02.1-21RV056 BP Joh. v Oldenbarneveltln. - bijlage 02 Toelichting regels verbeelding
Tekst van het document
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Bestemmingsplan “Johan van Oldenbarneveltlaan 62, Zeist” Ontwerp zijn (op korte termijn) minder zichtbaar en voelbaar, maar zijn (op de lange duur) van groot belang voor onze gezondheid en ons welbevinden. 4.3.4.2 Toetsing van het initiatief aan de Brede Milieuvisie Zeist Het appartementengebouw zal worden gebouwd als BENG (bijna energieneutraal) gebouw. Hiermee wordt voldaan aan de doelstelling om energieneutraal te bouwen”. Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat wordt voldaan aan de Brede Milieuvisie Zeist. 4.3.5
Routekaart Energieneutraal
4.3.5.1 Algemeen In mei 2019 heeft de gemeenteraad van Zeist de Routekaart Energieneutraal vastgesteld. De ambitie van Zeist is om zo spoedig mogelijk, uiterlijk in 2050, energieneutraal te zijn. Dat betekent dat op het grondgebied van Zeist in 2050 evenveel energie duurzaam wordt opgewekt als aan energie verbruikt wordt. De routekaart stelt dat Zeist tot 2050 zo’n 50% bespaart op de energievraag. Dit gebeurt door het isoleren van woningen en andere panden, door energiebesparend gedrag en door nieuwe energiezuinige technologieën. Uitgaande van deze besparing heeft Zeist uiterlijk in 2050 een jaarlijkse energiebehoefte die gelijk staat aan bijvoorbeeld 100 windmolens van 3 megawatt. De routekaart beschrijft op welke vijf actielijnen de gemeente het initiatief neemt, in welk tempo en met welke focus. Hieronder zijn de ambities uitgezet: •
Actielijn warme wijken;
Het streven is om de wijken en buurten in 2050 volledig aardasvrij te maken. Nieuwbouw is per definitie aardgasvrij. •
Actielijn duurzame mobiliteit;
Het streven is om al het gemotoriseerd verkeer over te laten gaan naar duurzame schone brandstof. De fiets en het OV krijgen ruim baan als belangrijkste vervoersmiddelen binnen Zeist. •
Actieplan groene bedrijven;
Zeist zet in op een duurzame bedrijfsvoering, waarbij maximaal wordt bespaard op energie en de mogelijkheden voor duurzame opwek worden benut. •
Actielijn duurzame energie;
De ambitie is, dat alle potentie die er is in Zeist, optimaal benut wordt. De gemeente maakt gebruik van innovatieve oplossingen op het gebied van energieopwekking en opslag van energie. •
Actielijn het goede voorbeeld.
De ambitie is dat de gemeentelijke organisatie in 2030 energieneutraal is, om zo het goede voorbeeld te geven. 4.3.5.2 Situatie plangebied In dit geval worden de woningen nul-op-de-meter gebouwen. Mocht dit technisch of financieel niet haalbaar zijn dan dient dit te worden aangetoond. 4.3.6
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsambities zoals verwoord in het hiervoor behandelde gemeentelijk beleid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Bestemmingsplan “Johan van Oldenbarneveltlaan 62, Zeist” Ontwerp
HOOFDSTUK 5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in een bestemmingsplan ten behoeve van een bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, niet gesprongen conventionele explosieven, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, water en het besluit milieueffectrapportage.
5.1
Geluid (Wet geluidhinder)
5.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2
Situatie plangebied
5.1.2.1 Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in de onderstaande tabel. Wettelijke geluidszone van wegen: Aantal rijstroken 1 of 2 rijstroken 3 of 4 rijstroken 5 of meer rijstroken
Stedelijk gebied 200 m 350 m 350 m
Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m
De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: • •
wegen die zijn aangeduid als woonerf (art. 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).
