogte van Hoofdstraat 26.
Fig.: Totaal overzicht ecologische verbindingen tussen de Heuvelrug en het Kromme Rijngebied’ ter hoogte van het Stationsgebied Driebergen-Zeist Duidelijk zal zijn dat afhankelijk van de doelsoorten/gidssoorten en de eisen die zij aan een dergelijke verbinding stellen, dat met name ook ter hoogte van beoogde faunapassages, deze aan bepaalde voorwaarden zullen moeten voldoen, willen zij ook echt voor de betreffende dieren kunnen functioneren. Met name in het rapport: ‘Ecopassage Griftenstein bij de N-237 (Van der Grift, E., 2009)’ wordt een overzicht gegeven van de soorten die van de betreffende verbinding gebruik kunnen maken, evenals de eisen/voorwaarden die zij aan het goed kunnen functioneren van een faunapassage stellen (zie voor het overzicht ook Bijlage 7: ‘Minimale breedte van de ecologische corridor in de toeloop naar de faunapassage (uit: ‘Ecopassage Griftenstein bij de N-237 (Van der Grift, E., 2009)’ én ook Bijlage 8: ‘Per doelsoort de minimale oppervlakte van de stapstenen/sleutelgebieden, de maximale afstand tussen twee stapstenen/sleutelgebieden, de gemiddelde breedte van de corridor ter hoogte van de staptenen/sleutelgebieden en de breedte per type natuur die gemeente nodig is ter hoogte van de stapstenen/sleutelgebieden binnen de toelopen gedefinieerd als de zone tot 500 m vanaf de faunpassage (uit: ‘Ecopassage Griftenstein bij de N-237 (Van der Grift, E.,
2009)’). 6
Weliswaar is er tussen de Werkgroep Natuurlijk Zeist-West en de Stichting Milieuzorg Zeist e.o. een overeenkomst afgesloten met de scholengemeenschap De Breul om op diverse plekken van de rondom de scholengemeenschap gesitueerde hekwerken zogenaamde ‘reeënpoorten’ te realiseren, die ook hebben gefunctioneerd, maar zijn deze inmiddels weer grotendeels dichtgezet.
21
Verder spelen dus ook factoren als verstoring een rol, zoals door geluid en licht, evenals door de mens, dus moet ook de aanwezigheid van rust van belang worden geacht, dus aan het instellen van bufferzones ter hoogte van de betreffende verbindingen en in het bijzonder ook ter hoogte van faunapassages (zie in deze o.a. het rapport: ‘Advies tegengaan verstoring in ecologische Corridor Camp New Amsterdam (Van der Grift, E., 2012)’). Zo wordt voor het ree uitgegaan van een vluchtafstand van 45 tot 110 m in open terrein en van 25 – 85 m in gesloten terrein. Op basis van de in het betreffende rapport gegeven analyses komt men dan t.a.v. bebouwing voor het ree tot een bufferzone van 250 m en voor de das van 100 m, evenals t.a.v. van recreatie voor het ree tot een bufferzone van 100 m en voor de das van 50 m. Voor specifieke ecologische verbindingen en in het bijzonder ook faunapassages is dan maatwerk nodig, hetgeen mede afhankelijk is van de doelsoorten die daarvan gebruik (moeten) maken.
