06-23RV030 Kavels Westflank Vliegbasis Soesterberg - Toelichting
Tekst van het document
Hoofdstuk 3 3.1
Planproces Vliegbasis Soesterberg Westflank
Inleiding
De provincie is eigenaar van de kadastrale percelen aan de Dolderseweg te Huis ter Heide. De percelen zijn in eigendom gekomen als onderdeel van de verkoop van de voormalige vliegbasis Soesterberg. Door de betrokken overheden (gemeenten Soest en Zeist en provincie Utrecht) is destijds besloten om de kosten van verwerving en herinrichting van de voormalige vliegbasis zoveel mogelijk te dekken vanuit de verkoop van grond voor woningbouw. De percelen maken hiervan deel uit. De provincie is voornemens om de percelen in kavels uit te geven. Het eerste verkoopproces van de kavels aan de Dolderseweg is afgebroken. De afronding van het oude verkoopproces met twee particulieren is afgerond. Met een nieuw verkoopproces wordt de verkoop van de kavels en de ontwikkeling en realisatie van vastgoed op de kavels westflank Vliegbasis Soesterberg alsnog in gang gezet. De Randstedelijke Rekenkamer (RRK) heeft november 2018 een onderzoek opgeleverd naar het verloop van het verkoopproces. In dit onderzoek is een aantal aanbevelingen benoemd.
Eén van de aanbevelingen is: "Zorg bij verkoop van bouwlocaties voor een publiekrechtelijke en/of in ieder geval een privaatrechtelijke borging van bestuurlijke ruimtelijke uitgangspunten" Daaropvolgend hebben Gedeputeerde Staten het besluit genomen om de ruimtelijke uitgangspunten publiekrechtelijk te borgen omdat het bestemmingsplan het meest geëigende instrument is in Nederland om dit in te borgen. Binnen het vigerende bestemmingsplan Vliegbasis Soesterberg (2013) hebben de vier kadastrale percelen een enkelbestemming wonen. Het woningaantal en de diverse andere ruimtelijke randvoorwaarden zijn nog niet planologisch beschermd in het bestemmingsplan. Dit betreft de volgende randvoorwaarden: c. d. e. f.
Het behoud van zo veel mogelijk bomen op de kavels; Het realiseren van maximaal 5 vrijstaande woningen; Verspringende rooilijnen binnen het bouwvlak; Centraal op de kavel bouwen .
Bovenstaande ruimtelijke randvoorwaarden zijn opgesteld door de onafhankelijk adviseur Ruimtelijke Kwaliteit van de provincie Utrecht en moeten bekeken worden vanuit het belang van het behoud van de waardevolle bomen in het gebied. Middelgrote tot grote bomen bepalen nu voor een groot deel het karakter van de kavels. Het is belangrijk dat de boomkronen op elkaar aansluiten. Dit ruimtelijke kenmerk moet zoveel mogelijk blijven bestaan. De randvoorwaarden zijn tevens getoetst bij omwonenden en belanghebbenden via bewonersbrieven en een enquête.
3.2
Bescherming waardevolle bomen
Het plangebied aan de Dolderseweg is verdeeld in een vijftal bospercelen die zijn opgedeeld met het doel het bos karakter met de overgang naar het park te handhaven en versterken. Dit is geslaagd als het zicht vanaf de Dolderseweg en vanuit het park daaraan beantwoordt en de kruinen van de bomen over het gehele plangebied op elkaar aansluiten. Het bestemmingsplan dat wordt opgesteld moet dit bewerkstelligen, wat betekent dat er extra randvoorwaarden aan het ontwikkelen op de te verkopen kavels komt te liggen. Behoud bomen Om het boskarakter te behouden is gekozen zoveel mogelijk bomen te sparen. Deze zijn zorgvuldig ingemeten en beoordeeld (zie de Boomeffectanalyse in Bijlage 1). De bouwvlakken zijn zodanig geprojecteerd dat er zo weinig mogelijk bomen gekapt hoeven te worden voor de hoofdbebouwing en er zo weinig mogelijk aanleiding is dit te doen voor bijgebouwen. Het kappen van bomen in het plangebied, die van goede kwaliteit zijn en niet (allemaal) door de bomenverordening worden beschermd is omgevingsvergunningplichtig. Het bestemmingsplan gaat hier verder dan de mogelijkheden tot kappen uit
35
bestemmingsplan Kavels Westflank Vliegbasis Soesterberg
de Bomenverordening. ( zie voor verdere uitleg paragraaf 2.5.12)
36
bestemmingsplan Kavels Westflank Vliegbasis Soesterberg
Hoofdstuk 4 4.1
Planbeschrijving
Bestaande situatie
Het plangebied bevindt zich aan de Dolderseweg te Huis ter Heide in de gemeente Zeist. De percelen zijn direct ten westen van het voormalig militair vliegveld Soesterberg gesitueerd.
Figuur 13: Ligging plangebied met huidige kadastrale verkaveling (bron: Arcmap) Het plangebied heeft een oppervlakte van in totaal circa 1,44 ha en omvat de volgende vier kadastrale percelen: A4575; A4577;
37
bestemmingsplan Kavels Westflank Vliegbasis Soesterberg
A2875; A4643. In de huidige situatie zijn de percelen grotendeels onbebouwd en onverhard, met dien verstande dat op het perceel Dolderseweg 54 (A4577) een bestaande woning aanwezig is. De gronden zijn begroeid met bomen en struiken. In onderstaande afbeeldingen is de bestaande situatie weergegeven met de nieuwe verkaveling.
Figuur 14: Luchtfoto ligging kavels plangebied
4.2
Uitgangspunten bij inrichting
Binnen het vigerende bestemmingsplan Vliegbasis Soesterberg (2013) hebben de de kadastrale percelen een enkelbestemming wonen. Het woningaantal en de diverse andere ruimtelijke randvoorwaarden zijn nog niet planologisch beschermd in het bestemmingsplan. Dit betreft de volgende randvoorwaarden: a. b. c. d.
Het behoud van zo veel mogelijk bomen op de kavels waarbij de boomkruinen in het gehele gebied op elkaar aan moeten sluiten; Het realiseren van maximaal vijf vrijstaande woningen; Verspringende rooilijnen binnen het bouwvlak; Centraal op de kavel bouwen.