Het plangebied is gelegen in het stedelijk gebied aan de Johan van Oldenbarneveltlaan. Dit betreft een weg waar een 30 km/uur regime geldt. Ook overige omliggende wegen (Burgemeester Patijnlaan en de Savornin Lohmanlaan) betreffen wegen waar een 30 km/uur regime geldt. Volgens jurisprudentie blijkt een 30 km/uur weg in de beoordeling te moeten worden meegenomen, indien vooraf aangenomen had kunnen worden dat deze weg een geluidbelasting veroorzaakt die hoger ligt dan de voorkeurswaarde (48 dB). De toetsing moet worden uitgevoerd in verband met een belangenafweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Deze belangenafweging moet worden gemaakt bij het wijzigen of afwijken van een bestemmingsplan. In dit geval is door Kragten een akoestisch onderzoek wegverkeer uitgevoerd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 1 van deze toelichting. Johan van Oldenbarneveltlaan Ten gevolge van de Johan van Oldenbarneveltlaan bedraagt de geluidbelasting (incl. aftrek artikel 110g Wgh)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Bestemmingsplan “Johan van Oldenbarneveltlaan 62, Zeist” Ontwerp ten hoogste 54 dB ter plaatse van de noordwestgevel en 27 dB ter plaatse van de zuidoostgevel. Hiermee wordt de voorkeurswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder niet gerespecteerd. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB uit de Wet geluidhinder wordt wel gerespecteerd. Voor deze weg kan/hoeft geen een ontheffing (hogere waarde) aangevraagd te worden. Echter, op basis van het geluidbeleid van de gemeente dient de mogelijkheid tot geluidreducerende maatregelen conform de Wet geluidhinder onderzocht te worden en dient aangesloten te worden bij de randvoorwaarden uit het gemeentelijke beleid. Hierna is dit uitgewerkt: In het gemeentelijk geluidbeleid is opgenomen dat voor 30 km/uur-wegen dient te worden aangetoond dat sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Voor de beoordeling wordt aangesloten bij de Wet geluidhinder en de in het geluidbeleid gestelde randvoorwaarden voor een gezoneerde weg. De voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder wordt ter plaatse van de noordwestgevel van de appartementen door het verkeer op de Johan van Oldenbarneveltlaan niet gerespecteerd. De maximale ontheffingswaarde wordt wel gerespecteerd. Navolgend worden bron- en overdrachtsmaatregelen onderzocht en wordt aangesloten bij de randvoorwaarden uit het gemeentelijk beleid.
Bronmaatregelen De Johan van Oldenbarneveltlaan is een doorgaande wijkontsluitingsweg. Het terugdringen van de verkeersintensiteit en/of het verlagen van de maximum snelheid op deze weg stuit op overwegende bezwaren van verkeerskundige aard, bovendien is hiervoor de medewerking van gemeente en wegbeheerder benodigd. Door het toepassen van geluidreducerend wegdek, dunne deklaag type B, op deze weg kan de geluidbelasting met maximaal 3 dB worden verlaagd2. Indien een dergelijk geluidreducerend wegdek wordt aangebracht, wordt de voorkeurwaarde alsnog overschreden. Het vervangen van het huidige wegdek door een stiller wegdek is daarom niet doelmatig. Overdrachtsmaatregelen In onderhavige situatie is sprake van onvoldoende ruimte tussen de weg en de woningen. Tevens is gezien de ligging van het plan in stedelijk gebied en de benodigde schermhoogte het plaatsen van een scherm niet wenselijk en stuit het daarom op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige aard. Maatregelen bij de ontvangen Maatregelen aan de bron of in de overdracht zijn niet mogelijk. Overeenkomstig het gemeentelijk beleid dient de initiatiefnemer de nadelen van een hoog geluidsniveau te compenseren door het treffen van maatregelen bij de ontvanger. De voorwaarden zijn in het geluidbeleid geformuleerd als eis of als inspanningsverplichting.
• Geluidsluwe gevel (eis): De appartementen beschikken allemaal over een geluidsluwe gevel (zuidoostgevel). • Indeling woning (inspanningsverplichting): De appartementen beschikken over minimaal één verblijfsruimte aan de geluidsluwe gevel (zuidoostgevel). • Buitenruimte (inspanningsverplichting): Alle appartementen beschikken over een buitenruimte aan de geluidsluwe zijde (zuidoostzijde). • Maximale ontheffingswaarde voor weg- en railverkeer (inspanningsverplichting): In onderhavige situatie is maximale ontheffingswaarde 63 dB. De te verlenen hogere waarde 54 dB respecteert daarmee de inspanningsverplichting om aan de maximale ontheffingswaarde minus 5 dB te voldoen. • Cumulatie (eis): De cumulatieve geluidbelasting is inzichtelijk gemaakt. Bij de geluidwering van de gevels dient rekening te worden gehouden met deze cumulatieve geluidbelasting. • ‘dove’ gevels: dit zijn bouwkundige constructies zonder te openen deuren/ramen (artikel 1b lid 5a en b Wgh). Door ‘dove’ gevels zijn geen hogere waarden van toepassing. De aanwezigheid van dove gevels dient zoveel mogelijk te worden voorkomen (inspanningsverplichting). Een woning mag maximaal 2 ‘dove’ gevels bezitten (eis).: Het appartementengebouw beschikt over dove gevels aan de noordoostzijde en aan de zuidwestzijde. Hierdoor hebben in totaal 6 appartementen één dove gevel.
