PR25.049 Bijlage 4 Visie Landgoedstation Driebergen-Zeist en-omgeving
Tekst van het document
Wel kunnen de aanwezige landschappelijke kwaliteiten, met name ook door latere ontwikkelingen die daar dan een inbreuk op hebben betekend, zoals die direct in het Stationsgebied, zoals de (ongecontroleerde) ontwikkeling van kantoren en autobedrijven, maar ook in de wijdere omgeving, zoals het aanleggen van sportvelden van bijvoorbeeld Shinty en ook Phoenix, dat laatste op de overplaats van de buitenplaats De Breul, nog wel aanzienlijk worden verbeterd/versterkt.
2.4.2 Cultuurhistorie Zoals ook uit het voorstaande kan worden afgeleid kent het gebied een rijke historie, dat o.a. in samenhang met de vele buitenplaatsen van de Stichtse Lustwarande, waarvan er ook een relatief groot aantal nu juist ter hoogte van het Stationsgebied voorkomt, zowel aan de zijde van de gemeente Zeist, als aan die van de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Ook gezien de vele aanwezige buitenplaatsen maakt het gebied dan een integraal deel uit van de ‘Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS)’ van de provincie Utrecht en wel de ‘Buitenplaatsenzone’.
29
2.4.2.1
Waarden
Zoals hiervoor reeds aangegeven komen er ter plaatse van het Stationsgebied DriebergenZeist diverse buitenplaatsen voor, zowel aan de zijde van de gemeente Zeist, als de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Van oost naar west gaat het daarbij om de (voormalige) buitenplaatsen van Bovenwegen/Heerewegen (met overplaats), Nieuw-Beerschoten, De Breul (met overplaats), Tallyho Cottage, Rijnwijck, Bornia, Oud Dennenoord/Reehorst, Beerschoten-Wllinckshof (met overplaats) en Bloemenheuvel (met overplaats). Hieronder wordt een korte beschrijving van de gegeven buitenplaatsen, inclusief bijbehorende waarden (zie o.a. de: ‘Redengevende beschrijvingen Monumentenlijst Zeist (Zeist, 1986)’ en ook die in: ‘Buitens op de Heuvelrug (gemeente Utrechtse Heuvelrug, 2012)’): Bovenwegen/Herenwegen (inclusief overplaats) Van deze buitenplaats resteert feitelijk alleen nog het voorterrein met daarin de voormalige portierswoning (Driebergseweg 9) en de voormalige tuinmanswoning (Driebergseweg 13). In het in landschapsstijl aangegeven terrein en overplaats zijn de ruimtelijke kenmerken van het voormalige landgoed Heerewegen goed bewaard gebleven. De overplaats is zo ontworpen, dat er vanuit het (voormalige) huis gezien sprake was van visuele relatie met de brinknederzetting aan de Bunsinglaan en met de Laan van Rijnwijck.
Nieuw-Beerschoten Op het terrein is nog het hoofdgebouw (Driebergseweg 14) en een portierswoning (Driebergseweg 14a) aanwezige. De park is (in 1920) landschapppelijk aangelegd. De achtertuin is formeel met een centrale as over de grote waterpartij. Wel is hier begin in 1956 de Parkflat Nieuw-Beerschoten gebouwd, met een 106-tal appartementen. De Breul (inclusief overplaats) 9 Op het terrein is het hoofdgebouw en de ijskelder van de buitenplaats nog aanwezig (Driebergseweg 17). Van de vroeg negentiende-eeuwes huis De Breul is weinig meer over dan de hoofdvorm met de halfronde middenpartij aan de voorgevel. De landschapstuin werd in 1832 door J.D. Zocher jr. aangelegd (zie voor overzicht ook onderstaande Fig.: ‘Gezicht op het huis De Breul met omringende landschapspark, circa 1868 (uit: ‘Herstelplan De Breul (SB4, 2012)’). Het landschapspark wordt bepaald door de lange serpentinevijver. De brug over de vijver is een imitatie van een Romeins aquaduct. Van belang voor de ruimtelijke structuur is de zichtrelatie met de overplaats aan de westzijde van de Driebergseweg.
Fig.: Gezicht op het huis De Breul met omringende landschapspark (uit: ‘Herstelplan De Breul (SB4, 2012)’)
9
Zie voor uitvoerige analyse ook: ‘Herstelplan De Breul (SB4, 2012)’.