Het doel bij verkoop van de vijf kavels waarin het bosperceel aan de Dolderseweg in Huis ter Heide wordt opgedeeld is het bos karakter met de overgang naar het park te handhaven en versterken. Dit is geslaagd als het zicht vanaf de Dolderseweg èn vanuit het park daaraan beantwoord en de kruinen van de bomen
38
bestemmingsplan Kavels Westflank Vliegbasis Soesterberg
aaneengesloten blijven over het gehele perceel. Het bestemmingsplan dat wordt opgesteld moet dit bewerkstelligen, wat betekent dat er extra randvoorwaarden aan het ontwikkelen op de te verkopen kavels komt te liggen.
4.3
Toekomstige situatie
De toekomstige situatie van voorliggend plan gaat uit van vijf kavels, zoals te zien is in navolgende figuur. Op ieder kavel is een bouwvlak aanwezig waarop bebouwing kan plaatsvinden. Op kavel 2 is bestaande bebouwing aanwezig. Op deze kavel staat de voormalige commandantenwoning. Deze woning kan behouden blijven. De bouwvlakken hebben enkele hoekverdraaiingen ten opzichte van de Dolderseweg. Als gevolg hiervan ontstaat meer ruimte tussen de hoofdmassa's. Door middel van het verspringen van de voorgevels ontstaat bovendien een speels en ruimtelijk effect. De bouwvlakken zijn rechthoekig en staan met hun korte zijde naar de Dolderseweg om zo veel mogelijk groen tussen de woningen te kunnen behouden als natuurlijke erfgrens, zo weinig mogelijk wandwerking te laten optreden en een doorlopende boomkroon te houden. De aanwezigheid van vele bestaande bomen maakt dat het effect van een 'boskamer' redelijk sterk is. Het behoud van het boskarakter moet met de ontwikkeling van het plan versterkt worden. De plannen zijn zodanig ontwikkeld dat er zo weinig mogelijk bomen gekapt hoeven te worden voor de hoofdbebouwing en er zo weinig mogelijk aanleiding is dit te doen voor bijgebouwen. Hierbij zijn ook de historische bouwplekken uit 1973 gebruikt voor de bouwvlakken van ten minste drie woningen.
De nieuwe inritten worden ontsloten vanaf de Dolderseweg en maken een route naar het hoofdgebouw mogelijk op een wijze dat zoveel mogelijk bomen gespaard kunnen worden. Bij voorkeur betreft dit geen rechte lijn naar de hoofdbebouwing zodat deze niet direct vanaf de Dolderseweg zichtbaar is. Erfgrenzen worden ingericht met natuurlijke materialen. Hierbij valt te denken aan rillen (gestapelde takken), zandheuvels of struiken als heesters. Poorten of hekken bij de inritten dienen dan ten minste 15 m van de Dolderseweg af staan, met uitzondering van reeds gerealiseerde poort bij de bestaande woning. Deze mag gehandhaafd blijven op de huidige locatie. Op deze manier blijft het beeld van bos de boventoon vanaf de zichtzijde voeren en niet de aankondiging van bewoning. Voor de zuidelijk gelegen kavels wordt, met de op de onderstaande figuur aangegeven overgangszone natuur een overgang tot het achterliggende natuurgebied gemaakt. De nieuwe eigenaren richten deze zone in (eventueel met advies van het Utrechts Landschap) om een natuurlijk overgang van het bos naar het natuurgebied te bewerkstelligen.
39
bestemmingsplan Kavels Westflank Vliegbasis Soesterberg
Figuur 15: Illustratieve mogelijke inrichting plangebied met aangegeven verkaveling, bomen en inritten (bron: NETTO)
4.4
Vertaling uitgangspunten in bestemmingsplan
Behoud bomen Om het boskarakter te behouden is gekozen zoveel mogelijk bomen te sparen. Deze zijn zorgvuldig ingemeten en beoordeeld. De bouwvlakken zijn zodanig geprojecteerd dat er zo weinig mogelijk bomen gekapt hoeven te worden voor de hoofdbebouwing en er zo weinig mogelijk aanleiding is dit te doen voor bijgebouwen. Kavels Het bestaande gebouw vormt het uitgangspunt van de kavelafmetingen. Bij het plaatsen van de bouwvlakken is geprobeerd deze zo ver mogelijk van elkaar te houden zodat zoveel mogelijk privacy vanuit het natuurlijke groen kan worden gebruikt. Bouwvlak Er is een bouwvlak aangegeven met een afmeting van 12,5x20 m waarbinnen het hoofdgebouw zijn plek krijgt. Deze bouwvlakken zijn voor ten minste drie woningen geprojecteerd op de historische bouwplekken uit 1973 om zo weinig mogelijk oud groen te hoeven verwijderen. De bouwvlakken zijn rechthoekig en staan met hun korte zijde naar de Dolderseweg om zo veel mogelijk groen tussen de woningen te kunnen behouden als natuurlijke erfgrens en zo weinig mogelijk wandwerking te laten optreden. Het bouwvlak mag 100% bebouwd worden.
40
bestemmingsplan Kavels Westflank Vliegbasis Soesterberg
Erf Om het bouwvlak is een zone van 5 m opgenomen welke ingericht mag worden als woonkavel. Hierbinnen kunnen bijgebouwen en gebouwde tuininrichtingselementen worden geplaatst. Er is bewust voor gekozen de gronden in deze bestemming geen onderdeel te laten uitmaken van het erf om het bosrijke karakter van het gebied zoveel mogelijk te behouden en de kap van bomen te bepreken. In de 'Bos - Tuin' bestemming mag niet worden gebouw. Hoofdgebouw Het volume, de verschijningsvorm en de afmeting van het hoofdgebouw zijn vrij. Enige randvoorwaarden zijn dat het hoofdgebouw binnen het bouwvlak moet worden gebouwd, dat de maximale bouwhoogte van 10 m niet overschreden mag worden en dat er ten minste 1 dove gevel per woning wordt toegepast om te voldoen aan de eisen van de Wgh. Bijgebouwen Vergunningvrije bouwwerken mogen alleen gebouwd worden op het achtererf dat hoort bij de woning. Het betreft dan het bouwen van een bijbehorend bouwwerk. Dat kan een aan- of uitbouw zijn, maar ook een overkapping.