2
Wegdekcorrectiefactoren conform Bijlage III van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012, lijst C Wegdek versie 21 februari 2019
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Bestemmingsplan “Johan van Oldenbarneveltlaan 62, Zeist” Ontwerp • •
Geluidsabsorberende plafonds bij balkons/loggia’s (eis): Er zijn geen balkons aanwezig aan de noordwestzijde. Volumebeleid (inspanningsverplichting): niet van toepassing op onderhavige woningbouwontwikkeling (< 100 woningen).
Burgemeester Patijnlaan De cumulatieve geluidbelasting (exclusief aftrek artikel 110g Wgh) bedraagt ter plaatse van de noordwestgevel ten hoogste 59 dB en ter plaatse van de zuidwestgevel ten hoogste 38 dB. Overeenkomstig het gemeentelijk geluidbeleid dient op basis van de cumulatieve geluidbelasting de geluidwering van de gevels te worden bepaald. Gemeentelijk geluidbeleid In het gemeentelijk geluidbeleid is opgenomen dat voor 30 km/uur-wegen dient te worden aangetoond dat sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Voor de beoordeling wordt aangesloten bij de Wet geluidhinder en de in het geluidbeleid gestelde randvoorwaarden voor een gezoneerde weg. Overeenkomstig het gemeentelijk beleid dient de initiatiefnemer de nadelen van een hoog geluidsniveau te compenseren door het treffen van maatregelen bij de ontvanger. De voorwaarden zijn in het geluidbeleid geformuleerd als eis of als inspanningsverplichting. De gestelde randvoorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid worden gerespecteerd. Op basis van het vorenstaande wordt geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.1.2.2 Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten omdat de dichtstbijzijnde spoorlijn op ruime afstand van het plangebied is gelegen.
5.1.2.3 Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, als bedoeld in de Wgh, aanwezig. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek industrielawaai is daarom niet noodzakelijk. Wat betreft de invloed van individuele bedrijvigheid op het plangebied wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering). 5.1.3
Conclusie
Het aspect geluid in het kader van de Wgh vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij het vaststellen van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 5.2.2
Situatie plangebied
Door Kruse Groep is ter plaatse van het plangebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport in opgenomen in bijlage 2 bij deze onderbouwing. Hierna wordt ingegaan op de bevindingen. Op basis van de resultaten van de chemische analyses wordt het volgende geconcludeerd:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Bestemmingsplan “Johan van Oldenbarneveltlaan 62, Zeist” Ontwerp • • • •
de bovengrond is zeer licht verontreinigd met koper, kwik, lood, minerale olie en PAK; de ondergrond is zeer licht verontreinigd met kwik en PAK; het grondwater is zeer licht verontreinigd met barium; Het mengmonster MM FF 01 bevat geen asbest.
De aangetroffen zeer lichte verontreinigen overschrijden de tussenwaarden voor nader onderzoek niet. Uit milieukundig oogpunt is er dan ook geen bezwaar tegen de bestemmingsplanwijziging en de voorgenomen nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen). 5.2.3
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Bestemmingsplan “Johan van Oldenbarneveltlaan 62, Zeist” Ontwerp 5.3.2
Situatie plangebied
5.3.2.1 Algemeen Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 5.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tevens wordt opgemerkt dat de functie (wonen) niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.2.2 Advieswaarden WHO en GGD De WHO hanteert advieswaarden voor fijnstof (PM10) van 20 microgram per kuub, en 10 microgram per kuub voor PM2,5 wat lager ligt dan de wettelijke grenswaarden. In onderstaande kaarten (meetjaar 2030) is aangegeven wat de waarden in het plangebied in 2030 zijn. Uit de kaarten blijkt dat de concentratie fijnstof (PM2,5) onder de 10 microgram per kuub ligt. Hiermee wordt voldaan aan de advieswaarden. Uit de kaart in afbeelding 5.2 (fijnstof PM10, meetjaar 2030) blijkt dat de concentratie fijnstof onder de 18 microgram per kuub bedraagt. Hiermee wordt ook voldaan aan de advieswaarden.
