01-21RV041# Adviesrapport Inwoners Advies Commissie (Samen in Balans)
Tekst van het document
60
Bijlage 3.4 Grip op cijfers - 1 Figuur pagina 8 van “Rapportage cliëntervaringsonderzoek WMO 2016”
Adviesrapport van de IAC
61
Bijlage 3.4 Grip op cijfers - 2 Fraudebestrijding in de zorg
Adviesrapport van de IAC
62
Adviesrapport van de IAC
63
3.5 Monitoring gebruik voorzieningen Uitwerking voorstel De vraag naar hulpmiddelen en voorzieningen is toegenomen en de verwachting is dat de vraag de komende jaren o.a. door de vergrijzing alleen maar zal toenemen. Voor toewijzing en gebruik zien we daarom winst in een strakkere monitoring van het gebruik van toegewezen hulpmiddelen/ voorzieningen2: wordt de voorziening daadwerkelijk gebruikt? Is de geboden voorziening inderdaad wat diegene nodig heeft? Is iemands zorgvraag ondertussen veranderd? Deze voorzieningen zien we heel breed, maar willen we onderverdelen in: 1. Fysieke hulpmiddelen zoals rolstoelen, douchestoelen, trapliften e.d. 2. Toegekende uren begeleiding/hulp die vallen onder Wmo begeleiding, beschermd wonen en hulp en voorzieningen die vallen onder de Jeugdhulp. Zodra blijkt dat de hulpvrager een fysieke voorziening niet meer gebruikt/nodig heeft, wordt weer deze ingenomen/stopgezet en ingezet bij iemand anders. Voor de overige niet fysieke voorzieningen geldt het strak sturen op de doelen die in het plan van aanpak zijn opgenomen. Worden doelen niet bereikt dan is het de vraag of de geboden ondersteuning wel passend is. Ook helpt dit de aanvrager: het kan zijn dat de in eerste instantie bedachte hulp niet de juiste is maar dat de aanvrager dit zelf niet ziet of doorheeft.
Een blik van buiten kan dit inzicht geven en eveneens een mogelijkheid geven voor mensen die zich niet durven/kunnen uiten over de ontoepasbaarheid van de geboden middelen. Wat betreft fysieke hulpmiddelen: deze kunnen op deze manier dan eerder weer worden gebruikt, en staan niet onnodig lang ergens waar ze geen functie hebben3. Hoe? Er wordt een monitoringsplan opgesteld met input van betrokkenen in de levering van voorzieningen en de personen die dit zullen gaan uitvoeren. Dit kunnen consulenten van de Sociale teams zijn, of een nieuwe functie (het Sociale team is immers een ‘toegangsteam’). Punten waaraan gedacht moet worden: • Er dienen evaluatiemomenten te worden ingebouwd (bijvoorbeeld 3 maal per jaar), zodat actief wordt nagegaan of de geboden voorziening inderdaad is wat diegene nodig heeft en of iemands zorgvraag ondertussen is veranderd. Dit zou kunnen gebeuren mbv thuismonitoring en/ of zorg op afstand, maar zeker ook door een telefoontje. Niet iedereen is immers is (al) helemaal digitaal ingericht. Een andere vorm kan een korte vragenlijst zijn (per brief of per email). • De aangewezen persoon om deze evaluatie uit te voeren zou niet de consulent die de aanvraag heeft behandeld zijn, maar een collega. Vier ogen-principe om de brede blik en onpartijdigheid te behouden.
• De administratie van hulpmiddelen moet correct zijn en snel worden bijgewerkt (wat met de huidige apps en digitale mogelijkheden zeker mogelijk is). In deze registratie meldingen opnemen voor de hierboven genoemde evaluatiemomenten. Belangrijk hierbij is ook het structureel bespreken van de bevindingen met aanbieders. Zij hebben ook een belangrijke verantwoordelijkheid bij de effectiviteit van de voorzieningen en het betaalbaar houden van de zorg. Bij de evaluatie moet de informatie over de toekenning en afschaling van zorg nadrukkelijk op de agenda staan. Zo zijn er gevallen waarbij het tot stand komen van b.v. een correct aangepaste rolstoel een jaar tot anderhalf jaar duurde (Pers. communicatie & artikel BNNVARA14).
2H ierbij wordt ervan uitgegaan, dat de regels van toekenning van voorzieningen strak zijn geregeld,
zie ook https://vng.nl/sites/default/files/2020-12/het-verschil-durven-maken-1_1.pdf 3 https://www.nationalehulpgids.nl/nieuws/hulpmiddelen-beter-registreren/ 4h ttps://www.bnnvara.nl/kassa/artikelen/ellenlange-wachttijden-en-veel-fouten-met-hulpmiddelen; gelezen 15-3-2021;
gepubliceerd te 12-10-2019 Adviesrapport van de IAC
64
Effecten op de samenleving Verwachte effecten: • minder aankoop van nieuwe voorzieningen nodig • voorzieningen zijn minder lang nodig • beter hergebruik voorzieningen • verkorte wachttijden voor voorzieningen • juiste voorziening bij juiste persoon • aanbieders die zelf ook alert zijn om tijdig af te schalen.
Risico’s • Monitoren zou als ‘naar’ kunnen worden ervaren bij de hulpvragers. Klein risico en gelukkig goed op te lossen door monitoring goed en inzichtelijk op te stellen. Ook benadrukken dat dit in het voordeel van de inwoner is, er wordt maximaal gestreefd naar de juiste hulp. • Er zou een risico kunnen zitten in het begin van het traject: het opzetten van het plan. Voorstel: begin klein en met de voorzieningen waar met weinig extra moeite veel kan worden gewonnen. Gevolgen van afwezigheid van evaluatie van het gebruik van voorzieningen zijn nu zichtbaar. Juist nu worden er een aantal zaken gesignaleerd waaruit blijkt dat voorzieningen niet gebruikt worden en dan maar ergens staan, heel lang niet worden geretourneerd na een overlijden, of na retournering niet weer in gebruik worden genomen bij een nieuwe hulpvrager. Bij begeleiding die te lang duurt ontstaat afhankelijkheid. Werken aan zelfredzaamheid zou, waar mogelijk, het doel moeten zijn. Er ontstaat anders afhankelijkheid van de begeleider en afschalen wordt steeds lastiger. Iemand weer zelf verder laten gaan met behulp van sociaal netwerk is duurzamer. Evt ondersteunen bij opbouwen hiervan of vrijwilliger koppelen kan onderdeel van het begeleidingsplan zijn.
De verwachte besparing In eerste instantie heeft dit een investering nodig van meer uren om deze monitoring uit te voeren. Maar daarna: 1. Minder aanschaf (nieuwe) hulpmiddelen 2. Door juiste voorziening bij juiste persoon, ontstaan minder escalaties (dus minder zorgkosten) 3. Tijdig afschalen van begeleiding leidt tot minder benodigde uren. Voor fysieke hulpmiddelen wordt er omstreeks €550.000 uitgegeven in 2021. Wij zien hier in ieder geval mogelijkheid tot een besparing van 5-10% op deze kosten (punt 1. hierboven). Daarbij wordt er voor het toekennen van andere zorg in totaal €26,75 miljoen uitgegeven in 2021 (De kosten van Maatwerkvoorzieningen WMO, Maatwerkdienstverlening 18+ en de maatwerkdienstverlening 18-). Als hier alleen al 1% op bespaard kan worden zou dit al gaan om €267.500.