30 Tallyho Cottage Op het terrein zijn nog zowel een hoofdhuis als een koetshuis en een entreehek van de buitenplaats aanwezig. De tuin wordt gekenmerkt door vele oude bomen en is mede van betekenis als overplaats van de buitenplaats De Breul 10. Rijnwijck Van Rijnwijck resteren geen gebouwen meer (zie in deze voor een impressie ook onderstaande Fig.: ‘Anonieme afbeelding Kasteel Rijnwijck (uit 1665)’), maar zijn nog diverse kernmerken van de oorspronkelijke aanleg herkenbaar, zoals de slotgracht van de hier vroeger voorkomende boerenhofstede/kasteel en ook de toegangslaan, namelijk de Laan van Rijnwijck.
Fig.: Anonieme afbeelding Kasteel Rijnwijck (uit 1665)’) Bornia In 1870 liet Jan Kol jr. op de fundamenten van de zeventiende-eeuwse boerenhofstede Brandolie een hoofdhuis in neo-classicistische stijl bouwen (Hoofdstraat 9). Rondom het landhuis lagen uitgestrekte gronden met voornamelijk heidevelden en kreupelhout, die later zijn bebost. Oud Dennenoord/Reehorst Oud Dennenoord is gesticht in 1850 door Jan Kol die diverse buitenplaatsen langs de as van de Stichtse Lustwarande bezat. Op Oud Dennenburg liet hij een villa bouwen die na brand als de Roze villa is herbouwd. De Roze villa is afgebroken en op die plek staat nu het Ionagebouw. Het koetshuis van de Roze villa staat nog steeds op het terrein. Het park zelf is aangelegd in landschapsstijl. Op het oorspronkelijk terrein van de Reehorst is dé zogenaamde witte villa gebouwd met stijlkenmerken van de Jugendstil. Ook dit pand is tamelijk recent afgebrand, maar gelukkig in oorspronkelijk stijl geheel hersteld. Inmiddels heeft ook de Triodosbank zich op de Reehorst gevestigd, waarbij tegelijkertijd aan het park als geheel een bepaalde kwaliteitsslag is gegeven, inclusief de aanleg van vijverpartijen om het regenwater van het dak van nieuwe hoofdgebouw te kunnen opvangen. Beerschoten-Willinckshof (met overplaats) De buitenplaats Beerschoten-Willinckshof moet in 1847 zijn gesticht.
Rond het buitenhuis kwam een park in Engelse landschapsstijl, waarschijnlijk naar ontwerp van J.D. Zocher jr. Tussen 1849 en 1869 kreeg het park tevens een hertenkamp, ter plaatse van de overplaats aan de overzijde van de Hoofdstraat. In 1887 kreeg de gemeente Driebergen het buiten als legaat, onder de voorwaarde dat de buitenplaats zou worden afgebroken en de overplaats als hertenkamp in stand gelaten. Na afbraak van het buitenhuis werd ter nagedachtenis aan 10
Overigens is een er voorkomende monumentale rode beuk afgestorven en nooit meer op de betreffende karakteristieke plek herplant.
31 de familie Willinck op de vrijgekomen plek in 1889 een tempeltje in neoclassicistische stijl, naar ontwerp van de Amsterdamse architect Pothumus Meyjes gebouwd (zie ook onderstaande Fig.: ‘Tempeltje gewijd aan godin Flora op buitenplaats Beerschoten Willinckhof’)
. Fig.: Tempeltje gewijd aan godin Flora op buitenplaats Beerschoten Willinckhof Bloemenheuvel Rond 1845 liet de uit Amsterdam afkomstige suikerfabrikant Christiaan Hendrik Cordes dit herenhuis bouwen. Aanvankelijk droeg het pand de naam Hoogerheide, maar na Cordes overlijden raakte de naam Bloemenheuvel in zwang. Het huis dankte deze naam mogelijk aan de vele bloemen die in de omliggende tuin bloeiden, maar het is waarschijnlijker dat het pand hiermee vernoemd is naar de vrouw van Cordes, Hendrika Bloemen. Het herenhuis wordt omgeven door een park, dat nog elementen van de oorspronkelijke landschappelijke aanleg heeft, zoals een groep monumentale rode beuken en moerascypressen bij een kleine waterpartij. Aan de overkant van de Hoofdstraat herinneren een paar monumentale bomen in een glooiend weiland nog aan de oorspronkelijke overtuin. Het grootse deel van de betreffende buitenplaatsen, inclusief vaak ook met bijbehorende groene structuren, zijn dan hetzij als rijksmonument, hetzij als gemeentelijk monument aangewezen, althans in Zeist (zie in deze o.a. ook onderstaande Fig.: ‘Kaarten groene monumentale structuren gemeente Zeist, zowel die van de: ‘Monumentenlijst (Zeist, 1986)’ als uit de latere: ‘Erfgoedverordening Zeist (Zeist, 2011)’).