Afbeelding 5.1
Luchtkwaliteitskaart fijn stof (PM2,5) (Bron: Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland, RIVM)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Bestemmingsplan “Johan van Oldenbarneveltlaan 62, Zeist” Ontwerp
Afbeelding 5.2
Luchtkwaliteitskaart fijn stof (PM10) (Bron: Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland, RIVM)
Aanvullend wordt gesteld dat ook vanaf het huidige jaar (2020) wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor NO2 en fijnstof (PM10 en PM2,5). 5.3.3
Conclusie
Gezien het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt);
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Bestemmingsplan “Johan van Oldenbarneveltlaan 62, Zeist” Ontwerp • •
de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
De regelgeving omtrent buisleidingen is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Situatie plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.3 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (rode ster) en omgeving weergegeven.
Afbeelding 5.3
Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)
Uit de inventarisatie blijkt verder dat het plangebied: • • • • • 5.4.3
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; Er zich geen hoogspanningsmasten in het plangebied bevinden. Advies veiligheidsregio Utrecht
Op d.d. 19 maart 2020 heeft de veiligheidsregio Utrecht een advies op het plan gegeven. In het advies is aangegeven dat alle relevante zaken ten aanzien van externe veiligheid zijn meegenomen in het plan. Binnen
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Bestemmingsplan “Johan van Oldenbarneveltlaan 62, Zeist” Ontwerp het plan zijn geen risicobronnen aanwezig waarvoor een verantwoordingsplicht geldt voor het groepsrisico. Daarnaast is de bereikbaarheid van het plangebied goed en zijn de aanwezige bluswatervoorzieningen voldoende. Er is geen noodzaak tot het nemen van extra maatregelen. 5.4.4
Conclusie
Het plan is in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
5.5
Niet gesprongen conventionele explosieven
5.5.1
Algemeen
Bij planontwikkeling is het van belang om in beeld te brengen of er in het plangebied kans is op de aanwezigheid van bomkraters en blindgangers in beeld te brengen. Hiermee kan worden bepaald of er oorlogshandelingen in het plangebied zijn geweest. De aanwezigheid van deze zaken kan ervoor zorgen dat er een kans is op explosie. 5.5.2
Situatie plangebied
Hierna is in afbeelding 5.4 een uitsnede van de risicokaart ‘risicogebieden voor niet gesprongen explosieven’ opgenomen. Het plangebied is op deze kaarten met een rode ster aangeduid. Uit deze kaart blijkt dat er geen aanwijzingen zijn om bomkraters en/of andere oorlogshandelingen in het plangebied te verwachten. De kans op het aantreffen van niet gesprongen conventionele explosieven in de bodem wordt daarom nihil geacht.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Bestemmingsplan “Johan van Oldenbarneveltlaan 62, Zeist” Ontwerp Afbeelding 5.4 Uitsnede risicokaart voor niet gesprongen explosieven (Bron: Historisch onderzoek Bomkraters en blindgangers gemeente Zeist, Milieudienst Zuidoost Utrecht, december 2004)
5.5.3
Conclusie
Het aspect ‘niet gesprongen conventionele explosieven’ vormt geen belemmering voor dit planvoornemen.
5.6
Milieuzonering
5.6.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.6.2
Gebiedstypen
Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied is gelegen in een gebied waar sprake is van een matige of sterke functiemenging, namelijk een verscheidene centrumfuncties, enkele bedrijfsfuncties en woonfuncties. In dit geval wordt uitgegaan van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Milieucategorie
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Bestemmingsplan “Johan van Oldenbarneveltlaan 62, Zeist” Ontwerp 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
5.6.3
Situatie plangebied
0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
5.6.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.6.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Het voornemen ziet toe op het realiseren van 18 woonappartementen. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.6.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies (in de omgeving).