Figuur 16: toekomstige situatie plangebied met bouwvlakken en voorgevellijnen (bron: NETTO)
41
bestemmingsplan Kavels Westflank Vliegbasis Soesterberg
42
bestemmingsplan Kavels Westflank Vliegbasis Soesterberg
Hoofdstuk 5 Planologische en milieutechnische randvoorwaarden 5.1
Inleiding
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) is de gemeente bij het opstellen van een bestemmingsplan verplicht om onderzoek te doen naar de bestaande toestand van het plangebied en naar de mogelijke en wenselijke ontwikkeling daarvan. Bij dit onderzoek moet tevens de uitvoerbaarheid van het plan worden betrokken. Het beoordelen van de milieuaspecten vormt een belangrijk onderdeel van dit onderzoek. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. Bestaande milieuhinder, zoals geluidhinder van bestaande wegen, kan in beginsel niet via het bestemmingsplan worden verminderd, voor zolang de bestaande situatie wordt gehandhaafd. Pas als nieuwe, ruimtelijke ontwikkelingen in het bestemmingsplan worden nagestreefd - bijvoorbeeld nieuwe woningen, nieuwe bedrijfsfuncties - kan dit worden vastgelegd met een bestemming die past binnen de (ruimtelijk relevante) milieunormen.
5.2
Wet Milieubeheer
5.2.1
Algemeen
De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied; Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden. Onderzoek In bijlage C van het Besluit m.e.r.
worden activiteiten benoemd die m.e.r.-plichtig zijn. Dit project behoort daar niet toe. In bijlage D staan vervolgens activiteiten die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn, maar ook daar voldoet het project niet aan. De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r.-beoordelingsplichtig in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel). De beoogde ontwikkeling is, zelfstandig beschouwd, geen stedelijk ontwikkelingsproject. Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van maximaal vijf vrijstaande woningen op de locatie Dolderseweg, nabij de rotonde Dolderseweg / Hertenlaan. Deze ontwikkeling maakt deel uit van het programma Hart van de Heuvelrug/Vliegbasis Soesterberg. Het vigerende bestemmingsplan 'Vliegbasis Soesterberg' laat de bouw van de woningen op de kavels van de westflank Soesterberg reeds toe. Er is
43
bestemmingsplan Kavels Westflank Vliegbasis Soesterberg
echter aanleiding om de bouw- en gebruiksregelingen beter af te stemmen op de landschappelijke en natuurwaarden ter plaatse en een maximum te stellen aan het aantal woningen, hetgeen in onderhavig plan geborgd wordt. Conclusie De Wet milieubeheer en de milieueffectrapportage vormen geen belemmering voor het initiatief.
5.3
Bodem
5.3.1
Inleiding
In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied in kaart gebracht te worden. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, uitvoerbaar is. 5.3.2
Situatie in plangebied
In het plangebied zijn reeds in 2009 in het kader van het vigerende bestemmingsplan dat de herontwikkeling van de vliegbasis als doel heeft, uitgebreid bodemonderzoeken uitgevoerd. Op basis van deze onderzoeken kan geconcludeerd worden dat op een locatie in het plangebied sprake is van lichte verontreiniging van de bovengrond, ondergrond en grondwater. Het betreft hier over het algemeen dusdanig lichte verontreinigingen die niet leiden tot onaanvaardbare risico's. De conclusie die uit dit onderzoek getrokken kan worden is dat de bodem niet verontreinigd is met de onderzochte parameters. Omdat het grondwater zich dieper bevindt dan 12,0 mmv is dit niet onderzocht. In 2017 zijn er in opdracht van Provincie Utrecht door Geofoxx, als onafhankelijk adviesbureau, verder verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd op de planlocatie (zie Bijlagen 3, 4, 5 en 6 Bodemrapporten) en in februari 2022 is nog een aanvulling gemaakt op de conclusies van de eerder opgestelde bodemrapporten (zie Bijlage 7). Uit de chemische analyses van het gebied is slechts een lichte verontreiniging met lood in de bovengrond bij één van de boringen aangetroffen. Het gaat hierbij derhalve om een zeer beperkte omvang van verontreiniging. De aangetroffen verontreiniging vormt vooralsnog geen belemmering voor het voorgenomen gebruik van het terrein.
Op basis van de beschikbare historische informatie is de bodem van het plangebied niet verdacht op verhoogde gehaltes PFAS en is er geen aanleiding onderzoek naar PFAS uit te voeren, mede aangezien de gemeente Zeist heeft ingestemd met de ontgravingskaart. Het terrein(deel) is daarmee vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt voor het voorgenomen gebruik. Conclusie Op basis van de uitgevoerde bodemonderzoeken van Geofoxx-Lexmond blijkt dat de geplande woningbouwlocatie geschikt is voor de toekomstige woonfunctie.
44
bestemmingsplan Kavels Westflank Vliegbasis Soesterberg
5.4
Niet gesprongen explosieven
5.4.1
Algemeen
In 2015 is in opdracht van de provincie Utrecht door bureau AVG Explosieven Opsporing Nederland een vooronderzoek naar de aanwezigheid van conventionele explosieven uitgevoerd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben uitgebreid oorlogshandelingen plaatsgevonden op de vliegbasis , waarbij de basis meerdere keren is gebombardeerd door de geallieerden. Op basis van een beoordeling van de feiten is geconcludeerd dat er ruimschoots voldoende indicaties zijn voor de mogelijke aanwezigheid van CE in het onderzoeksgebied. Het verdacht gebied is horizontaal afgebakend op de CE-bodembelastingskaart. Kavels Westflank vallen binnen deze begrenzing. Het Rijksvastgoedbedrijf heeft in het kader van de oplevering van de kavel van de Commandantenwoning CNA (de bestaande woning in het plangebied) op 26 april 2017 (zie Bijlage 8) een detectieonderzoek laten uitvoeren door de EODD (inclusief het eventueel verwijderen van aangetroffen NGE). De resultaten zijn gepubliceerd in een Procesverbaal van Oplevering (zie Bijlage 9). Het resultaat is dat de kavel is vrijgegeven op de aanwezigheid van NGE. Enkele plekken konden niet worden vrijgegeven. Dit betekent dat er op deze plekken een restrisico aanwezig is. Opsporingsgebied
Figuur 17: GBKN kaart Op de GBKN kaart staat met gele lijnen het opsporingsgebied aangegeven. Het opsporingsgebied omvat het hele plangebied van onderhavig bestemmingsplan. De gebieden waarbinnen niet te detecteren was, staan middels blauwe lijnen aangegeven. Binnen het opsporingsgebied zijn tijdens de opsporing geen NG aangetroffen. In totaal is er circa 575 kg schroot door de EODD uit de grond verwijderd. Binnen het opsporingsgebied is geen strategisch schroot aangetroffen.