In hoeverre dat ook binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug het geval is, is niet geheel duidelijk, zij het dat ook daar dus vele buitenplaatsen en kastelen met monumentale groenstructuren voorkomen (zie eveneens onderstaande Fig.: ‘Buitenplaatsen en kastelen gemeente Utrechtse Heuvelrug (uit: ‘Plan-MER Omgevingsvisie Utrechtse Heuvelrug (Tauw, 2021)’).
32
Fig.: Kaart groene monumentale structuren gemeente Zeist, zowel die uit de ‘Monumentlijst Zeist (Zeist, 1986)’ (boven), als de latere kaart uit de: ‘Erfgoedverordening Zeist (Zeist, 2011)’ (onder).
33
Fig.: Overzicht buitenplaatsen en kastelen gemeente Utrechtse Heuvelrug (uit: ‘Plan-MER Omgevingsvisie Utrechtse Heuvelrug (Tauw, 2021)’) Gezien aanwezige waarden maakt met name de in het gebied aanwezige waarden dan deel uit van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur van de Provincie Utrecht en wel van de ‘buitenplaatsenzone’ (zie ook onderstaande Fig.: ‘Kaart cultuurhistorische Hoofdstructuur provincie Utrecht’).
Fig.: Kaart cultuurhistorische Hoofdstructuur provincie Utrecht 2.4.2.2 Analyse Inmiddels zijn er m.b.t. de Stichtse Lustwarande diverse visies opgesteld, inclusief de daarbij behorende analyses (zie in deze o.a. de: ‘Visie Stichtse Lustwarande (Provincie Utrecht, 2005)’ en ook: ‘De Stichtse Lustwarande – Identiteitsonderzoek (Landscape Architects for Sale, 2003)’). Ook is in die zin door de provincie Utrecht t.b.v. het behoud en versterking van aanwezige kwaliteiten van de Utrechtse buitenplaatsenzones het rapport: ‘De Utrechtse Buitenplaatsbiotoop (Provincie Utrecht, 2013)’ opgesteld, met daarbij o.a. de diverse karakteristieken zoals deze voor de buitenzone van de Stichtse Lustwarande relevant moeten worden geacht, dat met de volgende karakteristieken:
34 Belangrijkste ruimtelijke kenmerk is de oriëntatie van buitenplaatsen dwars op de zuidflank van de Heuvelrug, met een kernmerkende opeenvolging van park, parkbos en productiebos de Heuvelrug op (zand) en overplaats en weiland het Kromme Rijngebied (klei) in. Elementen die deze dwarsstructuur accentueren zijn de (zicht)lanen en de slingerende vijverpartijen met hun sprengkoppen; Kenmerkend is de vestiging van reeksen buitenplaatsen in de 19e eeuw tussen de benedenweg en de bovenweg, terwijl de buitenplaatsen die zijn voortgekomen uit kastelen en hofsteden in de lagere kleizone liggen; Typerend zijn de ontworpen zichtrelaties van de weg op de hoofdhuizen en vanuit de hoofdhuizen op het omliggende park, de overplaats en het landschap; Structurerende onderdelen van deze zichtrelaties zijn de bosschages (.o.a. zogenaamde clumps’), de uitzichtpunten en de gewelfde gazons, evenals de voor de landschapsparken kenmerkende slingerende paden, waterpartijen en hun elementen (bruggen, theekoepels en follies); Kenmerkend voor de grote buitenplaatsen met een formele parkaanleg zijn de lange lanenstelsels, sterrenbossen en centrale zichtlaan haaks op het huis; Karakteristiek zij de verhoogd gelegen, symmetrisch opgezette blokvormige hoofdhuizen, georiënteerd op de weg, maar op enige stand daarvan.
Er is een grote variatie aan bouwstijlen, variërend van bakstenen Hollands- classicistische huizen en witgepleisterde neoclassicistische gebouwen, tot eclectische villa’s en traditionalistische landhuizen. Daaraan ondergeschikt zijn de bijgebouwen qua maatvoering als qua ligging. Mede op basis van gegeven kenmerken hebben er in het verleden reeds diverse analyses plaatsgevonden, ook in de nabijheid van het Stationsgebied Driebergen-Zeist (zie in deze o.a. ook volgende Fig.: ‘Voorbeeld van een inventarisatie van de buitenplaatsen en landgoederen c.a. langs de Driebergseweg (uit: ‘Buitenplaatsen en landgoederen – Een geschakeerd en stijlvol gebied in Zeist (Blijdenstein, R. et al, 1986)’).
Fig.: Voorbeeld van een inventarisatie van de buitenplaatsen en landgoederen c.a. langs de Driebergseweg (uit: ‘Buitenplaatsen en landgoederen – Een geschakeerd en stijlvol gebied in Zeist (Blijdenstein, R. et al, 1986)’) Uiteindelijk komt met men dan voor het Stationsgebied Driebergen-Zeist tot de analyse zoals deze in de onderstaande Fig.: ‘Cultuurhistorische karakteristieken Stationsgebied Driebergen-Zeist’ is aangegeven.