Zoals hiervoor reeds aangegeven is de inzet van de overheid er in het verleden met name erop gericht geweest om aan de kant van de gemeente Zeist een ecologische verbinding tussen het Kromme Rijngebied en de Utrechtse Heuvelrug te realiseren ter hoogte van Tallyho Cottage en De Breul, aangezien het daarbij om de meest directe verbinding met de Heuvelrug (lees in het voorkomende geval Heidestein en zo verder) gaat. Dat niet alleen in het kader van de: ‘Herinrichting Groenraven-Oost’, maar bijvoorbeeld ook al eerder toen de gemeente Zeist en de Provincie Utrecht de kansen m.b.t. het gebied van de Groene Driehoek nader zijn uitgewerkt (zie in deze dus ook Bijlage 9: ‘Inrichtingswensen Groene Driehoek Zeist (uit: ‘De gewenste ontwikkeling van de Groene Driehoek te Zeist (Gemeente Zeist et al., 1995)’). Datzelfde geldt in wezen ook voor de verbinding tussen het Stationsgebied Driebergen-Zeist en de A-12 gelegen binnen het grondgebied van de gemeente Utrechtse Heuvelrug (zie in deze dus ook het rapport: ‘Randvoorwaarden Hoofdstraat 26 (Utrechtse Heuvelrug, 2013’ en de met name ook bovenstaande Fig.: ‘Randvoorwaarden toekomstvisie Hoofdstraat 26’). Helaas zijn de betreffende verbindingen dus nooit verder geoptimaliseerd.
2.3.3 Systeemanalyse Op basis van de in het voorgaande voor het plangebied en nabije omgeving gegeven beschrijving van aanwezige natuurwaarden, zal het duidelijk zijn dat de natuurwaarden zoals deze in het gebied voorkomen hoog tot zeer hoog zijn, zeker ook in potentie. Dan hangt dan mede daarmede samen dat in het gebied een gradiënt aanwezig is van de hoger gelegen en ook drogere zandgronden van de Heuvelrug naar de lager gelegen en vochtiger tot natter klei- en deels ook veenachtige gronden van het Kromme Rijngebied. Daarnaast moet aan het optreden van kwel, zeker ook in potentie, een belangrijke betekenis worden toegekend. Wat betreft die potenties kan daarbij o.a. aan de zogenaamde ‘Natuurdoeltype-kaart’ zoals deze in het kader van de: ‘Herinrichting Groenraven-Oost’ is opgesteld een belangrijke betekenis worden toegekend (zie in deze wederom Bijlage 10: ‘Natuurdoeltype kaart Groenraven-Oost (Landinrchitingscommissie Groenraven-Oost, 2001)’) 7. Voorts moet aan het plangebied ook een belangrijke betekenis worden toegekend om een uitwisseling van plant- en diersoorten tussen het Kromme Rijngebied en de Utrechtse Heuvelrug mogelijk te maken, aangezien dit gebied tussen Zeist en Driebergen feitelijk het enige gebied is waar een dergelijke uitwisseling en dus connectiviteit nog mogelijk is (zie in deze dus ook de in het voorgaande gegeven Fig.
met een totaaloverzicht van de in en nabij het plangebied van belang geachte ecologische verbindingen). In het verleden hebben er in het kader van diverse ruimtelijke ontwikkeling al uitgebreide systeemanalyses plaatsgevonden, zoals in het kader van de ontwikkeling van de gemeente i.s.m. de provincie Utrecht van een visie op de zogenaamde ‘Groene Driehoek’ (zie in deze met name ook het rapport: ‘De gewenste ontwikkeling van de Groene Driehoek te Zeist (Gemeente Zeist et al., 1995)’), tijdens proces HSL/A-12, in welke kader er niet alleen diverse verkenningen hebben plaatsgevonden, maar ook de diverse waarden in beeld zijn gebracht (zie in deze o.a. de rapporten: ‘Station Driebergen-Zeist in Beeld (RBOI, 1995)’ en 7
Zie overigens ook diverse ‘Natuurbeheerplannen’ van de provincie Utrecht.
22 ook de zogenaamde Groene Nota: ‘Integrale visie op de Ontwikkeling Station Driebergen Zeist en omgeving (Driebergen/Zeist, 2001)’). Verder ook in kader diverse visies zoals deze voor het Stationsgebied (sec) zijn opgesteld, zoals door Urgenda in 2008, evenals door 12NStedenbouw in 2014 (zie in deze dus ook de: ‘Gebiedsvisie Stationsgebied DriebergenZeist (12NStedebouw, 2014)’), waarbij bij die laatste visie dan de rode contour als een duidelijke grens werd aangehouden (zie in deze ook onderstaande Fig.: ‘Gebiedsvisiekaart Stationsgebied Driebergen-Zeist (12NStedebouw, 2014)’).