45
bestemmingsplan Kavels Westflank Vliegbasis Soesterberg
Binnen het opsporingsgebied zijn door de EODD verschillende kabels en leidingen aangetroffen. Deze locaties kunnen met een straal van 50 cm (nu) niet worden vrijgegeven. Tijdens de bouwactiviteiten kunnen de kabels en leidingen worden uitgenomen en indien gewenst aanvullend worden onderzocht voor vrijgave. Binnen het opsporingsgebied zijn een tweetal locaties waar rommel is aangetroffen (half voertuig, motorblok, olieblik, jerrycan en voertuigaccu’s). Deze locaties zijn opgeruimd door de Provincie Utrecht. Conclusie Met de gebruikte zoekmethodiek zijn er geen significante objecten gedetecteerd. De locatie kan gebruikt worden om bouwactiviteiten uit te (laten) voeren met uitzondering van de locaties welke in het GBKN kaartje met blauw omlijnd zijn. Wanneer er bodemroerende activiteiten plaatsvinden, dient er een een risico-analyse plaats te vinden (uit te voeren door een gecertificeerd bureau) op basis waarvan eventuele (vervolg-)maatregelen worden getroffen. Eventuele vervolgstappen kunnen nu niet worden aangegeven, maar kunnen bestaan uit detectieonderzoek gevolgd door eventuele benadering.
5.5
Externe veiligheid
5.5.1
Toetsingskader
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.
Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties.
Voor
46
bestemmingsplan Kavels Westflank Vliegbasis Soesterberg
bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Besluit externe veiligheid buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. In dat besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen rekening gehouden met deze risicobenadering.
5.5.2
Onderzoek
Risicovolle inrichtingen Het plangebied en de omgeving is geïnventariseerd op de aanwezigheid van de mogelijke risicobronnen. In de nabijheid van het plangebied is een risicovolle inrichting aanwezig. De risicocontouren van deze inrichting reiken echter niet tot in het plangebied. Vervoer gevaarlijke stoffen Op de Dolderseweg (N238) vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Voor deze weg geldt evenwel een risicoafstand (PR 10-5 en PR 10-6 ) van 0. De vervoersaantallen van gevaarlijke stoffen zijn heel laag o.a. omdat er geen tankstation aanwezig is dat bevoorraad moet worden. Toetsing aan de vuistregels uit de Handleiding Risicoanalyse Transport levert een uiterst geringe kans op dat daarmee de oriëntatiewaarde van het groepsrisico wordt overschreden. Vooral omdat de groei van de populatie klein is langs deze weg. Een eventueel incident op deze weg heeft dan ook geen significante invloed op het groepsrisico ter plaatse. Maatregelen om het groepsrisico ter plaatse te verkleinen zijn onevenredig in vergelijking met de te behalen risico verkleining. Gelet op de geringe toename van het groepsrisico ter plaatse is er desalniettemin sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse. Bereikbaarheid en zelfredzaamheid De bereikbaarheid (als onderdeel van de bestrijdbaarheid) is ook in orde, aangezien het plangebied twee aanrijroutes heeft.
Er kan ook goed van de bron worden weg gevlucht, wat de zelfredzaamheid vergroot. Bluswatervoorzieningen De primaire bluswatervoorzieningen zijn aanwezig en de dekking voldoet aan het gestelde in de handleiding Bluswater en Bereikbaarheid van de NVBR. Buisleidingen In de omgeving van het plangebied zijn buisleidingen aanwezig. De risicocontouren van deze buisleiding reiken echter niet tot in het plangebied. Risicokaart Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de risicokaart ter plaatse van het plangebied weergegeven.
47
bestemmingsplan Kavels Westflank Vliegbasis Soesterberg
Figuur 18: Uitsnede risicokaart plangebied blauw omlijnd Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen verdere belemmering voor het voorgenomen initiatief.
5.6
Geluid
5.6.1
Wetgevend kader
In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) bevinden zich langs alle wegen zones. In geval van het realiseren van geluidgevoelige bebouwing binnen deze zones dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden. Het planvoornemen betreft de realisatie van vijf woningen, in de nabijheid van de Dolderseweg en provinciale weg N238. De Wet geluidhinder beschouwt dergelijke gebouwen als zogenaamd geluidsgevoelige gebouwen. In verband hiermee is akoestisch onderzoek vereist. 5.6.2
Onderzoek
In het kader van het bestemmingsplan Vliegbasis Soesterberg 2012 is uitgebreid akoestisch onderzoek gedaan. Hieruit volgde dat Hogere waarden moesten worden vastgesteld. Uit het door de milieudienst Zuidoost Utrecht uitgevoerde akoestisch onderzoek van november 2011 (kenmerk: PRV1110.A001) bleek het volgende. Op de twee locaties met de nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen op de vliegbasis, 'Wonen', ‘Woongebied’ en ‘Groen’ met de vermelding ‘wro-zone – wijzigingsgebied’ wordt de wettelijke voorkeurswaarde overschreden. Om deze bestemmingen mogelijk te maken, dienen hogere waarden te worden vastgesteld. De gemeente Zeist heeft op 13 juni 2012 voor acht woningen een ontheffing verleend tot 53 dB. In de beschikking hogere waarden zijn aanvullende voorwaarden gesteld die bij de uitwerking van de locaties in acht moeten worden genomen (zie Bijlage 10). De vijf kavels in het huidige bestemmingsplan maken deel uit van de woningen waarvoor ontheffing is verleend. Vanwege het feit dat bij de verdere uitwerking van de woonbestemming de bouwvlakken van de woningen iets anders gesitueerd zijn dan onder het verkrijgen van de hogere waarden het geval was, is ter
48
bestemmingsplan Kavels Westflank Vliegbasis Soesterberg
voorbereiding van onderhavige bestemmingsplan op 13 februari 2022 (zie Bijlage 11) akoestisch onderzoek uitgevoerd.
Figuur 19: Kavelnummering Uit de berekeningen blijkt dat de locaties van de te realiseren woningen een te hoge geluidsbelasting kennen vanwege de N238. De overschrijdingen van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting bedraagt maximaal 12 dB vanwege deze weg. Om de realisatie van de woningen mogelijk te maken dient het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Zeist hogere waarden te verlenen. Deze hogere waarden (53 dB) zijn verleend op 13 juni 2012. In dit besluit is een aantal voorwaarden opgenomen. Aangetoond is dat aan deze voorwaarden wordt voldaan in het nieuwe ontwerp na het treffen van een aantal maatregelen. Mogelijk zijn wel aanvullende geluidsisolerende maatregelen aan de betreffende gevels van de geluidsgevoelige bebouwing nodig, teneinde te voldoen aan de maximale binnenwaarde van 33 dB. Dit onderzoek dient bij de indiening van het bouwplan mede aangeleverd te worden.