35
Fig.: Cultuurhistorische karakteristieken Stationsgebied Driebergen-Zeist Op basis van de gegeven analyses kan men dan ook niet anders tot de conclusie komen dat ook in cultuurhistorische zin nu juist ook aan de directe omgeving van het Stationsgebied een hoge cultuurhistorische waarde kan worden toegekend, alhoewel daaraan door latere ontwikkelingen dus wel ook een bepaalde inbreuk is gedaan, zoals door de aanleg van de sportvelden van Phoenix op de overplaats De Breul en van Shinty op de buitenplaats Beerschoten-Willinckshof. Daarnaast ook bij ondertunneling spoor van de N-225, waardoor door de daarmede gepaard gaan wegverbreding een deel van buitenplaatsen is plaats heeft moeten maken voor weg en/of nieuwe fietspaden. Dat geldt ook voor de vergroting van het aantal sporen dat toen heeft plaatsgevonden. Dat neemt niet weg dat men er wel een echt landgoedstation heeft van proberen te maken, dat passend binnen het karakter van de Stichtse Lustwarande, dat met een groen voorplein ter hoogte van het busstation, evenals ook met behoud van de historische stationsoverkapping (zie voor een impressie o.a. de publicatie: ‘Landgoedstation Driebergen-Zeist (ProRail et al, ….)’).
36
3. Toekomstvisie - Natuurinclusief Stationsgebied Driebergen-Zeist Zoals algemeen bekend staat de natuur/biodiversiteit onder een grote druk en staan we allen voor de opgave een herstel van de natuur (sec) te komen, dus in harmonie met de natuur te gaan leven (zie in deze ook onderstaande Fig.: ‘Bending the curve of biodiversity loss (naar ISSA, 2019)’).
Fig.: ‘Bending the curve of biodiversity loss (naar ISSA, 2019)’ Het mooiste zou daarbij zijn als we voor geheel Nederland weer tot minimaal een zogenaamde ‘Basiskwaliteit Natuur (BKN)’ zouden kunnen komen en uiteraard hoger voor Natura 2000-gebieden, NNN-gebieden en Weidevogelkerngebieden (zie overigens m.b.t. het bereiken van een ‘Basiskwaliteit Natuur’ o.a. ook het: ‘Uitvoeringsplan Biodiversiteitsvisie Zeist’ (in concept) en (in zekere zin) ook het: ‘Manifest Biodiversiteit (Goed Volk). Op basis van de waarden die in het gebied voorkomen, zowel die m.b.t. de natuur, het landschap als de cultuurhistorie, de potenties en in zekere zin ook opgaven om deze daadwerkelijk te (kunnen) verbeteren, evenals de betekenis die binnen beide gemeenten aan een duurzame ontwikkeling wordt toegekend, hebben de diverse maatschappelijke organisaties zoals deze binnen de beide gemeenten actief zijn, dat ook met ondersteuning van derden, het idee opgevat, om voor het plangebied als geheel een ‘Natuur-scenario’ te ontwikkelen, waarbij de waarden van natuur, landschap en cultuurhistorie, evenals duurzaamheid dan ook echt centraal staan. Om dan echt tot een systeemherstel van de natuur te komen, zal dan op een hoger schaalniveau zowel de problematiek van de klimaatverandering, de stikstofproblematiek i.r.t de natuurkwaliteit, evenals die m.b.t.