Fig.: ‘Gebiedsvisiekaart Stationsgebied Driebergen-Zeist (12NStedebouw, 2014) In vrijwel al die studies komt men dan tot de conclusie dat het om een gebied gaat met hoge natuurwaarden, dat dus met name door de in gebied aanwezige overgang/gradiënt tussen de Utrechtse Heuvelrug en het Kromme Rijngebied, zij het dat er dus wel mogelijkheden aanwezig zijn deze verder te optimaliseren, hetgeen dus feitelijk al de inzet was van de studie zoals deze reeds in 1995 door de gemeente en de provincie voor het Stationsgebied Driebergen-Zeist naar voren werd gebracht (zie in deze ook onderstaande Fig.: ‘Uitgangspunten bodem, water en ecologie (uit: ’Driebergen-Zeist Stationsgebied in beeld (RBOI, 1995)’ en ook in kader van het ontwikkelen van een visie op de zogenaamde ‘Groene Driehoek’ (zie in deze dus ook de betreffende Bijlage 9: ‘Inrichtingswensen Groene Driehoek Zeist (uit: ‘De gewenste ontwikkeling van de Groene Driehoek te Zeist (Gemeente Zeist et al., 1995)’).
Fig.: Uitgangspunten bodem, water en ecologie (uit: ’Driebergen-Zeist Stationsgebied in beeld (RBOI, 1995)’)
23
Ook t.a.v. de kansen om tot herstel/verbetering van de in en in de nabijheid van het plangebied voorkomende natuurwaarden te komen zijn dan in de loop van de tijd vele voorstellen gedaan, zowel m.b.t. herstel van de kwelwaarden (zie in deze dus o.a. het rapport: ‘Maatregelen ter bestrijding van de verdroging in het kader van Groenraven-Oost (Grontmij, 2001)’), evenals voor de realisatie van de in het gebied aanwezige verbindingen (zie in deze dus met name ook het voorgaande Hoofdstuk 2.3.2: ‘Natuur Netwerk’), maar is o.i. steeds voor hetzij sub-optimale oplossing gekozen (zoals m.b.t. het herstel van de kwelflux), hetzij zijn deze nooit geëffectueerd, althans geoptimaliseerd, zoals m.b.t. realisatie van een droge ecologische verbinding ter hoogte Talhyllo-De Breul en eigenlijk ook die ter hoogte van Hoofdstraat 26, evenals een natte ecologische verbinding ter hoogte van de Rijnwijckse Wetering. Daarnaast heeft er in de loop van de tijd dus ook een verdere intensivering van de landbouw plaatsgevonden, dat ook ten koste van aanwezige natuurwaarden. Zo wordt er op diverse plaatsen in het gebied nu maïs geteeld, met uiteraard bijkomende mestgiften, zoals ter hoogte diverse weilandpercelen Rijnwijck, de Drafbaan, maar ook op de percelen langs de Koeburgweg.
Ook is op diverse percelen, dat terwijl het hier nota bene om Relatienotagebied ging, zand opgebracht, evenals voormalige greppels geherprofileerd, waardoor in feite de drainagebasis is verlaagd en daarmede ook de natuurpotenties. Dat die natuurpotenties dan zeer hoog zijn, laten diverse natuurherstelprojecten zien zoals deze in de loop van de tijd door met name het Utrechts Landschap zijn uitgevoerd, zoals ter hoogte van de Lage Grond, maar met name ook ter hoogte van de Bunsing, dat wel na uitvoerig onderzoek van de potenties door B-Ware. Zo komen er inmiddels ter hoogte Bunzing, dat terwijl het hier om zeer intensief gebruikt grasland ging, vegetaties van o.a. klokjesgentiaan en ook diverse orchissen voor, waaronder de riet- en ook bijenorchis. Ook is aldaar al eens enige malen, zij het zeer tijdelijk, de zwarte ooievaar waargenomen. Kortom, het plangebied en omgeving kenmerkt zich door hoge tot zeer hoge natuurwaarden, evenals kent het hoge potenties tot natuurherstel. Maar dan zullen de diverse maatregelen zoals deze al lange tijd in het vooruitzicht zijn gesteld wel moeten worden uitgevoerd en randvoorwaardelijk aan welke ontwikkeling dan ook moeten worden meegegeven.