Adviesrapport van de IAC
65
3.6 Heldere en transparante toegang tot de juiste ondersteuning Uitwerking voorstel Het hulpaanbod in de Wmo en Jeugdhulp en algemene voorzieningen in de Gemeente Zeist vormt een woud aan mogelijkheden, aangeboden door vele instanties. Het risico is dat inwoners met een hulpvraag hierdoor niet snel de juiste hulp krijgen (zie ook bijlage 1 voor een praktijkvoorbeeld). Daarnaast is de vraag naar jeugdhulp en voorzieningen voor ouderen gestegen en wordt deze vraag alleen maar groter. Het doel van dit voorstel is daarom snelle en correcte toegang tot Wmo, Jeugdhulp én voorliggende voorzieningen5 voor die mensen die daarvoor in aanmerking komen. Dit kan als: 1. de routes naar de juiste zorg en richtlijnen voor iedereen helder en vastgelegd zijn: welk pad bij wie volg je voor welke vraag 2. er een goed inzicht is in de sociale basis en de beschikbaarheid van al gevestigde voorzieningen (niet geïndiceerde voorzieningen) 3. bij de medewerkers van de voorzieningen veel expertise is (bewerkstelligd m.b.v. vaste medewerkers die zijn bijgeschoold over de te lopen zorgpaden) 4. een aanvraag indienen online, telefonisch/videobellen of fysiek mogelijk is 5. de intake scherp is: de gemeente regelt passende hulp voor wie het zelf niet kan betalen of regelen, vanuit de principes van ‘re-enablement’6 6.
ondersteuning beschikbaar is op die plek waar dit nodig is: in de wijken (bijv voor ouderen), of gemeentehuis (die plek wordt nu gemist) 7. ondersteuning naar een oplossing leidt, en het aanbod geen winkel voor voorzieningen is 8. mensen in verbinding met elkaar worden gebracht, problemen los je niet op met enkel een beschikking. Dit kan leiden tot de volgende organisatorische opzet voor de toegang in de gemeente Zeist: • Eén helder, goed toegankelijk loket vòòrdat je bij een Sociaal Team of CJG team komt. Dus eerst wordt er gekeken of iemand geholpen kan worden met informele zorg. Dit kan door een wijk/ buurtondersteuner (verg. met de zorgondersteuner uit Austerlitz). Daarna kan als nodig worden doorgegaan met de route naar het Sociaal Team of CJG-team. Vervolgens heldere paden via korte procedures en evaluatie van het gebruik van de geboden hulp (zie ons voorstel ‘Monitoring’). • Zorgcoöperaties stimuleren en faciliteren (zoals Austerlitz zorgt), op wijk of buurtniveau Het doel wordt bereikt doordat: • geëvalueerd en onderzocht wordt met de betrokken buurtondersteuner en consulenten welke voorzieningen7 wel of niet worden aangeboden vanuit het principe van ‘reablement’8. En als deze voorzieningen worden aangeboden, hoe en door wie dit wordt aangeboden. Dit kunnen dus zeker ook vrijwilligersorganisaties zijn.
Daarbij wordt ook kritisch gekeken waar en hoe bestaande routes veranderd moeten worden om bovengenoemde doelen (1 t/m 8) te bereiken; • afspraken gemaakt worden tussen gemeenten, verwijzers en zorginstanties over toegang tot individuele ondersteuning; • deze kennis over de voorzieningen en zorgpaden die de gemeente aanbiedt voor welke zorgvraag en via welke routes (loketten/instanties) vervolgens helder wordt vastgelegd en toegankelijk gemaakt; • de consulenten en andere betrokken instanties worden bijgeschoold zodat ze dit proces ook gaan volgen;
5Z ie hiervoor als voorbeeld: Hoe Deventer de jeugdzorg wél kan betalen (en zelfs geld overhoudt) | Deventer | destentor.nl 6h ttps://vng.nl/sites/default/files/2020-12/het-verschil-durven-maken-1_1.pdf 7V oor een overzicht van de voorzieningen kan bijv gebruik gemaakt worden van https://zorg4zeist.nl 8H et verschil durven maken. November 2020; bezocht 16-3-2021; https://vng.nl/sites/default/files/2020-12/het-verschil-
durven-maken-1_1.pdf Adviesrapport van de IAC
66
• de website van de gemeente wordt aangepast zodat het ook voor de burger helder is of en hoe hij/zij ondersteuning kan krijgen. In de bijlage staat het voorbeeld van de gemeente Leiden. Dat vinden wij duidelijk. Waar dat mogelijk is wordt de mogelijkheid geboden om eea digitaal aan te vragen/te regelen. Denk aan videobellen, digitale formulieren aanbieden9.
Effecten op de samenleving Uitvoer van het voorstel bespaart tijd en geld: • De Zeister samenleving wordt sneller en met beter passende hulp geholpen. • Er zal meer hulp worden geboden vanuit de algemene voorziening, waardoor de instroom in dure Wmo- en Jeugdhulp-zorg vermindert. • Doordat de vraag sneller wordt opgepakt, kan mogelijke escalatie worden voorkomen. • Hulpvragers waarvoor geen hulp beschikbaar is, zullen geen onnodige en lange trajecten doorlopen. • Er worden minder mensuren besteed aan het vaststellen/bewerkstelligen van de gepaste hulp. Niet uitvoeren betekent: • De zorgkosten zullen blijven stijgen. • Het wordt steeds onduidelijker voor de samenleving waar je moet zijn voor welke zorgvraag (‘aanmodderen’/kastje naar de muur). Meer tijd, kosten, frustratie. • De burgers weten niet dat en hoe ze hulp kunnen krijgen bij hun problemen. Dit kan escaleren. • Voorzieningen (mens, materiaal, gebouwen) worden niet optimaal of juist ingezet waardoor kansen worden gemist om optimale zorg en ondersteuning te leveren.
Risico’s Risico’s van het voorstel: • Het gaat om een groot project met veel impact. Risico is dat het bij een plan blijft. - betrek daarom de juiste mensen bij het plan. Mensen die kennis van zaken hebben en belang hebben bij dit project. Sommige medewerkers zullen liever geen medewerking verlenen omdat het plan impact heeft op hun betrekking. Zorg voor bijscholing als onderdeel van het project. - belangrijk is goed projectmanagement en sturing op concrete meetbare resultaten. • Als er niets wordt gedaan, blijft de situatie zoals het is of wordt erger (onduidelijkheid, kastje naar de muur, groeiende kosten van instroom en van de betrokken instanties etc.).
De verwachte besparing Kosten: uitvoer van dit plan Baten: • Minder escalaties en dus inzet dure zorg. • Meer verwijzing naar voorliggend veld (wij schatten 1 op de 10 meldingen), dus 10% vermindering zorgkosten. • Minder mensuren nodig bij de gemeente Zeist en externe instanties om tot hulp (of afwijzing) te komen voor de aanvrager. • Schrappen van overbodig/overtollig voorzieningenaanbod. €
9V oor een voorbeeld zie Boekje_met_procesvoorbeeld_WMO-aanvraagformulier.pdf (begrijpelijkeformulieren.org) en bijlage 2
Adviesrapport van de IAC
67
Bijlage 3.6 Heldere en transparante toegang tot de juiste ondersteuning - 1 Petitie van de Algemene seniorenvereniging Zeist uit okt. 2020: “Een praktijkvoorbeeld van hoe het niet goed functioneerde……. Een lid van één van de ouderenorganisaties kreeg een beschikking voor een scootmobiel. Echter deze zomer duurde de levering eindeloos lang. Men was met vakantie…… Hij kon al die maanden niet meer zelfstandig naar buiten en zijn boodschappen doen. Dat was zijn grootste wens, weer mobiel en onafhankelijk van anderen te zijn. Samen met zijn dochter belden zij herhaaldelijk naar de Gemeente waarbij zij van de een naar de ander werden verwezen, zonder dat er uitzicht kwam op een oplossing. Een persoonlijk huisbezoek zou hierbij zeker geholpen hebben. Een tijdig face-to-face contact kan veel latere problemen voorkomen.”
Bijlage 3.6 Heldere en transparante toegang tot de juiste ondersteuning - 2 Website van Gemeente Zeist Het is niet helemaal duidelijk waar je moet zijn als je een bepaalde hulpvraag hebt (bijv op zoek bent naar een traplift)
Website van Leiden voorbeeldgemeente WMO10:
9L eiden voorbeeldgemeente bij uitvoering Wmo:: SP Leiden
Adviesrapport van de IAC
68
3.7 Preventie Jeugdzorg Uitwerking voorstel Activiteiten organiseren op middelbare scholen zodat scholieren en studenten een nuttige invulling hebben van hun tijd, en meer praktische vaardigheden leren. 1. Tussenuren worden gebruikt om activiteiten te organiseren voor leerlingen (met name de 1e en 2e klassen), denk hierbij aan sport, muziek, drama/theater. Deze activiteiten zullen worden georganiseerd door studenten die een opleiding volgen in soortgelijke richting. Dit kan worden georganiseerd in de vorm van stages of bijbanen voor de studenten (studenten komen in een ‘flexpool’). 2. Scholen kunnen meer activiteiten organiseren die kinderen praktische vaardigheden aanleren die ze nodig hebben in de nabije toekomst. Denk hierbij aan sollicitatietraining, maar ook lessen over het goed leren omgaan met geld. Ook moet er meer ruimte vrijgemaakt worden om voorlichting te geven als het gaat om roken, alcohol, drugs en gezonde voeding. 3. Leerlingen krijgen meer ruimte om maatschappelijke stages te lopen. Deze stages worden uitgevoerd bij bijvoorbeeld zorginstellingen. Op deze manier wordt de sociale cohesie verbeterd, namelijk door contact tussen scholieren en ouderen/hulpbehoevenden. 4. (in samenhang met punt 3) kan er een traject worden opgezet waarin jongeren de kans krijgen om bij verschillende ondernemingen te ‘werken’ in de vorm van vrijwilligerswerk. 5.