49
bestemmingsplan Kavels Westflank Vliegbasis Soesterberg
Conclusie Uit het onderzoek blijkt dat de woningen niet voldoen aan de wettelijke eisen wat betreft het wegverkeerslawaai. De overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting bedraagt maximaal 12 dB vanwege de N238. Om de realisatie van de woningen mogelijk te maken dient het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Zeist hogere waarden te verlenen. Deze hogere waarden (53 dB) zijn verleend op 13 juni 2012. In dit besluit is een aantal voorwaarden opgenomen. Aangetoond is dat aan deze voorwaarden wordt voldaan in het nieuwe ontwerp na het treffen van een aantal maatregelen.
5.7
Bedrijven en milieuzonering
Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. 5.7.1
Wetgevend kader
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt getoetst conform: VNG handreiking 'Bedrijven en milieuzonering'(editie 2009); Wet milieubeheer. VNG handreiking Bedrijven en milieuzonering De Vereniging van Nederlandse Gemeenten doet in de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009), een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie ten opzichte van woningen krijgen. De publicatie heeft bedrijven ingedeeld in categorieën met bijbehorende gewenste afstand tot milieugevoelige functies. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de bestemmingsgrens van de bedrijven en anderzijds de gevel van een woning. Zijn de afstanden tussen ontwikkellocaties en bestaande bouw kleiner dan de afstanden uit de VNG handreiking, dan zal door middel van onderzoek aangetoond moeten worden welke maatregelen noodzakelijk zijn om de overlast te beperken. Aan de hand hiervan kan dan gemotiveerd worden afgeweken van de standaard adviesafstanden. De adviesafstanden hangen samen met gebiedskenmerken. De meest voorkomende categorieën met bijbehorende gewenste afstand tot milieugevoelige functies in een rustige woonwijk zijn weergegeven in onderstaande tabel. Milieucategorie
Minimale richtafstand (in meter)
1
10
2
30
3.1
50
3.2
100
4.1
200
4.2
300
Tabel: Categorie met bijbehorende minimale afstand Naast het omgevingstype rustige woonwijk kent de VNG-handreiking ook het omgevingstype gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de
50
bestemmingsplan Kavels Westflank Vliegbasis Soesterberg
hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot het omgevingstype gemengd gebied. Wanneer sprake is van omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies, voor met name het aspect geluid, met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Dit is mogelijk omdat een gemengd gebied vaak al een hogere milieubelasting kent. De richtafstand van 30 meter voor een bedrijf in milieucategorie 2 kan dan bijvoorbeeld worden verkleind tot 10 meter en de richtafstand van 100 meter voor een bedrijf in milieucategorie 3.2 kan verlaagd worden tot 50 meter. Wet milieubeheer De VNG-publicatie is een handreiking. De standaard richtafstanden die hierin staan zijn gesteld voor een bepaald type bedrijfsactiviteiten en omvang. In de milieuvergunning zijn specifieke regels voor een specifiek bedrijf opgenomen. Hier horen ook werkelijke hinderafstanden bij. In het kader van de Wet milieubeheer kunnen er milieuzoneringen zijn vastgelegd tussen inrichtingen en gevoelige bestemmingen. Dit betreft onder andere voorschriften ten aanzien van stank, geluid en veiligheid. In het kader van de wet milieubeheer zijn inrichtingen gehouden aan voorschriften in de milieuvergunning of van het Activiteitenbesluit (Besluit algemene inrichtingen milieubeheer) of een andere Algemene maatregel van bestruur (Amvb).
Een bedrijf kan op grond van zijn milieuvergunning en de hiermee impliciet toegekende milieuzone ruimtelijke rechten claimen. Een vergunning kent immers niet alleen plichten toe maar ook rechten. Bovenstaande geldt op een vergelijkbare wijze voor inrichtingen waarop het Activiteitenbesluit van toepassing is. 5.7.2
Situatie in het plangebied
In de nabijheid van het plangebied is een aantal gezoneerde bedrijven en inrichtingen aanwezig. Hieronder worden deze beschreven. De zweefvliegclub De zweefvliegclub ACvZ heeft een werkplaats en een leslokaal. Op het zweefvliegclubterrein zijn ook zweefvliegtuigen met hulp- en zelfstartmotor aanwezig. Verder is er een sleepvliegtuig aanwezig die een krachtige motor heeft die zweefvliegtuigen omhoog kan trekken naar grotere hoogtes. Dit recreatief medegebruik van het terrein vindt plaats op basis van een ontheffing op grond van artikel 34 van de Luchtvaartwet. Vanwege de aanwezigheid van het sleepvliegtuig en de zweefvliegtuigen met (hulp/start)motoren wordt een ruime afstand vanwege de geluidsbelasting tot gevoelige objecten aangehouden. Ook zal vanaf de werkplaats in ieder geval een afstand van 30 meter tot geluidsgevoelige objecten moeten worden aangehouden. Het gebruik vindt plaats op grond van de Luchtvaartwet. Er is geen nader onderzoek naar de milieuzonering nodig. Camp New Amsterdam In het zuidwesten van het plangebied is het terrein van Camp New Amsterdam gesitueerd. Omdat het terrein aan twee kanten grenst aan woongebieden is het van belang om rekening te houden met de milieuzoneringen van de activiteiten die hier gaan plaatsvinden. Bij de nieuw te bouwen woningen moet een goed leef- en woonklimaat worden gewaarborgd.
Het ministerie van Defensie heeft aangegeven dat de huidige op de verbeelding aangegeven afstand van in totaal 100 meter tot aan de nieuwe woonlocatie op de vliegbasis wordt gegarandeerd. De activiteiten op het terrein beperken zich tot logistieke activiteiten en kantoren. De activiteiten op het militaire terrein van Camp New Amsterdam blijken niet zodanig te zijn dat er strijd ontstaat met milieucontouren waardoor een goed woon- en leefklimaat niet zou zijn gegarandeerd. De afstand tussen Camp New Amsterdam waar gebouwd mag worden en de toekomstige woonlocatie bedraagt 100 meter.