Met name ook in het rapport: ‘Natuur en landschapswaardering buitengebied Zeist (Bureau Waardenburg, 2009)’, werd op basis van de daarbij gegeven analyse het betreffende gebied rondom het Stationsgebied Driebergen-Zeist, dat als deel van het Kromme Rijngebied, als ‘hoog’ gewaardeerd.
2.4 Landschap en cultuurhistorie Met name in het rapport: ‘Kwaliteitsatlas Stedenbouwkundige/landschappelijke inpassing Stationsomgeving Driebergen-Zeist (Arcadis, 2011)’ heeft er een uitvoerige analyse plaatsgevonden van de landschappelijke en ook cultuurhistorische waarden zoals deze binnen het plangebied aanwezig zijn. Hieronder zal mede op basis van de bevindingen uit dat rapport een korte beschrijving worden gegeven van zowel de binnen het plangebied aanwezige landschappelijke als cultuurhistorische waarden, dat mede ook op basis diverse andere beschikbare bronnen (waaronder o.a. de cultuurhistorische atlassen van de provincie Utrecht (zie ook de publicatie: ‘Tastbare Tijd (Blijdenstein, R., 2007)’) en ook Zeist (zie ook de publicatie: ‘Zeist door de Tijd (Volkers, K, 2011)’, de publicaties over de Stichtse Lustwarande van C. van Groningen, evenals de website van het ‘Geopark Heuvelrug, Gooi en Vecht’ met een schat aan informatie).
2.4.1 Landschap .
2.4.1.1
Waarden
Zoals ook hiervoor reeds aangegeven hangt de ontwikkelingsgeschiedenis van het gebied, zoals zo vaak, in belangrijke mate samen met de abiotische en biotische omstandigheden
24 zoals deze in het gebied voor oorsprong aanwezig waren. In het gebied gaat het dan om de overgangszone tussen de Utrechtse Heuvelrug en het Kromme Rijngebied. Vanaf de ijstijden ontwikkelden zich op de Heuvelrug en ook het Kromme Rijngebied uitgestrekte bosgebieden, dat wel mede afhankelijk van begrazingsdruk, waarna zich er in eerste instantie jagers en verzamelaars vestigden. Later werden er ook bepaalde landbouwkundige praktijk gebracht, dat met name op de flanken. De vele grafheuvels (mogelijk van de late Trechterbekercultuur) en ook zogenaamde ‘Celtic fields’ zijn daarvan een stille getuige. In het lager gelegen Kromme Rijngebied bevond zich dan in de Romeinse tijd de Limes, waarbij aan de Kromme Rijn een belangrijke betekenis kan worden toegekend. Ten westen van die Limes was dan het grote Westerwoud gelegen, hetgeen het kennelijk voor de Romeinen niet aantrekkelijk maakte hun gebied verder naar het noorden uit te breiden. Juist op die overgang van de Utrechtse Heuvelrug net het Kromme Rijngebied werd al vroeg in de Middeleeuwen de zogenaamde heerweg tussen Utrecht en Keulen aangelegd, waar zich de zetel van de Keizer bevond. Daarbij was er ter hoogte van Driebergen en Zeist een onderscheid tussen een lage en hoge weg, waarbij de hoge weg met name tijdens het winterseizoen werd gebruikt.
Met name in de Middeleeuwen ontstond er door ontbossing van de Heuvelrug uitgestrekte heiden, waarop dan schapen graasden. ’s Avonds werden die schapen dan via de vele schapendriften naar de schaapskooien, die veelal waren gelegen op de flanken van de Heuvelrug naar het Kromme Rijngebied, gebracht, dat ook om ze beschermen. Die schaapskooien maakten dan gebruik van zogenaamde potstallen, waarbij de dieper gelegen bodem geleidelijk aan werd opgevuld met heideplaggen, waarop dan weer de uitwerpselen van de schapen werden opgevangen. Dat mengsel werd dan weer aangewend op de akkers zoals deze dan met name op de flanken waren gelegen en waarbij relatief vruchtbare enkeerdgronden ontstonden. Door overbegrazing ontstonden zo wel op diverse plekken op met name de flanken van de Heuvelrug grote stuifzandvlakten, zoals o.a. op Heidestein, die men dan later door het aanplanten van bos weer probeerde te bedwingen. In de loop van tijd ontstonden er zo op de flanken de zogenaamde flankesdorpen (zie in deze o.a. ook het rapport: ‘Landschap van het Kromme Rijn en het Langbroekerweteringgebied (Te Boekhorst-Van Maren, E., 1981); waarvan Zeist dan een voorbeeld is, dat met een ook thans nog herkenbare Brink 8. In het Kromme Rijngebied ontstonden er al vroeg versterkte boerenhofsteden, ook wel ridderhofsteden genaamd.
Pas na 1122 toen de Rijn door de Bisschop bij Wijk bij Duurstede werd afgedamd, werd het gebied op een veel grotere schaal ontgonnen, waarbij het voor met name het Langbroekerweteringgebied, dat in een kom is gelegen, de karakteristieke copeontginning ontstond, dat zich kenmerkt door een langgestrekte verkaveling. Met name op de hogere oeverwallen ontstond een blokachtige verkaveling, ook wel als kampenlandschap aangeduid. Vanaf 1600 werden de flanken van de Heuvelrug en het Kromme Rijngebied dan door zowel de rijke adel, als de koopmanslieden uit de steden ontdekt om daar hun zomerbuitens te vestigen. Zo ontstond in de loop van de tijd de Stichtse Lustwarande met zijn vele buitens, o.a. die ter hoogte van het Stationsgebied (zie in deze behalve het boek: ‘De Stichtse Lustwarande – Buitens in het Groen (Van Groningen, C., 1999), vele publicaties, evenals het ‘Verhaal van de Stichtse Lustwarande’, zoals dat thans in opdracht van de gemeente Zeist door Bureau Steenhuis-Meurs wordt opgesteld.
8
Overigens was er vroeger in Zeist sprake van meerdere brinken, dus niet alleen de huidige Brink, maar bijvoorbeeld ook die ter plaatse Kleine Breul (zie in deze dus met name ook de publicatie: ‘Zeist door de Tijd – Cultuurhistorische atlas Zeist (Volkers, K., 2011)’).
25 Kenmerkend voor de Heuvelrug is dan toch in landschappelijke zin met name de er thans voorkomende meer uitgestrekte bosgebieden, dat afgewisseld met meer open heidevelden en ook droge schraalgraslanden. De Stichtse Lustwarande kenmerkt zich dan weer door een zogenaamde ‘korrelstructuur’ dus de afwisseling tussen meer open delen en gesloten delen, waarbij aan de er voorkomende buitenplaatsen dan een belangrijke betekenis kan worden toegekend. Terwijl het Kromme Rijngebied een veel opener structuur kent, zij het wel afgewisseld met de vele er voorkomende bosschages en karakteristieke bossingels en ook hagen, hetgeen zich met name in het Langbroekerweteringgebied als een coulissenlandschap manifesteert. Her proces van de aanleg van de buitenplaatsen werd dan nog versneld door de aanleg van de spoorlijn Utrecht-Arnhem (in 1843), ook al was gebied voorheen wel ook met de paardentram vanuit Utrecht bereikbaar. Zie voor impressie o.a. onderstaande Fig.: ‘Historie plangebied in diverse tijdlagen (uit: ‘Bestemmingsplan Buitengebied Zeist Zuid-West, 2018)’).