De dichtstbijzijnde milieubelastende functies in de omgeving betreffen het bedrijf direct ten westen van het perceel, de gemengde voorzieningen ten westen van het bedrijf en de centrumvoorziening ten oosten van het perceel. Hierna wordt op de functies ingegaan. Bedrijf
Milieucategorie
Afstand tot plangebied
2
Richtafstand (gemengd gebied) 10 meter
Garagebedrijf (handel in auto’s en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven) Maatschappelijke voorziening Centrumvoorziening
2
10 meter
18 meter
2
10 meter
25 meter
0 meter
De afstanden zijn gemeten tussen het bouwvlak van de beoogde woningen en de uiterste situering van de milieubelastende functies. Als de in de tabel genoemde afstanden worden vergeleken met de richtafstanden uit de VNG-uitgave, kan worden geconcludeerd dat aan de richtafstanden ten aanzien van de maatschappelijke voorziening en de centrumvoorziening worden voldaan. Andersom geldt dat deze bestaande omliggende bedrijven niet worden beperkt als gevolg van dit voornemen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Bestemmingsplan “Johan van Oldenbarneveltlaan 62, Zeist” Ontwerp Aan de richtafstanden voor het garagebedrijf voor de aspecten ‘geluid’ en ‘gevaar’ wordt niet voldaan. Daarom is in dit kader voor geluid een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Aangegeven dient te worden dat het onderzoek in het kader van een goede ruimtelijke ordening is uitgevoerd. Op basis van het bestemmingsplan mogen ter plaatse namelijk uitsluitend bedrijven in milieucategorie 1 ter plaatse zich vestigen. Het gaat hier echter om een bestaand garagebedrijf. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 3 van deze toelichting. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan: Uit het onderzoek blijkt dat na het plaatsen van een scherm langs de in-/uitrit wordt voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en aan de richtwaarden van stap 2 uit de VNGpublicatie “Bedrijven en milieuzonering” ter plaatse van de nieuwe appartementen. Geconcludeerd wordt dat het autobedrijf niet wordt belemmerd in zijn bedrijfsvoering door de realisatie van het nieuwe appartementencomplex en dat er sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Het autobedrijf vormt daarmee geen belemmering voor de realisatie van het plan aan de Johan van Oldenbarneveltlaan. De realisatie van dit scherm is juridisch geborgd in de regels en de verbeelding van dit bestemmingsplan.
Voor wat betreft het aspect ‘gevaar’ geldt dat er ter plaatse van het garagebedrijf geen sprake is van activiteiten die gevaar opleveren. Het is een zeer kleinschalig bedrijf, bovendien vinden de werkzaamheden inpandig plaats. Het bedrijf kent daarnaast geen groeimogelijkheden gezien het perceel volledig is bebouwd en er meerdere gevoelige functies rondom gelegen zijn. Tot slot wordt vermeld dat het aantal personen in het plangebied als gevolg van de wijziging van ‘bedrijf’ naar ‘wonen’ niet onevenredig toeneemt. Het aspect gevaar vormt dan ook geen belemmering. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.6.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de in dit project besloten ontwikkeling.
5.7
Ecologie
5.7.1
Algemeen
Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Hierna wordt separaat ingegaan op gebiedsbescherming en soortenbescherming. 5.7.2
Gebiedsbescherming
5.7.2.1 Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Nederland heeft aan de hand van een vergunningenstelsel een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde gronden aangewezen als Natura 2000gebied, zijn gelegen op circa 10 kilometer afstand van het plangebied. In dit geval is er door initiatiefnemer een stikstofberekening met behulp van de Aerius-calculator 2019 uitgevoerd. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van depositieresultaten boven de 0,00 mol/ha/jaar. Het plan
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Bestemmingsplan “Johan van Oldenbarneveltlaan 62, Zeist” Ontwerp heeft dan ook geen negatieve effecten ten aanzien van Natura 2000. De berekening is opgenomen als bijlage 4 van deze toelichting. 5.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied behoort niet tot het NNN. De dichtstbijzijnde gronden die zijn aangeduid als NNN liggen op minimaal 750 meter afstand van het plangebied. Hierdoor hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de NNN. 5.7.3
Soortenbescherming
Wat betreft de soortenbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In voorliggend geval is door Dresmé en van der Valk een Quickscan Natuurwaardenonderzoek uitgevoerd voor het plangebied. Het volledige onderzoek is bijgesloten in bijlage 5 bij deze toelichting. Hieronder worden de onderzoeksresultaten weergegeven. Omdat het plangebied volledig verhard is kunnen beschermde plantensoorten, vissen, amfibieën en reptielen, grondgebonden zoogdieren, insecten en ongewervelden op voorhand worden uitgesloten. Het gebouw bestaande uit een kantoorpand is als ongeschikt beoordeeld als verblijfplaats voor vleermuizen. Het gehele dak is plat en open stootvoegen of andere spleetvormige openingen die geschikt zijn als invliegopening ontbreken. Met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen op voorhand uitgesloten worden. Binnen het plangebied zijn geen bomen aanwezig, waardoor verblijfplaatsen in bomen kunnen worden uitgesloten. Een nader onderzoek of ontheffing van de Wet natuurbescherming is voor vleermuizen niet nodig.