de waterkwaliteit (in kader Kaderrichtlijn Water) moeten worden aangepakt. Door de vorige regering is daar met het: ‘Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG)’ dan een aanzet toe gegeven, maar waar dus door de huidige regering (helaas) weer een streep is gezet. Gelukkig heeft de provincie besloten het ‘Utrechts Programma Landelijk Gebied (UPLG)’ gewoon voort te zetten, dat mede op basis gelden die door het rijk beschikbaar zijn gesteld op basis van de diverse maatregelenpakketten zoals deze in het kader van dat ‘UPLG bij het rijk zijn ingediend, hetgeen dus een basis biedt om de in die zin zo noodzakelijke transitie van het landelijke gebied in gang te zetten. Daarnaast loopt er binnen de provincie Utrecht ook het: ‘Programma Groen Groeit Mee’, waarbij dan een eerste Pilot loopt in het kader van het zogenaamde: ‘Kromme Rijn Linielandschap (KRLL)’, waar ook het Stationsgebied Driebergen-Zeist deel vanuit maakt. Ook in het kader van die pilot wordt aan herstel natuur bijzondere aandacht gegeven, zij het dat (logischerwijs) ook andere opgaven worden meegenomen, zoals m.b.t. de recreatie,
37 waarbij het dan wel o.i. zaak is, zoals overigens altijd, daarbij een bepaalde balans aan te houden, dus duidelijke keuzen te maken, waarbij o.i. kwetsbare gebieden die een essentiële functie vervullen binnen het totale ecologische structuur door een goede zonering adequaat zouden moeten worden beschermd. M.b.t. de kansen van de natuur zou dan op het regionale schaalniveau met name ook moeten worden bezien hoe tot herstel van de (oorspronkelijke) grondwaterbalans van de Heuvelrug met de flanken kan worden gekomen en daarmede van de oorspronkelijk in het gebied aanwezige kwelflux/kweldruk, dat teneinde de ecologische potenties in het gebied te kunnen herstellen (zie in deze dus o.a. ook de ambities van de ‘Blauwe agenda’). Vervolgens zouden dan op het schaalniveau van het plangebied/projectgebied de kansen moeten worden bezien om ook aldaar echt tot een optimalisatie van de natuurwaarden te kunnen komen. Dat dan niet alleen door de ecologische potenties van het gebied, dus van aanwezige abiotische gradiënten, zowel die m.b.t.
de hydrologie, maar ook van de bodem, dus van de droge zandige bodems op de Heuvelrug en de meer kleiachtige (en soms) veenachtige gronden in het Kromme Rijngebied, optimaal tot hun recht te laten komen (zie voor potenties diverse bodemtypen met name ook Bijlage 10: ‘Natuurdoeltypenkaart Groenraven-Oost (Landinrichtingscommissie Groenraven-Oost, 2001)’ én ook Bijlage 14: ‘Vervangingsreeksen van het Verbond van Zomer- en wintereik, het Elzenvogelkers Verbond en het Verbond der Wilgenvloedstruweel en –bossen’), maar met name ook door tot een versterking van de ecologische structuren te komen. Al met al zou het dus mooi zijn als voor het gehele gebied tot minimaal een ‘Basiskwaliteit Natuur (BKN)’ kan worden gekomen, waartoe dan tevens in het: ‘Uitvoeringsplan Biodiversiteitsvisie Zeist’ een aanzet wordt gegeven. Dat dus door o.a. een versterking waar mogelijk van de zogenaamde Groen Blauwe Dooradering (GBDA)’, dat bijvoorbeeld in het kader van het: ‘Aanvalsplan Landschap (Samen voor Biodiversiteit, 2022)’. Wat betreft het komen van een versterking van de in het gebied aanwezige ecologische structuren moet dan met name ook het daadwerkelijk in ecologische zin veiligstellen en ook inrichten van de ecologische structuren van belang worden geacht.
Zoals ook hiervoor reeds aangegeven gaat het dan (achtereenvolgens) om de volgende ecologische structuren (zie in deze ook de voorgaande Fig.: ‘Totaal overzicht ecologische verbindingen tussen de Heuvelrug en het Kromme Rijngebied’): Kansen voor een ecologische verbinding ter hoogte van de Laan van Rijnwijck, zij het veel barrières aanwezig, zowel van bebouwing van Bovenwegen/Heerewegen 11, etc., als o.a. de hekwerken scholengemeenschap De Breul 12; De mogelijkheid tot het realiseren van een meer directe droge verbinding ter hoogte van Talhyllo Cottage en De Breul, zoals ook al eerder in kader van de ‘Herinrichting Groenraven-Oost’ voorgestaan; De mogelijkheid tot het realiseren van een natte ecologische verbinding ter hoogte van de Rijnwijckse Wetering en de vijver van De Breul; De mogelijkheid tot een verdere optimalisatie van de ecologische verbinding ter hoogte van Hoofdstraat 26. Daarbij zal dan tevens naar de eisen die diverse soorten aan een dergelijke verbindingen stellen moeten worden gekeken (zie in deze dus ook de betreffende Bijlage 8: ‘Per doelsoort de minimale oppervlakte van de stapstenen/sleutelgebieden, de maximale afstand tussen twee stapstenen/sleutelgebieden, de gemiddelde breedte van de corridor ter hoogte van de staptenen/sleutelgebieden en de breedte per type natuur die gemeente nodig is ter hoogte 11
Overigens is t.b.v. de herontwikkeling van Heerewegen/Bovenwegen tussen de locale natuur en milieuorganisaties en de zorgaanbieder indertijd een overeenkomst gesloten teneinde ter plaatse ook echt tot een optimalisatie van de ecologische structuur te kunnen komen, maar is dat proces om financiele redenen stopgezet. 12 Weliswaar is er tussen de Werkgroep Natuurlijk Zeist-West en de Stichting Milieuzorg Zeist e.o. een overeenkomst afgesloten met de scholengemeenschap De Breul om op diverse plekken van de rondom de scholengemeenschap gesitueerde hekwerken zogenaamde ‘reeënpoorten’ te realiseren, die ook hebben gefunctioneerd, maar zouden deze inmiddels weer zijn dichtgezet.