Middeleeuwse structuur
17e eeuwse structuur
Landschappelijke structuur
Fig.: Historie plangebied in diverse tijdlagen (uit: ‘Bestemmingsplan Buitengebied Zeist ZuidWest, 2018)’) Door een analyse van diverse kaartbeelden op ‘www.topotijdreis.nl’ kan ook een impressie worden verkregen van de ontwikkelingen in de loop van de tijd (zie ook onderstaand Fig.: ‘Historische kaart uit 1900)’).
Fig.: Historische kaart uit 1900
26 Uiteindelijk kunnen dan in en de nabije omgeving van het Stationsgebied en wel de Zeister zijde de volgende landschapstypen worden onderscheiden (zie in deze ook onderstaande Fig.: ‘Landschapstypen en Streefbeeld (uit: ‘Bestemmingsplan Buitengebied Zeist-Zuid West, 2018)’: Landgoederen en buitenplaatsen; Kleinschalig landschap.
Fig.: Landschapstypen en Streefbeeld (uit: ‘Bestemmingsplan Buitengebied Zeist-Zuid West 2018 (Zeist, 2018)’)
2.4.1.2
Analyse
Het plangebied is nu net gelegen op de overgangszone van de uitgestrekte en meer gesloten bossen en ook heidevelden op de Heuvelrug naar het meer open rivierenlandschap van het Kromme Rijngebied, alwaar dan in de loop van tijd niet alleen diverse (flankes)dorpen tot ontwikkeling zijn gekomen, maar ook na de Middeleeuwen vele buitenplaatsen, waarvoor een ‘korrelstructuur’ van meer open en dan weer meer gesloten karakteristiek is. Men name ook in het: ‘Landschapsontwikkelingsplan Kromme Rijngebied + (Brons & Partners, 2009)’ wordt dan op basis van een daarbij gegeven analyses een toekomstvisie voor het Kromme Rijngebied en ook de aangrenzende delen van de Heuvelrug gepresenteerd teneinde een kwaliteitsimpuls te kunnen geven aan de landschappelijke kwaliteiten zoals deze in voorkomen, zowel van de ecologische, de landschappelijke en als ook cultuurhistorische kwaliteiten. Wat betreft de na te streven ruimtelijke kwaliteiten moet met dan met name ook het: ‘Beeldkwaliteitsplan Kromme Rijngebied + (Brons & Partners, 2010)’ van belang worden geacht. Indertijd zijn daartoe ook voor de aan het LOP deelnemende gemeenten afzonderlijke ‘Visiekaarten’ opgesteld (zie ook de Bijlage 11: ‘Visiekaart Zeist LOP Kromme Rijngebied + (Brons & Partners (2011)’ en ook Bijlage 12: ‘Visiekaart Utrechtse Heuvelrug LOP Kromme Rijngebied + (Brons & Partners, 2011)’).