Leegstaande kamers in bejaardentehuizen kunnen worden benut als gratis kamers voor studenten, of jonge volwassenen. Die dan daarvoor zorg en werkzaamheden verrichten in de vorm van ‘vrijwilligerswerk’. Dit zorgt voor meer sociale cohesie en minder eenzaamheid voor ouderen.
Effecten op de samenleving Positieve effecten die het voorstel heeft op de maatschappij: • Leerlingen krijgen meer de kans om georganiseerd te sporten. Dit heeft een positief effect op de gezondheid van jongeren. • Vooral op leerlingen die in het eerste en tweede jaar zitten heeft dit een gunstig effect, namelijk het verkleinen van de overgang van de basisschool naar de middelbare school. • Leerlingen krijgen een beter beeld bij van wat er allemaal te doen is op de arbeidsmarkt dankzij de korte stages. Dit zal ze helpen bij het maken van een studiekeuze, het vergroot hun leefwereld en het zorgt ervoor dat ze meer ‘rolmodellen’ hebben in hun leven. • De bijbanen die ontstaan op middelbare scholen zijn erg nuttig voor studenten. Dit zorgt ervoor dat ze al werkervaring op kunnen doen en een nuttige tijdsbesteding hebben. Ook kan het extra geld dat ze verdienen ervoor zorgen dat ze minder hoeven te lenen, wat resulteert in een lagere studieschuld. • Vroege signalering als het met een leerling niet goed gaat. • Meer sociale cohesie onder jongeren en ondernemers/zorginstellingen (d.m.v. stages).
Risico’s Een risico dat kan ontstaan is dat er minder focus komt op de inhoudelijke vakken die leerlingen volgen op de middelbare school. Wanneer er geen goede balans is tussen deze vakken en de overige activiteiten zouden de scholieren achterstanden kunnen oplopen in hun schoolwerk. De risico’s die ontstaan wanneer er niks wordt gedaan: • Jongeren voelen zich niet thuis op de middelbare school en vallen tussen wal en schip. • Jongeren maken te weinig tijd vrij voor sport en ontspanning, wat resulteert in een ongezonde leefstijl en meer stress. • Jongeren zijn niet goed voorbereid op de gevaren van roken, alcohol en drugs. • Ontstaat hogere studieschuld voor studenten • Veel meer huishoudelijke hulpen enz. nodig in de oudere zorg verpleeg/bejaardenhuizen
Adviesrapport van de IAC
69
Bijlage 3.7 Preventie Jeugdzorg – Activiteiten op middelbare scholen als preventiemiddel van jeugdhulp. Het probleem: Wij zien op de middelbare scholen een probleem, dat leidt tot meer jeugdzorg. Veel jongeren hebben te maken met stress, depressie, burn-out of een ontwikkelingsstoornis. Een belangrijke reden hiervan is de prestatiedruk die jongeren hebben, en dat ze niet goed weten hoe ze hiermee moeten omgaan. Er veranderd veel wanneer jongeren van de basisschool naar de middelbare school gaan, en vaak zijn ze hier niet goed op voorbereid omdat de verandering erg groot is. Ook de transitie van de middelbare school naar een vervolgopleiding wordt door veel jongeren als stressvol ervaren, met name omdat ze hier nog niet klaar voor zijn en niet goed weten wat voor studie ze willen volgen. Onze oplossing: Scholen bieden activiteiten aan leerlingen aan om te zorgen voor een goede en gezonde tijdsbesteding, sociale cohesie te bevorderen, en de leerlingen goed voor te bereiden voor de toekomst. De vier verschillende vormen waarin dit kan worden aangeboden op scholen zijn genoemd in het format. Graag geven wij nog een toelichting op een aantal zaken. Het eerste punt gaat over het opvangen van de leerlingen tijdens tussenuren. Hiervoor willen wij studenten inzetten.
Het inzetten van studenten bevordert ook de sociale cohesie en zorgt ervoor dat het netwerk van de scholieren wordt uitgebreid. Tijdens de tussenuren kunnen de leerlingen bijvoorbeeld sport, muziek, kunst of drama volgen. Het tweede punt gaat onder andere over voorlichting geven. Ook hiervoor kunnen studenten worden ingezet. Studenten van opleidingen als pedagogiek en social work kunnen worden ingezet om voorlichtingen te geven aan scholieren met betrekking tot een gezonde leefstijl en de overstap naar een vervolgopleiding. Ook kunnen zij het gesprek aangaan over prestatiedruk en dat jongeren niet perfect hoeven te zijn. Studenten staan veel dichter bij leerlingen, omdat het leeftijdsverschil minder groot is en ze dus ‘elkaars taal begrijpen’. Wanneer scholieren met problemen te maken hebben zullen zij eerder hierover spreken met studenten, wat leidt tot een vroege signalering. De studenten worden voornamelijk ingezet in de vorm van een bijbaan. Er kan een soort ‘flexpool’ komen waar leerlingen met relevante opleidingen op kunnen solliciteren. Vervolgens kunnen zij aangeven wanneer zij willen werken en worden ze ingepland om te werken op verschillende middelbare scholen in de gemeente Zeist. Ook studenten die stage moeten lopen kunnen worden ingezet voor deze activiteiten.
Het derde en vierde punt gaan over stages (3e maatschappelijke stages en 4e stages in samenwerking met ondernemingen) De stagetrajecten hebben als doel om leerlingen al op jonge leeftijd kennis te laten maken met de arbeidsmarkt. Daarnaast helpen deze stages het imago van vrijwilligerswerk te verbeteren. Enkele van de voordelen op een rij: • Jongeren krijgen een groter verantwoordelijkheidsgevoel • Jongeren krijgen de kans om iets voor anderen te betekenen • Scholieren kunnen al werkend concrete leerdoelen realiseren • Het helpt leerlingen bij het kiezen van een vervolgstudie • Middelbare scholen breiden hun netwerk uit Uitwerking: De uitwerking ligt deels bij de scholen en deels bij de gemeente (afdeling jeugdzorg). Wanneer het eenmaal loopt kunnen scholen zelf studenten werven, via contacten met Pabo, HBO en MBO. Het traject van de stages kunnen bijvoorbeeld in samenwerking met MeanderOmnium (de vrijwilligerscentrale) worden opgezet. Zij kunnen de verbindende schakel zijn tussen de middelbare scholen en ondernemingen/maatschappelijke organisaties. Het is de bedoeling om er voor te zorgen dat de uitval of tussenuren van de leerlingen niet de oorzaak zal zijn dat daardoor problemen ontstaan. Het moet juist ontspanning en verbinding tot stand brengen.
Adviesrapport van de IAC
70
Voorbeeld 1. Bliksemstage JINC (voorbeeld van hoe de stage eruit kan komen te zien) Bliksemstages: https://www.jinc.nl/mijnjinc/jinc-projecten-voor-vrijwilligers/bliksemstage/ Dit concept kan worden toegepast op scholen in Zeist (wanneer middelbare scholieren meer tijd en ruimte krijgen om stages te lopen), om leerlingen te helpen hun sociale contacten uit te breiden en te zien wat de arbeidsmarkt te bieden heeft. Dit verlaagt voor hun de drempel tot het zoeken naar bijbaantjes en helpt ze bij hun studiekeuze. Wanneer jongeren stage gaan lopen bij lokale ondernemers stimuleert dit de sociale cohesie tussen jongeren en ondernemers in Zeist. Voorbeeld 2. Project Launch Your Future (een langer stagetraject) Dit project kan worden gebruikt als voorbeeld en verder worden uitgewerkt, maar dan in samenwerking met ondernemers in de gemeente Zeist. De jongeren doen waardevolle werkervaring op en breiden hun sociale netwerk uit. Zie uitleg over dit project: https://www.vrijwilligerscentralezeist.nl/launch-your-future
3.8 Van wijk naar buurt – Concept Austerlitz Zorgt Uitwerking voorstel Ontmoeten als basis: Het huidige zorg- en ondersteuningssysteem gaat uit van allerlei soorten individuele zorg en hulp, maar het regelmatig ontmoeten van mensen en het vinden van aansluiting (positieve klik) bij gelijkgestemden is voor eigen kracht belangrijker dan het verwijzen naar hulpverleners, elkaar ontmoeten is het startpunt voor het zelf oplossen van problemen of het organiseren van sociale netwerken (goede en duurzame contacten opbouwen en onderhouden). Het belangrijkste is dat de wijken goed ingedeeld worden in buurten en dat er 1 of 2 professionele krachten een soort van eindverantwoordelijkheid hebben, maar ook dat zij de vrijwilligers goed sturen en informatie verstrekken. Er is ondertussen wetenschappelijke onderbouwing dat een dorpsondersteuner of buurt assistent kostenbesparend is, dit is terug te vinden op: https://www.rug.nl/aletta/blog/de-dorpsondersteunerverhoogt-het-welzijn-en-verlaagt-de-zorgkosten-27-02-2020 Conclusie: Uit het onderzoek blijkt dat de maatschappelijke en economische baten van de dorpsondersteuner groter zijn dan de maatschappelijke en economische kosten. De dorpsondersteuner verhoogt het welzijn van dorpsbewoners en verlaagt de zorgkosten. Dat is goed voor iedereen in de regio!