51
bestemmingsplan Kavels Westflank Vliegbasis Soesterberg
Bedrijventerrein Eilandlaan Ten noorden van het plangebied bevindt zich een bedrijventerrein. Op dit bedrijventerrein bevinden zich onder andere een magazijn en een productiebedrijf. Ter plaatse van het bedrijventerrein is een maximale milieucategorie 3.2 toegestaan. Dit houdt in dat er in de eerste instantie 100 meter afstand gehouden moet worden tot gevoelige functies. Dit initiatief ligt op meer dan 100 meter afstand van het bedrijventerrein. Conclusie In de nabijheid van het plangebied is een aantal gezoneerde functies aanwezig. De functies liggen echter op voldoende afstand van de voorgenomen woningen. Nader onderzoek in het kader van milieuzonering is niet noodzakelijk.
5.8
Verkeer en parkeren
5.8.1
Toetsingskader
In het belang van een goede ruimtelijke ordening moet sprake zijn van een aanvaardbare afwikkeling van alle soorten verkeer. Bij ruimtelijke planning dienen verkeerskundige aspecten afgewogen te worden, omdat deze van grote invloed zijn op het doelmatig functioneren van verschillende functies. Wanneer nieuwe ontwikkelingen worden gepland, is het van belang te onderzoeken welke effecten dit heeft op de verkeerskundige situatie om zo nodig passende maatregelen te kunnen nemen. 5.8.2
Parkeren
Voor de wijziging in het bestemmingsplan is het belangrijk om te toetsen of de geplande parkeervoorzieningen voldoen aan de gestelde parkeernormen van de gemeente Zeist. Dit om na ontwikkeling parkeerproblematiek en overlast te voorkomen. Doordat de locatie in het buitengebied van Zeist wordt ontwikkeld is er bij alle normen uit gegaan van de maximale aantallen. Om de transformatie mogelijk te maken is een onderbouwing van de parkeervraag noodzakelijk. Een functieverandering of nieuwbouw kan immers leiden tot een toename van de parkeervraag. Om de parkeervraag te bepalen heeft de gemeente Zeist parkeernormen opgenomen in haar Parkeerbeleidsnota. Voor het bepalen van de normatieve parkeerbehoefte worden de parkeernormen zoals opgenomen in de 'Parkeerbeleidsnota Zeist' gehanteerd. Deze normen zijn vrij gedateerd en wijken iets af van de huidige parkeerkengetallen zoals deze zijn opgenomen door het CROW in Publicatie 381 van december 2018. De normen zoals deze zijn opgenomen in de 'Parkeerbeleidsnota Zeist' zijn opgenomen in de onderstaande tabel.
Tabel Parkeernormen woningen Zeist
Het initiatief maakt vijf woningen mogelijk. Per woning moet er rekening worden gehouden met 2.1 parkeerplaatsen en 0,3 parkeerplaatsen voor bezoekers, totaal 2,4 parkeerplaatsen. De parkeerplaatsen worden bij de woningen op het eigen perceel gerealiseerd. Aangezien er niet een halve parkeerplaats gerealiseerd kan worden, moet er per woning, naar boven afgerond, 3 parkeerplaatsen gerealiseerd worden. De percelen zijn van voldoende grootte zodat de parkeerplaatsen ook gerealiseerd kunnen worden.
52
bestemmingsplan Kavels Westflank Vliegbasis Soesterberg
Figuur 20 : Indicatieve situering parkeerplaatsen
5.8.3
Verkeersgeneratie
Voor de woningen is het noodzakelijk de extra verkeersgeneratie te berekenen. Dit is gedaan op basis van Publicatie 381 van het CROW. De gemeente Zeist is op basis van gegevens van het CBS als sterk stedelijk aangemerkt. Het initiatief voorziet in de realisatie van vijf vrijstaande woningen in het buitengebied. Op basis van deze gegevens moet er volgens de CROW publicatie rekening worden gehouden met een verkeersgeneratie van 8,6 motorvoertuigen per etmaal per woning. In het vigerend bestemmingsplan zjin echter meer woningen mogelijk dan op basis van het voorliggend bestemmingsplan. De verkeersgeneratie neemt in voorliggend bestemmingsplan dus af in vergelijking met de bewegingen die op basis van het huidige plan mogelijk zijn. Voor vijf woningen geldt dat bij 5 woningen 43 extra verkeersbewegingen per etmaal worden gegenereerd. Aangezien in het vigerend bestemmingsplan al geconcludeerd was dat 8 woningen binnen de huidige infrastructuur passen is aanvullend onderzoek of aanpassing van de infrastructuur niet noodzakelijk. De infrastructuur ter plaatse kan deze 43 verkeersbewegingen op een goede manier verwerken. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor het initiatief.
53
bestemmingsplan Kavels Westflank Vliegbasis Soesterberg
5.9
Luchtkwaliteit
5.9.1
Toetsingskader
Luchtkwaliteit heeft betrekking op luchtverontreiniging door gasvormige stoffen en verontreiniging van de lucht met fijnstof, door vooral verkeer, maar - naar mate het verkeer schoner wordt - ook door andere bronnen zoals houtstook. De luchtkwaliteit beïnvloedt in belangrijke mate de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Wegverkeer, mobiele (bouw)werktuigen en houtstook zijn, samen met de hoge achtergrondconcentratie in Utrecht, de belangrijkste lokale bronnen van luchtverontreiniging. In artikel 5.16 lid 1 van de Wet milieubeheer is vastgelegd dat het bevoegd gezag bij het vaststellen van een bestemmingsplan dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, rekening moet houden met de effecten op de luchtkwaliteit. De Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) heeft in 2005 advieswaarden opgesteld voor een aantal stoffen. Deze zijn in het algemeen strenger dan de in de wet Milieubeheer gehanteerde grenswaarden. Sinds 2017 wordt overal in Utrecht voldaan aan de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De Wereldgezondheidsorganisatie heeft in 2005 advieswaarden opgesteld voor gezonde lucht. Deze WHO-advieswaarden zijn bedoeld om de gezondheid te beschermen. Deze zijn voor fijnstof strenger dan de grenswaarden van de EU.
