CConstaterende datZeist
Koppel je AI →
Document · PDF

04-23RV003 Bijlage 4 - Ruimtelijke onderbouwing met onderzoeken

Raad 24 januari 2023, gemeente ZeistBij agendapunt: Ontwerp verklaring van geen bedenkingen bouw woning Van Renesselaan 64A28.440 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Brede Milieuvisie Zeist

3.3.5.1 Algemeen De Brede Milieuvisie geeft aan wat de doelstellingen van de gemeente Zeist zijn op het gebied van milieu. Het geeft een intentie en richting weer voor het handelen van de gemeente op het gebied van verkeer en mobiliteit, afval, groen en landschap, ruimtelijke ordening en economie. Een gedeeld toekomstbeeld helpt de

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Ruimtelijke onderbouwing, Van Renesselaan 64a, Zeist Definitief

gemeente Zeist de komende jaren samen de koers te maken en vast te houden: een klimaatneutraal Zeist, minder grondstoffenverbruik, een groen Zeist met gezonde leefomstandigheden. De breedte van de visie zit in het samenbrengen van de verschillende milieu- en duurzaamheidsambities. Zodat de visie als kapstok kan fungeren voor alles wat er op milieugebied en aan de ‘Planet’ kant van duurzaamheid gebeurt in en voor Zeist. De vier inhoudelijke pijlers van het milieubeleid zijn: • • • •

Klimaat en energie: we gaan op weg naar een klimaatneutraal Zeist in 2030; Circulaire economie: we handelen vanuit kringlopen en hergebruik, delen en gebruiken in plaats vanuit bezit; Levend netwerk van natuur, landschap en cultuurhistorie: we zorgen voor een met groen dooraderd Zeist; Gezonde leefomgeving en kwaliteit van leven: we zetten ons in voor een goede lucht- en waterkwaliteit, minder geluidshinder en een duurzame voedselvoorziening;

Klimaat en energie Met betrekking tot klimaat en energie is een van de speerpunten dat zoveel mogelijk wordt voorzien in de opwekking en opslag van zelfvoorzienende energie. Energiezuinigheid van woningen is belangrijk. In Zeist wordt altijd gestreefd naar nul-op-de-meter woningen. Daarnaast wordt door middel van goede fiets- en wandelroutes en autoluwe wijken het gebruik van de auto afgeremd en het fietsen gestimuleerd. Circulaire economie Circulaire economie is een economisch systeem, dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. Afval als hergebruikmateriaal is hierbij een belangrijke pijler. Levend netwerk van natuur, landschap en cultuurhistorie Een heel belangrijke kernkwaliteit van Zeist is (de kwaliteit van) de groene omgeving. Het gaat daarbij om de kralen natuur, biodiversiteit en water. Groen en natuur hebben een intrinsieke waarde, maar de groene omgeving is ook van belang om letterlijk en figuurlijk op adem te komen: er is een sterke relatie tussen natuur en gezondheid. Gezonde leefomgeving en kwaliteit van leven Gezondheid en kwaliteit van leven draait om de kralen: groen (natuur en biodiversiteit), water, bodem en ondergrond, externe veiligheid, luchtkwaliteit en geluidshinder (mobiliteitskeuzes).

Doelen op deze vlakken zijn (op korte termijn) minder zichtbaar en voelbaar, maar zijn (op de lange duur) van groot belang voor onze gezondheid en ons welbevinden. 3.3.5.2 Toetsing van het initiatief aan de Brede Milieuvisie Zeist Bij de bouw van de woning zullen materialen worden gebruikt ter behoeve van de neutraliteit van het gebouw, zoals in paragraaf 2.4 is beschreven. Verder zal door middel van een septische tank in combinatie met een helofytenfilter en door middel van zonnepanelen worden voldaan aan de eisen van energie neutrale én leverende woningen. Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat wordt voldaan aan de Brede Milieuvisie Zeist. 3.3.6

Routekaart Energieneutraal

3.3.6.1 Algemeen In mei 2019 heeft de gemeenteraad van Zeist de Routekaart Energieneutraal vastgesteld. De ambitie van Zeist is om zo spoedig mogelijk, uiterlijk in 2050, energieneutraal te zijn. Dat betekent dat op het grondgebied van Zeist in 2050 evenveel energie duurzaam wordt opgewekt als aan energie verbruikt wordt. De routekaart stelt dat Zeist tot 2050 zo’n 50% bespaart op de energievraag. Dit gebeurt door het isoleren van woningen en andere panden, door energiebesparend gedrag en door nieuwe energiezuinige technologieën. Uitgaande van BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Ruimtelijke onderbouwing, Van Renesselaan 64a, Zeist Definitief

deze besparing heeft Zeist uiterlijk in 2050 een jaarlijkse energiebehoefte die gelijk staat aan bijvoorbeeld 100 windmolens van 3 megawatt. De routekaart beschrijft op welke vijf actielijnen de gemeente het initiatief neemt, in welk tempo en met welke focus. Hieronder zijn de ambities uitgezet: •

Actielijn warme wijken;

Het streven is om de wijken en buurten in 2050 volledig aardasvrij te maken. Nieuwbouw is per definitie aardgasvrij. •

Actielijn duurzame mobiliteit;

Het streven is om al het gemotoriseerd verkeer over te laten gaan naar duurzame schone brandstof. De fiets en het OV krijgen ruim baan als belangrijkste vervoersmiddelen binnen Zeist. •

Actieplan groene bedrijven;

Zeist zet in op een duurzame bedrijfsvoering, waarbij maximaal wordt bespaard op energie en de mogelijkheden voor duurzame opwek worden benut. •

Actielijn duurzame energie;

De ambitie is, dat alle potentie die er is in Zeist, optimaal benut wordt. De gemeente maakt gebruik van innovatieve oplossingen op het gebied van energieopwekking en opslag van energie. •

Actielijn het goede voorbeeld.

De ambitie is dat de gemeentelijke organisatie in 2030 energieneutraal is, om zo het goede voorbeeld te geven. 3.3.6.2 Situatie projectgebied In dit geval betreft het een kleine woning die lage energiebehoeftes heeft. Er zijn niet veel maatregelen nodig om energieneutraal of zelfs energieleverend te zijn. Daarom zullen er 19 zonnepanelen worden geplaatst om te voorzien in de kleine vraag die de kleine woning zal hebben en zelfs energie te kunnen leveren. Ten slotte dient het helofytenfilter als een schone natuurlijke wijze om water te filteren die zeer weinig energie verbruikt en het rioleringssysteem niet verder belast. 3.3.7

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsambities zoals verwoord in het hiervoor behandelde gemeentelijk beleid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Ruimtelijke onderbouwing, Van Renesselaan 64a, Zeist Definitief

HOOFDSTUK 4

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in ruimtelijke onderbouwingen een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een ruimtelijke onderbouwing vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, besluit milieueffectrapportage, archeologie en cultuurhistorie en waterhuishouding. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven.

4.1

Geluid

4.1.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 4.1.2

Situatie projectgebied

4.1.2.1 Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in de onderstaande tabel. Wettelijke geluidszone van wegen: Aantal rijstroken 1 of 2 rijstroken 3 of 4 rijstroken 5 of meer rijstroken

Stedelijk gebied 200 m 350 m 350 m

Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m

De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: • wegen die zijn aangeduid als woonerf (art. 74.2); • wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2). Het projectgebied is gelegen in het stedelijk gebied aan de Van Renesselaan in Zeist. Dit betreft een weg waar een 30 km/uur regime geldt. Ook overige omliggende wegen betreffen wegen waar een 30 km/uur regime geldt. Volgens jurisprudentie blijkt een 30 km/uur weg in de beoordeling te moeten worden meegenomen, indien vooraf aangenomen had kunnen worden dat deze weg een geluidbelasting veroorzaakt die hoger ligt dan de voorkeurswaarde (48 dB). De toetsing moet worden uitgevoerd in verband met een belangenafweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Deze belangenafweging moet worden gemaakt bij het wijzigen of afwijken van een bestemmingsplan. Gemeentelijk geluidbeleid In het gemeentelijk geluidbeleid is opgenomen dat voor 30 km/uur-wegen dient te worden aangetoond dat BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Ruimtelijke onderbouwing, Van Renesselaan 64a, Zeist Definitief

sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Voor de beoordeling wordt aangesloten bij de Wet geluidhinder en de in het geluidbeleid gestelde randvoorwaarden voor een gezoneerde weg. Overeenkomstig het gemeentelijk beleid dient de initiatiefnemer de nadelen van een hoog geluidsniveau te compenseren door het treffen van maatregelen bij de ontvanger. De voorwaarden zijn in het geluidbeleid geformuleerd als eis of als inspanningsverplichting. De gestelde randvoorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid worden gerespecteerd. Projectgebied De te herbouwen woning aan de Van Renesselaan 64a ligt binnen de geluidszone van de Van Renesselaan. Aan deze weg geldt een snelheidsregime van 30km/u. Ten zuidoosten van het projectgebied bevindt zich de lintbebouwing van de Van Renesselaan die een geluidswerende werking heeft voor het projectgebied. Ten noordwesten bevindt zich het appartementencomplex Zeisterwerf dat eveneens een buffer vormt voor de geluidbelasting. Gelet op vorenstaande in combinatie met het lage snelheidsregime wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de woning de geluidbelasting dusdanig laag is dan kan worden voldaan aan de voorkeurswaarde van 48 dB. Er is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon -en leefklimaat wat betreft het aspect wegverkeerslawaai.

Conclusie Op basis van het vorenstaande wordt geconcludeerd dat ter plaatse van het projectgebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.1.2.2 Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten omdat de dichtstbijzijnde spoorlijn op ruime afstand van het projectgebied is gelegen. 4.1.2.3 Industrielawaai In de omgeving van het projectgebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, als bedoeld in de Wgh, aanwezig. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek industrielawaai is daarom niet noodzakelijk. Wat betreft de invloed van individuele bedrijvigheid op het projectgebied wordt verwezen naar paragraaf 4.5 (milieuzonering). 4.1.3

Conclusie

Het aspect geluid in het kader van de Wgh vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.2

Bodemkwaliteit

4.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. In voorliggend geval is een verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd voor het projectgebied door Van Dijk Geo- en milieutechniek b.v. De volledige resultaten van het bodemonderzoek kunnen worden teruggevonden onder Bijlage 2 en 3. Op de belangrijkste resultaten wordt hieronder ingegaan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Ruimtelijke onderbouwing, Van Renesselaan 64a, Zeist Definitief

4.2.2

Resultaten

4.2.2.1 Verkennend bodemonderzoek Binnen het projectgebied is in de toplaag plaatselijk sterke verontreiniging met lood aangetroffen waarvan de omvang nog onbekend is. Verder is de toplaag ook licht verontreinigd met enkele overige zware metalen en PAK. In de veen onderlaag is lichte kobalt en nikkel verontreiniging aangetroffen. Het grondwater is eveneens meegenomen met het onderzoek. Hier is ook een lichte verontreiniging aangetroffen met barium, xylenen en dichlooretheen. Gezien de omvang van de verontreiniging nog niet bekend is, zal er aanvullend onderzoek nodig zijn om dit aan te kunnen tonen. 4.2.2.2 Aanvullend bodemonderzoek De zandige toplaag is ten zuiden van de woning plaatselijk sterk verontreinigd met lood. De omvang hiervan wordt geschat op circa 20 m³. In het kader van de wet bodembescherming (Wbb) is er geen sprake van ernstige bodemverontreiniging. Met betrekking tot de vastgestelde milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse kan worden geconcludeerd dat er milieuhygiënisch gezien geen bezwaar is tegen de toekomstige nieuwbouw van de woning. Aanbevolen wordt om de verontreiniging met lood voorafgaand aan de herontwikkeling te verwijderen en af te voeren naar een erkende verwerker. 4.2.3

Conclusie

Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief, mits de plaatselijke loodverontreiniging vakkundig wordt afgevoerd.

4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:  

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Ruimtelijke onderbouwing, Van Renesselaan 64a, Zeist Definitief

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 4.3.2

Situatie projectgebied

Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 4.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt opgemerkt dat de functie in het projectgebied niet worden aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 4.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief.

4.4

Externe veiligheid

4.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Per 1 januari 2010 moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • de Regeling basisnet; • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het transporteren van stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Ruimtelijke onderbouwing, Van Renesselaan 64a, Zeist Definitief

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2

Situatie projectgebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.3 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het projectgebied (rode ster) en omgeving weergegeven.

Afbeelding 4.3

Uitsnede Risicokaart (Bron: Atlas Leefomgeving).

Uit de inventarisatie blijkt verder dat het projectgebied: • • • • • 4.4.3

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; Er zich geen hoogspanningsmasten in het projectgebied bevinden. Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het initiatief in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

4.5

Milieuzonering

4.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Ruimtelijke onderbouwing, Van Renesselaan 64a, Zeist Definitief

inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 4.5.2

Gebiedstypen

4.5.2.1 Algemeen Afstemming van bestaande en nieuwe functies gebeurt door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Bij deze richtafstanden wordt rekening gehouden met de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zoals gesteld in de ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’. Hierbij wordt uitgegaan van het principe van functiescheiding, waarbij twee gebiedstypen te onderscheiden zijn, namelijk: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen , zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied.

Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het projectgebied ligt in de kern van Zeist. In de nabije omgeving bevinden zich voornamelijk woonfuncties. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. De volgende tabel geeft de richtafstanden voor de verschillende omgevingstypes weer. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Ruimtelijke onderbouwing, Van Renesselaan 64a, Zeist Definitief

4.2 5.1 5.2 5.3 6

300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

4.5.2.1 Situatie projectgebied 4.5.2.1.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Er wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

4.5.2.1.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling niet resulteert in de aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 4.5.2.1.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de functie hinder ondervindt van bestaande milieubelastende functies in de omgeving en of de omliggende functies in hun werkzaamheden worden belemmerd als gevolg van de ontwikkeling. Ten noordwesten van het projectgebied ligt onderwijsinstelling de Meerklank. Op deze locatie zijn enkele maatschappelijke activiteiten van maximaal milieucategorie 2 mogelijk. Onderwijsinstelling de Meerklank heeft ook milieucategorie 2 met als hoogste richtafstand 30 meter voor geluid. Gezien de afstand van de woning tot het bestemmingsvlak meer dan 65 meter bedraagt kan de hinder als gevolg van de bedrijvigheid op de beoogde woning als aanvaardbaar worden beschouwd. Ook zal de beoogde woning geen extra beperkingen opleggen aan de bedrijfsbestemmingen.

Geconcludeerd wordt dat omliggende milieubelastende functies geen belemmering vormen voor de realisatie van woning op deze locatie. Er is vanuit milieuzonering een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten. Andersom wordt geconcludeerd dat omliggende functies niet worden beperkt in hun bedrijfsvoering door het initiatief. 4.5.4

Conclusie milieuzonering

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Ruimtelijke onderbouwing, Van Renesselaan 64a, Zeist Definitief

4.6

Ecologie

4.6.1

Inleiding

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 4.6.2

Gebiedsbescherming

4.6.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het projectgebied is niet gelegen binnen of op korte afstand van een Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ ligt op een afstand van circa 10,8 kilometer van het projectgebied. Gezien de grote afstand en de aard en omvang van de ontwikkeling wordt gesteld dat er geen sprake is van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. 4.6.2.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. De locatie is niet gelegen binnen het concreet begrensde NNN. Het dichtstbijzijnde NNN/ecologische verbindingszone is gelegen op circa 760 meter afstand van het projectgebied.

Gezien de afstand, de aard en omvang van de ontwikkeling en de lokale invloedsfeer van de voorgenomen activiteit wordt gesteld dat als gevolg van voorliggend initiatief geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 4.6.3

Soortenbescherming

4.6.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. In voorliggend geval heeft BJZ.nu een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd ter plaatste van de Van Renesselaan 64a. In de komende subparagraaf worden de belangrijkste conclusies van dit onderzoek uiteengezet. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 1 bij deze toelichting. 4.6.3.2 Situatie projectgebied De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, vogelsoorten, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren of amfibieën. De voorgenomen ontwikkeling heeft voor deze soorten dan ook geen consequenties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Ruimtelijke onderbouwing, Van Renesselaan 64a, Zeist Definitief

Het projectgebied en de omgeving kunnen daarentegen wel door verschillende vogelsoorten worden gebruikt als rustgebied of als foerageergebied. Als de voorgenomen ingrepen worden uitgevoerd tijdens het broedseizoen van vogels dan kan niet worden uitgesloten dat een bezet vogelnest verstoord of beschadigd wordt, ook al zijn die tijdens het ecologisch onderzoek niet gevonden. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen buiten het broedseizoen van vogels uitgevoerd te worden, dat wil zeggen tussen Augustus en Februari. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd wordt tijdens het broedseizoen, tussen maart en juli, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Het gaat hier enkel om de bomen en struiken die zich rondom het projectgebied begeven. Gebouw bewonende soorten kunnen worden uitgesloten, gezien de bebouwing niet over dakpannen of overige holtes en kieren beschikt die voor deze vogelsoorten de geschikte microklimaten en uitvliegroutes biedt. Wat betreft de overige diersoorten wordt benadrukt dat te allen tijde rekening dient te worden gehouden met de zorgplicht zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming. De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving.

Wettelijke consequenties samengevat:  Bebouwing slopen buiten de voortplantingsperiode (of broedvogelscan uitvoeren). 4.6.4 Conclusie Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling, mits rekening wordt gehouden met het broedseizoen van vogels in verband met het slopen van de bebouwing.

4.7

Archeologie & cultuurhistorie

4.7.1

Archeologie

4.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.7.1.2 Situatie projectgebied Binnen het projectgebied is geen archeologische verwachting. Archeologisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Bovendien wordt de woning op de bestaande locatie teruggebouwd. Deze gronden zijn daarmee reeds verstoord. 4.7.2

Cultuurhistorie

4.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Ruimtelijke onderbouwing, Van Renesselaan 64a, Zeist Definitief

In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een plan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 4.7.2.2 Situatie projectgebied Er bevinden zich in het projectgebied of in de directe omgeving geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten die mogelijk negatief zouden kunnen worden beïnvloed door voorliggende ontwikkeling. De ontstaansgeschiedenis van de woning die middels voorgenomen ontwikkeling wordt vernieuwd is echter wel van cultuurhistorische waarde, zoals benoemd in paragraaf 2.1. Door de plaatsvervangende woning te realiseren zal de historische functie gewaarborgd blijven voor de toekomst. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie verder geen belemmering vormt voor het initiatief. 4.7.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er met voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van negatieve effecten op archeologische of cultuurhistorische waarden.

4.8

Besluit Milieueffectrapportage

4.8.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een plan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • •

•

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (kolom 3, plannen); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het plan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (kolom 4, besluiten); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het plan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r. beoordeling gehanteerd. 4.8.2

Situatie projectgebied

In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en daarmee geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. In onderdeel D 11.2 van het besluit wordt de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen genoemd. Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Uit jurisprudentie volgt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Ruimtelijke onderbouwing, Van Renesselaan 64a, Zeist Definitief

van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. In dit geval is sprake van een ontwikkeling waarbij één woning wordt herbouwd. De aard en omvang van dit project is hiermee beperkt en de omvang van het woonerf is kleinschalig. Daarnaast wordt het project gerealiseerd in directe aansluiting op de lintbebouwing. Het projectgebied wordt op passende wijze ingepast in de omgeving.. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een nieuwe functie (woning) die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen. Gelet op de aard en omvang van dit project wordt geconcludeerd dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. 4.8.3

Conclusie

Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk het de voorgenomen ontwikkeling geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

4.9

Wateraspecten

4.9.1

Vigerend beleid

4.9.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 4.9.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit.

Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 4.9.1.3 Provinciaal beleid De provincie Utrecht heeft het beleid omtrent water vastgelegd in het Bodem-, Water- en Milieuplan 20162021. De provincie richt zich op een behoud en het verder verbeteren van het aantrekkelijk woon-, werk- en leefklimaat. Een provincie met krachtige steden en dorpen en een vitaal landelijk gebied de provincie ziet in dit verband de volgende drie belangrijke opgaven in het waterbeleid voor de lange en korte termijn:

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Ruimtelijke onderbouwing, Van Renesselaan 64a, Zeist Definitief

•

• • •

Streven naar een robuust bodem- en watersysteem. Dit houdt in dat onder normale omstandigheden alle functies goed uitgevoerd kunnen worden en dat extreme situaties goed opgevangen kunnen worden. Streven naar bodem-, water- en milieukwaliteiten die passend zijn voor de functie van een gebied. Streven naar een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving, zodat de mogelijkheden die het natuurlijk systeem ons biedt ook in de toekomst gebruikt kunnen worden. Streven naar een gezonde leefomgeving, die een positieve bijdrage levert aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio.

4.9.1.4 Beleid Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Het Hoogheemraadschap heeft haar ambities en lange termijn visie vastgelegd in het waterbeheerplan Waterkoers 2016–2021. De Waterkoers is een koersdocument om te sturen op hoofdlijnen met als overkoepelende doel Samen werken aan een veilige, gezonde en prettige leefomgeving. Water is een belangrijke pijler van een veilige, gezonde en prettige leefomgeving. Vanuit die achtergrond werkt Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden samen met de ruimtelijke ordening aan bescherming tegen overstromingen, een gezond grond- en oppervlaktewatersysteem en het zuiveren van afvalwater. Het minimale uitgangspunt voor planontwikkelingen is dat het plan hydrologisch neutraal moet worden ontwikkeld met als doel geen gevolgen voor de waterveiligheid, het grond- en oppervlaktewater en de waterkwaliteit en ecologie. Daarmee wordt geborgd dat de ontwikkeling van het gebied met betrekking tot wateraspecten duurzaam is. Ruimtelijke adaptatie Het klimaat verandert: Hogere temperaturen, een sneller stijgende zeespiegel, nattere winters, heftigere buien en kans op drogere zomers. Daar moeten we, ook volgens het KNMI, in de toekomst in Nederland rekening mee houden. De verwachting van het KNMI is dat het klimaat in Nederland in 2050 ongeveer overeen zal komen met het huidige klimaat in Zuid-Frankrijk. Maar ook nu al is de klimaatverandering merkbaar.

Extreme neerslag, droogte en hitte kunnen leiden tot maatschappelijke ontwrichting. Dit geeft aanleiding om aanpassing van de inrichting van de bebouwde omgeving aan het veranderende klimaat te agenderen en aan te werken. Dit beleid is vorig jaar vastgelegd in de Deltabeslissing voor Nederland. In de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie heeft het Deltaprogramma voorstellen opgenomen om de ruimtelijke inrichting van Nederland klimaatbestendig en waterrobuust te maken. Alle overheden en marktpartijen zijn daar samen verantwoordelijk voor. De Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie heeft als doel: • •

De bebouwde omgeving is in 2050 nog steeds aantrekkelijk om te leven; Uiterlijk in 2020 zijn ruimtelijke ingrepen klimaatbestendig opgebouwd en getoetst.

Klimaatverandering heeft effecten op grote schaal maar ook op de kleine schaal van een stad. Door de toenemende hoeveelheid verharding in steden wordt het steeds moeilijker om water makkelijk weg te krijgen. Door het grootschalig verharden van tuinen van particulieren neemt de kans op wateroverlast toe. 4.9.2

Waterparagraaf

4.9.2.1 Watertoets Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Deze zijn in bijlage 4 van deze onderbouwing opgenomen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Ruimtelijke onderbouwing, Van Renesselaan 64a, Zeist Definitief

Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 4.9.2.2 Watertoetsproces Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat er sprake is van de korte procedure. Uit de digitale analyse blijkt dat er geen grote waterbelangen zijn. De ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de belangrijkste minimale voorwaarde: ‘het standstill beginsel’. Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding ontstaat. Het voornemen heeft geen groot effect op water. De ontwikkelingen die door het plan mogelijk worden gemaakt, hebben een geringe invloed op de waterhuishouding en de afvalwaterketen. Het voornemen heeft weinig tot geen gevolgen voor het huidige watersysteem. Het verhard oppervlak neemt niet toe ten opzichte van de huidige bestaande situatie. Dit heeft weinig gevolgen voor het watersysteem.

Het bestaande watersysteem kan tijdens een hevige regenbui al het hemelwater vanaf dit oppervlak verwerken en bergen. Het bestaande oppervlaktewater wordt niet aangepast. Water wordt niet buiten het projectgebied geborgen. Tevens vindt er geen lozing plaats van verontreinigingen en/of verontreinigd water naar oppervlaktewater. De tuin is verder voorzien van een septische tank en een helofytenfilter ter zuivering van afvalwater binnen het projectgebied. Dit betekent ook dat afvalwater niet via het riool wordt afgevoerd. Vervolgproces Via www.dewatertoets.nl is het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden geïnformeerd over de voorgenomen ontwikkeling. Het waterschap heeft laten weten dat er geen vooroverleg nodig is en in principe akkoord is met de ontwikkeling. Indien het waterschap nog op- of aanmerkingen heeft, hebben ze de mogelijkheid om nog te reageren.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Ruimtelijke onderbouwing, Van Renesselaan 64a, Zeist Definitief

HOOFDSTUK 5

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van een omgevingsvergunning moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmings/wijzigingsplan of omgevingsvergunning geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval zal er een planschade overeenkomst worden gesloten tussen de initiatiefnemer en de gemeente Zeist. Hiermee is het kostenverhaal voor de gemeente volledig verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Ruimtelijke onderbouwing, Van Renesselaan 64a, Zeist Definitief

HOOFDSTUK 6 6.1

Vooroverleg

6.1.1

Het Rijk

VOOROVERLEG EN INSPRAAK

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 6.1.2

Provincie Utrecht

Gezien de kleinschaligheid van het plan is vooroverleg met de provincie niet noodzakelijk. 6.1.3

Hoogheemraadschap van De Stichtse Rijnlanden

In dit geval is er sprake van geen belang voor het Hoogheemraadschap. Het Hoogheemraadschap is op de hoogte gesteld van het plan via www.dewatertoets.nl. Deze melding is ontvangen en gearchiveerd. Nader overleg met het hoogheemraadschap wordt niet noodzakelijk geacht.

6.2

Inspraak en zienswijzen

Initiatiefnemer heeft omwonenden proactief benaderd en ingelicht over de gewenste plannen. Initiatiefnemer heeft een goed contact met de omwonenden en deze hebben aangegeven positief tegenover de beoogde ontwikkeling te staan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Ruimtelijke onderbouwing, Van Renesselaan 64a, Zeist Definitief

BIJLAGEN BIJ DEZE ONDERBOUWING

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Ruimtelijke onderbouwing, Van Renesselaan 64a, Zeist Definitief

Bijlage 1

Quickscan ecologie

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Ruimtelijke onderbouwing, Van Renesselaan 64a, Zeist Definitief

Bijlage 2:

Verkennend Bodemonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

Ruimtelijke onderbouwing, Van Renesselaan 64a, Zeist Definitief

Bijlage 3:

Aanvullend Bodemonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

Ruimtelijke onderbouwing, Van Renesselaan 64a, Zeist Definitief

Bijlage 4

Resultaat Watertoets

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

48

Natuurtoets

Van Renesselaan 64a, Zeist Toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN)

2 augustus 2022

Definitief

TOETSING WNB EN NNN – Van Renesselaan 64a Status: Definitief

NATUURTOETS VAN RENESSELAAN 64A, ZEIST

Auteur: Veldwerk uitgevoerd door: Opdrachtgever: Status: Datum: Projectnummer:

T. Dalderup T. Dalderup IRIS Architecten Definitief 2 augustus 2022 2022-245

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

1

TOETSING WNB EN NNN – Van Renesselaan 64a Status: Definitief

INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 INLEIDING ................................................................................... 3 1.1 AANLEIDING ................................................................................................................................. 3 1.2 DOELSTELLING .............................................................................................................................. 3 HOOFDSTUK 2 PLANGEBIED ................................................................................ 4 2.1 LIGGING ...................................................................................................................................... 4 2.2 IMPRESSIE EN BEGRENZING ............................................................................................................. 5 2.3 VOORGENOMEN INGREPEN ............................................................................................................. 6 2.4 VASTSTELLEN VAN HET ONDERZOEKSGEBIED ...................................................................................... 7 HOOFDSTUK 3 WETTELIJK KADER ......................................................................... 8 3.1 WET NATUURBESCHERMING ...........................................................................................................

8 3.2 WET RUIMTELIJKE ORDENING: NATUURNETWERK NEDERLAND ........................................................... 10 HOOFDSTUK 4 WERKWIJZE............................................................................... 11 4.1 WET NATUURBESCHERMING ......................................................................................................... 11 4.2 WET RUIMTELIJKE ORDENING: NATUURNETWERK NEDERLAND ........................................................... 12 HOOFDSTUK 5 RESULTATEN GEBIEDSBESCHERMING ................................................ 13 5.1 NATURA 2000 ........................................................................................................................... 13 5.2 NATUURNETWERK NEDERLAND ..................................................................................................... 14 HOOFDSTUK 6 RESULTATEN SOORTBESCHERMING .................................................. 15 6.1 VOGELS ..................................................................................................................................... 15 6.2 GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN ................................................................................................... 16 6.3 VLEERMUIZEN ............................................................................................................................

16 6.4 AMFIBIEËN................................................................................................................................. 17 6.5 OVERIGE SOORTEN ...................................................................................................................... 18 6.6 SAMENVATTENDE TABEL............................................................................................................... 19 HOOFDSTUK 7 CONCLUSIE EN ADVIES .................................................................. 20

BIJLAGEN

............................................................................................... 22

BIJLAGE 1 BIJLAGE 2 BIJLAGE 3 BIJLAGE 4

GERAADPLEEGDE BRONNEN ................................................................................................... 23 TOELICHTING OP WETTELIJKE KADERS ...................................................................................... 24 VRIJGESTELDE SOORTEN PER PROVINCIE ................................................................................... 27 NATUURKALENDER ............................................................................................................... 28

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

2

TOETSING WNB EN NNN – Van Renesselaan 64a Status: Definitief

HOOFDSTUK 1 1.1

INLEIDING

Aanleiding

Er zijn plannen voor de herontwikkeling van een perceel aan de van Renesselaan 64a, te Zeist. Bestaande bebouwing wordt gesloopt, om ruimte te maken voor nieuwbouw. Omdat overtreding van de wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden op voorhand niet uitgesloten kan worden, is BJZ.nu door initiatiefnemer gevraagd om een natuurwaardenonderzoek uit te voeren. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven.

1.2

Doelstelling

In het voorliggende rapport worden mogelijke effecten van het project op de natuur in kaart gebracht en getoetst aan de kaders van de Wnb (Soortbescherming, Gebiedsbescherming en bescherming van Houtopstanden) en de provinciale verordening voor het onderdeel betreffende het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties in beeld gebracht. De resultaten hebben in principe een geldigheid van drie jaar. Wijzigingen in het project of wezenlijke veranderingen binnen het onderzoeksgebied kunnen invloed hebben op de beoordeelde effecten. In dat geval dient een nieuwe beoordeling plaats te vinden. De onderzoeksvragen voor deze natuurtoets zijn: • Welke beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies kunnen voorkomen binnen (de invloedsfeer van) het plangebied? • Welke negatieve effecten kunnen vanuit het voornemen op deze gebieden, soorten en houtopstanden worden verwacht of niet worden uitgesloten? • Zijn er voorzorgsmaatregelen te treffen om deze effecten te voorkomen? • Is er nader onderzoek nodig om effecten op beschermde gebieden te bepalen en/of om de aanwezigheid van beschermde soorten vast te stellen of uit te sluiten?

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

3

TOETSING WNB EN NNN – Van Renesselaan 64a Status: Definitief

HOOFDSTUK 2 2.1

PLANGEBIED

Ligging

Het plangebied (Figuur 2.1) bevindt zich aan de van Renesselaan 64a, te Zeist, in de wijk Kersbergen. Het plangebied wordt omgeven door woonwijken. Ten zuidwesten van het plangebied loopt een kanaal welke in het zuiden uitmondt in de slotgrachten rond Slot Zeist (ongeveer 500 meter ten zuidoosten van het plangebied). Verder richting het zuiden, aan de rand van de bebouwde kom van Zeist, bevindt zich landbouwgrond.

Figuur 2.1: Ligging van het plangebied (Bron: PDOK).

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

4

TOETSING WNB EN NNN – Van Renesselaan 64a Status: Definitief

2.2

Impressie en begrenzing

Het plangebied bestaat uit een gebouw met één bouwlaag. De binnenkant van de bebouwing is leeggehaald en bouwmaterialen liggen opgeslagen rondom de bebouwing. Het gebouw is begrenst door de tuin behorende bij het gebouw.

Figuur 2.2: Impressie van het plangebied (Bron: PDOK).

Het gebouw bestaat uit deels een houten en deels uit een gemetselde en gestucte muur. Het dak bestaat uit een plat dak met een daklijst. Direct rondom het gebouw staan enkele struiken en planten.

Figuur 2.3 (links): De oostzijde van het gebouw, hier liggen ook bouwmaterialen opgeslagen. Deze foto laat ook de houten muur en de gestucte muur zien; Figuur 2.4 (rechts): De noordzijde van het gebouw.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

5

TOETSING WNB EN NNN – Van Renesselaan 64a Status: Definitief

Figuur 2.5 (links): De zuidzijde van het gebouw, hier bestaat de muur deels uit hout en deels uit trespa platen. Aan deze zijde bevinden zich struiken en planten direct naast het gebouw; Figuur 2.6 (rechts): De binnenkant van het gebouw, met een blik op het plafond waar de isolatie uit verwijderd is.

2.3

Voorgenomen ingrepen

Initiatiefnemer heeft het voornemen het bestaande gebouw aan de van Renesselaan 64a te slopen en hiervoor bebouwing terug te plaatsen waarbij de grens van de huidige bebouwing naar het zuidoosten wordt uitgebreid. Figuur 2.7 geeft een verbeelding van het wenselijk eindbeeld, waarin de inrichting van de nieuwe woning te zien is. Bestaande bomen blijven behouden, de planten en struiken rondom het gebouw en de puinhopen zullen wel verwijderd worden.

Figuur 2.7: Verbeelding van het wenselijk eindbeeld, het noorden ligt in de linkerbovenhoek van de afbeelding (Bron: Initiatiefnemer).

De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: • Verwijderen beplanting; • Slopen bebouwing; • Uitvoeren grondverzet; • Bouwen woning; • Aanleggen erfbeplanting. Voorgenoemde ingrepen zijn onder te verdelen in tijdelijke en permanente effecten. Tijdelijke effecten treden alleen op tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Permanente effecten kunnen een gevolg zijn van de activiteiten zelf alsmede de resultaten hiervan.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

6

TOETSING WNB EN NNN – Van Renesselaan 64a Status: Definitief

2.3.1 •

Tijdelijke effecten Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden.

2.3.2 •

Permanente effecten Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten.

•

• 2.4

Vaststellen van het onderzoeksgebied

Naast een tijdelijk effect in het plangebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het plangebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Bij het bepalen van de invloedsfeer wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals sloop- en bouwwerkzaamheden. Aan de zuid- en oostkant van het gebouw bevinden zich planten en struiken welke voor de voorgenomen ingrepen verwijderd worden, ten noorden bevindt zich een haag. Voorgenoemde fysieke werkzaamheden hebben invloed buiten het plangebied. Om de effecten van voorgenomen activiteiten goed in beeld te krijgen, wordt een groter gebied onderzocht dan alleen het plangebied. Circa 5 meter rondom het plangebied wordt meegenomen in het onderzoek. Indien in het vervolg in dit rapport gesproken wordt over plangebied, wordt het onderzoeksgebied bedoelt inclusief de haag en de struiken aan de zuid- en oostzijde van het gebouw.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

7

TOETSING WNB EN NNN – Van Renesselaan 64a Status: Definitief

HOOFDSTUK 3

WETTELIJK KADER Het wettelijk kader weergeeft de diverse kaders waaraan het initiatief getoetst wordt. 3.1

Wet natuurbescherming

De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al geruime tijd achteruit. In verband met het grensoverschrijdende karakter van de natuur is het van belang om de bescherming van deze soortenrijkdom op Europees niveau aan te pakken. Zo wordt voorkomen dat de natuur in nationaal en internationaal verband eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn, welke in 2017 zijn samengevoegd onder één wet, de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. 3.1.1 Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming (Wnb) heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000gebieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12282982/1