Effecten op de samenleving Mocht dit voorstel worden uitgevoerd zal het de betrokkenheid in de buurt enorm vergroten. Door vrijwilligers in te zetten uit de buurt leert men elkaar kennen, geef deze vrijwilligers een scholing/training waardoor zij hun werk nog beter kunnen doen, en wordt het laagdrempelig. Je volgt de bewoner meer in zijn gevoel en problemen of zorgvragen, worden eerder gesignaleerd waardoor er kosten bespaard kunnen worden op professionele zorg. Als het voorstel niet uitgevoerd wordt blijven kwetsbare mensen uit beeld en zal de gemeente blijven opdraaien voor de hoge kosten, bv regiotaxi, dagbesteding zorgkosten.
Risico’s Risico bij uitvoeren: dat er niet voldoende tijd gegund wordt en het project hierdoor niet slaagt, het zou kunnen dat er eerst onkosten gemaakt moeten worden voor het zich op termijn terugverdiend. Risico niet uitvoeren: dat de kwetsbare mensen niet in beeld komen en vroegtijdige signalering hierdoor wegvalt en dat men naar de professionals moeten wat veel geld kost.
Adviesrapport van de IAC
71
Bijlage 3.8 Van wijk naar buurt, concept Austerlitz Van wijk naar buurt heb je goede en duurzame contacten nodig om een project als bv Austerlitz zorgt te kunnen slagen in de wijken van Zeist!! Wettelijke verankering van de Right to Challenge biedt toenemende mogelijkheden om nieuwe initiatieven duurzaam te verankeren. Via dit recht kunnen bewoners taken van de lokale overheid of van een zorg - of welzijnsorganisatie overnemen als zij aantonen dit in hun eigen buurt, wijk beter te kunnen doen. We hebben AZ als goed voorbeeld, zij hebben een dorpsondersteuner waar iedereen, en echt iedereen terecht kan voor vragen rondom zorg en welzijn. Door de wijken in een goede buurt te onderverdelen en hier gericht naar de bewoners gaat kijken, leer je buurt kennen, kunnen problemen sneller aan het licht komen en kan men de juiste hulp toepassen (zie Ontmoeten als basis in het format) of eventueel door te sturen. Voor dat je zo’n project goed uit de startblokken kunt laten gaan is het belangrijk dat er goede communicatie naar de bewoners van de buurten wordt gedaan, laat studenten, die veelal voor school, vooronderzoek in de buurten doen, wat kan gerealiseerd worden, waar lopen de buurten tegenaan? Door de inzet van studenten kun je een duur onafhankelijk bureau achterwege laten dus een besparing. Geduld en duurzame contacten zijn hierin belangrijk.
Geef de projecten de kans om zich goed te ontplooien, vanuit daar kun je duurzame contacten opbouwen in de buurt. Het onderkomen voor een project als deze zoveel mogelijk per buurt samenvoegen ipv nu vele wijkservicepunten en inloophuizen, maakt dit centraal in 1 gebouw zodat hiermee kosten bespaard kunnen worden, dit zien we in Utrecht Oost ook heel mooi terug. Kostenbesparing: • De kostenbesparing heeft doorberekening nodig omdat er vele posten zijn die het project kunnen betreffen, te denken aan de WMO regelingen! • Kosten voor dorpsondersteuner en vrijwilligers, hoeveel geld is daar nodig voor aanstellen van een dorpsondersteuner en kosten voor de vrijwilligers, scholing, vergoeding ect. • De kosten voor benodigde faciliteiten! • Organisatiekosten!
Adviesrapport van de IAC
72
Wonen en Duurzaamheid 4.1 Afkoppelen Uitwerking voorstel Het idee is om bij meer gebouwen het regenwater af te koppelen van het riool. Door het afkoppelen kan hemelwater op de locatie zelf worden vastgehouden en kan daar de bodem intrekken. Dit is gunstig voor ons bodemwatersysteem en gaat droogte tegen. Op dit moment komt het hemelwater in de meeste gevallen in het riool terecht. Het hemelwater kan veel beter in de natuur terechtkomen. Dit water is doorgaans schoon en het is onnodig kostbaar om het af te voeren naar de rioolwaterzuivering. Door de klimaatverandering zal er in de toekomst meer regenval zijn en ligt er overbelasting van het bestaande afvoerstelsel op de loer. Er is daardoor ook meer risico dat bij de waterzuivering overstorten plaatsvinden, wat grote schade kan aanrichten aan het waterleven. Afkoppelen kan dit voorkomen en zal er daarnaast voor zorgen dat er geen grote uitgaven gedaan hoeven worden aan het vergroten van de capaciteit van het bestaande rioolstelstel, wat een zeer kostbare maatregel is. Om hoge investeringen te voorkomen, is het advies om eerst af te koppelen waar het makkelijk is en waar niet teveel kosten aan zitten. Afkoppelen ondersteunen kan op verschillende manieren: • Mensen ondersteunen zelf af te koppelen d.m.v.: - Vragen om een kleine eigen bijdrage en de maatregel als gemeente zelf uitvoeren.
- Korting geven op rioolheffing als ze afgekoppeld zijn - Gratis regentonnen (eventueel gesponsord) - Voorlichting • Op groter niveau afkoppelen: • Gebiedsgerichte projecten organiseren of het afkoppelen meenemen in bijvoorbeeld een her constructie van een weg. • De gemeente maakt afspraken met woningcorporaties, bedrijventerreinen en agrarische belangenverenigingen. • Nieuwbouw is al verplicht om hemelwater te scheiden van het riool.
Effecten op de samenleving • Het is dus goed voor de natuur. Op langer termijn zal het afkoppelen ervoor zorgen dat het grondwaterpeil weet omhoog gaat, wat een zeer positief effect zal hebben op onder andere de Utrechtse Heuvelrug. Door klimaatverandering wordt het risico op droogte namelijk steeds groter, met alle gevolgen van dien. • Door af te koppelen zal het rioolstelsel minder belast worden, waardoor risico op wateroverlast en overstorten vermindert. • Financiële besparing op langer termijn: Schade door overlast van riool voorkomen is goedkoper dan herstellen. Daarnaast kan er bespaard worden op het riool omdat deze op langer termijn niet vergroot hoeft te worden. De meest kostenneutrale manier om (grootschaliger) af te koppelen is door af te
Adviesrapport van de IAC
73
koppelen wanneer er wegrenovaties plaatsvinden. Afkoppelen is een groot onderdeel van de verduurzaming van Zeist en levert daarmee op langer termijn veel grote voordelen en besparingen op. • Als mensen regentonnen aansluiten kunnen ze het opgevangen water gebruiken voor verschillende doeleinden (bijv. water voor planten en tuin) en dit zorgt voor een besparing op het gebruik van gronden kraanwater. • Verder is het een voordeel voor de waterzuivering, dat minder afvalwater te zuiveren zal hebben. Dat kan de kosten van zuivering ook verlagen.
Risico’s • Particulieren zelf hun regenwater af laten koppelen is lastig, hier moet breed draagvlak voor zijn. Uit andere projecten blijkt dat inwoners hierin meestal ontzorgd willen worden en woningeigenaren vaak bereid zijn een kleine bijdrage te betalen hiervoor als de gemeente het afkoppelen op zich neemt. • Het levert mogelijk in de eerste 5 jaar nog geen geld op, wat het een investering maakt voor besparing op langere termijn. • Het plan heeft effect op de inwoners van Zeist, de waterzuivering en de flora en fauna.
Verwachte besparing De besparing is niet in euro’s te vatten omdat dat erg afhankelijk is van meerdere factoren. De besparing zou zijn op gebied van: • Besparing op kosten bij wateroverlast. • Besparing op kosten bij droogte (schade aan groen etc. door de laag grondwater wordt tegengegaan door hemelwater te laten infiltreren in grond). • Minder kosten voor vergroten riool wat op termijn ook niet meer kan t.o.v. de grootte van buien. • Besparing op waterzuivering.
4.2 GFT afval Uitwerking voorstel Het huidige schema van gft-afvalinzameling is niet optimaal, momenteel wordt het in de winter tweewekelijks opgehaald, en in de zomer wekelijks. Ons idee is om dit aan te passen naar 1 keer per 4 weken in de winter en 1 keer per twee weken in de zomer. Dit zorgt ervoor dat er 9 keer minder vaak gft opgehaald hoeft te worden gedurende het jaar. Wij verwachten dat dit mogelijk is omdat uit de cijfers van RMN blijkt dat er vaak halflege of lege bakken worden geledigd. Daarnaast zou de gemeente actief moeten communiceren dat het mogelijk is om een gratis 2e Gft-container aan te vragen voor als je te weinig capaciteit hebt.
Effecten op de samenleving In 2020 is de zomerinzameling al niet doorgegaan i.v.m. corona. Het effect bleek toen beperkt. Het leverde wel wat klachten op echter staan deze niet in verhouding met de potentiële besparing. 200 klachten op de 70k inwoners. Wij verwachten met het minder vaak inzamelen in de winter weinig tot geen weerstand.
Risico’s In de zomer is meer kans op stankoverlast vanwege het warme weer in combinatie met de GFT. Er zijn echter wel manieren om er op individueel niveau voor te zorgen dat de GFT bak minder gaat stinken, dit zou ook gecommuniceerd moeten worden.
Verwachte besparing De totale besparing zal hiermee komen op €100.000,-. (De extra zomerinzameling kost volgens het RMN €70.000,- dit waren 6 ritten. Dit komt neer op €11.000,- per rit. €11.000,- X 9 ritten = €100.000,-)
Adviesrapport van de IAC
74
4.3 Belasten ophalen grof vuil Uitwerking voorstel Het ophalen van grofvuil zou niet langer kosteloos zijn maar €20,- gaan kosten. Dit omdat kosteloos ophalen van afval bewoners niet stimuleert om afval gescheiden aan te bieden bij het afvalstation, wat voor onnodige kosten zorgt. De €20,- is bijna kostendekkend maar moet vooral werken als ontmoediging. Dit bedrag is even hoog of lager in vergelijking tot de buurtgemeentes, het landelijk gemiddelde ligt op €25,-. Door goed te communiceren met o.a. infographics en ook uitleg te geven met cijfers van de kosten en besparingen verwachten wij minimale weerstand van de inwoners.
Effecten op de samenleving Ophalen van het grofvuil aan huis verdwijnt in een perswagen, dit restproduct kost de gemeente meer geld om te verwerken (zie tabel). Als het grofvuil gescheiden bij het afvalstation was ingeleverd waren de verwekingskosten lager geweest + de kosten van de ritten van de perswagen. Ook weet men niet dat er gratis een aanhangwagen te leen is bij het afvalstation. De €20,- is dan ook niet om te straffen maar het zijn gewoon de kosten die er voor gemaakt worden. Hiernaast heeft het ook nog een grote belasting op het milieu omdat het rest product niet gerecycled kan worden + uitstoot perswagen.
Risico’s Dit idee is in 2018 reeds met succes geïntroduceerd in het grootste deel van Zeist, echter bleek dat in Zeist-Noord meer illegale dumping heeft opgeleverd. Wij verwachten dat er door een betere communicatie en meer handhaving het risico zo veel mogelijk ondervangen kan worden.
Verwachte besparing De totale besparing zal hiermee komen op €230.000,Verwerkingskosten / opbrengsten (in € / ton) Restafval
- 137
Grofvuil
- 248
GFT
- 85
Glas
+ 24
Papier
+ 45
PMD
+ 245
4.4 Afschaffen extra zomerinzameling GFT Uitwerking voorstel Naar aanleiding van de suggestie van de RMN ondersteunen wij het voorstel om tijdens de zomermaanden geen extra GFT afval op te halen. Dit was een service maatregel wat vooral bedoeld was om eventuele stankoverlast tegen te gaan. Uit het feit dat afgelopen jaar de extra zomerinzameling ook niet door kon gaan door corona blijkt dat de extra rondes GFT inzameling geen extra GFT opleveren. Het zou dus gezien kunnen worden als een servicemaatregel die niet noodzakelijk is en dus makkelijk afgeschaft kan worden om geld te besparen, zonder grote gevolgen voor de leefomgeving. Vanaf eind mei toe half augustus zeer regelmatig inwoners informeren d.m.v. nieuwsbrief of krant en op de websites van RMN en de gemeente Adviesrapport van de IAC
75
dat de zomer inzameling is afgeschaft. De reden hier toe en tips geven over hoe men de eventuele stankoverlast kan beperken.
Effecten op de samenleving Extra rondes GFT ophalen levert geen extra GFT op. De extra rondes hebben daarom geen bewezen meerwaarde. Het effect van het afschaffen is vooral het besparen van geld. Sommige inwoners zullen wellicht moeten wennen.
Risico’s Er is meer kans op stankoverlast vanwege het warme weer in combinatie met de GFT. Dit kan voor sommige inwoners onprettig zijn. Er is dus risico dat er klachten binnenkomen van ontevreden inwoners. Er zijn echter wel manieren om er op individueel niveau voor te zorgen dat de GFT bak minder gaat stinken.
Verwachte besparing € 70.000,00
4.5 Afschaffen zomeravondopenstelling recyclingstation Uitwerking voorstel Naar aanleiding van de suggestie van de RMN ondersteunen wij het voorstel om zomer avond openstelling af te schaffen. Dit was een service maatregel wat vooral bedoeld was om inwoners tijdens hun vakantie bij opruim- en bouwactiviteiten de gelegenheid te geven hun afval snel af te voeren. Uit onderzoek blijkt dat er zeer beperkt gebruik is gemaakt van de avondopenstelling. Het zou dus gezien kunnen worden als een servicemaatregel die niet noodzakelijk is en dus makkelijk afgeschaft kan worden om geld te besparen, zonder grote gevolgen voor de leefomgeving.
Effecten op de samenleving Bewoners van de gemeente Zeist kunnen niet meer ‘s avonds hun grofvuil wegbrengen.
Risico’s Grofvuil zou op de straat gezet kunnen worden. Echter verwachten wij niet, dat met een avond te stoppen, dit direct gaat gebeuren. Dus een zeer gering risico.
Verwachte besparing € 12.000,00
4.6 Composteren Uitwerking voorstel Op dit moment worden jaarlijks zakken met compost uitgedeeld aan burgers van Zeist. Hier profiteren 3000 burgers. Hier ontstaat altijd een enorme run op. Hoewel het idee was om burgers over te halen om afval te scheiden en iets terug te doen voor de burgers, profiteert maar een klein deel van Zeist hiervan. Het voorstel is om hier mee te stoppen en het composteerbedrijf te verzoeken het Zeister compost aan te bieden aan de Zeister tuincentra. Adviesrapport van de IAC
76
Workshop composteren moeten door blijven gaan, om milieu educatie voor de burgers. Compostbak naast de GFT bak Op basis van vrijwilligheid burgers de keuze laten of zij een kleinere groenbak en/ of een compostbak willen hebben. Leveren ze de grotere groenbak in, betalen ze jaarlijks minder afvalstoffenheffing. Extra educatie is hierbij noodzakelijk.
Effecten op de samenleving • • • •
Compost uit eigen gemeente wordt aangeboden via lokale tuincentra Kostenneutraal composteren Korte cyclus blad/gft afval omzetten in compost, en weer verdelen over grond Minder gft afval en dus minder uitstoot van CO2 door ophaaldienst
Risico’s Enkele burgers zullen ontevreden zijn dat ze hun jaarlijkse zakje gratis compost moeten missen.
Verwachte besparing € 13.300,00
4.7 Minder bladblazen en minder maaien van gras en bermen Uitwerking voorstel Bladblazen Het idee is om waar mogelijk minder blad te blazen, zonder af te doen aan de veiligheid. Dit betekent bijvoorbeeld minder bladblazen in de natuur, grasvelden en parken. Bestrating moet i.v.m. de veiligheid uiteraard wel bladvrij gemaakt worden. Er moet wel eerst onderzocht worden waar er minder geblazen kan worden. Motorische bladblazers zijn ontzettend vervuilend (1 uur bladblazen zou gelijk staan aan 1700 km autorijden), dus minder blazen zou enorm besparen op CO2-uitstoot. Ze zijn dodelijk voor insecten en daardoor ook voor de vogels die van de insecten afhankelijk zijn. Daarnaast worden bladeren normaal omgezet tot natuurlijk mest (met behulp van insecten) waardoor de bodem vruchtbaar blijft. De gemeente en de BIGA groep moeten continu alert blijven op de technologische vooruitgang van bladblazers die elektrisch worden aangestuurd, om zodra het mogelijk is over te gaan op elektrisch bladblazen. Dus: bladblazen waar het moet en laten liggen waar het kan. Maaien Op dit moment worden de bermen twee keer per jaar gemaaid, ons advies is om maar één keer te maaien, en dan pas eind september of oktober. Zeker niet in het voorjaar maaien.
In de bermen zijn er veel verschillende planten en geneeskruiden (vingerhoedskruid, duizendblad, brandnetel, gulde roede, herderstasje, kamille, paardenbloem, etc.) waarvan sommige met uitsterven bedreigd worden. Ze zijn nota bene belangrijk voor de biodiversiteit. Door later in het jaar te maaien kunnen zaden nog verspreid worden en is er kans voor dieren en insecten (en mensen) om gebruik te maken van de planten. Daarnaast adviseren we om te onderzoeken of ook de gazons ook minder gemaaid kunnen worden, bijvoorbeeld vijftien keer in plaats van twintig keer per jaar. Voorlichting Wellicht moet er voorlichting komen om de burger op de hoogte te stellen van het nieuwe maai- en bladblaasbeleid. Dit kan bijvoorbeeld via een nieuwsbrief, website of krant. Adviesrapport van de IAC
77
Effecten op de samenleving Bladblazen • Minder geluidsoverlast door bladblazers • Meer blad in het zicht • Minder bladblazen zorgt voor minder uitstoot en minder verstoring van ecosystemen. • Meer biodiversiteit en beter leefmilieu van mensen en dieren. Maaien • Goed voor verspreiding van zaden. • Meer biodiversiteit en beter leefmilieu van mensen en dieren.
Risico’s • Inwoners kunnen het aangezicht slordig vinden • Onderzoek kost geld • Overwaaiend blad op de straat • Elektrische bladblazers zijn nog geen optimale apparaten, daarmee onhandig • Voorlichting kost ook geld
Verwachte besparing • Maaien: mogelijkheid op rond de 75.000 tot 90.000 euro aan besparing per jaar, als we uitgaan van 5 tot 6 keer minder maaien. • Bladblazen: 10% minder bladblazen zou al 38.800 duizend euro per jaar besparen. Bij elkaar zou dit 150.000 tot 165.0000 euro besparing op kunnen leveren per jaar. (Over een tijdsbestek van 5 jaar gaat dit dus over een besparing van 750.000 tot 825.000 euro.)
Woonbehoeftes Wat zou het toch mooi zijn als wij in Zeist konden zeggen: onze jongeren kunnen zelfstandig wonen, onze ouderen hebben voldoende mogelijkheden om hun eengezinswoningen te verlaten en in mooie appartementen te gaan wonen. En zo brengen we de doorstroom op gang. Gemeente Zeist maakt van de woonvisie een concreet doel, zorgt voor meer invloed op grondposities, stelt voorwaarden om meer sociale huurwoningen en meer middenhuur woningen te bouwen. Met gemengde woonvormen van jongeren, alleenstaanden en ouderen voorkomen we eenzaamheid en beheersen ze van WMO-kosten. Daarnaast stimuleert de gemeente de transformatie van bedrijfspanden en de ontwikkeling van tiny-houses, door wijzigingen in de bestemmings- en omgevingsplannen.
Samenvatting Woonbehoeftes (doorstroming, transformatie en tiny houses) De woningmarkt zit op slot, landelijk en lokaal. Er is een groot tekort aan passende woningruimte, zowel in de huur- als koopsector. De gemeente zet in haar beleid in op de middenklasse, echter de behoefte aan passende woonruimte vanuit jongeren en ouderen is eveneens nijpend. Het aantal een- en tweepersoonshuishoudens zal toenemen in de komende jaren, vooral onder ouderen. Het beleid van de overheid om ouderen langer thuis te laten wonen en zorg vaker te laten verlenen door mantelzorgers staat op gespannen voet, zeker gezien de demografische ontwikkelingen. Er is nauwelijks aandacht voor een oplossing voor de doorstroomproblematiek. Deze aanpakken, met als resultaat het voorkomen van eenzaamheid en het beter beheersen van de kosten van de WMO, kan de transformatie van woningen, naast kantoren, versterken, daar in begrepen de gelegenheid geven aan alternatieve woonvormen als Tiny houses. Hulp zal nodig zijn bij de financiering door gemeente, wat mogelijk moet zijn gezien haar solvabiliteit en de goedkoopte in de kapitaalmarkt.
Adviesrapport van de IAC
78
• Meer smart maken doelen • Van passieve naar actieve aansturing • Bestemmingsplan richten op woon-zorg en levensloopbestendige woningen • Meer ruimte voor alternatieve woningbouw (tiny houses/ knarrenhof )
Woonvisie
Meerjarig Perspectief Stedelijke Ontwikkeling (MPSO)
• • •
Meer kleinere woningen voor een- en tweepersoonshuishoudens Doorstroming - beter benutten woonvoorraad Aansluiten in MPSO op discrepantie woonbehoefte
Grondexploitatie (in enge zin)
Bezittingen Grondbedrijf
Gemeente met faciliterende rol
Status Projecten
aantal
scope
omvang m2
sociaal
goedkoop
middel
duur
Grondexploitatie (eng)
6
volledig
92.831 m2
125
7
98
44
Grond bedrijf
3
niet volledig
2.900 m2
15
6
10
0
Faciliterende rol , grond ontwikkellaars
20
niet volledig
400.000 m2
429
0
382
250
Overige
7
niet volledig
onbekend
636
285
236
175
1205
298
726
469
36
Bovenstaand overzicht, een samenvatting uit MPSO, is niet compleet qua projecten en aantallen woningen: zo ontbreken Kerkebosch en Het Loo (Austerlitz) (geen informatie van opgenomen). Overzicht aantal bewoners en Huishoudens met geplande groei Aantallen
2019
2025
2030
2035
2040
Bewoners
63970
65160
66370
67550
68490
Huishoudens
29090
29890
30570
31200
31600
Bewoners
1190
1210
1180
940
Huishoudens
800
680
630
400
Toename
Er is een behoorlijke discrepantie tussen woonbehoefte en mogelijke oplossingen de komende jaren.
Adviesrapport van de IAC
79
Concrete invullingen
Grondbedrijf
Gemeente met faciliterende rol
• •
Nijenheim / de Grift – verdere invulling Lokaties Tiny houses extra 4 stuks
• Doorstrooming - beleid aanpassen en maatregelen activeren • Transformatie levensloopbestendig wonen: Eigen woning / appartement /woonzorg • Leegstaande Kantoor – villapanden o.a.: - Villa en buitenplaats Beeklust, nr. 84G - Villa en buitenplaats Veldheim, nr. 69 - Triodosbank Hoofdgebouw en kantoren
Details van de verschillende plannen treft u aan in 3.1 Tiny Houses 4.08 Sleutel tot succesvolle doorstroming 4.14 Tiny houses en hoogbouw 4.15 Transformatie project 1 4.16 Transformatie project 2 4.17 Transformatie project 3
Risico’s Heldere afspraken worden gemaakt over tal van zaken bij projecten die worden gestart. Risicobeheersing is hierbij van groot belang. Risico’s worden beheerst. • De werkzaamheden voor het woonrijp maken zullen worden aanbesteed (aanbestedingsrisico). • Het woonrijp maken inclusief de aanleg van het object wordt uitgevoerd terwijl het object al in gebruik is. (faseringsrisico). • Locaties waren fabrieken of mogelijk grondvervuilende objecten hebben gestaan en bodemsanering moet plaatsvinden (saneringsrisco – in tijd en geld) • Ontwikkel – en bouwactiviteiten zijn over meerdere jaren gespreid. (kostenstijgingsrisico – dit kan ook op grond betrekking hebben , waarbij in geval van verkoop dit ook een positief effect kan hebben.) • Vertraging als gevolg van noodzakelijke verkeersontsluiting ; Ecologisch onderzoek kan leiden tot vertraging of extra kosten, bijvoorbeeld vanwege aanwezigheid van beschermde diersoorten in het plangebied. Omwonenden en andere belanghebbenden kunnen tegen de plannen in bezwaar gaan, (Planrisico’s) • De kans bestaat dat de verkoopopbrengsten van de grond tegen valt als gevolg van bijvoorbeeld een economische achteruitgang of overaanbod op de markt. (Economisch risico) • Actualiteit: coronacrisis en ruimtelijke ontwikkelingen (Economisch risico)
Effecten op andere betrokkenen 1. Woningcorporaties 2. Dorpsteams 3. Zorginstellingen 4. Mantelzorgers 5. Grondexploitanten 6. Projectontwikkelaars
Adviesrapport van de IAC
80
Verwachte besparingen 1. Door levensloopbestendig te wonen zijn er minder aanpassingen aan woningen in het kader van de WMO. 2. Door gemengde woonvormen (jongeren en ouderen onder een dak) kunnen WMO mantelzorgkosten bespaard worden 3. Hogere opbrengst gemeente doordat aantal inwoners stijgt bij gelijkblijvend woningaantal door hogere bezetting. 4. Lagere zorgkosten doordat eenzaamheid onder ouderen vermindert. De verwachte besparing in meer concrete termen: Gedeeltelijk besparingen: • op de kosten van AB (ambulante individuele begeleiding) vanuit WMO (verschillende leeftijdscategorieën).
• p.p. € 49,20 per uur voor individuele AB. • p.p. € 78,60 per uur gespecialiseerde individuele AB.
•o p de kosten van vervoer door de aanwezigheid van verschillende woonvormen op één terrein/binnen 1 complex (bv vervoer naar dagbesteding).
• p.p. €9,26 per dag vervoer. • p.p. €22,36 per dag rolstoelvervoer.
• door de reistijdbesparing van professionele hulpverleners bij één centrale post voor de verschillende woonvormen op eenzelfde terrein/binnen één wooncomplex.
• reistijdbesparing=werkurenbesparing.
•o p de kosten van ambulante begeleiding vanuit Jeugdhulp.
• p.p. €46,80 /51,60 per uur voor individuele en/of gezinsbegeleiding.
•o p de kosten van HH ondersteuning (ZIN of PGB) door onderlinge vrijwilligershulp tussen de verschillende generaties bewoners.
Via PBG (persoonsgebonden budget): • p.p € 15,56 per uur voor HH1-ondersteuning. • p.p. € 17,15 per uur voor HH2 (= HH + regie) via ZIN (zorg in natura). • p.p. € 25,93 per uur voor HO. • p.p. € 28,58 per uur voor HO+ huishoudelijke ondersteuning + regie).
NB. De totale kostenbesparing hangt af van de gekozen wooncombinatie en de diversiteit van de hulpvraag van de bewoners.
4.8 Sleutel tot succesvolle doorstroming bij ouderen Uitwerking voorstel 1. Op basis van de woonvisie, zou de gemeente er goed aan doen om doelen SMART te maken. 2. Ga van passieve naar actieve aansturing van de marktpartijen die op de woningmarkt actief zijn; dwing bouw van de gewenste woonvormen af door quota vast te stellen. Gebruik daarbij de grenzen van hetgeen wettelijk is toegestaan om ontwikkelaars (in de gewenste richting) te sturen. Verander de norm van 40 sociale woningen per 100 nieuwbouw, naar 40 sociale woningen, 40 appartementen in middel huur of middel koop per 100 nieuwbouw. Bouw de komende tien jaar voornamelijk levensloopbestendige appartementen voor gemengde groepen (jongeren, ouderen en alleenstaanden). 3. Bepaal d.m.v. bestemmingsplannen dat bouw gericht moet zijn op woon-zorg functie en levensloopbestendige woningen. Bestemmingsplannen zouden meer sturend moeten zijn, zodat de gemeente meer invloed krijgt op wat er gebouwd wordt. 4. Geef meer ruimte aan alternatieve woningbouw (Knarrenhoffen en Tiny Houses). Uit het feit dat de bestaande initiatieven een ballotage en wachtlijst hanteren blijkt de grote behoefte, zowel in de huur- als Adviesrapport van de IAC
81
koopsector. Dit zowel in het goedkope, midden als duurdere segment. Faciliteer en omarm alle plannen om zo’n woonconcept te realiseren. Vereenvoudigen van de procedures, stimulering en goede begeleiding door de gemeente zullen het aantal plannen vergroten. Ga er creatief mee om en help deze haalbaar te maken. 5. De gemeente zou meer zicht moeten hebben op de verdeling van de WMO gelden, zodat duidelijk wordt wat de vermijdbare kosten zijn als gevolg van gebrek aan doorstroming. 6. Communiceer vooral naar de doelgroep. Actieve ondersteuning zal het aantal senioren dat bereid is om te verhuizen vergroten. Reken daarbij op een langere gewenningsduur aan het idee. Stimuleer met behulp van wooncoaches, subsidies e.d. empty nesters en oudere om hun eengezinswoning te verruilen voor een appartement. Schakel hierbij ook het dorpsteam (huisartsen, wijkverpleging, Abrona, Kwintes etc.) in.
Voorbeelden hiervan zijn: • Aanbieden huurkorting en doorstroomurgentie • Seniorenmakelaar, woonambassadeur; geeft steun bij het zoeken naar geschikte woningen • Woonswitch, een vorm van bemiddeling waarbij de opgebouwde woon- of inschrijfduur geen rol speelt, maar de achterblijvende woning en de woonwens het bepaalt • Empty-nest beleid; Senioren interesseren om van een eengezinswoning te verhuizen naar een kleinere woning • Communicatie gemeente in combinatie met stimuleringsmaatregelen zoals verhuissubsidie, doorstroompremie, kopers-subsidie
Effecten op de samenleving 1. Betere benutting bestaande woningvoorraad; Elke woning die wordt bijgebouwd leidt tot een verhuisketen; de ketenlengte is het kortst voor een kleine eengezinswoning, het langst voor een appartement>120m2 2. De bouw van appartementen in zowel de huur als koopsector leidt tot het vrijkomen van relatief veel eengezinswoningen. 3. Gezondere verhuisketen; Door middel van gericht doorstroombeleid kan de woningvoorraad beter benut worden. Het bouwen van grotere woningen (>80m2) is effectiever om langere verhuisketens te realiseren. Senioren, die een eengezinswoning achterlaten, leiden tot de langste verhuisketens. 4. Knarrenhof en andere collectieve – niet-traditionele- woonvormen nemen minder ruimte dan bij eengezinswoningen. De schaars beschikbare grond kan hierdoor efficiënter benut worden. 5. Hoger woongenot; Door hoger woongenot en levensloopbestendige woning betere gezondheid en daardoor lagere zorgkosten 6. Bestrijding eenzaamheid bij alleenstaande ouderen 7. (Mantel)zorg in speciale woonvormen is beter te organiseren: de terugloop van het aantal mantelzorgers kan hierdoor deels opgevangen worden. Effecten op andere betrokkenen: 1. Woningcorporaties 2. Dorpsteams 3. Zorginstellingen 4. Mantelzorgers 5. Grondexploitanten 6. Projectontwikkelaars
Risico’s 1. Projectontwikkelaars trekken zich terug om dat er te weinig te verdienen valt. 2. Grond noodzakelijk voor ontwikkeling woonvormen voor ouderen 3. Eisen duurzaamheid kunnen de realisatie in gevaar brengen door te hoge kosten 4. Om realisatie te verwezenlijken kan spanning ontstaan m.b.t. de opbrengst voor de grondkosten. 5. Naast de gemeente zijn andere partijen nodig voor verwezenlijking; corporaties, projectontwikkelaars, exploitanten speciale woonvormen voor ouderen. 6. Huidige wetgeving belemmert aanpassing dan wel verruiming van bestemmingsplannen en gebruikersvergunningen. Adviesrapport van de IAC
82
Verwachte besparing 1. Door levensloopbestendig te wonen zijn er minder aanpassingen aan woningen in het kader van de WMO. 2. Door gemengde woonvormen (jongeren en ouderen onder een dak) kunnen WMO mantelzorgkosten bespaard worden 3. Hogere opbrengst gemeente doordat aantal inwoners stijgt bij gelijkblijvend woningaantal door hogere bezetting. 4. Lagere zorgkosten doordat eenzaamheid onder ouderen vermindert.
Bijlage 4.8 Sleutel tot succesvolle doorstroming van ouderen Inleiding De woningmarkt zit op slot. Enkel in de provincie Utrecht is er al een tekort van 100.000 woningen. Starters kunnen geen woning vinden, senioren, die in grote eengezinswoningen wonen kunnen geen passende, levensbestendige woning vinden. Er is een tekort aan betaalbare woningen in zowel de (sociale) huur- als koopsector. De vraag is vergroot door afname van de gemiddelde grootte van de huishoudens. Er worden te weinig woningen gebouwd, de doelstellingen worden niet gehaald. Vooruitzichten 2050 In de komende 30 jaar zal deze problematiek alleen maar toenemen. Uit onderzoek van NIDI/CBS blijkt dat het aantal inwoners in Nederland tot 2050 met circa 2 miljoen zal toenemen. Deze groei zal voornamelijk in de dichter bevolkte regio’s van Nederland plaatsvinden (dus ook in Zeist). Het aantal senioren zal toenemen, 70+ers met 50%, het aantal 80+ers zal zelfs verdubbelen. Het aantal alleenstaande ouderen zal verdubbelen van 800 duizend naar 1,5 miljoen, bij een sterke stijging van de levensverwachting kan het aantal 80+ers zelfs oplopen tot 2,6 miljoen in 2050. Het CBS verwacht dat het aantal huishoudens zal stijgen van 8 miljoen in 2020 naar 9,1 miljoen in 2050. De grootste groei wordt verwacht bij de ouderen. Ouderen blijven vaker tot op hogere leeftijd zelfstandig wonen.
Dit betekent dat er een steeds grotere vraag komt naar zorg in de thuissituatie. Veel mantelzorg wordt verleend door jonge ouderen. Als gevolg van deze vergrijzing zal de mantelzorg onder druk komen te staan. Op dit moment bedraagt het aantal 80-plussers als percentage van het aantal 50- tot 75-jarigen 15 procent. Dit percentage zal toenemen tot ruim 30 procent bij een lage levensverwachting en bijna 50 procent bij een hoge levensverwachting. Voor zover er krapte is aan beschikbare formele zorg, kan informele zorg mogelijk soelaas bieden. Het aantal mensen dat alleen woont neemt toe. De afgelopen decennia werd de groei vooral veroorzaakt doordat meer jongeren alleen gingen wonen voordat ze gingen samenwonen en doordat meer mensen een tijdje alleen woonden na een relatiebreuk. De komende decennia vormt de vergrijzing de belangrijkste oorzaak van de toename: het aantal ouderen neemt toe en ze leven langer zelfstandig. Beleid speelt hier een belangrijke rol. Verzorgingshuizen zijn gesloten en alleen ouderen met de grootste zorgbehoefte worden opgenomen in een verpleeghuis. Hoe lang mensen zelfstandig kunnen wonen, hangt af van de beschikbaarheid van hulp in de woonomgeving. Ook beleid ten aanzien van sociale uitkeringen en de belasting speelt een rol.
Aangezien de hoogte van uitkeringen zoals de AOW en de bijstand en de hoogte van de te betalen belasting afhangen van de huishoudenssituatie zal dat de keus om alleen of samen te wonen beïnvloeden. Verder is huisvestingsbeleid van zowel de centrale overheid als van gemeenten van invloed op de beschikbaarheid van betaalbare woningen.
Adviesrapport van de IAC
83
Meer woningen voor eenpersoonshuishoudens nodig in toekomst In de afgelopen decennia is de diversiteit aan huishoudensvormen toegenomen waardoor ook andere woningtypen nodig zijn dan we vroeger gewend waren. Voor de toekomst wordt een groei van het aandeel eenpersoonshuishoudens voorzien. Kijken we naar de woningtypen in de woningvoorraad dan zien we al een kleine verschuiving. In 2014 bedroeg het aandeel eengezinswoningen in de provincie 63,7% en het aandeel meergezinswoningen 36,3% van de totale woningvoorraad. In 2018 gaat het om 63,3% eengezinswoningen en 36,7% meergezinswoningen. Uitgesplitst naar de afzonderlijke gemeenten, zien we dat Utrecht het grootste aandeel eenpersoonshuishoudens heeft; hier is meer dan de helft van alle huishoudens een eenpersoonshuishouden (52%). Ook de gemeente Zeist heeft een groot aandeel eenpersoonshuishoudens (41%). Bron: CBS. Doorstroming Doorstroming op de woningmarkt zorgt er voor dat de woonvoorraad beter benut wordt naar gelang de woonbehoefte. Een onderzoek van de provincie Utrecht heeft aangetoond dat wanneer er maatregelen worden getroffen om doorstroming te bevorderen, de verhuisketen daarmee langer wordt. In essentie betekent dat dat meer mensen een geschikte woning kunnen vinden die past bij hun levensfase.
Behoefte van ouderen om in vertrouwde omgeving te blijven wonen De vergrijzing brengt de vraag met zich mee of er ook specifiek woningen voor ouderen gebouwd moeten worden vanuit het idee dat een doorstroming van ouderen zal leiden tot een versneld aanbod van eengezinswoningen. Tegelijkertijd is echter ook duidelijk dat ouderen liever niet willen verhuizen. Als de huidige woning in de toekomst (toch) niet geschikt blijkt te zijn om in te blijven wonen, zeggen 55-plussers vaker de voorkeur te geven aan het aanpassen van de woning dan aan verhuizen (35 procent tegen 25 procent). Maar het grootste deel (bijna 40 procent) weet nog niet wat ze in die situatie zouden doen. Een op de drie 55-plussers en een op de zes 75-plussers wil nog wel verhuizen. De belangrijkste redenen hiervoor zijn gezondheids- of ouderdomsklachten (genoemd door 50 procent van de 55-plussers) en een te grote woning (ongeveer 40 procent). Zes op de tien 55-plussers die nog willen verhuizen hebben een voorkeur voor een flat of appartement. Ook seniorenwoningen zijn populair. Ruim de helft(55%) van de 55-plussers met verhuisplannen en bijna drie kwart (73%) van de 75-plussers zouden hiervoor kiezen. Het planbureau voor de leefomgeving stelt dat als er voor ouderen gebouwd gaat worden, dit het beste in bestaande buurten kan gebeuren, gezien de gehechtheid van ouderen aan hun buurt.
Nieuwbouw voor ouderen betekent volgens het kenniscentrum dus niet alleen maatwerk in kwantiteit en kwaliteit, maar ook in locatie. Echter, juist vanwege de geringe verhuismobiliteit van ouderen bestaat vooral een grote aanpassingsopgave: het geschikt maken van de huidige woningen voor oudere bewoners die mogelijk te maken krijgen met allerlei fysieke beperkingen. Daarnaast zal rekening gehouden moeten worden met een hernieuwde behoefte aan winkels en andere voorzieningen in de directe omgeving. Reisadvies: Door de commissie Toekomst zorg thuiswonende ouderen is in opdracht van het kabinet een reisadvies uitgebracht, hoe de zorg voor thuiswonende ouderen in de toekomst op peil gehouden kan worden. Een van de vier centrale adviezen is: Ga (ver)bouwen! De fysieke woon- en leefomgeving is voor ouderen cruciaal om zelfstandig te kunnen (blijven) wonen en zo min mogelijk afhankelijk te worden van zorg. Nieuwe woonvormen, tussen het aloude eigen huis en verpleeghuis in, kunnen een oplossing bieden. Te midden van alle problemen op de woningmarkt wordt er ook voor ouderen veel te weinig gebouwd en verbouwd. Met als gevolg niet alleen een suboptimaal woningaanbod voor ouderen, maar ook een belemmering van de doorstroming op de woningmarkt.
Adviesrapport van de IAC
84
Doorstroming bevorderende maatregelen Door de provincie Utrecht is in 2019 onderzoek gedaan naar de effecten van doorstroommaatregelen op de woningmarkt. In 2019 is door het Ministerie van Binnenlandse zaken een wooncongres “Ruimte voor wonen” georganiseerd waar inzichten op doorstroming en de relatie naar ouderen zijn gedeeld. In Nederland is reeds door veel woningbouwcorporaties ervaringen opgedaan m.b.t. stimulering van ouderen. Uit deze publicaties zijn de volgende inzichten te krijgen: • Elke woning die wordt bijgebouwd leidt tot een verhuisketen; de ketenlengte is het kortst voor een kleine eengezinswoning, het langst voor een appartement>120m2 • De bouw van appartementen in zowel de huur als koopsector leidt tot het vrijkomen van relatief veel eengezinswoningen. • Door middel van gericht doorstroombeleid kan de woningvoorraad beter benut worden. Het bouwen van grotere woningen (>80m2) is effectiever om langere verhuisketens te realiseren. • Senioren, die een eengezinswoning achterlaten, leiden tot de langste verhuisketens. • Door decentralisatie AWBZ en afschaffen verzorgingstehuis voor lichte zorgdoelgroepen is een grotere behoefte ontstaan aan goede aangepaste woningen. • Van ouderen wordt verwacht dat ze langer zelfstandig wonen. Senioren wonen vaak lang (alleen) in hun (eengezins-)woning.