De WHO stelt zelfs dat er géén veilige concentratie is aan te geven voor fijnstof; op grond van haalbaarheid heeft zij daarom een gezondheids-kundige advieswaarde vastgesteld voor PM10 en PM2,5. Stof
Grenswaarde EU
WHO-advieswaarden 2005
Toetsingsperiode
NO2 (stikstofdioxide)
40 µg/m³
40 µg/m³
Jaargemiddelde
PM10 (fijnstof)
40 µg/m³
20 µg/m³
Jaargemiddelde
PM2,5 (fijnstof)
25 µg/m³
10 µg/m³
Jaargemiddelde
Tabel: WHO-advieswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 In 2015 heeft de gemeente Utrecht een motie aangenomen waarin de gemeente zich als doel stelt om in de toekomst (2030) naast de wettelijke grenswaarden ook te voldoen aan de WHO advieswaarden uit 2005 voor fijnstof. Deze advieswaarden (WHO 2005) zijn strenger dan de wettelijke grenswaarden voor PM10 (20 µg/m³) en voor PM2,5 (10 µg/m³). Deze motie is uitgewerkt in het Raadsbesluit 'Utrecht kiest voor gezonde lucht - luchtkwaliteitsbeleid en uitvoeringsprogramma' van december 2020, waarin is vastgelegd om toe te werken naar de WHO-advieswaarden-2005, die expliciet zijn benoemd in de samenvatting bij het Raadsbesluit. Op 22 september 2021 heeft de WHO overigens nieuwe advieswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide opgesteld, die (beduidend) lager liggen dan de WHO-advieswaarden uit 2005. Ook neemt de gemeente Utrecht deel aan het Schone Lucht Akkoord, waarin rijksoverheid, provincies en gemeenten samenwerken aan maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.
Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en
54
bestemmingsplan Kavels Westflank Vliegbasis Soesterberg
3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.
5.9.2
Onderzoek
Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit, heeft het ministerie van IenW in samenwerking met InfoMil de nibm-tool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool is voor de totale toename van verkeer als gevolg van voorliggende ontwikkeling de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald. Op de onderstaande afbeelding is de Nibm-tool weergegeven. Het plan betreft de bouw van slechts vijf woningen. Deze woningen voorzien in een extra verkeersgeneratie van 43 motorvoertuigen per etmaal. Op basis van deze gegevens is de NIBM-tool ingevuld. Deze is op de onderstaande afbeelding weergegeven:
Uit de NIBM-tool blijkt dat de ontwikkeling in het plangebied 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Onderzoek naar luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Het initiatief blijft daarmee ver onder de grenzen van de regeling Niet in betekenende mate en heeft daarmee niet of slechts in geringe mate invloed op de luchtkwaliteit. Er hoeft daarom niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof PM10/PM2,5. Aanvullend onderzoek naar luchtkwaliteit is daarom niet nodig. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het realiseren van de woningen in het aandachtsgebied.
5.10 Natuur 5.10.1
Wetgevend kader
Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
55
bestemmingsplan Kavels Westflank Vliegbasis Soesterberg
Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura 2000-gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura 2000-gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn.
Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de
56
bestemmingsplan Kavels Westflank Vliegbasis Soesterberg
uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. 5.10.2
Onderzoeken
De provincie Utrecht heeft een quickscan natuurtoets, aanvullend soortgericht onderzoek naar boom- en steenmarter, vleermuizen en hazelworm en een Aerius-berekening laten uitvoeren om de risico's en beperkingen die voortkomen uit de Wet natuurbescherming in kaart te kunnen brengen, omdat de voorgenomen ontwikkelingen mogelijk effect hebben op beschermde natuurwaarden. Gebiedsbescherming NNN Uit de Quickscan blijkt dat het plangebied een kleine zone bevat die ligt in het gebied NNN. In principe geldt hier het nee- tenzij principe. Bescherming van het NNN wordt gereguleerd via instructieregels in de Interim Omgevingsverodening van de provincie. In paragraaf 2.3.2 wordt ingegaan op het feit dat de aanpassing van het vigerende bestemmingsplan valt onder de overgangsrechtelijke bepaling van de Interim Omgevingsverordening. Hieruit volgt dat de bouw- of gebruiksmogelijkheid die wordt geboden bij of krachtens een bestemmingsplan dat in werking is getreden op het moment dat de verordening in werking treedt, dan wel bij of krachtens een bestemmingsplan waarvan voorafgaand aan dat tijdstip een ontwerp ter inzage is gelegd, ondanks strijdigheid met deze verordening, van kracht mag blijven en in opvolgende bestemmingsplannen opnieuw geboden kan worden. De voorgenomen ontwikkeling wordt niet belemmerd door het NNN gebied.
Stikstof De depositie van stikstof in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de emissie van NOx en NH3 van deze ontwikkeling, alsmede van het verkeer van en naar de locatie is berekend. De Aerius berekening voor dit project is opgenomen in Bijlage 13 bij dit bestemmingsplan. Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Oostelijke Vechtplassen, op 10 km afstand van het plangebied. Vanwege deze afstand is direct negatief effect uitgesloten. Negatief effect als gevolg van stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase is vanwege de afstand tot Oostelijke vechtplassen niet te verwachten. Uit de uitgevoerde Aerius-berekening is gebleken dat het initiatief geen negatieve gevolgen heeft voor stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden. Er vindt in deze gebieden geen extra stikstofdepositie plaats als gevolg van dit initiatief. Soortenbescherming Quickscan De quickscan natuurtoets (Bijlage 14) wordt gebruikt om de nog resterende risico's en beperkingen die voortkomen uit de Wet natuurbescherming aan te kunnen geven. Gestart is met een literatuuronderzoek om te bepalen of beschermde soorten bekend zijn in en rondom het plangebied en hoe het plangebied ligt ten opzichte van beschermde gebieden. Hiervoor is onder andere gebruik gemaakt van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en provinciale kaartviewers.
De verzamelde informatie uit het literatuuronderzoek vormt de basis voor het veldbezoek, dat is uitgevoerd op 20 maart 2020. Tijdens het veldbezoek zijn het plangebied en de directe omgeving van het plangebied onderzocht. De bebouwing is alleen van de buitenkant onderzocht. Aan de hand van de verzamelde informatie uit het uit het literatuuronderzoek en het veldbezoek is bepaald welke effecten kunnen optreden op beschermde soorten en gebieden en welke gevolgen dit heeft voor het plan. In het plangebied zijn potentiële vaste verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Het betreft ruimtes in het woonhuis, het transformatorhuisje en holtes in bomen in het plangebied. Vanwege de vele
57
bestemmingsplan Kavels Westflank Vliegbasis Soesterberg
uitwijkmogelijkheden zijn in het plangebied geen onmisbare vliegroutes of onmisbare foerageergebieden van vleermuizen te verwachten. Op basis van de quickscan is niet uitgesloten dat boom- of steenmarter een vaste rust- of voorplantingsplaats heeft in de leegstaande woning. Op basis van bekende verspreidingsgegevens is mogelijk een haviksnest aanwezig op 90 m afstand van het plangebied. Of het nest in gebruik is, is niet bekend. In het plangebied is broedbiotoop aangetroffen van algemene broedvogels zoals koolmees, grote bonte specht en roodborst. In de bebouwing is potentieel broedbiotoop aanwezig voor kauw en spreeuw. In het plangebied is geschikt biotoop aanwezig voor hazelworm. In 2017 zijn de hazelwormen uit het plangebied weggevangen en is er een reptielenscherm geplaatst. Aangezien het scherm is beschadigd, is de aanwezigheid van hazelworm in het plangebied niet uit te sluiten. Ten oosten van het plangebied is voortplantingsbiotoop van kommavlinder bekend. In het plangebied is echter geen voortplantingsbiotoop aangetroffen van kommavlinder. Mogelijk maken volwassen dieren sporadisch gebruik van nectarplanten in het plangebied. In het plangebied zijn geen overige beschermde planten, zoogdieren, amfibieën, vissen of ongewervelden aangetroffen of te verwachten, met uitzondering van soorten waarvoor in de provincie Utrecht vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Aanvullend onderzoek Op basis van de quickscan natuurtoets is aanvullend soortgericht onderzoek uitgevoerd naar de boom- en steenmarter, vleermuizen en hazelworm (zie Bijlage 15) . Uit het soortgericht onderzoek is gebleken dat op twee plekken in de bebouwing zomerverblijfplaatsen aanwezig zijn van een gewone dwergvleermuis. Ook zijn hazelwormen aangetroffen op het terrein rondom de bebouwing waar zij naar verwachting verblijfplaatsen hebben binnen het projectgebied onder het struweel, hopen puin of oude liggende boomstammen. Er zijn geen sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van boom- of steenmarter. Verblijfplaatsen of onmisbaar leefgebied van overige beschermde soorten is in het plangebied niet aanwezig, met uitzondering van soorten waarvoor in de provincie Utrecht vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen (van Vuuren & Hoksberg; Kraaijeveld, 2021). Wel is broedbiotoop aanwezig voor algemene broedvogels. Voor het vernielen van in gebruik zijnde nesten van algemene broedvogels (zoals merel, koolmees en grote bonte specht) binnen het broedseizoen wordt in de regel geen ontheffing Wnb verleend omdat werken buiten het broedseizoen als goed alternatief wordt gezien. Bij uitvoering van de plannen worden mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen en hazelworm geschaad. Hiervoor is een ontheffing Wnb noodzakelijk.
Een ontheffing kan in de regel worden verleend door de provincie mits aan de volgende drie cumulatieve voorwaarden wordt voldaan: 1.
Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging)
In deze situatie zijn geen alternatieven voorhanden omdat de aanwezige woning in slechte staat is en gerenoveerd of gesloopt moet worden. 2.
Er is sprake van een in de wet genoemd belang
Vleermuizen zijn beschermd onder paragraaf 3.2 van de Wnb met bijbehorende verbodsbepalingen onder artikel 3.5. Om ontheffing te krijgen voor het schaden van verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis dient de ontheffing nodig te zijn 'in het kader van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten'. In de onderhavige situatie is sprake van een bestaande woning die erg verouderd is waarbij de brandveiligheid in het geding is. Nieuwbouw draagt tevens bij aan milieu gunstige effecten aangezien deze duurzaam wordt uitgevoerd. De hazelworm is beschermd onder paragraaf 3.3 van de Wnb met bijbehorende verbodsbepalingen onder artikel 3.10. Om ontheffing te krijgen voor het schaden van verblijfplaatsen van de hazelworm dient de ontheffing nodig zijn te zijn 'in het kader van de ruimtelijk inrichting of ontwikkeling van gebieden, met inbegrip
58
bestemmingsplan Kavels Westflank Vliegbasis Soesterberg
van het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebieden'. Er vindt ruimtelijke ontwikkeling plaats van de locatie dus daarmee een grond voor het verlenen van de ontheffing. 3.
Er is geen verslechtering/afbreuk van de staat van instandhouding van de soort
Zowel de gewone dwergvleermuis als hazelworm komen algemeen verspreid in Nederland voor. Bovendien zijn succesvolle mitigerende en compenserende maatregelen bekend voor deze soorten zoals het voorzien van nieuwe verblijfplaatsen, het ontzien van individuen en het werken buiten bepaalde kritische periodes (zoals voortplanting en overwintering). Door dergelijke maatregelen te treffen wordt geen afbreuk gedaan van de instandhouding van de genoemde soorten. Er kan aan bovengenoemde drie voorwaarden voldaan worden waardoor voor uitvoering van het bestemmingsplan uitzicht is op ontheffing Wnb. Conclusie De Wnb staat vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.
5.11 Archeologie, cultuurhistorie en aardkundige waarden 5.11.1
Algemeen
Erfgoedwet De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van het voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. In het kader van het vigerende bestemmingsplan is onderzoek gedaan naar archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden in het plangebied. Met betrekking tot archeologie is door BAAC in 2008 een bureau- en verkennend veldonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 12). Uit dit onderzoek is gebleken dat voor de aanwezige lage vlakten in het plangebied een lage archeologische verwachting geldt. Op de kavels worden geen na-oorlogse waarden verwacht. Door de wijziging van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten - naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten - ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij ruimtelijke ontwikkelingen.
De Cultuurhistorische atlas van de provincie Utrecht geeft informatie over aanwezige cultuurhistorische waarden op de kavels. Op de kavels zijn geen gemeentelijke- of rijksmonumenten aanwezig. De kavels maken deel uit van het voormalig militair vliegveld Soesterberg, de bakermat van de militaire luchtvaart in Nederland. Vanwege bezuinigingen op defensie is de basis in november 2008 gesloten en opgeheven. Het grootste deel ervan wordt sindsdien beheerd als natuurgebied. In het plangebied bevinden zich geen cultuurhistorische en aardkundige waarden. Conclusie Zowel op het gebied van archeologie als cultuurhistorische en aardkundige waarden zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het plangebied.