Tegelijkertijd met het vaststellen van het ‘LOP’ en het daarbij behorende ‘BKP’ is ook een ‘Uitvoeringsprogramma LOP’ vastgesteld, althans voor de gemeente Zeist (zie voor een impressie ook Bijlage 13: ‘Uitvoeringsprogramma LOP Kromme Rijngebied Zeist’ (Brons & Partners, 2011)’), met voor het plangebied met name ook de opgave om tot een versterking van de ecologische structuren te komen. Meer in het bijzonder moeten wat betreft een analyse per landschapstype ook de ‘Kwaliteitsgidsen Utrechtse Landschappen (Provincie Utrecht, 2011)’ van belang worden
27 geacht, inclusief ook de beschrijving van de per onderscheiden landschapstype als zodanig aangegeven kernkwaliteiten. Voor het plangebied moeten dan met name ook de ‘Gebiedskatern Utrechtse Heuvelrug (OKRA Landschapsarchitecten, 2011)’ en ook: ‘Gebiedskatern Rivierengebied (OKRA Landschapsarchitecten, 2011)’ relevant worden geacht. Als de kernkwaliteiten voor de Heuvelrug worden daarbij dan aangegeven: Robuuste eenheid; Reliëfbeleving; Extreme historische gelaagdheid. En als kernkwaliteiten voor de het Rivierengebied: Schaalcontrast van zeer open naar gesloten Samenhangend stelsel van rivier-uiterwaard-oeverwal-kom; Samenhangend stelsel van hoge stuwwal-flank-kwelzone-oeverwal-rivier; De Kromme Rijn als vesting en vestiging. Recentelijk zijn de betreffende Kwaliteitsgidsen dan geactualiseerd, dat o.a. m.b.t. de opgaven t.a.v. de energietransitie. Duidelijk zal zijn dat de per gebiedstype gegeven kernkwaliteiten nu juist ook in het Stationsgebied Driebergen-Zeist, zeker voor wie daar oog voor heeft, allen samenkomen. Zo loop je vanaf het Stationsgebied feitelijk via fietsers- en voetgangersburg zo via de buitenplaats Beerschoten-Willinckshof de uitgestrekte bossen en heidevelden van de Utrechtse Heuvelrug in, waarbij velen van de daarvoor door de NS uitgezette ‘NS-wandeling Utrechtse Heuvelrug’ gebruik maken.
Anders kun je als wandelaar via het zogenaamde ‘Stoetwegenpad’ zowel de landgoederen op de flanken, als ook het Kromme Rijngebied verkennen. Met name ook het: ‘Bestemmingsplan Buitengebied Zeist Zuid-West (Zeist, 2016)’ wordt dan door Mro op basis gegeven documenten een: ‘Landschapsindeling conform de Kwaliteitsgids Landschappen’ gegeven (zie ook onderstaande Fig.: ‘Landschapsindeling conform Kwaliteitsgidsen Landschappen’ (Mro, 2016)’).
Fig.: Landschapsindeling conform Kwaliteitsgidsen Landschappen’ (Mro, 2016) In met name de: ‘Kwaliteitsatlas Stedenbouwkundige/landschappelijke inpassing Stationsomgeving Driebergen-Zeist (Arcadis, 2011)’ wordt dan meer specifiek een analyse gegeven van de landschappelijke kwaliteiten van het Stationsgebied (sec), zoals de relaties tussen meer open en gesloten gedeelten (zie in deze dus ook onderstaande Fig.: ‘Landschappelijke kwaliteitenkaart Stationsgebied Driebergen-Zeist (uit: ‘Kwaliteitsatlas
28 Stedenbouwkundige/landschappelijke inpassing Stationsomgeving Driebergen-Zeist (Arcadis, 2011)’), die mogelijk nog wel verder kan worden verfijnd.
Fig.: Landschappelijke kwaliteitenkaart Stationsgebied Driebergen-Zeist (uit: ‘Kwaliteitsatlas Stedenbouwkundige/landschappelijke inpassing Stationsomgeving Driebergen-Zeist (Arcadis, 2011)’) (nog origineel in kleur overnemen). Ook vanuit landschappelijk perspectief kan aan het gebied een bepaalde waarde worden toegekend. Dat niet alleen voor elke aanwezig landschapstype afzonderlijk, maar juist ook in samenhang. Veel van de in en nabij het plangebied te onderscheiden landschapstypen, zoals die van de Utrechtse Heuvelrug en het Kromme Rijngebied, als die van de Stichtse Lustwarande op de overgang tussen beide landschappen, zijn nog (redelijk) gaaf aanwezig en ook als zodanig beleefbaar. Meer in het bijzonder geldt dat ook voor de afwisseling tussen meer gesloten en meer open, zoals deze ook in het plangebied kan worden waargenomen, hetgeen in zekere zin door de vele aanwezige buitenplaatsen nog wordt versterkt. In die zin kan aan het plangebied een relatief hoge landschappelijke waarde worden toegekend.