De aanwezige gebouwen zijn ongeschikt als broedlocatie voor huismus en gierzwaluw, vanwege het ontbreken van geschikte holtes en openingen in de gevels en daken. Een nader onderzoek of ontheffing van de Wet natuurbescherming is ook voor huismus en gierzwaluw niet nodig. Omdat geen planten of bomen aanwezig zijn binnen het plangebied, worden geen algemene broedvogels binnen het plangebied verwacht. Ook ontbreken schoorstenen met geschikte holtes waar kauw of spreeuw tot broeden kan komen. Hoewel de kans zeer klein is dat een broedgeval binnen het plangebied optreedt, dient altijd rekening te worden gehouden met mogelijke aanwezige broedgevallen. Wordt een broedgeval aangetroffen, dan mag het nest en de kuikens niet worden verstoord. 5.7.4
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
5.8
Archeologie & Cultuurhistorie
5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Bestemmingsplan “Johan van Oldenbarneveltlaan 62, Zeist” Ontwerp archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied Op basis van de gemeentelijke archeologische beleidskaart is het plangebied aangewezen als grond met een lage archeologische verwachting. In gebieden met een lage archeologische verwachting wordt op basis van de bodemgesteldheid en/of de ligging ten opzichte van bekende of veronderstelde mogelijke bewoningszones geen archeologische resten verwacht. Er zijn geen doelstellingen voor het behoud. Het plangebied is kleiner is dan 10 hectare, waardoor er geen voorwaarden zijn voor behoud van archeologische resten. Geconcludeerd wordt dat archeologisch vooronderzoek niet noodzakelijk is.
Afbeelding 5.5
Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Zeist (Bron: Gemeente Zeist)
Indien tijdens de uitvoer van de werkzaamheden onverhoopt archeologische resten worden aangetroffen of resten waarvan redelijkerwijs het vermoeden bestaat dat dit archeologische resten zijn, dan dient dit zo spoedig mogelijk te worden gemeld bij het bevoegd gezag.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Bestemmingsplan “Johan van Oldenbarneveltlaan 62, Zeist” Ontwerp 5.8.2
Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie plangebied Binnen de begrenzing van het plangebied bevindt zich geen monumentale bebouwing. Voor het overige zijn er binnen het plangebied of in de omgeving van het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. 5.8.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat archeologisch onderzoek niet benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
5.9
Wateraspecten
5.9.1
Vigerend beleid
5.9.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.9.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen.
De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 5.9.1.3 Provinciaal beleid De provincie Utrecht heeft het beleid omtrent water vastgelegd in het Bodem-, Water- en Milieuplan 20162021. De provincie richt zich op een behoud en het verder verbeteren van het aantrekkelijk woon-, werk- en leefklimaat. Een provincie met krachtige steden en dorpen en een vitaal landelijk gebied de provincie ziet in dit verband de volgende drie belangrijke opgaven in het waterbeleid voor de lange en korte termijn:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Bestemmingsplan “Johan van Oldenbarneveltlaan 62, Zeist” Ontwerp •
• • •
Streven naar een robuust bodem- en watersysteem. Dit houdt in dat onder normale omstandigheden alle functies goed uitgevoerd kunnen worden en dat extreme situaties goed opgevangen kunnen worden. Streven naar bodem-, water- en milieukwaliteiten die passend zijn voor de functie van een gebied. Streven naar een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving, zodat de mogelijkheden die het natuurlijk systeem ons biedt ook in de toekomst gebruikt kunnen worden. Streven naar een gezonde leefomgeving, die een positieve bijdrage levert aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio.
Om deze doelen te bereiken worden in het beleid twee hoofdlijnen onderscheiden: • •
Focus op 4 prioriteiten Werken vanuit 6 basiskwaliteiten
De vier prioriteiten zijn: • • • •
Waterveiligheid en wateroverlast Schoon en voldoende oppervlaktewater Ondergrond Leefkwaliteit stedelijk gebied
De zes basiskwaliteiten zijn: bodemkwaliteit, waterkwaliteit, waterkwantiteit, lucht, geluid en externe veiligheid. De zes basiskwaliteiten zijn voorwaardelijk voor het uitvoeren van onze kerntaken en het realiseren van de ontwikkelopgaven en vormen een stevige basis voor een veilige, gezonde en duurzame woon-, werk- en leefomgeving. 5.9.1.4 Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden Waterkoers 2016-2021 Hoogheemraadschap heeft haar ambities en langetermijn visie vastgelegd in het waterbeheerplan Waterkoers 2016–2021 (http://www.waterschaponline.nl/hdsr/). De Waterkoers is een koersdocument om te sturen op hoofdlijnen met als overkoepelende doel Samen werken aan een veilige, gezonde en prettige leefomgeving. In de Waterkoers wordt op een niet-planmatige manier over het waterschapswerk gesproken. Waterschapswerk is hierbij breder dan enkel beheer van water. Water is een belangrijke pijler van een veilige, gezonde en prettige leefomgeving. Vanuit die achtergrond werkt Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden samen met de ruimtelijke ordening aan bescherming tegen overstromingen, een gezond grond- en oppervlaktewatersysteem en het zuiveren van afvalwater. Het minimale uitgangspunt voor planontwikkelingen is dat het plan hydrologisch neutraal moet worden ontwikkeld met als doel geen gevolgen voor de waterveiligheid, het grond- en oppervlaktewater en de waterkwaliteit en ecologie.