38 van de stapstenen/sleutelgebieden binnen de toelopen gedefinieerd als de zone tot 500 m vanaf de faunpassage (zie dus ook m.b.t. gegeven voorwaarden het rapport: ‘Ecopassage Griftenstein bij de N-237 (Van der Grift, E., 2009)’, evenals ook het rapport: ‘Ecologische verbindingen Kromme Rijngebied (Ecologische Adviesbureau Van den Bijtel, 2009)’). Teneinde dan met name de ecologische verbindingen ter hoogte van de De Breul, zowel een droge verbinding voor o.a. het ree, de das en andere marterachtigen, etc., te realiseren, evenals een natte verbinding ter hoogte van de Rijnwijckse Wetering voor o.a. de ringslang en andere amfibieën, heb je voor een droge verbinding met als gidssoort het ree dan al snel een breedte van minimaal 100 m nodig en voor een diverse soorten gebonden aan natte verbindingen, zoals dus de ringslang, een breedte van minimaal 25 m, zij het voor een kamsalamander inclusief leefgebied een verbinding met een breedte van 70 m. Dit betekent dus dat aan aanzienlijke delen van het gebied, inclusief delen van de hockeyclub Phoenix en ook het volkstuinencomplex, alsnog een natuurbestemming zou moeten worden gegeven. Tevens zal ook rekening moeten worden gehouden met een bepaalde (bij voorkeur groene) buffer t.o.v. bebouwing, evenals ook rust, zoals i.r.t. verstoring door recreatie, etc., willen de gegeven ecologische verbindingen goed kunnen functioneren.
Dat bij de het versterken van de binnen het plangebied aanwezige natuurwaarden/ecologische verbindingen wel ook mede rekening dient te worden gehouden met de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van het gebied, zoals met de zichtlijnen zoals deze vanaf het landhuis van de buitenplaats De Breul op de overplaats aanwezig zijn, spreekt dan uiteraard voor zich. Wat betreft de financiering van de aankoop en de herinrichting van de gronden kan dan mogelijk een beroep worden gedaan op de gelden zoals deze beschikbaar zijn in het kader van het: ‘Utrechts Programma Landelijk Gebied (UPLG)’, hetzij: ‘Groen Groeit Mee’ of andere bronnen. In feite blijft dan uiteindelijk, dus uitgaande van diverse ‘voorwaarden/eisen’ zoals deze vanuit zowel de ecologie, het landschap, als de cultuurhistorie aan het gebied kunnen worden gesteld, met name het gebied van het Stationsgebied (sec) zelf over om daar een bepaalde transformatie naar wonen mogelijk te maken.
Teneinde daarbij uitstralingseffecten naar de omgeving en in het bijzonder ook op de aanwezige/te ontwikkelingen ecologische verbindingen te voorkomen, zou dan wel aan de randen lager moeten worden gebouwd, inclusief ook met een groene buffer naar de buitenzijde/het buitengebied, waarbij dan meer centraal in het gebied hoger kan worden gebouwd, zij het wel gebouwen passend bij de Stichtse Lustwarande (SLW), dus niet hoger dan de boomgrens, evenals met een groene voet. Al met al biedt dit dus kansen tot de ontwikkeling van een duurzaam en natuurinclusief woon- en werk-gebied ter plaatse van het huidige stationsgebied, zij het daarbij dus wel nadrukkelijk rekening houdend met de aangrenzende (nog verder te ontwikkelen) kwetsbare natuur en in het bijzonder de (in potentie) aanwezige ecologische verbindingen en passend met de ligging te midden van de Stichtse Lustwarande (SLW). In het verleden zijn daartoe door o.a. Urgenda/West 8 al aanzetten toe gegeven, namelijk tot de ontwikkeling van het gebied als groene poort voor het NPUH, de SLW en ook het Kromme Rijngebied, evenals ook in de: ‘Gebiedsvisie SDZ (12N Stedenbouw, 2014)’, dus het zou mooi zijn als de daarbij gegeven visies als een belangrijke inspiratiebron zouden kunnen worden aangewend, net als vele voorbeelden van ecologische en natuurinclusieve woon- en werkgebieden zoals deze inmiddels zijn ontwikkeld.
Daarbij zou het mooi zijn als het Stationsgebied zich ook echt in die zin tot een landelijk voorbeeldgebied voor natuurinclusief ontwerpen en - bouwen kan worden ontwikkeld, net als dat in zekere zin ook voor het huidige station (sec) geldt en dat dan tot een landgoedstation is ontwikkeld (zie in deze dus wederom de publicatie: ‘Landgoedstation Driebergen-Zeist (Prorail et al, ….)’). Wat betreft duurzaamheidstandaard gaat Zeist in ieder geval op basis van het: ‘Convenant Duurzame Woningbouw provincie Utrecht’ voor goud. Daarnaast zou voor het ontwerp ook gebruik kunnen worden gemaakt van het: ‘Handboek bouwen voor de toekomst 2.0 (Natuur-
39 en Milieufederaties, 2024)’, inclusief de transformatie waar mogelijk van bestaande gebouwen (vergelijk bijvoorbeeld ook het kantoor van het WNF). Zowel het gebouw van de Triodosbank, als de parkeergarage kunnen daarbij als voorbeeld worden gezien, zij het dat daarbij wel ook weer bepaalde kanttekeningen zijn te plaatsen.
40
4. Conclusie Zoals uit het voorgaande kan worden afgeleid kan aan de waarden van natuur, landschap en cultuurhistorie zoals deze in en nabij het project-/plangebied van het Station DriebergenZeist voorkomen een relatief hoge waarde worden toegekend. Dat hangt dan allereerst samen met de in het gebied aanwezige abiotische gradiënt tussen de nutriëntarme droge zandgronden van de Heuvelrug naar de nutriëntrijkere kleigronden van het Kromme Rijngebied, zij het weer wat armer ter plaatse het veen zoals dat in oude meanders van de Kromme Rijn op diverse plaatsen tot ontwikkeling is gekomen. Ook hangt dit natuurlijk samen met de uitgestrekte bos- en heidevelden die dan op de Heuvelrug voorkomen met juist de afwisseling van klei- en ook moerasbosjes, nutriëntrijkere en ook schrale natte graslanden, etc., ter hoogte van het Kromme Rijngebied. De buitenplaatsenzone van de Stichtse Lustwarande zoals deze tussen de beide landschapstypen voorkomt, dus tussen de Heuvelrug en het Rivierengebied/Kromme Rijngebied, sluit daar dan door de landschappelijke aanleg in veelal de Engelse/Romantische landschapsstijl dan weer mooi op aan.
Vanuit ecologisch, landschappelijk en ook cultuurhistorische perspectief bestaan er dus op basis van de in het voorgaande gegeven ‘Landschapsecologische Systeemanalyse (LESA)’ zeker ook kansen om bij de beoogde herontwikkeling van het Stationsgebied DriebergenZeist tot een optimalisatie van gegeven waarden te komen. Duidelijk is daarbij dat er juist vanwege de in het gebied aanwezige waarden, evenals de al lang in diverse visies/plannen opgenomen opgaven om tot een verbetering/versterking van die waarden te komen en dan in het bijzonder ook m.b.t. de binnen het plangebied aanwezige ecologische structuren, die dan essentieel moeten worden geacht om hier een uitwisseling van soorten tussen biotpen Heuvelrug en het Kromme Rijngebied mogelijk te maken, dat de toekomstige bouwmogelijkheden zich o.i. zouden moeten beperken tot het gebied dat binnen de rode contouren is gelegen, dus het gebied dat overeenkomstig de ‘Omgevingsverordening Provincie Utrecht 2022’ als ‘Stedelijk gebied’ wordt aangeduid (vergelijk in deze overigens ook het principe van: ‘Natuurinclusief ontwerpen’ 13).
Teneinde daarbij uitstralingseffecten op de kwetsbare omgeving te voorkomen zouden daarbij dan wel aan de randen lager moeten worden gebouwd, inclusief een groene buffer, waarbij dan centraal wel hoger kan worden gebouwd, daarbij wel rekening houdend met het karakter van de Stichtse Lustwarande (SLW), dus niet hoger dan de boomgrens, evenals met een rondom de gebouwen met een (ruime) groene voet. Al met al liggen er dus volop kansen om door transformatie aan het Stationsgebied als geheel in meerdere opzichten, dus zowel wat betreft de ecologie, als de ruimtelijke kwaliteit, een kwaliteitsimpuls te geven, daarbij uiteraard ook rekening houdend met reeds op bepaalde plekken aanwezige kwaliteiten, zoals historische bebouwing. Uiteindelijk zou het dan mooi zijn als het gebied als geheel in meerdere opzichten zich als een voorbeeldgebied voor heel Nederland kan ontwikkelen, zowel wat betreft de natuur (denk aan minimaal een ‘Basiskwaliteit Natuur (BKN)’), het landschap, de cultuurhistorie, maar uiteraard ook voor de mens. Wat betreft de mens wordt het dan steeds duidelijker dat juist ook een groene leefomgeving ook voor de mens van levensbelang is. Laat dus de natuur hier ook echt tot leven komen, dat als de drager van het leven op aarde.
13
Zie in deze dus ook hetgeen daartoe in met name de: ‘Brede Milieuvisie Zeist (Zeist, 2016)’ is aangegeven.
41
Literatuur Arcadis, 2011, Kwaliteitsatlas Stedenbouwkundige/landschappelijke inpassing Stationsomgeving Driebergen-Zeist Arcadis, 2013, Natuurrapport SDZ Arcadis, 2013, Stationsgebied Driebergen-Zeist - Waterhuishouding en riolering Blijdenstein, R. et al, 1986, Buitenplaatsen en landgoederen – Een geschakeerd en stijlvol gebied in Zeist Blijdenstein, R., 2007, Tastbare Tijd Brons & Partners, 2009. Landschapsontwikkelingsplan Utrechtse Heuvelrug en Kromme Rijngebied + Bureau Waardenburg, 1991, Ecologisch onderzoek Buitengebied Zeist-West Bureau Waardenburg, 2009, Natuur en landschapswaardering buitengebied Zeist Drost, A., 1997, Realisering van de ecologische verbindingszone landgoed De Breul – Rijnwicjkse Wetering Ecologisch adviesbureau Van den Bijtel, 2002, De tracés van de HSL-Oost en de A-12 in ecologisch perspectief Ecologische Adviesbureau Van den Bijtel, 2009, Ecologische verbindingszones Kromme Rijngebied Ecologisch adviesbureau Van den Bijtel, 2009, Natuurwaardenonderzoek Stationsgebied Driebergen-Zeist Geopark Heuvelrug, Gooi en Vecht, 2024, Ken je ondergrond – Zeist Goed Volk, 2021, Manifest Biodiversiteit Grift, E. van der, 2009, Ecopassage Griftenstein bij de N-237 Grift, E. van der, 2012, Advies tegengaan verstoring in ecologische Corridor Camp New Amsterdam Groningen, C.
van, 1999, De Stichtse Lustwarande – Buitens in het Groen Grontmij, 2001, Maatregelen ter bestrijding van de verdroging in het kader van GroenravenOost Grontmij, 2003, Verdrogingstudie Hoge Woerd/Rijnwijck Grontmij, 2011, Perspectief en inrichtingsbeeld voor de Ecologische Hoofdstructuur Wensbeeld voor natuur ren landschap – Deelgebied Zeist-Bunnik HDRS, 2008, Watergebiedsplan Groenraven-Oost en Maartensdijk HNS Landschapsarchitecten, 2022, Ambitiedocument Blauwe agenda Utrechtse Heuvelrug Landinrichtingscommissie Groenraven-Oost, 2001, Herinrichting Groenraven-Oost Mabelis, A., 2001, Ecologische evaluatie van een landgoederenzone Min LNV, 1990, Nationaal Natuur Beleidsplan Molen, P.
van der, et al, 2010, LESA – Landschapsecologische systeemanalyse Natuur- e& Milieufederaties, 2024, Handboek bouwen voor de toekomst 2.0 12NStedebouw, 2014, Gebiedsvisie Stationsgebied Driebergen-Zeist Prorail et al, ….Landgoedstation Driebergen-Zeist Provincie Utrecht, 1991, Beleidsplan Natuur en Landschap Provincie Utrecht Werkdocument Provincie Utrecht, 1993, Werkdocument ecologische verbindingszones provincie Utrecht Provincie Utrecht, 2003, Programma ecologische verbindingszones Provincie Utrecht, 2018, Bos en Heidenotitie 2018 RBOI, 1995, Driebergen-Zeist Stationsgebied in beeld Samen voor Biodiversiteit, 2022, Aanvalsplan Landschap SB4, 2012, Herstelplan De Breul Tauw, 2021, Plan-MER Omgevingsvisie Utrechtse Heuvelrug Utrechtse Heuvelrug, 2013, Randvoorwaarden Hoofdstraat 26 Utrechtse Heuvelrug, 2012, Buitens in het groen Werkgroep Faunapassages Zeist Zuid-West, 2007, actualisatie 2020), Folder Natuur verbinden en behouden Zeist, 1986, Monumentenlijst Zeist Zeist, 1994, Landschapsbeleidsplan Zeist Zeist et al., 1995, De gewenste ontwikkeling van de Groene Driehoek te Zeist Zeist, 2004, Waterplan Zeist Zeist, 2007, Lange termijnvisie Waterplan Zeist Zeist, 2016, Bestemmingsplan Buitengebied Zeist Zuid-West