Daarmee wordt geborgd dat de ontwikkeling van het gebied met betrekking tot wateraspecten duurzaam is. Ruimtelijke adaptatie Het klimaat verandert: Hogere temperaturen, een sneller stijgende zeespiegel, nattere winters, heftigere buien en kans op drogere zomers. Daar moeten we, ook volgens het KNMI, in de toekomst in Nederland rekening mee houden. De verwachting van het KNMI is dat het klimaat in Nederland in 2050 ongeveer overeen zal komen met het huidige klimaat in Zuid-Frankrijk. Maar ook nu al is de klimaatverandering merkbaar. Extreme neerslag, droogte en hitte kunnen leiden tot maatschappelijke ontwrichting. Dit geeft aanleiding om aanpassing van de inrichting van de bebouwde omgeving aan het veranderende klimaat te agenderen en aan te werken. Dit beleid is vorig jaar vastgelegd in de Deltabeslissing voor Nederland. In de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie heeft het Deltaprogramma voorstellen opgenomen om de ruimtelijke inrichting van
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Bestemmingsplan “Johan van Oldenbarneveltlaan 62, Zeist” Ontwerp Nederland klimaatbestendig en waterrobuust te maken. Alle overheden en marktpartijen zijn daar samen verantwoordelijk voor. De Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie heeft als doel: • •
De bebouwde omgeving is in 2050 nog steeds aantrekkelijk om te leven; Uiterlijk in 2020 zijn ruimtelijke ingrepen klimaatbestendig opgebouwd en getoetst.
Klimaatverandering heeft effecten op grote schaal maar ook op de kleine schaal van een stad. Door de toenemende hoeveelheid verharding in steden wordt het steeds moeilijker om water makkelijk weg te krijgen. Door het grootschalig verharden van tuinen van particulieren neemt de kans op wateroverlast toe. 5.9.2
Waterparagraaf
5.9.2.1 Watertoets Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.9.2.2 Watertoetsproces Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). Uit de digitale analyse blijkt dat er geen grote waterbelangen zijn. De ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de belangrijkste minimale voorwaarde: “het standstill beginsel”. Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding ontstaat.
Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden adviseert positief over het ruimtelijk plan. Voor het watertoetsresultaat wordt verwezen naar bijlage 5. Hierna wordt op enkele relevante aspecten ingegaan. Hemel- en afvalwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater is infiltratie van water in de bodem het uitgangspunt, omdat dit het meest duurzaam is. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. Bij het infiltreren van schoon hemelwater in de bodem (afkoppelen) kan het afvalwater worden afgevoerd naar het vuilwaterriool/DWA. Afvoer hemelwater Hemelwater kan worden geïnfiltreerd in de bodem. In het waterbeleid is afvoer van overtollig hemelwater door middel van infiltratie in de bodem het uitgangspunt. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur.
Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Afvalwater kan worden afgevoerd naar vuilwaterriool/DWA-riool. Afvalwater Afvalwater wordt conform het gemeentelijk rioolbeleid verwerkt.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Bestemmingsplan “Johan van Oldenbarneveltlaan 62, Zeist” Ontwerp
5.10
Besluit milieueffectrapportage
5.10.1 Algemeen De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan);
•
Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3);
•
Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r., is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd.
5.10.2 Situatie plangebied 5.10.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 10 kilometer afstand van het plangebied. Uit de stikstofberekening is gebleken dat er geen sprake is van negatieve effecten ten aanzien van dit Natura 2000gebied, aangezien er geen sprake is depositieresultaten boven de 0,00 mol. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. 5.10.2.2 Stikstof De Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) is n.a.v. de recente uitspraak van de Raad van State (29 mei 2019) niet meer bruikbaar. Het aspect stikstofdepositie dient daarom ten aanzien van Natura 2000-gebieden nader te worden onderzocht. Projecten die stikstofuitstoot met zich meebrengen door een aanleg- bouwfase of door verkeersbewegingen dienen te worden onderzochten. Uit de stikstofberekening blijkt dat er geen sprake is van negatieve effecten van de ontwikkeling op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Het aspect ‘stikstof’ vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig plan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Bestemmingsplan “Johan van Oldenbarneveltlaan 62, Zeist” Ontwerp 5.10.2.3 Beoordelingscriteria conform bijlage III EU Richtlijn m.e.r. Inhoudelijk gaat de vormvrije m.e.r.-beoordeling in op de mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van het initiatief. Deze belangrijke nadelige gevolgen worden beoordeeld aan de hand van de selectiecriteria opgesomd in Bijlage III van de EEG-richtlijn Milieueffectbeoordeling, die drie hoofdthema’s noemt: • • •
De kenmerken van de activiteit; De plaats van de activiteit (ligging en samenhang met andere activiteiten (cumulatie)); De kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit kan hebben.
Hierna wordt kort aan deze kenmerken getoetst: Kenmerken van de activiteit Het voornemen betreft het realiseren van 18 appartementen. Bij de kenmerken van de activiteit dient in het bijzonder in overweging te worden genoemd: • •
De omvang van het project; hinder.
Omvang De ontwikkeling is gelet op de schaal van het project zeer gering van omvang. Het voornemen past in het streven naar passende kwaliteitsverbetering door middel van binnenstedelijke herstructurering, waardoor de kwaliteit fors verbeterd wordt. Geconcludeerd wordt dat dit project ver beneden de drempelwaarden van de m.e.r.- plicht blijft. Hinder Tijdens de uitvoering van het voornemen kunnen flora en fauna hinder ondervinden. Uit het ecologische onderzoek en de stikstofberekening is echter gebleken dat de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soort- of gebiedsbescherming leiden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden in het kader van soort- of gebiedsbescherming. Plaats van de activiteit Het plangebied is geheel binnen grondgebied van de gemeente Zeist gelegen op een bestaand bedrijfsperceel. Het gaat om een locatie die gelet op de bestemming en de al aanwezige functies reeds onderdeel is van het bestaande stedelijke gebied. De voorgenomen activiteit is niet gelegen in beschermd gebied in het kader van waterhuishouding of natuur.
Kenmerken van het potentiële effect Voor de beoordeling van eventuele belangrijke nadelige milieugevolgen van de voorgenomen activiteit moet, daar waar opportuun, rekenschap worden gegeven aan de volgende zaken: • Het bereik van het effect (geografische zone en de grootte van de getroffen bevolking); • Het grensoverschrijdende karakter van het effect; • De waarschijnlijkheid van het effect; • De duur, frequentie en de onomkeerbaarheid van het effect. Uit voorgaande paragraven is gebleken dat de ontwikkeling op de relevante milieuaspecten geen belangrijke structurele nadelige en onomkeerbare milieugevolgen met zich meebrengt. De ontwikkeling gaat wel gepaard met tijdelijke hinder als gevolg van bouwwerkzaamheden, maar deze zullen na afronding volledig vervallen. 5.10.2.4 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Bestemmingsplan “Johan van Oldenbarneveltlaan 62, Zeist” Ontwerp In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’ Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Gezien de drempelwaarden (bedrijfsvloeroppervlakte van 2000 woningen of meer) wordt geconcludeerd dat in dit geval geen sprake is van een directe m.e.r.-plicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Hiertoe dient de vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden gehanteerd. De in dit hoofdstuk beschreven onderzoeksresultaten voldoen niet alleen aan de onderzoeksverplichting van het besluit ruimtelijke ordening, maar kunnen ook worden opgevat als de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Er wordt dan ook geconcludeerd dat er in dit geval geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. 5.10.3 Conclusie In voorgaande subparagraven is een vormvrije m.e.r-beoordeling uitgevoerd. Op basis van deze beoordeling is geconcludeerd dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen te verwachten zijn.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Bestemmingsplan “Johan van Oldenbarneveltlaan 62, Zeist” Ontwerp
HOOFDSTUK 6 6.1
JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
6.2
Opzet van de regels
6.2.1 Algemeen In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 6.2.2
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •
Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.
•
Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
6.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemming. De regels zijn onderverdeeld in: •
Bestemmingsomschrijving: Hierin is de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan binnen deze bestemming opgenomen. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
Bestemmingsplan “Johan van Oldenbarneveltlaan 62, Zeist” Ontwerp •
Bouwregels: In deze regels zijn eisen opgenomen waaraan de binnen de bestemming voorkomende bebouwing aan moet voldoen. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd is hierin vastgelegd.
•
Specifieke gebruiksregels: In de specifiek gebruiksregels is bepaald welk gebruik van gronden en opstallen in elk geval strijdig is met of wordt toegestaan binnen deze bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd
6.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •